Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen
- BWB-id
- BWBR0004284
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2012-01-19
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004284
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1988/nadere-regels-verpakking-en-aanduiding-milieugevaarlijke-sto
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1988/nadere-regels-verpakking-en-aanduiding-milieugevaarlijke-sto/2012-01-19
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004284&g=2012-01-19
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004284&z=2026-06-06&g=2012-01-19
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004284/2012-01-19
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1988/nadere-regels-verpakking-en-aanduiding-milieugevaarlijke-sto
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. wet: Wet milieubeheer ; b. besluit: Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten ; c. stoffenrichtlijn: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196); d. preparatenrichtlijn: richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200); e. gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn: richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230); f. verordening (EG) nr. 1272/2008: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353). 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 1, eerste lid, onderdeel ag, van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer Onder de aan het gebruik van de stof verbonden gevaren als bedoeld inworden verstaan de gevaren, bedoeld in bijlage I, delen 2 tot en met 5, van verordening (EG) nr. 1272/2008. 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a Vervallen 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet bijlage I Voor de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld inwordt rekening gehouden met alle in het preparaat aanwezige stoffen, die zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in, ongeacht of het onzuiverheden dan wel additieven betreft, wanneer hun concentratie gelijk is aan of groter dan de grenswaarden inbij deze regeling. 2 De in het eerste lid bedoelde grenswaarden zijn niet van toepassing indien er lagere grenswaarden zijn vastgesteld in deel 3 van bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1272/2008 dan wel in bijlage II, deel B, of in bijlage III, deel B bij de preparatenrichtlijn, tenzij anders gespecificeerd in bijlage V bij de preparatenrichtlijn. 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 De gevaren van een preparaat die voortvloeien uit de fysisch-chemische eigenschappen ervan worden beoordeeld door met de in bijlage V, deel A, bij de stoffenrichtlijn aangegeven methode deze eigenschappen van het preparaat te bepalen op grond waarvan het naar behoren kan worden ingedeeld en gekenmerkt overeenkomstig de criteria van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn. 2 De in het eerste lid genoemde beoordeling kan achterwege blijven indien: a. artikel 9.2.3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de wet geen enkel bestanddeel van dat preparaat is ingedeeld in een categorie als bedoeld inen het volgens de gegevens waarover de fabrikant beschikt weinig waarschijnlijk is dat bij het preparaat een dergelijk gevaar aanwezig is; b. in het geval van wijziging van de samenstelling van een preparaat met bekende samenstelling, er wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat een nieuwe beoordeling van de gevaren niet tot een wijziging van de indeling zal leiden; c. richtlijn nr. 75/324/EEG het preparaten betreft die in de vorm van aërosolen in de handel zijn gebracht en die voldoen aan de bepalingen van artikel 9 bis vanvan de Raad van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende aërosols (PbEG L 147). 3 In gevallen waarin de methoden van bijlage V, deel A, bij de stoffenrichtlijn niet geschikt zijn, worden de in bijlage I, deel B, bij de preparatenrichtlijn beschreven alternatieve berekeningsmethoden gebruikt. 4 Op de vrijstelling van de toepassing van de methoden van bijlage V, deel A van de stoffenrichtlijn is bijlage I, deel A, bij de preparatenrichtlijn van toepassing. 5 De gevaren die voortvloeien uit de fysisch-chemische eigenschappen van een onder de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn vallend preparaat worden beoordeeld door de fysisch-chemische eigenschappen ervan te bepalen op grond waarvan het naar behoren kan worden ingedeeld overeenkomstig de criteria van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn. Deze fysisch-chemische eigenschappen worden bepaald met de in bijlage V, deel A, bij de stoffenrichtlijn omschreven methoden, tenzij andere internationaal erkende methoden aanvaardbaar zijn in overeenstemming met de bepalingen van de bijlagen II en III bij gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 01-06-2008
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De gevaren van een preparaat voor de gezondheid worden beoordeeld volgens een of meer van de volgende procedures: a. via een in bijlage II bij de preparatenrichtlijn beschreven conventionele methode, b. door de bepaling van de toxicologische eigenschappen van het preparaat zodat het op passende wijze kan worden ingedeeld overeenkomstig de criteria van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn. Deze eigenschappen worden bepaald met de methoden van bijlage V, deel B, bij de stoffenrichtlijn, tenzij, in het geval van een onder de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn vallend preparaat, andere internationaal erkende methoden aanvaardbaar zijn in overeenstemming met de bepalingen van de bijlagen II en III bij de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. 2 De methoden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden uitsluitend gebruikt, in het geval: a. richtlijn nr. 86/609/EEG zij overeenkomstig artikel 12 vanvan de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358) gerechtvaardigd of specifiek toegestaan zijn, onverminderd de bepalingen van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, b. wanneer degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het preparaat, wetenschappelijk kan aantonen dat de toxicologische eigenschappen van het preparaat niet correct kunnen worden bepaald met de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde methode, of aan de hand van bestaande resultaten van proeven met dieren. 3 richtlijn nr. 2004/10/EG richtlijn nr. 86/609/EEG Wanneer een toxicologische eigenschap wordt vastgesteld met de in het eerste lid, onderdeel b, beschreven methoden voor het verkrijgen van nieuwe gegevens, wordt de proef uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van goede laboratoriumpraktijken zoals vastgesteld bijvan het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (PbEG L 50), zoals vastgesteld bijvan de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358), en met name de artikelen 7 en 12 van die richtlijn. 4 Wanneer een toxicologische eigenschap is vastgesteld met zowel een methode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, als met een methode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden de resultaten van de in het eerste lid, onderdeel b, beschreven methoden gebruikt voor het indelen van het preparaat. 5 In afwijking van het vierde lid is, onder voorbehoud van het zesde en zevende lid, in het geval van carcinogene, mutagene of voor de voortplanting vergiftige effecten uitsluitend het eerste lid, onderdeel a, van toepassing. 6 Een preparaat wordt ingedeeld op basis van de effecten op de mens wanneer, door epidemiologische studies, door wetenschappelijk gefundeerde casestudies zoals omschreven in bijlage VI bij de stoffenrichtlijn of door statistisch onderbouwde ervaring, zoals de beoordeling van gegevens van gifcentra of over beroepsziekten, wordt aangetoond, dat de toxicologische effecten op de mens anders zijn dan op grond van toepassing van de methoden van het eerste lid te verwachten is. 7 Bij de indeling van het preparaat wordt rekening gehouden met verschijnselen als potentiëring of antagonisme, wanneer wordt aangetoond dat het toxicologische gevaar bij een conventionele beoordeling ten gevolge van deze verschijnselen wordt onderschat onderscheidenlijk overschat. 8 Met de in het eerste lid, onderdelen a of b, genoemde methoden vindt een nieuwe beoordeling plaats van de gevaren voor de gezondheid van preparaten waarvan de samenstelling bekend is, indien: a. bijlage II de fabrikant de in gewichts- of volumeprocent uitgedrukte oorspronkelijke concentratie van een of meer voor de gezondheid gevaarlijke bestanddelen van het preparaat met een groter percentage wijzigt dan het percentage opgenomen inbij deze regeling; b. artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet de fabrikant de samenstelling van het preparaat wijzigt door vervanging of toevoeging van een of meer bestanddelen die al dan niet gevaarlijk zijn in de zin van. 9 Het achtste lid is niet van toepassing indien: a. er sprake is van onder de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn vallende preparaten, die aan de hand van de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde methode zijn ingedeeld; b. er goede wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat een nieuwe beoordeling van de gevaren niet tot een andere indeling zal leiden. 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 01-06-2008
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De gevaren van een preparaat voor het milieu worden beoordeeld volgens een of meer van de volgende procedures: a. via de in bijlage III bij de preparatenrichtlijn beschreven conventionele methode, b. door de bepaling van de milieugevaarlijke eigenschappen van het preparaat op grond waarvan dit naar behoren kan worden ingedeeld overeenkomstig de criteria van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn. Deze eigenschappen worden bepaald met de in bijlage V, deel C, bij de stoffenrichtlijn omschreven methoden tenzij, in het geval van gewasbeschermingsmiddelen, andere internationaal erkende methoden aanvaardbaar zijn overeenkomstig de bepalingen van de bijlagen II en III bij de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. Onverminderd de testvoorschriften van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de testmethoden beschreven in bijlage III, deel C, bij de preparatenrichtlijn. 2 richtlijn nr. 2004/10/EEG richtlijn nr. 86/609/EEG Wanneer een ecotoxologische eigenschap door middel van een van de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde methoden is vastgesteld, worden nieuwe gegevens verzameld met behulp van proeven die worden verricht overeenkomstig de goede laboratoriumpraktijken vanvan het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (PbEG L 50), en de bepalingen vanvan de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358). 3 Het resultaat van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde methode is bepalend voor de indeling van het preparaat wanneer de gevaren voor het milieu door middel van beide methoden, bedoeld in het eerste lid, zijn vastgesteld. 4 Met de in het eerste lid 1, onderdelen a of b, bedoelde methoden vindt een nieuwe beoordeling plaats van de gevaren voor het milieu van preparaten waarvan de samenstelling bekend is, indien: a. bijlage II de fabrikant de in gewichts- of volumeprocent uitgedrukte oorspronkelijke concentratie van een of meer voor het milieu gevaarlijke bestanddelen van het preparaat met een groter percentage wijzigt dan het percentage opgenomen inbij deze regeling; b. artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet de fabrikant de samenstelling van het preparaat wijzigt door vervanging of toevoeging van een of meer bestanddelen die al dan niet gevaarlijk zijn in de zin van. 5 Het vierde lid is niet van toepassing indien: a. er sprake is van onder de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn vallende preparaten, die aan de hand van de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde methode zijn ingedeeld; b. er goede wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat een nieuwe beoordeling van de gevaren niet tot een andere indeling zal leiden. 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 01-06-2008
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 1a, eerste lid, van het besluit Onverminderd het bepaalde in, worden op elke verpakking van een preparaat de volgende aanduidingen duidelijk leesbaar en onuitwisbaar aangebracht: a. de benaming of handelsnaam van het preparaat; b. de naam en het volledig adres, inclusief telefoonnummer, van degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het preparaat en gevestigd is in de Gemeenschap, ongeacht of deze de fabrikant, de importeur of de distributeur is; c. de chemische benaming van de in het preparaat aanwezige stof(fen), en wel als volgt: 1°. + + n n n voor preparaten die overeenkomstig artikel 12 als T, T of Xzijn ingedeeld, wordt alleen rekening gehouden met de T-, T- of X-stoffen die aanwezig zijn in een concentratie welke gelijk is aan of groter is dan hun respectieve laagste grenswaarde (de X-grens) zoals vastgesteld in deel 3 van bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1272/2008 of, bij gebreke daarvan in bijlage II, deel B bij de preparatenrichtlijn; 2°. i voor preparaten die overeenkomstig artikel 12 als C zijn ingedeeld, wordt alleen rekening gehouden met de C-stoffen die aanwezig zijn in een concentratie welke gelijk is aan of groter is dan hun laagste grenswaarde de (de X-grens) zoals vastgesteld in deel 3 van bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1272/2008 of, bij gebreke daarvan, in bijlage II, deel B, bij de preparatenrichtlijn; 3°. op het etiket wordt de benaming vermeld van de stof of stoffen op grond waarvan het preparaat is ingedeeld in een of meer van de volgende gevarencategorieën: – kankerverwekkend, categorie 1, 2 of 3; – mutageen, categorie 1, 2 of 3; – voor de voortplanting vergiftig, categorie 1, 2 of 3; – zeer vergiftig, vergiftig of schadelijk op grond van niet-letale effecten na één blootstelling; – vergiftig of schadelijk op grond van ernstige effecten na herhaalde of langdurige blootstelling; – sensibiliserend; 4°. in de vorm van een van de in deel 3 van bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1272/2008 of, als de stof nog niet in die bijlage is opgenomen, in een internationaal erkende chemische nomenclatuur opgenomen, benamingen. d. de nominale massa of het nominale volume wanneer het preparaten betreft die aan het grote publiek worden aangeboden. 