IJkregeling vloeistofhoogtemeters
- BWB-id
- BWBR0009113
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2000-12-24 t/m 2007-01-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0009113
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/ijkregeling-vloeistofhoogtemeters
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/ijkregeling-vloeistofhoogtemeters/2000-12-24
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0009113&g=2000-12-24
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0009113&z=2026-06-06&g=2000-12-24
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0009113/2000-12-24
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/ijkregeling-vloeistofhoogtemeters
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: wet: IJkwet de; meetwaarde-opnemers: inrichtingen, die, al dan niet contact makend met de vloeistof, de te meten hoogte van de vloeistof opnemen; aanwijsinrichtingen: inrichtingen, die de gemeten hoogte van de vloeistof aanwijzen; vloeistofhoogtemeters: artikel 1, onder D, onder f, van het IJkreglement de meetwerktuigen, bedoeld in, voor zover deze zijn bestemd voor het meten van de hoogte van de vloeistofspiegel in meetreservoirs en die bestaan uit een meetwaarde-opnemer en ten minste één aanwijsinrichting; meetreservoirs: artikel 1 van de IJkregeling meetreservoirs de meetreservoirs, bedoeld invoor zover daarop een vloeistofhoogtemeter is bevestigd; onderzoek tot toelating van een model: artikel 11, tweede lid, van de wet het onderzoek, bedoeld in; keuring: artikel 10, eerste lid, van de wet de keuring, bedoeld in; herkeuring: artikel 11, vierde lid, van de wet de herhaalde keuring, bedoeld in; toezicht: artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek, bedoeld in; verklaring van toelating: artikel 11a, tweede lid, van de wet de verklaring, bedoeld in; ijkmerk: artikel 13, eerste lid, van de wet het ijkmerk, bedoeld in; zegelmerk: het eerste deel van het ijkmerk; verre-aanwijsinrichtingen: aanwijsinrichtingen, die gescheiden van het meetreservoir zijn opgesteld. 2000 249 22-12-2000 11-12-2000 WJZ00069711 2000 249 22-12-2000 11-12-2000 WJZ00069711 24-01-2000
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 In deze regeling wordt mede verstaan onder: aanwijzen: afdrukken; aanwijsinrichting: afdrukinrichting; aanwijzing: afdruk; afleeseenheid: afdrukeenheid. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 De bepalingen van deze regeling moeten wat betreft vloeistofhoogtemeters in acht worden genomen bij: a. het onderzoek tot toelating van een model; b. de keuring; c. de herkeuring; d. artikel 16, eerste lid, van de wet het onderzoek, bedoeld in; e. het toezicht. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a artikel 10, eerste lid, van de wet Met de vloeistofhoogtemeters die de in, bedoelde keuring hebben ondergaan, worden gelijkgesteld vloeistofhoogtemeters die in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht en die door een gelijkwaardige, door die andere staat erkende instantie zijn gekeurd, mits bij de keuringen aan gelijkwaardige eisen is voldaan. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn samengesteld, dat de onveranderlijkheid van de meting zowel door het materiaal, waaruit zij vervaardigd is, als door een goede bewerking voldoende is gewaarborgd. 2 De samenstelling moet tevens zekerheid bieden tegen verandering van de meeteigenschappen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn samengesteld, dat bij een verandering van: a. artikel 35 de volumieke massa van de vloeistof, waarvan de hoogte van de vloeistofspiegel wordt gemeten, wordt voldaan aan; b. artikel 29 de temperatuur van de vloeistofhoogtemeter en de voedingsspanning, indien de vloeistofhoogtemeter elektrisch wordt gevoed, wordt voldaan aan. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De bevestiging van een vloeistofhoogtemeter op een meetreservoir, waaraan die meter is toegevoegd, moet zodanig geschieden, dat de onveranderlijkheid van de meting is gewaarborgd. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Een vloeistofhoogtemeter moet een vaste positie ten opzichte van de wand van het meetreservoir innemen. 