Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995
- BWB-id
- BWBR0007588
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2024-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007588
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/regeling-radarinstallaties-en-bochtaanwijzers-1995
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/regeling-radarinstallaties-en-bochtaanwijzers-1995/2024-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007588&g=2024-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007588&z=2026-06-06&g=2024-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007588/2024-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/regeling-radarinstallaties-en-bochtaanwijzers-1995
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. radarinstallatie: artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet een radioapparaat als bedoeld invoor gebruik als hulpmiddel bij de navigatie; b. bochtaanwijzer: een aanwijzer van de snelheid van draaiing van een schip. 2016 68708 19-12-2016 13-12-2016 WJZ/16152284 2016 535 27-12-2016 19-12-2016 28-12-2016 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet
Telecommunicatiewet (implementatie van richtlijn 2014/30/EU en
richtlijn 2014/53/EU) (Stb. 2016/58) in werking treedt.
Artikel 2 — Artikel 2 Goedkeuring#
Artikel 2 Goedkeuring 1 De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent typegoedkeuring van een radarinstallatie dan wel van een bochtaanwijzer. 2 artikel 4.06, eerste lid, onderdeel a, van het Binnenvaartpolitiereglement artikelen 6, eerste lid, onderdeel b 19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen bijlage M van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 Een radarinstallatie als bedoeld inof als bedoeld in de, en, is een radarinstallatie van een type dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is goedgekeurd volgens. 3 artikel 4.06, eerste lid, onderdeel a, van het Binnenvaartpolitiereglement artikel 19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen bijlage M van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 Een bochtaanwijzer als bedoeld in, of als bedoeld in, is een bochtaanwijzer van een type dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is goedgekeurd volgens. 2010 20488 21-12-2010 14-12-2010 VENW/BSK-2010/215169 2010 866 29-12-2010 16-12-2010 31-12-2010 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Binnenschepenwet, enz. (wijziging benaming inspectiefunctie) (Stb. 2007/176) in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3 Bijzondere bepalingen voor aangewezen vaarwegen#
Artikel 3 Bijzondere bepalingen voor aangewezen vaarwegen 1 artikel 4.06, derde en vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement De vaarwegen, bedoeld in, zijn: a. de Waddenzee; b. de havens van Termunten, van Delfzijl, van Hefshuizen (Eemshaven) en van Scheveningen; c. het Noordzeekanaal, met inbegrip van zijkanaal G tot aan de Zaansluizen, het IJ en de vaarwegen ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden; d. het IJsselmeer, met inbegrip van het Markermeer en het IJmeer en met uitzondering van de Gouwzee; e. de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal en het Yangtzekanaal; f. de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil en de daarop aansluitende vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk; g. de Oosterschelde; h. het Kanaal door Zuid-Beveland; i. de havens die met de Westerschelde in open verbinding staan. 2 Onder de bij het eerste lid vermelde vaarwegen zijn begrepen de daaraan gelegen havens met de tot die havens toegang gevende vaarwegen. 3 artikel 19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen Op de bij het eerste lid vermelde vaarwegen, respectievelijk op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, met inbegrip van de buitenvoorhavens te Terneuzen, is de in dat lid, respectievelijk in, bedoelde radarinstallatie: a. artikel 2, tweede lid voor elk schip: een radarinstallatie van een type als bedoeld in, of b. voor een zeeschip: een radarinstallatie van een type, dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is goedgekeurd: artikel 95a van het Schepenbesluit 1965 1e. volgens de keuringseisen voor radarinstallaties voor de zeevaart gesteld ingevolge; 2e. volgens de keuringseisen voor radarinstallaties, zoals vermeld in de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen resoluties A.222 (VII) van 12 oktober 1971, A.278 (VIII) van 20 november 1973, A.422 (XI) van 14 januari 1980, A.477 (XII) van 19 november 1981 en A.574 (XIV) van 20 januari 1986. 4 artikel 2, derde lid Op de in het eerste lid vermelde vaarwegen en op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, met inbegrip van de buitenvoorhavens te Terneuzen, mogen zeeschepen in plaats van met een bochtaanwijzer zoals bedoeld in, zijn uitgerust met een ander daartoe bruikbaar middel. 5 Met een zeeschip worden gelijkgesteld een reddingsvaartuig, een vissersschip en een klein schip dat niet wordt gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen, zomede een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen schip. 6 Met een klein schip dat niet wordt gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen of personen worden gelijkgesteld een reddingsvaartuig en een vissersschip, zomede een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen schip. 2023 30676 15-11-2023 30-10-2023 IENW/BSK-2023/311093 2023 30676 15-11-2023 30-10-2023 IENW/BSK-2023/311093 01-01-2024
Artikel 4 — Artikel 4 Veerponten#
Artikel 4 Veerponten 1 artikel 2, tweede lid Voor veerponten, die zijn ingericht om in twee richtingen te kunnen varen, geldt als keuringseis, bedoeld in, dat de koerslijn zich voortdurend over de gehele diameter van het scherm van 000 - 180 graden aftekent. Voor deze veerponten is een middelpuntsverschuiving niet vereist. 2 artikel 3, derde lid, onderdelen b en c Niet vrijvarende veerponten mogen zijn uitgerust met een radarinstallatie als bedoeld in. 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 17-12-1997
Artikel 5 — Artikel 5 Overgangstermijn#
Artikel 5 Overgangstermijn 1 artikel 2, tweede en derde lid Een radarinstallatie van een type, dat volgens de Beschikking vaartuigen met radar (Stcrt. 1980, 209) of het Besluit schepen met Marifoon en Radar (Stcrt. 1984, 75) is goedgekeurd, wordt met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd en wordt, indien de goedkeuring geschiedde voor 1 januari 1990, geacht tot 1 januari 2010 te zijn goedgekeurd overeenkomstig de in, van deze regeling bedoelde voorschriften. 2 artikel 2, tweede en derde lid Een bochtaanwijzer van een type, dat volgens de Beschikking vaartuigen met radar (Stcrt. 1980, 209) of het Besluit schepen met Marifoon en Radar (Stcrt. 1984, 75) is goedgekeurd, wordt met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd en wordt, indien de goedkeuring geschiedde voor 1 januari 1990, geacht tot 1 januari 2010 te zijn goedgekeurd overeenkomstig de in, van deze regeling bedoelde voorschriften. 2004 247 22-12-2004 15-12-2004 HDJZ/SCH/2004-2997 2004 247 22-12-2004 15-12-2004 HDJZ/SCH/2004-2997 01-01-2005
Artikel 6 — Artikel 6 Eenmansstuurstelling#
Artikel 6 Eenmansstuurstelling bijlage De stuurstelling van een schip die zodanig is ingericht dat het voeren van het schip op radar door één persoon kan geschieden, moet voldoen aan de voorschriften die zijn vermeld in de bij deze regeling behorende. 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 17-12-1997
Artikel 7 — Artikel 7 Wederzijdse erkenning#
Artikel 7 Wederzijdse erkenning 1 Met de in deze regeling bedoelde typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een typegoedkeuring verleend door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lid-staat van de Europese Unie danwel een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke typegoedkeuring is verleend op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen. 2 Met de in deze regeling vastgestelde technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie danwel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte. 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 17-12-1997
Artikel 8 — Artikel 8 Citeertitel#
Artikel 8 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995. 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 17-12-1997
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 1997 241 15-12-1997 10-12-1997 DGG/J-97010623 17-12-1997
Artikel I — I Algemene bepalingen#
I Algemene bepalingen 1 De stuurhut moeten zodanig zijn ingericht dat de roerganger zijn werkzaamheden tijdens de vaart zittend kan verrichten. 2 Alle voor het voeren van het schip noodzakelijke signalerings- en controle-instrumenten en de bedieningsapparatuur moeten zodanig zijn gerangschikt dat de roerganger ze tijdens de vaart gemakkelijk kan observeren en bedienen zonder daarbij zijn plaats te hoeven verlaten en zonder het radarbeeld uit het oog te verliezen. 3 Controle-instrumenten moeten gemakkelijk kunnen worden afgelezen; zij moeten traploos regelbaar kunnen worden verlicht. Lichtbronnen mogen niet storen of de zichtbaarheid van de controle-instrumenten beïnvloeden.
