Inhoudsomschrijving thema ‘Mens en Werk’ examen maatschappijleer h.a.v.o. en v.w.o. 1994–1995 en 1995–1996
- BWB-id
- BWBR0006266
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 1993-12-04 t/m 2004-12-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006266
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1992/inhoudsomschrijving-thema-mens-en-werk-examen-maatschappijle
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1992/inhoudsomschrijving-thema-mens-en-werk-examen-maatschappijle/1993-12-04
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006266&g=1993-12-04
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006266&z=2026-06-06&g=1993-12-04
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006266/1993-12-04
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1992/inhoudsomschrijving-thema-mens-en-werk-examen-maatschappijle
Artikel 1 — Artikel 1 Inhoudsomschrijving ‘Mens en Werk’#
Artikel 1 Inhoudsomschrijving ‘Mens en Werk’ bijlage De inhoudsomschrijving van het thema ‘Mens en Werk’ voor de centrale en schriftelijke examens maatschappijleer v.w.o. en h.a.v.o. in de schooljaren 1994/1995 en 1995/1996 respectievelijk de examenjaren 1995 en 1996 wordt vastgesteld zoals is aangegeven in de, behorende bij deze regeling. 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 04-12-1992
Artikel 2 — Artikel 2 Bekendmaking#
Artikel 2 Bekendmaking Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant. 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 04-12-1992
Artikel 3 — Artikel 3 Inwerkingtreding#
Artikel 3 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt. 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 04-12-1992
Artikel 4 — Artikel 4 Citeertitel#
Artikel 4 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Inhoudsomschrijving thema ‘Mens en Werk’ examen maatschappijleer h.a.v.o. en v.w.o. 1994–1995 en 1995–1996. 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 1993 29 01-12-1993 24-11-1993 VO/BOB-93083341 04-12-1992
Artikel 1 — 1 Kandidaten kunnen aangeven welke visies politieke stromingen in ons land hebben op:#
1 Kandidaten kunnen aangeven welke visies politieke stromingen in ons land hebben op: 1.0 sociaal-economische vraagstukken (m.n. werkgelegenheid); de rol die de overheid op sociaal-economisch terrein dient te spelen . 1.1 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een liberale visie op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein en t.a.v. belangrijke sociaal-economische vraagstukken. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen. 1.2 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een christen-democratische visie op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein en t.a.v. sociaal-economische vraagstukken. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen. 1.3 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een sociaal-democratische visie op sociaal-economische vraagstukken en de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen. 1.4 1.4 Kandidaten kunnen in standpunten over sociaal-economische vraagstukken en de rol van de overheid elementen van een ecologische visie herkennen.
Artikel 2 — 2 Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat schetsen en verschillende visies hierop herkennen#
2 Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat schetsen en verschillende visies hierop herkennen 2.1 Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met een verzorgingsstaat en kunnen in (actuele) voorbeelden kenmerken van de verzorgingsstaat herkennen. 2.2 Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat in verband brengen met sociaal-economische veranderingen. 2.3 Kandidaten kunnen visies van politieke stromingen op ontwikkelingen in de verzorgingsstaat herkennen. 2.4 Kandidaten kunnen hoofdlijnen van de actuele discussie over de verzorgingsstaat aangeven en in (actuele) voorbeelden herkennen. 2.5 Kandidaten kunnen aangeven welke opvattingen politieke stromingen hebben over de verzorgingsstaat en deze opvattingen herkennen in (actuele) voorbeelden.
Artikel 3 — 3 Kandidaten kunnen aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces en deze herkennen in (actuele) voorbeelden#
3 Kandidaten kunnen aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces en deze herkennen in (actuele) voorbeelden 3.1 Kandidaten kunnen aangeven op welke manieren de overheid actief kan zijn op de volgende beleidsterreinen: werkgelegenheid, arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden, sociale wetgeving, emancipatiebeleid. 3.2 Kandidaten kunnen algemene doelstellingen van economische politiek omschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen. 3.3 Kandidaten kunnen aangeven op welke manieren de overheid actief kan zijn op het terrein van de werkgelegenheid. 3.4 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden het onderscheid tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen uitleggen.
Artikel 4 — 4 Kandidaten kunnen de economische orde van ons land vergelijken met die van andere landen#
4 Kandidaten kunnen de economische orde van ons land vergelijken met die van andere landen 4.1 Kandidaten kunnen omschrijven wat onder het begrip economische orde wordt verstaan. 4.2 Kandidaten kunnen drie typen van economische orde omschrijven en in actuele voorbeelden herkennen: een vrije markteconomie, een centraal geleide planeconomie en een gemengde economie. 4.3 Kandidaten kunnen voor- en nadelen van verschillende economische orden omschrijven.
Artikel 1 — 1 Kandidaten kunnen maatschappelijke groeperingen noemen die betrokken zijn bij arbeid en aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze zijn georganiseerd, en wat hun onderlinge verhoudingen zijn#
1 Kandidaten kunnen maatschappelijke groeperingen noemen die betrokken zijn bij arbeid en aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze zijn georganiseerd, en wat hun onderlinge verhoudingen zijn 1.1 Kandidaten kunnen uitleggen hoe werknemers en werkgevers in ons land zijn georganiseerd en kunnen de belangrijkste van deze organisaties noemen. 1.2 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden belangen herkennen die gelden voor werknemers en werkgevers. 1.3 Kandidaten kunnen aangeven welke middelen werknemers- en werkgeversorganisaties hebben om voor hun belangen op te komen en deze herkennen in (actuele) voorbeelden. 1.4 Kandidaten kunnen omschrijven welke toetsingsnormen de rechter gebruikt als deze moet oordelen over het al dan niet geoorloofd zijn van een staking en deze normen herkennen in (actuele) voorbeelden. 1.5 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden factoren herkennen die van invloed zijn op de mate waarin werknemers- en werkgeversorganisaties erin slagen op te komen voor hun belangen, alsmede een gemotiveerd standpunt innemen over het optreden van deze organisaties. 1.6 Kandidaten kunnen een gemotiveerde mening geven over de (veranderende) betekenis van de vakbeweging in de samenleving. 1.7 Kandidaten kunnen voorbeelden geven van overleg en conflicten tussen werkgevers en werknemers. 1.8 Kandidaten kunnen uitleggen wat het verschil is tussen harmonie- en conflictdenken ten aanzien van de arbeidsverhoudingen, alsmede de huidige relatie tussen beide partijen typeren als transactiedenken. 1.9 Kandidaten kunnen de instelling van de S.E.R. en de Stichting van de Arbeid in verband brengen met het harmoniedenken.
Artikel 2 — 2 Kandidaten kunnen uitleggen welke gevolgen arbeidsverdeling kan hebben voor een samenleving#
2 Kandidaten kunnen uitleggen welke gevolgen arbeidsverdeling kan hebben voor een samenleving 2.1 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat wordt bedoeld met technische en maatschappelijke arbeidsverdeling. 2.2 Kandidaten kunnen technologische ontwikkeling, arbeidsverdeling en sociale structuur met elkaar in verband brengen. 2.3 Kandidaten kunnen de begrippen sociale structuur, sociale stratificatie, mobiliteit en sociale ongelijkheid met elkaar in verband brengen en in (actuele) voorbeelden herkennen. 2.4 Kandidaten kunnen een aantal oorzaken omschrijven voor het ontstaan van sociale ongelijkheid. 2.5 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden sociale verschijnselen herkennen die samenhangen met de ontwikkeling van de industriële samenleving. 2.6 Kandidaten kunnen verklaren waarom bepaalde groepen (m.n. vrouwen, laaggeschoolden, etnische minderheden) een zwakke positie innemen op de arbeidsmarkt. 2.7 Kandidaten kunnen voorbeelden geven van maatregelen, die zijn bedoeld voor het verbeteren van de positie van zwakke groepen op de arbeidsmarkt.
Artikel 1 — 1 Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving#
1 Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving 1.1 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat wordt bedoeld met de materiële en immateriële functies die arbeid voor individuele mensen kan hebben. 1.2 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden het verband verklaren tussen arbeid enerzijds en sociale positie, status en inkomen anderzijds. 1.3 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden factoren herkennen die van invloed zijn op de (maatschappelijke) waardering van verschillende soorten werk. 1.4 Kandidaten kunnen factoren noemen die van invloed zijn op de wijze waarop men de kwaliteit van werk ervaart.
Artikel 2 — 2 Kandidaten kunnen uitleggen hoe de opvattingen over (loon)arbeid zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld en welke verschillende opvattingen over arbeid tegenwoordig kunnen worden onderscheiden#
2 Kandidaten kunnen uitleggen hoe de opvattingen over (loon)arbeid zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld en welke verschillende opvattingen over arbeid tegenwoordig kunnen worden onderscheiden 2.1 Kandidaten kunnen aan de hand van typeringen uitleggen welke ontwikkelingen de waardering van arbeid (het arbeidsethos) heeft doorgemaakt. 2.2 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden elementen van deze visies op het arbeidsethos herkennen.