2 Indien daartoe aanleiding bestaat, moet de vloeistofhoogtemeter in de stand, bedoeld in het eerste lid, zodanig verzegeld kunnen worden, dat verplaatsing van de vloeistofhoogtemeter ten opzichte van het meetreservoir niet mogelijk is zonder het zegelmerk te beschadigen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Het meetreservoir moet voorzien zijn van een referentiepunt, dat een vaste positie ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter heeft en met behulp waarvan te allen tijde voldoende nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte kunnen worden uitgevoerd. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Bevestiging van een vloeistofhoogtemeter aan een tot het meetreservoir behorende geleidepijp voor de meetdraad, meetband of elektromagnetische golven is slechts toegestaan, indien die geleidepijp vast met de wand van het meetreservoir is verbonden en geen ondersteuning heeft die vast met het dak of met de bodem van het meetreservoir is verbonden. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Het mechanisme van een vloeistofhoogtemeter moet kunnen worden gecontroleerd door de bewegende delen van de vloeistofhoogtemeter te activeren, waardoor de meetwaarde-opnemer in beweging wordt gezet. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Signaalinrichtingen, mechanismen ter berekening van hoeveelheid of prijs, ter herhaling van eerdere aanwijzingen en dergelijke, die het gebruik van de vloeistofhoogtemeter vergemakkelijken, zijn toegelaten, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Een aanwijsinrichting mag gescheiden van de meetwaarde-opnemer zijn opgesteld, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Bij een vloeistofhoogtemeter kunnen meerdere verre-aanwijsinrichtingen behoren. 2 Een verre-aanwijsinrichting kan bij meerdere vloeistofhoogtemeters behoren, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De waarde van de afleeseenheid mag niet groter dan 1 mm zijn. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Bij een aanwijsinrichting met continue aanwijzing moet de onderlinge afstand tussen de verdeelstrepen ten minste 1 mm zijn. 2 Bij een aanwijsinrichting met discontinue aanwijzing moet de hoogte van de cijfers van de aanwijzingen ten minste 4 mm zijn. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Indien de meetwaarde-opnemer boven de vloeistofspiegel in een ruststand gebracht kan worden, moet de aanwijzing van de hoogte van de meetwaarde-opnemer op een zodanige wijze plaatsvinden, dat ondubbelzinnig vaststaat dat niet de werkelijke hoogte van de vloeistofspiegel wordt aangewezen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De aanwijsinrichting van een vloeistofhoogtemeter moet, indien zij ten gevolge van een storing in de voedingsspanning foutief zou kunnen aanwijzen, van een inrichting zijn voorzien, die bij een zodanige storing een duidelijke indicatie geeft dat de aanwijzing foutief is, hetzij door blokkering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal. 2 Verre-aanwijzing dient bij storing in de transmissie of in het instrument zelf niet tot stand te komen dan wel een duidelijke indicatie te bevatten, dat een dergelijke storing is opgetreden. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn opgesteld, dat de hoogten van alle niveaustanden in het meetreservoir die redelijkerwijs moeten kunnen worden gemeten, kunnen worden aangewezen. 2 Indien de maximale niveaustand in het meetreservoir hoger is dan de hoogst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd dat de aanwijzing foutief kan zijn. 3 Indien de minimale niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd, dat de aanwijzing foutief kan zijn of moet bij de aanwijzing een opschrift de minimumaanwijzing vermelden. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Indien bij een vloeistofhoogtemeter gegevens handmatig kunnen worden ingebracht, moet aan de presentatie van de parameter op de aanwijsinrichting worden toegevoegd het symbool ’H’ voor handinvoer of ’M’ voor manual input dan wel een tekst die duidelijk maakt dat het een handmatig ingevoerde parameter betreft. 2 Aan de presentatie van een waarde, welke wordt berekend met gebruikmaking van een handmatig ingevoerde parameter, moet op de aanwijsinrichting worden toegevoegd het symbool ’B’ voor berekend of ’C’ voor calculated dan wel een tekst die duidelijk maakt dat de waarde is berekend met gebruikmaking van een handmatig ingevoerde parameter. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 In de nabijheid van de aanwijzing moet een verklaring van de verschillende symbolen zijn aangebracht of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan deze verklaring kan komen. 2 Alle handmatig ingevoerde parameters welke nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen, moeten oproepbaar zijn. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 artikel 20 Indien een vloeistofhoogtemeter is voorzien van een afdrukinrichting, moeten in afwijking vanop het afdrukpapier zijn vermeld: a. een verklaring van de verschillende symbolen of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan een verklaring kan komen; b. alle handmatig ingevoerde parameters welke nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikelen 19 20 21 De,enzijn niet van toepassing, indien parameters, die niet afkomstig zijn van inrichtingen voor het opnemen, omvormen en aanbieden van meetcondities, welke niet op de aanwijsinrichting zijn aangesloten, en die bepalend zijn voor het resultaat van de door de aanwijsinrichting gepresenteerde grootheden, vast zijn ingesteld dan wel tegen veranderingen zijn beschermd met behulp van een verzegelingsinrichting. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Indien de gepresenteerde waarde berust op een historische meting, moet dit door middel van een symbool kenbaar worden gemaakt. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Indien de elementen van een aanwijsinrichting zijn bestemd voor het aanwijzen van de hoogte en voor het aanwijzen van andere grootheden of gegevens, mogen deze grootheden slechts na uitvoering van een bedieningshandeling aangewezen kunnen worden en moeten ze na ten hoogste 10 seconden weer worden vervangen door de aanwijzing van de hoogte. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Indien een aanwijsinrichting gemeenschappelijk functioneert voor meerdere vloeistofhoogtemeters en indien één of meer van die vloeistofhoogtemeters bestemd zijn voor metingen die niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt worden, moeten de meetresultaten van die metingen op zodanige wijze gekenmerkt zijn, dat duidelijk is dat deze resultaten niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt mogen worden. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 In de directe nabijheid van de meetkoker, die gebruikt wordt voor nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte, moet een meetwaarde-opnemer aanwezig zijn. 2 Bij verticale, cilindrische meetreservoirs mag de meetwaarde-opnemer niet binnen een afstand van 500 mm van de reservoirwand zijn gesitueerd. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Een meetwaarde-opnemer moet zodanig zijn gesitueerd, dat er geen wederzijdse beïnvloeding kan plaatsvinden met andere meettechnische handelingen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Een meetwaarde-opnemer moet op een zodanige wijze worden beschermd, dat de invloed van draaikolken, stromingen of wervelingen op de aanwijzing van de hoogte van de vloeistofspiegel is te verwaarlozen, waarbij voor een meetwaarde-opnemer die direct contact maakt met de vloeistof een correcte verticale geleiding van de meetwaarde-opnemer gewaarborgd moet blijven. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten hoogte is: a. bij het onderzoek tot toelating van een model en de keuring: plus of min ((0,1 + 0,1L) + 2) mm, b. artikel 16, eerste lid, van de wet bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld inen het toezicht: plus of min ((0,2 + 0,2L) + 2) mm, waarbij L het gehele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde nominale waarde van de gemeten hoogte in meters aangeeft. 2 De maximaal toelaatbare fout, bedoeld in het eerste lid, behoeft niet kleiner te zijn dan: a. bij het onderzoek tot toelating van een model en de keuring: plus of min 2,6 mm; b. artikel 16, eerste lid, van de wet bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld inen het toezicht: plus of min 3,2 mm. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 Als eis van gevoeligheid van een vloeistofhoogtemeter geldt, dat verandering van de hoogte van een vloeistofspiegel van 2,6 mm een verandering in de aanwijzing van die hoogte van ten minste 1 mm veroorzaakt. 2 Indien de gevoeligheid van een vloeistofhoogtemeter afhankelijk is van de volumieke massa van de vloeistof waarvan de hoogte wordt gemeten, wordt die volumieke massa niet kleiner dan 500 kg/m 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 artikel 29 De maximaal toelaatbare fout van het verschil tussen twee gemeten hoogten, waarbij een meetwaarde-opnemer het hoogteverschil in één richting heeft overbrugd, is gelijk aan de maximaal toelaatbare fout overeenkomstig. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Bij een vloeistofhoogtemeter met twee of meer aanwijsinrichtingen mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel door twee van die inrichtingen, willekeurig gekozen, niet meer van elkaar verschillen dan één afleeseenheid van de aanwijsinrichting, die van de beide welke worden vergeleken de grootste afleeseenheid heeft. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Indien de bewegingsrichting van een meetwaarde-opnemer welke direct contact maakt met de vloeistof verandert, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Indien de voortplantingsrichting van de elektromagnetische golven naar het vloeistofoppervlak wordt onderbroken, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel voor en na de onderbreking niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 3 3 3 3 Indien de volumieke massa van de vloeistof ligt tussen 600 kg/men 1000 kg/m, mag de verandering van de volumieke massa van 1000 kg/mnaar 600 kg/mgeen grotere invloed hebben op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 artikel 35 Indien de volumieke massa van de vloeistof buiten de grenzen, bedoeld in, valt, worden bij de toelating van het model de grenzen, waarbinnen het gebruik van de vloeistofhoogtemeter is toegestaan, zodanig vastgesteld, dat de verandering van de volumieke massa van de bovengrens naar de ondergrens geen grotere invloed heeft op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikel 29, eerste lid, onder a Bij een verandering van de temperatuur van een vloeistofhoogtemeter en van de wand van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst van 10 °C mag de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 39, onder e Indien de voortplantingssnelheid van de elektromagnetische golven door de dampsamenstelling wordt beïnvloed, mag bij een verandering van de dampsamenstelling dan wel van de dampconcentratie in de lege ruimte van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan 1,6 mm x (referentiehoogte - L) / referentiehoogte, waarbij L het hele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde nominale waarde van de gemeten hoogte aangeeft en de referentiehoogte gelijk is aan de waarde, bedoeld in. 2 De referentiehoogte en de waarde L moeten in gelijke eenheden worden weergegeven. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Op iedere vloeistofhoogtemeter moeten, hetzij direct, hetzij op een plaat, die vast met de vloeistofhoogtemeter is verbonden, zijn vermeld: a. de naam en de woonplaats van degene die de vloeistofhoogtemeter heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk; b. het jaar waarin de vloeistofhoogtemeter is vervaardigd en het fabrieksnummer; c. het nummer van de betrokken verklaring van toelating; d. de identificatie van het meetreservoir, waarop de vloeistofhoogtemeter is bevestigd; e. het opschrift ’het nulpunt van de vloeistofhoogtemeter ligt ... mm beneden het referentiepunt’; f. elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van de vloeistofhoogtemeter door de ijkinstelling noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Indien één of meer verre-aanwijsinrichtingen behoren bij een vloeistofhoogtemeter, moet op of in de onmiddellijke nabijheid van elk van die inrichtingen een plaat zijn aangebracht, waarop zijn vermeld: a. het identificatienummer van de inrichting; b. een identificatie van het meetreservoir waarop de aanwijzing betrekking heeft. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 Indien een verre-aanwijsinrichting behoort bij meerdere vloeistofhoogtemeters, moet op of in de onmiddellijke nabijheid van die inrichting een plaat zijn aangebracht, waarop zijn vermeld: a. het identificatienummer van de inrichting; b. met het opschrift ’De ijkmerken hebben betrekking op de aanwijzing van de vloeistofhoogte in de meetreservoirs met nummers ...’. 2 De in het eerste lid bedoelde plaat kan achterwege blijven, indien op andere wijze ondubbelzinnig wordt aangegeven of de aangewezen meetwaarde al of niet is verkregen met behulp van goedgekeurde vloeistofhoogtemeters of meetreservoirs. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 artikel 40 Indien twee of meer verre-aanwijsinrichtingen, behorende bij twee of meer vloeistofhoogtemeters, tezamen in één behuizing zijn ondergebracht, isvan toepassing op elke inrichting afzonderlijk. 