Artikel II — II Installaties voor het besturen van het schip#
II Installaties voor het besturen van het schip 1 De bediening en de controle van de voortstuwingsmotoren en van de stuurinrichtingen moet vanaf de stuurstelling mogelijk zijn. 2 De bediening van elke voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom moet volgens een cirkelboog, welke zich bevindt in een verticaal vlak, dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengte-as van het schip, kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen, terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het schip achteruit doet varen. Aan weerszijde van de stopstand van de hefboom vindt het koppelen of omkeren plaats. In de vrijstand moet de hefboom vanzelf blijven staan. 3 De richting van de door de aandrijving op het schip werkende voortstuwingskracht alsmede het toerental van de schroeven of voortstuwingsmotoren moet worden aangegeven. 4 Het roer van het schip moet worden bediend door middel van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen worden en de hoek tussen de hefboom en de lengte-as van het schip moet overeenkomen met de afwijking van de roerbladen ten opzichte van de as van het schip. De hefboom moet in onverschillig welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de roerbladen verandert. De middenstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn. 5 Wanneer het schip is voorzien van koproeren of bijzondere roeren (b.v. voor achteruitvaren), moeten deze door speciale hefbomen kunnen worden bediend, die aan de in het vierde lid genoemde toepasselijke eisen voldoen. Dit geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinrichtingen van andere schepen dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte schip worden gebruikt.
Artikel III — III Bediening en controle van navigatielichten, lichtseinen en geluidsseinen#
III Bediening en controle van navigatielichten, lichtseinen en geluidsseinen 1 Ter controle van de navigatielichten en de lichtseinen moeten controlelampen in de stuurstelling zijn ingebouwd. De schakelaars van de navigatielichten moeten in of vlakbij de daarbij behorende controlelampen zijn aangebracht en daar duidelijk bij behoren. De groepering en de kleur van de controlelampen van de navigatielichten en de lichtseinen moet overeenkomen met de werkelijke opstelling en de kleur van de ingeschakelde navigatielichten en lichtseinen. Het niet-functioneren van een navigatielicht of lichtsein moet het uitgaan van de overeenkomstige controlelamp tot gevolg hebben, dan wel op andere wijze door de betreffende controlelamp worden aangegeven. 2 De bediening van de geluidsseinen dient met de voet te kunnen geschieden. Dit geldt niet voor het ’blijf weg’-sein.
Artikel IV — IV Radarinstallatie en bochtaanwijzer#
IV Radarinstallatie en bochtaanwijzer Het radarscherm mag niet buiten de blikrichting van de roerganger vallen. Het radarbeeld moet zonder kap of scherm, ongeacht de buiten de stuurhut heersende verlichtingsomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn. De bochtaanwijzer moet direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.
Artikel V — V Marifooninstallatie#
V Marifooninstallatie 1 Op schepen moet voor het schip-schipverkeer en de nautische informatie het luisteren door een luidspreker en het spreken door een vast opgestelde microfoon geschieden. Het overschakelen van luisteren naar spreken moet door middel van drukknoppen geschieden. In geen geval mag de microfoon van dit verkeer voor verbindingen van het openbaar verkeer kunnen worden gebruikt. 2 Wanneer een schip is uitgerust met een marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, moet de ontvangst daarvan vanaf de zitplaats van de roerganger mogelijk zijn.
Artikel VI — VI Interne spreekverbinding aan boord#
VI Interne spreekverbinding aan boord Aan boord van schepen moet een interne spreekverbinding aanwezig zijn. Vanaf de stuurstelling moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht: Op alle punten van deze spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding toegestaan. a. met het voorschip van het schip of het samenstel; b. met het achterschip van het schip of het achterste gedeelte van het samenstel, indien geen directe communicatie daarmee vanaf de stuurstelling mogelijk is; c. met het verblijf of de verblijven van de bemanning; d. met de hut van de schipper.
Artikel VII — VII Alarminstallatie#
VII Alarminstallatie De roerganger moet een schakelaar ’AAN/UIT’ voor de bediening van het alarmsein binnen zijn bereik hebben. Voor dit sein mag geen schakelaar worden gebruikt die, wanneer men hem loslaat, automatisch in de stand ’UIT’ kan terugspringen.
Artikel VIII — VIII Installatie voor het bedienen van hekankers#
VIII Installatie voor het bedienen van hekankers Op schepen en samenstellen, waarvan de lengte meer dan 86 m of de breedte meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren.