Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
- BWB-id
- BWBR0006736
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006736
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1994/uitvoeringsregeling-algemene-wet-inzake-rijksbelastingen-199
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1994/uitvoeringsregeling-algemene-wet-inzake-rijksbelastingen-199/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006736&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006736&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006736/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1994/uitvoeringsregeling-algemene-wet-inzake-rijksbelastingen-199
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 artikelen 5b 5c 5d 6 8 13 14 19 21d 21k 38, tweede lid 39 47b, tweede lid 52, vierde lid 62 67, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de Registratiewet 1970 artikelen 18 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer artikelen 10 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965 Deze regeling geeft uitvoering aan de,,,,,,,,,,,,,,en,,, deenen deen. 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen Deze regeling verstaat onder de wet: de. 2016 71813 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000225960 2016 71813 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000225960 01-01-2017
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a 1 Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling indien en zolang: a. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten geen winstoogmerk heeft; b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient; c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, met dien verstande dat de inspecteur, zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden, kan toestaan dat een steunstichting en de instelling of instellingen welke door deze stichting wordt ondersteund, onderscheidenlijk worden ondersteund, over en weer kunnen beschikken over elkaars vermogen als ware het eigen vermogen; d. artikel 1b de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan is aangegeven in; e. de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, ter zake van de door hen in die hoedanigheid voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet-bovenmatig vacatiegeld; f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden ter verwezenlijking van haar doelstelling, de wijze van werving van inkomsten, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan; g. de beheerkosten van de instelling in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling; h. artikel 1d uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt maar indien het een culturele instelling als bedoeld inbetreft, ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft; i. de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt: 1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden; 2°. de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de instelling, alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling; 3°. de aard en omvang van de inkomsten van de instelling, en 4°. de aard en omvang van het vermogen van de instelling, en j. de instelling via internet op elektronische wijze informatie met betrekking tot haar functioneren, openbaar maakt. 2 artikel 1b Een algemeen nut beogende instelling mag ter financiering van haar doelstelling commerciële activiteiten ontplooien, indien de inkomsten, zijnde het saldo van baten en lasten, gerealiseerd met die activiteiten, in overeenstemming met, binnen een redelijke termijn geheel of nagenoeg geheel ten goede komen aan die doelstelling. 3 De beschikking waarbij een instelling wordt aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum. 4 De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een algemeen nut beogende instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt. 5 Onder algemeen nuttige activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: alle activiteiten die erop zijn gericht om de doelstelling van een algemeen nut beogende instelling te verwezenlijken of te bevorderen. Activiteiten zijn geen algemeen nuttige activiteiten indien de instelling het geheel van die activiteiten tegen commerciële tarieven verricht. 6 Onder commerciële activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: het tegen commerciële tarieven verrichten van werkzaamheden of verlenen van diensten met het oogmerk hiermee ter financiering van de algemeen nuttige activiteiten van de instelling een positief resultaat te behalen. 7 De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bestaat ten minste uit: a. de naam van de instelling; b. artikel 12, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 het nummer, bedoeld in, van de instelling, dan wel ingeval de instelling buiten Nederland is gevestigd, het voor deze regeling door de Nederlandse Belastingdienst verstrekte fiscale identificatienummer; c. het post- of bezoekadres, dan wel het telefoonnummer, dan wel het e-mailadres van de instelling; d. de doelstelling volgens de regelgeving van de instelling; e. de hoofdlijnen van het actuele beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, van de instelling; f. de bestuurssamenstelling, het beloningsbeleid van de instelling en de namen van de bestuurders, met uitzondering van: 1° de namen van bestuurders van kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, en 2° de namen van bestuurders waarvoor de inspecteur op verzoek van de instelling ontheffing verleent omdat is aangetoond dat publicatie van deze namen een reëel gevaar oplevert voor de persoonlijke veiligheid van deze bestuurders of van hun familieleden; g. een actueel verslag van de uitgeoefende activiteit of activiteiten van de instelling; h. de balans en de staat van baten en lasten, met toelichting, van de instelling dan wel, indien het instellingen betreft die niet actief geld of goederen werven onder derden en die het aan hen ter beschikking staande vermogen of de opbrengsten daarvan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend besteden ten behoeve van hun doelstelling (zuivere vermogensfondsen) of indien het kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd betreft, de staat van baten en lasten en een overzicht van de voorgenomen bestedingen, met toelichting. 8 De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, wordt openbaar gemaakt met gebruikmaking van een van de door de inspecteur vastgestelde standaardformulieren indien sprake is van een instelling: a. die in het betreffende boekjaar niet actief geld of goederen wierf onder derden en totale lasten had van ten minste € 100.000; b. die in het betreffende boekjaar actief geld of goederen wierf onder derden en totale baten had van ten minste € 50.000. 9 De informatie, bedoeld in het zevende lid, onderdeel h, wordt telkens binnen zes maanden na afloop van het boekjaar openbaar gemaakt. 2020 64029 31-12-2020 31-12-2020 2020-0000246185 2020 64029 31-12-2020 31-12-2020 2020-0000246185 01-01-2021 Het achtste lid vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot
boekjaren die op of na 31 december 2020 zijn geëindigd.
Artikel 1b — Artikel 1b#
Artikel 1b 1 Een algemeen nut beogende instelling houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling. 2 Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden begrepen: a. vermogen of bestanddelen daarvan die krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking door de instelling zijn verkregen, en die op grond van aan die uiterste wilsbeschikking of schenking verbonden voorwaarden, al dan niet in reële termen, in stand moeten worden gehouden; b. vermogensbestanddelen voor zover de instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van die instelling, en c. activa en voor de voorziene aanschaf van activa aangehouden vermogensbestanddelen, voor zover een instelling die activa redelijkerwijs nodig heeft ten behoeve van de doelstelling van de instelling. 3 De algemeen nut beogende instelling vermeldt in haar financiële administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden, alsmede een motivering voor de omvang van dat vermogen. 2012 12737 22-06-2012 19-06-2012 DB2012/248 2012 12737 22-06-2012 19-06-2012 DB2012/248 23-06-2012 01-01-2012
Artikel 1c — Artikel 1c#
Artikel 1c artikel 5b, eerste lid, onderdeel d, onder 1° en 2°, van de wet artikel 5c, onderdeel d, van de wet Als staat als bedoeld inen als bedoeld inwordt aangewezen elke mogendheid waarmee in de relatie met Nederland voor de heffing van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, schenkbelasting en erfbelasting zonder beperkingen of voorbehouden de uitwisseling is geregeld van gegevens, inlichtingen en gegevensdragers. 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 01-01-2024
Artikel 1d — Artikel 1d#
Artikel 1d 1 Een algemeen nut beogende instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een culturele instelling, indien en zolang uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur of cultuureducatie. 2 De beschikking waarbij een algemeen nut beogende instelling wordt aangemerkt als een culturele instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum. 3 De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een culturele instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt. 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 01-01-2024
Artikel 1e — Artikel 1e#
Artikel 1e 1 Bij een verzoek een categorie instellingen dan wel een groep van met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken als algemeen nut beogende instellingen of als culturele instellingen (gemeenschappelijke aanwijzing), wordt in het verzoek vermeld op welke instellingen het verzoek betrekking heeft. 2 Een instelling waarop een verzoek om een gemeenschappelijke aanwijzing betrekking heeft maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor aanmerking als algemeen nut beogende instelling, wordt niet in de gemeenschappelijke aanwijzing opgenomen. 3 Een beschikking inzake een gemeenschappelijke aanwijzing kan met betrekking tot elk van de aldus aangemerkte instellingen afzonderlijk worden ingetrokken, met ingang van het tijdstip waarop die instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden. Het intrekken van die beschikking kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum. 2012 12737 22-06-2012 19-06-2012 DB2012/248 2012 12737 22-06-2012 19-06-2012 DB2012/248 23-06-2012 01-01-2012
Artikel 1f — Artikel 1f#
Artikel 1f 1 Een stichting kwalificeert als een steunstichting SBBI, indien en zolang: a. uit haar statuten en feitelijke werkzaamheden blijkt: 1°. dat zij is opgericht uitsluitend met het doel om geld in te zamelen ter ondersteuning van een bepaalde sociaal belang behartigende instelling die lid is van een landelijke, representatieve koepel op het gebied van sport of muziek; 2°. dat het ingezamelde geld uitsluitend bestemd is voor een bijzondere investering of uitgave ter gelegenheid van de viering door die instelling van haar 5-jarig bestaan of een veelvoud daarvan; 3°. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de onder 2° bedoelde viering; 4°. dat de leden van het orgaan van de stichting dat het beleid bepaalt, ter zake van de door hen in die hoedanigheid voor de stichting verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet-bovenmatig vacatiegeld; 5°. dat de stichting het voor de in de onder 2° bedoelde viering ingezamelde geld besteedt in het kalenderjaar van de bedoelde viering, het daaraan voorafgaande kalenderjaar of uiterlijk in het kalenderjaar erna; 6°. dat bij opheffing van de stichting een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling, en 7°. het kalenderjaar dat zij als steunstichting SBBI wil kwalificeren; b. de administratie van de stichting zodanig is ingericht dat daaruit blijkt: 1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de stichting dat het beleid bepaalt toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden, en 2°. de aard en omvang van de kosten die door de stichting zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de stichting, alsmede de aard en omvang van de uitgaven van de stichting ten behoeve van de in onderdeel a, onder 2°, bedoelde viering. 2 Bij de geldinzameling door de stichting wordt duidelijk aangegeven wat het doel is van de inzameling, alsmede wat het in het eerste lid, onderdeel a, onder 7°, bedoelde jaar is. 3 Per sociaal belang behartigende instelling kan slechts één stichting per viering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, als steunstichting SBBI kwalificeren. 4 De inspecteur maakt het bestaan van een steunstichting SBBI op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. 2012 12737 22-06-2012 19-06-2012 DB2012/248 2012 12737 22-06-2012 19-06-2012 DB2012/248 23-06-2012 01-01-2012
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, is de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. 2 artikel 45 van de Successiewet 1956 In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de erfbelasting, de belastingplichtige die niet binnen de inbedoelde termijn van twintig maanden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. 3 In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de schenkbelasting, de belastingplichtige begiftigde, alsmede de schenker die de belastbare schenking heeft gedaan, die niet binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. 4 Het verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde tijdvakken. 5 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt. 6 artikel 9.4, eerste lid, onderdelen c of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het eerste lid is niet van toepassing, indien over het tijdvak waarover de belasting wordt geheven reeds een aanslag is opgelegd, dan wel redelijkerwijs moet worden aangenomen dat over dat tijdvak, na verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is, geen aanslag zal worden opgelegd of uitsluitend op grond vaneen aanslag zal worden opgelegd. 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 01-01-2026
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. 2 De belastingplichtige die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte en een teruggaaf van omzetbelasting wenst, is gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. 3 artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Een rechtspersoon als bedoeld in, die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een verkrijging van aandelen in die rechtspersoon heeft plaatsgehad onder de in die bepaling genoemde omstandigheden, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting ter zake van die verkrijging moet worden betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken, zo de rechtspersoon niet reeds met het oog op die verkrijging is uitgenodigd tot het doen van aangifte. 4 artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Een vereniging als bedoeld in, die voor een bepaald kalenderjaar niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden binnen veertien dagen na afloop daarvan de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. 5 artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Indien ter zake van een verkrijging van goederen als bedoeld inof van andere goederen waarvan geen notariële akte is opgemaakt een vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt toegepast, is de verkrijger gehouden om binnen een maand na die verkrijging de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. 2020 64029 31-12-2020 31-12-2020 2020-0000246185 2020 64029 31-12-2020 31-12-2020 2020-0000246185 01-01-2021
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikelen 2 3 artikelen 43 44 van de wet De in deenomschreven verplichtingen gelden mede voor de in deenbedoelde personen. 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 01-07-1994
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a Het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan. 2015 37619 29-10-2015 23-10-2015 DB/2015/366M 2015 37619 29-10-2015 23-10-2015 DB/2015/366M 01-11-2015
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 artikel 4a Aangifte wordt gedaan door het op de in de aangiftebrief, bedoeld in, aangegeven wijze, inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden. 2015 37619 29-10-2015 23-10-2015 DB/2015/366M 2015 37619 29-10-2015 23-10-2015 DB/2015/366M 01-11-2015
Artikel 20a — Artikel 20a#
Artikel 20a artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet De Belastingdienst kan ondersteuning verlenen bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen van particuliere belastingplichtigen. Deze ondersteuning vindt plaats in het algemeen belang als bedoeld in. Onder ondersteuning bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen wordt in elk geval verstaan: a. het ter beschikking stellen van middelen voor het doen van aangifte of voor het elektronisch indienen en ondertekenen van aangiften, en b. het ondersteunen, onder meer met de in onderdeel a bedoelde middelen, van partijen die, hulp bieden bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen, voor zover die partijen geen vergoeding vragen voor het bieden van die hulp. 2016 32688 22-06-2016 17-06-2016 2016-0000005870 2016 32688 22-06-2016 17-06-2016 2016-0000005870 01-07-2016
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 2016 71813 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000225960 2016 71813 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000225960 01-01-2017 Vindt eerst toepassing ter zake van aangiften gedaan vanwege een
overlijden dat of een schenking die op of na 1 januari 2017 plaatsvindt.
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970 Met betrekking tot de overdrachtsbelasting ter zake van een verkrijging van andere goederen dan de goederen, bedoeld in, waarvan een notariële akte is opgemaakt, wordt door de notaris namens de verkrijger aangifte gedaan, door het aanbieden ter registratie van de akte en het aanbieden van de gegevens, bedoeld in, op de wijze, bedoeld in dat artikel. In de akte wordt tevens vermeld of in verband met de verkrijging van de onroerende zaak of zaken tevens een of meer roerende zaken zijn verkregen. Indien dat het geval is, wordt in de akte voorts vermeld voor welk totaalbedrag deze roerende zaak of zaken werd of werden verkregen en of dat bedrag is begrepen in de in de akte vermelde tegenprestatie voor de onroerende zaak of zaken. De in de vorige volzin bedoelde roerende zaak of zaken worden in de akte of in een annex die bij de minuut is opgemaakt opgenomen. De inspecteur kan de notaris om een kopie van de annex verzoeken. In de akte worden alle gegevens opgenomen waarvan kennisneming van belang is of kan zijn voor de heffing van de overdrachtsbelasting. 2017 72735 28-12-2017 28-12-2017 2017-0000235515 2017 72735 28-12-2017 28-12-2017 2017-0000235515 01-01-2018
Artikel 21b — Artikel 21b#
Artikel 21b artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer Aan de verplichting, bedoeld in, wordt voldaan door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen, ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsbiljet. 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 21c — Artikel 21c#
Artikel 21c 1 artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 Het verzoek, bedoeld in, wordt gedaan binnen drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld. 2 artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965 Het verzoek, bedoeld in, wordt door natuurlijke personen gedaan binnen vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld en door lichamen binnen drie jaren na afloop van het boekjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld. 3 Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts eenmaal per kalenderjaar of boekjaar na afloop van dat kalenderjaar, onderscheidenlijk boekjaar, gedaan. 2022 33377 27-12-2022 02-12-2022 2022-0000289823 2022 33377 27-12-2022 02-12-2022 2022-0000289823 01-01-2023
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 9, eerste tot en met derde lid, van de wet Van de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden, kan de inspecteur ontheffing verlenen ingeval degene die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, op een binnen de door de inspecteur ingevolgegestelde termijn ingediend verzoek opnieuw is uitgenodigd tot het doen van aangifte. 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 01-07-1994
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De inspecteur legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt. 2 De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag is een schatting. Voor de inkomstenbelasting kan deze schatting worden gedaan op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente belastingjaar. Voor de vennootschapsbelasting kan deze schatting worden gedaan op grond van het gemiddelde van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslagen over de twee meest recente belastingjaren. De inspecteur houdt zo veel mogelijk rekening met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van belasting en met andere wijzigingen die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Indien: kan de inspecteur afzien van het aanvullen van de voorlopige aanslag, ook op een daartoe strekkend verzoek van de belastingplichtige. In dat geval wordt met de wijzigingen uiterlijk bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden. a. een wijziging als bedoeld in de vierde volzin niet, niet tijdig, niet juist of niet volledig in de automatisering is of kan worden doorgevoerd waardoor hiermee bij de vaststelling van de voorlopige aanslag geen of niet op de juiste wijze rekening is gehouden; en b. het bedrag van de voorlopige aanslag niet aanmerkelijk afwijkt van het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen; 3 artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 De voorlopige aanslag van een fiscale eenheid als bedoeld in, wordt, over het jaar waarin het voegingstijdstip valt, alsmede die over het daaropvolgende jaar, vastgesteld alsof de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij gedurende de twee voorafgaande jaren reeds verenigd waren. 2014 2405 27-01-2014 23-01-2014 DB2014/67 2014 2405 27-01-2014 23-01-2014 DB2014/67 28-01-2014
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien een voorlopige aanslag inkomstenbelasting is of zal worden vastgesteld en een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de opgelegde of op te leggen voorlopige aanslag, doet de belastingplichtige daarvan zo spoedig mogelijk op de door de inspecteur aangewezen wijze mededeling aan de inspecteur. Deze mededeling wordt geacht een verzoek om herziening als bedoeld inte zijn. 2009 20549 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-735M 2009 20549 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-735M 01-01-2010 Vindt voor het eerst
toepassing met betrekking tot belastingaanslagen voor
inkomstenbelasting ter zake van tijdvakken die aanvangen op of na
1 januari 2010 (Stcrt. 2009/20549).
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a Vervallen 2015 37619 29-10-2015 23-10-2015 DB/2015/366M 2015 37619 29-10-2015 23-10-2015 DB/2015/366M 01-11-2015
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Het tijdvak waarover de omzetbelasting, de vliegbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de assurantiebelasting moeten worden betaald, is het kalenderkwartaal of, indien de inspecteur zulks vordert, dan wel de belastingplichtige over een kalendermaand aangifte doet, de kalendermaand. 2 Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar, treden de boekjaarkwartalen en de boekjaarmaanden in de plaats van de kalenderkwartalen, onderscheidenlijk de kalendermaanden. 3 In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan een kwartaal of een maand aanwijzen als tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald. 4 Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip - anders dan tijdelijk - ophoudt belastingplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak. 2020 64029 31-12-2020 31-12-2020 2020-0000246185 2020 552 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet vliegbelasting in
werking treedt.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 1, onderdelen a tot en met f, van de Wet op de kansspelbelasting Het tijdvak waarover de accijnzen, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken, de kansspelbelasting geheven van een belastingplichtige als bedoeld in, de belasting op leidingwater, de afvalstoffenbelasting, de kolenbelasting en de energiebelasting moeten worden betaald, is de kalendermaand. 2 Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar, treden de boekjaarmaanden in de plaats van de kalendermaanden. 3 artikel 1, onderdelen a, b, d, e en f, van de Wet op de kansspelbelasting In afwijking van het eerste lid is het tijdvak waarover de kansspelbelasting geheven de houder van een vergunning als bedoeld inmoet worden betaald het kalenderkwartaal, indien: a. de betaalde kansspelbelasting in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren per kwartaal gemiddeld niet meer heeft bedragen dan € 15.000; en b. aan de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren niet meer dan twee naheffingaanslagen kansspelbelasting zijn opgelegd. 4 Door vernummering vervallen. 5 In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan de kalendermaand aanwijzen als tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald. 6 Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip - anders dan tijdelijk - ophoudt belastingplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak. 2021 22180 11-05-2021 30-04-2021 2021-0000072812 2021 22180 11-05-2021 30-04-2021 2021-0000072812 01-10-2021
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 2 2 2 Het tijdvak waarover de bronbelasting, de minimum CO-prijs elektriciteitsopwekking, de CO-heffing industrie en de CO-heffing glastuinbouw moeten worden betaald, is het kalenderjaar. 2 Het tijdvak waarover de bronbelasting moet worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip – anders dan tijdelijk – ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage Het tijdvak waarover de solidariteitsbijdrage moet worden betaald, is gelijk aan het bijdragejaar bedoeld in. 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 01-01-2024 01-01-2022
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald is de kalendermaand of periode van vier aaneengesloten weken. De inspecteur deelt aan de inhoudingsplichtige mee welk tijdvak voor hem in een kalenderjaar van toepassing is. 2 Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken vangt het eerste tijdvak van het kalenderjaar aan op de maandag voorafgaande aan de eerste donderdag van het kalenderjaar. 3 Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken bevat het kalenderjaar maximaal 13 tijdvakken. 4 Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken geldt, in zoverre in afwijking van het tweede lid, dat: a. ingeval het eerste tijdvak van het kalenderjaar aanvangt na 1 januari van het kalenderjaar, de periode vanaf 1 januari tot de aanvang van het eerste tijdvak wordt toegevoegd aan dat eerste tijdvak; b. ingeval het laatste tijdvak van het kalenderjaar eindigt voor 31 december van het kalenderjaar, de periode na het einde van het laatste tijdvak tot en met 31 december van het kalenderjaar wordt toegevoegd aan dat laatste tijdvak; c. ingeval het eerste tijdvak van het kalenderjaar aanvangt in het vorige kalenderjaar, de periode tot en met 31 december van het vorige kalenderjaar wordt toegevoegd aan het laatste tijdvak van het vorige kalenderjaar; d. ingeval het laatste tijdvak van het kalenderjaar eindigt in het volgende kalenderjaar, de periode vanaf 1 januari van het volgende kalenderjaar wordt toegevoegd aan het eerste tijdvak van het volgende kalenderjaar. 5 Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip – anders dan tijdelijk – ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak. 2005 184 22-09-2005 20-09-2005 WDB2005/425M 2005 184 22-09-2005 20-09-2005 WDB2005/425M 01-11-2005 Artikel VI van Stcrt. 2005/184, Wijzigingsregeling diverse fiscale uitvoeringsregelingen bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 artikel 28, eerste lid In afwijking van, is het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald: a. artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 artikel 28 voor de zelfstandige binnenschipper die woonplaats heeft gekozen ingevolge: het kalenderhalfjaar, tenzij de inspecteur vordert datten aanzien van deze binnenschipper van toepassing is; b. voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van de werknemer die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van diens huishouden, daaronder begrepen het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden: het kalenderjaar; c. artikel 27, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de ouder ter zake van de loonbelasting van zijn in zijn onderneming werkzame kinderen voorzover de belasting is geheven door inhouding volgens: het kalenderjaar; d. artikel 35, tweede lid, onderdelen b en d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van de werknemer die uitsluitend diensten verricht in het kader van voorzieningen als bedoeld in: het kalenderjaar. 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 01-01-2011
Artikel 29a — Artikel 29a#
Artikel 29a Vervallen 2014 17396 24-06-2014 17-06-2014 IZV2014/120 2014 17396 24-06-2014 17-06-2014 IZV2014/120 01-01-2015
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De inspecteur verleent op verzoek van de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, uitstel van betaling van loonbelasting of omzetbelasting over een tijdvak, indien met betrekking tot dat tijdvak, dan wel een tijdvak dat is geëindigd vóór of tegelijk met dat tijdvak, door die belastingplichtige, onderscheidenlijk die inhoudingsplichtige, een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan vanwege het feit dat de verschuldigde omzetbelasting minder beloopt dan de voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting. Ingeval loonbelasting moet worden betaald over een tijdvak van vier weken dat niet aan het einde van een kalendermaand eindigt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin: a. dat tijdvak geacht te zijn geëindigd aan het einde van de kalendermaand waarin het tijdvak is geëindigd; b. het twaalfde tijdvak van het kalenderjaar, in afwijking van onderdeel a, geacht te zijn geëindigd aan het einde van het kalenderjaar. 2 Uitstel wordt slechts verleend tot het beloop van de teruggaaf omzetbelasting. 3 Uitstel wordt niet verleend indien: a. de aangifte waarvan uitstel wordt verzocht niet tijdig is gedaan; b. het verzoek niet uiterlijk gelijktijdig met de in onderdeel a bedoelde aangifte is gedaan; c. het verzoek niet mede bevat een machtiging aan de ontvanger om de teruggaaf omzetbelasting aan te wenden voor de betaling op de aangifte waarvan uitstel wordt verzocht; of d. artikel 24 van de Invorderingswet 1990 de teruggaaf omzetbelasting op de voet vankan worden verrekend met onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen. 4 artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Indien degene die het verzoek om uitstel doet een dochtermaatschappij, onderscheidenlijk een moedermaatschappij is met betrekking tot welke vennootschapsbelasting wordt geheven met toepassing van, is het eerste lid eveneens van toepassing indien het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan door de moedermaatschappij, dan wel door een andere dochtermaatschappij die voor de heffing van vennootschapsbelasting in deze is opgegaan, onderscheidenlijk door een dochtermaatschappij. 2008 130 09-07-2008 04-07-2008 DV2008-00564M 2008 130 09-07-2008 04-07-2008 DV2008-00564M 11-07-2008
Artikel 30a — Artikel 30a#
Artikel 30a artikel 21d, eerste lid, onderdeel a, van de wet artikel 21d, eerste lid, onderdeel d, van de wet De inspecteur bepaalt zo spoedig mogelijk doch binnen vijf werkdagen na de ontvangst van een terugmelding als bedoeld inof het ontstaan van een situatie als bedoeld in, of de aantekening ‘in onderzoek’ al dan niet wordt geplaatst. 2008 253 31-12-2008 17-12-2008 DB2008/705 2008 253 31-12-2008 17-12-2008 DB2008/705 01-01-2009
Artikel 30b — Artikel 30b#
Artikel 30b De inspecteur vermindert ambtshalve een inkomensgegeven dat op een te hoog bedrag is bepaald zodra hem dat is gebleken, tenzij: a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop het inkomensgegeven betrekking heeft; b. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald; c. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn uitgevaardigd nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald; d. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of e. sprake is van enig feit waardoor het inkomensgegeven op een te hoog bedrag is bepaald en enig ander inkomensgegeven, al dan niet van dezelfde betrokkene, ter zake van datzelfde feit op een te laag bedrag is bepaald, met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover de met het laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting is of kan worden geheven. 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 01-01-2011
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 Bij de bepaling van het aantal dagen waarover ingevolge hoofdstuk VA van de wet belastingrente wordt berekend, wordt een volle kalendermaand gesteld op 30 dagen, met uitzondering van de maand op de laatste dag waarvan het tijdvak waarover de rente wordt berekend eindigt, in welk geval het werkelijke aantal dagen in aanmerking wordt genomen. 2 Het bedrag van de in rekening te brengen belastingrente wordt naar beneden afgerond op gehele euro’s. 3 Het bedrag van de te vergoeden belastingrente wordt naar boven afgerond op gehele euro’s. 2012 26349 28-12-2012 21-12-2012 DB2012-475M 2012 26349 28-12-2012 21-12-2012 DB2012-475M 01-01-2013
Artikel 31bis — Artikel 31bis#
Artikel 31bis 1 artikel 30ia, derde lid, onderdeel a, van de wet Voor de toepassing vanwordt het te betalen bedrag aan belasting of een gedeelte daarvan geacht reeds te zijn geheven, dan wel op aangifte te zijn voldaan of afgedragen, in de situaties waarin: a. artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 tussen partners als bedoeld ineen vermindering van de belastingaanslag van de ene partner leidt tot een teruggaaf van inkomstenbelasting en voor de andere partner tot een daarmee samenhangende belastingaanslag met een te betalen bedrag aan belasting waarover belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl het te betalen bedrag aan belasting, onderscheidenlijk een gedeelte daarvan, tot het moment van teruggaaf aan een van de partners geacht kan worden reeds te zijn geheven; b. artikel 1, eerste lid, onder 1°, van de Successiewet 1956 artikel 35f van de Successiewet 1956 een wijziging plaatsvindt in een verkrijging krachtens erfrecht als bedoeld in, of ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap een wijzing plaatsvindt in de gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen als bedoeld in, waarbij een verkrijger een teruggaaf van erfbelasting ontvangt en een andere verkrijger een daarmee samenhangende belastingaanslag met een te betalen bedrag aan belasting waarover belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl het te betalen bedrag aan belasting, onderscheidenlijk een gedeelte daarvan, tot het moment van teruggaaf aan een van de verkrijgers geacht kan worden reeds te zijn geheven; c. Wet op het BTW-compensatiefonds een bedrag aan omzetbelasting ten onrechte in aftrek is gebracht waarna een naheffingsaanslag omzetbelasting met een te betalen bedrag aan belastingrente volgt, terwijl in plaats van die aftrek of een gedeelte daarvan, recht bestond op een bijdrage als bedoeld in de; d. Wet op het BTW-compensatiefonds artikel 9, vierde lid, van die wet ten onrechte een bijdrage als bedoeld in deis ontvangen waarna een beschikking als bedoeld inmet een te betalen bedrag aan belastingrente volgt, terwijl in plaats van die bijdrage of een gedeelte daarvan, recht bestond op een teruggaaf van omzetbelasting; e. een bedrag aan overdrachtsbelasting is voldaan ten aanzien van de verkrijging van een onroerende zaak, terwijl ten aanzien van deze verkrijging ter zake van de levering van de onroerende zaak omzetbelasting voldaan had moeten zijn en de verkrijging vrijgesteld was van overdrachtsbelasting. 2 artikel 30ia, derde lid, onderdeel b, van de wet Voor de toepassing vangeldt dat indien sprake is van een verzoek aan de inspecteur om vermindering van belastingrente als bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet bij dat verzoek op duidelijke en overzichtelijke wijze dient te zijn vermeld ten aanzien van welke periode sprake is van belastingrente die in rekening is gebracht terwijl het te betalen bedrag aan belasting reeds is geheven, dan wel op aangifte is voldaan of afgedragen. Het verzoek wordt op een door de inspecteur aangegeven wijze ingediend. 3 artikel 30ia, eerste lid, van de wet Bij de vermelding van de periode, bedoeld in het tweede lid, maakt de verzoekende belastingplichtige aannemelijk dat hij in aanmerking komt voor de vermindering van belastingrente, bedoeld in. 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing als om de vermindering van belastingrente wordt verzocht via een bezwaar. 5 artikel 30ia, derde lid, onderdeel c, van de wet artikel 30j, eerste lid, van de wet Voor de toepassing vangeldt dat indien sprake is van een verzoek aan de inspecteur om vermindering van belastingrente als bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet de toepassing van artikel 30ia, eerste lid, van de wet achterwege blijft als het bedrag van de in rekening gebrachte belastingrente dat bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld als bedoeld in, niet meer bedraagt dan € 100. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a artikel 38, tweede lid, van de wet Voor de toepassing van, worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 01-01-2011
Artikel 31b — Artikel 31b#
Artikel 31b Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. NAVO-Statusverdrag: het op 19 juni 1951 te Londen tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951, 114); b. Hoofdkwartierenprotocol: het op 28 augustus 1952 te Parijs tot stand gekomen Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag – nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten – nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11); c. buitenlandse NAVO-strijdkrachten: 1°. in Nederland gelegerde buitenlandse land-, zee- of luchtstrijdkrachten van de Staten die partij zijn bij het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag (Stb. 1949, J 355), het NAVO-Statusverdrag of het Hoofdkwartierenprotocol; 2°. het Geallieerd Hoofdkwartier, bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol, of bedoeld in artikel I, aanhef en onderdeel 3, van de op 25 mei 1964 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa ondertekende Overeenkomst inzake de bijzondere voorwaarden die toepasselijk zijn op de vestiging en het functioneren van internationale militaire hoofdkwartieren binnen het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1964, 131); 3°. andere buitenlandse NAVO-onderdelen, voor zover het NAVO-Statusverdrag of het Hoofdkwartierenprotocol daarop van toepassing is; d. personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten: 1°. een lid van de krijgsmacht als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol; 2°. een lid van de civiele dienst als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Hoofdkwartierenprotocol; e. gezinslid: 1°. een inwonende persoon als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol; 2°. een niet-inwonend kind als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol dat afhankelijk is van een lid van een krijgsmacht of civiele dienst voor zijn onderhoud, voor zover dat kind zich op Nederlands grondgebied bevindt; 3°. een niet-inwonende partner als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol, voor zover die partner zich op Nederlands grondgebied bevindt; 4°. een persoon voor wie een NAVO-strijdkracht (Delegatieleider) verklaart dat deze de status heeft van ‘afgeleide NAVO-statusgerechtigde ’of ‘afgeleide Paris Protocol-gerechtigde’; 5°. artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een partner als bedoeld in; f. commandant: de bevoegde autoriteit van een buitenlandse NAVO-strijdkracht; g. buitenlandse EU-strijdkrachten: strijdkrachten van een andere lidstaat van de Europese Unie voor zover die in Nederland deelnemen aan een defensie-inspanning ter uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, bedoeld in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie; h. personeel van buitenlandse EU-strijdkrachten: 1. een lid van een buitenlandse EU-strijdkracht; 2. een lid van het begeleidend burgerpersoneel van een buitenlandse EU-strijdkracht voor zover dat lid in Nederland die strijdkracht begeleidt. 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 01-01-2024
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 39 van de wet Een op grond vante verlenen vrijstelling wordt: De inspecteur kan nadere voorwaarden en beperkingen stellen. a. voorwaardelijk verleend; b. voor goederen of diensten verleend voor redelijke hoeveelheden. 2 Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt wanneer niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden die voor de vrijstelling gelden. Aan de voorwaarden die voor een vrijstelling gelden, wordt in ieder geval niet voldaan wanneer een goed of de nutswaarde van een dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend, geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt door of ten goede komt aan een ander dan degene ten behoeve van wie de vrijstelling is verleend. Indien een instelling of persoon niet langer aanspraak heeft op een in het eerste lid bedoelde vrijstelling, vervalt de vrijstelling voor in het verleden met vrijstelling aangeschafte goederen en diensten, voorzover het goed of het nut van de dienst geacht kan worden nog niet volledig te zijn verbruikt. 3 Wanneer een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt, is de belasting waarvan vrijstelling is verleend, verschuldigd door degene ten behoeve van wie de vrijstelling is verleend. De instelling of persoon wordt terzake aangemerkt als belastingplichtige. De verschuldigde belasting wordt berekend naar het tarief - en voorzover van toepassing de dagwaarde van het goed of de resterende nutswaarde van de dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend - op het moment dat de vrijstelling vervalt. Ingeval van oneigenlijk gebruik van een vrijstelling wordt de verschuldigde belasting vastgesteld op ten minste het bedrag waarvan vrijstelling werd verleend. 4 Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting, tenzij anders is bepaald. Ingeval evenwel een prestatie wordt verricht aan een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een internationale organisatie of een militaire begraafplaats, kan de ondernemer die de prestatie verricht, ter zake van de omzetbelasting het tarief van nihil toepassen indien de instelling tijdig aan de ondernemer een geldige verklaring van de inspecteur ter beschikking stelt waaruit blijkt dat ter zake van die belasting het tarief van nihil kan worden toegepast. Op verzoek van de in de tweede volzin bedoelde instelling geeft de inspecteur deze verklaring af indien naar zijn oordeel aanspraak bestaat op vrijstelling van omzetbelasting en de vergoeding ten minste € 35.000 bedraagt. 5 De in het eerste lid bedoelde vrijstellingen van omzetbelasting en accijns met betrekking tot motorbrandstoffen bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of een internationale organisatie, of bestemd voor persoonlijk gebruik door een lid of personeelslid van een dergelijke instelling worden slechts verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven, dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99. De vrijstellingen worden verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting. 6 artikel 39 van de wet Met inachtneming van hetgeen is bepaald in het eerste, tweede en derde lid wordt in gevallen waarin op grond vanaanspraak bestaat op vrijstelling van belastingen bij invoer van een motorrijtuig mede een vrijstelling verleend van omzetbelasting bij levering dan wel intracommunautaire verwerving van een motorrijtuig. De vrijstelling wordt verleend bij wijze van toepassing van het tarief van nihil. De voorwaarden en beperkingen van de desbetreffende vrijstelling van belastingen bij invoer zijn van overeenkomstige toepassing. 7 artikelen 7:8 tot en met 7:14 van de Algemene douaneregeling Voor de in het vijfde lid bedoelde instellingen en personen zijn ter zake van een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van omzetbelasting met betrekking tot motorbrandstoffen, vrijstelling van accijns en vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen de voorwaarden van devan overeenkomstige toepassing. 8 artikel 39 van de wet Op grond vanwordt vrijstelling van omzetbelasting verleend ter zake van de levering van goederen aan of het verrichten van diensten voor de Europese Commissie of voor een krachtens het Unierecht opgericht agentschap of orgaan wanneer de Europese Commissie of een dergelijk agentschap of orgaan deze goederen of diensten aankoopt in het kader van de uitvoering van de hen bij het Unierecht toevertrouwde taken ter bestrijding van de COVID-19-pandemie, tenzij de aangekochte goederen en diensten onmiddellijk dan wel op een later tijdstip worden gebruikt voor latere leveringen onder bezwarende titel door de Commissie of door een dergelijk agentschap of orgaan. De vrijstelling wordt verleend bij wijze van toepassing van het tarief van nihil indien de afnemer tijdig aan de ondernemer die de prestatie verricht een geldige verklaring van de inspecteur ter beschikking stelt waaruit blijkt dat ter zake het tarief van nihil kan worden toegepast. 2021 48636 28-12-2021 28-12-2021 2021-0000025821 2021 48636 28-12-2021 28-12-2021 2021-0000025821 01-01-2022 01-01-2021
Artikel 32a — Artikel 32a#
Artikel 32a 1 artikel 39 van de wet In gevallen waarin op grond vaneen vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van aardgas of elektriciteit, bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een internationale organisatie of een militaire begraafplaats, wordt mede een vrijstelling verleend van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie. 2 Artikel 32, vierde lid, tweede en derde zin De vrijstelling van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie wordt gerealiseerd door teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting. De vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd indien degene die de levering verricht over een geldige verklaring van de inspecteur beschikt waaruit blijkt dat ter zake van de levering geen energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie in rekening hoeft te worden gebracht., vindt alsdan ook toepassing bij een vergoeding die lager is dan € 35.000. 3 Artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag Een verzoek om teruggaaf van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie wordt ingediend binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het energiedistributiebedrijf is verzonden. Bij het verzoek om teruggaaf wordt de eindfactuur van het energiedistributiebedrijf overgelegd. Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden.is van overeenkomstige toepassing. 2019 69810 30-12-2019 18-12-2019 2019-0000199975 2019 69810 30-12-2019 18-12-2019 2019-0000199975 01-01-2020
Artikel 32b — Artikel 32b#
Artikel 32b 1 artikel 39 van de wet In gevallen waarin op grond vaneen vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van leidingwater, bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een internationale organisatie of een militaire begraafplaats, wordt mede een vrijstelling verleend van belasting op leidingwater. 2 Artikel 32, vierde lid, tweede en derde zin De vrijstelling van belasting op leidingwater wordt gerealiseerd door teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting. De vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd indien degene die de levering verricht over een geldige verklaring van de inspecteur beschikt waaruit blijkt dat ter zake van de levering geen belasting op leidingwater in rekening hoeft te worden gebracht., vindt alsdan ook toepassing bij een vergoeding die lager is dan € 35.000. 3 Artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag Een verzoek om teruggaaf van belasting op leidingwater wordt ingediend binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening is verzonden. Bij het verzoek om teruggaaf wordt de eindfactuur van het waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening overgelegd. Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden.is van overeenkomstige toepassing. 2019 69810 30-12-2019 18-12-2019 2019-0000199975 2019 69810 30-12-2019 18-12-2019 2019-0000199975 01-01-2020
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikelen 34 36 37 38 Van de belastingen, genoemd in het derde lid van dit artikel zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de,,en, vrijgesteld de leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en, met uitzondering van honoraire consuls, de leden van consulaire vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, mits zij: De vrijstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdelen c, d, e en f, worden ten aanzien van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel slechts verleend indien sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland ten hoogste tien jaren zijn verstreken. a. geen Nederlander zijn; b. niet duurzaam verblijf houden in Nederland; en c. bij Nederland zijn geaccrediteerd of aangemeld. 2 De vrijstelling voor de in het eerste lid bedoelde personen vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bij hen inwonende gezinsleden en, onder voorwaarde van wederkerigheid, de bij hen in dienstbetrekking staande particuliere bedienden, mits zij: a. geen Nederlander zijn; en b. niet duurzaam verblijf houden in Nederland. 3 De in dit artikel bedoelde vrijstelling vindt toepassing met betrekking tot: a. de inkomstenbelasting; b. de loonbelasting; c. de omzetbelasting; d. de motorrijtuigenbelasting; e. de belasting van personenauto’s en motorrijwielen; f. de kansspelbelasting. 4 artikel 39 van de wet artikel 39 van de wet Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de functionarissen van internationale organisaties die ingevolgein aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inwonende gezinsleden van functionarissen van internationale organisaties die ingevolgein aanmerking komen voor de fiscale vrijstellingen zoals die worden verleend aan de inwonende gezinsleden van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen. 5 artikel 39 van de wet artikel 32, eerste lid De vrijstelling van omzetbelasting wordt slechts verleend onder voorwaarde van wederkerigheid; ten aanzien van functionarissen van internationale organisaties die ingevolgein aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan diplomaten, wordt met inachtneming van, aangenomen dat aan de voorwaarde van wederkerigheid wordt voldaan. 2017 35122 30-06-2017 30-06-2017 2017-0000117104 2017 35122 30-06-2017 30-06-2017 2017-0000117104 01-07-2017
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 33 hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 De vrijstelling van inkomstenbelasting, bedoeld in, strekt zich niet uit tot het buiten het ambt of de betrekking genoten inkomen, bedoeld in. Bij de berekening van de inkomstenbelasting over de niet-vrijgestelde inkomensbestanddelen wordt geen rekening gehouden met de vrijgestelde inkomensbestanddelen. 2 artikel 33 De vrijstelling van loonbelasting, bedoeld in, strekt zich niet uit tot het buiten het ambt of de betrekking genoten loon. 3 artikel 33 De vrijstelling van kansspelbelasting, bedoeld in, strekt zich niet uit tot prijzen van binnenlandse kansspelen. 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikelen 36 37 38 39 Van de belastingen, genoemd in het tweede lid van dit artikel zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de,,en, vrijgesteld de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, met uitzondering van honoraire consulaire vertegenwoordigingen. 2 De in het eerste lid bedoelde vrijstelling vindt toepassing met betrekking tot: a. de omzetbelasting; b. de motorrijtuigenbelasting; c. de belasting van personenauto’s en motorrijwielen; d. de overdrachtsbelasting. 3 artikelen 36 39 Honoraire consulaire vertegenwoordigingen zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in deen, vrijgesteld van: a. de omzetbelasting; b. de overdrachtsbelasting. 4 De vrijstelling van omzetbelasting, bedoeld in dit artikel, wordt slechts verleend onder voorwaarde van wederkerigheid. 5 De in dit artikel bedoelde vrijstellingen worden verleend aan het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. 2020 64029 31-12-2020 31-12-2020 2020-0000246185 2020 64029 31-12-2020 31-12-2020 2020-0000246185 01-01-2021
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 artikel 33 De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de inbedoelde personen wordt verleend voor de levering van roerende zaken bestemd voor hun persoonlijk gebruik, met uitzondering van de levering van levensmiddelen, drank of tabakswaren. De vrijstelling wordt slechts verleend indien de vergoeding per factuur ten minste € 225 bedraagt. 2 artikel 35, eerste lid De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in, bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen wordt verleend voor de levering van goederen en het verrichten van diensten bestemd voor officieel gebruik van deze vertegenwoordigingen. Onder officieel gebruik wordt begrepen het huisvesten van leden van de vertegenwoordiging. De vrijstelling wordt slechts verleend indien de vergoeding per factuur ten minste € 225 bedraagt. 3 artikel 35, derde lid De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in, bedoelde honoraire consulaire vertegenwoordigingen wordt beperkt tot de volgende prestaties: a. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, bestemd voor officieel gebruik van de vertegenwoordiging, daaronder begrepen onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen bestemd voor het huisvesten van de leden van de vertegenwoordiging, met uitzondering van honoraire consuls; b. de levering van goederen en het verrichten van diensten bestemd voor het bouwen, verbouwen, herstellen en onderhouden, hieronder niet begrepen het schoonmaken, van de officiële gebouwen van de vertegenwoordiging, met uitzondering van de woning van de honoraire consul; c. de verhuur aan de vertegenwoordiging van onroerende zaken, bestemd voor officieel gebruik. 4 De teruggaaf wordt uitsluitend verleend, indien de levering of de dienst wordt ingeschreven in een door de inspecteur op verzoek uitgereikt of toegezonden formulier, onder overlegging van een gedagtekende factuur, waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze zijn vermeld: Zo de vergoeding per factuur een bedrag van € 225 te boven gaat, dient tevens een bewijs van betaling bij het formulier te worden gevoegd. a. de dag waarop de levering of de dienst wordt verricht; b. naam en adres van de ondernemer die de levering of de dienst verricht; c. naam en adres van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst verleend; d. een duidelijke omschrijving van de geleverde goederen of van de dienst; e. de hoeveelheid van de geleverde goederen; f. de vergoeding; en g. het bedrag van de belasting dat ter zake van de levering of de dienst is verschuldigd. 5 Bij de aangifte ter verkrijging van teruggaaf wordt het in het vierde lid bedoelde formulier te zamen met de daarbij gevoegde facturen en eventuele bewijzen van betaling overgelegd. De facturen en eventuele bewijzen van betaling worden bij het afschrift van de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden. 2001 247 20-12-2001 14-12-2001 2001 247 20-12-2001 14-12-2001 01-01-2002 2001 250 28-12-2001 28-12-2001 2001 250 28-12-2001 28-12-2001 01-01-2002
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikelen 33 35 artikel 33 artikel 35, eerste lid De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting, bedoeld in deen, wordt verleend voor motorrijtuigen bestemd voor persoonlijk gebruik door de inbedoelde personen of bestemd voor officieel gebruik ten behoeve van de in, bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen. 2 De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven, dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99 of in de serie 90-00 tot en met 99-99. De inspecteur kan de vrijstelling ook verlenen indien voor het motorrijtuig een ander kenteken is afgegeven. 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 01-01-2026
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikelen 33 35 artikel 33 artikel 35, eerste lid De vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen, bedoeld in deen, wordt verleend voor personenauto’s en motorrijwielen bestemd voor persoonlijk gebruik door de inbedoelde personen of bestemd voor officieel gebruik ten behoeve van de in, bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen. 2 De vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen wordt slechts verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven, dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99 of in de serie 90-00 tot en met 99-99. Er wordt geen teruggaaf verleend van voor het motorrijtuig reeds betaalde belasting. 2006 251 27-12-2006 12-12-2006 DB2006-658M 2006 251 27-12-2006 12-12-2006 DB2006-658M 01-01-2007 01-01-2006
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 35 De vrijstelling van overdrachtsbelasting, bedoeld in, wordt verleend voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de verkrijging door een vreemde Mogendheid van in Nederland gelegen onroerende zaken die bestemd zijn voor de huisvesting van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of die bestemd zijn voor bewoning door het hoofd van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, met uitzondering van honoraire consuls. De vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt, onder voorwaarde van wederkerigheid, mede verleend voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de verkrijging door een vreemde Mogendheid van in Nederland gelegen onroerende zaken die bestemd zijn voor bewoning door andere leden van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Verkrijging wordt opgevat in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. 2 De vrijstelling wordt verleend in de vorm van teruggaaf van belasting, tenzij Onze Minister vooraf een vergunning heeft afgegeven om geen belasting te voldoen. 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 01-07-1994
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 Een voorwaardelijke vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend aan in een andere lidstaat van de Europese Unie: a. gevestigde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen; b. gevestigde internationale organisaties; c. gelegerde NAVO-strijdkrachten of EU-strijdkrachten, met uitzondering van NAVO-strijdkrachten en EU-strijdkrachten van die lidstaat zelf. 2 Een voorwaardelijke vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend aan personeelsleden van de in het eerste lid bedoelde instellingen. 3 Bij het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen zijn de voorwaarden, zoals de andere lidstaat die voor de instelling, dan wel het personeelslid heeft vastgesteld voor de vrijstelling van omzetbelasting ter zake van prestaties in het binnenlandse vrije verkeer, van overeenkomstige toepassing. De vrijstellingen worden niet verleend voor goederen die bestemd zijn voor gebruik binnen Nederland, noch voor diensten verricht met betrekking tot dergelijke goederen. 4 De in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstellingen worden slechts verleend, indien de instelling, dan wel het personeelslid een originele, door of namens de andere lidstaat gewaarmerkte verklaring overlegt waaruit blijkt dat ter zake aanspraak op vrijstelling van omzetbelasting bestaat. Voor deze verklaring dient gebruik te worden gemaakt van het EU-document ter uitvoering van de vrijstelling omzetbelasting en accijns bij intracommunautaire aankopen door ambassades en consulaten en de leden daarvan, internationale organisaties en bepaalde functionarissen daarvan, NAVO-onderdelen en EU-strijdkrachten. 5 De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vrijstelling kan direct, bij wijze van toepassing van het tarief van nihil, worden verleend indien de instelling, dan wel het personeelslid, tijdig een geldige verklaring als bedoeld in het vierde lid ter beschikking stelt aan de ondernemer die de prestatie verricht. De in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling kan worden verleend in de vorm van teruggaaf van belasting indien het bedrag van de vergoeding per factuur ten minste € 225 bedraagt. 6 De vrijstelling vervalt wanneer niet of niet langer wordt voldaan aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden. De alsdan verschuldigde omzetbelasting bedraagt ten hoogste het bedrag waarvan vrijstelling werd verleend. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 artikel 7.2, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De werknemer die niet in Nederland woont en buiten Nederland in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, is, in afwijking in zoverre van artikel 2, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en, vrijgesteld van loonbelasting onderscheidenlijk inkomstenbelasting indien: a. ter zake van het loon van de werknemer niet een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is en ook de Belastingregeling voor het Koninkrijk en de Belastingregeling voor het land Nederland niet van toepassing zijn; en b. de werknemer is aangeworven in het land waar hij werkzaam is; en c. door de Mogendheid op wier grondgebied de dienstbetrekking wordt vervuld een overeenkomstig standpunt wordt ingenomen ten aanzien van werknemers van haar publiekrechtelijke rechtspersonen die werkzaam zijn in Nederland en alhier zijn aangeworven. 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 01-01-2011 10-10-2010 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van toepassing van het tarief van nihil wordt verleend voor de levering aan en de intracommunautaire verwerving door buitenlandse NAVO-strijdkrachten van uitrusting, proviand, materiaal en goederen die bestemd zijn: a. voor uitsluitend gebruik door die strijdkrachten, het personeel van die strijdkrachten of de gezinsleden van dat personeel; of b. te worden verkocht of om niet te worden overgedragen in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes voor persoonlijk gebruik aan personeel van die strijdkrachten of aan de gezinsleden van dat personeel. 2 Vrijstelling van accijns en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt verleend voor de uitslag tot verbruik respectievelijk de uitslag van goederen die worden geleverd aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten en die bestemd zijn: a. voor uitsluitend gebruik door die strijdkrachten; of b. te worden verkocht of om niet te worden overgedragen in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes voor persoonlijk gebruik aan personeel van die strijdkrachten of aan de gezinsleden van dat personeel; of c. te worden verkocht of om niet te worden overgedragen voor consumptie ter plaatse in kantines, restaurants, clubs of messes van een Geallieerd Hoofdkwartier. 3 bijlage artikel 42g, eerste lid Een lid van de krijgsmacht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol dat de Nederlandse nationaliteit heeft mag uitsluitend gerantsoeneerde goederen, genoemd in de, onder de ingestelde voorwaarden, kopen in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42a — Artikel 42a#
Artikel 42a 1 artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van teruggaaf wordt verleend voor de levering van goederen voor persoonlijk gebruik aan personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of aan de gezinsleden van dat personeel, waarbij die goederen door een ondernemer als bedoeld inworden geleverd. 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a. alcoholhoudende dranken, tabaksproducten en voedingsmiddelen; b. goederen waarvan het bedrag van de vergoeding per factuur minder bedraagt dan € 50; c. goederen die zijn bestemd om blijvend te worden aangebracht aan een onroerend goed; d. motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen. 3 De teruggaaf wordt alleen verleend indien een betalingsbewijs wordt overgelegd waarop het geleverde goed is omschreven en de betaalde omzetbelasting is vermeld. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 42b — Artikel 42b#
Artikel 42b 1 Ter zake van aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten verleende diensten, bestemd voor officieel gebruik van die strijdkrachten, wordt met betrekking tot de omzetbelasting het tarief van nihil toegepast. 2 De commandant legt bij de inspecteur een lijst over met de namen, rang, functie en handtekening van de personen van zijn strijdkracht die bevoegd zijn tot het aftekenen van facturen of documenten die betrekking hebben op diensten die verleend zijn aan zijn strijdkracht. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42c — Artikel 42c#
Artikel 42c 1 Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van toepassing van het tarief van nihil wordt verleend voor de levering van aardgas, elektriciteit en leidingwater aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten en aan het personeel van die strijdkrachten voor hun persoonlijk gebruik. 2 Artikel 32a, tweede en derde lid artikel 32b, tweede en derde lid In gevallen waarin op grond van het eerste lid een vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van aardgas, elektriciteit of leidingwater, wordt mede een vrijstelling verleend van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie, onderscheidenlijk belasting op leidingwater., onderscheidenlijk, is van overeenkomstige toepassing. 2019 69810 30-12-2019 18-12-2019 2019-0000199975 2019 69810 30-12-2019 18-12-2019 2019-0000199975 01-01-2020
Artikel 42d — Artikel 42d#
Artikel 42d 1 Vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën wordt verleend voor levering van motorbrandstoffen aan personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en bestemd voor persoonlijk verbruik door dat personeel in motorrijtuigen die hun eigendom zijn. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, wordt vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën voor motorbrandstoffen, ongeacht de soorten motorbrandstof, verleend aan: a. het personeel van Amerikaanse of Canadese strijdkrachten of de civiele diensten daarvan: maximaal 400 liter per maand en per personeelslid; b. in afwijking van onderdeel a geldt voor het personeel van de overige buitenlandse NAVO-strijdkrachten en het militair personeel dat de Nederlandse nationaliteit heeft en verbonden is aan een Geallieerd Hoofdkwartier: maximaal 150 liter per maand en per personeelslid. 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur op verzoek van of namens een personeelslid als bedoeld in het eerste lid verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting aan dat personeelslid. 4 De commandant houdt een administratie bij van de hoeveelheid motorbrandstoffen die maandelijks aan een personeelslid wordt geleverd. Deze administratie wordt op verzoek van de inspecteur aan hem ter beschikking gesteld voor een controle. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42e — Artikel 42e#
Artikel 42e 1 Vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën ter zake van de levering, de intracommunautaire verwerving, onderscheidenlijk de uitslag tot verbruik, wordt verleend voor minerale oliën, die in Nederland worden afgeleverd en bestemd zijn voor verbruik in luchtvaartuigen, oorlogsschepen en geregistreerde dienstvoertuigen van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of van de bij die strijdkrachten behorende civiele diensten. 2 De vrijstelling van accijns van minerale oliën ter zake van de uitslag tot verbruik wordt verleend indien de inspecteur aan de houder van een ‘vergunning accijnsgoederenplaats’ toestemming heeft verleend tot het leveren aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten of aan de bij die strijdkrachten behorende civiele diensten. 3 De vrijstelling van accijns voor reeds tot verbruik uitgeslagen minerale oliën wordt op verzoek verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde accijns aan de strijdkrachten of de diensten, bedoeld in het eerste lid. 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijstelling van omzetbelasting met dien verstande dat het tarief van nihil wordt toegepast, indien de inspecteur aan degene die de levering verricht daarvoor een vergunning heeft afgegeven. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017.
Artikel 42f — Artikel 42f#
Artikel 42f 1 Vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend voor geregistreerde dienstvoertuigen van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of van de bij die strijdkrachten behorende civiele dienst. 2 Vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend voor ten hoogste twee motorrijtuigen die eigendom zijn van een personeelslid van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en bestemd zijn voor persoonlijk gebruik en voor de duur van zijn verblijf in Nederland. 3 De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en inwonende gezinsleden daarvan, waarbij dat personeel in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland is gestationeerd en in Nederland woont, met uitzondering van Belgische- en Duitse personeelsleden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten die in Nederland wonen, maar in hun eigen land zijn gestationeerd. 4 De commandant van de zich in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening bevindende buitenlandse NAVO-strijdkrachten verstrekt aan de inspecteur een opgave van de namen, de nationaliteiten en de adressen in Nederland van de personeelsleden, bedoeld in het tweede lid, van het tijdstip van hun komst naar Nederland, van de registratienummers en -letters van de door hen gebezigde motorrijtuigen, alsmede van de mutaties in voormelde gegevens. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42g — Artikel 42g#
Artikel 42g 1 artikel 42 De goederen die met vrijstelling van omzetbelasting, van accijns of van verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, bedoeld in, zijn geleverd aan of intracommunautair zijn verworven door buitenlandse NAVO-strijdkrachten, kunnen aan het personeel van die strijdkrachten of gezinsleden daarvan in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes worden verkocht of om niet te worden overgedragen onder voorwaarde dat: a. het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of gezinsleden daarvan uitsluitend toegang hebben tot militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes op vertoon van een geldige persoonlijke identiteitskaart die is voorzien van naam, datum en plaats van geboorte, nationaliteit, eventueel rang en stamboeknummer, foto en geldigheidsduur; b. bijlage gerantsoeneerde goederen, genoemd in de, uitsluitend worden verkocht aan personeel van de buitenlandse NAVO-strijdkrachten of gezinsleden daarvan die in het bezit zijn van een geldige rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan die, onderscheidenlijk dat, is afgegeven door de commandant; c. de rantsoenkaarten of het elektronische equivalent daarvan geldig zijn gedurende de wekelijkse periode, die erop vermeld staat, de daaraan voorafgaande week en gedurende twee weken na bedoelde periode; d. de rantsoenkaarten of het elektronische equivalent daarvan afgegeven kunnen worden in een vorm die de mogelijkheid biedt de rantsoenen aan te geven voor maximaal 26 achtereenvolgende weken; e. de in de militaire winkel geleverde hoeveelheid gerantsoeneerde goederen afgeschreven worden van de op de rantsoenkaart of op het elektronische equivalent daarvan vermelde hoeveelheid onder vermelding van de datum van levering; f. in militaire kantines, restaurants, clubs of messes gerantsoeneerde alcoholhoudende dranken slechts worden verkocht voor consumptie ter plaatse; g. in militaire kantines, restaurants, clubs of messes tabaksproducten uitsluitend worden verkocht in de kleinhandelsverpakking en afgeschreven worden op de rantsoenkaart of op het elektronische equivalent daarvan. 2 De commandant houdt in zijn administratie bij de afgifte van rantsoenkaarten of het elektronische equivalent daarvan. Hierbij wordt in ieder geval vastgelegd het serienummer van de afgegeven kaart, in numerieke volgorde, met daarbij de naam van de gerechtigde en zijn rang alsmede de bijzonderheden omtrent de geldige identiteitskaart en in voorkomend geval zijn handtekening. 3 Na elke rantsoenperiode wordt de administratie gedurende zeven jaar bewaard. 4 De in gebruik zijnde en niet meer in gebruik zijnde administratie wordt op verzoek ter beschikking gesteld aan de inspecteur. 5 De militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes van de buitenlandse NAVO-strijdkrachten zijn gehouden een administratie te voeren van alle ingekochte en verkochte goederen. Deze administratie wordt zeven jaar bewaard en wordt desgevraagd ter beschikking gesteld aan de inspecteur voor controle. 6 De commandant zorgt ervoor dat: De commandant beslist of een vervangende rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan al dan niet zal worden afgegeven. a. personeelsleden of gezinsleden daarvan, die niet langer gerechtigd zijn tot rantsoenen, hun rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan inleveren; b. degene die zijn rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan verliest, dat verlies aan hem opgeeft en dat de inspecteur en de militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes daarover worden ingelicht; c. de aankoop van goederen wordt geweigerd in het geval dat een geldig identiteitsbewijs en een rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan niet kunnen worden getoond. 7 Met toestemming van de inspecteur en onder eventueel door hem te stellen voorwaarden kan het beheer en de exploitatie van militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes worden uitbesteed aan derden. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42h — Artikel 42h#
Artikel 42h De inspecteur kan toestemming verlenen om af te zien van de vrijstelling. Alsdan wordt de verschuldigde belasting voor: a. motorrijtuigen vastgesteld op basis van het tarief en de dagwaarde op het tijdstip dat van de vrijstelling wordt afgezien; b. gebruiksgoederen, met uitzondering van motorrijtuigen, vastgesteld op basis van het tarief en de restwaarde van het gebruiksgoed op het tijdstip dat van de vrijstelling wordt afgezien waarbij een afschrijvingsperiode van drie jaren wordt gehanteerd. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017.
Artikel 42i — Artikel 42i#
Artikel 42i 1 Vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend voor de levering van tabaksproducten, spijzen of alcoholhoudende dranken aan gepensioneerde leden van een krijgsmacht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol en aan gepensioneerde leden van de civiele dienst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Hoofdkwartierenprotocol, voor consumptie ter plaatse in kantines, restaurants, clubs of messes van een Geallieerd Hoofdkwartier. 2 Gepensioneerd personeel van een krijgsmacht als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het NAVO-Statusverdrag of de weduwen en de weduwnaars van dat personeel, mogen niet-accijnsgoederen kopen in militaire winkels na daartoe van de inspecteur toestemming te hebben gekregen. Leveringen van goederen die bedoelde personen in dergelijke winkels hebben gekocht worden aangemerkt als uitvoer. Vervolgens worden die goederen op het tijdstip waarop de leveringen worden verricht aangemerkt als door bedoelde personen tegen betaling van een forfaitair belastingtarief van 16% in het vrije verkeer te zijn gebracht. 3 De inspecteur kan aan een toestemming als bedoeld in het tweede lid voorwaarden verbinden. 4 De inspecteur is bevoegd een verleende toestemming als bedoeld in het tweede lid geheel of gedeeltelijk in te trekken, indien aan de voorwaarden, waaronder de toestemming is verleend, niet wordt voldaan. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Artikel V van Stcrt. 2017/47567 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017.
Artikel 42j — Artikel 42j#
Artikel 42j 1 artikel 42i Op personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en de gezinsleden van dat personeel, voor zover dat personeel in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening is gestationeerd en in Nederland woont, isvan overeenkomstige toepassing. 2 De commandant van de zich in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening bevindende buitenlandse NAVO-strijdkrachten verstrekt aan de inspecteur een opgave van de namen, de nationaliteiten en de adressen in Nederland van de personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, alsmede van hun gezinsleden, van het tijdstip van hun komst naar Nederland, van de registratienummers en -letters van de door hen gebezigde motorrijtuigen, alsmede van de mutaties in voormelde gegevens. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op Belgische- en Duitse personeelsleden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten die in Nederland wonen, maar in hun eigen land zijn gestationeerd. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42k — Artikel 42k#
Artikel 42k Het is niet toegestaan gerantsoeneerde goederen te kopen voor een ander, behoudens in de volgende gevallen: a. een gezinslid mag voor een ander lid van het gezin met gebruikmaking van diens rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan aankopen verrichten; b. opperofficieren en vlagofficieren kunnen een ondergeschikte machtigen om de normaal toegestane hoeveelheid gerantsoeneerde goederen te kopen. De gemachtigden leggen bij de aankoop de schriftelijke machtiging van hun officier over en de rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan van die officier; c. personen die bevoegd zijn gerantsoeneerde goederen te kopen, maar die daartoe niet in staat zijn, kunnen een gemachtigde aanwijzen die zelf eveneens tot aankoop in militaire winkels gerechtigd is, om de aankopen te doen. De gemachtigde legt bij de aankoop een door de volmachtgever ondertekende machtiging over en de rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan van de volmachtgever. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017.
Artikel 42l — Artikel 42l#
Artikel 42l 1 artikelen 42a 42f, tweede lid 42j De,, enzijn niet van toepassing op militair personeel dat de Nederlandse nationaliteit heeft en behoort tot de buitenlandse NAVO-strijdkrachten, maar in dienst is van de Nederlandse strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van dat personeel. 2 artikel 42 artikelen 42a 42d 42f, tweede lid 42i 42j Onverminderdzijn de,,,enniet van toepassing op leden van de civiele dienst die de Nederlandse nationaliteit hebben en behoren tot het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van die leden. 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 2017 47567 21-08-2017 15-08-2017 2017-0000012937 01-04-2018 2017 55412 29-09-2017 26-09-2017 2017-0000188228 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/47567 gesteld op 1
oktober 2017. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42m — Artikel 42m#
Artikel 42m De commandant verleent desgevraagd met alle hem ten dienste staande middelen aan de inspecteur de benodigde medewerking: a. om te verzekeren dat goederen die in aanmerking komen voor inbeslagneming of beslaglegging aan de inspecteur respectievelijk de ontvanger worden overgedragen; b. artikel 2 van de Invorderingswet 1990 opdat de door het personeel van de betreffende buitenlandse NAVO-strijdkrachten en de gezinsleden daarvan eventueel verschuldigde omzetbelasting, belastingen op milieugrondslag, opslag duurzame energie, belastingen van personenauto’s en motorrijwielen, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, motorrijtuigenbelasting inclusief provinciale opcenten, accijnzen inclusief eventuele voorraadheffing, rente, kosten, bestuurlijke boeten en strafbeschikkingen als bedoeld inworden betaald. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42n — Artikel 42n#
Artikel 42n Indien de inspecteur controle wenst uit te oefenen op lokaliteiten binnen vestigingen van een buitenlandse NAVO-strijdkracht, vindt deze controle slechts plaats na voorafgaande kennisgeving aan de commandant. 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 2018 17985 30-03-2018 28-03-2018 2018-0000046724 01-04-2018
Artikel 42o — Artikel 42o#
Artikel 42o artikelen 31b 32, eerste, tweede, derde lid en zesde lid 40 42 tot en met 42n artikel 18, aanhef en onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling accijns artikel 10, aanhef en onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken De,,,alsmedeen, zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse strijdkrachten, het personeel daarvan en hun gezinsleden die behoren tot een staat die deelneemt aan het op 19 juni 1995 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten Partij bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige aan het Partnerschap voor de Vrede deelnemende Staten nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten en Aanvullend protocol (Trb. 1996, 74) en het op 19 december te Brussel tot stand gekomen Nader Aanvullend Protocol (Trb. 1998, 188), maar geen Partij is van het NAVO-Statusverdrag. 2018 30207 04-06-2018 29-05-2018 2018-0000069720 2018 30207 04-06-2018 29-05-2018 2018-0000069720 01-07-2018 01-04-2018
Artikel 42p — Artikel 42p#
Artikel 42p 1 artikel 42 Voor de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting, van accijns van minerale oliën en van verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, bedoeld in, ter zake van goederen die zijn geleverd aan of intracommunautair zijn verworven door de AFNORTH International School, onderscheidenlijk de uitslag tot verbruik of de uitslag van goederen die zijn geleverd aan de AFNORTH International School, is ook sprake van uitsluitend gebruik door de strijdkrachten, in de zin van artikel 42, indien de school een zeer beperkt aantal kinderen toelaat dat niet tot het gezin behoort van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten. 2 artikel 42b Voor de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting, bedoeld in, ter zake van aan de AFNORTH International School verleende diensten, is ook sprake van officieel gebruik van de strijdkrachten, in de zin van artikel 42b, indien de school een zeer beperkt aantal kinderen toelaat dat niet tot het gezin behoort van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten. 2022 33377 27-12-2022 02-12-2022 2022-0000289823 2022 33377 27-12-2022 02-12-2022 2022-0000289823 01-01-2023 01-01-2021
Artikel 42q — Artikel 42q#
Artikel 42q 1 artikel 39 van de wet Op grond vanwordt vrijstelling van omzetbelasting verleend ter zake van de levering of de intracommunautaire verwerving van goederen en het verrichten van diensten en wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake de uitslag tot verbruik van goederen aan buitenlandse EU-strijdkrachten, ten behoeve van die strijdkrachten of het personeel van die strijdkrachten of voor de bevoorrading van de messes of kantines van die strijdkrachten. 2 De buitenlandse EU-strijdkrachten, het personeel van die strijdkrachten, de messes of kantines van die strijdkrachten worden voor de toepassing van de vrijstelling aangemerkt als buitenlandse NAVO-strijdkrachten, onderscheidenlijk personeel van die strijdkrachten, messes of kantines van die strijdkrachten. 3 artikel 42c, tweede lid artikel 42i artikel 42j artikel 42k, onderdeel a artikel 42l In afwijking van het tweede lid zijn,,,, enniet van toepassing. 4 Aan gezinsleden van personeel van buitenlandse EU-strijdkrachten wordt geen vrijstelling verleend. 2022 17476 01-07-2022 08-06-2022 2022-0000162482 2022 17476 01-07-2022 08-06-2022 2022-0000162482 01-07-2022
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2007 251 28-12-2007 20-12-2007 DB2007/655M 2007 251 28-12-2007 20-12-2007 DB2007/655M 01-01-2008
Artikel 43a — Artikel 43a#
Artikel 43a artikel 47b van de wet artikel 53, tweede en derde lid, van de wet artikelen 22, eerste lid 22a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 Aan de verplichting, bedoeld in, wordt voldaan uiterlijk op het moment waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in, door een administratieplichtige als bedoeld in de, enaan de inspecteur worden verstrekt. 2021 48636 28-12-2021 28-12-2021 2021-0000025821 2021 48636 28-12-2021 28-12-2021 2021-0000025821 01-01-2022
Artikel 43b — Artikel 43b#
Artikel 43b Vervallen 2011 22974 30-12-2011 30-12-2011 DB2011/402M 2011 22974 30-12-2011 30-12-2011 DB2011/402M 01-01-2012
Artikel 43c — Artikel 43c#
Artikel 43c 1 artikel 67, eerste lid, van de wet artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 10, eerste lid, van de Registratiewet 1970 De geheimhoudingsplicht, bedoeld in,en, geldt niet voor verstrekking aan de hierna genoemde bestuursorganen voor zover het betreft de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de hierna genoemde publiekrechtelijke taak: a. de Minister van Financiën: 1°. hoofdstuk VI van de Comptabiliteitswet 2001 gegevens die worden gebruikt door de Auditdienst Rijk ten behoeve van controles en onderzoeken als bedoeld in, of ten behoeve van door de Belastingdienst aan de Auditdienst Rijk opgedragen werkzaamheden; 2°. gegevens over het vermoeden van het bestaan van een onbeheerd gelaten nalatenschap, vermogens- en persoonsgegevens en eventuele andere van belang geachte gegevens die nodig zijn voor de vereffening door het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf van onbeheerde nalatenschappen; 3°. artikel 41b van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020 Regeling taakuitoefening en bevoegdheden IBTD gegevens ten behoeve van de inspectie belastingen, toeslagen en douane die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de haar opgedragen taken als genoemd inen zoals nader uitgewerkt in de; b. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: 1°. gegevens ten behoeve van de aan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgedragen taken; 2°. gegevens over het inkomen van voormalige ambtenaren over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van ontslaguitkeringsregelingen van de sector Rijk; 3°. Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de wachtgeldregeling op basis van de; 4°. gegevens over het inkomen van commissarissen van de Koning, burgemeesters, gedeputeerden, wethouders, voorzitters van waterschappen en leden van het dagelijks bestuur van waterschappen over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van verrekeningsregelingen bij neveninkomsten; 5°. hoofdstuk VIIIA van de wet gegevens inzake bestuurlijke boeten als bedoeld indie zijn opgelegd dan wel hadden kunnen worden opgelegd indien de termijn om deze op te leggen niet was verlopen, met betrekking tot kandidaten voor de functie van commissaris van de Koning, burgemeester, Rijksvertegenwoordiger of waarnemend Rijksvertegenwoordiger van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba ten behoeve van de oordeelsvorming door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter zake van de voordracht van een kandidaat voor één van de hiervoor genoemde functies; 6°. loonheffingennummers behorende bij de instellingen die zijn opgenomen in het overzicht van de Stichting Pensioenfonds ABP, ten behoeve van het koppelen van overheidswerkgevers aan de bestaande arbeidsvoorwaardelijke sectoren in het kader van beleidsonderzoek; c. de Minister van Defensie: 1°. gegevens over het inkomen van voormalige militairen over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van ontslaguitkeringsregelingen; 2°. gegevens ten behoeve van de aan de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgedragen taken; d. de Minister van Economische Zaken: 1°. titel 3.11 van de Regeling nationale EZ-subsidies gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van; 2°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 gegevens met betrekking tot bedrijven als bedoeld inten behoeve van de uitvoering van die wet; 3°. artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling LNV-subsidies gegevens over het inkomen van uitgetreden vissers, ten behoeve van het controleren van de juistheid van de aan die vissers toegekende financiële tegemoetkoming, bedoeld in; 4°. gegevens met betrekking tot de S&O-afdrachtvermindering, bedoeld in hoofdstuk VIII van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, ten behoeve van de beoordeling van de effectiviteit van de werking van die afdrachtvermindering; e. de Minister van Justitie en Veiligheid: 1°. Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme gegevens over mogelijke ongebruikelijke transacties ten behoeve van de uitvoering en de handhaving van dedoor de Financial Intelligence Unit Nederland; 2°. gegevens die van belang kunnen zijn bij het uitwisselen van rechtshulpverzoeken in het kader van de aanpak van grensoverschrijdende, zware criminaliteit door de Dienst landelijke intelligenceorganisatie van de Eenheid landelijke expertise en operaties; 3°. Politiewet 2012 gegevens die worden gebruikt voor de uitvoering van dedoor de Rijksrecherche; f. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: gegevens over het inkomen over een bepaalde periode van (voormalige) ambtenaren ten behoeve van de vaststelling van werkloosheidsuitkeringen; g. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat: 1°. Waterwet de aantallen personen die werkzaam zijn in bedrijven, ten behoeve van het vaststellen van de vervuilingswaarde voor de; 2°. gegevens die worden gebruikt door de Inspectie Leefomgeving en Transport ten behoeve van het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover de Inspectie Leefomgeving en Transport als toezichthouder is aangewezen, alsmede werkzaamheden ter bevordering van de veiligheid en de kwaliteit van het leefmilieu voor zover vallend binnen de toezichtdomeinen van de Inspectie Leefomgeving en Transport; 3°. gegevens omtrent rechthebbenden van auto’s, welke rechthebbenden eerste kentekenhouder zijn van een nieuw motorrijtuig met een roetfilter, ten behoeve van de uitvoering en handhaving door de rijksdienst voor Ondernemend Nederland van de Subsidieregeling voor motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM; 4°. specifieke branche- en productkennis, resultaten en bevindingen van ingestelde onderzoeken en acties alsmede gegevens van burgers en bedrijven die behoren tot de doelgroep vuurwerkimporteurs, groothandelaren en detailhandelaren, ten behoeve van het selecteren van door de Inspectie Leefomgeving en Transport te inspecteren vuurwerkbedrijven; h. artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de directeur van de FIOD: gegevens die door de FIOD worden gebruikt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde ingevolge; i. de landelijk directeur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen: gegevens die worden gebruikt in het kader van de aan dit organisatieonderdeel toegewezen niet-fiscale toezichts- en opsporingstaken, doch met uitzondering van gegevens die worden gebruikt in het kader van de uitvoering en handhaving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme; j. gemeenten: 1°. Wet inkomstenbelasting 2001 Wet op de loonbelasting 1964 winst uit onderneming, loon en resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van deover een bepaalde periode en identificerende gegevens van een eventuele inhoudingsplichtige in de zin van devan (voormalige) ambtenaren ten behoeve van de vaststelling van en controle op betalingen van werkloosheidsuitkeringen op grond van gemeentelijke verordeningen; 2°. Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de wachtgeldregeling op basis van de; 3°. Wet op de loonbelasting 1964 gegevens over uit te betalen voorlopige teruggaven inkomstenbelasting wegens toegekende heffingskortingen, op naam van de belastingschuldige staande bankrekeningnummers zoals deze blijken uit de bestanden ten behoeve van rekeningenbeheer, kentekenregistergegevens en identificerende gegevens van een eventuele inhoudingsplichtige in de zin van deten behoeve van de inning van gemeentelijke belastingen; 4°. gegevens over bewoning van een eigen woning ten behoeve van het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen; 5°. artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 kentekenregistergegevens van circus- en kermisauto’s als bedoeld inten behoeve van de uitvoering en handhaving van het gemeentelijke ontheffingenbeleid inrijverbod milieuzones; 6°. de naam, het adres en de woonplaats van erfgenamen, ten behoeve van het innen van openstaande gemeentelijke belastingschulden van de overledene; 7°. Wet milieubeheer gegevens die van belang kunnen zijn voor vergunningverlening en het houden van toezicht in het kader van de; k. waterschappen: 1°. Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de wachtgeldregeling op basis van de; 2°. Wet op de loonbelasting 1964 gegevens over uit te betalen voorlopige teruggaven inkomstenbelasting wegens toegekende heffingskortingen, op naam van de belastingschuldige staande bankrekeningnummers zoals deze blijken uit de bestanden ten behoeve van rekeningenbeheer, kentekenregistergegevens en identificerende gegevens van een eventuele inhoudingsplichtige in de zin van deten behoeve van de inning van waterschapsbelastingen; 3°. Waterwet gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering en het toezicht op naleving van de; l. de officier van justitie: 1°. gegevens die van belang kunnen zijn voor het instellen van vorderingen tot ontbinding van rechtspersonen; 2°. artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering gegevens over het inkomen en vermogen van degene tegen wie een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld als bedoeld inten behoeve van de uitvoering door de met het strafrechtelijk financieel onderzoek belaste opsporingsambtenaar; 3°. artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering gegevens over strafbare feiten waarvoor een ieder op grond vanbevoegd is aangifte te doen; 4°. artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht gegevens over het inkomen en vermogen van degene tegen wie een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, ten behoeve van een ontnemingsvordering als bedoeld in; 5°. artikel 6:1:1 van het Wetboek van Strafvordering gegevens die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen op grond van; m. gemeenten, provincies, de politie, de officier van justitie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Koninklijke marechaussee, de Nederlandse Arbeidsinspectie, de Sociale Verzekeringsbank, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Immigratie- en Naturalisatiedienst: gegevens die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen voor zover een convenant is gesloten met deze bestuursorganen; n. academische ziekenhuizen: gegevens over het inkomen en vermogen van (voormalige) werknemers over een bepaalde periode ten behoeve van de vaststelling van werkloosheidsuitkeringen; o. universiteiten: gegevens over het inkomen en vermogen van (voormalige) werknemers over een bepaalde periode ten behoeve van de vaststelling van werkloosheidsuitkeringen; p. de Autoriteit Consument en Markt: gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de haar bij of krachtens de wet opgedragen taken; q. Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet de Pensioen- en Uitkeringsraad: gegevens over het inkomen en vermogen over een bepaalde periode ten behoeve van het vaststellen van pensioenbijdragen krachtens de, de, de, deof de; r. Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen Uitkeringswet KNIL beroepsmilitairen de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen: gegevens over het inkomen en vermogen over een bepaalde periode ten behoeve van het vaststellen van de buitengewone pensioenen volgens deof de; s. artikel 14 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft artikel 7 van het Besluit prudentiële regels Wft artikel 33 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 1:24, derde lid artikel 1:25, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten: gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de betrouwbaarheidstoetsing, bedoeld in,, artikel 2 van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20), artikel 2 van de Beleidsregel 06-1 inzake de betrouwbaarheidstoets van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van accountantsorganisaties van 19 september 2006 (Stcrt. 2006, 190) en, of ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon van wie een beoordeling op integriteit wordt vereist in een verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarmee De Nederlandsche Bank N.V. of de Stichting Autoriteit Financiële Markten bij of krachtens, onderscheidenlijkis belast als bevoegde autoriteit; t. artikel 17a, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Advocatenwet Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme het Bureau Financieel Toezicht, de deken, bedoeld in, De Nederlandsche Bank N.V., de landelijk directeur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen en de Stichting Autoriteit Financiële Markten: gegevens die van belang kunnen zijn bij de uitvoering en de handhaving van de; u. de participanten van het samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid Financieel Expertise Centrum (FEC), genoemd in artikel 1 van het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (Convenant FEC 2014) (Stcrt. 2014, 2351): de gegevens die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de in dat convenant opgenomen verplichtingen; v. provincies: 1°. Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers gegevens over het inkomen van voormalige ambtsdragers over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van de wachtgeldregeling op basis van de; 2°. Waterwet gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering en het toezicht op naleving van de; 3°. Wet milieubeheer gegevens die van belang kunnen zijn voor vergunningverlening en het houden van toezicht in het kader van de; w. de Nederlandse Arbeidsinspectie, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gemeenten, de Sociale verzekeringsbank, het openbaar Ministerie, de politie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (zoals vertegenwoordigd in de landelijke Stuurgroep Interventieteams): gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten door middel van interventieteams ter voorkoming en terugdringing van belasting- en premiefraude, toeslagenfraude, uitkeringsfraude, overtredingen van arbeidswetgeving en de daarmee samenhangende misstanden; x. Wet milieubeheer Wet bodembescherming Wet geluidhinder de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond: gegevens die van belang kunnen zijn voor de vergunningverlening, en het toezicht en de handhaving van de gemeentelijke en provinciale taken in het kader van de, deen de; y. artikel 11a, eerste en vierde lid, van de Tabakswet de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: gegevens met betrekking tot het doen van loonaangifte door horecaondernemers ten behoeve van het op grond vante maken onderscheid tussen werkgevers met werknemers en werkgevers zonder werknemers; z. artikel 1, onderdeel h, van het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten de inspecteur, bedoeld in, en de ontvanger, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van dat besluit: gegevens die van belang zijn voor de uitvoering van het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten; aa. de Minister voor Wonen en Rijksdienst of het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting: de resultaten van bestandsbevragingen ter verificatie van bij de directie Woningmarkt van het directoraat-generaal Wonen, Bouwen en Integratie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting aanwezige informatie, alsmede vastgoedtransactiegegevens, inkomensgegevens en vermogensgegevens van leden van de raad van bestuur of raad van toezicht en van medewerkers van de woningcorporaties, en van derden voor zover die gegevens direct of indirect verband houden met genoemde leden en medewerkers, ten behoeve van het toezicht op de woningcorporaties en ten behoeve van integriteitsonderzoeken; ab. Wet wegvervoer goederen Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie: de controlerapporten en onderzoeksverslagen die zijn opgemaakt naar aanleiding van controles bij vervoerders, gegevens omtrent btw-identificatienummers van vervoerders en gegevens van vervoerders die op één adres staan ingeschreven, ten behoeve van de uitvoering en handhaving van de haar op grond van detoegekende taken; ac. artikelen 9.2.2.1, eerste lid 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit: de gegevens die worden gebruikt ten behoeve van de uitvoering van, het toezicht op en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de, voor zover dat betrekking heeft op het aan een ander ter beschikking stellen van brandstoffen ten behoeve van vervoer, en; ad. Participatiewet Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkzoekende werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet artikel 123, derde lid, onderdeel c, van de Waterschapswet artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gerechtsdeurwaarder, de belastingdeurwaarder, het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, de Raad voor de Kinderbescherming, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het college van burgemeester en wethouders voor zover belast met de uitvoering van de, deof de, alsmede de ontvanger, bedoeld in, daaronder mede begrepen de ambtenaar, bedoeld in, en de ambtenaar, bedoeld in: de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet, bedoeld in; ae. artikelen 2 2a 2b van de Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014 artikelen 1a 1aa 1ab van de Sanctieregeling Belarus 2006 Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014 Sanctieregeling Belarus 2006 de bestuursorganen, genoemd in de,enen de,en: de gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van, het handhaven van en het toezicht houden op het bepaalde bij deen de. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden verstrekt op verzoek van het betreffende bestuursorgaan. De eerste volzin is niet van toepassing op de verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdeel l, onder 3°, en onderdeel aa, alsmede de onderdelen i en t voor zover het gegevens betreft die worden verstrekt aan de landelijk directeur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder: a. artikel 21, onderdeel e, van de wet inkomen: het inkomensgegeven, bedoeld in; b. artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermogen: de rendementsgrondslag, bedoeld in; c. kentekenregistergegevens: gegevens afkomstig van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, bestaande uit de datum van het afgeven van het kenteken, de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de houder van het kenteken en het merk en type auto. 2025 29509 03-09-2025 25-08-2025 6447370 2025 29509 03-09-2025 25-08-2025 6447370 04-09-2025 01-01-2024
Artikel 43d — Artikel 43d#
Artikel 43d Artikel 43c, eerste lid, onderdeel z artikel 19 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten , is van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van. 2013 15953 25-06-2013 10-06-2013 DB2013-301M 2013 15953 25-06-2013 10-06-2013 DB2013-301M 01-07-2013 01-04-2013
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 De Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 wordt ingetrokken. 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 2000 250 27-12-2000 19-12-2000 01-01-2001
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1994. 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 01-07-1994
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 1994 114 20-06-1994 14-06-1994 01-07-1994
Artikel 42g#
artikel 42g, eerste lid