2 artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder a tot en met e, j en o, van de wet In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, ten eerste tot en met ten derde, behoeft niet op het etiket of op de verpakking te worden vermeld de naam van de stof op grond waarvan het preparaat is ingedeeld in een categorie als bedoeld in. 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, eerste tot en met derde subonderdeel, kan worden volstaan met het op de verpakking vermelden van maximaal vier scheikundige benamingen voor de identificatie van de stoffen die in hoofdzaak verantwoordelijk zijn voor de grote gevaren voor de gezondheid welke hebben geleid tot de indeling en de keuze van de bijbehorende standaardzinnen ter aanduiding van de bijzondere gevaren. In bepaalde gevallen kunnen meer dan vier scheikundige benamingen noodzakelijk zijn. 4 De gevaarsymbolen, voorzover die in de preparatenrichtlijn zijn vastgesteld, en de aanduidingen van de aan het gebruik van het preparaat verbonden gevaren die op de verpakking moeten worden vermeld, zijn in overeenstemming met de aanwijzingen van bijlage II en bijlage VI bij de stoffenrichtlijn en worden aangebracht overeenkomstig de resultaten van de in de bijlagen I, II en III bij de preparatenrichtlijn beschreven beoordeling van de gevaren. 5 In afwijking van het vierde lid is, wanneer aan een preparaat meer dan een gevaarsymbool wordt toegekend: a. het aanbrengen op de verpakking van de symbolen C en X niet verplicht indien de verplichting bestaat het symbool T op de verpakking aan te brengen; b. het aanbrengen van het symbool X op de verpakking niet verplicht indien de verplichting bestaat het symbool C op de verpakking aan te brengen, behoudens andersluidende bepalingen van deel 3 van bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1272/2008; c. het aanbrengen van de symbolen F en O op de verpakking niet verplicht indien de verplichting bestaat het symbool E op de verpakking aan te brengen; d. i n het aanbrengen van het symbool Xop de verpakking niet verplicht indien de verplichting bestaat het symbool Xop de verpakking aan te brengen. 6 De symbolen worden in zwart op oranjegele achtergrond gedrukt. 7 De waarschuwingszinnen ter aanduiding van de bijzondere gevaren zijn in overeenstemming met de aanwijzingen van bijlage III en bijlage VI bij de stoffenrichtlijn en worden aangebracht overeenkomstig de resultaten van de in de bijlagen I, II en III bij de preparatenrichtlijn beschreven beoordeling van het gevaar. Op de verpakking kan worden volstaan met het vermelden van ten hoogste zes waarschuwingszinnen ter aanduiding van de gevaren, voor zover die waarschuwingszinnen niet gerelateerd zijn aan bestrijdingsmiddelen. De in bijlage III bij de stoffenrichtlijn opgenomen combinatiezinnen worden telkens als één zin geteld. 8 Indien een preparaat tegelijk tot meer dan een gevarencategorie behoort, omvatten de standaardzinnen op de verpakking alle belangrijke gevaren, die aan het preparaat zijn verbonden. In dat geval geldt de beperking tot ten hoogste zes waarschuwingszinnen, als bedoeld in het zevende lid ter aanduiding van de gevaren, niet. 9 De vermelding op de verpakking van de waarschuwingszinnen ‘zeer licht ontvlambaar’ of ‘licht ontvlambaar’ kan achterwege blijven bij een gevaaraanduiding die wordt aangebracht in overeenstemming met het vierde en vijfde lid. 10 De veiligheidsaanbevelingen op de verpakking zijn in overeenstemming met de aanwijzingen van bijlage IV en met bijlage VI bij de stoffenrichtlijn en worden aangebracht naar gelang van de resultaten van de in bijlagen I, II en III bij de preparatenrichtlijn beschreven beoordeling van het gevaar. Op de verpakking kan volstaan worden met het vermelden van ten hoogste zes zinnen voor het formuleren van de meest aangewezen veiligheidsaanbeveilingen, voor zover die veiligheidsaanbevelingen niet gerelateerd zijn aan bestrijdingsmiddelen. De in bijlage IV bij de stoffenrichtlijn opgenomen combinatiezinnen worden telkens als één zin geteld. 11 Wanneer het praktisch gezien niet mogelijk is de veiligheidsaanbevelingen voor het gebruik van het preparaat op het etiket of op de verpakking zelf aan te brengen, worden zij bij de verpakking gevoegd. 12 Wanneer een verpakking niet meer dan 125 ml kan bevatten, behoeven: a. bij preparaten die zijn ingedeeld als licht ontvlambaar, oxiderend, irriterend, met uitzondering van de preparaten waaraan waarschuwingszin R41 is toegekend, of als milieugevaarlijk en waaraan het N-symbool is toegekend, de waarschuwingszinnen en de veiligheidsaanbevelingen niet te worden vermeld; b. bij preparaten die zijn ingedeeld als ontvlambaar of milieugevaarlijk en waaraan het N-symbool niet is toegekend, de veiligheidsaanbevelingen niet te worden vermeld. 13 artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet Onverminderd het eerste tot en met twaalfde lid worden preparaten die zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in, slechts in de handel gebracht indien de kenmerking op de verpakking voldoet aan de op het desbetreffende preparaat betrekking hebbende bepalingen van bijlage V, deel A en B bij de preparatenrichtlijn. 14 artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet Onverminderd het eerste lid, onderdelen a en b, worden preparaten die niet zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld inmaar die desondanks specifiek gevaar kunnen opleveren, slechts in de handel gebracht indien de kenmerking op de verpakking voldoet aan de op het desbetreffende preparaat betrekking hebbende bepalingen van bijlage V, deel B en C bij de preparatenrichtlijn. 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Indien degene die voor het in de handel brengen van een preparaat verantwoordelijk is, kan aantonen dat bekendmaking op het etiket of het veiligheidsinformatieblad van de chemische identiteit van een in dat preparaat aanwezige stof, die uitsluitend is ingedeeld als: a. artikel 9.2.3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, j en o, van de wet irriterend, met uitzondering van stoffen waaraan waarschuwingszin R41 is toegekend, of als irriterend in combinatie met de categorieën als bedoeld in, of b. artikel 9.2.3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, j en o, van de wet schadelijk, dan wel als schadelijk in combinatie met een of meer van de categorieën als bedoeld inen op zichzelf acute letale effecten heeft, de vertrouwelijkheid van zijn intellectuele eigendom in gevaar brengt, kan hij overeenkomstig bijlage VI, onderdeel B bij de preparatenrichtlijn, die stof aanduiden met hetzij een naam die de belangrijkste functionele chemische groepen aangeeft, hetzij een andere naam. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op preparaten die stoffen bevatten waarvoor een blootstellingsgrens is vastgesteld. 3 Indien een geval als bedoeld in het eerste lid zich voordoet en het preparaat voor de eerste keer in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in de handel wordt gebracht, richt degene die voor het in de handel brengen van een preparaat verantwoordelijk is, het verzoek overeenkomstig bijlage VI bij de preparatenrichtlijn, aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het verzoek wordt ingediend bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2012 883 18-01-2012 10-01-2012 DWJZ-3098167 2012 883 18-01-2012 10-01-2012 DWJZ-3098167 19-01-2012
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 Op het etiket of op de verpakking worden uitsluitend de uit hoofde van de preparatenrichtlijn vereiste gegevens en eventuele aanvullende gezondheids- of veiligheidsaanbevelingen aangebracht. 2 artikel 14 Indien de invoorgeschreven aanduidingen op een etiket zijn aangebracht, wordt dit stevig op één of meer zijden van de verpakking gehecht, zodat deze aanduidingen horizontaal kunnen worden gelezen wanneer de verpakking op de gebruikelijke wijze is neergezet. 3 artikel 14 De afmetingen van het etiket en de presentatie en het formaat van de overeenkomstigop het etiket vereiste gegevens, dienen te voldoen aan bijlage VI bij de stoffenrichtlijn. 4 Kleur en uiterlijk van het etiket en van de verpakking worden zodanig gekozen dat het gevaarsymbool en de achtergrond ervan duidelijk afsteken. 5 artikel 14, eerste tot en met derde en zevende tot en met elfde lid artikel 13 artikel 14, vierde tot en met zesde lid Indien op een enkelvoudige verpakking reeds ingevolge een wettelijke regeling inzake het vervoer en, voor de volgensingedeelde preparaten, aanduidingen zijn aangebracht, worden op die verpakking tevens de in, voorgeschreven aanduidingen aangebracht. 6 Op een verpakking als bedoeld in het vijfde lid, worden behalve de in dat lid bedoelde aanduidingen tevens aanduidingen aangebracht overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn, indien de bijzondere aard van de verpakking dit noodzakelijk maakt. 7 artikel 9.2.3.3, eerste lid, van de wet artikel 1a, eerste lid artikel 5, eerste lid, van het besluit artikel 14 In geval van een meervoudige verpakking zijn ten aanzien van elke verpakking die een verpakking of verpakkingen als bedoeld inomsluit en die niet de verpakking is waarop ingevolge een wettelijke regeling inzake het vervoer van gevaarlijke preparaten aanduidingen moeten zijn aangebracht,, en, envan overeenkomstige toepassing. 8 Artikel 35, eerste en tweede lid, van de wet , is niet van toepassing op verpakkingen van preparaten die voldoen aan de eisen voor vervoer van gevaarlijke goederen via de spoorwegen, de weg of de binnenvaart dan wel het zee- of luchtvervoer. 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 01-06-2008
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b 1 artikelen 9.2.3.1 tot en met 9.2.3.4 van de wet artikelen 1a 5 van het besluit Deen deenzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van preparaten die zijn bestemd voor uitvoer naar een ander land dan een Lid-Staat van de Europese Unie of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, onverminderd de door het land waarvoor de desbetreffende preparaten zijn bestemd, ten aanzien van de verpakking en aanduiding bij aflevering gestelde specifieke en ter zake geldende voorschriften. 2 artikelen 9.2.3.1 tot en met 9.2.3.4 van de wet In afwijking van het eerste lid zijn de door het land van invoer gestelde eisen ten aanzien van het aanduiden van het preparaat van toepassing, indien deze dezelfde waarborg bieden ten aanzien van de bescherming van gezondheid, veiligheid en milieu als de eisen die daaromtrent zijn gesteld bij of krachtens de. 3 De aanduidingen die ingevolge het eerste lid op de verpakking worden aangebracht, zijn, indien dit uitvoerbaar is, gesteld in de taal of in een of meer van de hoofdtalen van het land of het gebied waarvoor het preparaat is bestemd. 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 01-06-2008
Artikel 15c — Artikel 15c#
Artikel 15c 1 artikelen 14 15a 15b Onverminderd het bepaalde in de,enworden op het etiket voor bestrijdingsmiddelen duidelijk leesbaar en onuitwisbaar vermeld: a. artikel 3 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden het door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld inaan het bestrijdingsmiddel toegekende toelatings- of registratienummer; b. de aard van het preparaat, zoals bijvoorbeeld vloeibaar concentraat, korrels, poeder, vaste stof, spuitpoeder of emulgeerbaar concentraat; c. de toepassingen waarvoor het bestrijdingsmiddel is toegelaten, zoals bijvoorbeeld houtconservering, desinfectie, oppervlaktebiocide, aangroeibestrijding, insecticide, groeiregulator of herbicide; d. voor ieder in de toelatingsvoorwaarden vermeld gebruik, de gebruiksaanwijzing en de in metrieke eenheden uitgedrukte dosering; e. aanwijzingen voor het verlenen van eerste hulp; f. de zin ‘Voor gebruik de bijgevoegde gebruiksaanwijzing lezen’, indien een bijsluiter wordt bijgevoegd; g. aanwijzingen voor een veilige verwijdering van het bestijdingsmiddel en de verpakking ervan; h. het partijnummer van het preparaat; en waar van toepassing: i. de categorieën gebruikers die het bestrijdingsmiddel mogen gebruiken; j. bijlage III het inbij deze regeling opgenomen kca-logo, dat strekt tot aanduiding van het gescheiden houden en gescheiden afgeven van producten die in het afvalstadium klein chemisch afval zijn, voor zover het betreft een bestrijdingsmiddel bestemd voor huishoudelijk gebruik. 2 Het eerste lid, onderdeel j, is niet van toepassing: a. op bestrijdingsmiddelen die uitsluitend uit micro-organismen of virussen bestaan; b. Regeling Europese afvalstoffenlijst op bestrijdingsmiddelen die in deniet zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstof; c. Indien de verpakking is voorzien van een aanduiding die in een lidstaat van de Europese Unie van overheidswege is vastgesteld ter zake van het gescheiden houden en gescheiden afgeven van gewasbeschermingsmiddelen die in het afvalstadium klein chemisch afval zijn. 3 artikel 3 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden Onverminderd overige informatieverplichtingen worden monsters, modellen of ontwerpen van de verpakking, de etiketten en de bijsluiters verstrekt aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld inin het kader van de toelating of registratie. 4 artikel 2, eerste lid, van het Bestrijdingsmiddelenbesluit De verpakking van een bestrijdingsmiddel is zodanig verzegeld dat deze niet zonder beschadiging van de verzegeling geopend kan worden. Dit geldt niet voor die middelen welke in afwijking van het verbod, gesteld in, voorhanden of in voorraad gehouden of afgeleverd mogen worden in een andere verpakking dan die waarin zij hier te lande voor de eerste maal in het verkeer zijn gebracht. 5 artikel 2, eerste lid, van het Bestrijdingsmiddelenbesluit Het verbod, gesteld ingeldt niet voor zover zulks bij de toelating of registratie van het biocide is bepaald. 2007 188 28-09-2007 26-09-2007 2007 386 16-10-2007 10-10-2007 17-10-2007 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in werking treedt.
