Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
- BWB-id
- BWBR0013299
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 2004-02-12 t/m 2004-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013299
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2002/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2002/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande/2004-02-12
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013299&g=2004-02-12
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013299&z=2026-06-06&g=2004-02-12
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013299/2004-02-12
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2002/regeling-kinderopvang-en-buitenschoolse-opvang-alleenstaande
Artikel 3#
artikel 3, eerste lid
Artikel 1 — Artikel 1 Definities#
Artikel 1 Definities 1 In deze regeling wordt verstaan onder: de minister: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; alleenstaande ouder: ongehuwde dan wel degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, en die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad; ten laste komend kind: Algemene Kinderbijslagwet kind in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt en voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van dekan maken; kinderopvang: artikel 2, eerste lid het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens de omstandigheden, bedoeld in; kinderopvangplaats: Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang aanbod van kinderopvang dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het, waarbij de volgende soorten worden onderscheiden: 1º. dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar. 2º. buitenschoolse opvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding, toezicht en vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt, door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders, waarbij in ieder geval opvang wordt geboden na school en in schoolvakanties; 3º. gastouderopvang: kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt in een gezinssituatie, die tot stand komt door bemiddeling van een gastouderbureau en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen; kalenderjaar: het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2 Het college van burgemeester en wethouders kan voor de toepassing van deze regeling besluiten gehuwden, als partners geregistreerden of ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met een alleenstaande ouder in het geval één van de partners door omstandigheden de volledige zorg voor één of meer tot hun last komende kinderen op zich heeft genomen. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 2 — Artikel 2 Subsidie aan de gemeente#
Artikel 2 Subsidie aan de gemeente 1 artikel 3, eerste lid De minister verstrekt op aanvraag aan een gemeente subsidie voor de door de gemeenten in het kalenderjaar te maken kosten voor kinderopvangplaatsen voortvloeiend uit overeenkomsten als bedoeld in, ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar: a. Wet werk en bijstand algemene bijstand ontvangen op grond van de, en: 1º. betaalde arbeid verrichten, of 2º. artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in; b. Wet werk en bijstand artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand Regeling schoonmaakdiensten particulieren artikel 12 geen algemene bijstand meer ontvangen als bedoeld in dewegens het direct daarop aansluitend verrichten van betaalde arbeid, waaronder begrepen arbeid in de vorm van een voorziening als bedoeld in, en arbeid als bedoeld in de, waarbij, met inachtneming van, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten; c. Wet inkomensvoorziening kunstenaars een uitkering ontvangen als bedoeld in de; d. artikel 16 artikel 18, eerste of vierde lid, van de Wet werk en bijstand de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, scholing of een opleiding volgen dan wel betaalde arbeid verrichten, en met toepassing vanofalgemene bijstand ontvangen of kunnen ontvangen. 2 Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige sociale zekerheidswet waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. 3 artikel 74 van de Werkloosheidswet artikel 22a van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten Gemeenten hebben geen recht op subsidie voor de te maken kosten voor kinderopvang op basis van deze regeling voor alleenstaande ouders ten aanzien van wieofvan toepassing is. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 3 — Artikel 3 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3 Subsidievoorwaarden 1 De subsidie wordt verleend indien het college van burgemeester en wethouders voor de alleenstaande ouder of de alleenstaande ouder zelf met instemming van het college van burgemeester en wethouders, met een instelling of een natuurlijke persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit. 2 In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld: a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan; b. de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a; c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten; d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan; e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar kinderopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;. f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden. 3 Het college van burgemeester en wethouders of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, draagt er zorg voor dat in de overeenkomst: a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan twee maanden, en b. wordt vastgelegd dat de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is het college van burgemeester en wethouders te berichten indien zich onregelmatigheden voordoen ten aanzien van het gebruik van de kinderopvangplaats. 4 Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoekt het college van burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt voortgezet. Zo nodig zegt het college van burgemeester en wethouders de overeenkomst op. 5 Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de overeenkomst voor de kinderopvangplaats recht bestaat op een andere subsidie of werkgeversbijdrage. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 4 — Artikel 4 Beschikbaar budget en verdeling van het budget#
Artikel 4 Beschikbaar budget en verdeling van het budget 1 Het voor het jaar 2004 beschikbare budget bedraagt € 70,7 miljoen. 2 Algemene bijstandswet bijlage 1 bij deze regeling De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van het bedrag, genoemd in het eerste lid, bepaald naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders, dat volgens de door het Centraal bureau voor de statistiek vervaardigde Abw-statistiek per ultimo 2002 in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van deontving, waarbij de subsidie in ieder geval per gemeente die een aanvraag doet op basis van deze regeling ten minste € 12.870,– bedraagt. De uit de eerste volzin voortvloeiende maximaal beschikbare subsidie per gemeente is opgenomen in. 3 Indien de ontwikkeling van de lonen in de gepremieerde en gesubsidieerde sector of de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, door de minister herzien en bekend gemaakt in de Staatscourant. 2004 27 10-02-2004 02-02-2004 W&B/URP/2004/5749 2004 27 10-02-2004 02-02-2004 W&B/URP/2004/5749 12-02-2004 01-01-2004
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 2002 247 23-12-2002 18-12-2002 B&GA/ACT/02/86395 2002 247 23-12-2002 18-12-2002 B&GA/ACT/02/86395 01-01-2003
Artikel 6 — Artikel 6 Aanvraag#
Artikel 6 Aanvraag 1 Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de minister uiterlijk op 1 mei van het kalenderjaar een aanvraag heeft ontvangen om in aanmerking te komen voor subsidie. 2 artikel 3, eerste lid artikel 4, tweede lid bijlage 2 Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag het college van burgemeester en wethouders voornemens is in het kalenderjaar door middel van overeenkomsten als bedoeld in, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kan het college van burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende. 3 artikel 4, tweede lid Indien het college van burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geeft het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag. 4 artikel 7, eerste lid Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet uiterlijk op 1 mei is ontvangen door de minister, kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en wordt het voorschot bedoeld in, teruggevorderd. 5 Artikel 4, tweede lid Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toedelen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen., is van overeenkomstige toepassing. 6 Het college van burgemeester en wethouders dat zorgdraagt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tijdig is ontvangen door de minister, ontvangt voor 1 juli van het kalenderjaar van de minister een beschikking tot subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor dat jaar is opgenomen. 2004 27 10-02-2004 02-02-2004 W&B/URP/2004/5749 2004 27 10-02-2004 02-02-2004 W&B/URP/2004/5749 12-02-2004 01-01-2004
Artikel 7 — Artikel 7 Bevoorschotting#
Artikel 7 Bevoorschotting 1 artikel 4, tweede lid De minister betaalt op of omstreeks 15 februari van het kalenderjaar aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie bedoeld in, zonder dat daartoe door het college van burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend. 2 artikel 8 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders artikel 6, eerste lid, van deze regeling artikel 6, eerste lid Gemeenten die over het jaar 2002 geen of een nihil jaaropgave als bedoeld inen over het jaar 2003 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld inhebben ingediend, ontvangen geen voorschot in het kalenderjaar, tenzij de aanvraag bedoeld in, vóór 1 maart van het kalenderjaar door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 15 april van het kalenderjaar. 3 artikel 6, zesde lid De minister betaalt op of omstreeks 15 juni van het kalenderjaar aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel teruggevorderd. 4 artikel 4, derde lid artikel 6, zesde lid Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in, wordt de daaruit voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in. 2004 27 10-02-2004 02-02-2004 W&B/URP/2004/5749 2004 27 10-02-2004 02-02-2004 W&B/URP/2004/5749 12-02-2004 01-01-2004
Artikel 8 — Artikel 8 Jaaropgave#
Artikel 8 Jaaropgave 1 artikel 213 van de Gemeentewet Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat uiterlijk op 20 september van het jaar volgend op het kalenderjaar de minister opgave van de voor subsidie in aanmerking komende kosten voortvloeiend uit overeenkomsten voor kinderopvang, bedoeld in deze regeling, daaronder niet begrepen uitvoeringskosten, heeft ontvangen. Deze jaaropgave is, indien de opgave betrekking heeft op een subsidiebedrag hoger dan € 50.000,-, voorzien van een verklaring van de accountant, belast met de invoorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens. 2 bijlage 3 bijlage 4 De jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorenderespectievelijk. 3 bijlage 5 De verklaring van de accountant, bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het inbij deze regeling beschreven controle- en rapportageprotocol. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 9 — Artikel 9 Administratieve verplichtingen#
Artikel 9 Administratieve verplichtingen 1 artikel 3, eerste lid Het college van burgemeester en wethouders er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat, naast de in, bedoelde overeenkomsten, dan wel indien de alleenstaande ouder zelf met instemming van het college van burgemeester en wethouders draagt een overeenkomst sluit een afschrift van deze overeenkomst, alle overige van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd. 2 artikel 6, tweede lid artikel 8, tweede lid Het college van burgemeester en wethouders maakt hierbij gebruik van de daarvoor door de minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht overeenkomstig de in, en, bedoelde bijlagen en zijn voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 10 — Artikel 10 Verantwoording#
Artikel 10 Verantwoording Met het toezicht op de naleving van de subsidievoorwaarden is belast de Accountantsdienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 09-01-2002 01-01-2002
Artikel 11 — Artikel 11 Informatieverstrekking#
Artikel 11 Informatieverstrekking hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen artikel 10 Het college van burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd aan de minister, de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd inof de Accountantsdienst, bedoeld in, kosteloos alle inlichtingen, die hij voor het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen inzage in de administratie terzake van belang zijnde bescheiden. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 12 — Artikel 12 Subsidievaststelling#
Artikel 12 Subsidievaststelling 1 artikelen 2 3 artikel 8, eerste lid Met inachtneming van deenstelt de minister de subsidie vast binnen 12 maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in. 2 artikel 8, eerste lid Indien de jaaropgave niet is ontvangen binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in, stelt de minister de subsidie ambtshalve vast. 3 De vastgestelde subsidie kan van de verleende en betaalde subsidie afwijken indien het college van burgemeester en wethouders afwijkt van deze regeling. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 13 — Artikel 13 Subsidie en betaalde arbeid#
Artikel 13 Subsidie en betaalde arbeid 1 artikel 2, eerste lid, onderdeel b artikel 3, eerste lid Het college van burgemeester van een gemeente dat ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld in, van de in het kalenderjaar oordeelt over de noodzaak van voortzetting van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder, neemt daarbij in acht dat de minister in ieder geval tot één jaar na de aanvang van de arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in, verleent. 2 artikel 3, eerste lid artikelen 10 10a 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in, door de minister slechts verleend indien het college van burgemeester en wethouders aantoont dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van de,entot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van debedraagt. 3 In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot maximaal 6 maanden na afloop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien het college van burgemeester en wethouders beslist dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. 4 artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld invoor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling, zoals die luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling. 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 2003 244 17-12-2003 25-11-2003 W&B/SFI/2003/87935 01-01-2004
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Algemene Regeling SZW-subsidies Deis niet van toepassing. 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 09-01-2002 01-01-2002
Artikel 15 — Artikel 15 Inwerkingtreding#
Artikel 15 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002. 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 09-01-2002 01-01-2002
Artikel 16 — Artikel 16 Citeertitel#
Artikel 16 Citeertitel Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders Deze regeling wordt aangehaald als:. 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 2002 4 07-01-2002 21-12-2001 BZ/ACT/01/86395 09-01-2002 01-01-2002
Artikel 4#
artikelen 4
Artikel 6#
6 van de regeling
Artikel 7#
artikel 7 van de regeling
Artikel 1#
artikel 1 van de regeling