Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994
- BWB-id
- BWBR0007308
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007308
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/uitvoeringsregeling-motorrijtuigenbelasting-1994
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/uitvoeringsregeling-motorrijtuigenbelasting-1994/2025-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007308&g=2025-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007308&z=2026-06-06&g=2025-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007308/2025-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/uitvoeringsregeling-motorrijtuigenbelasting-1994
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikelen 3, derde lid 7, tweede lid 15, tweede en derde lid 23, zesde lid 24, vierde lid 24a, achtste lid 24b, tweede en vijfde lid 37f van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel XII, eerste lid, van de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 Deze regeling geeft uitvoering aan de,,,,,,, enen. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 In deze regeling wordt verstaan onder: wet: Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 ; belasting: motorrijtuigenbelasting. 1995 64 30-03-1995 30-03-1995 WV95/189M 1995 64 30-03-1995 30-03-1995 WV95/189M 01-04-1995
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 3 van de wet De laadruimte voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de lengte en de hoogte indien deze in gesloten toestand een rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten waarvan de lengte, de hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de invoor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig. Voor de toepassing van deze bepaling worden, indien de laadruimte niet van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand, de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder in de achterste stand geplaatst. Voor de toepassing van dit lid wordt, ingeval de open laadbak van een motorrijtuig van het type pick-up is voorzien van een al dan niet eenvoudig te demonteren overkapping, de laadruimte in aanmerking genomen met gesloten overkapping, tenzij deze overkapping slechts bestaat uit een platte deksel die direct op de opstaande zijkanten van de laadbak is geplaatst. 2 Het verschil in hoogte tussen de cabine en de laadruimte is de verticale afstand tussen het denkbeeldige horizontale vlak waarin de beide hoogste punten van de dagopening van de deuren bij de voorzitplaatsen zijn gelegen, en het hoogste gedeelte van het dak van de laadruimte, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm. 3 De hoogte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de grootste afstand tussen vloer en dak van de cabine, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm. 4 De lengte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de evenwijdig aan de lengte-as van het desbetreffende motorrijtuig gemeten afstand tussen het achterste punt van het stuurwiel en de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt. 5 De lengte van de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig. 6 De lengte die de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine zou hebben indien de zitruimte achter de bestuurder zou ontbreken, is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig, en waarbij er voor het nemen van de maat van wordt uitgegaan dat die laadruimte van de cabine is gescheiden door middel van een 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel geplaatste vaste wand. 7 De hoogte van de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, is de afstand tussen het laagste punt van de bovenzijde van de wand en het hoogste punt van de laadvloer. 8 De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, dient verticaal en in een hoek van 90° ten opzichte van de lengte-as te zijn geplaatst en wel: a. indien het motorrijtuig niet is voorzien van een dubbele cabine: ten hoogste 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel; b. indien het motorrijtuig is voorzien van een dubbele cabine: direct achter de achterste zitplaatsen. 9 In afwijking in zoverre van het achtste lid, onderdeel b, wordt, indien een deel van de cabine van een motorrijtuig met dubbele cabine bij de laadruimte wordt betrokken waardoor de vaste wand niet geheel in een hoek van 90° ten opzichte van de lengteas is geplaatst, voor het meten van de in dit artikel genoemde afstanden uitgegaan van de plaats van het meest naar achteren gelegen bevestigingspunt van de aanwezige wand. 10 De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt dient: a. te zijn vervaardigd uit ondoorzichtig en vormvast materiaal, waarbij één of meerdere vaste ramen naast elkaar met een hoogte van maximaal 40 cm zijn toegestaan, alsmede voorzieningen ten behoeve van de veiligheid; b. geheel vlak te zijn; c. uit één geheel of uit diverse op onverbrekelijke wijze met elkaar verbonden delen te bestaan, waarbij voorzieningen zijn toegestaan ten behoeve van: mits deze voorzieningen niet groter zijn dan voor het specifieke doel noodzakelijk. 1°. het aan het motorrijtuig noodzakelijk te plegen onderhoud; 2°. het gebruik van de bestelauto; of 3°. de veiligheid; d. zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden. 11 Een laadruimte is niet voorzien van zijruiten indien de zijruiten geheel zijn verwijderd en zijn vervangen door niet uit glas bestaande panelen uit één stuk van ondoorzichtig en vormvast materiaal. De panelen dienen zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden. 12 De laadruimte dient in haar geheel te zijn voorzien van een vaste, vlakke laadvloer. De laadvloer dient zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden. 2013 36216 30-12-2013 30-12-2013 DB2013/599M 2013 36216 30-12-2013 30-12-2013 DB2013/599M 01-01-2014
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a Artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de wet artikel 1, onderdeel a, van de Regeling uitzondering kentekenplicht voor leden aangewezen krijgsmacht of civiele dienst is van toepassing voor motorrijtuigen als bedoeld in. 1997 118 25-06-1997 19-06-1997 WV97/436M 1997 118 25-06-1997 19-06-1997 WV97/436M 01-07-1997
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De belasting voor een motorrijtuig behoeft niet bij de aanvang van een tijdvak te zijn betaald indien het een ander tijdvak betreft dan: a. artikel 11, eerste lid, van de wet een tijdvak als bedoeld in, met uitzondering van het tijdvak dat aanvangt met ingang van de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister; b. artikel 13, eerste lid, van de wet een tijdvak als bedoeld in. 2 Bij toepassing van het eerste lid dient de belasting te zijn betaald binnen veertien dagen na de aanvang van het tijdvak, doch uiterlijk vóór het door de inspecteur daarvoor bepaalde tijdstip. 2014 17396 24-06-2014 17-06-2014 IZV2014/120 17396 24-06-2014 2014 17396 24-06-2014 17-06-2014 IZV2014/120 01-07-2014 01-01-2014
Artikel 4bis — Artikel 4bis#
Artikel 4bis 1 artikelen 23, vijfde lid 24, derde lid, van de wet artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994 Artikel 43e van de Wegenverkeerswet 1994 Tegenbewijs als bedoeld in de, enhoudt in dat belastingplichtige als bedoeld inde Dienst Wegverkeer, bedoeld in, verzoekt tot wijziging of opneming van gegevens inzake de fijnstofuitstoot in het kentekenregister.is van toepassing. 2 artikelen 23, vierde lid 24, tweede lid, van de wet Indien de Dienst Wegverkeer naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist dat in het kentekenregister een fijnstofuitstoot wordt geregistreerd van niet meer dan 5 milligram per kilometer, onderscheidenlijk 10 milligram per kilowattuur, heeft belastingplichtige recht op teruggaaf van de door hem betaalde fijnstoftoeslag, bedoeld in de, onderscheidenlijk. 3 Op verzoek van belastingplichtige verleent de inspecteur aan de belastingplichtige teruggaaf als bedoeld in het tweede lid. 4 artikel 43e, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 Bij het verzoek om teruggaaf overlegt de belastingplichtige een afschrift van zijn verzoek als bedoeld in het eerste lid en een afschrift van het bericht van de Dienst Wegverkeer, bedoeld in. 5 Het recht op teruggaaf vervalt na vijf jaren na afloop van het belastingtijdvak waarin dat recht is ontstaan. 6 De inspecteur neemt de beslissing op het verzoek, bedoeld in het derde lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 4ter — Artikel 4ter#
Artikel 4ter 1 artikelen 23, vijfde lid 24, derde lid, van de wet artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de wet Tegenbewijs als bedoeld in de, enhoudt in dat een belastingplichtige als bedoeld inde inspecteur verzoekt tot toepassing van een specifieke fijnstofuitstoot. 2 artikelen 23, vierde lid 24, tweede lid, van de wet Indien de inspecteur naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid beslist dat de fijnstofuitstoot van het motorrijtuig niet meer bedraagt dan 5 milligram per kilometer, onderscheidenlijk 10 milligram per kilowattuur, heeft de belastingplichtige recht op teruggaaf van de door hem betaalde fijnstoftoeslag, bedoeld in de, onderscheidenlijk. 3 De inspecteur neemt de beslissing op het verzoek en de daarmee samenhangende teruggaaf bij één voor bezwaar vatbare beschikking. 4 Bij een verzoek als bedoeld in het eerste of derde lid overlegt de belastingplichtige een afschrift van het kentekenregister waarin het motorrijtuig is geregistreerd en waaruit de fijnstofuitstoot van het motorrijtuig onomstotelijk blijkt. 5 Het recht op teruggaaf vervalt na vijf jaren na afloop van het belastingtijdvak waarin dat recht is ontstaan. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 artikel 24a van de wet Onder een niet-opvouwbare rolstoel wordt voor de toepassing vanmede verstaan een ander in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een bestelauto. 2 artikel 24a, eerste lid, van de wet Onder een bestelauto, ingericht voor het vervoer als bedoeld in, wordt verstaan een bestelauto die voorzieningen bevat ten behoeve van het vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel of het vervoer van een ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid en het gelijktijdige vervoer van de gehandicapte, zoals voorzieningen voor het met of vanuit een rolstoel of een ander hulpmiddel kunnen plaatsnemen in en verlaten van de bestelauto, voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel in de cabine op de plaats van een zitplaats, en voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel zonder passagier in de laadruimte. 2005 83 29-04-2005 23-04-2005 WV2005/162M 2005 83 29-04-2005 23-04-2005 WV2005/162M 01-07-2005
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b 1 artikel 24b, tweede lid, van de wet De inbedoelde periode van terbeschikkingstelling van een bestelauto bedraagt vier weken, verminderd met voorafgaande aansluitende periodes van terbeschikkingstelling van enige bestelauto door de ondernemer aan dezelfde persoon. 2 artikel 24b van de wet Indien een ondernemer een bestelauto waarvoor de belasting wordt geheven op de voet vanter beschikking stelt aan een derde, neemt hij in zijn administratie de volgende gegevens en bescheiden op: a. de naam, het adres en een kopie van het legitimatiebewijs van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld; en b. een kopie van het contract tussen de ondernemer en degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, waaruit het kenteken van de bestelauto en de periode van terbeschikkingstelling blijkt. 3 artikel 24b, tweede lid, van de wet Ingeval de in het tweede lid bedoelde ondernemer de bestelauto langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde die voldoet aan het gestelde in, verstrekt degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld aan de ondernemer een verklaring: a. artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 dat hij ondernemer is als bedoeld in; b. artikel 7, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 dat het geen ondernemerschap betreft als bedoeld in; c. dat de bestelauto meer dan bijkomstig in zijn onderneming zal worden gebruikt; en d. dat hij bij een wijziging in deze omstandigheden onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter beschikking stelt zal informeren en de verklaring zal intrekken. 4 De ondernemer die een bestelauto langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde als bedoeld in het derde lid, neemt in zijn administratie naast de in het tweede lid bedoelde gegevens en bescheiden de volgende gegevens en bescheiden op: a. het BTW-identificatienummer van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, en een afdruk van de verificatie van dit nummer uit het Europese datasysteem van BTW-identificatienummers; en b. de in het derde lid bedoelde verklaring van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld. 5 Indien de in het derde lid bedoelde verklaring niet langer juist is, brengt degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter beschikking stelt daarvan op de hoogte, onder intrekking van de eerder afgegeven verklaring. 2005 83 29-04-2005 23-04-2005 WV2005/162M 2005 83 29-04-2005 23-04-2005 WV2005/162M 01-07-2005
Artikel 4c — Artikel 4c#
Artikel 4c 1 De belastingplichtige betaalt de belasting voor nog niet aangevangen tijdvakken in maandelijkse termijnen indien de belastingplichtige de ontvanger machtigt tot automatische incasso van toekomstige verplichtingen tot betaling van de belasting. 2 De machtiging heeft betrekking op: a. elk motorrijtuig dat op naam van de belastingplichtige is of wordt gesteld, tenzij de machtiging uitsluitend geldt voor een bepaald motorrijtuig; of b. artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 elk kenteken als bedoeld indat op naam van de belastingplichtige is gesteld of wordt gesteld. 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 2024 41523 24-12-2024 19-12-2024 2024-0000566137 01-01-2025
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 2012 26349 28-12-2012 21-12-2012 DB2012-475M 2012 26349 28-12-2012 21-12-2012 DB2012-475M 01-01-2013
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 artikel 37a, tweede lid, van de wet artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 Het verzoek om toepassing vangaat vergezeld van een afschrift van de beschikking, bedoeld in, onderscheidenlijk in. 2 artikel 37b, eerste lid, van de wet Het verzoek om toepassing vangaat vergezeld van a. afschriften van de kentekenbewijzen van de vrachtauto’s en aanhangwagens die deel uit zullen maken van het bedrijfsvoertuigenpark; b. een schriftelijke verklaring van de houder dat geen van de vrachtauto’s die deel zullen uitmaken van het bedrijfsvoertuigenpark zal worden verbonden met een aanhangwagen die daarvan geen deel uitmaakt; en c. een schriftelijke verklaring van de houder dat hij wijzigingen met betrekking tot de in het bedrijfsvoertuigenpark opgenomen vrachtauto’s en aanhangwagens terstond aan de inspecteur zal melden. 2012 26349 28-12-2012 21-12-2012 DB2012-475M 2012 26349 28-12-2012 21-12-2012 DB2012-475M 01-01-2013
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1995. 2 Deze regeling kan worden aangehaald als Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994. 1995 64 30-03-1995 30-03-1995 WV95/189M 1995 64 30-03-1995 30-03-1995 WV95/189M 01-04-1995