Subsidieregeling branchecentra voor technologie 1998
- BWB-id
- BWBR0009095
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2002-01-01 t/m 2003-06-06
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0009095
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/subsidieregeling-branchecentra-voor-technologie-1998
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/subsidieregeling-branchecentra-voor-technologie-1998/2002-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0009095&g=2002-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0009095&z=2026-06-06&g=2002-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0009095/2002-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/subsidieregeling-branchecentra-voor-technologie-1998
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. branchecentrum voor technologie: een informatiepunt dat zich bezighoudt met het signaleren van technologische ontwikkelingen, deze ontwikkelingen vertaalt in technologische kennis die van belang is voor een branche en deze kennis overdraagt aan ondernemers in de branche, die in overwegende mate ondernemingen drijven waarbij niet meer dan 100 werknemers in dienst zijn alsmede aan deze werknemers; b. project: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het bereiken van een bepaald in een projectplan beschreven beoogd resultaat ter vergroting van branchespecifieke technologische kennis van ondernemers in de desbetreffende branche, die in overwegende mate ondernemingen drijven waarbij niet meer dan 100 werknemers in dienst zijn alsmede van deze werknemers, bestaande uit voorlichting, scholing of advisering; c. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt; d. brancheorganisatie: een niet-publiekrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die blijkens zijn statuten als doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak, daaronder niet begrepen de primaire landbouw en visserij, of een samenhangend deel daarvan, en die niet bedrijfsmatig werkzaam is. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een brancheorganisatie die de volgende activiteiten uitvoert: 1°. het stichten en gedurende de eerste twee jaren na het stichten in stand houden van een branchecentrum voor technologie en 2° het binnen dezelfde periode uitvoeren door het branchecentrum van ten minste één project. 2 Geen subsidie wordt verstrekt indien: a. de aanvrager al over een branchecentrum voor technologie beschikt; b. de activiteiten niet toegankelijk zijn voor niet-leden van de brancheorganisatie. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2, eerste lid De subsidie bedraagt 50 procent van de kosten, met dien verstande dat de kosten van de activiteiten, genoemd in, 1°, voor ten hoogste een vierde van alle kosten in aanmerking worden genomen. 2 artikel 2, eerste lid Aan een brancheorganisatie wordt op grond van deze regeling voor de activiteiten genoemd in, ten hoogste € 454 000 subsidie verstrekt. 3 Indien ter zake van de in het eerste lid bedoelde kosten of een deel daarvan reeds uit anderen hoofde door een bestuursorgaan of vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge het eerste lid. 2001 240 11-12-2001 22-11-2001 WJZ01058103 2001 240 11-12-2001 22-11-2001 WJZ01058103 01-01-2002
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a 1 Als kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen: a. de volgende rechtstreeks aan de activiteiten toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte en betaalde kosten: 1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar; 2°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op de historische aanschafprijzen; 3°. de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend op basis van de historische aanschafwaarde, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van vijf jaar; 4°. aan derden verschuldigde kosten, huisvestingskosten en kosten van collectief onderzoek daaronder niet begrepen; 5°. reis- en verblijfskosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke symposia, tot een maximum 5 procent van de onder 1° bedoelde loonkosten; b. een opslag voor algemene kosten, groot 25 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten. 2 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van de omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger omzetbelasting niet kan verrekenen met door hem af te dragen omzetbelasting. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De minister stelt ieder begrotingsjaar bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het in dat jaar verlenen van subsidies op grond van deze regeling. 2 Voor het verlenen van subsidies in 1999 is f 1.800.000,00 beschikbaar. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1. 2 Een aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenplan overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999 De wijzigingsopdracht voor artikel 5 is niet geheel juist.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing vande gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikelen 9 10 11 Op de subsidie-ontvanger rusten de in de,enopgenomen verplichtingen. Zij gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De subsidie-ontvanger voert de activiteiten uit overeenkomstig het activiteitenplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en binnen de bij de subsidieverlening bepaalde periode, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor het wijzigen, het vertragen of het stopzetten van de activiteiten. 2 De minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van de activiteiten, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het activiteitenplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de kosten. 2 De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling in binnen zes maanden na afloop van de bij de subsidieverlening bepaalde periode waarbinnen de activiteiten moeten zijn uitgevoerd. 3 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2. 4 De aanvraag gaat vergezeld van alle bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, waaronder een algemeen eindverslag over het stichten en in stand houden van het branchecentrum en een verslag per project met een nauwkeurige omschrijving van de uitvoering en de resultaten van het project in relatie tot het activiteitenplan. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 3a, eerste lid De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat te allen tijde alle rechtstreeks aan de activiteiten toe te rekenen kosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn. 2 De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend daarvan mededeling aan de minister. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de minister voorschotten worden verstrekt. 2 Het voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het in bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. 3 Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste € 4 500 bedraagt. 2001 240 11-12-2001 22-11-2001 WJZ01058103 2001 240 11-12-2001 22-11-2001 WJZ01058103 01-01-2002
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 10, eerste lid Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in. 2 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3. 3 Een aanvraag gaat vergezeld van alle bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld. 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 1999 50 12-03-1999 11-03-1999 WJA/JZ99008710 14-03-1999
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De minister geeft een beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt de minister de betrokkene daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 De Subsidieregeling branchecentra voor technologie wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Kaderwet EZ-subsidies Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop dein werking treedt. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling branchecentra voor technologie 1998. 1997 238 10-12-1997 09-12-1997 WJA/JZ97076811 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt.