Ministeriële regeling, houdende vaststelling van enige energieprogramma's, de daarvoor beschikbare bedragen en de periodes in 1995 waarin aanvragen om subsidie met betrekking tot die programma's kunnen worden ingediend
- BWB-id
- BWBR0007317
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 1995-12-29 t/m 2005-06-10
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007317
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/vaststelling-van-enige-energieprogramma-s
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/vaststelling-van-enige-energieprogramma-s/1995-12-29
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007317&g=1995-12-29
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007317&z=2026-06-06&g=1995-12-29
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007317/1995-12-29
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1995/vaststelling-van-enige-energieprogramma-s
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Als programma's als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's worden vastgesteld de programma's, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen 1 tot en met 9, onder A. 1995 69 06-04-1995 04-04-1995 WJA/JZ95024380 1995 69 06-04-1995 04-04-1995 WJA/JZ95024380 08-04-1995
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Voor ieder van de in de bijlagen 1 tot en met 9 opgenomen programma's, onderdelen daarvan en soorten projecten in het kader ervan, zijn de bedragen beschikbaar, die zijn opgenomen in de desbetreffende bijlagen, onder B. 2 De in het eerste lid bedoelde bedragen zijn beschikbaar voor aanvragen die zijn ontvangen in de in de desbetreffende bijlagen onder C opgenomen perioden. 1995 69 06-04-1995 04-04-1995 WJA/JZ95024380 1995 69 06-04-1995 04-04-1995 WJA/JZ95024380 08-04-1995
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 1995 69 06-04-1995 04-04-1995 WJA/JZ95024380 1995 69 06-04-1995 04-04-1995 WJA/JZ95024380 08-04-1995
Artikel 1 — 1 Tender Glastuinbouw#
1 Tender Glastuinbouw Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden beoordeeld door een college van onafhankelijke deskundigen. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programmaonderdeel. Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma's is van toepassing. Dit onderdeel richt zich op de verbetering van de energie-efficiency in de glastuinbouw door het bevorderen van energiebeheer en energiebesparende technische maatregelen en investeringen. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten (uitsluitend bij tuinders), demonstratie-, kennisoverdracht- en/of marktintroductieprojecten. In het kader van dit onderdeel worden met name projecten ondersteund die gericht zijn op een commerciële toepassing op korte termijn van technieken die een aanwijsbare verbetering van de energie-efficiency te zien geven. Het gaat hier ondermeer om projecten voor de produktieglastuinbouw met betrekking tot: Dit onderdeel streeft naar een energiebewustere bedrijfsvoering en op een hogere penetratiegraad van (bijna) financieel en technisch haalbare opties zoals condensors, isolatie, verbeterde ligging van verwarmingsnetten, (energie)schermen, warmtekracht. Voor haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten geldt een subsidiepercentage van maximaal 60% van de projectkosten. In het kader van dit onderdeel kan per project maximaal f 150.000,- subsidie worden verleend. energieregistratie en bedrijfsvergelijking; ontwikkelen en uitvoeren van energiebesparingsplannen; klimaatregelingen en warmte-opwekking; hergebruik van warmte; warmteopslag; warmtedistributie; warmteverdeling; warmtebenutting.
Artikel 2 — 2 Tender veehouderij#
2 Tender veehouderij Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden beoordeeld door een college van onafhankelijke deskundigen. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programmaonderdeel. Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma's is van toepassing. Dit onderdeel richt zich op de verbetering van de energie-efficiency en op energiezuinige maatregelen voor milieuproblemen in de veehouderij door het bevorderen van energiebeheer en energiebesparende technische maatregelen en investeringen. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten (uitsluitend bij tuinders), demonstratie-, kennisoverdracht- en/of marktintroductieprojecten. In het kader van dit onderdeel worden met name projecten ondersteund die gericht zijn op een commerciële toepassing op korte termijn van technieken die een aanwijsbare verbetering van de energie-efficiency te zien geven. Het gaat hier ondermeer om projecten voor de veehouderij met betrekking tot: 2 Dit onderdeel streeft naar een energiebewustere bedrijfsvoering en een hogere penetratiegraad van (bijna) economisch en technisch haalbare opties zoals natuurlijke ventilatie, geavanceerde klimaatregelingen (o.a. CO-regeling), grondbuizen, isolatie, warmtewisselaars, mestverwerking. Voor haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten geldt een subsidiepercentage van maximaal 60% van de projectkosten. In het kader van dit onderdeel kan per project maximaal f 75.000,- subsidie worden verleend. energieregistratie en bedrijfsvergelijking; ontwikkelen en uitvoeren van energiebesparingsplannen; ventilatie en koeling; verwarming; energiezuinige milieumaatregelen; restwarmtebenutting.
Artikel 3 — 3 Tender akkerbouw en overige tuinbouw#
3 Tender akkerbouw en overige tuinbouw Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden beoordeeld door een college van onafhankelijke deskundigen. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programmaonderdeel. Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma's is van toepassing. Dit onderdeel richt zich op de verbetering van de energie-efficiency in de akkerbouw, het loonwerk en overige tuinbouw door het bevorderen van energiebeheer en energiebesparende technische maatregelen en investeringen. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten (uitsluitend bij tuinders), demonstratie-, kennisoverdracht- en/of marktintroductieprojecten. In het kader van dit onderdeel worden met name projecten ondersteund die gericht zijn op een commerciële toepassing op korte termijn van technieken die een aanwijsbare verbetering van de energie-efficiency te zien geven. Het gaat hier ondermeer om projecten voor de akkerbouw en overige tuinbouw met betrekking tot: Dit onderdeel streeft naar een energiebewustere bedrijfsvoering en een hogere penetratiegraad van (bijna) economisch en technisch haalbare opties zoals: energiebewuster ondernemerschap, werken met energiezuinigere trekker/werktuigcombinaties, natuurlijke ventilatie, grondbuizen, klimaatregelingen, HR/VR verwarmingsketels, warmtewisselaars, condensors, isolatie, verbeterde ligging van verwarmingsnetten, (energie)schermen, warmte/kracht. Voor haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten geldt een subsidiepercentage van maximaal 60% van de projectkosten. In het kader van dit onderdeel kan per project maximaal f 75.000,- subsidie worden verleend. energieregistratie en bedrijfsvergelijking; ontwikkelen en uitvoeren van energiebesparingsplannen; drogen, koelen/verwarmen, bewaren van produkten; verwarming, koeling en ventilatie; mechanisatie.
Artikel 4 — 4 Glastuinbouw#
4 Glastuinbouw Dit onderdeel richt zich overeenkomstig de MJA op een energie-efficiency verbetering van 50% in de periode tussen 1980 en 2000; tevens wordt gestreefd naar een energie-efficiency verbetering van 30% voor de periode tussen 1989 en 2000. In het kader van de meerjarenafspraak met het Nederlandse glastuinbouwbedrijfsleven is een tussendoelstelling van 40% voor 1980-1995 overeengekomen. Energiebesparing wordt nagestreefd door een verbetering van de bewustwording van de noodzaak van en een draagvlak voor een energiezuinige bedrijfsvoering, de stimulering van de toepassing van energiebesparende maatregelen voor energie-efficiency- en rendementsverbetering, en het stimuleren van onderzoek naar, ontwikkeling, demonstratie en marktintroductie van een verbeterd energiebeheer en nieuwe energiezuinige produktiesystemen, bedrijfsuitrusting en kassen met in achtneming van milieutechnische randvoorwaarden. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: onderzoeks-, kennisoverdracht-, demonstratie- en marktintroductieprojecten gericht op de toepassing van nu reeds economisch en technisch haalbare opties, zoals condensors, (ketel)isolatie, ketel en leidingen, ketelregeling, ligging van verwarmingsnet, warmtebuffers; demonstratie van en praktijkexperimenten met klimaat- en/of energieschermen; 2 2 ontwikkeling van, praktijkexperimenten met en demonstratie van energiezuinige verwarmingssystemen, warmte-opslag in combinatie met CO-voorziening, toepassing zuiver CO; ontwikkeling van en praktijkexperimenten met economisch haalbare warmtepompen en alternatieve kasomhullingen; haalbaarheid, onderzoek en ontwikkeling van nieuwe opties voor specifieke toepassingen in de glastuinbouw. Het onderzoek dient zowel op de verbetering van de financiële als technische haalbaarheid gericht te zijn. Als opties komen binnen het toepassingsgebied van de glastuinbouw ondermeer energie-opslag in aquifers, stort- of biogas, zuinige assimilatie-belichting en energiezuinige rassen in aanmerking; 2 haalbaarheid, ontwikkeling, demonstratie en marktintroductie van afval- en restwarmte, zo mogelijk in combinatie met CO-voorziening; haalbaarheid van, praktijkexperimenten met, demonstratie en marktintroductie van energiezuinige warmtekrachtinstallaties en rookgasbehandeling; haalbaarheid, onderzoek, ontwikkeling, praktijkexperimenten, demonstratie en kennisoverdracht van energie-efficiënte teeltsystemen en kasklimaatsystemen en -regelingen; kennisoverdracht en marktintroductie van energiezuinige milieutechnologieën; ontwikkeling van voorlichtingsmateriaal en uitvoering van voorlichtingsacties op het gebied van energiebesparing.
Artikel 5 — 5 Veehouderij#
5 Veehouderij Dit onderdeel richt zich op een energie-efficiency verbetering van 26% tussen 1989 en 2000 en het verminderen van de groei van het energiegebruik als gevolg van toepassing van een aantal nieuwe energie-intensieve milieutechnologieën, door middel van het bevorderen van de kennis en toepassing van energiebesparingstechnieken en energiezuinige processen voor mestbehandeling, bestrijding van ammoniakemissie en andere schadelijke emissies binnen de veehouderij. De veehouderij is ingedeeld in varkenshouderij, pluimveehouderij en rundveehouderij. Er wordt naar gestreefd om met de veehouderij meerjarenafspraken te maken. Primair staat het belang, dat de te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect hebben op energiegebruik en verbetering van het milieu, en daarmee bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelstelling. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: ontwikkeling van, praktijkexperimenten met, kennisoverdracht en marktintroductie van nieuwe en innovatieve energiezuinige (natuurlijke) ventilatiesystemen en regelingen in de intensieve veehouderij; ontwikkeling van, praktijkexperimenten met, demonstratie en kennisoverdracht van energie-efficiënte verwarmingssystemen in de zeugen-, vleeskuiken- en kalverhouderij; ontwikkelen en demonstreren van grotere toepassingsmogelijkheden van restwarmte die vrijkomt bij de koeling van melk; ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal en uitvoeren van voorlichtingsacties op het gebied van energiebesparing; ontwikkelen, demonstreren en introduceren van energie-efficiënte (decentrale) mestverwerkingsconcepten en (brongerichte) technieken voor de reductie van ammoniak-emissie en andere schadelijke emissies.
Artikel 6 — 6 Overige agrarische sectoren#
6 Overige agrarische sectoren Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van de energie-efficiency met 26% tussen 1989 en 2000 en oplossing van milieugerelateerde problematiek binnen de overige agrarische sectoren. De overige agrarische sectoren betreffen met name de bloembollenteelt, paddestoelenteelt, loonwerk en de akkerbouw. Projecten komen voor ondersteuning in aanmerking indien ze behoren tot een van de bovengenoemde sectoren, aantoonbare energiebesparingsmogelijkheden hebben én indien er een directe relatie bestaat met een bestaande of in voorbereiding zijnde meerjarenafspraak. Primair staat het belang, dat te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect op het energiebeheer van de ondernemers, energiegebruik, energiebesparende investeringen en verbetering van het milieu hebben, en daarmee bijdragen aan het behalen van de bovengenoemde doelstelling. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking zijn: onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van energiebesparingsmogelijkheden bij landbouwtrekkers, zelfrijdende machines, trekker/werktuig-combinaties, mechanisatie en transport; onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van energiebesparingsmogelijkheden bij de teelt, trekkerij, broeierij en bewaring van bloembollen en -knollen; onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van energiebesparingsmogelijkheden bij de champignonteelt en de compostbereiding voor de champignonteelt; ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht gericht op transport, droging, koeling en bewaring van onbewerkte land- en tuinbouwprodukten; onderzoek naar en ontwikkeling, demonstratie en kennisoverdracht van duurzame energie met specifieke toepassing in de overige agrarische sectoren; ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal en uitvoeren van voorlichtingsacties op het gebied van energiebesparing.
Artikel 10 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; c. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; d. de bijdrage van het project aan de realisatie van de doelstellingen van een bestaande of in voorbereiding zijnde meerjarenafspraak; e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; f. de milieuverdienste van het project; g. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.
Artikel A — A Ontwikkeling van zuinige transportmiddelen#
A Ontwikkeling van zuinige transportmiddelen Dit onderdeel richt zich op het bevorderen van industrieel onderzoek en industriële ontwikkeling in Nederland met betrekking tot verhoging van de energie-efficiency van wegvoertuigen. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een bijdrage in aanmerking komen, zijn onderzoek- en ontwikkelingsprojecten die mede gefinancierd worden door de industrie en die betrekking hebben op: verhoging van het energetisch rendement van Diesel- en Otto-motoren binnen de randvoorwaarden van de Europese emissie-eisen; ontwikkeling van systemen bestaande uit een vorm van continu variabele transmissie en regeling ter optimalisatie van het energetisch rendement van de gehele aandrijflijn; voortzetting van reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteunde ontwikkeling van een vliegwielsysteem; haalbaarheidsonderzoeken en industrieel onderzoek gericht op vermindering van het eigen gewicht van auto's, vrachtwagens en bussen ter verhoging van de energie-efficiency.
Artikel B — B Ontwikkelen van toepassingen van LPG als brandstof#
B Ontwikkelen van toepassingen van LPG als brandstof Dit onderdeel richt zich op verbreding van het pakket energiedragers in het wegtransport, voornamelijk LPG. Hiermee wordt beoogd een bijdrage te leveren aan diversificatie van motorbrandstoffen en vermindering van de milieubelasting in combinatie met een zo hoog mogelijke energetische efficiency. De voornaamste projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot de toepassing van LPG met elektronische inspuit- en regeltechnieken, resulterend in praktijkproeven, reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteund; onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van efficiënter gebruik van LPG in Otto-motoren door aanpassing van bestaande typen motoren, resulterend in praktijkproeven, reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteund; verkennend onderzoek naar de mogelijkheden van toepassing van LPG in omgebouwde dieselmotoren voor lichte en zware bestelauto's en vrachtauto's; onderzoek naar toepassingsmogelijkheden van brandstofcellen in elektrische voertuigen, reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteund.
Artikel A — A Efficiënt goederenvervoer#
A Efficiënt goederenvervoer Dit programma-onderdeel richt zich op verbetering van de efficiency van het goederenvervoer. Belangrijke sturingselementen hierin zijn het aantal ritkilometers van het vervoer over de weg, de beladingsgraad en het energiegebruik per tonkilometer. Dit onderdeel van het REV-programma sluit aan bij het project IMAGO, waarin Rijksoverheid en sectoren in het goederenvervoer samenwerken om milieuhinder en energiegebruik van het goederenvervoer te verminderen. Projecten die vanuit REV ondersteund worden, dienen een voorbeeldfunctie voor IMAGO te vervullen. In aanmerking voor een bijdrage komen projecten die een verbeterde efficiency van het goederenvervoer tot rechtstreeks gevolg hebben. Dit gevolg dient in het project aangetoond te worden. Bijdragen voor projecten kunnen aangevraagd worden door bedrijven uit het beroepsgoederenvervoer, eigen vervoer of het verladend bedrijfsleven. Ook branche-organisaties die deze bedrijven vertegenwoordigen, kunnen voor een bijdrage in aanmerking komen.
Artikel B — B Gedragsbeïnvloeding#
B Gedragsbeïnvloeding Dit onderdeel is er op gericht om via een planmatige en resultaatgerichte aanpak automobilisten, beroepschauffeurs en vervoerondernemers te motiveren tot het energie- en milieubewust aanschaffen en gebruiken van personenauto's, bestel- en vrachtwagens en bussen. Projecten dienen zoveel mogelijk te worden uitgevoerd in samenwerking met belangrijke intermediairen (branche- en koepelorganisaties). De voornaamste projecten die in 1995 voor subsidie in aanmerking komen, zijn kennisoverdrachtsprojecten die betrekking hebben op: communicatieve activiteiten, met name van intermediaire organisaties in de sector verkeer en vervoer, die worden aangevuld c.q. uitgebreid met het thema Koop Zuinig, Rij Zuinig; aanvullen en integreren van Koop Zuinig, Rij Zuinig-aspecten in theorie- en examen-delen van rij-opleidingen; communicatie betreffende brandstofverbruik, via de ANWB-advieslijn en massamediale voorlichting; continuering c.q. afronding van het in 1993 opgezette project 'Adviseurs Verkeersveiligheid, Energie en Milieu' (AVEM); het aanvullen en integreren van Koop Zuinig, Rij Zuinig-aspecten in bestaande cursussen voor bestelwagen-, vrachtwagen- en buschauffeurs; het aanvullen van energie- en milieu-aspecten van Koop Zuinig, Rij zuinig-aspecten in milieu-zorgsystemen en of bedrijfsvervoersplannen; het invoeren van energiezuinig rijden bij bedrijfswagens via proefprojecten, voornamelijk via de introductie van een bonus/malus-systeem en feedbacksystemen.
Artikel 15 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de doelstelling van het programma; f. de mate van betrokkenheid van de industrie of organisaties van eindgebruikers; g. de relevantie voor technologische clusters in Nederland; h. de nieuwheid van het project; i. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; j. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
Artikel 16 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin een project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de nieuwheid van het project; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
Artikel 1 — 1 Cellen#
1 Cellen De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op: onderzoek en ontwikkeling van cellen op basis van semi-kristallijn silicium gericht op rendementsverbetering en kostprijsreductie van industrieel te produceren cellen; onderzoek aan cellen op basis van concepten gericht op lage kosten op middellange termijn. Hieronder valt onderzoek aan cellen op basis van amorf silicium gericht op verbetering van het gestabiliseerde rendement en verbeterde produktiemethoden, vooronderzoek aan alternatieve dunne-film technologieën en onderzoek aan organische zonnecellen; onderzoek naar concepten van zonnecellen die op lange termijn kunnen leiden tot zeer hoge rendementen.
Artikel A — A Onderzoek en ontwikkeling voor netgekoppelde systemen#
A Onderzoek en ontwikkeling voor netgekoppelde systemen De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op ontwikkeling van componenten en systemen voor netgekoppelde toepassingen van PV op korte en middellange termijn, en betreffen: ontwikkeling van grotere, beter in de bouwpraktijk bruikbare PV-modules; ontwikkeling van componenten ten behoeve van de bouwtechnische en architectonische integratie van frameloze PV-panelen in met name daken; onderzoek en ontwikkeling van omvormers ten behoeve van toepassingen in decentrale netgekoppelde PV-systemen; onderzoek en ontwikkeling van netgekoppelde PV-systemen en ontwerp van gebouw-geïntegreerde PV-systemen ten behoeve van praktijkprojecten; onderzoek ter voorbereiding van richtlijnen voor dak- en gevelintegratie en voor netkoppeling van PV-systemen.
Artikel B — B Produkt/markt-ontwikkeling en haalbaarheidsstudies#
B Produkt/markt-ontwikkeling en haalbaarheidsstudies De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op autonome toepassingen van PV die op korte termijn marktperspectief bieden, en betreffen: Projecten met zicht op een groot marktpotentieel qua PV-vermogen verdienen de voorkeur. ontwikkeling van nieuwe toepassingen van PV in Nederland en in ontwikkelingslanden; demonstratie op kleine schaal van technisch uitontwikkelde toepassingen van PV voor niche-markten in Nederland; haalbaarheidsstudies ten behoeve van de betere positionering van het Nederlandse bedrijfsleven op de markt, bij voorkeur uit te voeren door de betreffende bedrijven.
Artikel 3 — 3 Leerprogramma PV in de gebouwde omgeving (PV pilot-projecten)#
3 Leerprogramma PV in de gebouwde omgeving (PV pilot-projecten) Doel van het leerprogramma PV in de gebouwde omgeving is relevante marktervaring op te bouwen betreffende de, voor Nederland meest waarschijnlijke en haalbare, inpassing van PV in de energievoorziening door middel van decentrale netgekoppelde systemen in de gebouwde omgeving. Projecten dienen goed omschreven leerdoelen te hebben, en te zijn gericht op decentrale netgekoppelde toepassingen van PV in de gebouwde omgeving. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn: In de PV-pilotprojecten dient speciale aandacht te worden besteed aan enerzijds de integratie van PV als bouwelement in het dak of de gevel en aan de architectuur en stedebouwkundige vormgeving, en anderzijds de technische kwaliteit van de systemen, zoals veiligheid, betrouwbaarheid en de inpassing in het elektriciteitsnet en de energievoorziening in brede zin. Projecten waarin een nutsbedrijf (mede-)indiener is, en projecten waarin speciale aandacht aan elektriciteits- en overige energiebesparing wordt besteed, verdienen de voorkeur. praktijkexperimenten met PV op een of enkele individuele woningen met een technisch innovatief karakter; de voorbereiding en realisatie van grootschalige praktijkexperimenten ter grootte van tientallen tot enkele honderden woningen met PV. In deze praktijkexperimenten dienen organisatorische aspecten, zoals besluitvorming op bestuurlijk niveau, eigendom, tariefstructuren, garanties en mogelijke beheervormen van decentrale netgekoppelde PV-systemen op woningen en in wijken, onderwerp van onderzoek te zijn; de voorbereiding en realisatie van een of enkele praktijkexperimenten met PV op het dak of in/aan gevels van een kantoor- of bedrijfsgebouw.
Artikel 21 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. het perspectief met betrekking tot de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. het perspectief op economische haalbaarheid van de technologie op middellange en lange termijn; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de nieuwheid van het project; k. Abusievelijk wordt in deze lijst onderdeel "i" gevolgd door onderdeel "k". de bijdrage aan (de opbouw van) relevante kennis, draagvlak en infrastructuur bij de doelgroepen van het NOZ-PV.
Artikel 22 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; c. de energie- en milieuverdienste van het project; d. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid; e. de aansluiting op internationale ontwikkelingen; f. de mate van aansluiting op lopende, reeds eerder door Novem gesteunde ontwikkelingen op het gebied van brandstofcellen en systemen; g. de inpasbaarheid van voorgestelde praktijkexperimenten in het lopende programma; h. de relevantie voor technologische clusters in Nederland.
Artikel 1 — 1 Verkenningen#
1 Verkenningen Dit onderdeel richt zich op het onderkennen en/of verduidelijken van mogelijk relevante nieuwe energieconversie-technologieën, nieuwe combinaties en -systemen en het geven van de onderbouwing voor een beslissing tot het starten van een ontwikkeling. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten gericht op bovenstaand doel.
Artikel 2 — 2 Verbranding#
2 Verbranding Dit onderdeel richt zich op het bereiken van hogere rendementen en zo mogelijk lagere emissies bij verbranding met betrekking tot verbeterde en/of nieuwe verbrandingstechnologieën. Het gaat daarbij vooral om gasconversie, zoals aardgas, biogas, laag-calorisch gas en waterstof. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks-, ontwikkelingsprojecten en daarop aansluitende praktijkexperimenten en tevens demonstratieprojecten gericht op: voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van verbetering van materialen voor keramische branders en ontwikkeling van verbrandingskatalysatoren; benutting van de mogelijkheden voor verbetering van de verbranding door voor- en/of nageschakelde gasbewerking gecombineerd met een (aangepaste) brander aansluitend bij lopende door Novem ondersteunde ontwikkelingen; voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek naar modellering van stroming, verbranding en emissies bij keramische branders en van vlamstabilisatie; voortzetting van lopende ontwikkelingen van stralingsbranders voor toepassing in de apparaten die in het programma in onderzoek of ontwikkeling zijn, danwel een energiebesparing van apparaten bewerkstelligen; voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de beheersing van de geluidsproduktie door branders in apparaten; voortzetting van lopende, reeds eerder door Novem ondersteunde ontwikkelingen en toepassing van de vortex-brander.
Artikel 3 — 3 Nieuwe combinaties#
3 Nieuwe combinaties Dit onderdeel richt zicht op het identificeren en ontwikkelen tot aan marktintroductie van nieuwe en verbeterde combinaties van energieconversiesystemen waardoor een hoger rendement en zo mogelijk lagere emissies bereikt kunnen worden. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op: de bepalende randvoorwaarden met gevoeligheidsanalyse voor een combinatie van brandstofcellen en gasturbine, aansluitend bij dit programma en bij het programma 'Brandstofcellen'; componenten voor optimalisatie van energieconversiesystemen die functioneren met een (variërend) mengsel van verschillende gassoorten; kansrijke, nieuwe combinaties van nieuwe of verbeterde conversietechnologieën die uitzicht bieden op een hoger conversierendement met een goed perspectief op commerciële toepassing.
Artikel 4 — 4 Warmte en/of Kracht#
4 Warmte en/of Kracht Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van rendement en milieukarakteristieken van conversie-technologieën die de gewenste warmte (koude) en/of kracht genereren. De twee belangrijkste technologieën zijn gasturbines en warmtepompen. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op: voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de Heron-turbine met name gericht op het toepassen van chemische recuperatie, verbetering van de brander en vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie; voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de OPRA-turbine, met name gericht op het vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie en van verbeteringen door onder andere een verbeterde lagering; voortzetting van de lopende ontwikkelingen en verkenningen op het gebied van de warmtepompen; het betreft met name de continue-gasfase chemische warmtepomp, nieuwe stofparen voor de absorptiewarmtepomp en de hybride warmtepomp.
Artikel 27 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen: e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de nieuwheid van het project; g. de mate van aansluiting op lopende reeds eerder door Novem gesteunde onderzoeken en ontwikkelingen op het gebied van nieuwe energieconversie-technologieën; h. de inpasbaarheid van de voorgestelde combinaties in het lopende programma; i. de mate van bijdrage aan de synergie van de activiteiten op het gebied van de energieconversie-technologieën in Nederland;
Artikel 28 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma; d. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid en aansluiting op internationale ontwikkelingen; e. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; f. de mate waarin het project reproduceerbaar is en de mate waarin verwacht mag worden dat resultaten van het project -indien positief- tot verdere verbreiding van de techniek zullen leiden; g. de mate waarin bij praktijkexperimenten relevante kennisoverdracht mogelijk is.
Artikel 1 — 1 Implementatie#
1 Implementatie Dit onderdeel richt zich op het tijdig beschikbaar krijgen van voldoende locaties voor windparken door wegnemen van knelpunten bij de ontwikkeling en realisatie van windturbineprojecten. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn onderzoeks- of ontwikkelings- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op het wegnemen van knelpunten bij de ontwikkeling en realisatie van windparken. Projecten met een algemeen karakter dienen het bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak voor de implementatie van windturbines te versterken. Projecten met een specifiek karakter dienen wegens de aanpak en/of de op te lossen knelpunten nieuwe kennis op te leveren die ook van belang is voor andere windparken. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de verspreiding van deze kennis.
Artikel 2 — 2 Industriële ontwikkeling#
2 Industriële ontwikkeling Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van de prijs/prestatie-verhouding en verbetering van de plaatsbaarheid van windturbines. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings- en demonstratieprojecten die gericht zijn op het ontwikkelen van windturbines. Vervolgfasen van reeds door Novem ondersteunde projecten staan daarbij centraal. Het gaat daarbij om de: verbetering van de prijsprestatieverhouding; reductie van de geluidemissie; toename van de betrouwbaarheid; normontwikkeling op dit gebied; prototypes.
Artikel 3 — 3 Techniekontwikkeling#
3 Techniekontwikkeling Dit onderdeel is gericht op het scheppen van technisch wetenschappelijke randvoorwaarden voor een voortgaande industriële ontwikkeling. Het gaat met name om het ontwikkelen van algemeen beschikbare, concrete ontwerprichtlijnen of ontwerpgereedschappen ter verbetering van de kwaliteit van windturbines in Nederland. De ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij de behoeften op deze terreinen van Nederland. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op: het ontwerpen van efficiëntere rotoren; het verkrijgen van beter inzicht in de belasting en vermoeiing van materialen en constructies; vermindering van de geluidemissie; verbetering van conversiesystemen; de ontwikkeling van internationale normen en certificatiecriteria; verbetering van betrouwbaarheid en onderhoudbaarheid.
Artikel 32 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; g. de mate waarin samenwerking met anderen plaats vindt; h. de kostprijsverlaging van een voor het programma relevant product; i. de nieuwheid van het project; j. de mate waarin het project voorziet in kennisoverdracht van de te bereiken resultaten.
Artikel 1 — 1 Vergassing#
1 Vergassing Dit onderdeel richt zich op de thermische vergassing van afval en biomassa. Daaronder zijn tevens verwante technieken als pyrolyse en liquefactie begrepen. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor subsidie in aanmerking komen zijn: projecten die gericht zijn op onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot vergassing, zowel m.b.t. wervelbedvergassing als vastbedvergassing; projecten die gericht zijn op de haalbaarheid en ontwikkeling van pyrolyse- en/of liquefactie-processen; projecten die gericht zijn op de haalbaarheid van (semi-) commerciële vergassingsprojecten; praktijkexperimenten voor het verkrijgen van inzicht in de vergassingseigenschappen van diverse biomassavormen.
Artikel 2 — 2 Overige conversietechnieken#
2 Overige conversietechnieken Dit onderdeel richt zich op de omzetting van afval en biomassa in energie door middel van zowel thermische als biologische conversietechnieken (met uitzondering van vergassing, pyrolyse en liquefactie). De nadruk ligt hierbij op de thermische conversieprocessen. De conversie kan zowel betrekking hebben op afvalstoffen als op biomassa: huishoudelijk afval (of fracties daaruit), hout (vers hout, oud hout, resthout), bedrijfsafval, zuiveringsslib, agrarische residuen, mest, stro, bermgras, energiegewassen. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en markintroduktieprojecten gericht op: schone en efficiënte verbranding voor de toepassing van warmte of warmte/kracht; verhoging van het energetisch rendement van afvalverbrandingsinstallaties; het meeverbranden met fossiele brandstoffen (co-combustion) in elektriciteitscentrales of bij andere toepassingen; verhoging van de biogasopbrengst bij vergisting van afval en stortgaswinning.
Artikel 3 — 3 Beschikbaarheid van biomassa#
3 Beschikbaarheid van biomassa Dit onderdeel richt zich op het beschikbaar maken van verschillende vormen van biomassa voor de produktie van elektriciteit en/of warmte, zoals de teelt, de oogst, opslag en logistiek en de brandstofvoorbereiding van biomassa, gericht op de toepassing daarvan in Nederland. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroduktieprojecten gericht op: de teelt van energiegewassen, uitsluitend voor zover dit een geïntegreerd onderdeel uitmaakt van een project dat gericht is op het beschikbaar maken van biomassa voor de elektriciteits- en/of warmtevoorziening. Van een dergelijk project dienen de oogst, opslag en brandstofvoorbereiding in ieder geval deel uit te maken; het beschikbaar maken van residuen van agrarische, bosbouwkundige en industriële processen; voorbewerking die nodig is om van afval en/of biomassa een (hoogwaardige) brandstof te maken (inclusief oogst- en opslagtechnieken); de logistiek van biomassabrandstoffen; de bewerking van en/of handel in biomassabrandstoffen.
Artikel 36 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma; f. de nieuwheid van het project; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.