2 In de onmiddellijke nabijheid van de verre-aanwijsinrichting mag daarnaast een plaat zijn aangebracht met het opschrift ’De ijkmerken hebben betrekking op de aanwijzing van de vloeistofhoogte in de meetreservoirs met nummers ...’. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 artikel 11 Inrichtingen als bedoeld in, die op verzoek van de aanvrager niet in de keuring worden betrokken, alsmede niet gekeurde aanwijsinrichtingen moeten zijn voorzien van het opschrift ’niet geijkte hulpinrichting’. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Indien de meeteigenschappen van een vloeistofhoogtemeter het gebruik buiten bepaalde meetgrenzen niet veroorloven of indien andere beperkingen in het gebruik zijn vereist, moeten de vloeistofhoogtemeter en elke verre-aanwijsinrichting die op de vloeistofhoogtemeter kan worden aangesloten een opschrift dragen waaruit die beperkte bestemming blijkt. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 Bij een vloeistofhoogtemeter waarbij de inrichtingen in één behuizing zijn ondergebracht, moet op de behuizing, in de nabijheid van de opschriften, een duidelijk zichtbare voorziening aanwezig zijn voor het aanbrengen van ijkmerken. 2 Indien de opschriften op een afzonderlijke plaat zijn vermeld, moeten de ijkmerken zodanig worden aangebracht, dat verwijdering van de opschriftenplaat niet mogelijk is zonder de ijkmerken te beschadigen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Bij een vloeistofhoogtemeter waarvan één of meer inrichtingen gescheiden zijn opgesteld, moet een zegelmerk worden aangebracht op elke gescheiden opgestelde inrichting. 2 Bij een verre-aanwijsinrichting moet het zegelmerk zodanig worden aangebracht, dat verwijdering of verandering van de bij die inrichting vermelde opschriften niet mogelijk is zonder het zegelmerk te beschadigen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 artikel 45 Indien een meetwaarde-opnemer in een afzonderlijke behuizing is ondergebracht, moeten de ijkmerken worden aangebracht als aangegeven in. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: elektronische inrichting: een vloeistofhoogtemeter, die is voorzien van elektronische componenten en afzonderlijk kan worden getoetst aan de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel een zodanig deel van een vloeistofhoogtemeter; correct functioneren: een zodanig functioneren, dat de maximaal toelaatbare fouten die gelden bij de keuring niet worden overschreden. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikelen 51 52 54 Bij het onderzoek tot toelating van een model moeten elektronische inrichtingen tijdens blootstelling aan de omgevingscondities, omschreven in de,en, correct functioneren dan wel elk niet correct functioneren op adequate wijze signaleren. 2 artikelen 51 52 54 Tijdens de blootstelling aan de omgevingscondities, omschreven in de,en, moeten de elektronische inrichtingen worden gemonteerd en in werking gesteld in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 Tijdens een proef wordt in beginsel slechts één invloedsfactor gevarieerd, waarbij iedere andere invloedsfactor op de nominale waarde wordt gehouden. 2 Gedurende de proef moet de elektronische inrichting normaal in werking zijn. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in een afgesloten ruimte, al of niet voorzien van een regeling van temperatuur en vochtigheid, bestaat uit: a. een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 38% gedurende 2 uur; b. een stabiele omgevingstemperatuur van 5 °C gedurende 2 uur. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 1 De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in de vrije atmosfeer, bestaat uit: a. een stabiele omgevingstemperatuur van +55 °C en een relatieve vochtigheid van 19% gedurende 2 uur; b. een stabiele omgevingstemperatuur van ‐25 °C gedurende 2 uur; c. een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 93% gedurende een periode van 4 dagen; d. plaatsing van de elektronische inrichting in een ruimte met een temperatuur van 25 °C ± 3 °C en een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, gevolgd door twee cycli van 24 uur, waarin achtereenvolgens: 1°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd tot 55 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 93% bedraagt; 2°. de temperatuur van 55 °C ± 2 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93% ± 3%; 3°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C ± 3 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt; 4°. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid. 2 De luchtvochtigheid wordt zodanig geregeld, dat condensvorming mogelijk blijft. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 artikelen 51 52 De omgevingstemperaturen, bedoeld in deen, worden als stabiel beschouwd, indien: a. het verschil tussen de tijdens de blootstelling optredende hoogste en laagste temperatuur niet meer bedraagt dan 5 °C, en b. de verandering van de temperatuur tijdens de blootstelling niet meer bedraagt dan 1 °C/min. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen bestaat uit: a. een voedingsspanning, variërend tussen -15% en +10% van de nominale voedingsspanning; b. 10 onderbrekingen en reducties van de voedingsspanning, waarbij, uitgaande van een netfrequentie van 50 Hz en een nominale spanning met een effectieve waarde van 220 V, de amplitude wordt teruggebracht tot: 1°. 0 V gedurende een halve periode, 2°. 110 V (50%) gedurende één periode, waarbij het tijdsinterval tussen twee onderbrekingen ten minste 10 seconden bedraagt; c. pulsvormige netverontreiniging, waarbij op de voedingsspanning een burst wordt gesuperponeerd, die voldoet aan onderstaande specificaties, zowel in common mode als in differential mode: piekwaarde (V): 1000 stijgtijd (ns): 5 tijdsduur halve piekwaarde (ns): 50 totale burstlengte (ms): 15 herhalingsinterval (ms): 300, waarbij in iedere mode ten minste 10 positieve en 10 negatieve spanningspieken worden aangebracht; d. ten minste 10 ontladingen via de elektronische inrichting, die tot stand komen, nadat een capaciteit van 150 pF door een gelijkspanningsbron tot 8 kV is opgeladen, door de capaciteit met een elektrostatische lading van 1,2 mC te ontladen door een aansluiting met het geaarde chassis te verbinden en de andere aansluiting via een weerstand van 150 W naar een vlak van de elektronische inrichting, waarbij het tijdsinterval tussen twee opeenvolgende ontladingen ten minste 10 seconden bedraagt, met dien verstande dat elektronische inrichtingen die niet met een geaard chassis zijn uitgevoerd, op een geaarde plaat worden gezet, welke ten minste 0,1 m uitsteekt aan alle zijden van de inrichting; e. een veldsterkte van 10 V/m, 50% AM-gemoduleerd met een blokgolf welke een frequentie heeft van 1 kHz, die wordt aangebracht in het frequentiegebied van 0,1 MHz tot 1 GHz, waarbij ten minste 1 m van de horizontaal vanaf de elektronische inrichting weglopende externe bekabeling tijdens de proef aan het veld wordt blootgesteld. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 Indien een vloeistofhoogtemeter met controlefaciliteiten is uitgerust, moeten de actuele werking en de correcte werking van deze faciliteiten bepaald kunnen worden. 2 Indien geen significante fouten optreden als de vloeistofhoogtemeter aan verstoringen wordt blootgesteld, is het eerste lid niet van toepassing. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Toetsing aan de voorschriften van dit hoofdstuk vindt plaats ten aanzien van een vloeistofhoogtemeter, zoals die in de gebruikssituatie zal zijn of is samengesteld, tenzij de afmetingen of de configuratie van de meter noodzaken tot het onderzoek van afzonderlijke elektronische inrichtingen. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 hoofdstukken 2 3 In afwijking van het bepaalde in deengeldt dat vloeistofhoogtemeters, die a. zijn vervaardigd overeenkomstig een toegelaten model dat is onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989, of b. artikel 11, derde lid, van de wet voor 1 mei 1989 zijn aangewezen krachtensen zijn goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989, artikel 16, eerste lid, van de wet bij de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld inen het toezicht moeten voldoen aan de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de IJkregeling vloeistofhoogtemeters (Stcrt. 1989, 81) vastgestelde besluiten op deze regeling. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 De IJkregeling vloeistofhoogtemeters (Stcrt. 1989, 81) wordt ingetrokken. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Deze regeling wordt aangehaald als: IJkregeling vloeistofhoogtemeters. 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 1998 14 22-01-1998 11-12-1997 97072520WJA/W 24-01-1998