Subsidieregeling ESF doelstelling 4 ’Scholing voor behoud van werk’
- BWB-id
- BWBR0007370
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 1999-01-01 t/m 2008-09-24
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007370
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/subsidieregeling-esf-doelstelling-4-scholing-voor-behoud-van
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/subsidieregeling-esf-doelstelling-4-scholing-voor-behoud-van/1999-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007370&g=1999-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007370&z=2026-06-06&g=1999-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007370/1999-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/subsidieregeling-esf-doelstelling-4-scholing-voor-behoud-van
Artikel 1 — Artikel 1 Definities#
Artikel 1 Definities 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. werknemer: Wet Inschakeling Werkzoekenden Wet sociale werkvoorziening degene die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel als uitzendkracht, arbeid verricht, anders dan in het kader van deof de. b. laagopgeleide werknemer: een werknemer wiens opleidingsniveau dat van basisberoepsopleiding niet te boven gaat; c. scholingsbehoeftige werknemer: 1e. een laagopgeleide werknemer, of 2e. een werknemer die met werkloosheid wordt bedreigd, en zonder aanvullende scholing, bekostigd krachtens deze regeling, naar verwachting moeilijk een nieuwe baan zal kunnen vinden waaruit hij een inkomen zal kunnen verwerven op hetzelfde niveau als het arbeidsinkomen dat hij thans ontvangt. 2 Voor de toepassing van deze regeling wordt met een werknemer gelijkgesteld degene die, blijkens een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, als zelfstandige een onderneming drijft, en daarin persoonlijk, als enige dan wel samen met een gezinslid, arbeid verricht. 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 23-07-1998
Artikel 2 — Artikel 2 Subsidiabele projecten#
Artikel 2 Subsidiabele projecten 1 Een natuurlijk of rechtspersoon die een project uitvoert of doet uitvoeren ter scholing van scholingsbehoeftige werknemers, met een looptijd van ten hoogste 2 jaren, gelegen in de jaren 1995 t/m 1999, kan overeenkomstig de navolgende artikelen in aanmerking komen voor subsidie. 2 Geen subsidie wordt verleend: a. ten behoeve van scholing van werknemers, werkzaam bij Rijk, provincies of gemeenten, of werkzaam in de agrarische sector; b. ten behoeve van scholing van werknemers, werkzaam in de provincie Flevoland; c. ten behoeve van scholing, terzake waarvan het Rijk een bekostigingsregeling heeft getroffen; d. Wet educatie en beroepsonderwijs Ten behoeve van scholing waarop devan toepassing is; e. ten behoeve van scholing die naar redelijke verwachting ook zonder toepassing van deze regeling zou hebben plaatsgevonden. 3 Wet Sociale Werkvoorziening Wet Sociale Werkvoorziening Scholing van werknemers, werkzaam in het kader van de, komt slechts voor subsidie in aanmerking, indien die scholing de mogelijkheden vergroot dat door de betrokken werknemers een dienstbetrekking buiten dewordt aangegaan. 4 De kosten van scholing buiten Nederland komen niet voor subsidie in aanmerking. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997
Artikel 3 — Artikel 3 Subsidiabele kosten#
Artikel 3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie kunnen in aanmerking worden gebracht: a. kosten, gemaakt om te bevorderen dat scholingsbehoeftige werknemers, en hun werkgevers, aan een op hen gericht scholingsprogramma deelnemen; b. kosten, gemaakt voor de ontwikkeling van een scholingsprogramma ten behoeve van deze werknemers; c. kosten, gemaakt ter uitvoering van het scholingsprogramma. 2 De in het eerste lid onder a. en b. bedoelde kosten komen slechts voor subsidiëring in aanmerking, voorzover deze niet meer bedragen dan 20 % van de totale kosten van het project. 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 23-07-1998 De wijzigingsopdracht voor artikel 3 kan niet worden doorgevoerd.
Artikel 4 — Artikel 4 Ontwikkeling scholingsprogramma en bevordering deelname#
Artikel 4 Ontwikkeling scholingsprogramma en bevordering deelname 1 Terzake van de bevordering van deelname aan een scholingsprogramma komen voor subsidie in aanmerking: de kosten van advisering aan werkgevers terzake van scholing van bij hen in dienst zijnde werknemers, voor zover deze tot de categorie scholingsbehoeftige werknemers kunnen worden gerekend, en de kosten van scholingsadviezen aan deze werknemers. 2 Terzake van de ontwikkeling van het scholingsprogramma komen voor subsidie in aanmerking: a. de kosten van onderzoek naar kwalificatietekorten, als gevolg van gewijzigde economische en technologische ontwikkelingen en wijziging van de arbeidsorganisatie, die op termijn werkloosheid ten gevolge kunnen hebben; b. de kosten van ontwikkeling van een scholingsprogramma ter opheffing van de onder a bedoelde kwalificatietekorten. 3 Zo veel mogelijk dient gebruik te worden gemaakt van reeds bestaande scholingsprogramma’s, en het op basis daarvan ontwikkeld onderwijsmateriaal en ontwikkelde onderwijsmethodieken. 1995 83 28-04-1995 26-04-1995 AM.AAB/95/9842 1995 83 28-04-1995 26-04-1995 AM.AAB/95/9842 29-04-1995
Artikel 5 — Artikel 5 Uitvoering scholingsprogramma#
Artikel 5 Uitvoering scholingsprogramma 1 de Wet educatie en beroepsonderwijs Geen subsidie wordt verleend voor scholing die zonder bezwaar in het kader van dekan worden gegeven. 2 artikel 4 van de Wet arbeid vreemdelingen artikel 2 Aan de scholing mogen uitsluitend die vreemdelingen deelnemen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning, welke ingevolgevan een aantekening is voorzien waaruit blijkt dat voor betrokkene geen beperkingen gelden met betrekking tot het verrichten van arbeid in Nederland. Met een dergelijke aantekening wordt gelijkgesteld een verklaring, verleend krachtensof 3 van de Wet arbeid buitenlandse werknemers. 3 Het scholingsprogramma dient uit te gaan van tenminste 5 volle scholingsdagen dan wel 10 dagdelen per werknemer per jaar. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997
Artikel 6 — Artikel 6 Financiering deels uit collectieve middelen; garantstelling#
Artikel 6 Financiering deels uit collectieve middelen; garantstelling Een project komt slechts voor subsidiëring in aanmerking: a. indien tenminste een derde van de kosten van het project ten laste komt van een overheidsinstelling, of van een scholings-, opleidings- of ontwikkelingsfonds dat in een collectieve arbeidsovereenkomst genoemd wordt, en met die overheidsinstelling of voornoemd fonds schriftelijke en controleerbare afspraken zijn gemaakt over omvang en tijdstip van de betalingen die uit dien hoofde zullen plaatsvinden, en b. indien een bankinstelling, overheidsinstelling of fonds, als bedoeld onder a, zich garant heeft gesteld voor de goede uitvoering van het project door het opmaken van een onherroepelijke verklaring als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage II. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997
Artikel 7 — Artikel 7 Beschikbaar budget#
Artikel 7 Beschikbaar budget 1 Voor de toepassing van deze regeling in de verschillende jaren financiële middelen ter beschikking overeenkomstig de navolgende tabel: Jaar Beschikbaar budget in Hfl (1 ecu= Hfl 2,168) 1995 f 47.903.558,– 1996 f 50.833.803,– 1997 f 114.784.906,- 1998 f 56.830.708,- 1999 f 59.282.673,- 2 Indien de voor enig jaar gereserveerde middelen in dat jaar onbesteed zijn gebleven, worden deze toegevoegd aan het voor het daarop volgende jaar gereserveerde budget. 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 23-07-1998
Artikel 8 — Artikel 8 De aanvraag#
Artikel 8 De aanvraag 1 De subsidie-aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2 artikel 6, eerste lid onder a De subsidie-aanvraag dient te geschieden door middel van een ondertekend en volledig ingevuld aanvraagformulier, overeenkomstig het als bijlage I bij dit besluit gevoegde model. Bij de aanvraag dient een verklaring van de medefinancierende instantie, als bedoeld in, te worden gevoegd, inhoudende dat het project in een bij die verklaring weergegeven mate zal worden medegefinancierd. 3 De subsidie-aanvraag dient niet later te worden ingediend, dan 1 april van het kalenderjaar waarin met de uitvoering van het te subsidiëren project wordt aangevangen. 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 01-01-1999
Artikel 9 — Artikel 9 Afwijzing subsidie-aanvraag#
Artikel 9 Afwijzing subsidie-aanvraag 1 De subsidie wordt geweigerd: a. indien niet wordt voldaan aan de in artikelen 2 t/m 6 en 8 genoemde voorwaarden; b. indien de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten effecten; c. indien onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de uitvoering van het project te maken kosten; d. artikel 7 indien, gelet op het totaal der toekenningen die hebben plaatsgevonden, het ter beschikking staande jaarbudget, als vermeld in, zal worden uitgeput. 2 2 Indien het eerste lid onder d toepassing dient te vinden, wordt voorrang verleend aan: a. projecten die zich richten op laagopgeleide werknemers in ondernemingen met minder dan 250 werknemers, vervolgens b. projecten die zich richten op laagopgeleide werknemers in andere ondernemingen dan die, bedoeld onder a, vervolgens c. projecten die zich richten op niet-laagopgeleide werknemers in ondernemingen met minder dan 250 werknemers, en als laatste d. projecten die zich richten op niet-laagopgeleide werknemers in andere ondernemingen dan die, bedoeld onder a. 3 Bij de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van de stand van zaken op datum aanvraag, waarbij in deeltijd werkzame werknemers naar rato worden omgerekend naar voltijdwerknemers, en waarbij ondernemingen waarvan de gegevens verwerkt zijn in een geconsolideerde jaarrekening als 1 onderneming worden beschouwd. Voorts kan de subsidie worden geweigerd indien dit nodig is om een spreiding van de subsidiëring over verschillende typen projecten te bewerkstelligen. 4 artikel 7, tweede lid In afwijking van het tweede lid wordt 25% van de krachtens, aan het budget van enig jaar toegevoegde middelen bij voorrang toegekend ten behoeve van projecten als bedoeld in het tweede lid onder b. 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 23-07-1998
Artikel 10 — Artikel 10 Omvang subsidie#
Artikel 10 Omvang subsidie 1 De subsidie wordt berekend over het totaal van de noodzakelijk ten behoeve van de voorbereiding, de uitvoering en het beheer van een project gemaakte kosten, voorzover deze bestaan uit: a. kosten van instructiepersoneel; b. kosten van aanschaf of afschrijving van voor het project noodzakelijke verbruiksgoederen en gereedschappen; c. kosten van huur en gebruik van kantoorruimtes en leslokalen, daaronder begrepen de kosten van aanpassing van die lokalen teneinde deze toegankelijk te maken voor gehandicapten; d. kosten van studiemateriaal en van eventueel bij de studie te dragen kleding; e. aan deelnemers verstrekte reiskostenvergoedingen, voorzovergeen betrekking hebbend op het normale woon-werkverkeer; f. de kosten van aan deelnemers verstrekte inkomensvervangende uitkeringen of van loondoorbetaling aan deelnemers over niet gewerkte scholingsuren; g. aan het project toerekenbare overheadkosten. 2 Bij de toepassing van het eerste lid blijven buiten beschouwing kosten die uit anderen hoofde worden bekostigd, dan wel die toegerekend kunnen worden aan de normale bedrijfsvoering. 3 De subsidie gaat een bij de toekenningsbeschikking te bepalen maximum niet te boven, en bedraagt: a. artikel 3 onder a en b 45% van de door degene aan wie de subsidie is toegekend feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten subsidiabele kosten als bedoeld in; b. artikel 3 onder c 33 1/3% van de door degene aan wie de subsidie is toegekend feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten kosten als bedoeld in. 4 Het maximum, bedoeld in het derde lid, is gelijk aan het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door degene aan wie de subsidie is toegekend geraamd in zijn subsidie-aanvraag, met dien verstande, dat bepaalde, in de toekennings-beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997
Artikel 11 — Artikel 11 Beschikking#
Artikel 11 Beschikking 1 Op een subsidie-aanvraag wordt binnen vier maanden na ontvangst beslist. 2 De beslissing en, indien deze geheel of gedeeltelijk afwijzend luidt, de motivering, wordt schriftelijk vastgelegd en aan de aanvrager toegezonden dan wel uitgereikt. 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 23-07-1998
Artikel 12 — Artikel 12 Bevoorschotting#
Artikel 12 Bevoorschotting 1 Aan degene aan wie subsidie is toegekend worden, op diens verzoek, voorschotten verleend, met dien verstande dat de voorschotten niet eerder worden verleend, dan nadat de desbetreffende gelden door de Europese Commissie aan Nederland zijn overgemaakt. 2 Voorschotbetalingen zullen als volgt worden gedaan: a. Een eerste voorschot van 50% van het subsidiebedrag voor het eerste subsidiejaar, wordt op verzoek van de aanvrager direct verstrekt bij de subsidieverlening; b. een tweede voorschot, waarbij het eerste voorschot wordt aangevuld tot 80% van het subsidiebedrag voor het subsidiejaar, wordt op verzoek verstrekt, indien door middel van tussentijdse rapportage is aangetoond dat het eerste voorschot voor tenminste de helft is gebruikt voor de uitvoering van het betrokken project en de prognose niet verlaagd is; c. de voorschotten voor het tweede en eventueel derde subsidiejaar worden op vergelijkbare wijze verstrekt, mits door middel van tussentijdse rapportage is aangetoond dat het laatst uitgekeerde voorschot voor tenminste de helft is gebruikt, en de daaraan voorafgaande voorschotten volledig zijn gebruikt. 3 Voorschotverzoeken dienen te worden ingediend bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Bureau Uitvoering Europese Subsidie-instrumenten. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997
Artikel 13 — Artikel 13 Administratievoorschriften#
Artikel 13 Administratievoorschriften 1 Degene aan wie de subsidie is toegekend zal een inzichtelijke en controleerbare aparte administratie bijhouden of doen bijhouden met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven. Deze administratie zal bestaan uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, betrouwbaar en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken. 2 De deelnemersadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren. 3 De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend. 4 De administratie dient aldus te zijn opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate tussentijdse rapportages. 5 De administratie biedt voldoende mogelijkheden voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsiedievoorwaarden. 6 Indien de administratie niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, wordt bij de aanvraag opgave gedaan van de instelling die de administratie voert. 7 Degene aan wie de subsidie is toegekend zal aan door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dan wel de Europese Commissie daartoe aangewezen personen desgevraagd inzage in of informatie uit deze administratie geven of doen geven. Tevens zal degene aan wie de subsidie is toegekend voornoemde personen desgevraagd informatie verschaffen over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997
Artikel 14 — Artikel 14 Einddeclaratie#
Artikel 14 Einddeclaratie 1 artikel 10, eerste lid Degene aan wie de subsidie is toegekend dient binnen zes maanden na beëindiging van het project een verzoek in om definitieve vaststelling van het subsidiebedrag waarop aanspraak bestaat. Bij dit verzoek wordt een declaratie gevoegd van de gemaakte kosten, als bedoeld in. 2 bijlage III De einddeclaratie dient te zijn voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig het als bijlage III bij dit besluit gevoegde model. Indien het project door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is aangemerkt als een cluster, kan in plaats van deze verklaring worden volstaan met een rapport van bevindingen overeenkomstig het als bijlage IIIa bij dit besluit gevoegde model, mits daarbij accountantsverklaringen overeenkomstigzijn gevoegd met betrekking tot elk der aan het project deelnemende organisaties. 3 De hoogte van het definitieve vastgestelde subsidiebedrag wordt schriftelijk medegedeeld aan degene aan wie de subsidie is toegekend. 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 1998 135 21-07-1998 14-07-1998 AM/AAB/98/1774 23-07-1998
Artikel 15 — Artikel 15 Intrekking subsidietoekenning#
Artikel 15 Intrekking subsidietoekenning 1 De subsidietoekenning kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en de op basis daarvan uitbetaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd: a. indien de aanvrager bij zijn aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, en de subsidie bij juiste of volledige informatie niet, of tot een lager bedrag, zou zijn toegekend; b. in geval het project wordt uitgevoerd in afwijking van de bij de aanvraag gevoegde projectbeschrijving, voor zover de subsidietoekenning daarop was gebaseerd; c. indien de doelstellingen van het project ten gevolge van nalatigheid van degene aan wie de subsidie is toegekend niet of slechts ten dele worden gerealiseerd. d. artikelen 13 14 16 indien degene aan wie de subsidie is toegekend een der voorschriften, vervat in de,, ofniet naleeft. 2 Intrekking en terugvordering krachtens het eerste lid, onder b, vindt niet plaats, indien de afwijking vooraf aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voorgelegd, en deze daarmee schriftelijk heeft ingestemd. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997 De wijzigingsopdracht voor artikel 15 is niet geheel juist.
Artikel 16 — Artikel 16 Evaluatie#
Artikel 16 Evaluatie 1 Degene aan wie de subsidie is toegekend zal, voor zover het betreft het door hem uitgevoerde project, medewerking verlenen aan de opstelling van een evaluatierapport met betrekking tot de krachtens deze regeling gesubsidieerde scholingsprojecten. 2 Degene aan wie de subsidie is toegekend zal aan de Staat en de Europese Commissie het recht verschaffen de met subsidie ontwikkelde scholingsprogramma’s en onderwijsmateriaal openbaar te maken en te verveelvoudigen in het kader van deze evaluatie. 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 1997 28 10-02-1997 03-02-1997 AM/AAB/97/0160 12-02-1997
Artikel 17 — Artikel 17 Slotbepaling#
Artikel 17 Slotbepaling 1 Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt, en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking. 2 Deze regeling kan worden aangehaald als: Subsidieregeling ESF doelstelling 4 ’Scholing voor Behoud van Werk’. 1995 83 28-04-1995 26-04-1995 AM.AAB/95/9842 1995 83 28-04-1995 26-04-1995 AM.AAB/95/9842 29-04-1995