Subsidieregeling innovatiegerichte onderzoeksprogramma’s
- BWB-id
- BWBR0009119
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2003-03-05 t/m 2005-11-15
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0009119
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/subsidieregeling-innovatiegerichte-onderzoekprogramma-s
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/subsidieregeling-innovatiegerichte-onderzoekprogramma-s/2003-03-05
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0009119&g=2003-03-05
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0009119&z=2026-06-06&g=2003-03-05
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0009119/2003-03-05
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/subsidieregeling-innovatiegerichte-onderzoekprogramma-s
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. universiteit: de onder a en b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instellingen voor hoger onderwijs en de in bijlage 1, onder I, bij deze regeling vermelde bijzondere onderzoekinstellingen; b. onderzoekinstelling: een in bijlage 1, onder II, bij deze regeling vermelde instelling; c. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee universiteiten of twee onderzoekinstellingen of bestaande uit een of meer universiteiten en een of meer onderzoekinstellingen; d. onderzoekproject: een samenhangend geheel van voor Nederland nieuwe activiteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek of toepassingsgericht onderzoek of een combinatie daarvan; e. stuurgroep: de Stuurgroep innovatiegerichte onderzoekprogramma's. f. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt. 2003 43 03-03-2003 28-02-2003 WJZ03005476 2003 43 03-03-2003 28-02-2003 WJZ03005476 05-03-2003
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De minister verstrekt op een aanvraag subsidie aan een universiteit of een onderzoeksinstituut die al dan niet in een samenwerkingsverband voor eigen rekening en risico een onderzoekproject uitvoert dat past in een onderzoekprogramma. 2 Als onderzoekprogramma’s worden aangewezen de door de stuurgroep vastgestelde meerjarenplannen met betrekking tot de volgende onderzoekgebieden: a. beeldverwerking; b. industriële eiwitten; c. katalyse; d. metalen; e. milieutechnologie met als onderwerp zware metalen; f. oppervlaktetechnologie; g. opto-electronica; h. verf; alsmede andere onderzoekprogramma’s die in een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 5, eerste lid , zijn aangewezen. 3 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het onderzoekproject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien de totale bijdrage van een of meer ondernemers met betrekking tot het onderzoekproject meer bedraagt dan 15 procent van de projectkosten. 1999 30 12-02-1999 05-02-1999 99006179WJZ/JZ 1999 30 12-02-1999 05-02-1999 99006179WJZ/JZ 14-02-1999
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De subsidie bedraagt: a. voor zover een universiteit subsidie-ontvanger is: 1°. artikel 4, eerste lid aanhef en onder a 100 procent van de projectkosten, bedoeld in,, 1°, en b, 2°. artikel 4, eerste lid aanhef en onder c, d en e 50 procent van de projectkosten, bedoeld in,, 3°. € 6 850 per onderzoeker in het geval van een in verband met het project doorgebrachte stage in het buitenland van drie maanden, indien ter zake kosten zijn gemaakt; b. voor zover een onderzoekinstelling subsidie-ontvanger is: 1°. artikel 4, eerste lid aanhef en onder a 50 procent van de projectkosten, bedoeld in,, 2°, c, d en e, 2°. artikel 4, eerste lid aanhef en onder b 100% van de projectkosten, bedoeld in,. 2 Bij de toepassing van het eerste lid worden de bijdragen met betrekking tot de projectkosten van derden, niet zijnde ondernemers, op de projectkosten in mindering gebracht. 2003 43 03-03-2003 28-02-2003 WJZ03005476 2003 43 03-03-2003 28-02-2003 WJZ03005476 05-03-2003
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan het onderzoekproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte en betaalde kosten: a. voor wat betreft loonkosten en daarmee verbonden opslagen: 1°. voor zover een universiteit subsidie-ontvanger is: loonkosten van onderzoekers met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten met het oog op het onderzoekproject, met inbegrip van een opslag voor de kosten van verbruikte materialen, hulpmiddelen en de inhuur van testpersonen, technici en analisten, met dien verstande dat per categorie van onderzoeker wordt uitgegaan van de in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen bedragen; 2°. voor zover een onderzoekinstelling subsidie-ontvanger is: loonkosten van betrokken onderzoekers, met inbegrip van een opslag voor algemene kosten, voor de kosten van verbruikte materialen, hulpmiddelen en de inhuur van testpersonen, technici en analisten, en voor de kosten in verband met het gebruik van apparatuur met een historische aanschafwaarde van minder dan € 45 400, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een door de minister goedgekeurd tarief; b. de kosten van verbruikte materialen, hulpmiddelen en de inhuur van testpersonen, technici en analisten, voor zover deze meer bedragen dan € 11 400 per onderzoeker per jaar; c. de kosten van de voor het onderzoekproject aangeschafte machines en apparatuur; d. kosten van andere machines en apparatuur met een historische aanschafwaarde van € 45 400 of meer, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het onderzoekproject toe te rekenen lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend op basis van de historische aanschafwaarde en een lineaire afschrijvingsmethode; e. aan een universiteit of onderzoekinstelling, niet zijnde een deelnemer in het samenwerkingsverband, verschuldigde kosten ter zake van het gebruik van machines en apparatuur als bedoeld onder d. 2 Indien machines en apparatuur worden aangeschaft door middel van een lease-overeenkomst, is het vereiste dat de kosten moeten zijn betaald niet van toepassing en wordt de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen, verdisconteerd op jaarbasis tegen 6 procent, als kosten van aanschaf in aanmerking genomen. 3 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen. 2003 43 03-03-2003 28-02-2003 WJZ03005476 2003 43 03-03-2003 28-02-2003 WJZ03005476 05-03-2003
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast, waarbinnen aanvragen om subsidie in het kader van een onderzoekprogramma kunnen worden ingediend. De minister stelt voorts bij ministeriële regeling perioden vast, waarbinnen verzoeken om een preadvies inzake een onderzoekproject kunnen worden ingediend. 2 De minister stelt voorts bij ministeriële regeling per onderzoekprogramma een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies in het kader van een onderzoekprogramma op in een periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde onderdelen van een onderzoekprogramma. 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 27-09-2000
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3. 2 De aanvraag gaat vergezeld van een begroting en van een projectplan alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld. 3 De aanvrager dient te beschikken over een pre-advies van de stuurgroep, doch hij behoeft deze niet bij de aanvraag te voegen. 4 Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband dient een deelnemer de aanvraag mede namens de andere deelnemers in. 2002 244 18-12-2002 16-12-2002 WJZ02063784 2002 244 18-12-2002 16-12-2002 WJZ02063784 20-12-2002 Bij Stcrt. 2003/43 is in artikel V een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 5 maart 2003).
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a 1 artikel 6, eerste lid In afwijking van, kan de aanvraag om subsidie elektronisch worden ingediend, indien de aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van de elektronische weg die daartoe is geopend en de indiening geschiedt met toepassing van de pincode en het certificaat die aan de aanvrager zijn toegekend. 2 artikel 6, tweede lid Artikel 6, derde lid De aanvraag gaat vergezeld van de documenten, bedoeld in., is van overeenkomstige toepassing. 3 Als tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, geldt het tijdstip waarop de aanvraag het systeem voor gegevensverwerking van de minister heeft bereikt. 4 De minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 5 De minister kan weigeren de aanvraag te aanvaarden indien de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid daarvan onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en inhoud van de aanvraag. De minister deelt een weigering zo spoedig mogelijk aan de afzender mee. 6 De ontvangstbevestiging, bedoeld in het vierde lid, en de weigering, bedoeld in het vijfde lid, worden elektronisch verzonden. Als tijdstip waarop het bericht is verzonden, geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarover de minister geen controle heeft. 2002 244 18-12-2002 16-12-2002 WJZ02063784 2002 244 18-12-2002 16-12-2002 WJZ02063784 20-12-2002 Bij Stcrt. 2003/43 is in artikel V een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 5 maart 2003).
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De minister geeft een beschikking binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. 2002 220 14-11-2002 13-11-2002 WJZ02055485 2002 220 14-11-2002 13-11-2002 WJZ02055485 16-11-2002
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien: a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling; b. hij het onaannemelijk acht dat het onderzoekproject binnen vier jaar kan worden voltooid; c. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het onderzoekproject niet kunnen financieren. 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 27-09-2000
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 8 De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing vanafwijzend wordt beslist het advies in van de stuurgroep. 2 De stuurgroep geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien: a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat betrokkenen de capaciteiten hebben het onderzoekproject naar behoren uit te voeren; b. van het onderzoekproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. 3 De stuurgroep rangschikt per onderzoekprogramma of onderdeel daarvan waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent hij positief adviseert zodanig, dat een onderzoekproject hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het betrokken onderzoekprogramma of van het betrokken onderdeel daarvan. 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 27-09-2000
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien de stuurgroep een negatief advies heeft uitgebracht. 2 De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking van de aanvragen door de stuurgroep. 3 De minister kan afwijken van het eerste en tweede lid, indien een advies van de stuurgroep in strijd is met deze regeling dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 2000 185 25-09-2000 21-09-2000 WJZ 00057737 27-09-2000
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikelen 12 13 14 artikel 13, eerste lid Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de,enopgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in, opgenomen verplichting slechts rusten op de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie is opgetreden. 2 artikelen 12 13 artikel 14 De in deenopgenomen verplichtingen gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De inopgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken. 1999 30 12-02-1999 05-02-1999 99006179WJZ/JZ 1999 30 12-02-1999 05-02-1999 99006179WJZ/JZ 14-02-1999
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De subsidie-ontvanger voert het onderzoekproject uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voor het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen, of het stopzetten van het onderzoekproject. 2 De subsidie-ontvanger voert het onderzoekproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland. 3 artikel 4 De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de inonderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn, dan wel, indien de subsidie-ontvanger een universiteit is, een arbeidsovereenkomst waaruit het aantal door de onderzoeker aan het onderzoekproject te besteden uren kan worden afgeleid. 4 De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend daarvan mededeling aan de minister. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het onderzoekproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten. 2 artikel 12, eerste lid De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag tot subsidievaststelling in binnen zes maanden na het tijdstip waarop het onderzoekproject ingevolge, moet zijn uitgevoerd. 3 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4. 4 De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring, indien het bedrag van de subsidieverlening meer dan € 50 000 bedraagt, en een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het onderzoekproject, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld. 2002 220 14-11-2002 13-11-2002 WJZ02055485 2002 220 14-11-2002 13-11-2002 WJZ02055485 16-11-2002
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, met betrekking tot de resultaten van het onderzoekproject zorg voor: a. de tenaamstelling op eigen naam en de verwerving van rechten van intellectuele eigendom op de resultaten die daarvoor in aanmerking komen; b. de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde rechten; c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het onderzoekproject van belang zijnde en door de uitvoering van het onderzoekproject opgedane kennis. 2 artikel 16, eerste lid De subsidie-ontvanger stelt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister en behoudens de toepassing die de minister geeft aan, niet ter beschikking aan derden: a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het onderzoekproject; b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het onderzoekproject; c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het onderzoekproject; d. niet door rechten van intellectuele eigendom beschermde resultaten van het onderzoekproject. 3 De subsidie-ontvanger belast, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, de in het tweede lid bedoelde rechten en aanspraken niet met een zekerheidsrecht ten behoeve van een derde. 4 De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan de minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het onderzoekproject. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 artikelen 12 14 De minister kan aan een ontheffing als bedoeld in deenvoorschriften verbinden. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De minister legt bij de subsidieverlening verplichtingen op met betrekking tot het geven van bekendheid aan het onderzoekproject en de resultaten ervan. 2 De minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot de samenwerking met derden bij of in verband met de uitvoering van het onderzoekproject. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de minister voorschotten worden verstrekt. 2 Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. 3 Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste € 4 500 bedraagt. 2001 240 11-12-2001 22-11-2001 WJZ01058103 2001 240 11-12-2001 22-11-2001 WJZ01058103 01-01-2002
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 13, eerste lid Een aanvraag wordt in behandeling genomen na het uitbrengen van een verslag als bedoeld in. 2 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5. 1999 30 12-02-1999 05-02-1999 99006179WJZ/JZ 1999 30 12-02-1999 05-02-1999 99006179WJZ/JZ 14-02-1999
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 De minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. 2002 220 14-11-2002 13-11-2002 WJZ02055485 2002 220 14-11-2002 13-11-2002 WJZ02055485 16-11-2002
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 artikelen 2, derde lid aanhef en onder b, 5 en 6 Op projecten waarvoor de aanvraag om subsidie is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn de,niet van toepassing. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Kaderwet EZ-subsidies Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop dein werking treedt. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Subsidieregeling innovatiegerichte onderzoekprogramma’s Deze regeling wordt aangehaald als:. 1997 242 16-12-1997 11-12-1997 WJA/JZ/97075343 1997 637 16-12-1997 04-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking op het tijdstip dat de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt. Bij Stcrt. 1999/30 is in artikel III een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd (m.i.v. 14 februari 1999).