Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000
- BWB-id
- BWBR0011011
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 2000-01-01 t/m 2004-09-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011011
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande/2000-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011011&g=2000-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011011&z=2026-06-06&g=2000-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011011/2000-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande
Artikel 3#
artikel 3, eerste lid
Artikel 1 — Artikel 1 Definities#
Artikel 1 Definities 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. de minister: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. alleenstaande ouder: ongehuwde dan wel degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, en die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad; c. ten laste komend kind: Algemene Kinderbijslagwet kind in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt en voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van dekan maken; d. kinderopvang: artikel 2, eerste lid het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens de omstandigheden, bedoeld in; e. kinderopvangplaats: Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang aanbod van kinderopvang dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het, waarbij de volgende soorten worden onderscheiden: 1º hele-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag; 2º halve-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per werk- of studiedag; 3º buitenschoolse opvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding, toezicht en vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt, door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders, waarbij in ieder geval opvang wordt geboden na school en in schoolvakanties; 4º gastouderopvang: kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt in een gezinssituatie, die tot stand komt door bemiddeling van een gastouderbureau gedurende ten minste vijf uren per week en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen. 2 Burgemeester en wethouders kunnen voor de toepassing van deze regeling besluiten gehuwden, als partners geregistreerden of ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met een alleenstaande ouder in het geval één van de partners door omstandigheden de volledige zorg voor één of meer tot hun last komende kinderen op zich heeft genomen. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 2 — Artikel 2 Subsidie aan de gemeente#
Artikel 2 Subsidie aan de gemeente 1 artikel 3, eerste lid De minister verstrekt op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door de gemeenten in het kalenderjaar 2000 te maken kosten voor kinderopvangplaatsen voortvloeiend uit overeenkomsten als bedoeld in, ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar: a. Algemene bijstandswet algemene bijstand ontvangen als bedoeld in deen: 1º betaalde arbeid verrichten, of 2º ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid, of 3º . deelnemen aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering; b. Algemene bijstandswet Wet inschakeling werkzoekenden Besluit in- en doorstroombanen artikel 12 geen algemene bijstand meer ontvangen als bedoeld in dewegens het direct daarop aansluitend verrichten van betaalde arbeid, waaronder begrepen arbeid die met overheidsbijdragen wordt gefinancierd dan wel waarvoor de werkgever subsidie ontvangt op grond van de, hetof de Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij, met inachtneming van, naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten; c. Wet inkomensvoorziening kunstenaars een uitkering ontvangen als bedoeld in de; d. artikel 11 vierde lid Algemene bijstandswet de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, scholing of een opleiding volgen dan wel betaalde arbeid verrichten, en met toepassing vanof 13,, van dealgemene bijstand ontvangen of kunnen ontvangen. 2 Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige sociale zekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 3 — Artikel 3 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3 Subsidievoorwaarden 1 De subsidie wordt verleend indien de gemeente voor de alleenstaande ouder of de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente, met een instelling of een natuurlijke persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit. 2 In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld: a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan; b. de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a; c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten; d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan; e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar hele-dagopvang, halve-dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt; f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden. 3 Burgemeester en wethouders, of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst: a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan 6 weken, en b. de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is de gemeente te berichten indien van de kinderopvangplaats zonder opgaaf van redenen over een periode langer dan 2 weken feitelijk geen gebruik wordt gemaakt. 4 Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoeken burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, moet worden voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst op. 5 Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de kinder-opvangplaats recht bestaat op een andere subsidie. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 4 — Artikel 4 Beschikbaar budget en verdeling van het budget#
Artikel 4 Beschikbaar budget en verdeling van het budget 1 Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt f 123.200.000,–. 2 Algemene bijstandswet De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van het bedrag genoemd in het eerste lid bepaald naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders, dat volgens de facetten-code CBS per ultimo 1998 in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van deontving, waarbij de subsidie in ieder geval per gemeente die een aanvraag doet op basis van deze regeling het equivalent is van één volledige kinderopvangplaats. De uit de eerste volzin voortvloeiende maximaal beschikbare subsidie per gemeente is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling. 3 Indien de ontwikkeling van de lonen in de gepremieerde en gesubsidieerde sector of de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, door de minister herzien en bekend gemaakt in de Staatscourant. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 5 — Artikel 5 Subsidiebedrag#
