Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds
- BWB-id
- BWBR0008325
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 1998-11-19 t/m 2006-04-13
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0008325
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1997/regeling-meet-en-rekenregels-verdeelmaatstaven-gemeentefonds
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1997/regeling-meet-en-rekenregels-verdeelmaatstaven-gemeentefonds/1998-11-19
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0008325&g=1998-11-19
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0008325&z=2026-06-06&g=1998-11-19
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0008325/1998-11-19
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1997/regeling-meet-en-rekenregels-verdeelmaatstaven-gemeentefonds
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In deze regeling wordt verstaan onder a. de ministers: de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Financiën; b. de invoeringswet: Invoeringswet Financiële-verhoudingswet de; c. een maatstaf: een verdeelmaatstaf als bedoeld in bijlage 2 bij de invoeringswet; d. het CBS: het Centraal bureau voor de statistiek. 2 In deze regeling wordt mede verstaan onder wijziging van de gemeentelijke indeling: een grenscorrectie. 3 Indien in deze regeling een maatstaf is aangeduid met een omschrijving, wordt hiermee gedoeld op de maatstaf zoals die met een overeenkomstige beschrijving is opgenomen in bijlage 4 bij de invoeringswet. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Voor de maatstaven waarvoor het CBS de bron is wordt het telsysteem van het CBS gehanteerd. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a De landen van herkomst bedoeld in maatstaf 11 zijn: Afghanistan, Angola, Bosnië-Herzegovina, Irak, Iran, Servië + Montenegro, Sri Lanka, Somalië en Zaïre. 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 19-11-1998 01-01-1997
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikelen 17 18 De in deenvan de invoeringswet bedoelde afstand tussen twee kernen is de hemelsbreed gemeten afstand tussen de adressenzwaartepunten van die kernen in kilometers. 2 De coördinaten van een adressenzwaartepunt worden bepaald door het gewogen gemiddelde te bepalen van de coördinaten van de middelpunten van de rastervierkanten die de kern vormen. De weging geschiedt op basis van het aantal adressen per rastervierkant. 3 artikel 17 Een aaneengesloten gebied als bedoeld invan de invoeringswet wordt gevormd door rastervierkanten die met zijden aan elkaar grenzen. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 De grens tussen land en buitenwater wordt bepaald door de lijn van gemiddeld hoogwater zoals aangegeven op de recente topografische kaart 1: 10.000, grijsdruk, uitgegeven door de Topografische Dienst Nederland. 2 Pieren/strekdammen en havenhoofden die aan het land grenzen worden als land beschouwd, indien zij op de topografische kaarten zijn aangegeven. 3 Pieren/strekdammen en havenhoofden die niet aan het land grenzen worden als land beschouwd indien zij bij gemiddeld hoog water 0,1 hectaren of meer beslaan. 4 De peilerdam in de Oosterschelde wordt als land beschouwd. 5 Volledig door pieren/strekdammen afgescheiden buitenwater wordt beschouwd als binnenwater. 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 19-11-1998 01-01-1997
Artikel 3b — Artikel 3b#
Artikel 3b De grens tussen binnen- en buitenwater bij vrij in zee uitmondende rivieren zonder pieren/strekdammen of havenhoofden wordt bepaald door een denkbeeldige lijn ter hoogte van de hoogwaterlijn langs de kust. Bij pieren/strekdammen of havenhoofden ligt de grens op de denkbeeldige lijn die wordt gevormd door de verbinding van de uiteinden van de pieren/strekdammen of havenhoofden. 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 19-11-1998 01-01-1997
Artikel 3c — Artikel 3c#
Artikel 3c 1 Het water van natuurlijke inhammen wordt als binnenwater beschouwd, indien er een economische functie is ten behoeve van het achterland. De Slufter op Texel wordt als binnenwater beschouwd. 2 Het water van de kreken in kwelder en schorrengebieden wordt, indien deze breder zijn dan 20 meter, als buitenwater beschouwd. 3 Het water in natuurgebieden wordt, indien dit smaller is dan 20 meter, als land beschouwd. 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 19-11-1998 01-01-1997
Artikel 3d — Artikel 3d#
Artikel 3d Wet tot gemeentelijke indeling van de Waddenzee Voor de bepaling van de gemeentegrens van de gemeenten die grenzen aan de Eems en de Dollard wordt uitgegaan van de rijksgrens overeenkomstig de Nederlandse rechtsopvatting (Trb.1962, 54) en van de gemeentegrenzen op grond van de. 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 1998 220 17-11-1998 06-11-1998 FO98/U54656 19-11-1998 01-01-1997
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 2.3.1 van het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984 bijlage 1 Voor die gemeenten, waarvoor bij de inwerkingtreding van de invoeringswet een percentage als bedoeld ingold van 50 of meer, wordt een factor als bedoeld in de maatstaf slechte bodem vastgesteld. In overeenstemming met het voor het uitkeringsjaar 1996 geldende percentage wordt de factor vastgesteld zoals inbij deze regeling is aangegeven. 2 De ministers besluiten omtrent de vaststelling van een factor ten aanzien van een gemeente waarvan de grenzen zijn gewijzigd op of na de datum van inwerkingtreding van de invoeringswet en waarvan het grondgebied voor de wijziging deel uitmaakte van een gemeente ten aanzien waarvan een factor was vastgesteld. 3 De ministers besluiten omtrent de vaststelling van een factor op verzoek van een gemeente die aannemelijk maakt dat: a. indien voor de gemeente geen factor is vastgesteld, een factor zal worden vastgesteld; b. indien voor de gemeente reeds een factor is vastgesteld, de vast te stellen factor in een ander interval als bedoeld in de maatstaf slechte bodem valt, dan de vastgestelde factor. 4 Het aannemelijk maken van het verzoek door de gemeente geschiedt op basis van een door de gemeente te overleggen onderzoeksrapport van deskundigen. 5 Ten behoeve van een besluit omtrent de vaststelling van een factor wordt het aandeel bepaald van het grondgebied van de gemeente waarbij: a. in de ondergrond een aaneengesloten veen, veen-kleilaag of knikkleilaag voorkomt van 5 meter dikte of meer, waarvan de bovenkant binnen drie meter onder het maaiveld ligt; b. binnen 10 meter in de ondergrond een kleilaag voorkomt behorende tot de afzetting van Calais, welke dikker is dan 5 meter en voor meer dan 15% bestaat uit deeltjes kleiner dan 16 micrometer. 6 Indien het aandeel kleiner is dan 0,5 wordt voor de gemeente geen factor vastgesteld. In andere gevallen wordt voor de gemeente een factor vastgesteld ter grootte van het aandeel. 7 Het grondgebied van de gemeente wordt gevormd door het grondgebied bedoeld in de maatstaf land en binnenwater, vermeerderd, indien van toepassing, met het product, uitgedrukt in hectaren, dat de kustlijn en 300 meter oplevert. 8 Indien het onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een verzoek van de gemeente dan geldt de in het zesde lid bedoelde factor met ingang van het uitkeringsjaar volgende op het kalenderjaar waarin de gemeente verzoekt de factor vast te stellen. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Voor de gemiddelde hoogte in centimeters van de bebouwing in de bebouwde kommen als bedoeld in maatstaf 18, alsmede het grondoppervlak van de in de bebouwde kommen van de gemeente gelegen bebouwing als bedoeld in maatstaf 20, gelden de waarden zoals deze voor het uitkeringsjaar 1996 zijn of worden vastgesteld. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 5 De gemiddelde hoogte en het grondoppervlak zoals bedoeld inalsmede de daaraan ten grondslag liggende bebouwingsgegevens met betrekking tot de som van de oppervlakten van de bebouwde kommen in een gemeente en de som van de inhouden van de daarin gelegen bebouwing, worden vastgesteld met behulp van luchtfoto’s. 2 De gemiddelde hoogte van de bebouwing in de bebouwde kommen in een gemeente wordt berekend door de in het eerste lid bedoelde som van de inhouden te delen door de som van de oppervlakten van de bebouwde kommen. 3 De uitkomst wordt afgerond op een geheel aantal centimeters. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Na elke wijziging van de gemeentelijke indeling waarbij de datum van herindeling ligt na 1 januari 1996 en bij een periodieke actualisatie van de bebouwingsgegevens wordt onderzocht of de bebouwingsgegevens van de desbetreffende gemeenten moeten worden herzien. 2 De gemeente kan binnen 6 maanden na bekendmaking van de uitkomst van het onderzoek bedoeld in het eerste lid schriftelijk bedenkingen indienen bij de ministers. 3 Het indienen van bedenkingen tegen een onderdeel van de bebouwingsgegevens kan tot een herziening van andere bebouwingsgegevens leiden. 4 Het onderzoek bedoeld in het eerste lid wordt verricht door deskundigen die door de ministers zijn aangewezen. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De indeling van een gemeente in bebouwde kommen vindt plaats uitgaande van de noordelijkste luchtfoto waarop bebouwing voorkomt. 2 De grens van een bebouwde kom wordt bepaald door een gesloten lijn langs de buitenkant van de bebouwing. 3 De grens van de bebouwde kom, die de gemeentegrens niet overschrijdt, verbindt vanaf het noordelijkste gebouw in rechtsomgaande richting gebouwen met een zo groot mogelijke onderlinge afstand, voor zover die niet groter is dan 200 meter, met een tweezijdige onnauwkeurigheidsmarge van 7½%. Open gebieden binnen de bebouwing behoren tot de bebouwde kom. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De oppervlakte van een bebouwde kom in een gemeente is de oppervlakte van het gebied gelegen binnen de grens van die bebouwde kom. 2 Een bebouwde kom waarvan de som van de inhouden van de in die kom gelegen gebouwen minder dan 25.000 m³ bedraagt wordt buiten beschouwing gelaten. 3 Voor het vaststellen van de grens van een bebouwde kom, alsmede voor het vaststellen van het grondoppervlak en de inhoud van de in een bebouwde kom gelegen bebouwing, blijven gebouwen met een inhoud kleiner dan 50 m³, alsmede tuinbouwkassen, stacaravans en woonboten buiten beschouwing. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Het grondoppervlak en de hoogte van een gebouw worden afgeleid uit stereofotogrammetrische driedimensionale coördinatenbepalingen. 2 Voor het grondoppervlak van een gebouw wordt uitgegaan van de dakranden. 3 De hoogte van een gebouw wordt gemeten vanaf de dakrand tot het maaiveld. 4 De hoogte van grote gebouwen en van gebouwen op een hellend maaiveld wordt tenminste op twee plaatsen gemeten. 5 Dakkapellen worden niet gemeten. 6 Erkers en andere aanbouwsels worden niet gemeten indien de inhoud minder dan 50 m³ bedraagt. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 10 Bij de opmeting van raffinaderijen en daarmee vergelijkbare complexen wordt onderscheid gemaakt tussen duidelijk herkenbare gebouwen die worden gemeten volgens de bepalingen inen het geheel van de buisleidingen en daarmee vergelijkbare gebouwde constructies, die langs de buitenkant worden afgegrensd en waarvoor een hoogte van drie meter wordt aangehouden. 2 De inhoud van overige industriële bebouwing met een sterk afwijkende vorm wordt benaderd aan de hand van fictieve blokken, die om de bebouwing kunnen worden geconstrueerd. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De inhoud van een gebouw wordt verkregen door het grondoppervlak daarvan te vermenigvuldigen met de gemiddelde hoogte daarvan. 2 Een gebouw met verschillende dakhoogteniveaus wordt, voor de inhoudsbepaling, gesplitst in twee of meer gebouwen. 3 Voor de inhoudsbepaling van gebouwen met een gebroken of niet vlakke dakconstructie wordt bij de hoogte 150 centimeter opgeteld. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 5 Als de inbedoelde bebouwingsgegevens zijn vastgesteld met behulp van luchtfoto’s die, gemeten naar verhouding van de oppervlakte van de bebouwde kommen, voor meer dan 50 procent in de eerste zes maanden, onderscheidenlijk de laatste zes maanden van enig jaar zijn gemaakt, is de peildatum bedoeld in maatstaf 20 1 januari van het desbetreffende jaar, onderscheidenlijk 1 januari van het volgende jaar. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De maatstaf woonruimten omvat woningen, wooneenheden, recreatiewoningen en de capaciteit van bijzondere woongebouwen. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 tweede lid van artikel 22 Van een aanmerkelijk verschil als bedoeld in hetvan de invoeringswet is sprake indien de afwijking ten opzichte van de eerdere vaststelling ten minste bedraagt: a. bij een oppervlakte van 50 hectaren of minder: 10 procent daarvan, of b. bij een oppervlakte van meer dan 50 hectaren: 5 hectaren, of c. bij een lengte van 10.000 meter of minder: 10 procent daarvan, of d. bij een lengte van meer dan 10.000 meter: 1000 meter. 2 eerste lid van artikel 22 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt voor een gemeente die vóór 1 oktober 1996 een onderbouwd verzoek tot herziening van de in hetvan de invoeringswet bedoelde waarden heeft ingediend bij de bepaling van het aanmerkelijk verschil uitgegaan van de eerste vaststelling van deze waarden. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Bij de hermeting van de omvang van de historische kern en de lengte van het historische water in en rondom de kern gelden de meetregels in de artikelen 17 t/m 23. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Voor de kern wordt afzonderlijk de omvang bepaald. Bij de hermeting van de omvang van de in bijlage 3 bij de invoeringswet aangeduide historische kernen worden gebruikt het oudste beschikbare kadastrale minuutplan, de desbetreffende bijbladen, alsmede een recente topografische kaart 1:10.000, grijsdruk, uitgegeven door de Topografische Dienst Nederland. 2 De meting resulteert in een op de topografische kaart vastgelegde begrenzing van de kern en voor zover nodig binnen die grens door middel van arcering aangegeven gebieden, welke voor de omvangbepaling buiten beschouwing blijven. 3 De omvang wordt uitgedrukt in hectaren en afgerond op hele hectaren. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Indien de bebouwing van de kern wordt gekenmerkt door een groter gebied met aaneengesloten bebouwing, met daarbuiten een of meer gebieden met een aaneengesloten bebouwing, dan wordt een laatst bedoeld gebied slechts dan tot de kern gerekend, indien het minder dan 80 meter van het eerst bedoelde gebied is verwijderd, van grens tot grens gemeten. 2 Op de topografische kaart wordt de historische kern afgebakend door het trekken van de contourlijn, welke de op het minuutplan zichtbare aaneengesloten bebouwing van de kern begrenst. 3 De contourlijn wordt daarbij zo mogelijk over voor- of achtergevelrooilijn getrokken. 4 Een achtergevelrooilijn is hierbij een zonodig denkbeeldige lijn welke de gemiddelde diepte van de hoofdgebouwen weergeeft. 5 Van de bebouwing gelegen aan wegen en wateren welke naar de kern leiden, wordt uitsluitend tot de kern gerekend die aaneengesloten bebouwing, welke zich aan beide zijden van die wegen of wateren bevindt. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Binnen de op de topografische kaart afgebakende historische kern worden landbouwgronden, stadsparken, overige groenvoorzieningen en delen van de kern waarvan de huidige structuur volgens de topografische kaart afwijkt van de toenmalige structuur volgens het kadastrale minuutplan, met arcering aangegeven, indien deze tenminste elk 0,80 hectare bedragen. 2 artikel 22 De gearceerde gebieden blijven bij het bepalen van de omvang als bedoeld invan de invoeringswet buiten beschouwing. 3 De grens van de arcering loopt langs de aangrenzende bebouwing van het qua structuur ongewijzigd gebleven gebied. 4 Op de regel uit het derde lid gelden de volgende uitzonderingen: a. pleinen en vergelijkbare open ruimten worden eventueel mee gearceerd in verhouding tot de arcering van de aangrenzende bebouwing; b. indien de structuur van een gebied, zijnde water aan twee zijden bebouwd, aan één zijde is gewijzigd, wordt gearceerd tot de dichtstbij gelegen oever van het te arceren gebied. 5 Onder structuurwijziging wordt verstaan: a. afbraak van de bebouwing; b. wijziging van de bouwgrenzen; c. demping van water, in samenhang met wijziging van aangrenzende bebouwing; d. wijziging van het stratenplan. 6 Niet als structuurwijziging wordt aangemerkt: a. vervanging van bebouwing zonder aantasting van bouwgrenzen of straten en grachtenplan en b. demping van water, zonder wijziging van de aangrenzende bebouwing of van het stratenplan. 7 Een gebied kleiner dan 0,40 hectare waarvan de structuur niet is gewijzigd doch dat gelegen is in een qua structuur gewijzigd gebied van tenminste 0,80 hectare wordt tot dat gebied gerekend en derhalve eveneens met arcering aangegeven. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Voor de toepassing van maatstaf 23 wordt verstaan onder: a. historische waterweg in de kern: de waterweg waarvan de huidige loop overeenkomt met de loop volgens het oudste beschikbare kadastrale minuutplan, voor zover deze waterweg ligt binnen de historische kern, niet zijnde een gearceerd gedeelte; b. historische waterweg rondom de kern: de waterweg waarvan de huidige loop overeenkomt met de loop volgens het oudste beschikbare kadastrale minuutplan, voorzover deze waterweg de kern geheel of grotendeels heeft omsloten en zich op een afstand van ten hoogste 1000 meter van de grens van de kern bevindt. 2 De lengte van de waterwegen in of rondom een historische kern wordt in gehele meters uitgedrukt en naar boven op een vijftigvoud afgerond. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 tweede lid van artikel 19 Bij de meting van het historisch water wordt gebruikt het oudste beschikbare kadastrale minuutplan, de desbetreffende bijbladen, alsmede een recente topografische kaart 1:10.000, grijsdruk, uitgegeven door de Topografische Dienst Nederland, op welke kaart de contourlijn is aangegeven zoals bedoeld in het. 2 De meting resulteert in het vaststellen van de lengte van één of meer op de topografische kaart aangegeven lijnen, die thans het nog aanwezige, nagenoeg ongewijzigd gebleven historisch water aanduiden. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 De lengte van het binnenwater wordt bepaald door alle oeverlengte(n) van binnen de contourlijn gelegen waterlopen waarvan de huidige loop nagenoeg overeenkomt met de loop van het oudste beschikbare kadastrale minuutplan. 2 Onderbrekingen van minder dan 50 meter worden geacht niet aanwezig te zijn. 3 De lengte van het binnenwater wordt benaderd door het trekken van een enkele lijn door het midden van de waterweg. 4 Deze lengte wordt vervolgens met de factor twee vermenigvuldigd. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Het buitenwater betreft het, op een afstand van maximaal 1000 meter buiten de contourlijn gelegen, de contourlijn grotendeels omsluitende water, voorzover dit nagenoeg ongewijzigd is gebleven in vergelijking met de situatie op het oudste beschikbare kadastrale minuutplan. 2 De lengte van het buitenwater wordt gemeten aan de hand van één of meer ingetekende enkele lijnen (op de topografische kaart) door het nog bestaande omsluitende water, welke lijn of lijnen het midden van de hoofdloop van het water volgen, doch waarbij de meetlijn nooit verder dan 50 meter vanuit de oever(s) aan de zijde van de contourlijn is. 3 Onderbrekingen van minder dan 50 meter worden geacht niet aanwezig te zijn. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 artikel 22 Een wijziging van de vaststelling, als bedoeld in, van de invoeringswet, gaat niet eerder in dan met ingang van het uitkeringsjaar volgende op het kalenderjaar waarin de gemeente het onderbouwde verzoek heeft ingediend bij het ministerie van Financiën. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 vierde lid van artikel 13 De redelijke schatting bedoeld in hetvan de invoeringswet vindt voor de maatstaven inkomenstrekkers met een laag inkomen, bijstandsontvangers, uitvoeringskosten bijstandsontvangers en uitkeringsontvangers plaats naar rato van het aantal inwoners en voor de maatstaf stadsvernieuwing naar rato van het aantal woonruimten. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 artikel 19 De redelijke benadering bedoeld in maatstaf 34 onder 2 houdt in dat de maatstaven waaruit de uitkeringen op de datum van wijziging van de gemeentelijke indeling zijn opgebouwd, worden toegerekend aan het overgaande gebiedsdeel naar rato van het aantal inwoners, de oppervlakte land en binnenwater en het aantal woonruimten. De maatstaven omvang historische kern, lengte historisch water, historisch aantal woningen in bewoonde oorden en historisch aantal woningen in historische kernen worden toegerekend op grond van de ligging op de kaart bedoeld invan de invoeringswet in relatie tot de nieuwe gemeentegrenzen. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven gemeentefonds. 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 1996 239 10-12-1996 14-11-1996 VFO93/4/U355 01-01-1997