Regeling studiefinanciering 2000
- BWB-id
- BWBR0011595
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011595
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/regeling-studiefinanciering-2000
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/regeling-studiefinanciering-2000/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011595&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011595&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011595/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/regeling-studiefinanciering-2000
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Drager: artikel 4.1 drager als bedoeld in; Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Persoonlijk online account: persoonlijk account in de webomgeving van RSR, waarin een student met reisrecht zijn reisproduct kan koppelen aan een drager; wet: Wet studiefinanciering 2000 . 2023 9213 28-03-2023 17-03-2023 34983319 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet van
30 november 2022 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in
verband met de invoering van nieuwe betaalmethoden in het openbaar
vervoer (Stb. 2023, 4) in werking treedt.
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Formulieren#
Artikel 2.1 Formulieren Gegevens die nodig zijn voor de toekenning van studiefinanciering, worden door de student, diens partner of diens ouders, verstrekt door invulling en inlevering of elektronische verzending van daartoe bestemde door de Minister te verstrekken formulieren. 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 25-11-2020
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 De studentenchipkaart#
Artikel 2.2 De studentenchipkaart Vervallen 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 01-09-2007 Treedt in werking voor zover het betreft het hoger onderwijs. Treedt in werking voor zover het betreft het beroepsonderwijs op 1 augustus 2007.
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Aanvraagprocedure#
Artikel 2.3 Aanvraagprocedure 1 In de aanvraag om toekenning van studiefinanciering worden de basisbeurs, de aanvullende beurs, de basislening, de aanvullende lening, het collegegeldkrediet of het levenlanglerenkrediet aangevraagd. 2 De aanvrager doet bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid opgave van zijn burgerservicenummer. 3 artikel 7.43, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Indien de aanvrager het collegegeldkrediet aanvraagt, voegt hij bij de aanvraag een bewijs van het door hem verschuldigde collegegeld voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering aanvraagt indien het bedrag dat hij per maand aanvraagt hoger ligt dan een twaalfde deel van het bedrag, genoemd in. 4 artikel 7.45, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet Indien de aanvrager het levenlanglerenkrediet aanvraagt en indien het bedrag dat hij per maand aanvraagt hoger ligt dan een twaalfde deel van het bedrag, genoemd in, onderscheidenlijk, voegt hij bij de aanvraag een bewijs van het door hem verschuldigde collegegeld of lesgeld voor de opleiding waarvoor hij levenlanglerenkrediet aanvraagt. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Volledige opleiding buiten Nederland: aanvraag reisrecht#
Artikel 2.4 Volledige opleiding buiten Nederland: aanvraag reisrecht artikel 3.24, tweede lid, van de wet De student, bedoeld in, die als reisvoorziening een reisrecht wenst te ontvangen, dient daartoe een aanvraag in bij de Minister uiterlijk 8 weken voor de datum waarop het reisrecht moet ingaan. 2023 9213 28-03-2023 17-03-2023 34983319 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet van
30 november 2022 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in
verband met de invoering van nieuwe betaalmethoden in het openbaar
vervoer (Stb. 2023, 4) in werking treedt.
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Deel opleiding buiten Nederland: aanvraag voorziening in geld#
Artikel 2.5 Deel opleiding buiten Nederland: aanvraag voorziening in geld 1 artikel 4.6 De student, bedoeld in, die een reisvoorziening in geld wenst te ontvangen, dient daartoe een aanvraag in bij de Minister. 2 Op het aanvraagformulier wordt door de onderwijsinstelling waar de student blijft ingeschreven, verklaard: a. in welke maanden de student een of meer onderdelen van de opleiding in het buitenland volgt, b. dat deze onderdelen meetellen voor het Nederlands diploma, en c. dat de student gedurende deze periode ingeschreven blijft aan de Nederlandse onderwijsinstelling. 3 Met ingang van de eerste dag van de periode, waarover de aanvraag is toegekend, heeft de student geen reisrecht meer. 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 25-11-2020
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Aanvraagprocedure gebruik overgangsregeling terugbetalingsregels mbo#
Artikel 2.6 Aanvraagprocedure gebruik overgangsregeling terugbetalingsregels mbo artikel 12.32, tweede lid, van de wet De aanvrager die gebruik wil maken van de overgangsregeling, bedoeld in, kan dit kenbaar maken door invulling en inlevering of elektronische verzending van een daartoe bestemd door de Minister te verstrekken formulier. 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 01-01-2024
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Aanvraagprocedure van een tegemoetkoming voor cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs#
Artikel 2.7 Aanvraagprocedure van een tegemoetkoming voor cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs 1 artikel 12.30 van de wet Gegevens die nodig zijn voor de eenmalige toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in, worden door de aanvrager verstrekt door invulling en inlevering of elektronische verzending van een daartoe bestemd door de Minister te verstrekken formulier. 2 artikel 5.7 De aanvrager voegt bij het aanvraagformulier een bewijs van inschrijving betreffende de studiejaren waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd en een afschrift van het diploma waaruit blijkt dat binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien de aanvrager geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld inis afgerond. 3 De aanvrager doet bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid opgave van zijn burgerservicenummer en het bankrekeningnummer waarop de tegemoetkoming kan worden uitbetaald. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Aanvraagprocedure van een tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs#
Artikel 2.8 Aanvraagprocedure van een tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs 1 artikel 12.15 van de wet Gegevens die nodig zijn voor de eenmalige toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in, worden door de aanvrager verstrekt door invulling en inlevering of elektronische verzending van een daartoe bestemd door de Minister te verstrekken formulier. 2 De aanvrager voegt bij het aanvraagformulier een bewijs van inschrijving betreffende de studiejaren waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd en een afschrift van het diploma waaruit blijkt dat binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding is afgerond. 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 01-01-2025
Artikel 2a.1 — Artikel 2a.1 Aanvraag, toekenning en betaling levenlanglerenkrediet#
Artikel 2a.1 Aanvraag, toekenning en betaling levenlanglerenkrediet 1 Een aanvraag van het levenlanglerenkrediet heeft betrekking op één studiejaar. 2 Toekenning van het levenlanglerenkrediet vindt plaats per studiejaar. 3 Betaling van het levenlanglerenkrediet vindt plaats overeenkomstig de wijze van betaling van de reguliere studiefinanciering. 2018 68071 04-12-2018 21-11-2018 1430747 2018 68071 04-12-2018 21-11-2018 1430747 05-12-2018 01-09-2017
Artikel 2a.2 — Artikel 2a.2 Levenlanglerenkrediet voor experiment vraagfinanciering#
Artikel 2a.2 Levenlanglerenkrediet voor experiment vraagfinanciering Vervallen 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 2a.3 — Artikel 2a.3 Hoogte en berekening van het levenlanglerenkrediet voor ho-studenten aan een onderwijseenheid#
Artikel 2a.3 Hoogte en berekening van het levenlanglerenkrediet voor ho-studenten aan een onderwijseenheid 1 artikel 2.12, onderdeel d, van de wet artikel 3.16d, aanhef en onder a, van de wet Voor een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een onderwijseenheid als bedoeld in, wordt onder de voorwaarden, genoemd in dit artikel, afgeweken van de maximale hoogte van het levenlanglerenkrediet per maand, genoemd in. 2 Bij de berekening van de hoogte van het levenlanglerenkrediet dat een ho-student per maand toegekend krijgt, is het aantal studiepunten van de onderwijseenheid waarvoor de ho-student het levenlanglerenkrediet aanvraagt bepalend. 3 Het aantal studiepunten behorende bij de onderwijseenheid waarvoor de ho-student het levenlanglerenkrediet aanvraagt, wordt gedeeld door vijf. Het getal dat daaruit komt wordt naar boven afgerond op een geheel getal en vormt het aantal maanden waarover het levenlanglerenkrediet voor de desbetreffende onderwijseenheid wordt uitbetaald. 4 De hoogte van het bedrag dat per maand wordt uitbetaald aan een ho-student wordt berekend door het aangevraagde bedrag aan levenlanglerenkrediet voor een onderwijseenheid te delen door het aantal maanden als berekend in het derde lid. 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 25-11-2020
Artikel 2a.4 — Artikel 2a.4 Berekening van het collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet voor een student educatieve module of premaster#
Artikel 2a.4 Berekening van het collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet voor een student educatieve module of premaster artikel 3.16f van de wet Voor een ho-student die op grond vanper maand een bedrag aan collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet ontvangt dat gelijkstaat aan de vergoeding die hij naar rato per 5 studiepunten betaalt voor het gebruikmaken van een educatieve module of premaster, wordt het aantal maanden waarover het collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet wordt uitbetaald, berekend door het aantal studiepunten van de educatieve module of premaster te delen door vijf. Het getal dat daaruit komt, wordt naar boven afgerond op een geheel getal en vormt het aantal maanden waarover het collegegeldkrediet of levenlanglerenkrediet wordt uitbetaald. 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 01-09-2023
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Lening na Bachelor of Master-opleiding voor hoger onderwijs in EER-landen#
Artikel 3.1 Lening na Bachelor of Master-opleiding voor hoger onderwijs in EER-landen Vervallen 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 01-09-2007
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Studiefinanciering volledige opleiding in het buitenland: geharmoniseerde opleidingen#
Artikel 3.2 Studiefinanciering volledige opleiding in het buitenland: geharmoniseerde opleidingen Vervallen 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 01-09-2007
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Studiefinanciering volledige opleiding in het buitenland: beroepsonderwijs#
Artikel 3.3 Studiefinanciering volledige opleiding in het buitenland: beroepsonderwijs 1 artikel 2.13a van de wet Voor studiefinanciering kan een mbo-student als bedoeld inin aanmerking komen die onderwijs volgt aan een opleiding die voldoet aan de volgende criteria: a. de opleiding wordt verzorgd aan een instelling in het Gewest Brussel voorzover het betreft Nederlandstalige opleidingen, in Vlaanderen, de Bondsrepubliek Duitsland, Zweden, Frankrijk, Spanje of het Verenigd Koninkrijk en b. artikel 7.2.2, tweede lid, onder a, van de WEB de opleiding wordt voltijds verzorgd op een wijze die vergelijkbaar is met de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in. 2 artikel 7.2.4 van de WEB In afwijking van het eerste lid, onderdeel a kan een mbo-student voor studiefinanciering in aanmerking komen die onderwijs volgt aan een instelling in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte aan een opleiding die niet vergelijkbaar is met enige beroepsopleiding in de landelijke kwalificatiestructuur als bedoeld in. 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 25-11-2020
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Beroepsonderwijs in het buitenland: opleiding niveau 1 of 2 dan wel niveau 3 of 4#
Artikel 3.4 Beroepsonderwijs in het buitenland: opleiding niveau 1 of 2 dan wel niveau 3 of 4 Vervallen 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 2007 144 30-07-2007 13-07-2007 SFB/2007/27480 01-09-2007
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Dragers reisproduct#
Artikel 4.1 Dragers reisproduct 1 Het reisproduct kan aan een van de volgende dragers worden gekoppeld: a. persoonlijke OV-chipkaart; b. token op een mobiele telefoon; of c. token op een fysieke kaart. 2 RSR geeft aan aan welke dragers de student het reisproduct kan koppelen. 2023 9213 28-03-2023 17-03-2023 34983319 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet van
30 november 2022 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in
verband met de invoering van nieuwe betaalmethoden in het openbaar
vervoer (Stb. 2023, 4) in werking treedt.
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Verkrijging reisrecht#
Artikel 4.2 Verkrijging reisrecht 1 artikel 4.1 Om met het reisrecht te kunnen reizen moet het reisproduct door de student in zijn persoonlijke online account worden gekoppeld aan een van de dragers als bedoeld in. 2 artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a Indien de student reist met een drager als bedoeld in, moet de student om met het reisrecht te kunnen reizen, in aanvulling op het eerste lid, het reisproduct bij een daartoe bestemde automaat van de vervoerbedrijven op de drager laden na de koppeling in het persoonlijke online account. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Tijdelijk reisproduct#
Artikel 4.3 Tijdelijk reisproduct 1 Op aanvraag bij RSR kan de student tijdelijk met het reisrecht reizen. In dat geval wordt het studentenreisproduct gekoppeld aan een andere aan de student toebehorende drager die is geverifieerd door de RSR. 2 artikel 4.1 artikel 4.2, eerste lid In afwijking vankan het tijdelijke reisproduct worden gekoppeld aan een anonieme OV-chipkaart. Indien een student het tijdelijk reisproduct koppelt aan een persoonlijke of anonieme OV-chipkaart, moet de student om met het reisrecht te kunnen reizen, in aanvulling op, het reisproduct bij een daartoe bestemde automaat van de vervoerbedrijven op de drager laden na de koppeling in het persoonlijke online account. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Beëindiging reisrecht#
Artikel 4.4 Beëindiging reisrecht artikel 4.5 Het reisrecht wordt beëindigd door het reisproduct dat aan een drager is gekoppeld, stop te zetten op de wijze, bedoeld in. 2023 9213 28-03-2023 17-03-2023 34983319 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet van
30 november 2022 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in
verband met de invoering van nieuwe betaalmethoden in het openbaar
vervoer (Stb. 2023, 4) in werking treedt.
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Stopzetten#
Artikel 4.5 Stopzetten 1 artikelen 3.27 3.28 van de wet artikel 4.4 Met stopzetten wordt in dit artikel bedoeld het stopzetten, bedoeld in deenen. 2 artikel 4.1, onderdeel b of c Het reisproduct dat is gekoppeld aan de drager, bedoeld in, kan door de Minister of student worden stopgezet door RSR te verzoeken de koppeling tussen het reisproduct en de drager te verbreken. 3 artikel 4.1, onderdeel a Het reisproduct dat is geladen op de drager, bedoeld in, wordt door de student stopgezet bij een daartoe bestemde automaat van de vervoerbedrijven. 4 De Minister kan, indien de met een reisproduct geladen drager technische gebreken heeft of indien de automaten van de vervoerbedrijven of het persoonlijke online account bij RSR niet functioneren, beslissen dat het reisproduct stopgezet kan worden door gebruik te maken van een aangetekende brief. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 Keuze in soorten reisrecht#
Artikel 4.6 Keuze in soorten reisrecht 1 Een reisrecht wordt verstrekt in de vorm van: a. een weekreisrecht als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de overeenkomst tussen de vervoerbedrijven en de Staat in verband met de uitvoering van het reisrecht; of b. een weekendreisrecht als bedoeld in artikel 1, zevende lid, van de overeenkomst tussen de vervoerbedrijven en de Staat in verband met de uitvoering van het reisrecht. 2 artikel 3.26, tweede lid, van de wet www.duo.nl artikel 4.2 Indien een student als gevolg van de keuzemogelijkheid voor een soort reisrecht als bedoeld in, een weekendreisrecht kiest, geeft hij dit viaaan de Minister door alvorens hij zijn reisproduct aan zijn drager koppelt zoals beschreven in. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Wisselen van soort reisrecht#
Artikel 4.7 Wisselen van soort reisrecht 1 Een student die recht heeft op een reisvoorziening kan tweemaal per kalenderjaar wisselen van keuze voor een soort reisrecht, met dien verstande dat het nieuwe soort reisrecht niet kan aanvangen: a. in de maanden mei tot en met augustus, en b. binnen twee maanden na een eerdere wisseling van keuze voor een soort reisrecht. 2 Op de aanvraag om te wisselen wordt besloten uiterlijk op de tiende werkdag nadat de aanvraag bij de Minister is ontvangen. 3 In afwijking van het tweede lid wordt op de aanvraag om te wisselen met ingang van een periode die gelegen is na het ingaan van een eerder toegekend reisrecht besloten uiterlijk op de tiende werkdag nadat het eerder toegekende reisrecht is ingegaan. 4 artikel 4.2 Indien bij de beslissing op de aanvraag, bedoeld in het tweede of derde lid, een nieuw soort reisrecht wordt toegekend, kan het bijbehorende reisproduct na die toekenning na vijf werkdagen aan een drager worden gekoppeld op een inbedoelde wijze. 5 Het nieuwe reisproduct kan tot en met zes weken na de in het vierde lid bedoelde aanvraag aan een drager worden gekoppeld. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 Reisproduct strikt persoonlijk#
Artikel 4.8 Reisproduct strikt persoonlijk De student die beschikking heeft over een reisproduct heeft uitsluitend voor zichzelf recht op kosteloos vervoer of korting op de vervoerprijs bij de vervoerbedrijven. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 4.9 — Artikel 4.9 Voorziening in geld#
Artikel 4.9 Voorziening in geld 1 Een student die een opleiding in Nederland volgt en gedurende die opleiding een onderdeel daarvan buiten Nederland gaat volgen, kan over de periode in het buitenland op aanvraag in plaats van een reisrecht in aanmerking komen voor een voorziening in geld. 2 De student komt in aanmerking voor een voorziening in geld, als bedoeld in het eerste lid, indien: a. het onderdeel dat buiten Nederland wordt gevolgd, meetelt voor het Nederlandse diploma, en b. de student ingeschreven blijft aan de Nederlandse onderwijsinstelling. 3 artikel 5.3, eerste lid, van de wet De voorziening in geld, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het bedrag, bedoeld in. 4 artikel 4,2 Toekenning van de reisvoorziening in geld vindt plaats per kalendermaand voor de periode waarin de student voor de betreffende opleiding in het buitenland studeert. Na deze periode wordt dezelfde soort reisrecht toegekend zonder dat dat opnieuw behoeft te worden aangevraagd. Indien de student eerder dan aangegeven terugkeert in Nederland, kan opnieuw een reisrecht worden aangevraagd. Na toekenning daarvan kan het reisproduct na vijf werkdagen aan een drager worden gekoppeld op een inbedoelde wijze. 5 artikel 3.24, vijfde lid, van de wet Dit artikel berust op. 2023 9213 28-03-2023 17-03-2023 34983319 2023 92 22-03-2023 20-03-2023 01-04-2023 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet van
30 november 2022 tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in
verband met de invoering van nieuwe betaalmethoden in het openbaar
vervoer (Stb. 2023, 4) in werking treedt.
Artikel 4a.1 — Artikel 4a.1 Wijze van en waarborgen voor verwerking van een melding van de diensten over een uitreiziger#
Artikel 4a.1 Wijze van en waarborgen voor verwerking van een melding van de diensten over een uitreiziger 1 artikel 2.17a, tweede lid, van de wet Indien de Minister heeft besloten dat een student een uitreiziger is als bedoeld in, krijgt de betreffende persoon in het studiefinancieringssysteem een markering. 2 artikel 2.17a, tweede lid, van de wet Bij een aanvraag of wijziging in de studiefinanciering van een uitreiziger, controleert de Minister aan de hand van de gegevens uit de melding, bedoeld in, of de markering, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is. 3 artikel 2.17a, tweede lid, van de wet De Minister verstrekt geen gegevens aan derden met betrekking tot de melding, bedoeld in, en de markering, bedoeld in het eerste lid. 4 artikel 2.17a, tweede lid, van de wet De Minister bewaart gegevens met betrekking tot de melding, bedoeld in, en de markering, bedoeld in het eerste lid, niet langer dan noodzakelijk voor de toepassing van artikel 2.17a van de wet. 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 2020 60912 24-11-2020 16-11-2020 26008797 25-11-2020
Artikel 4a.2 — Artikel 4a.2 Gegevensuitwisseling met Nederlandse Arbeidsinspectie#
Artikel 4a.2 Gegevensuitwisseling met Nederlandse Arbeidsinspectie 1 artikel 9.6a, derde lid, van de wet De Minister verstrekt gegevens als bedoeld in, slechts op verzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie. 2 In het verzoek, bedoeld in het eerste lid, duidt de Nederlandse Arbeidsinspectie de persoon waarop het verzoek betrekking heeft aan met het burgerservicenummer. 3 De Minister verstrekt de benodigde gegevens via een beveiligde verbinding. 4 De Minister bewaart het informatieverzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie niet. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 4a.3 — Artikel 4a.3 Technische en organisatorische maatregelen ten behoeve van beveiliging tegen verlies of onrechtmatige verwerking en hoe daarop wordt toegezien#
Artikel 4a.3 Technische en organisatorische maatregelen ten behoeve van beveiliging tegen verlies of onrechtmatige verwerking en hoe daarop wordt toegezien 1 artikel 2.17a van de wet De gegevensuitwisseling, benodigd voor de toepassing van, vindt plaats via een beveiligde verbinding tussen de Minister en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Tot deze verbinding hebben uitsluitend die medewerkers van de Dienst Uitvoering Onderwijs toegang die het juiste veiligheidsonderzoek hebben ondergaan. 2 De functionaris voor gegevensbescherming van de Dienst Uitvoering Onderwijs ziet toe op naleving van dit hoofdstuk. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Wijze van terugbetaling#
Artikel 5.1 Wijze van terugbetaling artikel 6.9 van de wet De betaling van de maandelijkse termijnen voor de rente en aflossing van de lening, bedoeld in, geschiedt door middel van een daartoe door de debiteur verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bankrekening van de debiteur. 2009 19644 18-12-2009 10-12-2009 WJZ/175482(1753) 2009 19644 18-12-2009 10-12-2009 WJZ/175482(1753) 01-01-2010 2009 20602 31-12-2009 15-12-2009 HO&S/SF/178173 2009 20602 31-12-2009 15-12-2009 HO&S/SF/178173 01-01-2010
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Aflosvrije periode#
Artikel 5.2 Aflosvrije periode 1 artikel 6.7, tweede lid artikel 10a.5, eerste lid, van de wet Op aanvraag van de debiteur kan de terugbetaling, bedoeld in, en, worden opgeschort met een of meerdere aflosvrije periodes. 2 Een aflosvrije periode beslaat minimaal één kalendermaand. 3 De debiteur dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid in uiterlijk 1 maand voor de datum waarop de aflosvrije periode in moet gaan. 4 Voor elke aflosvrije periode wordt een nieuwe aanvraag ingediend bij de Minister. 2015 46833 22-12-2015 12-12-2015 HO&S/860745 2015 46833 22-12-2015 12-12-2015 HO&S/860745 01-04-2016 2015 26285 25-08-2015 16-08-2015 HO&S/765202 2015 26285 25-08-2015 16-08-2015 HO&S/765202 01-04-2016
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Schorsing reguliere studieschuld bij aangaan levenlanglerenkredietschuld#
Artikel 5.3 Schorsing reguliere studieschuld bij aangaan levenlanglerenkredietschuld De terugbetalingsperiode van de lening hoger onderwijs en de lening beroepsonderwijs wordt op aanvraag geschorst indien de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet geniet. 2020 45086 31-08-2020 19-08-2020 25196035 2020 45086 31-08-2020 19-08-2020 25196035 01-09-2020
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Schorsing levenlanglerenkredietschuld bij aangaan reguliere studieschuld of levenlanglerenkredietschuld#
Artikel 5.4 Schorsing levenlanglerenkredietschuld bij aangaan reguliere studieschuld of levenlanglerenkredietschuld 1 De terugbetalingsperiode van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet wordt van rechtswege geschorst indien: a. artikel 3.1, eerste of tweede lid van de wet de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in, geniet, of b. de debiteur opnieuw levenlanglerenkrediet aangaat en geen lening beroepsonderwijs of lening hoger onderwijs heeft. 2 De terugbetalingsperiode van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet wordt op aanvraag geschorst indien: a. paragrafen 2.2 tot en met 2.4 van de wet artikel 2.12 van de wet de debiteur opnieuw studerende is en onderwijs volgt als bedoeld in de, met uitzondering van het onderwijs, bedoeld in, en geen studiefinanciering geniet; of b. de debiteur opnieuw levenlanglerenkrediet aangaat en een lening beroepsonderwijs of lening hoger onderwijs heeft. 2020 62001 30-11-2020 19-11-2020 HO&S/26083614 2020 62001 30-11-2020 19-11-2020 HO&S/26083614 01-12-2020
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Verrekening en terugbetaling#
Artikel 6.1 Verrekening en terugbetaling 1 artikel 7.1, tweede lid, van de wet Indien uit een beschikking tot herziening als bedoeld inblijkt dat te veel studiefinanciering is uitbetaald, wordt dit op de voet van het tweede en derde lid verrekend met nog te verrichten betalingen op grond van de wet. 2 Eerst wordt zoveel mogelijk verrekend met de nabetalingen die vanaf het tijdstip van afgifte van de in het eerste lid bedoelde beschikking aan de student zouden moeten worden gedaan. 3 artikel 13, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 Vervolgens wordt zolang het te veel uitbetaalde bedrag nog niet volledig is verrekend met de in het tweede lid bedoelde nabetalingen, verrekend met de maandbetalingen, bedoeld in. Wanneer die maandbetalingen met ingang van 1 januari 2026 hoger zijn dan € 215,64, geschiedt de verrekening met dat bedrag. 4 Onder nabetalingen, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan de betaling van bedragen die op grond van enige herzieningsbeschikking over reeds op het tijdstip van afgifte van die beschikking verstreken maanden zonder de verrekening, bedoeld in het tweede lid, aan de student betaalbaar zouden worden gesteld. 5 Indien er niet langer betalingen op grond van de wet zijn, wordt de debiteur verzocht om het bedrag aan studiefinanciering dat te veel is uitbetaald voor zover dat bedrag nog niet is verrekend, binnen 30 dagen geheel terug te betalen. 6 artikel 1.1 van de wet Artikel 6.4, derde lid, van de wet Indien het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, binnen 30 dagen niet geheel is terugbetaald, wordt het openstaande bedrag van rechtswege omgezet in een lening als bedoeld inop de eerste dag van de maand na de laatst mogelijke verrekening, bedoeld in het eerste lid. Deze lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van die omzetting.is bij de berekening van de rente van overeenkomstige toepassing. 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 2025 39853 24-11-2025 11-11-2025 HO&S/1767222 01-01-2026
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Aanpassing#
Artikel 6.2 Aanpassing artikel 6.1, derde lid artikel 17, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 Aanpassing van het bedrag genoemd in, geschiedt met de procentuele wijziging, bedoeld in. 2000 169 01-09-2000 30-08-2000 SFB/2000/33026 2000 169 01-09-2000 30-08-2000 SFB/2000/33026 03-09-2000 01-09-2000
Artikel 6a.1 — Artikel 6a.1 Bacheloropleidingen en verwante kopopleidingen#
Artikel 6a.1 Bacheloropleidingen en verwante kopopleidingen Vervallen 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 2023 18780 07-07-2023 27-06-2023 HO&S/33253621 01-09-2023
Artikel 6b.1 — Artikel 6b.1 artikel 5.6 WSF 2000 Aanspraken op grond van voormalig#
Artikel 6b.1 artikel 5.6 WSF 2000 Aanspraken op grond van voormalig artikel 12.14, eerste lid, van de wet artikel 5.6, vijfde tot en met achtste en tiende lid, van de wet Voor de toepassing vanwordt ten aanzien van de student, bedoeld in, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, onder ‘nominale duur van die opleiding’ verstaan de nominale duur die voor de betreffende student van toepassing is, inclusief de verlenging met een jaar op grond van artikel 5.6 van de wet, zoals dat luidde op 31 augustus 2015. 2015 26285 25-08-2015 16-08-2015 HO&S/765202 2015 26285 25-08-2015 16-08-2015 HO&S/765202 01-09-2015
Artikel 6b.2 — Artikel 6b.2 Omzettingsmoment terugbetalingsvoorwaarden studieschuld#
Artikel 6b.2 Omzettingsmoment terugbetalingsvoorwaarden studieschuld 1 artikel 10a.2, eerste lid, onderdeel b artikel 12.14, vijfde lid, van de wet De lening van een debiteur die op grond van, ofeen aanvraag heeft gedaan om die lening aan te merken als een lening hoger onderwijs, wordt met ingang van de datum waarop de aflosfase begint aangemerkt als een lening hoger onderwijs. 2 Indien de debiteur geen aanvraag als bedoeld in het eerste lid doet, wordt de volledige lening met ingang van de datum waarop de aflosfase begint aangemerkt als lening beroepsonderwijs. 2016 47533 13-09-2016 31-08-2016 HO&S/941443 2016 47533 13-09-2016 31-08-2016 HO&S/941443 14-09-2016
Artikel 6b.3 — Artikel 6b.3 Toepassing nieuwe terugbetalingsregels op studieschuld waarop reeds is afgelost#
Artikel 6b.3 Toepassing nieuwe terugbetalingsregels op studieschuld waarop reeds is afgelost artikel 10a.2, eerste lid, onderdeel b 12.14, vierde lid, van de wet Voor de debiteur, bedoeld in, of, voor wie reeds een aflosfase is aangevangen voordat artikel 12.14, vijfde lid, van de wet op hem van toepassing wordt, geldt het verzoek om de lening aan te merken als een lening hoger onderwijs voor beide leningen, met dien verstande dat: a. artikel 12.14, vijfde lid, van de wet de aanvraag wordt ingediend vóór aanvang van de aflosfase van de lening waaropvan toepassing is, maar na 31 december 2016; b. artikel 12.14, vijfde lid, van de wet beide leningen worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs met ingang van de datum waarop de aflosfase van de lening waaropvan toepassing is begint; en c. de totale duur van de aflosfase voor de lening waarvoor reeds een aflosfase was aangevangen, wordt verminderd met het aantal maanden dat die aflosfase reeds had geduurd. 2015 26285 25-08-2015 16-08-2015 HO&S/765202 2015 26285 25-08-2015 16-08-2015 HO&S/765202 01-09-2015
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 artikel 4.7 Afwijking van#
Artikel 7.1 artikel 4.7 Afwijking van Vervallen 2009 20602 31-12-2009 15-12-2009 HO&S/SF/178173 2009 20602 31-12-2009 15-12-2009 HO&S/SF/178173 01-01-2010
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 artikel 4.10 Afwijking van#
Artikel 7.2 artikel 4.10 Afwijking van Vervallen 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 artikel 4.11 Afwijking van#
Artikel 7.3 artikel 4.11 Afwijking van Vervallen 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 artikel 5.1 Afwijking van#
Artikel 7.4 artikel 5.1 Afwijking van 1 artikel 5.1 hoofdstuk 10a van de wet In afwijking van, kan de betaling, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, voor debiteuren op wievan toepassing is, ook geschieden door een aan de debiteur gezonden betalingsverzoek. 2 artikel 5.1, eerste lid Indien de in het tweede lid bedoelde debiteur betaalt volgens de in, bedoelde wijze, wordt de te betalen maandelijkse termijn telkens verminderd met € 0,77. 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 7.5 — Artikel 7.5 artikelen 6.1 6.2 Afwijking van deen#
Artikel 7.5 artikelen 6.1 6.2 Afwijking van deen Vervallen 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 7.6 — Artikel 7.6 Vastgestelde bedragen#
Artikel 7.6 Vastgestelde bedragen Vervallen 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Intrekking#
Artikel 8.1 Intrekking Vervallen 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 2025 29880 04-09-2025 11-08-2025 HOenS/50735533 01-09-2025
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Inwerkingtreding#
Artikel 8.2 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 september 2000. 2000 169 01-09-2000 30-08-2000 SFB/2000/33026 2000 169 01-09-2000 30-08-2000 SFB/2000/33026 03-09-2000 01-09-2000
Artikel 8.3 — Artikel 8.3 Citeertitel#
Artikel 8.3 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling studiefinanciering 2000. 2000 169 01-09-2000 30-08-2000 SFB/2000/33026 2000 169 01-09-2000 30-08-2000 SFB/2000/33026 03-09-2000 01-09-2000
Artikel 6a.1#
artikel 6a.1