Uitvoeringsregeling BSE 2000-IIA
- BWB-id
- BWBR0011490
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2000-12-16 t/m 2005-06-10
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0011490
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/uitvoeringsregeling-bse-2000-iia
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/uitvoeringsregeling-bse-2000-iia/2000-12-16
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0011490&g=2000-12-16
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0011490&z=2026-06-06&g=2000-12-16
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0011490/2000-12-16
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2000/uitvoeringsregeling-bse-2000-iia
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Als programma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt vastgesteld het programma opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A. 2 Voor de in bijlage 1, onder A, opgenomen onderdelen van het programma worden de subsidieplafonds vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in bijlage 1, onder B. 3 De in het tweede lid bedoelde bedragen zijn beschikbaar voor aanvragen die zijn ontvangen in de in bijlage 1, onder C, opgenomen perioden. 4 De bedragen voor de subonderdelen A1 (Woningen) en A2 (Demonstratie gerenoveerde woningen), en voor de onderdelen B (Ontwikkeling en toepassing van energie-efficiënte elektrische en gasgestookte apparaten) en C (LTS) van bijlage 1, onder A, worden verdeeld op de wijze zoals omschreven in artikel 9, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's. Het bedrag voor subonderdeel A3 (Tender Woningen: nieuwbouw) van bijlage 1, onder A, wordt verdeeld op de wijze zoals omschreven in artikel 9, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's. 2000 133 13-07-2000 12-07-2000 WJZ00040535 2000 133 13-07-2000 12-07-2000 WJZ00040535 15-07-2000
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2000 133 13-07-2000 12-07-2000 WJZ00040535 2000 133 13-07-2000 12-07-2000 WJZ00040535 15-07-2000
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling BSE 2000-IIA. 2000 133 13-07-2000 12-07-2000 WJZ00040535 2000 133 13-07-2000 12-07-2000 WJZ00040535 15-07-2000
Artikel _1 — Beoordelingsaspecten (niet van toepassing op subonderdeel A3)#
Beoordelingsaspecten (niet van toepassing op subonderdeel A3) De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt bepaald door algemene aspecten en door onderdeelspecifieke aspecten. De algemene aspecten zijn: De onderdeelspecifieke aspecten worden voor zover van toepassing hierna per onderdeel aangegeven. a. de slaagkans van het project; b. de nieuwheid van het project; c. de potentiële energieverdienste van het project; d. de milieuverdienste van het project; e. de projectkosten in relatie tot de potentiële bijdrage van het project aan de doelstelling van het programma; f. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid; g. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt; h. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt; i. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen; j. de mate waarin wordt samengewerkt met andere (markt)partijen, bijvoorbeeld in technologieclusters of in marktclusters; k. indien van toepassing, de mate waarin wordt bijgedragen aan de doelstelling van een Meerjaren Afspraak (MJA).
Artikel _2 — Toelichting op de bovengenoemde algemene aspecten#
Toelichting op de bovengenoemde algemene aspecten Ad a. Indien de slaagkans van een project te gering wordt geacht, zal het verlenen van subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische, juridische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Ad b. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan: Ad d. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: Ad e. De projectkosten worden getoetst aan de mogelijke energieverdienste. Hiertoe worden de projectkosten onder andere beoordeeld in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). Ad h. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product. Ad i. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden. het toepassen van nieuwe technologieën; het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën. 2 de mate waarin CO-emissies worden vermeden; de mate waarin emissies van andere milieubelastende stoffen worden gereduceerd; de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingen van milieueffecten van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.
Artikel A1 — A1 Woningen#
A1 Woningen De voornaamste soorten projecten die in 2000 voor subsidie in aanmerking komen zijn: Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de doelstelling van dit subonderdeel wordt in aanvulling op de genoemde algemene aspecten van het programma tevens bepaald door de looptijd van het project. De looptijd van het project dient voldoende kort te zijn, zodat implementatie van de projectresultaten in voldoende mate kan bijdragen aan de doelstellingen van dit onderdeel in 2000 en 2001. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten met betrekking tot certificatiesystemen voor warmteterugwinapparatuur, welke onderdeel vormt van een ventilatiesysteem, als ook het testen in de praktijk van deze certificatieprocedures, uit te voeren door brancheorganisaties en onderzoeksinstituten; kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op het bevorderen van toepassing van warmteterugwininstallaties, uit te voeren door met name brancheorganisaties; kennisoverdrachtprojecten met betrekking tot optimaal isolerend glas, uit te voeren door brancheorganisaties en fabrikanten en gericht op toepassing in de bestaande woningbouw; onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten met betrekking tot optimaal isolerende gevelelementen, uit te voeren door onderzoeksinstituten, brancheorganisaties en fabrikanten; kennisoverdrachtprojecten ter ondersteuning van nationale normalisatie op het gebied van de EPN; kennisoverdrachtprojecten over woningconcepten met een EPC gelijk aan of lager dan 0,8; onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten met betrekking tot financieel instrumentarium voor het aanbrengen van energiebesparende maatregelen, met name in de bestaande bouw; kennisoverdrachtprojecten met betrekking tot financieel instrumentarium voor het aanbrengen van energiebesparende maatregelen, met name in de bestaande bouw; onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten met betrekking tot marketinginstrumenten die in de bestaande bouw op lokaal niveau kunnen worden toegepast, uit te voeren door (samenwerkingsverbanden van) meerdere participanten bij herstructurerings- en/of wijkbeheeropgaven en gericht op het toepassen van energiebesparende maatregelen.
Artikel A2 — A2 Demonstratie gerenoveerde woningen#
A2 Demonstratie gerenoveerde woningen Dit subonderdeel is gericht op de realisatie van demonstratieprojecten met betrekking tot gerenoveerde energiereferentiewoningen. Een project heeft betrekking op een referentiewoning, die deel uit kan maken van een projectmatige aanpak van de renovatie van meerdere woningen. Er zullen maximaal 15 verschillende (referentie)woningen voor subsidiëring in aanmerking komen. De projecten dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen: Tot de projectkosten worden de investeringskosten gerekend, die nodig zijn om de in het pakket genoemde energiebesparingsmaatregelen uit te voeren. De subsidie voor demonstratieprojecten bedraagt maximaal f 20.000,00 per project. Overige beoordelingsaspecten De mate waarin een project bijdraagt aan de doelstellingen van dit subonderdeel wordt in aanvulling op de genoemde algemene aspecten van het programma tevens bepaald door de looptijd van het project. De looptijd van het project dient voldoende kort te zijn, zodat implementatie van de projectresultaten in voldoende mate kan bijdragen aan de doelstellingen van dit onderdeel in 2000 en 2001. Aan de doelstellingen van dit subonderdeel kunnen met name bijdragen: de kenmerken van de te renoveren woning t.a.v. bouwjaar en type woning moeten voldoen aan de kenmerken van een bij Novem vastgelegde referentiewoning; informatie omtrent de relevante typen van referentiewoningen is bij Novem verkrijgbaar; de aan te brengen energiebesparingsmaatregelen dienen te voldoen aan het voor dat referentietype vastgelegde pakket aan maatregelen; de informatie omtrent het energiebesparingspakket dat relevant is voor de onderhavige referentiewoning, is bij Novem verkrijgbaar; de renovatie van de woning dient uiterlijk 1 juni 2001 te zijn gerealiseerd. woningbouwcorporaties; projectontwikkelaars; bouwbedrijven; gemeenten; institutionele beleggers.
Artikel A3 — A3 Tender Woningen: nieuwbouw#
A3 Tender Woningen: nieuwbouw Dit subonderdeel is gericht op de realisatie van energiebesparende projecten in de nieuwbouw. Om voor subsidie in aanmerking te komen dienen de projecten minimaal aan de volgende voorwaarden te voldoen: Rangschikking Aanvragen voor demonstratieprojecten die aan de wettelijke voorschriften en aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoen, worden gerangschikt. Artikel 9, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's is van toepassing. De rangschikking vindt plaats op basis van een vergelijking van de geschiktheid van de projecten om bij te dragen aan de doelstelling van dit onderdeel van het programma aan de hand van de volgende criteria: Per gemeente komen ten hoogste twee projecten voor subsidie in aanmerking. Voor de bepaling van het aantal projecten per gemeente worden projecten die zijn gesubsidieerd op grond van de tender Woningen nieuw 1999 mede in aanmerking genomen. De maximale subsidie per demonstratieproject bedraagt f 250.000,00 met een maximum van f 4.000,00 per woning. Ten behoeve van de bovenstaande procedure dient in aanvulling op de gegevens die op grond van het standaard-BSE-aanvraagformulier dienen te worden verstrekt, extra informatie te worden verstrekt. Gegevens daarover zijn beschikbaar in het bij Novem verkrijgbare informatiepakket. Aan de doelstellingen van dit subonderdeel kunnen met name bijdragen: het project is een demonstratieproject met een projectomvang van ten minste 30 woningen; de EPC is kleiner dan 0,8; de oplevering van het nieuwbouwproject is uiterlijk 18 oktober 2002; er is een afgeronde haalbaarheidsstudie beschikbaar; uit de haalbaarheidsstudie moet blijken dat er een gemotiveerde systeemkeuze is gemaakt voor de installatieconcepten in relatie tot de te treffen bouwkundige maatregelen en dat de concepten technisch uitvoerbaar, reproduceerbaar en financieel haalbaar zijn; in het project moeten voorzieningen worden getroffen om ten minste op een later tijdstip nog toepassing van duurzame energie mogelijk te maken; dit kan worden bereikt door: het realiseren van een ontwerp-aanvoertemperatuur voor verwarming van maximaal 55 °C (conform NEN 5128 of gelijkwaardige normen van andere lidstaten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte) bij individuele en van het tapwater gescheiden collectieve verwarmingssystemen of, bij toepassing van collectieve systemen voor verwarming en warmtapwater, een ontwerp-aanvoertemperatuur van maximaal 70 °C; of een geveloriëntatie tussen zuidwest en zuidoost van ten minste 75% van het aantal woningen; ten minste 90% van de kostenneutrale maatregelen, die naast de EPC gerelateerde maatregelen genoemd worden in het Nationaal pakket Duurzaam Bouwen Woningbouw, deel nieuwbouw, dient in de projecten te zijn toegepast. 1. de mate van oriëntatie (geveloriëntatie van de woningen 75% of meer tussen zuidwest en zuidoost) en de hieraan gerelateerde, stedenbouwkundige opzet van het project; 2. de mate van aandacht voor de energievoorziening in de planopzet; het hierbij gevolgde besluitvormingsproces en de rol van de betrokken partijen wordt mede beoordeeld; 3. de mate waarin duurzame bronnen (bijv. zonne-energie) worden toegepast; bij toepassing zonne-energiesystemen eveneens de mate waarin bij schuine daken een hellingshoek tussen 30 en 60 graden wordt toegepast; 4. de mate waarin de te realiseren EPC lager is dan 0,8 per woningtype; 5. de mate van integratie van bouwkundige energiebesparingsmaatregelen in het woningconcept, inclusief de woningplattegrond(en); 6. de mate van uitwerking van energie-efficiënte installatieconcepten en de systeemkeuzen, mede ook met betrekking tot de mogelijkheden die de locatie biedt, en de mate van integratie van installatieconcepten in het bouwkundig ontwerp; 7. de hoogte van de aan de EPC gerelateerde meerkosten; 8. de mate van toepassing van de niet-kostenneutrale maatregelen, opgenomen in het Nationaal pakket Duurzaam Bouwen Woningbouw, deel Nieuwbouw, welke niet aan de EPC gerelateerd zijn; 9. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt. woningbouwcorporaties; projectontwikkelaars; bouwbedrijven; gemeenten; institutionele beleggers.