Uitvoeringsregeling BSE 2000-II
- BWB-id
- BWBR0011340
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2000-12-16 t/m 2005-06-10
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011340
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/uitvoeringsregeling-bse-2000-ii
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/uitvoeringsregeling-bse-2000-ii/2000-12-16
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011340&g=2000-12-16
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011340&z=2026-06-06&g=2000-12-16
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011340/2000-12-16
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/uitvoeringsregeling-bse-2000-ii
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Als programma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s wordt vastgesteld het programma opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A. 2 Voor de in bijlage 1, onder A opgenomen onderdelen van het programma worden de subsidieplafonds vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in bijlage 1, onder B. 3 De in het tweede lid bedoelde bedragen zijn beschikbaar voor aanvragen die zijn ontvangen in de in bijlage 1, onder C opgenomen perioden. 4 De bedragen voor de onderdelen A. (Energiebesparing in utiliteitsbouw), B. (LTGO), C. (Ontwikkeling en beproeving van de Energie Prestatie Advies (EPA) methodiek voor de bestaande bouw), D. (Loreen), F. (OEI), G. (DBT) en H. (EBIT) van bijlage 1, onder A worden verdeeld op de wijze zoals omschreven in artikel 9, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s. Het bedrag voor onderdeel E. (ENTER) van bijlage 1, onder A wordt verdeeld op de wijze zoals omschreven in artikel 9, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s. 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 14-05-2000
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Er is een Adviescommissie Tender Gebruiksgedrag die tot taak heeft Novem B.V. op haar verzoek te adviseren omtrent aanvragen in het kader van het in bijlage 1, onder A opgenomen onderdeel E. (ENTER) van het programma. 2 De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste acht andere leden. 3 De voorzitter en de leden worden door de Minister van Economische Zaken voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar. 4 De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 5 Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. 6 De Minister van Economische Zaken kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen. 7 De commissie verstrekt desgevraagd aan de Minister van Economische Zaken de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De Minister van Economische Zaken kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. 8 De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van de Minister van Economische Zaken, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en de doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de Minister van Economische Zaken toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld. 9 In het secretariaat van de commissie wordt door Novem B.V. voorzien. 10 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij Novem B.V. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeslagen in het archief van Novem B.V. 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 14-05-2000
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 14-05-2000
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling BSE 2000-II. 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 2000 92 12-05-2000 01-05-2000 WJZ00028352 14-05-2000
Artikel A1 — A1 Nieuwbouw Utiliteit#
A1 Nieuwbouw Utiliteit De voornaamste soorten projecten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn: onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op de ontwikkeling en toepassing van hulpmiddelen die gebruikt worden om tot een energie-efficiënt gebouwontwerp te komen en een directe relatie hebben met de energie-prestatienormering (EPN); Bouwbesluit 2 haalbaarheidsprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten die zich richten op het verbeteren van de marktsituatie voor het bouwen op een aanzienlijk lager energetisch niveau dan het energetisch niveau dat overeenkomt met de energieprestatie-eis (EPC-waarden 2000) in het; projecten komen voor ondersteuning in aanmerking als het streven is minimaal 15% onder de EPC-eisen van 2000 te gaan bouwen; het betreft hier bij voorkeur gebouwen uit de sector onderwijsgebouwen, bijeenkomstgebouwen, gezondheidszorggebouwen, horecagebouwen, logiesgebouwen, winkelgebouwen en sportgebouwen; kantoorgebouwen komen alleen in aanmerking als deze onderdeel uitmaken van een groep utiliteitsgebouwen met een oppervlakte van meer dan 20.000 mB.V.O. en er sprake is van een gemeenschappelijke warmte- en koudevoorziening; de haalbaarheidsprojecten dienen de volgende informatie op te leveren: beschrijving van het referentieontwerp dat voldoet aan de EPC-eis van 2000 en een beschrijving van het definitief (energie-efficiënte) ontwerp alsmede een specificatie van de energiebesparingsmaatregelen (incl. kosten) van deze ontwerpen, energiegebruiksprognose (jaarbasis) en temperatuursoverschrijdingsberekeningen op basis van berekeningen met een gevalideerd (Besttest-TNO) gebouwsimulatieprogramma van de ontwerpen, EPC-berekeningen op basis van NEN 2916 (versie december 1998) van beide ontwerpen, deze EPC berekeningen zullen worden getoetst door een door Novem aan te wijzen bureau, beschrijving van het ontwerpproces, beschrijving kosten/baten van de maatregelen inclusief subsidies en fiscale regelingen waar gebruik gemaakt van kan worden, verklaring van de opdrachtgever welke geadviseerde maatregelen uitgevoerd gaan worden en medewerking aan gegevensver-strekking van het gerealiseerde gebouw; de subsidie bedraagt maximaal 50% van de projectkosten; projecten kunnen alleen voor subsidie als demonstratieproject of marktintroductieproject in aanmerking komen indien ten tijde van de aanvraag reeds een haalbaarheidsstudie zoals hierboven bedoeld is uitgevoerd; Bouwbesluit Bouwbesluit haalbaarheids- en demonstratieprojecten die zich richten op te renoveren gebouwen met zodanige beperkende technische omstandigheden dat zij vrijstelling zouden kunnen krijgen van de verplichting te voldoen aan de energieprestatiecoëfficiënt (EPC-eis) in het; de projecten moeten als doel hebben het realiseren van een energetisch niveau dat tenminste overeenkomt met de energieprestatie-eisen 2000 in het(EPC-eis); kennisoverdrachtprojecten m.b.t energieprestatienormering; voor deze projecten komen in dit verband brancheorganisaties uit de bouwwereld in aanmerking voor subsidie.
Artikel A2 — A2 Techniekontwikkeling#
A2 Techniekontwikkeling Ten behoeve van techniekontwikkeling en stimulering in zowel de nieuwbouw als bestaande bouw komen in 2000 de volgende projecten voor subsidie in aanmerking: haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, demonstratie- en marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten die er op gericht zijn nieuwe technieken, methodieken of systemen voor de gebouwschil, die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van besparingen in de nieuw- en bestaande utiliteitsbouw, grootschalig in de markt toegepast te krijgen. Ten behoeve van techniekontwikkeling voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw van zwembaden en kunstijsbanen komen in 2000 de volgende projecten voor subsidie in aanmerking: haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, demonstratie- en marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten die er op gericht zijn nieuwe technieken, methodieken of systemen, op het gebied van waterbehandeling, ontvochtiging/klimatisering en ijsbereiding, die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van besparingen, grootschalig in de markt toegepast te krijgen.
Artikel A3 — A3 Bestaande bouw#
A3 Bestaande bouw Met bedrijven, instellingen of branches uit de utiliteitsbouw, met name de zakelijke dienstverlening, diverse onderwijssectoren en de zorgsector, worden door de overheid meerjarenafspraken gemaakt waarin wordt vastgelegd op welke wijze er gewerkt zal gaan worden aan de realisatie van besparingsdoelstellingen. Naast de meerjarenafspraken wordt er met grote branches samengewerkt om op gestructureerde wijze kennisoverdracht plaats te laten vinden naar de individuele instellingen en bedrijven die binnen de branche vallen. In 2000 komen bij voorkeur projecten voor subsidie in aanmerking die bijdragen aan de doelstelling van de meerjarenafspraken, brancheaanpakken of gemeentelijke besparingsplannen gericht op gemeentelijke gebouwen en faciliteiten. Het kan daarbij gaan om haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, demonstratie- en marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten. De projecten dienen bij voorkeur gericht te zijn op: het opstellen van meerjarenplannen en monitoringsystematieken voor een sector; het opstellen van een op het bedrijf of instelling toegesneden implementatieplan voor een energiezorgsysteem volgens het Novem-referentiekader; Subsidieregeling energie-efficiency- en milieuadviezen Schoner Produceren het als haalbaarheids- of onderzoeks- of ontwikkelingsproject uitvoeren van energieonderzoeken ten behoeve van het opstellen van bedrijfsenergieplannen en/of energiebesparingsplannen, voorzover de betreffende aanvrager niet in aanmerking komt voor subsidie in het kader van de; het resultaat van het energieonderzoek dient duidelijk te maken welke verbeteringen mogelijk zijn op energiegebied en welke maatregelen daarvoor genomen kunnen worden; uitsluitend door de aanvrager aan een externe adviseur ten behoeve van het energieonderzoek betaalde kosten kunnen als projectkosten in aanmerking worden genomen; de subsidie bedraagt maximaal 50% van de projectkosten tot een maximum van f 7500,00 per object; daarbij wordt onder object verstaan: een vaste installatie in de open lucht of een niet voor permanente bewoning bestemd gebouw of gedeelte daarvan, waarvan het energiegebruik afzonderlijk wordt gemeten.
Artikel A4 — A4 Energiebesparing in het railvervoer#
A4 Energiebesparing in het railvervoer Projecten voor energiebesparing in het railvervoer die in aanmerking komen voor subsidie betreffen bij voorkeur projecten gericht op energiezuinig rijden, energiezuinige dienstregeling en projecten voor energiebesparing in het materieel. Aan de doelstelling van het onderdeel Energiebesparing in de dienstensector kunnen met name partijen bijdragen die een structurele relatie hebben met de eindverbruikers. Hierbij gaat het vooral om energiedistributiebedrijven, adviesbureaus, installateurs, branche- of koepelorganisaties en andere intermediaire groepen. Specifiek voor de nieuwbouwkantoren kunnen ook beleggers of financiers, projectontwikkelaars en partijen die verantwoordelijk zijn voor het bouwmanagement projecten indienen.
Artikel B1 — B1 Haalbaarheid en ontwikkeling energiezuinige concepten#
B1 Haalbaarheid en ontwikkeling energiezuinige concepten Dit onderdeel richt zich op de haalbaarheid en ontwikkeling van energiezuinige ontwerpen voor woonwijken en utiliteitsbouw, waarbij zowel sprake is van bouwkundige, bouwfysische als installatietechnische maatregelen om het fossiele energieverbruik te reduceren. Naast genoemde besparingsmaatregelen moet tevens aandacht worden besteed aan de toepassing van duurzame energie en besparing op het energieverbruik van apparaten en verlichting. De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn: De energiezuinige ontwerpen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: haalbaarheidsprojecten, gericht op het aantonen van de financiële en technische haalbaarheid van mogelijke energiezuinige ontwerpen, het analyseren van knelpunten en het aangeven van oplossingsrichtingen; onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het in technische zin nader uitwerken van veelbelovende (deel)oplossingen voor energiezuinige ontwerpen; onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het oplossen van technische en niet-technische knelpunten die de realisatie van energiezuinige ontwerpen belemmeren; het project moet een logisch en inpasbaar deel zijn van een compleet (fictief) ontwerp, dat op middellange termijn leidt tot marktconforme oplossingen; haalbaarheidsprojecten gericht op implementatiemethoden met betrekking tot het op termijn toepassen van in dit onderdeel passende conceptontwikkelingen; haalbaarheidsprojecten gericht op het aantonen en toetsen van mogelijkheden om in energiezuinige woningen een gezond binnenmilieu te waarborgen; de projecten dienen de relatie tussen het ventilatiesysteem, luchtdichtheid, het gedrag van de bewoners en de kwaliteit van het binnenmilieu te analyseren. het totale gemiddelde fossiele energieverbruik per gebouw per jaar dient lager te zijn dan: de waarden voor woningen gelden voor een Novem-referentiewoning (tussenwoning); voor andere typen/grootte woningen is een hoger verbruik toegestaan, indien dit procentueel in verhouding staat met het maximale verbruik van de referentiegebouwen; projecten, gericht op energiezuinige ontwerpen die niet geheel voldoen aan de hierboven genoemde criteria met betrekking tot het energieverbruik, kunnen alleen in aanmerking komen voor subsidie, indien zij betrekking hebben op innovatieve, niet eerder toegepaste technieken of systemen en naar het oordeel van Novem op termijn kunnen bijdragen aan een substantiële reductie van het energieverbruik in de gebouwde omgeving; 45 GJ voor nieuwbouw woningen (inclusief energiegebruik van apparaten en verlichting); of een energievraag van maximaal 55 GJ, waarvan minimaal 10 GJ duurzaam wordt geproduceerd; 40 GJ voor renovaties woningbouw (alleen voor verwarming en warm tapwater); 2 0,5 GJ per mbruto vloeroppervlak voor nieuwe kantoren; 2 0,7 GJ per mbruto vloeroppervlak bij renovatie van kantoren; de energieprestatie wordt gerealiseerd door optimale combinatie van besparingsmaatregelen en/of duurzame energievoorziening en/of efficiënte inzet van fossiele energie, in deze volgorde van belangrijkheid; optimaal betekent hier een zo laag mogelijke meerinvestering, met als resultaat concepten die trendsettend zijn voor de ontwikkelingen van de bouwmarkt op middellange termijn; onder besparingsmaatregelen worden tevens maatregelen verstaan die betrekking hebben op energieverbruik voor apparatuur en verlichting; de energiezuinige concepten moeten betrekking hebben op projecten met een reëel uitzicht op het realiseren daarvan; concepten dienen te worden ontwikkeld in relatie tot de autonome vervangings- en onderhoudscycli en veranderende functionele eisen aan gebouwen en bouwdelen.
Artikel B2 — B2 Praktijkexperimenten energiezuinige concepten#
B2 Praktijkexperimenten energiezuinige concepten De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn praktijkexperimenten gericht op het opdoen van praktische ervaring, respectievelijk het aantonen van praktische werking van energiezuinige concepten zoals omschreven in onderdeel B1., dan wel gericht op essentiële componenten van deze energiezuinige concepten voorzover deze separaat te beproeven zijn. Aan de doelstelling van het onderdeel kunnen met name bijdragen adviesbureaus, (toekomstige) eigenaren en exploitanten van woningbouwcomplexen en utiliteitsgebouwen, fabrikanten, energiedistributiebedrijven en instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs. Bij projectvoorstellen moeten bij voorkeur zoveel mogelijk (onderdeel B1.) respectievelijk alle (onderdeel B2.) bij ontwerp en bouw betrokken partijen worden betrokken.
Artikel C1 — C1 Woningbouw#
C1 Woningbouw Voor de woningbouw is een Basismethode EPA beschikbaar die voldoet aan het Programma van Eisen dat is vastgelegd in de Regeling EnergiePrestatieAdvies (Stcrt. 2000, 67). Onder het EPA wordt verstaan: een integraal advies over de energetische kwaliteit van een bestaand gebouw ten behoeve van te nemen besparende maatregelen. Hierbij kan in principe gebruik gemaakt worden van verschillende onderzoeksmethoden, mits ze voldoen aan het Programma van Eisen. De methode moet primair een instrument zijn dat voor betrokkenen eenvoudig te begrijpen en te gebruiken is en geen grote weerstanden oproept. Het subonderdeel EPA voor de woningbouw heeft als doel te bewerkstelligen dat de voor marktpartijen beschikbare Basismethode door middel van aanvullend flankerend instrumentarium verder wordt verbeterd. In dit kader worden marktpartijen gestimuleerd om met de combinatie van Basismethode en vernieuwend overig instrumentarium in de woningbouw projecten uit te voeren, teneinde deze te beproeven en zo mogelijk te vereenvoudigen. De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking kunnen komen zijn: onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, die gericht zijn op combinaties van de Basismethode met nieuwe instrumenten ter bevordering van realisatie van geadviseerde energiebesparingsmaatregelen als follow up van een uitgevoerde EPA; daarnaast projecten die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe modules binnen het EPA; deze modules dienen tot een uitbreiding te leiden van de reikwijdte van het EPA en een duidelijke meerwaarde te hebben, zodat het EPA een breder bereik krijgt, zoals gedrag, bouwtechnische aspecten e.d.; projectkosten die gesubsidieerd worden in het kader van de Energiepremieregeling zijn niet subsidiabel; haalbaarheidsprojecten en praktijkexperimenten, die gericht zijn op verbeteren van de bestaande instrumenten voor energie prestatieadviezen (EPA’s) of die gericht zijn op de toepassing van nieuwe modules met betrekking tot het EPA die een uitbreiding betekenen van de reikwijdte van het EPA en een duidelijke meerwaarde hebben zodat het EPA een breder bereik krijgt, zoals gedrag, bouwtechnische aspecten e.d.; projecten die betrekking hebben op het subonderdeel ‘Beproeving van de methodiek voor de EPA-module Apparaten & gedrag’ komen niet in aanmerking voor subsidie in het kader van dit subonderdeel; in principe kunnen in verschillende projecten verschillende methodieken worden toegepast, waarbij geldt dat een methodiek gelijkwaardig dient te zijn aan meest recente beschikbare versie van de Basismethode EPA voor de woningbouwsector; de aanvrager dient deze gelijkwaardigheid bij de aanvraag ten behoeve van de beoordeling door Novem aannemelijk te maken; projectkosten die gesubsidieerd worden in het kader van de Energiepremieregeling en opleidingskosten voor adviseurs zijn niet subsidiabel; kennisoverdrachtprojecten met betrekking tot aanvullende modules binnen het EPA, voorzover die nodig zijn voor verbetering van de kwaliteit van de uit te brengen EPA’s.
Artikel C2 — C2 Utiliteitsbouw#
C2 Utiliteitsbouw Het onderdeel EPA voor de utiliteitsbouw heeft voor 2000 als doel te bewerkstelligen dat het instrumentarium dat noodzakelijk is voor de invoering van de EPA voor de utiliteitsbouw operationeel inzetbaar is voor marktpartijen. Wet milieubeheer Onder EPA wordt voor de utiliteitsbouw verstaan een standaard(advies)rapportage over de energetische kwaliteit van een bestaand gebouw en de daarin plaatsvindende processen ten behoeve van te nemen energie besparende maatregelen. Dit rapport dient tevens bruikbaar te zijn in het kader van een eventuele energiezorgplicht ingevolge de, indien van toepassing op de inrichting. De volgende aspecten dienen in het adviesrapport aan de orde te komen: In dit onderdeel zal in 2000 het accent voorts sterk liggen op de verdere acceptatie in de markt en concretisering van het advies. Marktpartijen worden gestimuleerd om voor zoveel mogelijk verschillende gebouwtypen EPA’s uit te brengen en voor uiteenlopende branches, waarbij de eerste aandacht uit zal gaan naar de hore-ca-, de kantoor- en de sportgebouwen. De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking kunnen komen zijn: het in kaart brengen van de energetische situatie in een gebouw; de uitsplitsing naar het gebouw en de processen in het gebouw; het geven van een lijst met mogelijke investeringen, met kosten en baten (met en zonder subsidies); bij voorkeur bevat het ook integrale pakketten van maatregelen met kosten en terugverdientijden (met en zonder subsidies); een lijst met organisatorische maatregelen; een lijst met gedragsmaatregelen; een lijst met subsidiemogelijkheden; het geven van gegevens ten behoeve van monitoring volgens een voorgeschreven format. a. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, die gericht zijn op nieuwe activiteiten ter bevordering van realisatie van EPA’s en geadviseerde energiebesparingsmaatregelen; voor de utiliteitsbouw kunnen tevens projecten ingediend worden die gericht zijn op het inpassen van EPA’s binnen het bestaande beleidsinstrumentarium; b. Wet milieubeheer Wet milieubeheer 2 haalbaarheidsprojecten en praktijkexperimenten, die gericht te zijn op het toepassen en verbeteren van EPA’s voor bestaande utiliteitsgebouwen; in de projecten kunnen verschillende methodieken worden toegepast; een project dient minimaal 25 EPA’s te omvatten voorzover het te adviseren organisaties betreft die geen energiezorgplicht hebben ingevolgde de; het maximum aantal EPA’s per subsidiabel project bedraagt 50 EPA’s; voor een project dat betrekking heeft op een organisatie of organisaties die wel een energiezorg plicht hebben ingevolge dedienen de EPA of de EPA’s totaal minimaal 10.000 mbruto vloeroppervlak te beslaan, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking hiervan rechtvaardigen; opleidingskosten voor adviseurs zijn niet subsidiabel; c. kennisoverdrachtprojecten over EPA’s in de bestaande Utiliteitsbouw; hieronder vallen projecten binnen aangesloten branches of binnen één als zodanig gedefinieerde communicatiedoelgroep die tot doel hebben: kennisvermeerdering en draagvlakvergroting (het vergroten van de naams- en/of productbekendheid); het creëren van een positieve attitude t.o.v. het EPA; kennisoverdracht over het EPA dient in het project centraal te staan; opleidingskosten voor adviseurs zijn niet subsidiabel.
Artikel C3 — C3 Beproeving van de methodiek voor de EPA-module Apparaten & gedrag#
C3 Beproeving van de methodiek voor de EPA-module Apparaten & gedrag In 2000 wordt een extra module ontwikkeld voor het opnemen van een gedragsadvies over de aankoop en het gebruik van huishoudelijke apparaten, welke zowel gekoppeld kan worden aan het EPA-advies als autonoom toegepast kan worden. Vooruitlopend op de grootschalige introductie is het gewenst deze module op toepasbaarheid te onderzoeken. Dit dient te gebeuren in de vorm van praktijkexperimenten. Projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn: projecten die gericht zijn op het toepassen en verbeteren van bestaande instrumenten voor het geven van een energiegedragsadvies over de aankoop en het gebruik van huishoudelijke apparaten. Voor deze projecten geldt het volgende. In principe kunnen in verschillende projecten verschillende methodieken worden toegepast, waarbij geldt dat een methodiek gelijkwaardig dient te zijn aan de bij Novem beschikbare proefversie van de module ‘Apparaten & gedrag’. De aanvrager dient deze gelijkwaardigheid bij de aanvraag ten behoeve van de beoordeling door Novem aannemelijk te maken. Een project dient minimaal 10 adviezen over apparaten en gedrag te omvatten. Het maximaal aantal adviezen dat per project subsidiabel kan zijn bedraagt 40. De subsidie bedraagt maximaal f 10.000,00 per project. Zowel partijen die reeds ervaring hebben met het uitvoeren van EPA’s als overige partijen komen voor subsidie in aanmerking. De projecten in het kader van dit subonderdeel dienen binnen 2 maanden na de eventuele subsidieverlening afgerond te zijn.
Artikel F1 — F1 Nieuwbouw#
F1 Nieuwbouw De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn: haalbaarheidsprojecten naar de mogelijke opties voor de optimale energie-infrastructuur voor grote uitbreidingsgebieden (meer dan ca. 350 woningen/woningequivalenten, o.a. Vinex-locaties); voor deze projecten bedraagt de subsidie maximaal f 25.000,00 per project; haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, gericht op oplossing van problemen of uitwerking van opties ten aanzien van de implementatie van een optimale energie infrastructuur, op basis van in eerdere haalbaarheidsstudies aangetoonde concepten met gebruikmaking van het hulpmiddel EPL, of een hiermee te vergelijken instrument; de subsidie bedraagt maximaal f 25.000,00 per project.
Artikel F2 — F2 Bestaande bouw#
F2 Bestaande bouw De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn: Een project in de bestaande bouw komt alleen voor subsidie in aanmerking indien het een bestaande wijk betreft met 250 of meer woningen/woonequivalenten en die eigendom zijn van in totaal niet meer dan vijf eigenaren en het een wijk betreft waar (gedeeltelijke) herziening van de bestaande energievoorziening aan de orde is in het kader van een renovatie (in één traject of in meerdere trajecten te renoveren). haalbaarheidsprojecten naar de mogelijke opties voor de optimale energie-infrastructuur voor te reno-veren wijken; de subsidie bedraagt maximaal f 30.000,00 per project; haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, gericht op oplossing van problemen of uitwerking van opties ten aanzien van de implementatie van een optimale energie-infrastructuur; de subsidie bedraagt maximaal f 25.000,00 per project.
Artikel 1 — 1 Stimuleren van samenwerking#
1 Stimuleren van samenwerking Dit aandachtsgebied is gericht op het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven onderling en met overheden op bovengenoemde bedrijventerreinen. De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten, gericht op totstandkoming en begeleiding van het samenwerkingsproces ten behoeve van het initiëren van duurzame projecten.
Artikel 2 — 2 Ontwikkelen van een integraal plan#
2 Ontwikkelen van een integraal plan Dit aandachtsgebied is gericht op het ontwikkelen van integrale plannen voor een duurzaam bedrijventerrein (masterplan). De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het in kaart brengen van de optimalisatiemogelijkheden voor een bedrijventerrein.
Artikel 3 — 3 Uitwerking van onderdelen van het integrale plan#
3 Uitwerking van onderdelen van het integrale plan Dit aandachtsgebied is gericht op het uitwerken van in eerdere studies aangegeven optimalisatiemogelijkheden en oplossingen ten aanzien van de implementatie van DBT. De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op deze onderwerpen. Aanvragen kunnen worden ingediend door (samenwerkende) bedrijven, gemeenten, provincies of projectontwikkelaars. Bij bestaande bedrijventerreinen dienen (samenwerkende) bedrijven in ieder geval bij het project betrokken te zijn. Betrokken bedrijven, gemeenten of provincies kunnen ook een vertegenwoordiger aanwijzen die de aanvraag indient. Uit de aanvraag moet betrokkenheid van de bedrijven op het terrein, voorzover reeds bekend, duidelijk blijken. aanhef De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van dit onderdeel van het programma wordt in aanvulling op de in degenoemde algemene aspecten van het programma, tevens bepaald door de volgende aspecten: a. de mate waarin wordt gestreefd naar samenwerking tussen bedrijven op een terrein of de mate waarin wordt gestreefd naar continuïteit en/of uitbreiding van deze samenwerking; b. de mate waarin bij de direct betrokkenen draagvlak bestaat voor het concept Duurzame Bedrijventerreinen; c. de mate waarin wordt samengewerkt aan verschillende thema’s of de mate waarin wordt gestreefd naar de uitbreiding van het aantal van deze thema’s; d. de planning met betrekking tot de besluitvorming over de ontwikkeling en de realisatie van de locatie (alleen relevant voor nieuwe terreinen en uitbreidingen).