Regeling vrijstelling machtiging zendinrichtingen niet-ingezetenen
- BWB-id
- BWBR0004456
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1998-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004456
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1989/regeling-vrijstelling-machtiging-zendinrichtingen-niet-ingez
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1989/regeling-vrijstelling-machtiging-zendinrichtingen-niet-ingez/1998-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004456&g=1998-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004456&z=2026-06-06&g=1998-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004456/1998-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1989/regeling-vrijstelling-machtiging-zendinrichtingen-niet-ingez
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikel 2 Een niet-ingezetene, die tijdelijk in Nederland verblijft en in een van de landen van de Conference Européenne des Administrations des Postes et des Télécommunications (CEPT) is gemachtigd om een zendinrichting bestemd voor landmobiele radiocommunicatie, niet zijnde een zendinrichting voor satellietcommunicatie dan wel een zendinrichting voor algemene radiocommunicatie in de 27 MHz-band, te gebruiken, is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg en aanwezigheid van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in. 1988 254 30-12-1988 19-12-1988 TP10.409 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989 Treedt in werking op het tijdstip waarop Wet op de telecommunicatievoorzieningen in werking treedt.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De zendinrichting mag niet worden ingeschakeld of gebruikt. 2 De in het land van machtigingenuitgifte afgegeven machtigingsbescheiden, dienen op eerste aanzegging van een toezichthouder te worden getoond. 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 01-01-1998
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a artikel 2b Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in één van de landen van de CEPT overeenkomstig de Recommandatie T/R 21-07 is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting, bestemd voor landmobiele communicatie door middel van satellietverbindingen, is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in. 1990 89 09-05-1990 05-04-1990 HDTP-OZ518 1990 89 09-05-1990 05-04-1990 HDTP-OZ518 11-05-1990
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b 1 De zendinrichting mag uitsluitend worden gebruikt voor zakelijk berichtenverkeer. 2 Het in het land van machtigingsuitgifte afgegeven machtigingsbewijs conform het in CEPT-verband overeengekomen model dient op eerste aanzegging van een toezichthouder te worden getoond. 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 01-01-1998
Artikel 2c — Artikel 2c#
Artikel 2c artikel 2a artikel 2d In afwijking van het bepaalde inis een niet-ingezetene, die tijdelijk in Nederland verblijft en in een van de landen van de CEPT overeenkomstig de Recommandatie T/R 21–09 is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting, bestemd voor landmobiele satelliet-communicatie, vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van de zendinrichting, voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in. 1991 229 25-11-1991 05-11-1991 O/92226 1991 229 25-11-1991 05-11-1991 O/92226 27-11-1991
Artikel 2d — Artikel 2d#
Artikel 2d artikel 2c De toezichthouder dient op eerste aanzegging door een niet-ingezetene in de gelegenheid te worden gesteld na te gaan of op de zendinrichting overeenkomstig de ingenoemde recommandatie het in die recommandatie beschreven keurmerk is aangebracht. 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 01-01-1998
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikelen 4 5 Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in overeenstemming met de Recommandatie T/R 61–01 van CEPT gemachtigd is tot het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting bestemd voor het doen van onderzoekingen is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in deen. 1988 254 30-12-1988 19-12-1988 TP10.409 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989 Treedt in werking op het tijdstip waarop Wet op de telecommunicatievoorzieningen in werking treedt.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De niet-ingezetene die is gemachtigd in overeenstemming met de in het voorgaande artikel genoemde recommandatie voor de Klasse I dient zich te houden aan de in Nederland voor de amateurzendmachtiging in de categorie A vastgestelde voorschriften en beperkingen. 2 De niet-ingezetene die is gemachtigd in overeenstemming met de in het voorgaande artikel genoemde recommandatie voor de Klasse II dient zich te houden aan de in Nederland voor de amateurzendmachtiging in de categorie C vastgestelde voorschriften en beperkingen. 1988 254 30-12-1988 19-12-1988 TP10.409 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989 Treedt in werking op het tijdstip waarop Wet op de telecommunicatievoorzieningen in werking treedt.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De niet-ingezetene dient tijdens de uitzending de hem toegewezen roepletters vooraf te laten gaan door de aanduiding ‘PA/’. 2 De niet-ingezetene dient de aan hem afgegeven machtigingsbescheiden op eerste aanzegging van een toezichthouder te tonen. 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 01-01-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikel 7 Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in België is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting bestemd voor het doen van onderzoekingen in de sectie A als bedoeld in het Belgisch ministerieel besluit betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radio-amateurs (Belgisch Staatsblad 19 december 1986), is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in. 1988 254 30-12-1988 19-12-1988 TP10.409 1988 550 30-12-1988 01-12-1988 01-01-1989 Treedt in werking op het tijdstip waarop Wet op de telecommunicatievoorzieningen in werking treedt.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De in Nederland voor amateurzendmachtigingen in de categorie D vastgestelde voorschriften dienen te worden nageleefd, met dien verstande dat tijdens de uitzending de aanduiding ‘PA/’ vooraf dient te gaan aan de in België toegewezen roepletters. 2 De in België afgegeven machtigingsbescheiden dienen op eerste aanzegging van een toezichthouder te worden getoond. 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 01-01-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikelen 9 Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in een van de landen van de CEPT is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting bestemd voor algemene radiocommunicatie in de 27 MHz-band (Citizen Band), is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in de. 1991 68 09-04-1991 27-03-1991 0/66404 1991 68 09-04-1991 27-03-1991 0/66404 11-04-1991 01-01-1991
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De zendinrichting dient te zijn voorzien van een vanwege de bevoegde autoriteiten aangebracht keurmerk met een van de navolgende aanduidingen: a. CEPT-PR 27 aangevuld met het in de CEPT-Recommandatie T/R 20–09 vastgestelde symbool van het land waar de zendinrichting is toegelaten; b. PR27D-FM en het bijbehorende toelatingsnummer van de Bondsrepubliek Duitsland; c. PR27A; d. PR 27 GB. 1991 68 09-04-1991 27-03-1991 0/66404 1991 68 09-04-1991 27-03-1991 0/66404 11-04-1991 01-01-1991
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 11 Aan leden van hulpverleningsdiensten uit het buitenland, die in het kader van daartoe door Nederland afgesloten internationale overeenkomsten op Nederlands grondgebied bijstand verlenen bij het bestrijden van rampen en ongevallen, wordt vrijstelling verleend van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van de door hen meegevoerde zendinrichtingen, voorzover wordt voldaan aan het bepaalde in. 1995 135 17-07-1995 10-07-1995 HDTP/O/290338.JZ 1995 135 17-07-1995 10-07-1995 HDTP/O/290338.JZ 19-07-1995
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 De meegevoerde zendinrichtingen dienen in overeenstemming te zijn met de in het land van herkomst geldende technische en administratieve voorschriften. 2 De in het land van herkomst afgegeven machtigingsbescheiden dienen op eerste aanzegging van een toezichthouder te worden getoond. 3 De houder van de zendinrichting dient met betrekking tot het gebruik van de zendinrichtingen en de te gebruiken frequentie de aanwijzingen op te volgen die door het voor de bestrijding van een ramp en het ongeval bevoegde gezag worden gegeven. 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 1997 245 19-12-1997 16-12-1997 HDTP/97/2707/PvL 01-01-1998
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Het ‘Besluit vrijstelling aanwezig hebben zend-ontvanginrichtingen niet-ingezetenen’ van 22 augustus 1985 en het ‘Besluit vrijstelling CEPT-radiozendamateurs’ van 27 juli 1986 worden ingetrokken. 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de inwerkingtreding van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en kan worden aangehaald als: Regeling vrijstelling machtiging zendinrichtingen niet-ingezetenen. 1995 135 17-07-1995 10-07-1995 HDTP/O/290338.JZ 1995 135 17-07-1995 10-07-1995 HDTP/O/290338.JZ 19-07-1995