Selectielijst beleidsterrein Monumentenzorg 1945-1990
- BWB-id
- BWBR0014801
- Type
- ministeriele-regeling-archiefselectielijst
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 2003-04-11 t/m 2012-01-05
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0014801
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling-archiefselectielijst/2003/selectielijst-beleidsterrein-monumentenzorg-1945-1990
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling-archiefselectielijst/2003/selectielijst-beleidsterrein-monumentenzorg-1945-1990/2003-04-11
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0014801&g=2003-04-11
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0014801&z=2026-06-06&g=2003-04-11
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0014801/2003-04-11
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling-archiefselectielijst/2003/selectielijst-beleidsterrein-monumentenzorg-1945-1990
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Monumentenzorg over de periode 1945-1990 De bij dit besluit gevoegde '' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. 2003 70 09-04-2003 12-03-2003 C/S/03/673 2003 70 09-04-2003 12-03-2003 C/S/03/673 11-04-2003
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2003 70 09-04-2003 12-03-2003 C/S/03/673 2003 70 09-04-2003 12-03-2003 C/S/03/673 11-04-2003
Artikel _1 — Inleiding#
Inleiding Het PIVOT-rapport Van monumentale waarde. Een institutioneel onderzoek naar de rijksoverheidsbemoeienis met monumentenzorg, 1945-1990 is in 1995 gereed gekomen. Het rapport is het resultaat van institutioneel onderzoek bij het voormalige ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en behandelt de periode 1945-1990. Het onderzoek is uitgevoerd in 1992-1993. Op basis van het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) ontwikkelen de algemene rijksarchivaris, voor deze de projectleider PIVOT, en vertegenwoordigers van de minister waaronder Cultuur ressorteert (sinds 1 januari 1995 de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) een selectie-instrumentarium. Dit concept Basis Selectie Document (BSD) is daarvan het product. Het BSD maakt het mogelijk het handelen van de rijksoverheid op het beleidsterrein monumentenzorg te beoordelen en omvat de resultaten, met afwegingen, van het selectieproces. Als bijlage bij het BSD is een selectielijst gevoegd, zoals bedoeld in artikel 3 van het Archiefbesluit (26 maart 1968, Stb. 200) en het Besluit algemene richtlijnen vaststelling vernietigingslijsten archiefbescheiden (KB 19 mei 1972, no. 7, Stcrt. 109).
Artikel _2 — Algemene uitgangspunten bij de selectie#
Algemene uitgangspunten bij de selectie De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de artikelen 5, 13 en 37 van de Archiefwet 1962 (19 juli 1962, Stb. 313). De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen te bewaren en te vernietigen gegevens, die de neerslag zijn van het handelen van bedoelde organen. De te bewaren gegevens moeten een 'reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving' mogelijk maken. Zoals de minister van WVC bij de behandeling van de nieuwe Archiefwet in de Tweede Kamer op 13 april 1994 heeft gemeld, is het onderhavige BSD opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/PIVOT, die luidt: het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen. Door het Convent van rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald als het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring. De handelingen worden geselecteerd en gewaardeerd op hun bijdrage aan de realisering van die selectiedoelstelling. Aan de orde is derhalve de vraag: 'welke gegevens, behorende bij welke handeling, berustend bij welke actor, dienen te worden bewaard ten einde het handelen van de overheid ten opzichte van haar omgeving, op hoofdlijnen, in het taakgebied cultuur en het beleidsterrein monumentenzorg te kunnen reconstrueren?'. Een antwoord op deze vraag kan worden gegeven, indien is geformuleerd wat wordt verstaan onder het begrip 'hoofdlijnen van het handelen'. Op deze vraag wordt hieronder ingegaan.
Artikel _3 — Doelstellingen en taken van de rijksoverheid met betrekking tot het taakgebied cultuur en het beleidsterrein monumentenzorg#
Doelstellingen en taken van de rijksoverheid met betrekking tot het taakgebied cultuur en het beleidsterrein monumentenzorg Het beleidsterrein monumentenzorg maakt onderdeel uit van het taakgebied cultuur. Dit taakgebied van de rijksoverheid is afgeleid van haar cultuurpolitieke doelstellingen. In de Staatsalmanak van 1990 (pp. U18-U20) worden drie hoofdbeleidsterreinen vermeld: 1. cultuurbeheer 2. kunsten 3. media, letteren en bibliotheken. In het onderhavige BSD is het beleidsterrein monumentenzorg, als een vorm van cultuurbeheer, in handelingen beschreven waarna deze zijn gewaardeerd. Het doorgeven aan latere generaties van cultuur-historisch waardevolle objecten en stads- en dorpsgezichten is één van de voornaamste doelstellingen van de monumentenzorg. Door passieve en actieve maatregelen, i.c. bescherming en restauratie, wordt getracht dit doel te bereiken. De belangrijkste doelstelling van het rijksoverheidsbeleid op het beleidsterrein monumentenzorg is het behoud van het cultureel erfgoed, i.c. van monumentale objecten, oude dorpskernen en stadsgezichten. Daarnaast is het streven gericht op openstelling en publiekmaking en tracht de overheid het wetenschappelijk onderzoek te stimuleren. De overheidsinterventie is primair gericht op de instandhouding van gebouwde en archeologische monumenten waaraan een bijzondere culturele waarde wordt toegekend. Hieronder worden zowel openbare gebouwen, woonhuizen, kastelen, kerken en molens, als stads- en dorpsgezichten, grachten, wegen, straten, pleinen en bruggen verstaan, alsmede historische parken, tuinen en buitenplaatsen. Ook archeologische monumenten, zowel aan de oppervlakte zichtbare objecten als grafheuvels en hunebedden, als niet zichtbare terreinen met sporen van vroegere bewoning en begraving en in de (zee)bodem aanwezige scheepswrakken behoren tot de zorg van de rijksoverheid tot bescherming en instandhouding van monumenten. De overheid beschermt deze onroerende monumenten tegen verminking en vernietiging. De interventie van de overheid behelst in beginsel een systeem van bescherming van objecten door deze via inschrijving in een register te erkennen als een object van overheidszorg. Naast bescherming verleent de rijksoverheid subsidie ten behoeve van restauratie van gebouwde monumenten. De lagere overheden dragen ook zelf bij in de kosten van de bescherming. De minister draagt de eindverantwoordelijkheid voor de uitoefening van de bepalingen in de Monumentenwet 1961 - en diens opvolger van 1988 - die de bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten mogelijk maakt. Lange tijd bleef de bemoeienis op het gebied van de gebouwde monumentenzorg beperkt tot het instrument van subsidieverlening. Tot de invoering van de Tijdelijke wet Monumentenzorg in 1950 beschikte men niet over voldoende bevoegdheden om aantasting, vernietiging of vernieling van monumenten te verhinderen. Formele wetgeving op het terrein van de monumentenzorg begon pas in 1961, toen het systeem van de tijdelijke regelingen definitief werd vervangen door een Monumentenwet. Met de totstandkoming van deze wet werd de bescherming van afzonderlijke monumenten, alsook van stads- en dorpsgezichten als een wettelijke taak van de rijksoverheid aanvaard. De toestemming van de minister was vereist in alle gevallen waarin met subsidie werd gerestaureerd of waar een beschermd monument in het geding was. Het uitvoerend beleid van de minister is in handen gelegd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. De hoofdlijnen van de rijksoverheidsbemoeienis op het beleidsterrein monumentenzorg kunnen derhalve worden geformuleerd als de zorg voor het beheer en behoud van gebouwde en archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Deze zorg kan worden onderscheiden in de volgende deelprocessen: 1. het aanwijzen 2. het beschrijven 3. instandhouding en restauratie. Uit het rapport Van monumentale waarde blijkt dat de minister waaronder cultuur ressorteert, niet de enige actor is die handelingen verricht op het beleidsterrein monumentenzorg. In de periode 1945-1990 is het beleidsterrein monumentenzorg en het taakgebied cultuur ondergebracht bij de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (vanaf 1965) en de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (sinds 1982). De minister van Verkeer en Waterstaat, de minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid / Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Landbouw zijn ook actoren op het beleidsterrein monumentenzorg. De Rijkscommissies voor de Monumentenzorg en het Oudheidkundig Bodemonderzoek en de opvolgers (Voorlopige) Monumentenraad / Raad voor het Cultuurbeheer zijn de voornaamste adviserende en beleidsbepalende instellingen op het beleidsterrein. Verder verricht een tweetal commissies handelingen, t.w. de Rijksplanologische Commissie (en haar voorganger de Vaste Commissie van de Rijksdienst voor het Nationale Plan) en de WVC-Schadebeoordelingscommissie. Tenslotte zijn ook de Raad van State en de Kroon als actor betrokken bij monumentenzorg doordat zij als beroepsinstantie fungeren inzake beslissingen genomen krachtens de Monumentenwet en bij KB de leden van de Monumentenraad / Raad voor het Cultuurbeheer benoemen.
Artikel _4 — Algemene selectiecriteria#
Algemene selectiecriteria Tegen de achtergrond van de beschreven hoofdlijnen kan met behulp van algemene selectiecriteria een waardering worden toegekend aan de handelingen. Algemene selectiecriteria zijn van toepassing op alle handelingen van de actoren, ongeacht op welk beleidsterrein van de overheid deze handelingen worden verricht. De algemene criteria worden hieronder vermeld. In een bijlage worden per actor de handelingen opgesomd. Na het selectiewaardering is aangegeven op welk criterium dit waardering is gebaseerd. Tevens is vermeld in welke periode de betreffende handeling is verricht en welk volgnummer de handeling in het RIO Van monumentale waarde heeft. In drie gevallen zijn handelingen uit het RIO gesplitst om een verschillende waardering te kunnen geven (RIO nrs. 26, 34 en 98 in BSD nrs. 88, 89, 93, 94, 114 en 115). Naast algemene criteria kunnen in de basis selectiedocumenten specifieke criteria worden geformuleerd voor handelingen die op grond van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. In dit basis selectiedocument is hiervan geen gebruik gemaakt.
Artikel _5 — Handelingen die worden gewaardeerd met B (ewaren)#
Handelingen die worden gewaardeerd met B (ewaren) 1. Handelingen die betrekking hebben op beleidsvoorbereiding, -bepaling en -evaluatie Toelichting: 1. Beleidsbepaling komt tot stand via parlementaire behandeling 2. Hieronder tevens begrepen handelingen gericht op politieke besluitvorming of waarbij een belangenafweging plaatsvindt. 3. Hieronder worden handelingen gericht op het sluiten van internationale verdragen en uitvoeringsregelingen Neerslag: beleidsnota's aan de Tweede Kamer, archieven van besluitvormende organisatie-onderdelen bij Defensie, zoals de Defensieraad en de krijgsmachtdeelraden, neerslag van processen m.b.t. het sluiten van internationale verdragen en overeenkomsten 2. Handelingen gericht op externe verantwoording of verslaglegging Toelichting: Verslaglegging naar andere actoren over het gevoerde beleid Neerslag: Jaarverslagen, voorbereiding van antwoorden op kamervragen, neerslag van voorbereiding van rapportages aan Tweede Kamer, etc. 3. Adviezen gericht op de hoofdlijnen van het beleid Toelichting: Adviezen die gebruikt kunnen worden bij beleidsvoorbereiding, -bepaling of -evaluatie Neerslag: Adviezen en rapportages van commissies en overlegorganen. 4. Handelingen gericht op het stellen van regels direct gerelateerd aan de hoofdlijnen van het beleid Toelichting: Hieronder ook begrepen pseudo-wetgeving Neerslag: Ministeriële regelingen en interne voorschriften 5. Handelingen gericht op de (her)inrichting van de beleidsorganisatie, belast met primaire bedrijfsprocessen Neerslag: Reorganisatieprocessen, instelling en opheffing van beleidsorganen en directies 6. Uitvoerende handelingen die onmisbaar zijn voor de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen Toelichting: 1. Hieronder worden begrepen handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop de uitvoering plaatsvindt en die direct gerelateerd zijn aan de hoofdlijnen van het overheidshandelen. 2. Hieronder worden ook begrepen precedenten of produkten t.o.v. de omgeving die tot stand zijn gekomen in afwijking van gereglementeerde en voorgeschreven criteria of in bepaalde mate voorbeeldgevend zijn voor de uitvoering van de handeling 7. Uitvoerende handelingen die het algemeen democratisch functioneren mogelijk maken Toelichting: Hieronder begrepen de handelingen van Hoge Colleges van Staat, het beantwoorden van kamervragen Neerslag: Kroonbeschikkingen en adviezen van de Raad van State, Algemene Rekenkamer e.d. 8. Uitvoerende handelingen die onttrokken zijn aan democratische controle en direct zijn gerelateerd aan hoofdlijnen van beleid Toelichting: Hieronder worden onder meer begrepen handelingen waarop de uitzonderingsgronden van de WOB van toepassing zijn 9. Uitvoerende handelingen die direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor Nederland bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten Toelichting: Hierbij moet worden gedacht aan handelingen verricht in het kader van de Tweede Wereldoorlog, de politionele acties, de watersnoodramp van 1953, de gijzelingsacties e.d.
Artikel _6 — Bijzonder selectiecriterium#
Bijzonder selectiecriterium Gelet op het cultuurhistorische belang van monumenten is voor het beleidsterrein Monumentenzorg een bijzonder selectiecriterium ontwikkeld volgens welke voor blijvende bewaring in aanmerking komen: de neerslag van uitvoerende handelingen die onmisbaar zijn voor de reconstructie van de bepalende cultuurhistorische (architectuur- en bouwhistorische en archeologische) kenmerken van objecten van monumentale waarde (B 10).
Artikel _7 — Uitzonderingsclausule#
Uitzonderingsclausule Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd. Bewerkingsplannen, aan de hand waarvan de daadwerkelijke selectie van archieven plaatsvindt, dienen te voorzien in procedures daarvoor.
Artikel _8 — Vaststelling BSD#
Vaststelling BSD In november 1995 is het ontwerp-BSD door de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Sport aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 18 december 1995 lag het ontwerp-BSD gedurende acht weken ter publieke inzage bij de informatiebalie in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief evenals in de bibliotheken van de universiteiten, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant nr. 245 van 18 december 1995. Tijdens deze periode is van (historische) organisaties of individuele burgers is geen commentaar ontvangen. In de vergadering van de Bijzondere Commissie Archieven van de RvC is het ontwerp-BSD behandeld, waarbij ook het verslag van het driehoeksoverleg bij de voorbereiding van het advies is meegenomen. Op 3 juni 1997 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-97.6500/1), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in het BSD: - handeling 10 ingetrokken en vervangen door vier nieuwe handelingen (151-154); - handeling 11 - handelingen 21 (RIO-nr. 30), 28 (RIO-nr. 46), 43 (RIO-nr. 77), 45 (RIO-nr. 79) en 47 (RIO-nr. 81): waardering gewijzigd van V in B (10); - handelingen 29 (RIO-nr. 47), 30 (RIO-nr. 48), 48 (RIO-nr. 82) en 50 (RIO-nr. 85): waardering gewijzigd van V in Beschikking: B (10), overige stukken V 10 jaar; - handelingen 51 (RIO-nr. 86), 63 (RIO-nr. 108), 64 (RIO-nr. 109), 65 (RIO-nr. 110), 66 (RIO-nr. 111), 67 (RIO-nr. 113), 68 (RIO-nr. 114), 71 (RIO-nr. 117), 72 (RIO-nr. 118), 73 (RIO-nr. 119) en 74 (RIO-nr. 120): waardering gewijzigd van V in Goedkeuring plan architect / vaststelling subsidiabele kosten / geldelijke verantwoording (`eindstaat'): B (10), overige stukken V 10 jaar. Daarnaast is de waardering van handeling 17 (RIO-nr. 21), die bij de terinzagelegging op V was gesteld, gewijzigd naar B (4) overeenkomstig de inzichten die sinds het advies van de Raad met betrekking tot de totstandkoming van jaarplannen zijn ontwikkeld.