Tijdelijke subsidieregeling Belvedere
- BWB-id
- BWBR0011605
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 2001-04-27 t/m 2004-12-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011605
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/tijdelijke-subsidieregeling-belvedere
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/tijdelijke-subsidieregeling-belvedere/2001-04-27
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011605&g=2001-04-27
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011605&z=2026-06-06&g=2001-04-27
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011605/2001-04-27
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/tijdelijke-subsidieregeling-belvedere
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; b. Belvederegebied: een gebied dat als zodanig door de minister is aangemerkt op basis van de kaart, die is opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II, 1998/99, 26 663, nr. 2, met uitzondering van het daarin aangegeven gebied de Nieuwe Hollandse Waterlinie; c. Belvederestad: bijlage I een stad die is vermeld in de bij deze regeling behorende; d. Nieuwe Hollandse Waterlinie de defensielinie van 85 km lang uit de 19e en 20e eeuw, die loopt van Muiden via de Vechtplassen, de oostkant van de stad Utrecht, de Diefdijk en de Biesbosch tot aan Werkendam en die een samenhangend verdedigingsstelsel vormt bestaande uit een waterhuishoudkundig systeem van onder meer sluizen, inlaten, duikers en dijken om te inunderen, inundatiegebieden, forten en werken met bijbehorende schootsvelden en militaire objecten, zoals groepsschuilplaatsen en kazematten; e. themagericht project: een project dat op basis van een cultuurhistorisch thema of een ruimtelijke ordeningsthema is gericht op versterking van de cultuurhistorie bij de ruimtelijke inrichting; f. regionaal project: een door een provincie voorgedragen project in een door de minister, na overleg met de provincies, uitgekozen Belvederegebied, met als doel het versterken en benutten van de cultuurhistorische identiteit van de omgeving door een ontwikkelingsgerichte benadering van cultuurhistorische kwaliteit, waarbij wordt aangesloten bij ruimtelijke ontwikkelingen en bestaande gebiedsgerichte projecten of initiatieven; g. lokaal project: een project in een Belvederegebied, geïnitieerd op lokaal niveau, met als doel het versterken en benutten van de cultuurhistorische identiteit van de omgeving door een ontwikkelingsgerichte benadering van cultuurhistorische kwaliteit, waarbij wordt aangesloten bij ruimtelijke ontwikkelingen en bestaande gebiedsgerichte projecten of initiatieven; h. stedelijk project: een project dat gericht is op de totstandkoming van cultuurhistorisch verantwoorde ontwerpen ten behoeve van het versterken van de cultuurhistorische identiteit en de daarvoor bepalende kwaliteit van de Belvederesteden. i. project Nieuwe Hollandse Waterlinie: een project dat gericht is op de integrale inrichtingsopgave van het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie; j. kennisproject: een project met als doel bevordering van de uitwisseling en overdracht van kennis, methoden, technieken en inzichten, op het vlak van een ontwikkelingsgerichte benadering van cultuurhistorische waarden in vraagstukken over ruimtelijke inrichting; k. experimenteel project: een project met als doel de bestaande denkbeelden over de scheidslijn tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting ter discussie te stellen en aldus ruimte te scheppen voor nieuwe zienswijzen. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 1 Subsidie voor een project, als bedoeld inwordt verstrekt met toepassing van deze regeling. 2 De minister kan, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van deze regeling afwijken, mits de beschikking waarbij een subsidie wordt verleend, de afwijking uitdrukkelijk vermeldt. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 1 Een project, als bedoeld inkomt voor een subsidie in aanmerking, indien het naar het oordeel van de minister in voldoende mate bijdraagt aan het sterker richtinggevend laten zijn van de cultuurhistorie bij de ruimtelijke inrichting van Nederland. 2 Een project draagt bij aan het in het eerste lid bedoelde doel, indien: a. het project is gericht op een integrale benadering van dan wel een integrale visie op de cultuurhistorie; b. in het project sprake is van een koppeling tussen behoud en benutting van cultuurhistorische kwaliteit enerzijds en het creëren van nieuwe kwaliteit bij toekomstige ruimtelijke inrichtingsprocessen anderzijds; c. het project innovatief is en is gericht op voorbeeldwerking; d. in het project sprake is van betrokkenheid en inzet van overheid, particuliere organisaties en marktpartijen; e. het project bijdraagt aan een evenwichtige geografische en thematische spreiding van de te subsidiëren projecten over Nederland; f. indien het een regionaal of een lokaal project betreft: het project is gericht op de karakteristieken, de beleidskansen en de geldende beleidsstrategie van de Belvederegebieden; g. indien het een project Nieuwe Hollandse Waterlinie betreft: het project bijdraagt aan de integrale inrichtingsopgave van het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie door het creëren van voorbeeldwerking, het organiseren van communicatie en voorlichting en het stimuleren van duurzame functies. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Het subsidieplafond voor het jaar 2001 bedraagt voor: a. themagerichte projecten: f 1 miljoen; b. regionale projecten: f 5 miljoen; c. lokale projecten: f 1,2 miljoen; d. stedelijke projecten: f 0,8 miljoen; e. projecten Nieuwe Hollandse Waterlinie: f 0,6 miljoen; f. kennisprojecten: f 0,6 miljoen; g. experimentele projecten: f 0,3 miljoen. 2 Indien een of meer van de subsidieplafonds, genoemd in het eerste lid, niet worden bereikt, kan de minister het resterende bedrag toevoegen aan een of meer van de overige subsidieplafonds. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Geen subsidie wordt verleend: a. artikel 6, eerste en tweede lid voor projecten waarvan het op grond van, berekende subsidiebedrag lager is dan f 20.000,-; b. aan landbouwondernemingen; c. voorzover het aan de subsidieaanvrager te verlenen subsidiebedrag vermeerderd met het bedrag van subsidies die hem uit anderen hoofde worden verleend, voor een periode van drie jaar hoger is dan f 220.000,- en hij met winstoogmerk aan het economisch verkeer deelneemt. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Een projectsubsidie bestaat uit een bedrag ten behoeve van een project, uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd projectplan. 2 Het subsidiebedrag bestaat uit maximaal 75% van het totale begrote bedrag volgens het goedgekeurde projectplan. 3 Voor een themagericht project, een lokaal project, een stedelijk project, een project Nieuwe Hollandse Waterlinie, een kennisproject of een experimenteel project wordt maximaal f 150.000,- subsidie verleend. 4 Voor een regionaal project wordt maximaal f 500.000,- subsidie verleend. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 11, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen In afwijking vanwordt een aanvraag ingediend vóór 12 juni 2001. 2 Aanvragen worden ingediend bij het agentschap Centrale Financiën Instellingen, FTO/TPK (Belvedere), van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, postbus 606, 2700 ML Zoetermeer. 3 Een aanvraag wordt ingediend op een aanvraagformulier volgens het model dat is opgenomen in de bijlage die bij deze regeling behoort. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Voor 1 november 2001 beslist de minister in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op de ingediende aanvragen. 2 artikel 9 Voordat de minister een beslissing neemt, laat hij zich over de ingediende aanvragen adviseren door de Adviescommissie, bedoeld in. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Er is een Adviescommissie Belvedere. 2 De Adviescommissie heeft tot taak de minister te adviseren of een aanvraag die op grond van deze regeling wordt ingediend, voor subsidie in aanmerking komt. 3 artikel 4 artikel 3, tweede lid Indien een subsidieplafond, als genoemd in, zou worden overschreden door verstrekking van subsidie voor alle, naar het oordeel van de Adviescommissie daarvoor in aanmerking komende aanvragen, adviseert de Adviescommissie bovendien op basis van de criteria van, in welke volgorde die aanvragen voor toekenning in aanmerking komen. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De Adviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, waaronder de voorzitter, van wie uit hoofde van hun deskundigheid een nuttige bijdrage aan de werkzaamheden van de Adviescommissie kan worden verwacht. 2 De voorzitter en de leden maken geen deel uit van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en zijn overigens niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 3 De minister, in overeenstemming met de andere ministers genoemd in het tweede lid, benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de leden. 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 07-09-2000
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Indien een lid van de Adviescommissie uit andere hoofde op enigerlei wijze betrokken is bij een aanvraag, neemt hij geen deel aan de beraadslagingen en advisering over die aanvraag door de Adviescommissie. 2 In het advies geeft de Adviescommissie de overwegingen weer die aan het advies ten grondslag liggen. 3 De Adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. 4 De Adviescommissie kan zich doen bijstaan door andere personen, voorzover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 07-09-2000
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 De minister, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij dragen gezamenlijk zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van het secretariaat van de Adviescommissie en voor de kosten van de Adviescommissie. 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 2001 80 25-04-2001 19-04-2001 WJZ/2001/14972(8115) 27-04-2001
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 36 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen De rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen, bedoeld in, geschiedt overeenkomstig het als bijlage II bij deze regeling gevoegde Controleprotocol Projectsubsidies en met gebruikmaking van de in bijlage III bij deze regeling opgenomen modelaccountantsverklaring. 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 07-09-2000
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 07-09-2000
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Belvedere. 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 2000 171 05-09-2000 03-09-2000 WJZ/2000/34506(8107) 07-09-2000
Artikel _1 — Groningen#
Groningen Appingedam Groningen
Artikel _2 — Friesland#
Friesland Bolsward Dokkum Franeker Harlingen Hindelopen Leeuwarden Sloten Workum IJlst Sneek Stavoren
Artikel _3 — Drenthe#
Drenthe Assen
Artikel _4 — Overijssel#
Overijssel Blokzijl Deventer Gramsbergen Hasselt Kampen Oldenzaal Ootmarsum Vollenhove Zwolle
Artikel _5 — Gelderland#
Gelderland Arnhem Batenburg Bredevoort Bronkhorst Buren Culemborg Doesburg Elburg Harderwijk Hattem Nijmegen Tiel Zaltbommel Zutphen
Artikel _6 — Utrecht#
Utrecht Amersfoort Oudewater Utrecht Wijk bij Duurstede IJsselstein
Artikel _7 — Noord-Holland#
Noord-Holland Alkmaar Amsterdam Edam Enkhuizen Haarlem Hilversum Hoorn Medemblik Monnickendam Muiden Naarden Weesp Zaanstad
Artikel _8 — Zuid-Holland#
Zuid-Holland Ameide Den Briel Den Haag Delft Dordrecht Geervliet Goedereede Gorinchem Gouda Heenvliet Leiden Maassluis Middelharnis Nieuwpoort Rotterdam Schiedam Schoonhoven Vianen Voorburg
Artikel _9 — Zeeland#
Zeeland Aardenburg Domburg St.-Anna ter Muiden Brouwershaven Goes Hulst St.-Maartensdijk Middelburg Tholen Veere Vlissingen Zierikzee
Artikel _10 — Noord-Brabant#
Noord-Brabant Bergen op Zoom Breda 's-Hertogenbosch Eindhoven Grave Geertruidenberg Heusden Megen Oisterwijk Ravenstein Tilburg Willemstad Woudrichem
Artikel _11 — Limburg#
Limburg Heerlen Maastricht Roermond Sittard Thorn Valkenburg
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 In het eerste lid van artikel 2 wordt tot uitdrukking gebracht dat de eveneens op het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen gebaseerde Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen niet van toepassing is. Zie ook artikel 3 van die regeling. Met name het uitgangspunt van gezamenlijkheid, zowel voor wat betreft de besluitvorming, als voor wat betreft de financiering, en het tijdelijke karakter rechtvaardigen in het onderhavige geval een `eigen' regeling. Het tweede lid is ontleend aan artikel 2 van de hiervoor vermelde regeling.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 In het eerste lid van artikel 3 wordt in algemene zin aangegeven wat de bedoeling is van de onderhavige subsidieregeling. Zie ook het algemene deel van deze toelichting. Van belang daarbij is de algemene notie dat de regeling geen cultuurhistorische subsidieregeling pur sang is, maar bestemd is voor ruimtelijke inrichtingsvraagstukken waarbij cultuurhistorie een rol speelt. In het tweede lid van artikel 3 wordt die bedoeling nader uitgewerkt. Elke aanvraag dient op enigerlei wijze (meer of minder) aan alle gestelde eisen te voldoen. De eisen zijn willekeurig, dat wil zeggen niet in volgorde van belangrijkheid, opgesomd. De mate waarin aan de eisen wordt voldaan, is van belang voor de vraag of de minister van oordeel is dat de aanvraag voldoende bijdraagt aan het doel van de regeling en is voorts van belang bij dreigende overschrijding van een subsidieplafond. In die situatie vallen de aanvragen die het minst aan de eisen voldoen, bij gebrek aan middelen af. Uiteraard wordt geen subsidie verstrekt voor activiteiten die het reguliere werkterrein van de rijksoverheid of de lagere overheden betreffen. De subsidieregeling betreft een extra impuls. Subsidiëring van `reguliere' taken zou derhalve niet bijdragen tot het beoogde doel van deze regeling (zie in dat verband ook artikel 4, derde lid, onder a, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen). Subsidie wordt evenmin verstrekt indien onvoldoende aannemelijk is dat voor het project voldoende financiële middelen beschikbaar komen (artikel 4, derde lid, onder c, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen). Onderdeel a Projecten dienen een integraal karakter te hebben. Hierbij gaat het om een integrale benadering vanuit de drie cultuurhistorische disciplines: archeologisch, historisch-(steden)bouwkundig en historisch-landschappelijk. Een project hoeft niet noodzakelijkerwijze op alle drie de disciplines te zijn gericht, maar er dient wel sprake