Artikel 15d — Artikel 15d#
Artikel 15d 1 artikelen 14 15a 15b 15c Onverminderd het bepaalde in de,,enworden: a. op het etiket voor biociden duidelijk leesbaar en onuitwisbaar vermeld: 1°. de aard van elke werkzame stof en de concentratie ervan in metrieke eenheden; 2°. bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte nadelige bijwerkingen; 3°. waar van toepassing, een verbod op hergebruik van de verpakking; 4°. de partijaanduiding en de vervaldatum onder normale opslagomstandigheden; 5°. de tijd die verstrijkt voordat de werking van het biocide intreedt, de in acht te nemen periode tussen twee opeenvolgende behandelingen met het biocide of tussen een behandeling en het eerstvolgende gebruik van het behandelde product of de eerstvolgende betreding door mens of dier van de ruimte waar het biocide is gebruikt, met inbegrip van bijzonderheden betreffende decontaminatiemiddelen en -maatregelen en hoelang de betrokken ruimten moeten worden geventileerd; bijzonderheden over het naar behoren schoonmaken van de uitrusting; bijzonderheden over voorzorgsmaatregelen tijdens gebruik, opslag en vervoer, zoals beschermende, individuele kleding en uitrusting, brandveiligheidsmaatregelen, afdekken van meubilair, verwijdering van levensmiddelen en diervoeder en aanwijzingen om blootstelling van dieren tegen te gaan; en waar van toepassing: 6°. informatie betreffende de gevaren voor het milieu, in het bijzonder waar zulks de bescherming van niet-doelorganismen en het voorkomen van waterverontreiniging betreft; b. Arbeidsomstandighedenwet worden microbiologische biociden geëtiketteerd overeenkomstig de regelgeving bij of krachtens de. 2 artikel 15c, eerste lid, onderdelen b, d, e, g en h In afwijking van het eerste lid mogen de in, en de in het eerste lid, onder a, ten tweede tot ten zesde, vermelde gegevens elders op de verpakking of op een bij de verpakking behorende bijsluiter duidelijk leesbaar en onuitwisbaar worden vermeld 3 Biociden die met voedsel, drank of diervoeder kunnen worden verward, worden zodanig verpakt dat de mogelijkheid van verwarring zo gering mogelijk is. 4 Aan biociden die voor het grote publiek beschikbaar zijn en met voedsel, drank of diervoeder kunnen worden verward, worden bestanddelen toegevoegd die consumptie ervan tegengaan. 2006 252 28-12-2006 06-12-2006 ARBO/A&V/2006/99971 2006 252 28-12-2006 06-12-2006 ARBO/A&V/2006/99971 01-01-2007
Artikel 15e — Artikel 15e#
Artikel 15e a. wordt op het etiket voor gewasbeschermingsmiddelen duidelijk leesbaar en onuitwisbaar vermeld ‘volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen’; b. wordt op de verpakking voor gewasbeschermingsmiddelen duidelijk leesbaar en onuitwisbaar vermeld: 1°. het gehalte van iedere werkzame stof; 2°. de nettohoeveelheid van het gewasbeschermingsmiddel, uitgedrukt in wettelijke meeteenheden; 3°. waar van toepassing, een gegeven aan de hand waarvan het preparaat kan worden geïdentificeerd; 4°. de aard van eventuele bijzondere gevaren voor mens, dier of milieu in de vorm van standaardformuleringen, voor welke formulering een passende keuze wordt gemaakt uit de in bijlage IV bij de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn opgenomen standaardformuleringen; 5°. de veiligheidsadviezen voor de bescherming van mens, dier of milieu in de vorm van standaardformuleringen, voor welke formulering een passende keuze wordt gemaakt uit de in bijlage V bij de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn opgenomen standaardformuleringen; 6°. het gebruik waarvoor het gewasbeschermingsmiddel is toegelaten en de eventuele landbouwtechnische, fytosanitaire en milieutechnische voorwaarden waaronder het product mag worden gebruikt of niet mag worden gebruikt; 7°. zo nodig, voor ieder gebruik de voor de veiligheid aan te houden termijn tussen een toepassing en zaaien of planten van het te beschermen gewas, zaaien of planten van volgende gewassen, toegang voor mens en dier, oogsten, gebruik of consumptie; 8°. de bijzonderheden betreffende mogelijke fytotoxiciteit, gevoeligheid van bepaalde rassen en alle andere directe of indirecte schadelijke neveneffecten op planten of plantaardige producten, alsmede de in acht te nemen termijnen tussen een toepassing en het zaaien of planten van het desbetreffende gewas, of een volgend gewas; en 9°. de uiterste gebruiksdatum onder normale omstandigheden van bewaring indien het middel minder dan twee jaar houdbaar is. c. mag, indien de verpakking zo klein is dat redelijkerwijs niet alle voorgeschreven aanduidingen en vermeldingen daarop kunnen worden gesteld, gebruik worden gemaakt hetzij van een op deugdelijke wijze aan de verpakking bevestigde label hetzij van een afzonderlijk bij de verpakking ingesloten bijsluiter, met dien verstande dat: 1°. op de verpakking ten minste zijn vermeld: de naam van het gewasbeschermingsmiddel, het toelatingsnummer en het partijnummer, het gevaarsymbool indien voorgeschreven en, indien noodzakelijk, het kca-logo alsmede een verwijzing naar de bijsluiter of de label; 2°. op de bijsluiter of de label alle voorgeschreven aanduidingen en vermeldingen, met uitzondering van het chargenummer, worden gesteld. d. mag op het etiket worden vermeld dat het gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt wanneer bijen of andere niet-doelsoorten actief zijn of gewassen of onkruid in bloei staan, of soortgelijke vermeldingen om bijen of andere niet-doelsoorten te beschermen, indien de toelating uitdrukkelijk betrekking heeft op gebruik gedurende de periodes dat bijen of andere genoemde organismen aanwezig zijn en het middel een minimum aan gevaar voor deze organismen inhoudt. 2004 139 23-07-2004 20-07-2004 VGB/P&L2496384 2004 139 23-07-2004 20-07-2004 VGB/P&L2496384 25-07-2004 Bij Stcrt. 2004/139 is in artikel III, tweede lid, een bepaling
betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 30 juli 2004).
Artikel 15f — Artikel 15f#
Artikel 15f artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet artikelen 9.2.3.3 9.2.3.4 van de wet artikel 1a van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten artikelen 3 4 5 van het Warenwetbesluit veilige verpakking huishoudchemicaliën artikelen 14 15a 15c 15e Op de in bijlage VII bij de preparatenrichtlijn genoemde gevaarlijke preparaten die zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in, die in de vorm waarin zij in de handel worden gebracht geen gevaren opleveren uit fysisch-chemische eigenschappen, noch gevaren voor de gezondheid of het milieu, zijn deen,, de,enen de,,en, niet van toepassing. 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 2008 101 29-05-2008 21-05-2008 BJZ2008050015 01-06-2008
Artikel 15g — Artikel 15g#
Artikel 15g artikel 6d, eerste lid, van het besluit Degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een stof of preparaat houdt de gegevens, bedoeld inter beschikking van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Arbeidsinspectie en de Inspectie Milieuhygiëne. 2012 883 18-01-2012 10-01-2012 DWJZ-3098167 2012 883 18-01-2012 10-01-2012 DWJZ-3098167 19-01-2012
Artikel 15h — Artikel 15h#
Artikel 15h Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum is belast met de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1272/2008. 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 artikel 1a, tweede en derde lid 6, tweede lid, van het besluit artikel 9.3a.1 van de wet Deze regeling berust op,en. 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Het Afleveringsbesluit Gevaarlijke Stoffen (Stcrt. 1980, 64) wordt ingetrokken. 1988 30 12-02-1988 27-01-1988 83222 1988 98 29-03-1998 15-03-1988 01-09-1988 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen in werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Het Afleveringsbesluit Gevaarlijke Preparaten (Stcrt. 1980, 64) wordt ingetrokken. 1988 30 12-02-1988 27-01-1988 83222 1988 98 29-03-1998 15-03-1988 01-09-1988 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen in werking treedt.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen Deze regeling wordt bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking op het tijdstip waarop het(Stb. 1987, 516) in werking treedt. 2 Een wijziging van bijlage II, III, IV, V of VI bij de stoffenrichtlijn treedt voor de toepassing van de hierop betrekking hebbende artikelen in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven. 3 Een wijziging van bijlage I, II, III, IV, V, VI of VII bij de preparatenrichtlijn treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministeriële regeling die in de Staatscourant bekend wordt gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 4 Bij ministeriële regeling kunnen onderdelen van een in werking getreden wijziging als bedoeld in het derde lid, voor bij die regeling aan te wijzen categorieën preparaten tot een nader te bepalen tijdstip buiten toepassing gelaten worden. 5 Zij kan worden aangehaald als ‘Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten’. 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 2010 18538 25-11-2010 17-11-2010 20103034435 01-12-2010