Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
- BWB-id
- BWBR0009201
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 1998-01-15 t/m 2012-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0009201
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/uitvoeringsregeling-lozingenbesluit-bodembescherming
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/uitvoeringsregeling-lozingenbesluit-bodembescherming/1998-01-15
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0009201&g=1998-01-15
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0009201&z=2026-06-06&g=1998-01-15
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0009201/1998-01-15
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/uitvoeringsregeling-lozingenbesluit-bodembescherming
Artikel 6#
artikelen 6
Artikel 8#
8
Artikel 14#
14
Artikel 17#
17
Artikel 8#
artikel 8
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: het Lozingenbesluit: Lozingenbesluit bodembescherming het; zandfractie: het gewichtspercentage minerale delen met een korrelgrootte groter dan 50 micrometer en kleiner dan 2000 micrometer; 60 d: de korrelgrootte waarvoor geldt dat 60 procent van de zandfractie een kleinere korrelgrootte bezit; 10 effectievekorrel korreldiameter of d-waarde: korrelgrootte waarvoor geldt dat 60 procent van de zandfractie een kleinere korrelgrootte bezit; uniformiteitscoëfficiënt: 60 10 de verhouding van de d-waarde en de d-waarde van de zandfractie; ruw afvalwater: huishoudelijk afvalwater, dat nog niet is voorbehandeld; dagaanvoer: het in een tijdvak van 24 aaneengesloten uren aangevoerde volume; maximale uuraanvoer: het maximaal aangevoerde volume over een vak van een uur; organische vuilvracht: 5 de massahoeveelheid organisch vuil in water aangevoerd per tijdseenheidberekend als het produkt van de dagaanvoer en de BZV-concentratie van dit water; 5 BZV: het Biochemisch Zuurstof Verbruik, zijnde de massahoeveelheid zuurstof die door micro-organismen per liter water wordt verbruikt, gedurende een aaneengesloten tijdvak van 5 dagen, bij 20° C; voorbezonken afvalwater: huishoudelijk afvalwater dat is voorbehandeld door een afscheiding van bezinkbare en opdrijvende stoffen, stoffen zonder toevoeging van chemicaliën, maar dat nog niet biologisch is behandeld; verblijftijd: de tijd gedurende welke een waterdeeltje gemiddeld in een tank verblijft, berekend als het quotiënt van de inhoud van de tank die kan worden benut en het aangevoerd watervolume per tijdseenheid; hydraulischede ontwerpbelasting: de bij de dimensionering aangehouden wateraanvoer per dag en per eenheid van het filteroppervlak; ontwerpbelasting: de bij de dimensionering aangehouden belasting; specifiek oppervlak: het totale oppervlak van een materiaal per eenheid van volume van het materiaal; hydraulischede oppervlaktebelasting: wateraanvoer per oppervlakte-eenheid van de nabezinktank; leemgehalte: het gewichtspercentage minerale bodemdelen met een korrelgrootte kleiner dan 50 micrometer; lutumgehalte: het gewichtspercentage minerale bodemdelen met een korrelgrootte kleiner dan 2 micrometer; mediaan van de zandfractie (M 50): de korrelgrootte waarvoor geldt dat 50 procent van de zandfractie een grotere korrelgrootte en 50 procent een kleinere korrelgrootte bezit; bovengrond: het bewortelde bovenste gedeelte van de bodem dat rijk is aan organische stof; ondergrond: het gedeelte van de bodem, niet zijnde de bovengrond; infiltratieklasse: de indeling van de grond naar doorlatendheid; zijwand oppervlak: het wandoppervlak van een zakput gerekend vanaf de onderzijde tot aan de hoogte van de aanvoerleiding van het huishoudelijk afvalwater; horizontaal filteroppervlak: de oppervlakte van het horizontale grensvlak gelegen tussen bodem en grindpakket bij een infiltratievoorziening, niet zijnde een zakput; 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Het onderdeel van een zuiveringssysteem, waar het huishoudelijk afvalwater biologisch wordt behandeld, moet zodanig zijn uitgevoerd, dat voldoende lucht voor de instandhouding van een aëroob biologisch zuiveringsproces kan toetreden. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Filterzand moet aan de volgende eisen voldoen: a. de uniformiteitscoëfficiënt moet kleiner of gelijk aan 4 zijn, b. de effectieve korreldiameter moet groter of gelijk aan 0,25 mm en kleiner of gelijk aan 0,45 mm zijn, c. bijlage 1 de korrelgrootteverdeling moet zijn gelegen tussen de grenzen, welke zijn aangegeven in de bij deze regeling behorende, en d. het filterzand moet vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Grof grind en fijn grind van scheidings- en deklagen moeten aan de volgende eisen voldoen: a. bijlage 1 de korrelgrootteverdeling moet zijn gelegen tussen de grenzen, welke zijn aangegeven in de bij deze regeling behorende, en b. het grind moet vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Vrij verval-leidingen moeten een inwendige diameter hebben van ten minste 100 mm. 2 Persleidingen moeten een inwendige diameter hebben van ten minste 40 mm. 3 Leidingen moeten bij vrij verval onder een verhang van ten minste 1:500 zijn gelegen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Indien mechanische voorzieningen zoals pompen en motoren zijn aangebracht, moeten deze zijn voorzien van 4 of 5-tallige bedrijfsurentellers. 2 Bedrijfsstoringen van mechanische voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, moeten, door optische of akoestische signalen, van buitenaf duidelijk waarneembaar zijn. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Bij de aanleg van of werkzaamheden ter plaatse van een infiltratievoorziening mag de structuur van de bodem niet zodanig worden verstoord dat de doorlatendheid van de bodem in horizontale of verticale richting wordt veranderd. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Naar een zuiveringssysteem of een infiltratievoorziening mag geen hemel- of drainagewater worden afgevoerd. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 15 De dimensioneringsvoorschriften, die in deze paragraaf zijn opgenomen, gelden voor huishoudelijk afvalwater afkomstig van woonruimten alleen, indien dit afvalwater tezamen met huishoudelijk afvalwater afkomstig van een of meer andere lozingsbronnen op een zuiveringssysteem als bedoeld invan het Lozingenbesluit wordt aangesloten. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, moet bij het bepalen van het aantal inwoners per woonruimte ten minste worden aangehouden: a. 2 2 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak kleiner of gelijk aan 35 m; b. 2 4 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak groter dan 35 m. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater moet voor de aanvoer van ruw afvalwater worden aangehouden: a. 3 een dagaanvoer van 0,15 mper inwoner, b. een maximale uuraanvoer van 1/10 van de dagaanvoer, en c. 5 2 als organische vuilvracht van het ruwe afvalwater een BZV-aanvoer van 50 gram Oper inwoner per dag. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet zijn gebaseerd op het gedurende een aaneengesloten tijdvak van een jaar dagelijks geregistreerde waterverbruik per 24 aaneengesloten uren. 2 artikel 2 Indien meer dan 10 procent van het geregistreerde waterverbruik niet in de bodem wordt geloosd, of wordt geloosd op een wijze als bedoeld invan het Lozingenbesluit, bepaalt het bevoegd gezag op daartoe strekkende aanvraag dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, in plaats van de hoeveelheid gebruikt water wordt uitgegaan van de hoeveelheid geloosd water. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 5 Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet als gemiddelde BZV-concentratie van het ruwe afvalwater worden aangehouden: a. 2 bij huishoudelijk afvalwater afkomstig van bedrijven of instellingen met een groot aandeel keukenafvalwater: ten minste 1000 mg Oper liter; b. 2 in de overige gevallen: ten minste 500 mg Oper liter. 2 5 5 Indien de werkelijke gemiddelde BZV-concentratie ten minste 10 procent lager is dan de concentratie die in het eerste lid is aangegeven, mag deze werkelijke gemiddelde BZV-concentratie voor de dimensionering worden aangehouden. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 artikel 12 artikel 13 5 Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet de organische vuilvracht in het ruwe afvalwater worden bepaald als het produkt van het waterverbruik, bepaald overeenkomstig, en de BZV-concentratie, bepaald overeenkomstig. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 12 artikel 14 De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem te hanteren waarden voor de dagaanvoer en de organische vuilvracht in het ruwe afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moeten over een tijdvak van een jaar zodanig worden vastgesteld uit de dagwaarden van het geregistreerde waterverbruik, bedoeld in, en de dagwaarden van de organische vuilvracht, bedoeld in, dat deze waarden: a. ten minste gelijk zijn aan de som van het rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking van de dagwaarden over een tijdvak van een jaar, b. ten hoogste 73 dagen van het jaar worden overschreden, waarbij een overschrijding niet langer dan 20 aaneengesloten dagen mag plaatsvinden, en c. ten hoogste op 5 achtereenvolgende dagen worden overschreden met gemiddeld meer dan 50 procent, waarbij het totaal aantal dagen van deze overschrijdingsperioden maximaal 18 dagen van het jaar mag bedragen. 2 artikel 12 artikel 14 De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem te hanteren waarden voor de dagaanvoer en de organische vuilvracht in het ruwe afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moeten indien daarbij gedurende een aaneengesloten tijdvak van langer dan een maand per jaar geen lozing in de bodem plaatsvindt, over een tijdvak van een jaar zodanig worden vastgesteld uit de dagwaarden van het geregistreerde waterverbruik, bedoeld in, en de dagwaarden van de organische vuilvracht, bedoeld in, dat deze waarden: a. ten minste gelijk zijn aan de som van het rekenkundig gemiddelde en de standaardafwijking van de dagwaarden gedurende het tijdvak dat de lozing in de bodem plaatsvindt, b. ten hoogste op 14 dagen worden overschreden in een tijdvak van 56 achtereenvolgende dagen, en c. ten hoogste op 5 achtereenvolgende dagen worden overschreden met gemiddeld meer dan 50 procent. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, gehanteerde waarden voor de maximale uuraanvoer moeten zodanig worden vastgesteld dat deze waarden: a. redelijkerwijs niet kunnen worden overschreden en b. ten minste 1/10 van de bij de dimensionering gehanteerde dagaanvoer bedragen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikelen 10 11 15 16 Indien op één zuiveringssysteem verschillende lozingsbronnen van huishoudelijk afvalwater worden aangesloten, moet bij de dimensionering van het zuiveringssysteem worden uitgegaan van de gesommeerde dagaanvoer, maximale uuraanvoer en organische vuilvracht van het ruwe afvalwater van de afzonderlijke lozingsbronnen, vastgesteld overeenkomstig de,,en. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 5 5 Voor het bepalen van de organische vuilvracht aan BZVin voorbezonken afvalwater mag de organische vuilvracht aan BZVvan ruw afvalwater worden verminderd met 25 procent bij toepassing van een septic tank met een verblijftijd van ten minste 3 dagen, bij een oxydatiebed- en een biorotorsysteem. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Indien in een zuiveringssysteem recirculatie van afvalwater plaatsvindt, moet bij de dimensionering in voldoende mate rekening worden gehouden met de verhoogde hydraulische belasting van het zuiveringssysteem of onderdelen hiervan. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten, moet bij het bepalen van het aantal inwoners per woonruimte ten minste worden aangehouden: a. 2 2 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak kleiner of gelijk aan 35 m; b. 2 4 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak groter dan 35 m. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 3 Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten, moet voor de aanvoer van afvalwater worden uitgegaan van een dagaanvoer van 0,15 mper inwoner. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 12 De dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet zijn gebaseerd op het geregistreerde waterverbruik, bepaald overeenkomstig. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikel 15 Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, kan voor de te hanteren waarde van de dagaanvoer worden uitgegaan van de waarde van de dagaanvoer als bedoeld in. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 artikelen 20 21 23 Indien op een infiltratievoorziening verschillende lozingsbronnen van huishoudelijk afvalwater worden aangesloten, moet bij de dimensionering van de infiltratievoorziening worden uitgegaan van de gesommeerde dagaanvoer van de afzonderlijke lozingsbronnen, vastgesteld overeenkomstig de,en. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 artikel 6 De septic tank, bedoeld invan het Lozingenbesluit, moet een zodanige inhoud hebben dat: a. 3 ten minste 6 mkan worden benut bij minder dan 6 lozingseenheden; b. 3 ten minste 12 mkan worden benut bij ten minste 6 en ten hoogste 10 lozingseenheden. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 De waterhoogte in de septic tank moet ten minste 1,2 meter zijn. 2 De waterhoogte in de septic tank mag ten hoogste zijn: a. 3 2,2 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten hoogste 10 m; b. 3 2,5 meter bij een inhoud die kan worden benut van meer dan 10 m. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 De septic tank moet uit drie compartimenten bestaan, waarbij de volumeverhouding tussen de compartimenten, van de inhoud die kan worden benut, in de stroomrichting 2:1:1 moet bedragen. 2 Opdeling van de septic tank in afzonderlijke in serie geschakelde tanks is toegestaan, mits het volume van één compartiment niet over verschillende tanks is verdeeld. De afzonderlijke tanks gelden tezamen als één septic tank. 3 Parallel-schakeling van afzonderlijke septic tanks is toegestaan, mits iedere tank voldoet aan de voorschriften die voor een afzonderlijke septic tank gelden. 4 De scheidingswanden tussen de compartimenten van de septic tank moeten ten minste 20 cm boven het waterniveau uitsteken. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 De instroomopening in het eerste compartiment van de septic tank moet zich ten minste 10 cm boven het waterniveau bevinden en vrij kunnen afwateren. De toevoerpijp moet ten minste 5 en ten hoogste 10 cm uit de binnenwand steken. 2 De doorstroomopeningen in de scheidingswanden tussen de compartimenten van de septic tank moeten zodanig zijn uitgevoerd dat: a. doorvoer van bodemslib en drijflagen wordt voorkomen, b. 2 2 de gezamenlijke oppervlakte van de doorstroomopeningen per scheidingswand ten minste 100 cmen ten hoogste 400 cmbedraagt, c. de bovenkant van de doorstroomopeningen ten minste 30 cm onder het waterniveau ligt, en d. de onderkant van de doorstroomopeningen ten minste hoger ligt dan de helft van de waterhoogte gemeten vanaf de bodem van de tank. 3 De afvoeropening van de septic tank moet zijn voorzien van een duikschot of een T-stuk zodat afvoer van bodemslib of drijflagen wordt voorkomen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Het slib moet eenmaal per twee jaar, of zoveel vaker als voor een goede werking van de tank nodig is, uit de septic tank worden verwijderd. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 13, eerste lid, onder a artikel 31, eerste lid Van het huishoudelijk afvalwater afkomstig van bedrijven of instellingen, bedoeld in, moet het vethoudend keukenafvalwater voorafgaande aan de behandeling in een septic tank als bedoeld in, door een vetafscheider worden geleid. 2 De vetafscheider moet een zodanige inhoud hebben dat de verwerkingscapaciteit ten minste 2 liter per seconde is. 3 De vetafscheider moet zodanig zijn uitgevoerd dat doorvoer van vetten wordt voorkomen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De voorbehandeling van een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater moet plaatsvinden in een septic tank. 2 De septic tank moet zodanig zijn gedimensioneerd dat: a. 3 de verblijftijd van het afvalwater bij een opgehoogd in filtratiebed-, een opgehoogd filtratiebed- of een zandfiltersysteem ten minste 8 dagen bedraagt, en de inhoud, die kan worden benut, ten minste 6 mbedraagt; b. 3 de verblijftijd van het afvalwater bij een oxydatiebed- of een biorotorsysteem ten minste 3 dagen bedraagt, en de inhoud, die kan worden benut, ten minste 4 mbedraagt. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 De waterhoogte in de septic tank moet ten minste 1,2 meter zijn. 2 De waterhoogte in de septic tank mag ten hoogste zijn: a. 3 2,2 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten hoogste 10 m; b. 3 2,5 meter bij een inhoud die kan worden benut van meer dan 10 en minder dan 50 m; c. 3 3 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten minste 50 m. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikelen 27 28 29 De,enzijn van toepassing. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 De biologische behandeling van omvangrijke lozingen van huishoudelijk afvalwater moet plaatsvinden: a. bij een opgehoogd infiltratiebedsysteem: in het opgehoogd infiltratiebed; b. bij een opgehoogd filtratiebedsysteem: in het opgehoogd filtratiebed; c. bij een zandfiltersysteem: in het zandfilter; d. bij een oxydatiebedsysteem: in het oxydatiebed; e. bij een biorotorsysteem: in de biorotor. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikelen 65 66 De hydraulische ontwerpbelasting van een opgehoogd infiltratiebed met voorbezonken afvalwater is ten hoogste de waarde als bedoeld in deen. 2 De onderzijde van het filterzandpakket moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen en mag niet meer dan 20 cm onder het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak zijn gelegen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 De aanvoerdrainleidingen, minimaal twee stuks, gelegen boven het filterzandpakket, moeten zijn omgeven met een laag grof grind, zodanig dat zowel aan de boven- als aan de onderzijde van de leidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is. 2 Het aanvoersysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat het aangevoerde afvalwater gelijkmatig over het filteroppervlak kan worden verspreid. 3 De onderlinge afstand tussen de aanvoerdrainleidingen moet ten minste 1 meter bedragen. 4 De lengte van de aanvoerdrainleidingen mag ten hoogste 30 meter zijn. 5 De benedenstroomse uiteinden van de aanvoerdrainleidingen moeten zijn afgesloten. Het achtervlak moet aan de bovenzijde voorzien zijn van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 Het filterzandpakket moet ten minste 60 cm hoog zijn. 2 Het filterzandpakket en het aanvoersysteem moeten zijn afgedekt met een grondlaag van ten minste 50 cm. 3 Tussen de grondlaag en de grindlaag van het aanvoersysteem moet een scheidingslaag zijn aangebracht, die: a. water- en luchtdoorlatend is, en b. transport van vaste deeltjes voorkomt. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 3 2 De hydraulische ontwerpbelasting van een opgehoogd filtratiebed met voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 0,03 mper mfilteroppervlak per dag zijn. 2 De onderzijde van de afvoerdrainleidingen: a. moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen, en b. mag niet meer dan 50 cm onder het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak zijn gelegen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 artikelen 36 37 Deenzijn van toepassing. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 De afvoerdrainleidingen onder het filterzandpakket moeten recht onder de aanvoerdrainleidingen zijn gelegen, op een vloeistofdichte laag, onder een verhang van 1:500. 2 Het aantal afvoerdrainleidingen moet gelijk zijn aan het aantal aanvoerdrainleidingen. 3 De afvoerdrainleidingen moeten zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de bovenzijde van de afvoerdrainleidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is. 4 De bovenstroomse uiteinden van de afvoerdrainleidingen moeten zijn voorzien van ontluchtingspijpen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 Tussen het filterzandpakket en de laag grof grind rondom het afvoerstelsel moet een scheidingslaag van fijn grind van ten minste 10 cm zijn aangebracht. 2 Het filterzandpakket en de aan- en afvoerstelsels moeten aan de onderzijde tot aan het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak door middel van een vloeistofdichte laag van de bodem zijn afgescheiden. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 Een zandfilter moet uit twee filtereenheden bestaan, die afwisselend moeten worden gebruikt. Iedere filtereenheid moet afzonderlijk de totale dagelijkse aanvoer van afvalwater kunnen verwerken. 2 3 2 De hydraulische ontwerpbelasting van een filtereenheid met voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 0,2 mper mfilteroppervlak per dag zijn. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Het aanvoersysteem boven het filterzandpakket moet zodanig zijn uitgevoerd dat het water gelijkmatig over het filteroppervlak wordt verdeeld. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 Bij meerdere afvoerdrainleidingen moet de onderlinge afstand ten minste 1 meter bedragen. 2 De afvoerdrainleidingen moeten op een vloeistofdichte laag zijn gelegen onder een verhang van 1:500. 3 De afvoerdrainleidingen moeten zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de bovenzijde van de afvoerdrainleidingen een laag van ten minste 20 cm aanwezig is. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 Het filterzandpakket moet ten minste 90 cm hoog zijn. 2 Tussen het filterzandpakket en de laag grof grind rondom het afvoerstelsel moet een scheidingslaag van fijn grind van ten minste 10 cm zijn aangebracht. 3 De filtereenheden en de aan- en afvoerstelsels moeten door middel van een vloeistofdichte laag van de bodem zijn afgeschermd. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 2 3 3 5 Bij een bedvulling met losse kunststof vulmaterialen met een specifiek oppervlak van 150 tot 200 mper mbedinhoud, mag de ontwerpbelasting van een oxydatiebed met voorbezonken afvalwater ten hoogste 0,3 kg BZVper mbedinhoud per dag zijn. 2 Bij toepassing van andere vulmaterialen mag: a. 5 2 de ontwerpbelasting betrekking hebbend op het specifiek oppervlak van het vulmateriaal ten hoogste 1,75 g BZVper mper dag met voorbezonken afvalwater bedragen, en b. 5 3 de ontwerpbelasting ten hoogste 0,5 kg BZVper mbedinhoud met voorbezonken afvalwater bedragen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 Het vulmateriaal van een oxydatiebed moet: a. geschikt zijn voor een goede aanhechting van micro-organismen, en b. bij aanleg vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard. 2 De hoogte van de laag vulmaterialen moet ten minste 1 meter zijn. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Het voorbezonken afvalwater moet gelijkmatig over het oppervlak van een oxydatiebed worden verspreid. 2 De spoelwerking van het afvalwater moet zodanig zijn dat het overschot aan biomassa op het vulmateriaal met de waterstroom kan worden afgevoerd. 3 Het gezuiverde afvalwater moet in voldoende mate kunnen worden gerecirculeerd over het oxydatiebed. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 5 2 De ontwerpbelasting van een biorotor met voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 5 gram BZVper mdragermateriaal per dag zijn. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Het dragermateriaal moet: a. geschikt zijn voor een goede aanhechting van micro-organismen, en b. bij aanleg vrij zijn van verontreinigende stoffen van organische of toxische aard. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 De rotor en het bassin waarin de rotor ronddraait, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat in het bassin geen hydraulisch dode ruimten dan wel kortsluitstromen kunnen ontstaan. 2 Het contact tussen het dragermateriaal en het afvalwater moet zodanig zijn dat het overschot aan biomassa op het drageroppervlak met de waterstroom kan worden afgevoerd. 3 Indien het biorotorbassin in meerdere compartimenten is opgedeeld moet een ongehinderde doorvoer van afvalwater en overschot aan biomassa kunnen plaatsvinden. 4 De biorotor moet zijn voorzien van een verwijderbare, ondoorzichtige overkapping. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 De nabehandeling van omvangrijke lozingen van huishoudelijk afvalwater moet plaatsvinden in een nabezinktank of in een trommelfilter. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 1 Een nabezinktank moet op basis van de maximale uuraanvoer zodanig zijn gedimensioneerd dat: a. 3 2 de hydraulische oppervlaktebelasting ten hoogste 0,4 mper mper uur bedraagt, b. 2 het oppervlak van de nabezinktank ten minste 0,6 mbedraagt, c. de waterhoogte ten minste 1,1 meter is, en d. de verblijftijd ten minste 3,5 uur is. 2 Indien gegevens voor de maximale uuraanvoer ontbreken moet hiervoor 1/10 van de dagaanvoer worden aangehouden. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Een nabezinktank moet horizontaal worden doorstroomd op een zodanige wijze dat: a. de aan- en afvoer van het afvalwater het bezinkingsproces niet kunnen verstoren en b. er geen kortsluitstromen kunnen optreden. 2 Een afvoer moet tegen overstort van drijvende stoffen zijn beschermd door een duikschot. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 De nabezinktank moet zodanig zijn uitgevoerd dat het afgescheiden slib uit de slibtrechter kan worden afgezogen. 2 De nabezinktank moet zijn voorzien van een pomp die het afgescheiden slib automatisch afvoert naar het eerste compartiment van de septic tank of naar een afzonderlijke opslag voor slib. 3 De capaciteit van de pomp moet zodanig zijn, dat de hoeveelheid afgescheiden slib dagelijks volledig wordt afgevoerd. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Een trommelfilter moet bespannen zijn met filterdoek met een maaswijdte van ten hoogste 50 micrometer. 2 Een trommelfilter moet zijn voorzien van een automatische spoelinrichting. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 Op basis van een bodemkundige profielbeschrijving ter plaatse van de aan te leggen infiltratievoorziening moeten van de grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de infiltratievoorziening worden vastgesteld: a. het leemgehalte, b. het lutumgehalte, c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de grond, en d. de mediaan van de zandfractie. 2 Uit de gegevens bedoeld in het eerste lid moet worden vastgesteld of de grondlaag dan wel de grondlagen waarmee de infiltratievoorziening in contact zal komen gerekend moet worden tot de bovengrond dan wel de ondergrond. 3 bijlage 2 De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende. 4 Indien uit de bodemkundige profielbeschrijving de grens tussen boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen worden uitgegaan van de ondergrond. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 De gemiddeld hoogste grondwaterstand moet worden vastgesteld op grond van een bodemkundige profielbeschrijving ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening. 2 Indien de grondwaterstand dieper dan 5 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand het niveau van 5 meter beneden het bodemoppervlak. 3 Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat in afwijking van het eerste en tweede lid de gemiddeld hoogste grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan de lozing in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 Het aantal grondboringen moet ten minste zijn: a. tot 25 lozingseenheden: 6 grondboringen; b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 8 grondboringen; c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 11 grondboringen; d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 15 grondboringen. 2 De grondboringen moeten ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening gelijkmatig verdeeld over het bodemoppervlak worden uitgevoerd. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 59, eerste lid Van de grondboringen, bedoeld in, moeten ten minste worden uitgevoerd: a. tot 25 lozingseenheden: 4 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak; b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 6 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak; c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 8 grondboringen tot 2 meter en 3 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak; d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 10 grondboringen tot 2 meter en 5 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak. 2 Ten minste één van de grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een peilbuis. 3 Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het tweede lid, kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 artikelen 59 60 Bij het aanleggen van een zakput geldt in afwijking van deenhet bepaalde in dit artikel. 2 Bij het aanleggen van een zakput moeten ten minste 2 grondboringen per zakput worden uitgevoerd. 3 De grondboringen moeten ter plaatse van de aanleg van de zakput gelijkmatig verdeeld over het bodemoppervlak worden uitgevoerd. 4 De diepte van de grondboringen per zakput moet ten minste zijn: 1 grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak en 1 grondboring tot beneden de onderzijde van de infiltratievoorziening. 5 Ten minste één grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een peilbuis. 6 Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het vijfde lid, kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 10 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 artikel 59, eerste lid artikel 61, tweede lid Op grond van de gegevens uit de grondboringen als bedoeld in, dan wel, moeten de dikte en de diepte van de grondlaag dan wel de grondlagen worden vastgesteld. 2 Van elke grondlaag moet worden bepaald: a. het leemgehalte, b. het lutumgehalte, c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de grond, en d. de mediaan van de zandfractie. 3 Op grond van de gegevens uit de grondboringen moet worden vastgesteld op welke diepte de grens tussen boven- en ondergrond zich bevindt. 4 bijlage 2 De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende. 5 Indien op grond van de gegevens uit de grondboringen de grens tussen boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen, worden uitgegaan van de ondergrond. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 artikel 60, tweede lid artikel 61, vijfde lid Tussen 1 februari en 1 mei moet in de peilbuis, bedoeld in, dan wel bedoeld in, ten minste tweemaal per maand de grondwaterstand worden gemeten. 2 De gemiddeld hoogste grondwaterstand moet worden vastgesteld door de resultaten van de metingen, bedoeld in het eerste lid, te vergelijken met gegevens van de grondwaterstand in het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, van het meest nabijgelegen meetpunt dat is opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO waarvan de gemiddeld hoogste grondwaterstand over de voorafgaande periode bekend is of berekend kan worden. 3 Bij de vergelijking, bedoeld in het tweede lid, moet tevens gebruik worden gemaakt van een of meer bodemkundige profielbeschrijvingen ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening. 4 Indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter, en in het geval van een zakput, dieper dan 10 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen, dan geldt als de gemiddeld hoogste grondwater-stand het niveau van 6 meter, en in het geval van een zakput het niveau van 10 meter, beneden het bodemoppervlak. 5 Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat in afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid de gemiddeld hoogste grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan de lozing in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 artikel 57, derde lid bijlage 2 Op basis van de indeling in grondlagen, bedoeld in, moet met behulp van de bij deze regeling behorende, de bijbehorende infiltratieklasse worden vastgesteld van de grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de infiltratievoorziening. 2 bijlage 3 De hydraulische ontwerpbelasting van de infiltratie-voorziening mag ten hoogste de waarde zijn zoals is aangegeven in de bij deze regeling behorende. 3 Indien de infiltratievoorziening in contact zal komen met grondlagen waarbij sprake is van meerdere infiltratieklassen moet bij de vaststelling van de hydraulische ontwerpbelasting rekening worden gehouden met het relatieve aandeel van de grondlagen en de daarbijbehorende infiltratieklassen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 artikel 62, vierde lid bijlage 2 Op basis van de indeling in grondlagen, bedoeld in, moet met behulp van de bij deze regeling behorende, de bijbehorende infiltratieklasse worden vastgesteld van de grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de infiltratievoorziening. 2 bijlage 3 De hydraulische ontwerpbelasting van de infiltratievoorziening mag ten hoogste de waarde zijn, zoals is aangegeven in de bij deze regeling behorende. 3 Indien de infiltratievoorziening in contact zal komen met grondlagen waarbij sprake is van meerdere infiltratieklassen, moet bij de vaststelling van de hydraulische ontwerpbelasting rekening worden gehouden met het relatieve aandeel van de grondlagen en de daarbij behorende infiltratieklassen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 artikel 60, eerste lid artikel 61, vierde lid Indien uit de grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak, bedoeld in, dan wel uit de grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak, bedoeld in, blijkt dat één of meer grondlagen, gelegen in het gedeelte van de bodem beneden de onderzijde van de infiltratievoorziening, zodanige eigenschappen bezitten dat moet worden aangenomen dat de afvoer van het geïnfiltreerde huishoudelijk afvalwater onvoldoende kan plaatsvinden dan wel tot een niet toelaatbare verhoging van de grondwaterstand zal leiden, moet de doorlatendheid van dat gedeelte van de bodem worden bepaald. 2 artikel 65, tweede lid Indien de doorlatendheid van één of meer grondlagen gelegen in het gedeelte van de bodem, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan de hydraulische ontwerpbelasting, bedoeld in, moet de hydraulische ontwerpbelasting zodanig worden verkleind dat deze in overeenstemming is met de waarde van de doorlatendheid van het gedeelte van de bodem als bedoeld in het eerste lid. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 Een infiltratiekanaal bestaat uit ten minste twee kanaaleenheden die elk één drainleiding bevatten. 2 De drainleidingen moeten elk zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de boven- en onderzijde van de leidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is. 3 Het grindpakket en de drainleidingen moeten zijn afgedekt met een grondlaag van ten minste 50 cm. 4 Tussen de grondlaag en de grindlaag moet een scheidingslaag worden aangebracht, die: a. water- en luchtdoorlatend is en b. transport van vaste deeltjes voorkomt. 5 De benedenstroomse uiteinden van de drainleidingen moeten: a. voorzien zijn van ontluchtingspijpen bij aanvoer onder vrij verval, dan wel b. afgesloten zijn bij aanvoer onder druk, waarbij het achtervlak aan de bovenzijde is voorzien van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 Een infiltratiekanaal moet zodanig zijn uitgevoerd dat: a. de aanvoer van water gelijkmatig over het infiltratieoppervlak wordt verdeeld, b. de drainleidingen met inbegrip van het grindpakket een breedte hebben van ten minste 30 cm en ten hoogste 90 cm, c. de lengte van de drainleidingen ten hoogste 30 meter is, en d. de onderlinge afstand tussen de drainleidingen ten minste 2 meter bedraagt. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 Artikel 67 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de drainleidingen van een infiltratiebed zijn gelegen in een aaneengesloten grindpakket. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 Een infiltratiekanaal moet zodanig zijn uitgevoerd dat: a. de aanvoer van water gelijkmatig over het infiltratieoppervlak wordt verdeeld, b. de drainleidingen met inbegrip van het grindpakket een breedte hebben van ten minste 30 cm en ten hoogste 90 cm, c. de lengte van de drainleidingen ten hoogste 30 meter is, en d. de onderlinge afstand tussen de drainleidingen ten minste 1 meter bedraagt. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 Een zakput moet zodanig zijn uitgevoerd dat: a. deze aan de onderzijde open is, en b. ten minste 10 procent van het wandoppervlak is voorzien van openingen, welke regelmatig over het wandoppervlak moeten zijn verdeeld, zodanig dat grof grind niet in de zakput terecht komt. 2 Aan de onderzijde van de zakput en aan de buitenzijde van het wandoppervlak van de zakput moet een laag grof grind van ten minste 20 cm zijn aangebracht. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 De aanvoerleiding moet zodanig zijn uitgevoerd dat: a. het effluent van een zuiveringssysteem vrij kan afwateren in de zakput, en b. deze ten minste 20 cm onder de bovenkant van de zakput is gelegen. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 Het gebruik van meerdere zakputten is uitsluitend toegestaan indien: a. de onderlinge afstand tussen de zakputten groter is dan driemaal de doorsnede van de grootste zakput, en b. iedere zakput voldoet aan de voorschriften die voor een afzonderlijke zakput gelden. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 Artikel 35, tweede lid artikelen 36 37 , en deenzijn van toepassing. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 artikelen 22 34 bijlage 4 Een kennisgeving, als bedoeld in deenvan het Lozingenbesluit, moet worden gedaan op een formulier waarvan het model is opgenomen in de bij deze regeling behorende. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 Als deskundig bedrijf bedoeld in artikel 18 van het besluit, wordt aangewezen de keuringsinstantie die voor het uitvoeren van de keuring gecertificeerd is door een certificeringsinstantie, daartoe geaccrediteerd door de Raad voor accreditatie danwel door een nationale accreditatieinstelling van een der andere lid-staten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming (Stcrt. 1990, 123) vastgestelde besluiten op deze regeling. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 De Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming (Stcrt. 1990, 123) wordt ingetrokken. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 Lozingenbesluit bodembescherming Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop het(Stb. 1997, ...) in werking treedt. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. 1997 243 17-12-1997 18-12-1997 MJZ97580288 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998 Treedt in werking op het het tijdstip waarop het Lozingenbesluit bodembescherming in werking treedt.
Artikel 15#
artikel 15 van de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
Artikel 13#
artikel 13 van de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
Artikel 63#
artikel 63 van de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
Artikel 65#
artikelen 65
Artikel 66#
66 van de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming