Vaststelling enige energieprogramma’s (tweede tranche) 1996
- BWB-id
- BWBR0008076
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 1996-12-21 t/m 2005-06-10
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0008076
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1996/vaststelling-enige-energieprogramma-s-tweede-tranche-1996
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1996/vaststelling-enige-energieprogramma-s-tweede-tranche-1996/1996-12-21
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0008076&g=1996-12-21
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0008076&z=2026-06-06&g=1996-12-21
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0008076/1996-12-21
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1996/vaststelling-enige-energieprogramma-s-tweede-tranche-1996
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 bijlagen 1 12 onder A Als programma’s als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s worden vastgesteld de programma’s, opgenomen in de bij deze regeling behorendetot en met,. 1996 105 05-06-1996 03-06-1996 WJA/JZ-96031826 1996 105 05-06-1996 03-06-1996 WJA/JZ-96031826 07-06-1996
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 bijlagen 1 12 Voor ieder van de in detot en metopgenomen programma’s zijn de bedragen beschikbaar, die zijn opgenomen in de desbetreffende bijlagen, onder B. 2 De in het eerste lid bedoelde bedragen zijn beschikbaar voor aanvragen die zijn ontvangen in de in de desbetreffende bijlagen onder C opgenomen periodes. 1996 105 05-06-1996 03-06-1996 WJA/JZ-96031826 1996 105 05-06-1996 03-06-1996 WJA/JZ-96031826 07-06-1996
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 1996 105 05-06-1996 03-06-1996 WJA/JZ-96031826 1996 105 05-06-1996 03-06-1996 WJA/JZ-96031826 07-06-1996
Artikel 1 — 1 Tender Glastuinbouw#
1 Tender Glastuinbouw Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden door Novem beoordeeld en gerangschikt. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programmaonderdeel. Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma’s is van toepassing. Dit onderdeel richt zich op de verbetering van de energie-efficiency in de gespecialiseerde produktieglastuinbouw door het bevorderen van energiebeheer, energiebesparende technische maatregelen én investeringen. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten (uitsluitend bij tuinders), demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten. In het kader van dit onderdeel worden met name projecten ondersteund die gericht zijn op een commerciële toepassing op korte termijn van technieken, systemen en/of maatregelen die een aanwijsbare verbetering van de energie-efficiency te zien geven. Het gaat hier ondermeer om projecten voor de gespecialiseerde produktieglastuinbouw met betrekking tot: 2 Dit onderdeel streeft door kennisontwikkeling en -toepassing naar een energiebewustere bedrijfsvoering én op een hogere penetratiegraad en energie-efficiënter gebruik van (bijna) financieel en technisch haalbare opties zoals restwarmte, centrale CO-voorziening, warmtekrachtinstallaties, buffers, rookgasbehandelingsapperatuur, condensors, isolatie, verbetering van verwarmingsnetten, (energie)schermen, klimaatregelingen, duurzame energie. Voor haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten geldt een subsidiepercentage van maximaal 60% van de projectkosten. In het kader van dit onderdeel kan voor ontwikkelings- en demonstratieprojecten en praktijkexperimenten maximaal f 100.000 per project en voor de overige projecten f 75.000 subsidie worden verleend. energieregistratie en bedrijfsvergelijking; ontwikkelen en uitvoeren van energiebesparingsplannen; energiezuinige teelwijzen (o.a. klimaatregelingen); warmte-opwekking en hergebruik van warmte; warmtedistributie en warmtebenutting; 2 CO-bemesting.
Artikel 2 — 2 Tender veehouderij#
2 Tender veehouderij Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden door Novem beoordeeld en gerangschikt. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programmaonderdeel. Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma’s is van toepassing. Dit onderdeel richt zich op de verbetering van de energie-efficiency en op energiezuinige maatregelen voor milieuproblemen in de veehouderij door het bevorderen van energiebeheer én energiebesparende technische maatregelen en investeringen. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten (uitsluitend bij veehouders), demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten. In het kader van dit onderdeel worden met name projecten ondersteund die gericht zijn op een commerciële toepassing op korte termijn van technieken die een significante verbetering van de energie-efficiency te zien geven. Het gaat hier ondermeer om projecten voor de veehouderij met betrekking tot: Dit onderdeel streeft door kennisontwikkeling en -toepassing naar een energiebewustere bedrijfsvoering en een hogere penetratiegraad van (bijna) economisch en technisch haalbare opties zoals natuurlijke ventilatie, geavanceerde klimaatregelingen, grondbuizen, isolatie, warmtewisselaars, mestverwerking, duurzame energie. Voor haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten geldt een subsidiepercentage van maximaal 60% van de projectkosten. In het kader van dit onderdeel kan voor ontwikkelings- en demonstratieprojecten en praktijkexperimenten maximaal f 75.000 per project en voor de overige projecten f 50.000 subsidie worden verleend. energieregistratie en bedrijfsvergelijking; ontwikkelen en uitvoeren van energiebesparingsplannen; ventilatie en koeling; verwarming; energiezuinige milieumaatregelen.
Artikel 3 — 3 Tender overige agrarische sectoren#
3 Tender overige agrarische sectoren Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden door Novem beoordeeld en gerangschikt. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programmaonderdeel. Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma’s is van toepassing. Dit onderdeel richt zich op de verbetering van de energie-efficiëntie in de overige agrarische sectoren door het bevorderen van energiebeheer en de toepassing van energiebesparende technische maatregelen en investeringen. De overige agrarische sectoren betreffen met name de bloembollenteelt, de paddestoelenteelt en ondernemingen in de agrarische sector (inclusief loonwerkers en veilingen) waar de mechanisatie en/of bewaring voor een belangrijk gedeelte het energiegebruik bepalen. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn in de bloembollensector en paddestoelensector haalbaarheidsprojecten, ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten (uitsluitend bij bloembollentelers en paddestoelenkwekers), demonstratie-, kennisoverdrachtprojecten. Voor de overige agrarische ondernemingen zijn de voornaamste soort projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen haalbaarheids-, demonstratie- en kennisoverdrachtsprojecten. In het kader van dit onderdeel worden met name projecten ondersteund die gericht zijn op een commerciële toepassing op korte termijn van technieken die een significante verbetering van de energie-efficiëntie te zien geven. Het gaat hier ondermeer om projecten voor de bloembollensector en paddestoelensector (inclusief zogenaamde tunnelbedrijven) en ondernemingen in de agrarische sector(inclusief loonwerkers en veilingen) waar mechanisatie en/of bewaring een belangrijk gedeelte het energiegebruik bepalen met betrekking tot: Dit onderdeel streeft door kennisontwikkeling en -toepassing naar een energiebewustere bedrijfsvoering en een hogere penetratiegraad en gebruik van (bijna) economisch en technisch haalbare opties zoals: energiebewuster ondernemerschap, werken met energiezuinigere trekker/werktuigcombinaties, natuurlijke ventilatie, koude/warmte opslag, zonne- en windenergie, grondbuizen, klimaatregelingen, HR/VR verwarmingsketels, warmtewisselaars, condensors, isolatie, verbeterde ligging van verwarmingsnetten, (energie)schermen, warmte/kracht. Voor haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten geldt een subsidiepercentage van maximaal 60% van de projectkosten. In het kader van dit onderdeel kan voor ontwikkelings- en demonstratieprojecten en praktijkexperimenten maximaal f 75.000 per project en voor de overige projecten f 50.000 subsidie worden verleend. energieregistratie en bedrijfsvergelijking; ontwikkelen en uitvoeren van energiebesparingsplannen; broeien; drogen, koelen/verwarmen, bewaren van produkten; verwarmen, koelen en/of stomen van kassen, schuren en/of cellen waarin produkten geteeld; mechanisatie.
Artikel 4 — 4 Glastuinbouw#
4 Glastuinbouw Dit onderdeel richt zich overeenkomstig de MJA op een energie-efficiency verbetering in de glastuinbouw van 50% in de periode tussen 1980 en 2000; tevens wordt gestreefd naar een energie-efficiency verbetering van 30% voor de periode tussen 1989 en 2000. Energiebesparing wordt vooral nagestreefd door een verbetering van de bewustwording van de noodzaak van én een draagvlak voor een energiezuinige bedrijfsvoering, de stimulering van het gebruik van energiebesparende maatregelen voor energie-efficiency- en rendementsverbetering, én op beperkte schaal onderzoek naar, ontwikkeling, demonstratie en marktintroductie van een verbeterd energiebeheer en nieuwe energiezuinige produktiesystemen, bedrijfsuitrusting en kassen met in achtneming van milieutechnische randvoorwaarden. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn gericht op: ontwikkeling, kennisoverdracht, demonstratie en marktintroductie ten behoeve van het oplossen van kennishiaten bij de toepassing van nu reeds economisch en technisch haalbare opties, zoals warmtekrachtinstallaties, buffers, rookgasbehandelingsinstallaties, condensors, ketelregeling, gebruik van verwarmingsnet, warmtebuffers; 2 ontwikkeling van, demonstratie van en praktijkexperimenten met duurzame energie, restwarmte, energiezuinige warmtekrachtinstallaties in combinatie met warmte-opslag en/of (centrale) CO-voorziening, rookgasbehandeling, klimaatregelsystemen; 2 2 haalbaarheid, onderzoek en ontwikkeling van nieuwe geavanceerde grensverleggende energiezuinige systemen voor energievoorziening, gebruik van warmte en COen vochtregulering voor specifieke toepassingen in de glastuinbouw. Het onderzoek dient zowel op de verbetering van de financiële als technische haalbaarheid gericht te zijn. Als opties komen binnen het toepassingsgebied van de glastuinbouw ondermeer restwarmte, CO-opslag, warmtepompen, energie-opslag in aquifers, stort- of biogas, zuinige assimilatie-belichting en energiezuinige rassen in aanmerking; haalbaarheid, onderzoek, ontwikkeling, praktijkexperimenten, demonstratie en kennisoverdracht van energie-efficiënte teeltsystemen en kasklimaatsystemen en -regelingen; ontwikkeling van voorlichtingsmateriaal en uitvoering van voorlichtingsacties op het gebied van energiebesparing.
Artikel 5 — 5 Veehouderij#
5 Veehouderij Dit onderdeel richt zich op een energie-efficiency verbetering van 26% tussen 1989 en 2000 en het beperken van de groei van het energiegebruik als gevolg van toepassing van een aantal nieuwe energie-intensieve milieutechnologieën, door middel van het bevorderen van de kennis en toepassing van energiebesparingstechnieken en energiezuinige processen voor mestbehandeling, bestrijding van ammoniakemissie en andere schadelijke emissies binnen de veehouderij. De veehouderij is ingedeeld in varkenshouderij, pluimveehouderij en rundveehouderij. Er wordt naar gestreefd om met de veehouderij meerjarenafspraken te maken. Primair staat het belang, dat de te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect hebben op energiegebruik met in achtneming van milieutechnische randvoorwaarden en daarmee bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelstelling. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn gericht op: ontwikkeling van, praktijkexperimenten met, kennisoverdracht en marktintroductie van nieuwe en innovatieve energiezuinige (natuurlijke) ventilatiesystemen en klimaatregelingen in de intensieve veehouderij; ontwikkeling van, praktijkexperimenten met, demonstratie en kennisoverdracht van energie-efficiënte verwarmingssystemen in de zeugen-, vleeskuiken- en kalverhouderij; ontwikkelen, beproeven en demonstreren van grotere toepassingsmogelijkheden van restwarmte die vrijkomt bij de koeling van melk; ontwikkelen van nieuwe energie-efficiëntere koelmethoden voor melk; ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal en uitvoeren van voorlichtingsacties op het gebied van energiebesparing; ontwikkelen, demonstreren en introduceren van energie-efficiënte (decentrale) mestverwerkingsconcepten en (brongerichte) technieken voor de reductie van ammoniak-emissie en andere schadelijke emissies: demonstreren en beproeven van duurzame energiebronnen (zoals zon, biogas, koude/warmte opslag) in de veehouderij.
Artikel 6 — 6 Overige agrarische sectoren#
6 Overige agrarische sectoren Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van de energie-efficiency met 26% tussen 1989 en 2000 en energie-zuinige oplossingen van milieugerelateerde problematieken binnen de overige agrarische sectoren. De overige agrarische sectoren betreffen met name de bloembollenteelt, paddestoelenteelt en ondernemingen in de agrarische sector (inclusief loonwerkers en veilingen) waar de mechanisatie en/of bewaring voor een belangrijk gedeelte het energiegebruik bepalen. Projecten komen voor ondersteuning in aanmerking indien ze behoren tot een van de bovengenoemde sectoren, significante energiebesparingsmogelijkheden hebben én indien er een directe relatie bestaat met een bestaande of in voorbereiding zijnde meerjarenafspraken. Primair staat het belang, dat te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect op het energiebeheer van de ondernemers, energiegebruik, energiebesparende investeringen en verbetering van het milieu hebben, en daarmee bijdragen aan het behalen van de bovengenoemde doelstelling. De voornaamste soorten projecten die in 1996 in de bloembollensector en paddestoelensector voor een subsidie in aanmerking zijn gericht op: Voor de overige ondernemingen in de agrarische sector komen de volgende projecten in 1996 voor subsidie in aanmerking gericht op: onderzoek naar, praktijkexperimenten met, haalbaarheid, ontwikkeling en demonstratie van én kennisoverdracht over energiebesparingsmogelijkheden bij: de teelt, preparatie, broeierij en bewaring van bloembollen en -knollen; de champignonteelt en de compostbereiding voor de champignonteelt; ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal en uitvoeren van voorlichtingsacties. de toepassing van duurzame energiebronnen (zoals zon, biogas, koude/warmte opslag). haalbaarheid van, demonstratie van én kennisoverdracht over energiebesparingsmogelijkheden bij: het gebruik van landbouwtrekkers, zelfrijdende machines, trekker/werktuigcombinaties; transport, droging, koeling en bewaring van onbewerkte tuinbouwprodukten; ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal en uitvoeren van voorlichtingsacties. toepassing van duurzame energiebronnen (zoals zon, biogas, koude/warmte opslag).
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; c. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; d. de bijdrage van het project aan de realisatie van de doelstellingen van een bestaande of in voorbereiding zijnde meerjarenafspraak; e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; f. de milieuverdienste van het project; g. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op bovengenoemde aspecten: Ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast de inschatting van de technisch en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts voor een subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. Ad b. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan: Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Ad c. De projectkosten bij demonstratie- en marktintroductieprojecten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). Ad d. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten. Ad e. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin het toepasbaar is in de markt en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende technologische toepassing aanwezig is. Ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek. Aan de doelstelling van de onderdelen 1, 2 en 3 kunnen met name bijdragen: Tevens zijn deze onderdelen bedoeld voor respectievelijk glastuinders, veehouders en overige agrarische ondernemers, echter uitsluitend indien zij met voornoemde doelgroepen of met instellingen voor praktijkgericht onderzoek een aanvraag indienen. Aan de doelstelling van onderdeel 4. kunnen met name bijdragen (intermediaire) bedrijven en organisaties binnen deze sector, zoals: Aan de doelstelling van onderdeel 5. kunnen met name bijdragen (intermediaire) bedrijven en organisaties binnen deze sector, zoals: Aan de doelstelling van onderdeel 6. kunnen met name bijdragen (intermediaire) bedrijven en organisaties binnen deze sectoren, zoals: het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; voorlichtingsinstellingen en particuliere adviesbureaus; innovatiecentra en instellingen voor praktijk- en cursusonderwijs; (regionale) branche- en vakorganisaties; projectbureaus en -groepen verenigingen voor bedrijfsontwikkeling (zogenaamde ’studieclubs’); ontwerp- en technische adviesbureaus; fabrikanten en toeleverende industrie; aannemers en installatiebedrijven. overkoepelende en regionale stands- en vakorganisaties en individuele bedrijven; instellingen voor (praktijkgericht) onderzoek, voorlichting en onderwijs; installateurs, kassenbouwers, leveranciers en fabrikanten van bedrijfsuitrusting en kassen, alsmede van onderdelen; adviesbureau’s. overkoepelende en regionale stands- en vakorganisaties en individuele bedrijven; instellingen voor (praktijkgericht) onderzoek, voorlichting en onderwijs; installateurs, stallenbouwers, leveranciers en fabrikanten van trekkers, werktuigen, bedrijfsuitrusting en stallen, alsmede van onderdelen; adviesbureau’s. overkoepelende en regionale stands- en vakorganisaties en individuele bedrijven; instellingen voor (praktijkgericht) onderzoek, voorlichting en onderwijs; installateurs, kassen-, schuren-, werkplaats- en bewaarplaatsbouwers, leveranciers en fabrikanten van trekkers, werktuigen, bedrijfsuitrusting, bewaarplaatsen, werkplaatsen kassen en stallen, alsmede van onderdelen; adviesbureau’s.
Artikel 1 — 1 Vergassing e.d.#
1 Vergassing e.d. Dit onderdeel richt zich op de thermische vergassing van afval en biomassa. Daaronder zijn tevens verwante technieken als pyrolyse, liquefactie en carbonisatie begrepen. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor subsidie in aanmerking komen zijn: projecten die gericht zijn op de ontwikkeling van de vergassingstechno-logie; projecten die gericht zijn op de haalbaarheid en demonstratie van (semi-)commerciële vergassingsprojecten; projecten die gericht zijn op de optimalisatie van de toepassing van vergassingsgas; projecten die gericht zijn op de ontwikkeling en haalbaarheid van pyrolyse-, liquefactie- en/of carbonisatieprocessen; projecten die gericht zijn op onderzoek naar het gedrag van diverse biomassasoorten bij variabele procescondities.
Artikel 2 — 2 Verbranding, vergisting e.d.#
2 Verbranding, vergisting e.d. Dit onderdeel richt zich op de omzetting van afval en biomassa in energie door middel van zowel thermische als biologische conversietechnieken (met uitzondering van vergassing, pyrolyse, liquefactie en carbonisatie). De nadruk ligt hierbij op de thermische conversieprocessen. De conversie kan zowel betrekking hebben op afvalstoffen als op biomassa: huishoudelijk afval (of fracties daaruit), hout (vers hout, oud hout, resthout), bedrijfsafval, zuiveringsslib, agrarische residuen, mest, stro, bermgras, energiegewassen. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: Haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en markintroduktieprojecten gericht op: Daarnaast komen in beperkte mate in Nederland uit te voeren haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten voor subsidie in aanmerking die zijn gericht op de implementatie van Nederlandse technologie en know how op het gebied van afvalverbranding, co-combustion, vergisting en stortgaswinning in het buitenland. schone en efficiënte verbranding voor de toepassing van warmte of warmtekracht; verhoging van de energiewinning bij afvalverbrandingsinstallaties; het meeverbranden met fossiele brandstoffen (co-combustion) in electriciteitscentrales of bij andere toepassingen, m.n. waar het schone biomassa (geen afval) betreft; vergisting van (natte) bedrijfsafval-stromen;
Artikel 3 — 3 Beschikbaarheid van biomassa#
3 Beschikbaarheid van biomassa Dit onderdeel richt zich op de realisatie van langjarige voorzieningszekerheid voor allerlei energie-opwekkingssystemen op basis van biomassa, zoals karakterisering, bewerking, import, teelt, logistiek en marktwerking van biomassabrandstoffen De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: Haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroduktieprojecten gericht op: de bepaling van de aard en de hoeveelheden van biomassabrandstoffen; het beschikbaar maken van residuen van agrarische, bosbouwkundige en industriële processen; bewerking van afval en/of biomassa tot een (hoogwaardige) brandstof; de logistiek van biomassabrandstoffen; de import van biomassabrandstoffen; versterking van de marktwerking op het gebied van biomassabrandstoffen.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma; f. de nieuwheid van het project; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: Gelet op samenhang tussen bepaalde emissies en het energiegebruik, geldt met name voor marktintroductieprojecten dat zij een voldoende hoog energetisch rendement dienen te hebben. De voorkeur wordt gegeven aan marktintroductieprojecten met hoogrendementsprocessen, waaronder warmte/krachtsystemen. ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden. 2 2 ad e. Met name bij demonstratie- en marktintroductieprojecten worden de projectkosten getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ) en per hoeveelheid vermeden CO-emissie (gulden/ton CO). ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan: Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten. ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin het toepasbaar is in de markt en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende technologische toepassing aanwezig is. ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek. ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bedrijven en instellingen bijdragen, die initiatieven wensen te nemen om afval en/of biomassa te benutten voor energie-opwekking en/of daarvoor beschikbaar te maken. Hierbij gaat het vooral om industriële bedrijven, nutsbedrijven, gemeentelijke instellingen en samenwerkingsverbanden, afvalverwerkende bedrijven, landbouwcoöperaties, bosbouwgroepen e.d.. Voor technologie-ontwikkeling richt het programma zich vooral op industriële bedrijven, onderzoeksinstituten en instellingen voor hoger of wetenschappelijk onderwijs. 2 de mate waarin CO-emissie wordt vermeden(ton/jaar); de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking; de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffekten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden. het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; (vergaande) procesintegratie.
Artikel _1 — Onderdeel 1#
Onderdeel 1 De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn: De subsidie per haalbaarheidsproject zal maximaal 40% van de projectkosten bedragen. haalbaarheidsprojecten gericht op de toepassing van energie-opslag bij gebouwklimaatbeheersing en proceskoeling.
Artikel _2 — Onderdeel 2#
Onderdeel 2 De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: onderzoeksprojecten gericht op het meten van de werkelijk gerealiseerde energiebesparing en de optredende milieu-effecten.
Artikel _3 — Onderdeel 3#
Onderdeel 3 De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: onderzoeksprojecten gericht op de evaluatie van de ervaringen bij exploitatie van reeds gerealiseerde projecten; praktijkexperimenten gericht op doelmatige aanpassingen bij reeds gerealiseerde projecten.
Artikel _4 — Overige beoordelingscriteria#
Overige beoordelingscriteria De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de projectkosten in relatie tot het totaal beschikbare budget en de relevantie van het project met betrekking tot de realisatie van de doelstelling van het programma; e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; f. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
Artikel _5 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: Ad a. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een haalbaarheidsproject zal met name bezien worden in hoeverre te verwachten valt dat een positief resultaat van de haalbaarheidsstudie leidt tot realisatie van het desbetreffend project. Ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: Ad e. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen: adviesbureaus en architectenbureaus, (toekomstige) eigenaren en exploitanten van utiliteitsgebouwen en industrieën en energiedistributiebedrijven. maatregelen die worden genomen ter beperking van emissies; mate van produktie of beperking van reststoffen; verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere.
Artikel 1 — 1 Implementatie korte termijn#
1 Implementatie korte termijn Dit onderdeel richt zich op het scheppen van voorwaarden om de gewenste plaatsing van windturbines te kunnen realiseren. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsstudies, onderzoeks- of ontwikkelings- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op het wegnemen van bestuurlijke en planologische knelpunten, op het versterken van het maatschappelijke en lokale draagvlak en op het wegnemen van algemene knelpunten bij de ontwikkeling en realisatie van locaties en windparken.
Artikel 2 — 2 Implementatie lange termijn#
2 Implementatie lange termijn Dit onderdeel richt zich op het scheppen van voorwaarden om na het jaar 2000 de toepassing van windenergie verder te kunnen vergroten. De voornaamste soorten projecten die in 1996 in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op: het aantonen van de haalbaarheid van (semi) offshore projecten; het aantonen van de haalbaarheid van andere niet-traditionele locaties.
Artikel 3 — 3 Industriële ontwikkeling#
3 Industriële ontwikkeling Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van de prijs-prestatieverhouding en verbetering van de plaatsbaarheid van windturbines. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten die gericht zijn op het ontwikkelen van windturbines en rotoren. Naast vervolgfasen van reeds door Novem ondersteunde ontwikkelingen staat de toepassing van innovatieve concepten centraal. Het gaat daarbij om de: verbetering van de prijs-prestatieverhouding; reductie van de geluidemissie; toename van de betrouwbaarheid; verbetering van de aansluiting op de marktvraag.
Artikel 4 — 4 Techniekontwikkeling#
4 Techniekontwikkeling Dit onderdeel is gericht op het ontwikkelen en toepasbaar maken van technisch-wetenschappelijke kennis voor het verbeteren van de prijs-prestatieverhouding van Nederlandse windturbines. Het gaat met name om het vertalen van de technologische kennis naar toepassingen door pre-competitief onderzoek en ontwikkeling. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op: het ontwerpen van efficiëntere rotoren; ontwikkeling en ondersteunende computercodes; vermindering van de aërodynamische geluidemissie; verbetering van conversiesystemen; verbetering van betrouwbaarheid en onderhoudbaarheid; de ontwikkeling van internationale normen en certificatiecriteria.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; g. de mate waarin samenwerking met anderen plaatsvindt; h. de kostprijsverlaging van een voor het programma relevant produkt; i. de nieuwheid van het project; j. de mate waarin het project voorziet in kennisoverdracht van de te bereiken resultaten.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op bovengenoemde aspecten: ad a. Indien de slaagkans van een project te gering wordt geacht, zal het verlenen van subsidie niet aan de orde zijn. Bij het vaststellen van de slaagkans van een project wordt rekening gehouden met de technische en financieel-economische haalbaarheid en met factoren van planologische en bestuurlijke aard. ad d. Industriële ontwikkelingsprojecten dienen deel uit te maken van een ontwikkelingsplan van de betreffende onderneming. Projecten gericht op de techniekontwikkeling worden getoetst aan de in het ontwikkelingsplan van de betreffende aanvrager aangegeven innovatietraject(en). ad f. De verwachte projectresultaten zullen zoveel mogelijk vooraf getoetst worden aan de behoeften van de beoogde gebruikers. ad g. Projecten ingediend en/of uit te voeren door samenwerkingsverbanden van partijen waarvoor het programma bestemd is genieten voorkeur. ad j. Bij projecten in het kader van de onderdelen 1, 3 en 4 moet kennisoverdracht deel uitmaken van het project. Aan de doelstellingen van het programma-onderdeel implementatie kunnen met name gemeenten, provincies, projectontwikkelaars, verenigingen en coöperaties van windturbine-exploitanten, het Landelijk Bureau Windenergie (LBW) en de deelnemers aan het Regionaal windenergieoverleg in de windrijke provincies bijdragen. Het onderdeel implementatie lange termijn richt zich met name op de energiebedrijven en overheden. Voor het onderdeel industriële ontwikkeling richt het programma zich op in Nederland gevestigde ondernemingen in de windturbinesector met een substantieel aandeel in de markt en aantoonbaar uitzicht op uitbreiding hiervan. Het onderdeel techniekontwikkeling richt zich behalve op deze ondernemingen, ook op ingenieurs- en adviesbureaus en instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van een voor het programma relevante techniek; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan: Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten. ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de betreffende MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten. ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt. ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger scoren dan een referentietechniek. ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden. Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden en organisaties binnen deze sectoren en voorts: 2 de mate waarin CO-emissie wordt vermeden (ton/jaar); de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking; de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden. het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; (vergaande) procesintegratie. instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs; leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen; adviesbureaus.
Artikel 1 — 1 Chemische industrie#
1 Chemische industrie Dit onderdeel richt zich op de chemische industrie. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, kennisoverdrachtprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten gericht op: verlaging van het totale energieverbruik van een fabriek; vernieuwing en verbetering van processen; verbetering van scheidingsbewerkingen, zoals destillatie, membranen en smeltkristallisatie. verbetering van apparaten, zoals reactoren en procesfornuizen; verbetering van warmtewisselende apparatuur en introductie van nieuwe typen warmtewisselaars, bijvoorbeeld compacte warmtewisselaars.
Artikel 2 — 2 Aardolie-industrie en olie- en gaswinning#
2 Aardolie-industrie en olie- en gaswinning Dit onderdeel richt zich op raffinaderijen, cokesfabrieken en olie- en gaswinning. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, kennisoverdrachtsprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten gericht op: verlagen van het totale energiegebruik van de fabriek resp. installatie; verbetering van processen; verbetering van scheidingsbewerkingen zoals destillatie en membranen; verbetering van apparaten, zoals compressoren, reactoren en procesfornuizen; verbetering van warmtewisselende apparatuur en introductie van geavanceerde nieuwe typen warmtewisselaars.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante infor-matie die met het project aan bestaande kennis wordt toegevoegd; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economi-sche haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in het onderhavige programma verstaan: Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten. ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Voor de energieverdienste worden de projectkosten beoordeeld in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). ad f. Projecten worden mede beoordeeld op de bijdrage die ze leveren aan de realisering van doelstelling van de meerjarenafspraak in de betreffende deelsector. ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt. ad h. Projecten die gedragen worden door een samenwerkingsverband waarin eindgebruikers deelnemen, verdienen voorkeur. Ook wordt positief beoordeeld de mate waarin de aanvrager deel wil nemen aan kennisoverdrachtactiviteiten, zoals het schrijven van artikelen, deelnemen aan symposia of openstellen van technologie voor derden. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven in de hiervoor genoemde bedrijfstakken. Tevens richt het programma zich op bedrijven of organisaties die invloed kunnen uitoefenen op het toekomstige energieverbruik in de hiervoor genoemde bedrijfstakken, zoals universiteiten, onderzoeksinstellingen, ingenieursbureaus en de apparatenindustrie. het toepassen van nieuwe, danwel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; vergaande procesintegratie.
Artikel 1 — 1 De sectorale benadering#
1 De sectorale benadering Dit programma-onderdeel is gericht op de ijzergieterijen, de oppervlaktebehandelende industrie, de metaalelectro-sector, de loonkoel- en vrieshuizen, de industriële natwasserijen en strijkinrichtingen, de tapijtindustrie, alsmede industriële bedrijven niet behorende tot een branche waarmee een MJA is afgesloten danwel wordt afgesloten met een jaarlijks energiegebruik van minimaal 0,1 PJ. Via meerjarenafspraken en de Intentieverklaring uitvoering milieubeleid metaal- en elektrotechnische industrie worden met deze bedrijfstakken of individuele bedrijven afspraken gemaakt over de wijze waarop de betreffende bedrijfstakken of individuele bedrijven zullen bijdragen aan de bovengenoemde doelstelling. Dit onderdeel beoogt in de bedrijfstakken of individuele bedrijven waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt of nog zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren. De soorten projecten die in 1996 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die binnen bovengenoemde bedrijfstakken of individuele bedrijven gericht zijn op: het opstellen van meerjarenplannen en monitoringsystematieken; het verbeteren van de energiehuishouding in bedrijven, zoals integraal energiebeheer, procesintegratie en procesregelingen; het ontwikkelen van energiebesparingstechnieken; het verbeteren of vernieuwen van branchespecifieke procestechnologie gericht op de verbetering van de energie-efficiency.
Artikel 2 — 2 De benadering via de nutssector#
2 De benadering via de nutssector Dit programma-onderdeel is gericht op de Energiedistributiebedrijven (EDB’s) ten behoeve van het realiseren van hun doelstellingen zoals vermeld in het Milieu Actie Plan II (MAP II) gericht op industriële klanten. Met de EDB’s worden plannen van aanpak gedefinieerd om de industriële bedrijven in de desbetreffende verzorgingsgebieden systematisch te benaderen voor het verbeteren van de energie-efficiency. De soorten projecten die in 1996 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die gericht zijn op: het opstellen van plannen van aanpak voor provinciale of (inter)regionale verzorgingsgebieden; het uitvoeren van pilotprojecten in samenwerking met sectoren.
Artikel 3 — 3 Ondersteunende Activiteiten#
3 Ondersteunende Activiteiten Dit programmaonderdeel is gericht op de ontwikkeling van energiediensten. Onder energiediensten wordt in dit kader verstaan: het vanuit de EDB’s aan industriële klanten leveren van andere energievormen dan gas en elektriciteit en het leveren van diensten die energie-efficiency bij deze klanten verhoogt. De soorten projecten die in 1996 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die gericht zijn op: het opstellen van plannen die energielevering in de vorm van warmte, koude, mechanisch vermogen of perslucht gedeeltelijk ter vervanging van gas- of electriciteitslevering mogelijk maken; het ontwikkelen van vormen van dienstverlening die een energie-efficiency verbetering bij industriële klanten stimuleert.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de nieuwheid en de oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de bijdrage van het project aan de realisatie van de meerjarenafspraken; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan: Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelings- en demonstratieprojecten. ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de betreffende MJA (indien aanwezig) en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten. ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt. ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investeringen- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek. ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van een installatie voor het bezoek van derden. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen: de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies; de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden. het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; (vergaande) procesintegratie. organisaties en bedrijven binnen bovengenoemde bedrijfstakken; energiedistributiebedrijven; overkoepelende branche-organisaties en individuele bedrijven; instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs; leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen; adviesbureau’s.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd: e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de bijdrage van het project aan de realisatie van de meerjarenafspraken; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen, indien de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan: Het betreft hier voor Nederland in meer of minder mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten. ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). ad f. Projecten worden mede beoordeeld op de bijdrage die ze leveren aan de realisering van de doelstelling van de meerjarenafspraak in de betreffende deelsector. ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt. ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek. ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven behorende tot de papier- en kartonindustrie, de textielindustrie, de grafische industrie, de basismetaalindustrie, de papierverwerkende industrie, de kunststofverwerkende industrie en de rubberverwerkende industrie, waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden gemaakt, en voorts organisaties binnen deze bedrijfstakken of organisaties gericht op deze bedrijfstakken zoals: de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies; de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden. het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; (vergaande) procesintegratie. branche- en sectororganisaties; instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs; leveranciers en fabrikanten van produktieapparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen; adviesbureau’s.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan: Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten. ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). De milieuverdienste wordt kwalitatief beoordeeld. ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende deelsector aan de resultaten. ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt. ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek. ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een work-shop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden. Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren in de voedings- en genotmiddelenindustrie waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden, organisaties binnen deze sectoren en voorts: de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking; de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden. het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; (vergaande) procesintegratie. instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs; leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen; adviesbureau’s.
Artikel 1 — 1 Verkenningen#
1 Verkenningen De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten gericht op het onderkennen en/of verduidelijken van mogelijk relevante nieuwe energieconversie-technologieën, nieuwe combinaties en systemen en het geven van de onderbouwing voor een beslissing tot het starten van een ontwikkeling.
Artikel 2 — 2 Verbranding#
2 Verbranding Dit onderdeel richt zich op het bereiken van hogere rendementen en zo mogelijk lagere emissies bij verbranding met betrekking tot verbeterde en/of nieuwe verbrandingstechnologieën. Het gaat daarbij vooral om gasconversie, zoals aardgas, biogas, laag-calorisch gas en waterstof. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks-, en ontwikkelingsprojecten en daarop aansluitende praktijkexperimenten en tevens demonstratieprojecten gericht op: voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van verbetering van materialen voor keramische branders en ontwikkeling van verbrandingskatalysatoren; benutting van de mogelijkheden voor verbetering van de verbranding door voor- en/of nageschakelde gasbewerking gecombineerd met een (aangepaste) brander aansluitend bij lopende door Novem ondersteunde ontwikkelingen: voortzetting lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek naar modellering van stroming, verbranding en emissies bij keramische branders en van vlamstabilisatie; voortzetting van lopende ontwikkelingen van stralingsbranders voor toepassing in de apparaten die in het programma in onderzoek of ontwikkeling zijn, danwel een energiebesparing van apparaten bewerkstelligen; voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de beheersing van de geluidsproduktie door branders in apparaten; voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteunde ontwikkeling en toepassing van de vortex-brander.
Artikel 3 — 3 Nieuwe Combinaties#
3 Nieuwe Combinaties Dit onderdeel richt zicht op het identificeren en ontwikkelen tot aan marktintroductie van nieuwe en verbeterde combinaties van energieconversiesystemen waardoor een hoger rendement en zo mogelijk lagere emissies bereikt kunnen worden. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op: de bepalende randvoorwaarden met gevoeligheidsanalyse voor een combinatie van brandstofcellen en gasturbine welke aansluit bij dit programma en bij het programma ’Brandstofcellen’; componenten voor optimalisatie van energieconversiesystemen die functioneren met een (variërend) mengsel van verschillende gassoorten; kansrijke, nieuwe combinaties van nieuwe of verbeterde conversietechnologieën, die uitzicht bieden op een hoger conversierendement met een goed perspectief op commerciële toepassing.
Artikel 4 — 4 Warmte en/of Kracht#
4 Warmte en/of Kracht Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van rendement en milieukarakteristieken van conversie-technologieën die de gewenste warmte (koude) en/of kracht genereren. De twee belangrijkste technologieën zijn gasturbines en warmtepompen. De voornaamste soorten projecten die in 1996 voor subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op: voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de Heron-turbine met name gericht op het toepassen van chemische recuperatie, verbetering van de brander en vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie; voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de OPRA-turbine met name gericht op het vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie en van verbeteringen door onder andere een verbeterde lagering; voortzetting van de lopende ontwikkelingen en verkenningen op het gebied van de warmtepompen, het betreft met name de continue-gasfase chemische warmtepomp, nieuwe stofparen voor de absorptiewarmtepomp en de hybride warmtepomp.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de energie- en milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de nieuwheid van het project; g. de mate van aansluiting op lopende reeds eerder door Novem gesteunde onderzoeken en ontwikkelingen op het gebied van nieuwe energieconversie-technologieën; h. de inpasbaarheid van de voorgestelde combinaties in het lopende programma; i. de mate van bijdrage aan de synergie van de activiteiten op het gebied van de energieconversie-technologieën in Nederland; j. de mate van betrokkenheid van de Nederlandse industrie bij het project, met name met betrekking tot de invulling van het commercialiseringstraject.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Praktijkexperimenten en demonstratieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste in termen van brandstofbesparing en vermindering van schadelijke emissies. ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan: ad j. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden ondernomen door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoeksinstellingen en bedrijven gespecialiseerd in de ontwikkeling van betreffende technieken. Er dient sprake te zijn van voor Nederland in voldoende mate grensverleggende toepassingen; dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen instellingen voor onderzoek/ontwikkeling en wetenschappelijk onderwijs, industriële ontwikkelaars en fabrikanten van componenten, apparaten en systemen, advies- en ingenieursbureau’s en potentiële investeerders in en exploitanten van systemen voor energieproduktie. 2 de mate waarin CO-emissie wordt vermeden; de mate waarin het project bijdraagt aan de verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies. het toepassen van nieuwe danwel vernieuwende technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën; nieuwe combinaties van bestaande technologieën die tot een hoger rendement en zo mogelijk geringere emissie leiden.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de projectkosten in relatie tot het totaal beschikbare budget en in relatie tot de bijdrage van het project aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de bestaande en toekomstige markt; f. de nieuwheid van het project; g. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatie traject; h. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: Ad a. Projecten komen alleen voor subsidie in aanmerking als aannemelijk kan worden gemaakt dat de resultaten op een rendabele wijze zullen kunnen bijdragen aan de realisatie van een duurzame samenleving op termijn. Ad b. Bij de beoordeling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met de milieu-effecten als gevolg van grondstofverbruik, fabricagemethoden, ontmanteling en afvalverwerking. Ad e. Projecten worden mede beoordeeld op basis van inzicht in de mogelijkheden met betrekking tot de uiteindelijke marktimplementatie. Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen adviesbureau’s, (toekomstige) eigenaren en exploitanten van woningbouwcomplexen en utiliteitsgebouwen, energiedistributiebedrijven en instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.
Artikel _1 — Overige beoordelingsaspecten#
Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de slaagkans van het project; b. de milieuverdienste van het project; c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen; d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen; e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma; f. de nieuwheid van het project; g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken; i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
Artikel _2 — Toelichting#
Toelichting Toelichting op de bovengenoemde aspecten: ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids-, onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden. ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan: Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten. ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of produkt. ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek. ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden. Aan de doelstelling van het prorgamma kunnen met name bijdragen: de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies; de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden. het toepassen van nieuwe danwel vernieuwde technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën. individuele bedrijven; instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs; leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen; adviesbureau’s.