Regeling van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 25 maart 1994, nrs. EA94/U911 en 430256/594/GBJ, houdende regels voor de uitrusting van de politie
- BWB-id
- BWBR0006556
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 2007-02-21 t/m 2012-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006556
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1994/uitrustingsregeling-politie-1994
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1994/uitrustingsregeling-politie-1994/2007-02-21
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006556&g=2007-02-21
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006556&z=2026-06-06&g=2007-02-21
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006556/2007-02-21
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1994/uitrustingsregeling-politie-1994
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. ambtenaar: artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de Politiewet 1993 de ambtenaar van politie, bedoeld in, met uitzondering van de adspirant voor de duur dat hij geen praktijkstage volgt; b. de Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2 artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 1993 Deze regeling berust op. 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 21-02-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De uitrusting van de ambtenaar bestaat uit: a. handboeien van een door de Minister goedgekeurd merk en type, b. een koppel van een door de Minister goedgekeurd merk en type. 2 De korpsbeheerder kan de ambtenaar uitrusten met een veiligheidsvest van een door de Minister goedgekeurd merk en type. 3 Indien de korpsbeheerder dit noodzakelijk acht, kan de ambtenaar mede uitgerust worden met tie-raps. 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 21-02-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 11a van het Besluit beheer regionale politiekorpsen De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de mobiele eenheid, een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, een eenheid als bedoeld inof een bijzondere bijstandseenheid kan mede bestaan uit een kogelwerend vest en een kogelwerende helm van een door de Minister goedgekeurd merk en type. 2 De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de mobiele eenheid of een aanhoudings- en ondersteuningseenheid bestaat mede uit een gasmasker van een door de Minister goedgekeurd merk en type. 3 De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de mobiele eenheid bestaat mede uit een schild van een door de Minister goedgekeurd merk en type. 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 21-02-2007
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 3, eerste lid De korpsbeheerder kan de ambtenaar die geen deel uitmaakt van de in, genoemde eenheden, uitrusten met een kogelwerend vest, een kogelwerende helm of een gasmasker van een door de Minister goedgekeurd merk en type. 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 21-02-2007
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningseenheid bestaat mede uit explosieven van een door de Minister goedgekeurd merk en type. 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 21-02-2007
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a artikel 1, onderdeel d, van de Bewapeningsregeling politie bijlage De uitrusting van de ambtenaar die is bewapend met pepperspray, bedoeld in, bestaat mede uit door de Minister en Koninkrijksrelaties aan te wijzen nazorgmiddelen van een door de Minister en Koninkrijksrelaties in het kader van een Europese aanbestedingsprocedure geselecteerd merk en type, welke voldoen aan de in debij deze regeling opgenomen technische specificaties. 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 2007 35 19-02-2007 07-02-2007 2007-0000043817 21-02-2007
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1994. 1994 64 31-03-1994 25-03-1994 EA94/U911 430256/594/GBJ 1994 64 31-03-1994 25-03-1994 EA94/U911 430256/594/GBJ 01-04-1994
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitrustingsregeling politie 1994. Deze regeling zal met toelichting worden geplaatst in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad. 1994 64 31-03-1994 25-03-1994 EA94/U911 430256/594/GBJ 1994 64 31-03-1994 25-03-1994 EA94/U911 430256/594/GBJ 01-04-1994
Artikel 5a#
artikel 5a
Artikel 2.1 — 2.1 Eisen ter zake de werking van nazorgmiddel:#
2.1 Eisen ter zake de werking van nazorgmiddel: 2.1.1 Gebruik van het nazorgmiddel moet snel leiden tot verlichting van het sterk branderige gevoel en pijn aan oogleden en huid en tot het weer kunnen openen van de ogen. 2.1.2 Het nazorgmiddel mag geen geneesmiddel zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Geneesmiddelvoorziening.
Artikel 2.2 — 2.2 Eisen ter zake van schadelijke bijwerkingen van het nazorgmiddel:#
2.2 Eisen ter zake van schadelijke bijwerkingen van het nazorgmiddel: 2.2.1 a. Het nazorgmiddel mag op zichzelf geen schadelijke bijwerkingen (b.v. irritatie) op huid, ogen, luchtwegen en andere delen van het lichaam hebben. Onder niet schadelijk wordt verstaan: niet carcinogeen, teratogeen of mutageen en niet giftig of irriterend voor huid of ogen. Als richtlijn voor de giftigheid dient een letale dosis (LD50) van > l gram per kg lichaamsgewicht, ongeacht de toedieningsroute. b. Als richtlijn voor irritatie van de ogen en huid dient een milde reactie in dierproeven bij een expositie van enkele dagen in hoeveelheden van 50 mg of groter; elke sterkere reactie is onacceptabel. c. Het gestelde in de onderdelen a en b geldt ook voor het oplosmiddel. De toegepaste oplosmiddelen dienen van een zodanige kwaliteit te zijn dat het totale oplosmiddel-mengsel niet meer dan 0,5 gewichtsprocent bevat van relatief ongevaarlijke verbindingen zoals butanol of methanol. Het gebrek aan gevaarlijke eigenschappen dient aantoonbaar te zijn middels een zgn. veiligheidsblad ("materials safety data sheet"). 2.2.2 Het nazorgmiddel mag niet zodanig met pepperspray reageren dat daardoor een ander schadelijk middel ontstaat. 2.2.3 Bij het gebruik van het nazorgmiddel (inclusief eventueel oplosmiddel) mag vorenbedoeld nazorgmiddel op zichzelf geen blijvend persoonlijk letsel tot gevolg hebben dan wel zaakschade aan kleding of aan het interieur van een politievoertuig veroorzaken.
Artikel 2.3 — 2.3 Eisen m.b.t. de houdbaarheid van het nazorgmiddel:#
2.3 Eisen m.b.t. de houdbaarheid van het nazorgmiddel: 2.3.1 a. 1 Wisselende temperatuurschommelingen zullen zich met name voor kunnen doen in bijvoorbeeld een politievoertuig. Het nazorgmiddel dient houdbaar te zijn bij uiteenlopende wisselende temperaturen (van -5 tot +50 °C).Dit betekent dat het middel ondanks bevriezen intact en dus werkzaam moet blijven na ontdooien. b. Het is geen eis dat het nazorgmiddel te gebruiken is bij temperaturen beneden de -5 °C. 2.3.2 Het nazorgmiddel dient vanaf het moment van levering tenminste twee jaar, maar bij voorkeur voor een langere periode houdbaar te zijn, dat wil zeggen dat geen chemische veranderingen ten opzichte van de oorspronkelijk samenstelling of de vereiste eigenschappen zich voordoen.
Artikel 2.4 — 2.4 Eisen m.b.t. de gebruiksvriendelijkheid van het nazorgmiddel:#
2.4 Eisen m.b.t. de gebruiksvriendelijkheid van het nazorgmiddel: 2.4.1 Het nazorgmiddel dient op eenvoudige wijze aangebracht te kunnen worden in een politievoertuig en op eenvoudige wijze ter hand te kunnen worden genomen. 2.4.2 Het nazorgmiddel dient ook bruikbaar te zijn in een rijdend politievoertuig. 2.4.3 Het nazorgmiddel dient in zodanige hoeveelheid aanwezig te zijn dat meerdere personen een behandeling kunnen krijgen. 2.4.4 Indien het nazorgmiddel eenmaal is gebruikt, dient dat duidelijk herkenbaar te zijn in verband met steriliteit (valt ook onder houdbaarheid), dit afhankelijk van de aard van het nazorgmiddel. 2.4.5 Het nazorgmiddel mag het interieur van het politievoertuig niet besmeuren dan wel tijdelijk onbruikbaar maken. 2.4.6 Het nazorgmiddel dient duidelijk herkenbaar te zijn als nazorgmiddel, dit wil zeggen met duidelijk zichtbare kenmerken die aangeven dat het een eerste hulpmiddel betreft en geen peppersprayspuitbus. 2.4.7 De verpakking van het nazorgmiddel dient zodanig solide te zijn dat door het uit de handen laten vallen van het nazorgmiddel op de grond geen scherpe delen kunnen ontstaan dan wel het uit elkaar springen van het nazorgmiddel kan worden veroorzaakt. Dientengevolge mag de verpakking niet uit glas of hard plastic bestaan. 2.4.8 Het nazorgmiddel dient geleverd te worden met een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing.