Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999)
- BWB-id
- BWBR0010461
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2009-12-22 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0010461
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1999/nadeelcompensatieregeling-verleggen-kabels-en-leidingen-in-e
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/1999/nadeelcompensatieregeling-verleggen-kabels-en-leidingen-in-e/2009-12-22
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0010461&g=2009-12-22
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0010461&z=2026-06-06&g=2009-12-22
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0010461/2009-12-22
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/1999/nadeelcompensatieregeling-verleggen-kabels-en-leidingen-in-e
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat; b. verzoeker: artikel 2 7 de indiener van een verzoek als bedoeld inof; c. kabel: een sterke, buigzame, verbinding, bestaande uit een of meer geleiders welke zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie en/of elektrische signalen en/of optische signalen; d. leiding: een buis, vervaardigd van een duurzaam materiaal zoals staal, beton of kunststof en geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen; e. rijkswaterstaatswerken: Wet beheer rijkswaterstaatswerken artikel 1.1 van de Waterwet werken als bedoeld in deof waterstaatswerken als bedoeld inin beheer bij het Rijk; f. spoorwegwerken: infrastructuur bestemd voor verkeer over spoorstaven of geleiderails, met inbegrip van bovenbouw, kunstwerken, sloten en onderhoudswerken en vaste installaties, alsmede de daarbij behorende perrons, laad- en loswegen, trappen, tunnels en liften; g. vergunning: hoofdstuk 6, paragraaf 6, van het Waterbesluit Wet beheer rijkswaterstaatswerken Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen een vergunning als bedoeld in, deen het, voorzover betrekking hebbend op het aanbrengen en hebben van kabels en leidingen in, op, onder of boven rijkswaterstaatswerken of spoorwegwerken; h. droge infrastructuur: rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken, met uitzondering van waterwegen en die dijken als hierna onder i genoemd; i. natte infrastructuur: waterwegen en dijken, voor wat betreft de laatste slechts voor zover het gaat om (de aanleg van of wijziging aan) de dijk als waterkeringswerk; j. langsleiding: een leiding of kabel die, krachtens vergunning, parallel is gelegd aan, boven, onder op of in een rijkswaterstaatswerk of spoorwegwerk; k. kruisende leiding: een leiding of kabel die, krachtens vergunning, kruisend door, op, boven, onder of in een rijkswaterstaatswerk of spoorwegwerk is gelegd. l. buitenleiding: artikel 1 van de Belemmeringenwet privaatrecht een leiding of kabel die buiten een rijkswaterstaatswerk of spoorwegwerk is gelegd en valt onder één van de categorieën openbare werken als bedoeld in(wet van 13 mei 1927, Stb.159). 2009 19723 21-12-2009 11-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1492sectorWAT 2009 19723 21-12-2009 11-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1492sectorWAT 22-12-2009
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Voorzover blijkt dat een verzoeker ten gevolge van een besluit van de minister, inhoudende de wijziging of intrekking van een vergunning, schade lijdt of zal lijden, waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kent de minister, met inachtneming van de hierna volgende bepalingen, op verzoek aan hem een vergoeding toe. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 bijlage 1 De omvang van de schade wordt overeenkomstig de voorschriften vervat in debij deze regeling berekend. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikelen 5 t/m 6 bijlage 2 a) Onverminderd het bepaalde in de, bestaat de vergoeding bij een langsleiding uit een percentage van de berekende schade, welk percentage lineair gerelateerd is aan de tijdsduur die is verstreken vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit tot verlening van de vergunning tot en met de dag van de toezending of uitreiking van het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning, zulks overeenkomstig hetgeen terzake is weergegeven ten behoeve van respectievelijk de droge en natte infrastructuur in de van deze beleidsregeling deel uitmakende schema’s zoals opgenomen in. artikelen 5 t/m 6 bijlage 3 b) Onverminderd het bepaalde in de, bestaat de vergoeding bij een kruisende leiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingskosten zoals is weergegeven in de van deze beleidsregeling deel uitmakende. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Geen vergoeding vindt plaats als in het besluit tot verlening van de vergunning een bepaling is opgenomen dat binnen een periode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de betrokken vergunning, een wijziging of intrekking van die vergunning te voorzien is in verband met binnen die periode uit te voeren werkzaamheden aan en ten behoeve van het desbetreffende rijkswaterstaatswerk of spoorwegwerk en binnen de genoemde periode van vijf jaar daadwerkelijk een besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning wordt toegezonden dan wel uitgereikt. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikelen 3 t/m 5 Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van de schade ten laste van de verzoeker dient te blijven dan uit de toepassing van het gestelde in devoortvloeit, kan van het gestelde in die artikelen worden afgeweken. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De minister kent de verzoeker die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak leidende tot een verlegging van een buitenleiding, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 bijlage 1 De omvang van de schade wordt overeenkomstig de voorschriften vervat in debij deze regeling berekend. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 10 bijlage 4 Onverminderd het bepaalde in, bestaat de vergoeding bij een buitenleiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingskosten zoals is weergegeven in de van deze beleidsregeling deel uitmakende. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikelen 8 9 Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van de schade ten laste van de verzoeker dient te blijven dan uit de toepassing van het gestelde in deenvoortvloeit, kan van het gestelde in die artikelen worden afgeweken. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Een verzoek tot vergoeding wordt zo spoedig mogelijk bij de minister ingediend, doch in ieder geval binnen een termijn van vijf jaar na het van kracht worden van het besluit waarbij de vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken, of de dag na het rechtmatig uitoefenen door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak waardoor een buitenleiding verlegd diende te worden. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht Het verzoek bevat – onverminderd het bepaalde in– ten minste: a. een aanduiding van het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning of van het rechtmatig uitoefenen door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende taak of bevoegdheid leidende tot een verlegging van een buitenleiding; b. artikelen 3 t/m 5 artikelen 8 9 een aanduiding van de aard en omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade berekend conform deen/of deen; c. een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van de verzoeker vergoed dient te worden. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 De minister bevestigt de ontvangst van het verzoek om vergoeding zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst ervan, en stelt de verzoeker op de hoogte van de te volgen procedure. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek om vergoeding besluit de minister: a. artikel 11 het verzoek buiten behandeling te laten indien deze na afloop van de ingenoemde termijn is ingediend of b. het verzoek af te wijzen indien deze naar het oordeel van de minister niet dan wel onvoldoende onderbouwd is nadat de minister de verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim te herstellen binnen vier weken na verzending van de brief waarin de verzoeker op het verzuim is gewezen of c. het verzoek geheel of gedeeltelijk in te willigen of d. hoofdstuk 3 toepassing te geven aanvan deze regeling indien daartoe naar het oordeel van de minister termen aanwezig zijn of e. Afdeling 2.2 het verzoek in handen te stellen van een adviseur dan wel adviescommissie, bedoeld in. of f. het verzoek kennelijk ongegrond te verklaren. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 artikel 14 aanhef en onder c In het besluit, bedoeld in,, wordt tevens aangegeven tot welk gedeelte van de schade de vergoeding zich zal uitstrekken. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 artikel 14 De minister kan de termijn, genoemd in, eenmaal met vier weken verlengen. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikel 14 aanhef en onder e Binnen vier weken nadat toepassing is gegeven aan het bepaalde in,, wijst de minister een adviseur aan, welke niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van de minister. De adviseur heeft tot taak de minister van advies te dienen over het op het verzoek om vergoeding te nemen besluit. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Alvorens een adviseur aan te wijzen, geeft de minister van zijn voornemen daartoe kennis aan de verzoeker. De kennisgeving bevat, naast de redengeving voor het inschakelen van een adviseur, ten minste de naam van de adviseur, zijn beroep en de plaats waar hij zijn werkzaamheden pleegt te verrichten. De verzoeker kan binnen twee weken na de verzending van de kennisgeving bedenkingen uiten tegen de voorgenomen aanwijzing in welk geval de minister eenmalig tot een andere aanwijzing kan overgaan. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikelen 2 7 Het door de adviseur uit te brengen advies bevat ten minste een antwoord op de vraag of de schade een gevolg is van de activiteiten van de minister zoals omschreven in deen. Bij bevestigende beantwoording van die vraag bevat het advies tevens antwoorden op de volgende vragen: a. Is vergoeding van de schade niet of niet voldoende op ander wijze verzekerd? b. wat is de omvang van de schade? c. welk gedeelte van de schade behoort voor vergoeding op basis van deze regeling in aanmerking te komen? d. artikel 6 10 zijn er gronden om toepassing te geven aanofvan deze regeling en zo ja, welk bedrag komt dan voor vergoeding in aanmerking? e. bestaat er aanleiding om op verzoek een bijdrage in de door de verzoeker gemaakte deskundigenkosten toe te kennen voorzoverre het inroepen van deskundigenbijstand door de verzoeker en de kosten daarvan redelijk zijn te achten? 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur De minister stelt aan de adviseur de (nadere) gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van diens adviestaak.is van overeenkomstige toepassing. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 artikel 20 De verzoeker verschaft de adviseur, naast de van verzoeker afkomstige informatie waarover de adviseur – op grond van– reeds beschikt, desgevraagd nadere gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden, daaronder begrepen ambtenaren, in dienst bij een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verant-woordelijkheid van de minister. Indien met het verstrekken van inlichtingen of adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviseur deze bevoegdheid eerst uit na goedkeuring van de minister. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 De adviseur kan desgewenst een plaatsopneming houden. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Ter voorbereiding van zijn advies stelt de adviseur de verzoeker en de minister in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting. Beiden kunnen zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Meegebrachte deskundigen kunnen in de gelegenheid gesteld worden een nadere toelichting te geven. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 artikel 24 De adviseur stelt van zijn werkzaamheden een verslag op. Dit verslag bevat mede een weergave van hetgeen, op grond van, ten overstaan van de adviseur naar voren is gebracht. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 artikelen 27 28 De minister kan aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn dat de adviseur – gelet op de in deengenoemde termijnen – binnen een dermate beperkt tijdsbestek een conceptadvies dient op te stellen dat hij zijn taak niet naar behoren kan vervullen. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Alvorens de adviseur zijn definitieve advies opstelt, maakt hij een concept-advies op. Dit concept-advies wordt aan de verzoeker en de minister toegezonden, met het verzoek om binnen een termijn van uiterlijk vier weken, te rekenen vanaf de datum van verzending van het concept-advies, schriftelijk eventuele bedenkingen tegen het concept-advies naar voren te brengen. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 27 De adviseur stelt zijn definitieve advies vast binnen vier weken na ontvangst van de eventuele bedenkingen van de verzoeker en/of de minister, danwel na afloop van de ingestelde termijn. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 artikel 25 Zodra het definitieve advies is vastgesteld, zendt de adviseur dit, vergezeld van het inbedoelde verslag, aan de minister en aan de aanvrager toe. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikel 14 aanhef en onder e In bijzondere gevallen kan de minister, bij toepassing van het bepaalde in,, voor de benodigde advisering over de aanvraag om schadevergoeding een commissie instellen. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 artikel 30 Een commissie, bedoeld in, bestaat uit een drietal door de minister benoemde deskundigen. De minister wijst uit hun midden de voorzitter aan. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 artikelen 17 29 artikel 17 Detot en metzijn ten aanzien van de commissie van over-eenkomstige toepassing, met dien verstande dat de ingenoemde termijn van vier weken in dat geval acht weken bedraagt. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikel 14, aanhef en onder e Indien toepassing is gegeven aan het bepaalde in, besluit de minister binnen vier weken na de dag van ontvangst van het advies in hoeverre toekenning van de gevraagde vergoeding jegens een verzoeker zal plaatsvinden. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 artikel 33 Indien het inbedoelde besluit afwijkt van het terzake uitgebrachte advies, bevat de motivering van dat besluit de redenen van deze afwijking. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 artikel 15 artikel 33 In een besluit, bedoeld inof, kan het bedrag van de toegekende vergoeding worden verhoogd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, berekend vanaf de dag dat het verzoek om vergoeding is ontvangen dan wel vanaf de dag dat de schade daadwerkelijk is veroorzaakt indien laatstbedoeld tijdstip later is dan de dag van ontvangst van het verzoek. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Indien de verzoeker naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een schadevergoeding, kan de minister, in afwachting van de beslissing terzake die vergoeding, op verzoek dan wel ambtshalve aan de verzoeker een voorschot verlenen. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikel 2 artikel 7 Indien de minister besluit tot het verlenen van één of meer voorschot(ten) wordt daarmee geen aanspraak op schadevergoeding, als bedoeld inof, erkend. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Een voorschot wordt eerst verleend nadat de verzoeker schriftelijk de verplichting heeft aanvaard tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald. De minister kan daarvoor zekerheidstelling verlangen. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Aanvragen om vergoeding, ingediend voor 1 juli 1998, worden behandeld met inachtneming van de NKL 1991. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikel 41 De NKL 1991 wordt op het tijdstip genoemd iningetrokken. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Deze beleidsregeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij, tezamen met de toelichting en bijlagen, wordt bekendgemaakt. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 artikel 39 Deze beleidsregeling wordt tezamen met de overeenkomst in het vijfde jaar na het tijdstip genoemd ingeëvalueerd. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Deze beleidsregeling kan worden aangehaald als ’Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorweg-werken 1999 (NKL 1999)’. 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 1999 97 26-05-1999 12-05-1999 DGP/IB/SR/V-921400 28-05-1999
Artikel 3#
artikel 3
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 De hoogte van de kosten voor het verleggen van een kabel of leiding wordt vastgesteld volgens de hierna volgende berekeningsmethodiek. 2 Bij deze berekeningsmethodiek wor-den de componenten vermogensscha-de en inkomensschade niet als uit-gangspunt genomen. 3 3. Bij deze berekeningsmethodiek wor-den de kosten vastgesteld aan de hand van de werkelijke verleggingskosten. 4 De werkelijke verleggingskosten bestaan uit: materiaalkosten kosten van het uit en in bedrijfstellen kosten van ontwerp en begeleiding uitvoeringskosten. 5 De hoogte van de kosten worden gecorrigeerd indien zich door de verlegging of aanpassing van de kabel of leiding een kwantificeerbare voordeeltoerekening voordoet (zoals bijvoorbeeld een capaciteitstoename van een leiding of het voordeel dat ontstaat indien er een nieuwe leiding in de plaats komt van een technisch versleten leiding).
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Onder materiaalkosten worden verstaan: kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen kabel of leiding en daarvoor noodzakelijke beschermingsconstruc-ties. Hieronder worden in elk geval verstaan kosten van kabel- en of leidingcomponenten, kosten van elektrotechnische, werktuigbouwkundige en civieltechnische materialen, alsmede kosten van bouwmaterialen, alsmede kosten van bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Onder de kosten van het uit en in bedrijf stellen worden verstaan: kosten van het spannings- of produktloos maken van de kabel en leiding alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen van de kabel of leiding, kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard. Tijdelijke voorzieningen van operationele aard zijn voorzieningen die benodigd zijn om de levering tijdens de uitvoering van een verlegging te waarborgen.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Onder uitvoeringskosten worden verstaan: kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden (zoals werkputten en ondersteuningen), kosten samenhangend met de uitvoering van het verwijderen van verlaten kabels of leidingen. De ter plaatse vrijgekomen materialen zijn c.q. worden het eigendom van de leidingbeheerder, kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen die nodig zijn in verband met de aanraking van het infrastructuurwerk (zoals overkluizingen en mantelbuizen), kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard, zoals extra kabel- en leidingvoorzieningen die worden opgeheven zodra de definitieve verlegging is gerealiseerd in samenhang met de voortgang van het infrastructuurproject.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Een aftrek nieuw voor oud wordt alleen toegepast indien sprake is van kenbaar technisch versleten kabels of leidingen. Onder technisch versleten wordt verstaan kabels of leidingen waarvan de technische levensduur binnen een periode van 5 jaar verstreken zal zijn. 2 Een aftrek nieuw voor oud vindt plaats op basis van een contante waardeberekening waarbij wordt uitgegaan van de technische levensduur van de betreffende kabel of leiding. Indien delen van een zelfstandige eenheid vervangen moeten worden, wordt voor de berekening uitgegaan van de integrale kosten van de vervanging van de gehele zelfstandige eenheid onder toerekening van een evenredig deel van de kosten aan het te vervangen onderdeel. De technische levensduur van een aantal soorten kabels of leidingen wordt bepaald aan de hand van het overzicht dat in onderstaande toelichting is opgenomen. De technische levensduur van soorten kabels of leidingen die niet in dit overzicht zijn opgenomen wordt naar redelijkheid bepaald.
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Voor de bepaling van de kosten van ontwerp en begeleiding als bedoeld in lid 4 wordt aansluiting gezocht bij artikel 26 van de Regeling van de verhou-ding tussen opdrachtgever en adviserend ingenieursbureau (RVOI 1998). Ingevolge artikel 26 van die regeling kunnen de volgende werkzaamheden worden onderscheiden: onderhoud- en garantietermijn. Voor de hoogte van de hier opgesomde kosten zijn de werkelijke kosten het uitgangspunt. Indien deze afwijken van het in de RVOI 1998 aangegeven niveau, dan dient onderbouwing van de afwijking te worden gegeven. Zonodig kan een beroep op de hardheidsclausule gedaan worden. Lid 5 impliceert dat, wanneer sprake is van een capaciteitstoename van een leiding of een vervanging van een technisch versleten leiding of kabel, het hierdoor ontstane voordeel wordt afgetrokken van het schadebedrag dat wordt vastgesteld. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor opstallen indien er sprake is van kwantificeerbare voordelen. onderzoek voorontwerp definitief ontwerp bestek aanbesteding en gunning detaillering ten behoeve van de uitvoering directievoering oplevering
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 4 Ook de kosten van het transport van materialen naar de bouwplaats vallen onder het begrip ’materiaalkosten’. Een sluitende opsomming van wat onder het begrip materiaalkosten dient te vallen is niet goed mogelijk zodat in de praktijk van geval tot geval beoordeeld dient te worden welke kosten als materiaalkosten aangemerkt dienen te worden. Als richtsnoer kan daarbij wellicht de interpretatie die in de praktijk gegeven wordt aanvan de overeenkomst dienen.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Onder kosten van uit- en in bedrijf stellen vallen kosten van tijdelijke voorzie-ningen van operationele aard, zoals extra kosten van personele aard ten behoeve van bedrijfsvoering en hulpmiddelen voor die bedrijfsvoering zoals watertanks, gasflessen en noodaggregaten.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Onder de kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard worden alle tijdelijke fysieke kabel- en leidingverbindingen verstaan, die de leidingbe-heerder moet aanleggen en later buiten bedrijf stellen in het kader van de door de minister gevraagde verlegging. Deze kosten houden nauw verband met de noodzakelijke continuïteit van het bedrijfsproces van de betrokken kabel- of leidingbeheerder. De kosten van een CAR-verzekering vallen ook onder het begrip uitvoeringskosten. Onder uitvoeringskosten worden tevens de eenmalige kosten verbonden aan het vestigen van zakelijke rechten begrepen. Uitgangspunt hierbij is echter wel dat deze kosten redelijk zijn. Bij de beantwoording van de vraag wat redelijk is kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de regeling terzake zoals die door de Gasunie en LTO Nederland is overeengekomen. artikel 2 Voor uitvoeringskosten geldt hetzelfde als wat in de laatste zin van de toelichting bijis gesteld.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Leidingen met een technische levensduur van 100 jaar en ouder worden niet geacht aan veroudering onderhevig te zijn. Dit leidt ertoe dat een korting ’nieuw voor oud’ niet toegepast kan worden bij het bepalen van de kosten voor het verleggen van een dergelijke leiding. De hoogte van de kosten van een verlegging kan echter wel gecorrigeerd worden indien zich door de verlegging een kwantificeerbare voordeeltoerekening voordoet. Dit is o.a. het geval als: de capaciteit van de leiding toeneemt, de leiding meer druk kan verdragen (verhoging van de drukklasse), opheffen van een evident verkeerde ligging, opheffen van constructiefouten of een foutieve keuze van leidingmaterialen voorzover deze de technische levensduur significant zouden kunnen beïnvloeden, achterstallig onderhoud eveneens gepaard gaande met een significante verkorting van de technische levensduur en een noodzakelijke reconstructie van oudere opstallen. Bij een reconstructie van oudere opstallen kan afhankelijk van de situatie een correctie nieuw voor oud worden toegepast conform de regels van het onteigeningsrecht waarbij dan een eventuele vergroting van de functionaliteit eveneens in mindering gebracht kan worden op de vergoeding. Een aftrek nieuw voor oud bij leidingen is gecompliceerd, omdat in bijna alle aanpassings- en verleggingssituaties een zelfstandige eenheid (een onderdeel van de technische werken in het leidingencomplex, dat bij vervanging van een (deel van) dit leidingen-complex, zowel uit technisch als uit bedrijfseconomisch oogpunt naar redelijke verwachting in stand zal blijven) ontbreekt. Bij een verlegging van een deel van een zelfstandige eenheid is het pas zinvol om een correctie nieuw voor oud toe te passen, indien die partiële verlegging dicht tegen het moment aan zit, waarop de technische levensduur van de gehele leiding verstreken is. Van dat laatste is sprake indien de periode tussen partiële verlegging en een verstrijken van de technische levensduur 5 jaar of korter is. Een voorbeeld: artikel 9 lid 2 Het onderstaande overzicht is samengesteld op grond vanvan de overeenkomst. Dit overzicht is niet uitputtend zodat de technische levensduur van een kabel of leiding die niet in dit overzicht is opgenomen naar redelijkheid en billijkheid bepaald dient te worden. Kleinere leidingen (tot 50 mm) niet relevant, grotere conform de distributieleidingen. leiding aangelegd in 1959 technische levensduur: 45 jaar totale leiding met een lengte van 800 m zou naar objectieve maatstaven aldus in 2004 moeten worden vernieuwd infrastructureel project maakt verlegging van 100 m leiding noodzakelijk in 2001 kosten "partiële verlegging": ƒ 300.000 - geschatte kosten gehele verlegging in 2004: ƒ 1.500.000 evenredig deel van het in 2001 te verleggen deel ten opzichte van de in 2004 geplande totale verlegging is:(100) / (800) x f. 1.500.000= ƒ 187.500 bij een rekenrente van 4% (dit is tweederde van het gemiddelde percentage dat de grootste banken van Nederland als rente hanteren voor standaard-hypotheken zonder gemeentegarantie op basis van een tienjarige annuïteit) is dit bedrag naar het jaar 2001 contant te maken met de rekensom ƒ 187.500: (1,04)3= ƒ 166.687 de schadeloosstelling is nu gelijk aan ƒ 300.000 (kosten partiële verlegging in 2001) minus ƒ 166.687 (de contant gemaakte evenredige besparing in 2004) = ƒ 133.313 Overzicht technische levensduur Aansluitleidingen Waterleidingen Materiaal Diameterrange [mm] Verwachte technische levensduur (jaar) Transportleidingen Staal > 300 > 100 Beton > 300 > 100 Asbestcement > 300 70 Nodulair GIJ > 300 > 100 Laminair GIJ > 300 > 100 PVC vóór 1975 > 315 40 PVC van en na 1975 > 315 70 PE > 300 70 GVK > 300 > 100 Distributieleidingen Asbestcement 50-300 70 Nodulair GIJ 80-300 >100 Laminair GIJ 80-300 80 PVC vóór 1975 32-315 40 PVC van en na 1975 32-315 70 PE 60-300 70 Staal 60-300 80 Gasleidingen Materiaal Verwachte technische levensduur [jaar] Transportleidingen (8, 4 en 1 bar) Staal > 100 Nodulair GIJ > 100 PE 1 e en 2e generatie 70 PE 3e generatie > 100 Distributieleidingen (100 en 30 mbar) Asbestcement 70 Staal 80 Nodulair GIJ > 100 Laminair GIJ > 100 PE 1 e en 2e generatie 70 PE 3e generatie > 100 Slv PVC > 100 HPVC 70 Electriciteitskabels Materiaal Verwachte technische levensduur [jaar] Hoogspanningsmasten Stalen masten > 100 Transportkabels (>30 kV) Oliedruk kabel < 1970 55 Oliedruk kabel >1970 70 Gasdrukpijpkabel 70 Gepantserd papier lood kabel (GPLK) 60 (XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet water- dicht of voorzien van waterboom- bestendige isolatie 20 (XL)PE kabel, niet gegrafiteerd, niet waterdicht ofvoorzien van waterboom- bestendige isolatie 40 (XL)PE kabel, waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie 70 Distributiekabel middenspanning (tot 30 kV) Gepantserd papier lood kabel (GPLK) 60 (XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboom- bestendige isolatie 20 (XL)PE kabel, niet gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van waterboom- bestendige isolatie 40 (XL)PE kabel, waterdicht of voorzien van waterboombestendige isolatie 70 Distributiekabels laagspanning (0,4 kV) GPLK 100 PVC 100 Aardgas. Kl, K2 EN K3 transportleidin-gen ( > 8 bar) Materiaal Diameter Verwachte [mm] technische levensduur (jaar) Staal >100 > 100
Artikel 4#
artikel 4 sub a
Artikel 4#
artikel 4 sub b
Artikel 9#
artikel 9