te zijn van een integrale visie vanuit de cultuurhistorie. Onderdeel b Aandacht voor cultuurhistorie betekent een terugblik in het verleden; ruimtelijke inrichting vraagt een blik op de toekomst. Bij de beoordeling van de projecten wordt expliciet gekeken naar de wijze waarop deze aspecten aan elkaar worden gekoppeld. Onderdeel c De extra impuls die met deze regeling wordt beoogd, richt zich niet op bestaande werkwijzen, maar is juist gericht op een vernieuwende aanpak. Projecten dienen om die reden zicht te bieden op nieuwe mogelijkheden en nieuwe ideeën over de omgang met cultuurhistorie binnen de ruimtelijke ordening. Projecten leveren belangwekkende informatie op. In de aanvraag dienen om die reden voldoende waarborgen te worden geboden voor verspreiding van de in het project te ontwikkelen kennis of inzichten. Onderdeel d Behoud van het onroerend cultureel erfgoed is alleen mogelijk, indien tegelijkertijd zorg wordt gedragen voor voldoende ruimtelijke en economische `dragers' en door het cultuurhistorisch belang te koppelen aan andere belangen. Dit impliceert dat duurzaam behoud van het cultureel erfgoed niet een zorg voor de rijksoverheid alleen is, maar gestalte krijgt door gerichte samenwerking met andere overheden, marktpartijen, maatschappelijke organisaties en andere instellingen. Betrokkenheid van particuliere organisaties, profit en non-profit, is daarom bij de gebiedsgerichte ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit van groot belang. Het rijk verwacht van de initiatiefnemers van de gebiedsgerichte aanpak dat zij particuliere organisaties vroegtijdig en volwaardig betrekken bij deze projecten. Onderdeel e Bij de toewijzing van de projecten wordt rekening gehouden met geografische en thematische spreiding. Concentratie van middelen in een bepaald deel van Nederland of bestemd voor een bepaald onderwerp of thema is niet gewenst. Het beperkte budget kan breed worden ingezet door in Belvederegebieden en -steden zoveel mogelijk verschillende stimulerende activiteiten te financieren. Indien diverse projecten in een bepaalde streek worden uitgevoerd of een bepaald onderwerp betreffen, kunnen daarom omwille van de spreiding van het budget over een zo breed mogelijk (beleids)terrein projecten worden afgewezen. Onderdeel f In de bijlage van de nota Belvedere worden de cultuurhistorische kwaliteit, de beleidskansen en voorgestelde beleidsstrategieën beschreven per Belvederegebied. Naarmate een project dichter aansluit bij hetgeen daar is beschreven, bestaat er meer kans dat de aanvraag wordt toegewezen. Deze eis geldt alleen voor de regionale en lokale projecten.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Voor de verdeling van de beschikbare middelen in het jaar 2000 geldt een tenderprocedure, waarbij in geval van dreigende overschrijding van een subsidieplafond de meest geschikte aanvragen voor subsidie in aanmerking komen, oftewel de aanvragen die in hogere mate dan andere aanvragen voldoen aan de criteria van artikel 3, tweede lid.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Ter voorkoming van versnippering van het bestaande budget is in artikel 5 een drempelbedrag geïntroduceerd.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 In het tweede lid is een maximum subsidiepercentage opgenomen, aangezien het gewenst is, dat ook andere partijen bij de projecten worden betrokken. Deze betrokkenheid moet onder meer blijken uit een financiële bijdrage. Vanwege het beperkte budget en het karakter van een extra impuls is daarnaast een maximum subsidiebedrag per project vastgesteld. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de categorie regionale projecten en de overige categorieën, omdat de verwachting is dat binnen de geselecteerde Belvederegebieden meerdere regionale projecten worden geïnitieerd.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De termijn van het eerste lid moet worden beschouwd als een `fatale' termijn. Aanvragen die na dat tijdstip zullen worden ingediend, zullen in beginsel niet in behandeling worden genomen. Die strikte benadering is noodzakelijk in verband met de subsidieplafonds en de daarmee verband houdende tenderprocedure. De strekking van het derde lid is, de behandeling van aanvragen soepeler te laten verlopen. Uiteraard zal worden onderzocht of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op juiste wijze door de aanvrager zijn gekwalificeerd.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 In het eerste lid van artikel 8 komt het interdepartementale karakter van `Belvedere' tot uitdrukking. Inherent aan de voorgestelde tenderprocedure is, dat gelijktijdig wordt beslist op de ingediende aanvragen. Dat dient vóór 1 januari 2001 te gebeuren, omdat het wenselijk is dat het beschikbare budget nog in het jaar 2000 zal worden verplicht. De hiervoor weergegeven tenderprocedure vloeit voort uit artikel 5b van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen.
Artikel _12 — Artikelen 9 tot en met 12#
Artikelen 9 tot en met 12 Teneinde de ingediende aanvragen op een zorgvuldige wijze te beoordelen is een adviescommissie in het leven geroepen, die vanuit de specifieke deskundigheden van de leden zullen adviseren omtrent de te nemen subsidiebeslissingen. De commissie heeft een niet-ambtelijk karakter. De werkzaamheden van de adviescommissie dienen - in verband met de beslistermijn van1 januari 2001 - in het jaar 2000 te zijn afgerond.
Artikel _1 — Opdracht#
Opdracht Wij hebben de bijgevoegde subsidiedeclaratie van ...... (naam subsidieontvanger) te ...... (plaats) gecontroleerd. De subsidiedeclaratie is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het bestuur van ...... (naam subsidieontvanger). Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake de subsidiedeclaratie te verstrekken.
Artikel _2 — Werkzaamheden#
Werkzaamheden Onze controle is verricht overeenkomstig algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten en met in acht neming van het controleprotocol, bedoeld in Bijlage II bij de Tijdelijke subsidieregeling Belvedere (de Regeling). Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen, dat de subsidiedeclaratie geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de bedragen en de toelichtingen in de subsidiedeclaratie. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.
Artikel _3 — Oordeel (indien goedkeurend)#
Oordeel (indien goedkeurend) Wij zijn van oordeel dat de subsidiedeclaratie voldoet aan de subsidiebepalingen van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (het Besluit) inzake de verantwoording. Tevens delen wij mede dat de bepalingen van het Besluit genoemd in bijlage II bij de Regeling en de nader gestelde subsidiebepalingen de brief van ..., kenmerk ..., d.d. ... zijn nageleefd.
Artikel _4 — Oordeel (indien niet goedkeurend)#
Oordeel (indien niet goedkeurend) Wij zijn van oordeel dat ... Plaats en datum: Handtekening: Naam accountant: Naam accountantskantoor: Adres: Postcode en woonplaats: Telefoon:
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Onderdelen b en c Nederland kent diverse gebieden met cultuurhistorische waarden. In sommige gebieden is sprake van een cumulatie van waarden en (of) een integrale samenhang van waarden, die maakt dat deze gebieden bijzondere aandacht verdienen. In nauwe afstemming tussen rijk en provincies zijn gebieden geselecteerd, op kaart gezet en beschreven in termen van karakteristieken. Daarbij zijn fysieke dragers geïdentificeerd die als het ware het cultuurhistorische karakter van een gebied vormgeven. Het zijn deze, niet limitatief maar wel representatief, opgesomde dragers waarop het ruimtelijk beleid zich kan richten. De Belvederegebieden en Belvederesteden zijn aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Nederland (Belvederekaart), die is opgenomen in de nota `Belvedere, Beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting'. Deze nota is ondertekend door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Verkeer en Waterstaat. De nota is op 2 juli 1999 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 1998/99, 26 663, nrs. 1 en 2). Deze kaart is gebaseerd op deskundige beoordelingen door het rijk en de provincies vanuit de drie betrokken invalshoeken: de archeologische, de historisch-(steden)bouwkundige en de historisch-landschappelijke. De kaart onderscheidt gebieden met sectorale cultuurhistorische waarden en de Belvederegebieden met gecombineerde cultuurhistorische waarden. De kaart vormt de basis voor het gebiedsgerichte beleid. Voorzover er bij de beoordeling van een concrete aanvraag, ondanks het bestaan van de Belvederekaart onduidelijkheid ontstaat omtrent de exacte grenzen van een Belvederegebied, neem ik een besluit terzake. Het gebied de Nieuwe Hollandse Waterlinie is uitgezonderd van de begripsomschrijving Belvederegebied, omdat dit gebied als afzonderlijk project is aangemerkt (artikel 1 sub h) en dientengevolge onduidelijkheid zou kunnen ontstaan omtrent de afbakening tussen regionale projecten, lokale projecten en projecten Nieuwe Hollandse Waterlinie. Voor de bepaling van de cultuurhistorische waarde van de steden is een andere systematiek gevolgd. In grote lijnen gaat het om beschermde stadsgezichten in de zin van de Monumentenwet 1988, een aantal stadsgezichten uit de jongere bouwkunst (18501940) en een aantal in archeologisch opzicht waardevolle steden. Onderdeel d De categorie themagerichte projecten betreft het stimuleren van een themagerichte aanpak van de cultuurhistorie. Sommige cultuurhistorische waarden en structuren kennen een verspreiding die verder reikt dan een af te bakenen gebied en lenen zich daardoor voor een thematische benadering. Het betreft vooral projecten met als doel de cultuurhistorie toeristisch of recreatief te ontsluiten en voorzieningen te treffen voor restauratie en onderhoud. Deze projecten bieden veelal een goede mogelijkheid voor een directe betrokkenheid van particuliere organisaties. Het gaat met name om twee typen thema's, namelijk om ruimtelijke trends en historische thema's. In algemene zin kunnen enkele majeure ruimtelijke tendensen worden onderscheiden op het gebied van veranderend waterbeheer, de dynamiek van het platteland en de verandering en vernieuwing van het verstedelijkingspatroon. Het zijn ontwikkelingen (`ruimtelijke trends') die structureel van aard lijken en zich, in verschillende vormen, over een langere termijn en over geheel Nederland zullen uitstrekken. Zij dienen als aanknopingspunten voor cultuurhistorisch en ruimtelijk beleid. Daarnaast zijn er de (cultuur)historische thema's als historische infrastructuur (b.v. trekvaarten en waterwegen, oude spoorlijnen, de Romeinse `limes', middeleeuwse handelsroutes), historische banden tussen steden en dorpen (Hanzesteden, vissersdorpen aan de Zuiderzee), historische waterwerken (oude dijken met doorbraakkolken, vaarten en tochten, sluisjes en dijkmagazijnen) of andersoortige thema's, zoals Holland Bloembollenland of vestingsteden. - Onderdeel e De categorie regionale projecten betreft de realisering van projecten in bepaalde Belvederegebieden. De definitieve selectie van de daarvoor in aanmerking komende gebieden zal samenvallen met de subsidieverleningen op grond van deze regeling voor het jaar 2000. De provincies zijn reeds uitdrukkelijk uitgenodigd om voorstellen te doen, zowel terzake van de gebieden als terzake van de projecten. Het is de bedoeling dat in de projectplannen wordt aangesloten bij ruimtelijke ontwikkelingen. In bijzondere gevallen kunnen echter ook gebiedsgerichte projecten die uitsluitend op titel van de cultuurhistorie worden geëntameerd, voor subsidie in aanmerking komen. Onderdeel f De categorie lokale projecten betreft het stimuleren van en investeren in lokale en regionale initiatieven buiten de regionale projecten, maar wel in de Belvederegebieden, gericht op een integrale benadering van de cultuurhistorie en de betrokkenheid van particuliere partijen. Ook voor deze categorie geldt dat in bijzondere gevallen gebiedsgerichte projecten kunnen worden geëntameerd uitsluitend op titel van de cultuurhistorie Onderdeel g Op grond van deze regeling wordt ten behoeve van het stimuleren van op cultuurhistorische leest geschoeide (lokale) plannen een budget beschikbaar gesteld om cultuurhistorisch verantwoorde ontwerpen te bevorderen. Hierbij gaat het om planvorming voor de verdere ontwikkeling van binnensteden, de vormgeving van de openbare ruimte, de herstructureringsopgaven van bestaande bedrijventerreinen en woonwijken en de vormgeving van nieuwe uitbreidingslokaties. Onderdeel h Subsidiëring van projecten Nieuwe Hollandse Waterlinie heeft als doel het geven van een nationale impuls aan de aanpak van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is aangemerkt als `nationaal project' in het kader van de nota Belvedere, vanwege de complexe bestuurlijke en ruimtelijke opgave die een regie vanuit het Rijk nodig maakt. Voor dergelijke omvangrijke en complexe projecten is volgens de Startnota Ruimtelijke Ordening 1999 een integrale inrichtingsopgave aan de orde. De revitalisering van de Nieuwe Hollandse Waterlinie kan, als megasingel rond de Randstad, de fysieke drager van de ruimtelijke inrichtingsopgave vormen.