Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 september 2010, nr. AV/PB/2010/18205, tot wijziging van de Regeling Pensioenwet BES
- BWB-id
- BWBR0028776
- Type
- ministeriele-regeling-BES
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0028776
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling-bes/2010/regeling-pensioenwet-bes
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling-bes/2010/regeling-pensioenwet-bes/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0028776&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0028776&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0028776/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling-bes/2010/regeling-pensioenwet-bes
Artikel 1 — Artikel 1 Aanmelding pensioenfonds#
Artikel 1 Aanmelding pensioenfonds artikel 4 van de wet bijlage 1 Het bestuur van een pensioenfonds meldt de oprichting van het pensioenfonds overeenkomstigdoor middel van het formulier dat alsbij deze regeling is gevoegd. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 2 — Artikel 2 Betrouwbaarheid#
Artikel 2 Betrouwbaarheid In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. artikel 5a van de wet betrouwbaarheid:het zich onthouden van een of meer gedragingen die naar het oordeel van de Bank in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler als bedoeld in. b. gedragingen: een doen of nalaten dat blijk geeft van de afwezigheid van eigenschappen als: – waarheidslievendheid; – verantwoordelijkheidszin; – wetsgetrouwheid; – openheid; – oprechtheid; – prudentie; – punctualiteit; – onkreukbaarheid; – discretie; – rechtschapenheid. c. bijlage 2 antecedenten: voornemens, handelingen, en strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten. De strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten omvatten de in degenoemde feiten en omstandigheden. d. betrokkenen:beleidsbepalers bij onder toezicht staande pensioenfondsen. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3 Betrouwbaarheidstoetsing#
Artikel 3 Betrouwbaarheidstoetsing De betrouwbaarheidstoetsing: a. is gebaseerd op het antecedentenonderzoek zoals in de wet bepaald; b. artikel 2, onder d is toepasbaar op alle betrokkenen als bedoeld in; en c. dient ter waarborging van de integriteit van een pensioenfonds, door middel van toetsing van bovengenoemde betrokkenen. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 4 — Artikel 4 Frequentie toetsing#
Artikel 4 Frequentie toetsing De toetsing van betrouwbaarheid van de betrokkenen geschiedt om de drie jaar en wanneer de Bank dit noodzakelijk acht, onder meer: a. bij wijziging van antecedenten voor afloop van de gestelde periode; en b. in geval van een gemeld incident. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 5 — Artikel 5 Onverenigbaarheid van belangen#
Artikel 5 Onverenigbaarheid van belangen 1 bijlage 2.A.2 Gelet op aard en de ernst van de misdrijven genoemd in, worden de aan die misdrijven ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de wet beoogt te beschermen. 2 bijlage 2.A.1 Indien de antecedenten van de betrokkene kunnen worden gekwalificeerd als feiten en omstandigheden in de zin van zowelals bijlage 2.A.2, dan geldt het bepaalde van het eerste lid, tenzij sedert de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden acht jaren of meer zijn verstreken. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 6 — Artikel 6 Continuïteitsanalyse#
Artikel 6 Continuïteitsanalyse 1 Het inzicht dat de continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening kan worden toegekend, wordt aangegeven door de cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op jaarbasis uit te drukken. 2 artikel 12, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES Bij de continuïteitsanalyse worden kalenderjaren gehanteerd, tenzij sprake is van een continuïteitsanalyse op grond van. In dat geval worden actuele data gebruikt. 3 Het pensioenfonds geeft aan waarin een continuïteitsanalyse afwijkt van een eerder uitgevoerde continuïteitsanalyse. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 7 — Artikel 7 Hoogte bedragen#
Artikel 7 Hoogte bedragen artikel 7b, eerste lid, van de wet De bedragen, bedoeld in, worden vastgesteld op: 1. USD 2.028, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire; 2. USD 1.848, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius; 3. USD 1.941, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Saba; en 4. USD 1.848, indien belanghebbende woonachtig is buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2025 39413 19-11-2025 12-11-2025 2025-0000251465 2025 39413 19-11-2025 12-11-2025 2025-0000251465 01-01-2026
Artikel 8 — Artikel 8 Uitzondering op afkoop#
Artikel 8 Uitzondering op afkoop artikel 7b, eerste lid, van de wet De afkoop van een pensioen, bedoeld in, is niet mogelijk: a. ten aanzien van een weduwen- en weduwnaarspensioen of een bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen, indien uit hoofde van het overlijden waaraan het recht op pensioen wordt ontleend, tevens recht bestaat op wezenpensioen ten laste van het fonds; b. ten aanzien van een tijdelijk pensioen. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 9 — Artikel 9 Definities#
Artikel 9 Definities 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. ouderdomspensioen: artikel 7 van de wet het ouderdomspensioen waarop krachtensaanspraak bestaat; b. weduwen- en weduwnaarspensioen: artikel 7 van de wet het weduwen- en weduwnaarspensioen waarop krachtensaanspraak bestaat; c. bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen: artikel 8 van de wet het pensioen, bedoeld in, berekend overeenkomstig de wijze waarop het weduwen- en weduwnaarspensioen wordt berekend; d. contante-waardefactor: het actuarieel bepaalde getal, gebaseerd op kans- en rentefactoren, waarmee de waarde pensioenaanspraak op enig tijdstip wordt vastgesteld; e. contante waarde: het bedrag waarop een pensioenaanspraak wordt gewaardeerd door vermenigvuldiging van dat pensioen met de contante-waardefactor; f. overdrachtswaarde: het bedrag van de contante waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer; g. rentestandskorting: korting op de contante waarde ter verrekening van overrente boven de rekenrente die in aanmerking is genomen bij de bepaling van de contante-waardefactor. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 10 — Artikel 10 Procedure met betrekking tot overdragende pensioenuitvoerder#
Artikel 10 Procedure met betrekking tot overdragende pensioenuitvoerder 1 De gewezen deelnemer kan uiterlijk tot twee jaar na beëindiging van de deelneming een verzoek tot waardeoverdracht doen bij de overdragende pensioenuitvoerder. 2 Bij het verzoek legt de gewezen deelnemer een schriftelijke verklaring van de ontvangende pensioenuitvoerder over waarin deze verklaart bereid te zijn mee te werken aan de waardeoverdracht. 3 De overdragende pensioenuitvoerder verstrekt binnen twee maanden na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek aan de gewezen deelnemer een schriftelijke gedagtekende opgave van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder: a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd; b. toeslagverlening; c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht. 4 De waardeoverdracht kan plaatsvinden nadat de gewezen deelnemer schriftelijk heeft ingestemd met de in het derde lid bedoelde opgave. 5 Indien de gewezen deelnemer niet binnen zes maanden na dagtekening van de opgave of, indien hij tegen die opgave bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft aangetekend, binnen zes maanden nadat die opgave in rechte onaantastbaar is geworden, schriftelijk met de opgave heeft ingestemd, wordt het verzoek geacht te zijn ingetrokken. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 11 — Artikel 11 Procedure met betrekking tot ontvangende pensioenuitvoerder#
Artikel 11 Procedure met betrekking tot ontvangende pensioenuitvoerder De ontvangende pensioenuitvoerder kan de overdrachtswaarde in ontvangst nemen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. artikel 10, derde lid de gewezen deelnemer verstrekt de in, bedoelde opgave aan de ontvangende pensioenuitvoerder; b. de ontvangende pensioenuitvoerder verstrekt aan de gewezen deelnemer een opgave van de aanspraken die de gewezen deelnemer in de nieuwe pensioenregeling in verband met de waardeoverdracht zal ontvangen; en c. de gewezen deelnemer heeft ingestemd met de in onderdeel b opgenomen opgave en heeft verzocht om de overdracht. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 12 — Artikel 12 Realisatie waardeoverdracht#
Artikel 12 Realisatie waardeoverdracht 1 artikel 11, onderdeel c De overdragende pensioenuitvoerder draagt de overdrachtswaarde over aan de ontvangende pensioenuitvoerder binnen drie maanden na ontvangst van het in, bedoelde verzoek. 2 Door de overdracht vervallen de pensioenaanspraken van de gewezen deelnemer jegens de overdragende pensioenuitvoerder. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 13 — Artikel 13 Bepaling omvang overdrachtswaarde#
Artikel 13 Bepaling omvang overdrachtswaarde 1 De overdrachtswaarde heeft uitsluitend betrekking op aanspraken op ouderdoms-, weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen. 2 Voor de bepaling van de omvang van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de bedragen die gelden op de datum waarop het verzoek tot overdracht of overname van de overdrachtswaarde door de pensioenuitvoerder is ontvangen. Wanneer het verzoek is ontvangen voor de datum waarop betrokkene deelnemer is geworden, dan wel zijn deelnemerschap is geëindigd, treedt de datum van indiensttreding of van beëindiging van het deelnemerschap in de plaats van de datum, bedoeld in de eerste volzin. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14 Berekening contante waarde#
Artikel 14 Berekening contante waarde 1 Bij overdracht of overname van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de contante-waardefactoren, die het bestuur, na overleg met de Bank, heeft vastgesteld ter berekening van de contante waarden van: a. ouderdomspensioen van vrouwen; b. ouderdomspensioen van mannen; en c. weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen. 2 De contante-waardefactoren, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld met toepassing van de rekenrente van de laatstelijk samengestelde actuariële balans van het fonds. De sterftekansen worden ontleend aan de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde sterftetafels die toegepast zijn bij de laatstelijk samengestelde actuariële balans. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 15 — Artikel 15 Rentestandskorting#
Artikel 15 Rentestandskorting 1 Indien de overdragende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt de over te dragen overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor (100 - X ) : 100, waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt. 2 artikel 16 Indien ontvangende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt voor de toepassing vanhet bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor 100 : ( 100 - X ), waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 16 — Artikel 16 Berekening deelnemingsjaren#
Artikel 16 Berekening deelnemingsjaren 1 De ontvangende pensioenuitvoerder berekent fictieve deelnemingsjaren gelijk aan W: CWP, waarin: artikel 15, tweede lid W = het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde, na toepassing van; en artikel 14 CWP = de contante waarde van het ouderdomspensioen per dienstjaar, vastgesteld met gebruikmaking van de contante-waardefactoren, bedoeld in. Tevens omvat CWP voor alle deelnemers de contante waarde van het weduwen- en weduwnaarspensioen per dienstjaar. 2 artikel 13, tweede lid Voor de toepassing van het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het inkomen op de datum, bedoeld in. 3 De fictieve deelnemingsjaren, bedoeld in het eerste lid, worden door de ontvangende pensioenuitvoerder behandeld alsof zij zijn opgebouwd in de pensioenovereenkomst met de nieuwe werkgever. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 17 — Artikel 17 Bijzondere gevallen#
Artikel 17 Bijzondere gevallen 1 Voor groepen van gevallen waarin toepassing van deze paragraaf tot een naar het oordeel van de betrokken pensioenuitvoerders onredelijke uitkomst leidt, zijn de pensioenuitvoerders gezamenlijk dan wel individueel bevoegd ten gunste van belanghebbenden een regeling te treffen die met de strekking van deze paragraaf overeenkomt. 2 Van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt een afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer en aan de Bank. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18 Consistentie#
Artikel 18 Consistentie 1 artikel 7f, eerste lid, van de wet Voor de toepassing vanwordt verstaan onder: a. financiering: 1°. artikel 28, onderdeel f, g en h, van het Besluit Pensioenwet BES artikel 16e van de wet bij pensioenfondsen: hetgeen op grond vanis opgenomen in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in; 2°. bij een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld; b. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar. 2 artikel 7f, eerste lid, van de wet Consistentie als bedoeld in, bestaat voor een pensioenfonds indien: a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het vereist eigen vermogen over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht, die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het pensioenfonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van de technische voorzieningen op het vereist eigen vermogen te brengen. 3 artikel 7f, eerste lid, van de wet Indien uitgaande van het vereist eigen vermogen van het pensioenfonds niet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, bestaat consistentie als bedoeld inindien: a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van een hogere dekkingsgraad dan het vereist eigen vermogen, over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het de technische voorzieningen op de, in onderdeel a genoemde, hogere dekkingsgraad te brengen. 4 De Bank kan op verzoek van een pensioenfonds toestaan dat onderdeel b van het tweede of derde lid niet wordt toegepast, dan wel dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in die onderdelen, mag worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan de technische voorzieningen. 5 artikel 7f, eerste lid, van de wet Consistentie als bedoeld in, bestaat voor een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Artikel 18a — Artikel 18a Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan#
Artikel 18a Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan 1 artikel 16b, tweede lid, van de Pensioenwet BES Voor een pensioenfonds dat een kortetermijnherstelplan als bedoeld inheeft ingediend, geldt met inachtneming van dit artikel, een verlenging van de looptijd met maximaal twee jaar indien het pensioenfonds een herzien kortetermijnherstelplan indient uiterlijk vier maanden voor de afloop van de termijn van het oorspronkelijke kortetermijnherstelplan. 2 In het herziene kortetermijnherstelplan wordt opgenomen: a. artikelen 13 13d van de Pensioenwet BES door welke maatregelen het fonds, zo nodig met vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar na de ingangsdatum van het oorspronkelijke kortetermijnherstelplan zal voldoen aan deen; en b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zo nodig verdergaande vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, genomen kunnen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen indien gedurende de verlengde looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt. 3 De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, voldoen aan de volgende eisen: a. indien ten tijde van de indiening van het herziene kortetermijnherstelplan geconstateerd wordt dat een vermindering noodzakelijk is, wordt in het herziene kortetermijnherstelplan een voorgenomen vermindering opgenomen, die wordt doorgevoerd uiterlijk per 1 april 2017 en die voldoende is om naar verwachting uiterlijk per 31 december 2018 te voldoen aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt; b. indien uit de evaluatie op basis van de gegevens uiterlijk per 31 december 2016, blijkt dat: 1°. volstaan kan worden met een beperktere vermindering dan bedoeld onder a, omdat het pensioenfonds dit tot genoegen van De Nederlandsche Bank kan aantonen op basis van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, wordt per 1 april 2017 die beperktere vermindering doorgevoerd; of 2° een grotere vermindering noodzakelijk is, wordt de onder a bedoelde vermindering doorgevoerd en wordt de nog aanvullend noodzakelijke vermindering per 1 april 2018 doorgevoerd, mits de gegevens per 31 december 2017 die vermindering nog steeds noodzakelijk maken. 4 Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de verlengde looptijd zal kunnen worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt, wordt uiterlijk: a. per 1 april 2018 een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten doorgevoerd om de dekkingsgraad op een zodanig niveau te brengen dat naar verwachting opnieuw zal worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen aan het einde van de verlengde looptijd volledig door waarden worden gedekt; en b. per 1 april 2019 een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten doorgevoerd om de dekkingsgraad op een zodanig niveau te brengen dat aan het einde van de verlengde looptijd zal worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt. 5 Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig jaar. 6 Zo nodig in afwijking van het derde en vierde lid, wordt een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, vastgesteld op de laatste dag van de verlengde looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan, noodzakelijk is, uiterlijk drie maanden na afloop van het herziene kortetermijnherstelplan onvoorwaardelijk ingeboekt en geëffectueerd. 7 In afwijking van de eis, bedoeld in het zesde lid, dat de vermindering binnen drie maanden na afloop van het herziene kortetermijnherstelplan wordt geëffectueerd, kan een pensioenfonds de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zesde lid, spreiden, indien per 31 december 2018: a. het pensioenfonds op basis van een continuïteitsanalyse aannemelijk heeft gemaakt dat de pensioenregeling structureel zodanig is vormgegeven dat het beoogde pensioenresultaat haalbaar is; b. stijgingen van de levensverwachting ten laste worden gebracht van de toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten; en c. bij een dekkingsgraad van minder dan 110% geen toeslag wordt verleend. 8 Een pensioenfonds met een herzien kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt op of na 31 december 2018, kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zevende lid, als volgt spreiden: a. in 2019 kan de vermindering worden beperkt tot hetgeen op grond van het vierde lid wordt geëffectueerd per 1 april 2019, met dien verstande dat indien deze vermindering meer bedraagt dan 7%, de vermindering in 2019 kan worden beperkt tot 7%; b. in 2020 kan de effectuering van de vermindering worden beperkt tot 7%; c. de resterende vermindering wordt geëffectueerd per 1 april 2021. 2016 34183 30-06-2016 23-06-2016 2016-0000146785 2016 34183 30-06-2016 23-06-2016 2016-0000146785 01-07-2016
Artikel 19 — Artikel 19 Standaardmodel#
Artikel 19 Standaardmodel 1 artikel 23, eerste lid, van het Besluit Pensioenwet BES Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel, bedoeld in, gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren: a. bijlage 3 het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 vanopgenomen rentefactoren; b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in: 1°. aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed met 25%; 2°. aandelen opkomende markten met 35%; 3°. niet beursgenoteerde aandelen met 30%; en 4°. direct vastgoed met 15%; c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de dollar met 20%; d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 30%; e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de gewogen gemiddelde rentemarge voor het kredietrisico van het fonds met 40%; f. het verzekeringstechnische risico; g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%; h. het concentratierisico bedraagt 0%; en i. het operationeel risico bedraagt 0%. 2 Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2013
Artikel 20 — Artikel 20 Correlaties#
Artikel 20 Correlaties 1 artikel 19 Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld intot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties: a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie (ρ) van 0,50; b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie (ρ) van 0,75; c. tussen de overige risico’s: een correlatie (ρ”) van 0. 2 bijlage 3 Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 vanopgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedure gebruikt. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2013
Artikel 21 — Artikel 21 Risicoprofiel#
Artikel 21 Risicoprofiel Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met de Bank over de te nemen maatregelen. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2013
Artikel 22 — Artikel 22 Vereenvoudigd model#
Artikel 22 Vereenvoudigd model 1 artikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES De Bank kan toestemming verlenen voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen volgens een vereenvoudigd model als bedoeld inindien het pensioenfonds beschikt over: a. een eigen vermogen dat ten minste 30% van de technische voorzieningen bedraagt, waarbij geen sprake is van financiering met achtergestelde leningen; b. een eenvoudige pensioenregeling; c. een eenvoudig en risicomijdend beleggingsbeleid; en d. een eenvoudige bedrijfsvoering. 2 Een pensioenfonds dat een vereenvoudigd model toepast, stelt het vereist eigen vermogen vast op 30% van de technische voorzieningen. 3 Indien een pensioenfonds in een eerdere periode het standaardmodel of een intern model heeft toegepast, kan toestemming om het vereenvoudigd model toe te passen alleen worden verleend indien sprake is van een substantiële inkrimping, een sterke vereenvoudiging van de bedrijfsprocessen, een eenvoudiger risicoprofiel, een sterk verbeterde financiële positie of een eenvoudigere pensioenregeling. 4 De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2013
Artikel 23 — Artikel 23 Intern model#
Artikel 23 Intern model 1 rtikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES De Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in aindien het fonds voldoet aan door de Bank gestelde regels ten aanzien van: a. de organisatorische inbedding van het intern model; en b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model. 2 Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds. 3 Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het pensioenfonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het pensioenfonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang. 4 In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het interne model geen afbreuk doen. 5 Een pensioenfonds dat een intern model hanteert: a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan de Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en b. artikel 19 dient bij de Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel, bedoeld in. 6 De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2013
Artikel 24 — Artikel 24 Overgangsregeling#
Artikel 24 Overgangsregeling 1 artikel 23, eerste lid In afwijking van, kan de Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 23, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien: a. naar het oordeel van de Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen. 2010 14692 01-10-2010 16-09-2010 AV/PB/2010/18205 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2013
Artikel 25 — Artikel 25 Citeertitel#
Artikel 25 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Pensioenwet BES. 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 01-01-2013
Artikel 2#
artikel 2, onderdeel c
Artikel 5#
artikel 5, tweede lid
Artikel 2#
artikel 2, onderdeel c
Artikel 5#
artikel 5, eerste en tweede lid
Artikel 2#
artikel 2, onderdeel c
Artikel 2#
artikel 2, onderdeel c
Artikel 2#
artikel 2, onderdeel c
Artikel 19#
artikel 19