Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ 2001
- BWB-id
- BWBR0013359
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- 2002-12-04 t/m 2009-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013359
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2001/regeling-uitvoering-integriteitsbeleid-az-2001
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2001/regeling-uitvoering-integriteitsbeleid-az-2001/2002-12-04
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013359&g=2002-12-04
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013359&z=2026-06-06&g=2002-12-04
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013359/2002-12-04
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2001/regeling-uitvoering-integriteitsbeleid-az-2001
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Algemene Zaken; b. het ministerie: het Ministerie van Algemene Zaken en de daaronder ressorterende diensten; c. de medewerker: ARAR de ambtenaar in de zin van hetwerkzaam bij het ministerie; d. het hoofd van dienst: de secretaris-generaal, tevens hoofd KMP; de hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst; de directeur Communicatiebeleid en Bedrijfsvoering; de directeur Toepassing Communicatietechniek van de Rijksvoorlichtingsdienst; de secretaris van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; de directeur Algemeen Beheer; het hoofd Financieel Economische Zaken; het hoofd Personeel & Organisatie; het hoofd Facilitaire zaken; het hoofd Informatie- en Communicatietechnologie; e. de adviseur integriteit: artikel 15 de door de secretaris-generaal aangewezen adviseur bedoeld in; f. nevenwerkzaamheden: artikelen 61 62 van het ARAR hetgeen daaronder wordt verstaan in deen; g. het registratiepunt integriteit: artikel 19 het registratiepunt integriteit bedoeld in; h. een geschenk: een vergoeding, beloning, gift of belofte, in welke vorm dan ook, die aan een medewerker in die hoedanigheid door een derde wordt aangeboden of gedaan; i. een standaard relatiegeschenk: een geschenk van geringe waarde dat door een derde in het algemeen aan zijn relaties pleegt te worden aangeboden; j. een vermoeden van misstand: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden omtrent: een ernstig strafbaar feit; een grove schending van regelgeving of beleidsregels; het misleiden van justitie; een groot gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu of het bewust achterhouden van informatie over deze feiten; k. voorkennis: bekendheid met een bijzonderheid omtrent een rechtspersoon, vennootschap of instelling, waarvan de medewerker, die de bijzonderheid kent, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij niet openbaar is en dat zij niet zonder schending van de geheimhouding buiten de kring van geheimhoudingsplichtigen kan komen of is gekomen. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 51, eerste lid, van het ARAR De medewerker die in dienst treedt bij of wordt verplaats naar het ministerie legt zo spoedig mogelijk na het eerste moment van uitoefenen van de functie een eed of een belofte af als bedoeld in. 2 Hij legt de eed of belofte af ten overstaan van de (plaatsvervangend) secretaris-generaal en in aanwezigheid van een getuige. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De medewerker doet aan het hoofd van zijn dienst schriftelijk melding van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervullling, kunnen raken. 2 artikel 33b van ARAR Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten als bedoeld inen werkzaamheden ten behoeve van politieke partijen in de vrije tijd. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 3, eerste lid De in, bedoelde melding bevat de volgende gegevens: a. de naam van de medewerker; b. zijn ambtelijke functie; c. de aard van de nevenwerkzaamheden; d. het verband tussen die werkzaamheden en zijn functievervulling; e. de naam van de natuurlijke of rechtspersoon ten behoeve van wie de nevenwerkzaamheden worden of zullen worden verricht. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Het hoofd van dienst toetst of door het verrichten van de nevenwerkzaamheden de goede functievervulling door de medewerker of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staan met die functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Indien de toetsing tot een positieve uitkomst leidt, verleent het hoofd van dienst schriftelijk toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden. 2 Indien en voor zover de toetsing niet direct tot een positieve uitkomst leidt, onderzoekt het hoofd van dienst de mogelijkheid tot het maken van zodanige schriftelijke afspraken met de medewerker, dat de geconstateerde negatieve effecten die zijn verbonden aan het verrichten van die nevenwerkzaamheden worden tenietgedaan. Indien dergelijke afspraken niet mogelijk zijn, verleent het hoofd van dienst geen toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden. Het besluit wordt schriftelijk aan de medewerker bekendgemaakt, onder vermelding van de motivering. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikelen 3 6 De medewerker, aan wie toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden is verleend, meldt elke wijziging van omstandigheden die van invloed kan zijn op de verleende toestemming, terstond aan zijn hoofd van dienst. Het bepaalde in detot en metis van overeenkomstige toepassing. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 3, lid 1 artikel 7 artikel 6 artikel 19 Het hoofd van dienst stuurt gelijktijdig een afschrift van de melding als bedoeld inofen van de toestemming of afwijzing als bedoeld invoor het verrichten van nevenwerkzaamheden naar het registratiepunt integriteit bedoeld in. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Het is de medewerker toegestaan een standaard relatiegeschenk aan te nemen. 2 Het is de medewerker niet toegestaan: a. een geschenk aan te nemen met een waarde van meer dan f 100,00 (vanaf 1 januari 2002 € 50,00); b. een niet-standaard geschenk aan te nemen met een waarde van f 100,00 (vanaf 1 januari 2002 € 50,00) of minder, tenzij het hoofd van dienst hem daarvoor toestemming heeft verleend; c. een geschenk aan te nemen van een derde in een fase van opdrachtverlening aan deze derde; 3 Het is de medewerker in geen geval toegestaan geschenken te laten bezorgen op een privé-adres. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 9, lid 2 Indien een medewerker een geschenk wordt aangeboden zoals bedoeld in, doet hij hiervan terstond mededeling aan het hoofd van dienst waartoe hij behoort, onder vermelding van de vorm waarin het geschenk is aangeboden, de vermoedelijke waarde van het geschenk en de naam van de betrokken derde. 2 Het hoofd van dienst registreert de in het eerste lid bedoelde vermelde gegevens, met gebruikmaking van een standaardregistratieformulier. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Het hoofd van dienst beslist over het al dan niet mogen aannemen van een niet-standaard geschenk, met een waarde van f 100,00 (vanaf 1 januari 2002 € 50,00) of minder. 2 artikel 10, eerste lid Het hoofd van dienst bespreekt, met inachtneming van de bedoelingen van het integriteitsbeleid, zo spoedig mogelijk na de mededeling, bedoeld in, met de medewerker of het geschenk, als bedoeld onder 1, kan worden aangenomen en betrekt daarbij zonodig het oordeel van de adviseur integriteit. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Indien een geschenk niet wordt aangenomen maakt betrokkene of het hoofd van dienst dat bekend aan de aanbieder van het geschenk, onder verwijzing naar het integriteitsbeleid van het ministerie. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Indien het geschenk al is overgedragen, zorgt betrokkene voor teruggave of indien niet mogelijk voor een alternatieve bestemming, eventueel onder vergoeding van de kosten aan de gever. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 10, lid 2 artikel 12 13 Het hoofd van dienst vermeldt op het registratieformulier, zoals bedoeld in, zijn besluit over het al dan niet mogen aannemen van het geschenk en zijn overwegingen daarbij. Tevens vermeldt hij welke vervolgacties eventueel zijn ondernomen conformof. 2 Het hoofd van dienst verstrekt onmiddellijk na invulling van het registratieformulier een afschrift aan het registratiepunt integriteit. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Een medewerker meldt een vermoeden van een misstand, in principe via zijn direct leidinggevende, aan zijn hoofd van dienst of indien hij dit niet wenselijk acht aan de adviseur integriteit 2 Van de melding wordt onmiddellijk een rapport opgesteld waarin naast de gegevens van het dienstonderdeel, diensthoofd, degene die de melding doet, datum van melding, ook de feiten, omstandigheden, perso(o)n(en) die bij het vermoeden een rol spelen worden beschreven. 3 Het diensthoofd of de adviseur integriteit draagt zorg voor het onmiddellijk verwittigen van de secretaris-generaal en stelt hem het onder 2 bedoelde rapport ter hand. Indien de melding bij de adviseur is gedaan stelt deze tevens het hoofd van dienst op de hoogte. 4 De secretaris-generaal beoordeelt of de minister op de hoogte moet worden gesteld. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De secretaris-generaal stuurt een bevestiging van ontvangst van de melding aan de medewerker die de melding deed onder vermelding van procedures en termijnen. 2 Binnen 8 weken na de melding ontvangt de medewerker vervolgens een schriftelijk standpunt, dan wel een bericht binnen welke termijn het standpunt kan worden tegemoet gezien. 3 De medewerker kan indien hij het niet eens is met het standpunt, geen bericht heeft ontvangen binnen de gestelde termijn of de verlengde termijn onredelijk lang is, het vermoeden van misstand melden aan de Commissie integriteit rijksoverheid (sector Rijk). 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Het is het hoofd van dienst niet toegestaan ex-medewerkers van het ministerie binnen een termijn van 2 jaar na datum van ontslag, direct of via derden in te huren voor het verrichten werkzaamheden ten behoeve van de betreffende dienst. Hiervoor kan een uitzondering worden gemaakt als het inhuren deel uit maakt van de ontslagregeling die met deze ex-medewerker is getroffen en het een vooraf te bepalen en beperkte periode betreft. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 artikel 17 Indien een regeling, zoals bedoeld in, is getroffen dan wordt een afschrift van de brief waarin de afspraken zijn vastgelegd ter hand gesteld aan het meldpunt integriteit. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Er is een adviseur integriteit voor het ministerie. 2 De adviseur integriteit wordt aangewezen door en rapporteert aan de secretaris-generaal. 3 De aanwijzing geldt voor een periode van ten hoogste vier jaren. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 De adviseur integriteit heeft tot taak: a. het adviseren en voorlichten van dienstleiding en medewerkers inzake integriteitsvraagstukken; b. het desgevraagd adviseren van een medewerker over de wijze waarop hij kan of moet omgaan met kennis over mogelijke integriteitsinbreuken in de organisatie; c. het op de hoogte stellen van het bevoegd gezag en het hoofd van dienst van meldingen van een vermoeden van een misstand. 2 artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering De adviseur integriteit stelt bij het uitoefenen van zijn taak de betrokken medewerker vooraf op de hoogte van het feit dat de vertrouwensfunctie een grens vindt in. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 De als adviseur integriteit brengt jaarlijks voor 1 maart aan de secretaris-generaal een vertrouwelijk en geanonimiseerd verslag uit over het aantal malen dat hij is geraadpleegd en de onderwerpen waarover hij heeft geadviseerd in het voorgaande kalenderjaar. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Er is een registratiepunt integriteit. 2 Het registratiepunt integriteit ressorteert onder het hoofd van de centrale afdeling Personeel & Organisatie. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Het registratiepunt integriteit heeft tot taak: a. het verzamelen, toetsen, archiveren en registreren van meldingen en/of besluiten ten aanzien van nevenwerkzaamheden, geschenken en mogelijke afspraken met ex-medewerkers zoals bedoeld in deze regeling; b. het jaarlijks voor 1 maart verstrekken van een vertrouwelijk en geanonimiseerd overzicht van de registratie zoals bedoeld onder a. aan de secretaris-generaal; c. het regelmatig onder de aandacht brengen van de regelgeving bij leiding en medewerkers. 2 In het overzicht, zoals bedoeld in het vorige lid onder b, zijn per dienstonderdeel in ieder geval opgenomen het aantal meldingen, eventuele trends en mogelijke conclusies en aanbevelingen 3 De secretaris-generaal kan op basis van het overzicht nadere informatie tot op persoonsniveau vragen en eventueel nader onderzoek gelasten. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De aan de medewerker door de organisatie ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen zijn bedoeld voor gebruik in de uitoefening van de functie. Het privé-gebruik van deze middelen is niet toegestaan. 2 De Secretaris-generaal kan ten aanzien van het gestelde in lid 1 nadere regels of gedragscodes formuleren en daarin mogelijke uitzonderingen opnemen. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Het is de medewerker niet toegestaan om op grond van voorkennis, waarover hij of zij uit hoofde van zijn of haar functie, beschikt persoonlijk enig economisch voordeel te halen of dat na te streven. 2 Het is in strijd met de geheimhoudingsplicht om dergelijke voorkennis aan derden ter beschikking te stellen dan wel op basis hiervan aanwijzingen te geven die tot economisch voordeel voor die derden kunnen leiden. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Voor de toepassing van dit besluit fungeert voor de hoofden van dienst de secretaris-generaal als hoofd van dienst en voor de secretaris-generaal de minister. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Het besluit Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ van 11 september 1998 (Stcrt. 12 oktober 1998) wordt ingetrokken. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De regeling treedt in werking met ingang van 4 december 2001. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering integriteitsbeleid AZ 2001. 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 2002 27 07-02-2002 22-01-2002 BW2002/U51505 04-12-2002