Uitvoeringsregeling reclassering
- BWB-id
- BWBR0009679
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- 2005-01-01 t/m 2005-11-24
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0009679
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/uitvoeringsregeling-reclassering
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/uitvoeringsregeling-reclassering/2005-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0009679&g=2005-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0009679&z=2026-06-06&g=2005-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0009679/2005-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1998/uitvoeringsregeling-reclassering
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. medewerker: artikel 5, onder a, van de Reclasseringsregeling 1995 artikel 5, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995 een persoon in dienst van de inbedoelde instellingen van maatschappelijke dienstverlening of een vrijwilliger, als bedoeld in, die een gedetineerde bezoekt; b. directeur van het hofressort: de directeur van het hofressort van de stichting; c. gedetineerde: artikel 1, onder d van de Reclasseringsregeling 1995 een persoon ingesloten in een penitentiaire inrichting als bedoeld in; d. reclasseringswerker: artikel 6 van de Reclasseringsregeling 1995 de inbedoelde persoon. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Als reclasseringswerker kan slechts worden aangewezen degene die: a. in het bezit is van het diploma Hoger Sociaal Agogisch Onderwijs (maatschappelijk werk en dienstverlening, HSAO-MWD) of van een voor het reclasseringswerk als gelijkwaardig te beschouwen getuigschrift, b. in dienst is van de stichting of een reclasseringsinstelling en c. Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag beschikt over een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de. 2 Ten behoeve van de aanwijzing als reclasseringswerker legt de kandidaat de stukken over waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De aanwijzing kan worden geschorst, indien de reclasseringswerker op ernstige wijze tekortschiet in de uitoefening van zijn taak. 2 De aanwijzing kan worden ingetrokken, indien blijkt van omstandigheden die, hadden zij zich voorgedaan of waren zij bekend geweest ten tijde van de aanwijzing, zouden hebben geleid tot het niet verlenen van die aanwijzing. 3 De aanwijzing kan worden ingetrokken na beëindiging van de werkzaamheden als reclasseringswerker en wordt in ieder geval ingetrokken na beëindiging van het dienstverband met de stichting of de reclasseringsinstelling. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Het bestuur van de stichting verstrekt de reclasseringswerker na diens beëdiging een bewijs waarmee hij zich als zodanig kan legitimeren. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Alvorens zijn functie te aanvaarden legt de reclasseringswerker voor de rechtbank in het arrondissement van de plaats waar hij is tewerkgesteld de volgende eed of belofte af: ’Ik zweer (beloof), dat ik mijn taak overeenkomstig de gestelde voorschriften naar geweten zal vervullen en de zaken waarvan ik door de uitoefening van mijn functie kennis draag en waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik krachtens wettelijk voorschrift of uit hoofde van mijn functie tot mededeling verplicht ben. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik)’. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De stichting of de reclasseringsinstelling verzoekt de griffier van de rechtbank het tijdstip voor de beëdiging vast te stellen, zo mogelijk binnen een maand na ontvangst van het verzoek. 2 bijlage 1 Het verzoek wordt schriftelijk gedaan volgens het model dat alsbij dit besluit is gevoegd. Het gaat vergezeld van een afschrift van de beschikking, waaruit de aanwijzing van de reclasseringswerker blijkt. 3 De griffier deelt de stichting of de reclasseringsinstelling het tijdstip mee waarop de beëdiging zal plaatsvinden. 4 De griffier maakt van de eedsaflegging een akte op en zendt afschrift daarvan aan de stichting of de reclasseringsinstelling. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De toelating van de medewerker tot een penitentiaire inrichting vindt plaats door de directeur van de penitentiaire inrichting en op advies en voordracht van de directeur van het hofressort waar de penitentiaire inrichting is gevestigd. 2 De directeur van het hofressort waar de penitentiaire inrichting is gevestigd, houdt rekening met het advies van de directeur van het hofressort van de woon- of verblijfplaats of van de laatste detentieplaats van de gedetineerde. 3 De directeur van het hofressort meldt de directeur van de penitentiaire inrichting de naam van de medewerker en de naam van de te bezoeken gedetineerde. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de directeur van het hofressort antecedenten-onderzoek ten aanzien van de medewerker doen verrichten. 2 De directeur van het hofressort stelt de betrokken medewerker op de hoogte van het voornemen tot aanvraag van het onderzoek. 3 Indien de directeur van het hofressort de betrokken medewerker voordraagt voor toelating, stelt hij de directeur van de penitentiaire inrichting van de uitslag van het onderzoek op de hoogte. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 De directeur van de penitentiaire inrichting stelt de directeur van het hofressort schriftelijk in kennis van zijn beslissing omtrent toelating. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Na de beslissing tot toelating verstrekt de directeur van het hofressort de medewerker een ondertekend bewijs van toegang. Op dit bewijs zijn naast de personalia van de medewerker ook de naam en voorletters van de te bezoeken gedetineerde vermeld. 2 De medewerker dient dit bewijs van toegang te ondertekenen. 3 Om toegang tot de penitentiaire inrichting te krijgen, dient de medewerker dit bewijs van toegang over te leggen en zich desgevraagd te legitimeren. 4 Het bewijs van toegang behoudt zijn geldigheid totdat het verblijf van de gedetineerde in de penitentiaire inrichting waarvoor dit bewijs is verstrekt, is beëindigd of totdat de directeur van het hofressort de geldigheid om andere redenen beëindigt. 5 Het bewijs van toegang dient na beëindiging van de geldigheid aan de directeur van het hofressort te worden teruggezonden. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 17, tweede lid, van de Reclasseringsregeling 1995 De ontwerpbegroting en het beleidsplan met de voorgenomen werkzaamheden, als bedoeld ingeeft voor het komende subsidiejaar en indicatief voor de drie daarop volgende jaren in ieder geval aan: a. een visie in hoofdlijnen op de te verwachten ontwikkelingen voor de reclassering als onderdeel van de strafrechtsketen; b. de beleidsvoornemens met een financiële vertaling daarvan, met name ten aanzien van de ontwikkeling van de te leveren producten, de daaraan gerelateerde kostprijzen, de projecten, de centrale budgetten en de prioriteitenstelling die bij de uitvoering daarvan wordt aangehouden; c. de wijze waarop wordt voldaan aan de door de Minister gestelde prioriteiten ten aanzien van de voorgenomen werkzaamheden; d. de te verwachten knelpunten bij de uitvoering van het beleidsplan en de wijze waarop de stichting deze wil oplossen; e. de wijze waarop de reclasseringsinstellingen bij de vorming en de uitvoering van de beleidsvoornemens van de stichting zijn betrokken. 2 artikel 20, tweede lid, van de Reclasseringsregeling 1995 De in het eerste lid genoemde ontwerpbegroting is gebaseerd op het besluit waarbij de subsidie, bedoeld inmet betrekking tot het lopende subsidiejaar is verleend, alsmede op het bedrag dat volgens de meerjarenraming, voorkomend in de toelichting bij de begroting voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, beschikbaar zal zijn voor de reclassering in het subsidiejaar. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikel 19, derde lid, van de Reclasseringsregeling 1995 De definitieve begroting en het activiteitenplan, als bedoeld inbevatten in samenhang in ieder geval: a. een opgave van het aantal geplande producten, in relatie tot de kostprijs per product; b. het totale bedrag voor de voorgenomen of de lopende projecten; c. het totale bedrag voor de centrale budgetten; d. een vergelijking met de begroting van het lopende subsidiejaar, zowel ten aanzien van de geplande aantallen producten, als de uitgaven voor de projecten en de centrale budgetten; e. artikel 7, onder b tot en met d een actualisering van de ingenoemde onderdelen met betrekking tot het komende subsidiejaar; f. een berekening van de kostprijs per product, die bestaat uit een vast en een variabel gedeelte, in relatie tot de gehanteerde tijdnorm per product. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Jaarlijks wordt door de Minister en de stichting overleg gevoerd over de bijdrage aan de arbeidskosten en de ruimte voor de arbeidsvoorwaardenontwikkeling, in het kader van de te verlenen subsidie in het daarop volgende subsidiejaar. 2 Indien het in het eerste lid genoemde overleg niet tot overeenstemming leidt, kunnen de Minister en de stichting gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk advies vragen aan de Adviescommissie arbeidskostenontwikkeling gesubsidieerde sectoren Justitie. 3 De Minister geeft na het in het eerste lid bedoelde overleg aan welke bijdrage in de arbeidskosten de stichting in het kader van de totaal te verlenen subsidie kan verwachten. 4 Bij de vaststelling van de ruimte, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende onderdelen in aanmerking genomen: a. de gemiddelde contractuele loonkostenontwikkeling per uur in de marktsector op jaarbasis; b. het door de Minister vast te stellen percentage voor de incidentele loonontwikkeling; c. de wijzigingen in de wettelijke sociale zekerheid en de wijzigingen in de pensioenpremie van de stichting. 5 De stichting informeert de Minister en de Stichting Pensioenfonds ABP zo spoedig mogelijk over de door haar afgesloten collectieve arbeidsovereenkomsten en de wijzigingen daarin, waaronder begrepen het werkgeversaandeel in de pensioenpremie en de werkgeverspremie wettelijke sociale zekerheid. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 De subsidie of een voorschot op de subsidie wordt slechts besteed voor kosten die verband houden met de uitvoering van de reclasseringswerkzaamheden. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 20, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 De Minister verstrekt in ieder geval voor de aanvang van ieder kwartaal een voorschot op het bedrag van de subsidieverlening, als bedoeld in. 2 Het subsidievoorschot is in ieder geval afgestemd op de geplande aantallen producten. 3 Indien in de loop van het boekjaar blijkt, dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of de werkelijke uitgaven of ontvangsten meer dan 10% lager zijn dan de bedragen van de raming of begroting waarvoor de subsidie is verleend, brengt de stichting dit terstond ter kennis van de Minister, onder opgave van de verschillen en de oorzaken daarvan. 4 De Minister kan op grond van de omstandigheid in het derde lid de hoogte van het voorschot verlagen. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 26, tweede lid, onder a, van de Reclasseringsregeling 1995 De jaarrekening, als bedoeld inbestaat uit de balans en de exploitatierekening met een toelichting. 2 artikel 26, tweede lid, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995 De jaarrekening geeft in samenhang met het jaarverslag, als bedoeld in, en volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat de Minister een verantwoord oordeel kan vormen omtrent: a. het vermogen en het exploitatiesaldo, en b. de solvabiliteit en de liquiditeit van de stichting, voorzover de aard van de jaarrekening dat toelaat. 3 De balans met de toelichting, alsmede de exploitatierekening geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief- en passiefposten van het vermogen op het einde van het boekjaar weer. 4 De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo op het einde van het boekjaar weer. 5 De jaarrekening sluit aan op de begroting, waarvoor subsidie is verleend en op de subsidieverlening van dat jaar. Zij behelst een vergelijking met de gerealiseerde producten, de werkelijke uitgaven voor de projecten en de centrale budgetten, in het jaar voorafgaand aan het boekjaar. 6 De jaarrekening behelst tevens een getrouwe en duidelijke verantwoording van de bouwrekening in het kader van de financiering van de herhuisvesting van de reclassering. 7 De accountant verstrekt aan het Ministerie in het kader van de jaarrekening een afzonderlijke mededeling met de zogenoemde foutenfractie per product. Deze foutenfractie is samengesteld uit de door de stichting opgegeven aantallen producten en het gedeelte dat verantwoord wordt in de jaarrekening. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 26, tweede lid, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995 Het jaarverslag, als bedoeld inbeschrijft in samenhang met de jaarrekening in ieder geval: a. de vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde beleidsvoornemens, met name ten aanzien van de aantallen producten, de daaraan gerelateerde kostprijs, de projecten en de besteding van de centrale budgetten en een toelichting op de verschillen; b. de uitvoering van de door de Minister gestelde prioriteiten ten aanzien van de uitgevoerde werkzaamheden; c. de wijze waarop met de verwachte knelpunten ten aanzien van de uitvoering van het beleidsplan is omgegaan; d. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de (Overeenkomst tot financiering van de) herhuisvesting van grote onderdelen van de reclassering; e. de wijze waarop de reclasseringsinstellingen bij de vorming en de uitvoering van de beleidsvoornemens van de stichting zijn betrokken. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De subsidievaststelling geschiedt voor de aantallen producten op basis van de gerealiseerde afzonderlijke producten. De gerealiseerde productie is de productie zoals verantwoord in de jaarrekening en het jaarverslag. 2 De subsidievaststelling over het totaal van de producten kan, met toepassing van het derde of het vierde lid, ten hoogste het bedrag zijn dat in de subsidieverlening voor het boekjaar waarop de subsidievaststelling betrekking heeft, is vermeld. 3 De gerealiseerde productie met een afwijking naar boven of beneden met een maximum van 10% van de geplande aantallen producten, wordt verrekend tegen het variabele deel van de kostprijs per product. 4 Bij een gerealiseerde productie met een afwijking naar boven of beneden van meer dan 10% van de geplande aantallen producten, wordt het meerdere boven de 10% verrekend tegen de kostprijs. 5 De projecten worden afgerekend op de werkelijke uitgaven tot het maximum van de subsidieverlening voor de projecten. 6 De centrale budgetten worden afgerekend op de werkelijke uitgaven. De niet bestede gelden daarvan worden toegevoegd aan de egalisatiereserve. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 De stichting vormt een egalisatiereserve. 2 Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de kosten van de reclasseringswerkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. 3 De egalisatiereserve wordt uitsluitend aangewend voor uitgaven die in overeenstemming zijn met het activiteitenplan waarop de subsidie is verleend. 4 De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is, belegd. 5 De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd. 6 Per boekjaar mag de toevoeging aan de egalisatiereserve niet meer bedragen dan 5% van de laatst vastgestelde subsidie plus genoten rente, waarbij het totaal van de opgebouwde egalisatiereserve niet meer mag bedragen dan € 4 600 000. 7 Is de egalisatiereserve niet toereikend om het tekort te dekken, dan wordt in het volgende boekjaar aan de Minister een plan van aanpak overgelegd om dit tekort op te heffen. Blijkt na uitvoering van het plan het tekort nog te bestaan, dan kan het tekort ten laste komen van het resterend eigen vermogen. 2001 250 28-12-2001 21-12-2001 , 2001 250 28-12-2001 21-12-2001 , 01-01-2002
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De stichting informeert de Minister uiterlijk vier weken na iedere vier maanden over de uitvoering van de reclasseringswerkzaamheden. Daartoe wordt in ieder geval een opgave gedaan van de aantallen gerealiseerde producten, met een inhoudelijke en financiële toelichting ten aanzien van de verschillen met de vorige periodes van vier maanden en de planning voor het desbetreffende jaar. 2 De stichting verstrekt de in het eerste lid genoemde informatie met behulp van het Informatiemodel Kengetallen en Sturing van het Ministerie. 3 De stichting verstrekt uiterlijk twee maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode een intern controleverslag met een cijfermatig overzicht van de geconstateerde fouten en tekortkomingen, alsmede een mededeling met betrekking tot de ontwikkeling van de betrouwbaarheid van de productiecijfers van de afgelopen periode. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 De stichting informeert de Minister voorafgaand aan een besluit daartoe, over: a. het aangaan van huurovereenkomsten die leiden tot een jaarlijkse last van meer dan € 45 378; b. het aangaan of verstrekken van geldleningen en lease-overeenkomsten en het meewerken aan het vestigen van een zekerheidsrecht of hieruit voortvloeiende rechten, die een bedrag van € 22 689 te boven gaan. 2001 250 28-12-2001 21-12-2001 , 2001 250 28-12-2001 21-12-2001 , 01-01-2002
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 De stichting verstrekt de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing de inlichtingen die deze in het kader van zijn taak vraagt. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 De stichting behoeft de voorafgaande toestemming van de Minister voor: a. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen alsmede van andere vermogensbestanddelen, indien subsidie heeft bijgedragen tot het verwerven van die registergoederen of die andere vermogensbestanddelen, dan wel de lasten daarvoor geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de subsidie; b. het overbrengen van vermogen en/of vermogensbestanddelen naar andere organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid, zonder reële tegenprestatie; c. het vormen van voorzieningen en reserveringen, anders dan voorzien in dit besluit; d. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon; e. het wijzigen van de statuten; f. een juridische fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; g. het doen van aangifte tot haar faillissement of het aanvragen van haar surséance van betaling; h. het ontbinden van de stichting. 2 De Minister beslist binnen vier weken omtrent de toestemming. 3 De beslissing kan éénmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. 4 Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 De stichting verzekert haar aansprakelijkheid naar burgerlijk recht tegenover derden in voldoende mate. 2 De stichting draagt er zorg voor dat de reclasseringsinstellingen hun aansprakelijkheid naar burgerlijk recht in voldoende mate verzekeren. 3 Wetboek van Strafrecht Wetboek van Strafvordering De stichting en de reclasseringsinstellingen verzekeren de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht van personen die op grond van bepalingen in heten in hetonbetaalde arbeid ten algemenen nutte verrichten, indien deze aansprakelijkheid niet reeds anderszins is verzekerd. 4 De stichting verzekert haar onroerende zaken tegen brandschade naar herbouwwaarde en haar roerende zaken tegen brandschade, waterschade en diefstal. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Voor het ter beschikking stellen van goederen aan of het verrichten van diensten voor derden, voorzover het daarbij niet gaat om reclasseringswerkzaamheden, brengt de stichting een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is. 2 Voor het te haren behoeve verrichten van diensten die in het algemeen door de stichting in eigen beheer worden verricht, betaalt de stichting aan een rechtspersoon die de ondersteuning van de reclasseringswerkzaamheden ten doel heeft, geen hogere vergoeding dan het bedrag dat het verrichten van de diensten in eigen beheer zou hebben gekost. 3 De stichting verstrekt desgevraagd aan de Minister een beschrijving van de tussen haar en andere rechtspersonen bestaande organisatorische en financiële banden, alsmede van zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voorzover deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Indien de stichting haar reclasseringswerkzaamheden beëindigt, komt de Minister een direct opeisbare vordering op de stichting toe. 2 Zo spoedig mogelijk nadat de in het eerste lid bedoelde vordering is ontstaan, wordt een balans met toelichting opgemaakt die getrouw en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen weergeeft. Grondslag voor de waardering van de activa is de aanschafwaarde. 3 Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vordering is gelijk aan de som van de activa, zoals blijkt uit de in het tweede lid bedoelde balans, verminderd met de som van de schulden. 4 Indien het vermogen is gevormd mede met middelen van de stichting of met middelen van anderen dan de Minister, komt aan de Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door de Minister in verhouding tot voornoemde middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen. 5 Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing, indien gebouwen, terreinen of roerende zaken ten behoeve waarvan de Minister subsidie heeft verleend, worden vervreemd of geheel of gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken. Het bedrag van de vordering is in dit geval gelijk aan de aanschafwaarde van de desbetreffende zaken. 6 De Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de werkzaamheden van de stichting met toestemming van de Minister door een andere stichting worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die stichting in eigendom worden overgedragen. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 26, tweede lid, onder c, van de Reclasseringsregeling 1995 Reclasseringsregeling 1995 Bij de controle die ten grondslag ligt aan de rapportage bedoeld indient aan de naleving van artikelen uit deen dit besluit op de hieronder aangegeven wijze aandacht te worden besteed. Reclasseringsregeling 1995 Uitvoeringsregeling reclassering artikelen 20 28 deen- normale aandacht artikel 21 - procedurele toetsing artikelen 22 26 detot en met- speciale aandacht artikelen 7, eerste lid 9, eerste lid 12, eerste tot en met vierde lid de,,- normale aandacht artikelen 10 11, derde lid 13 17 20 21 de,,,,en- procedurele toetsing artikelen 8 12, vijfde tot en met zevende lid 14 15 16, derde lid 19, eerste lid de,,,,en, alsmede de uitvoering van de financiering van de herhuisvesting van de reclassering - speciale aandacht. 2 Onder normale aandacht wordt verstaan de controle die door een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in acht wordt genomen bij de controle van een jaarrekening. 3 Onder procedurele toetsing wordt verstaan: a. de controle op het aanwezig zijn van procedures, die dienen te waarborgen dat aan de desbetreffende artikelen wordt voldaan; b. of het volgen van de procedures leidt tot naleving van de betrokken artikelen en c. of de procedures in feite zijn gevolgd. 4 Onder speciale aandacht wordt verstaan de controle waarbij expliciet wordt bezien of de desbetreffende artikelen zijn nageleefd. 5 bijlage 2 In de accountantsverklaring, volgens het alsbij dit besluit opgenomen model, wordt vermeld dat de controle op de naleving van de subsidievoorwaarden heeft plaatsgevonden met inachtneming van het bepaalde in dit artikel. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Bij de planning en uitvoering van de controlewerkzaamheden dient een goedkeuringstolerantie van 1% van de ontvangsten (ten opzichte van de financiële gang van zaken en de betrouwbaarheid van de productie) te worden aangehouden met een (gebruikelijke) betrouwbaarheid van 95%. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing vanaf het boekjaar 1998. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 De Toelatingsregeling reclasseringswerk door derden in inrichtingen wordt ingetrokken. 2 De Regeling controleprotocol subsidiëring reclasseringsinstellingen 1992, laatstelijk verlengd bij circulaire van 4 januari 1995 (472343/94/JR), wordt ingetrokken. 3 De Uitvoeringsregeling reclassering (Stcrt. 1994, 247) wordt ingetrokken. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na plaatsing in de Staatscourant. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Dit besluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsregeling reclassering. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Een afschrift van dit besluit wordt toegezonden aan de Algemene Rekenkamer. 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 1998 109 15-06-1998 10-06-1998 699350/98/PJS 16-06-1998