Artikel 5 Subsidiebedrag 1 De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van hele-dagopvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 19.515,–. 2 De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van halve-dagopvang of buiten-schoolse opvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 12.880,–. 3 De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van gastouderopvang gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 7.810,–. 4 De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien: a. de kinderopvangplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, voor minder dan vijf werk- of studiedagen van de week wordt overeengekomen of slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, of b. de kinderopvangplaats, bedoeld in het derde lid, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt overeengekomen. 5 Artikel 4, derde lid , is van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in dit artikel. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 6 — Artikel 6 Indiening aanvraag#
Artikel 6 Indiening aanvraag 1 Burgemeester en wethouders dienen hun aanvraag om in aanmerking te komen voor de subsidie bij de minister in vóór 1 april 2000. 2 artikel 3, eerste lid artikel 4, tweede lid bijlage 2 Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag burgemeester en wethouders voornemens zijn in 2000 door middel van overeenkomsten als bedoeld in, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende. 3 artikel 4, tweede lid Indien burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geven het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag. 4 artikel 7, eerste lid Indien burgemeester en wethouders vóór 1 april 2000 geen aanvraag indienen kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en het voorschot bedoeld in, terugvorderen. 5 Artikel 4, tweede lid Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid bedoeld in het derde lid of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen., is van overeenkomstige toepassing. 6 Burgemeester en wethouders van gemeenten die de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, hebben ingediend ontvangen vóór 1 juni 2000 van de minister een beschikking tot subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor het jaar 2000 is opgenomen. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 7 — Artikel 7 Bevoorschotting#
Artikel 7 Bevoorschotting 1 artikel 4, tweede lid De minister betaalt op of omstreeks 15 januari 2000 aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie bedoeld in, zonder dat daartoe door burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend. 2 artikel 11 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 artikel 6, eerste lid, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 artikel 6, eerste lid Gemeenten die over het jaar 1998 geen of een nihil jaaropgave als bedoeld inen over het jaar 1999 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld inhebben ingediend, ontvangen geen voorschot, tenzij de aanvraag bedoeld in, vóór 1 februari 2000 door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 1 maart 2000. 3 artikel 6, zesde lid De minister betaalt op of omstreeks 15 juni 2000 aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel terug-gevorderd. 4 artikel 4, derde lid artikel 6, zesde lid Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in, of 5, vijfde lid, wordt de daaruit voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 8 — Artikel 8 Jaaropgave#
Artikel 8 Jaaropgave 1 artikel 213 van de Gemeentewet Burgemeester en wethouders doen vóór 20 september 2001 aan de minister opgave van de in het kalenderjaar 2000 voor subsidie in aanmerking komende kosten voor kinderopvang, bedoeld in deze regeling. Deze jaaropgave is, indien de opgave betrekking heeft op het equivalent van meer dan één volledige kinderopvangplaats, voorzien van een verklaring van een deskundige, belast met de invoorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens. 2 De jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 3 respectievelijk bijlage 4. 3 De verklaring van de deskundige, bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling beschreven controle- en rapportageprotocol. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 9 — Artikel 9 Toezicht#
Artikel 9 Toezicht 1 Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast de ambtenaren van de directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2 Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen, die hij voor het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen inzage in de administratie terzake van belang zijnde bescheiden. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 10 — Artikel 10 Administratieve verplichtingen#
Artikel 10 Administratieve verplichtingen artikel 3, eerste lid Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat, naast de in, bedoelde overeenkomsten, dan wel indien de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente een overeenkomst sluit een afschrift van deze overeenkomst, alle overige van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 11 — Artikel 11 Subsidievaststelling#
Artikel 11 Subsidievaststelling 1 artikelen 2 3 5 artikel 8, eerste lid Met inachtneming van de,enstelt de minister de subsidie vast binnen 12 maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in. 2 artikel 8, eerste lid Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in, kan de minister de subsidie ambtshalve vaststellen. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 12 — Artikel 12 Subsidie en betaalde arbeid#
Artikel 12 Subsidie en betaalde arbeid 1 artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 artikel 3, eerste lid Burgemeester en wethouders van een gemeente die ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld inin het jaar 2000 oordelen over de noodzaak van voortzetting van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder, nemen daarbij in acht dat de minister in ieder geval tot één jaar na de aanvang van de arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in, verleent. 2 artikel 3, eerste lid artikel 10 Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in, door de minister slechts verleend indien burgemeester en wethouders aantonen dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond vanjuncto Artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1994 tot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag bedraagt. 3 In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog maximaal 6 maanden na af oop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. 4 artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in, voor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling zoals die regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 13 — Artikel 13 Inwerkingtreding#
Artikel 13 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000
Artikel 14 — Artikel 14 Citeertitel#
Artikel 14 Citeertitel Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000 Deze regeling wordt aangehaald als:. 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 1999 250 27-12-1999 21-12-1999 BZ/ACT/99/82110 01-01-2000