Regeling vissersvaartuigen
- BWB-id
- BWBR0016372
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2013-04-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0016372
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2004/regeling-vissersvaartuigen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2004/regeling-vissersvaartuigen/2013-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0016372&g=2013-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0016372&z=2026-06-06&g=2013-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0016372/2013-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2004/regeling-vissersvaartuigen
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 Deze paragraaf is van toepassing op vissersvaartuigen waarmee de boomkorvisserij wordt uitgeoefend. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 1 artikel 3.3 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 De luikopeningen, bedoeld in, zijn zodanig aangebracht dat bij een hellingshoek van 30° of minder geen buitenboordswater de onder het bovendek gelegen ruimten kan binnendringen indien deze luiken geopend zijn. 2 artikel 3.2, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 Het eerste lid geldt niet indien aan het bepaalde inomtrent de stabiliteit nog steeds wordt voldaan wanneer die ruimten geheel of gedeeltelijk vervuld zijn geraakt. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 Tijdens het vissen worden de volgende maatregelen genomen: a. de nokken van de gieken worden zo laag mogelijk gehouden, en b. een vastgelopen tuig wordt niet losgetrokken aan een over het uiteinde van de giek lopende vislijn. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 De inrichting van het vaartuig en de tuigage van de gieken zijn zodanig uitgevoerd dat de gieken in getopte stand zeevast kunnen worden gezet. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 1 De vislijnen worden gescheerd door geleideblokken die nabij het scheepsboord permanent zijn opgesteld, en vervolgens door blokken aan de uiteinden van de gieken. 2 De blokken aan de uiteinden van de gieken zijn zodanig aan de top bevestigd dat zij door middel van de lierbediening gemakkelijk en veilig vanaf de brug afgevierd kunnen worden naar het scheepsboord, zodat de trekkracht van de vislijn aangrijpt in het geleideblok. Deze inrichting is tevens zodanig uitgevoerd dat een eenmaal afgevierd slipblok door middel van de lierbediening vanaf de brug weer gemakkelijk en veilig aan de top van de giek bevestigd kan worden. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 artikel 4.17, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 De onafhankelijk werkende elektrische noodkrachtbron, bedoeld in, is opgesteld boven het bovenste doorlopende dek en is niet geplaatst voor het aanvaringsschot. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 1 artikel 4.17, vierde lid, onder a, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 Indien de elektrische noodkrachtbron een generator is als bedoeld in, wordt deze bij het uitvallen van de elektrische voeding vanaf de elektrische hoofdkrachtbron automatisch gestart en vervolgens automatisch op het noodschakelbord geschakeld. 2 artikel 4.17, tweede lid, onder b en c, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 Ten minste de diensten, genoemd inworden automatisch op de noodgenerator geschakeld. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 Ten aanzien van elektrische lastoestellen die deel uitmaken van de uitrusting van een vissersvaartuig, gelden de volgende voorschriften: a. de elektrische lastoestellen voldoen aan de voorschriften van de norm NEN-EN-IEC 60974-1 (1998+A1:2000) ‘Uitrusting voor booglassen’, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidden op 15 november 2001; b. uitsluitend toegestaan zijn elektrische lastoestellen met de in die norm aangeduide gelijkspanning als nullastspanning, die zijn ingericht voor het gebruik in een omgeving met een verhoogd gevaar voor een elektrische schok; c. de nullastspanning bedraagt ten hoogste 113 volt ‘piek’; d. lastangen, laskabels en aansluitverbindingen zijn zodanig uitgevoerd dat de onder spanning staande delen deugdelijk zijn afgeschermd zodat zij geen gevaar voor personen of voor de omgeving kunnen opleveren; e. elektrische lastoestellen, lastangen, laskabels en aansluitverbindingen verkeren in een goede staat van onderhoud; f. de schipper laat regelmatig nagaan of de elektrische lastoestellen aan boord nog voldoen aan de voorschriften onder a tot en met e en houdt daarvan aantekening in het scheepsdagboek. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 3.1 artikel 3.1, onder a, b en c In afwijking vanmogen elektrische lastoestellen die reeds op 15 november 2001 deel uitmaakten van de uitrusting van een vissersvaartuig en die niet voldoen aan, tot ten hoogste vier jaar na genoemde datum in gebruik blijven aan boord van dat vaartuig, mits de voorschriften van het tweede tot en met zesde lid in acht worden genomen. 2 De elektrische lastoestellen, bedoeld in het eerste lid, en de bijbehorende apparatuur zijn zodanig samengesteld, dat zij geen gevaar voor personen of voor de omgeving kunnen opleveren en zijn op duurzame en opvallende wijze voorzien van de instructies en aanduidingen, nodig voor een veilige bediening en een veilig gebruik. 3 Elektrische lastoestellen als bedoeld in het eerste lid, met een wisselspanning als nullastspanning, zijn voorzien van apparatuur ter verlaging van de nullastspanning tot een waarde van ten hoogste 42 volt of zijn van een type waarvan de secundaire spanning bij nullast ten hoogste 42 volt bedraagt. De genoemde waarde van de verlaagde nullastspanning wordt binnen 0,5 seconde na het inschakelen van het lastoestel of het verbreken van de lasboog verkregen. 4 De apparatuur ter verlaging van de nullastspanning, bedoeld in het derde lid, functioneert zodanig, dat een veilige werkwijze met de elektrische lasapparatuur, ook bij normaal optredende variaties van de spanning en de frequentie in het scheepsnet, is verzekerd. 5 De elektrische lastoestellen met verlaagde nullastspanning zijn voorzien van een voltmeter die is aangesloten op de aansluitklemmen aan de laszijde van het toestel en waarmee de met de laswerkzaamheden belaste persoon bij de aanvang van het werk kan vaststellen dat de in het derde lid voorgeschreven verlaagde nullastspanning binnen de aangegeven tijd is bereikt. 6 De voltmeter, bedoeld in het vijfde lid, is van een deugdelijke constructie en is voorts tegen mechanische beschadiging beschermd. De nominale waarde van de verlaagde nullast spanning is op duidelijke wijze op de meterschaal aangegeven. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 Ten aanzien van het uitvoeren van laswerkzaamheden met elektrische lastoestellen, ongeacht of wisselspanning of gelijkspanning wordt toegepast, gelden de volgende voorschriften: a. laswerkzaamheden worden slechts verricht door personen die met de daarbij in acht te nemen veiligheidsvoorschriften voldoende bekend zijn en door de schipper met deze werkzaamheden zijn belast; b. de met de laswerkzaamheden belaste persoon maakt gebruik van de bij deze werkzaam-heden behorende beschermende kleding en beschermingsmiddelen; c. artikel 3.2, vijfde lid in geval van lassen met behulp van elektrische lastoestellen die zijn voorzien van apparatuur ter verlaging van de nullast spanning, overtuigt de met de laswerkzaamheden belaste persoon zich bij de aanvang van het werk ervan, met behulp van de in, genoemde controle-inrichting, dat die apparatuur naar behoren werkt; d. onder ongunstige omstandigheden zijn bij het uitvoeren van laswerkzaamheden steeds ten minste twee personen ter plaatse van het werk aanwezig, de persoon die de laswerkzaam-heden verricht hierbij inbegrepen. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 artikel 6.14, tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 Een noodstopvoorziening van de vislieren als bedoeld involdoet aan de volgende voorschriften: a. bij elke bedieningsplaats van de vislieren, alsmede in de ruimte voor de vislieren zelf, is een noodstopvoorziening aangebracht en bovendien op ten minste twee plaatsen op het dek vanwaar de visserij wordt uitgeoefend; b. de bediening kan met een enkelvoudige handeling snel geschieden; c. bij het in werking stellen stopt de vislier onmiddellijk en treden de remmen van zowel de aandrijfmotor als van de aanwezige liertrommels automatisch in werking; d. het gebruik wordt door middel van een rood signaal zichtbaar gemaakt op de bedieningsplaats van de vislier in het stuurhuis; e. het wederom in bedrijf stellen van de vislier kan alleen handmatig geschieden en is pas mogelijk nadat de noodstopvoorziening in de oorspronkelijke bedrijfstoestand is teruggebracht en de bedieningsorganen in de ruststand zijn geplaatst. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 1 De vislierinstallatie kan in beide richtingen worden aangedreven. De aandrijving van de vislierinstallatie, alsmede de remmen en de koppelingen van de trommels zijn vanuit het stuurhuis bedienbaar. 2 artikel 4.1 In het stuurhuis is nabij de bedieningsplaats van de vislier een afzonderlijke voorziening aangebracht waarmee, na gebruik van de noodstopvoorziening, bedoeld in, de remmen van de liertrommels kunnen worden gelicht teneinde een onder spanning staande visdraad vrij te laten vieren. Deze voorziening is zodanig uitgevoerd dat deze bij het loslaten automatisch in de ruststand terugkeert. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 Vislieren met elektrische of hydraulische aandrijving zijn zodanig ingericht dat: a. het inschakelen van de aandrijfmotor alleen vanuit de ruststand van de bedieningsorganen kan geschieden, b. bij het wegvallen van de netspanning of hydraulische druk de remmen automatisch in werking treden, c. bij toepassing van elektrische hulpstroom het ontstaan van een aardsluiting in de hulpstroomketen niet tot het in gang komen of blijven van de aandrijfmotor of het lichten of gelicht blijven van de remmen kan leiden, en d. artikel 4.1 het in bedrijf komen van de vislier kan worden verhinderd door een in de directe omgeving van de vislier opgestelde werkschakelaar, een noodstopvoorziening als bedoeld inof een andere doelmatige inrichting. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 4a.1 — Artikel 4a.1#
Artikel 4a.1 1 richtlijn nr. 2002/35/EG Richtlijn 97/70/EG Vissersvaartuigen die zijn gebouwd op of na 1 januari 2003 voldoen aan de voorschriften vanvan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 april 2002 (PbEG L 112) tot wijziging vanvan de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt. 2 Vissersvaartuigenbesluit 2002 Het eerste lid is slechts van toepassing op Nederlandse vissersvaartuigen als bedoeld in het. 2011 7314 29-04-2011 19-04-2011 IENM/BSK-2011-36701 2011 209 13-05-2011 27-04-2011 14-05-2011 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit
Vissersvaartuigenbesluit 2002, enz. (opnemen diverse grondslagen) in werking
treedt.
Artikel 4b.1 — Artikel 4b.1#
Artikel 4b.1 artikel 1.12, vierde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 Tussentijdse onderzoeken als bedoeld invinden eenmaal per twee jaar plaats in de periode van drie maanden voor tot drie maanden na de dag en de maand van afgifte van het certificaat van overeenstemming. 2005 106 06-06-2005 30-05-2005 HDJZ/SCH/2005-1225 2005 106 06-06-2005 30-05-2005 HDJZ/SCH/2005-1225 08-06-2005
Artikel 4c.1 — Artikel 4c.1#
Artikel 4c.1 Deze paragraaf is slechts van toepassing op Nederlandse vissersvaartuigen en vissersvaartuigen die dienstdoen in de binnenwateren of territoriale wateren van het Europese deel van Nederland, of hun vangst aan land brengen in een haven in het Europese deel van Nederland. 2011 7314 29-04-2011 19-04-2011 IENM/BSK-2011-36701 2011 209 13-05-2011 27-04-2011 14-05-2011 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit
Vissersvaartuigenbesluit 2002, enz. (opnemen diverse grondslagen) in werking
treedt.
Artikel 4c.2 — Artikel 4c.2#
Artikel 4c.2 Vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter zijn volgens het volgende tijdschema uitgerust met een automatisch identificatiesysteem (klasse A) dat voldoet aan de door de IMO ontwikkelde prestatienormen: – pasgebouwde vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter en alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van 45 meter of meer: met ingang van het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt; – vissersvaartuigen met een lengte over alles van 24 meter of meer, doch minder dan 45 meter: uiterlijk op 31 mei 2012; – vissersvaartuigen met een lengte over alles van 18 meter of meer, doch minder dan 24 meter: uiterlijk op 31 mei 2013; – vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter, doch minder dan 18 meter: uiterlijk op 31 mei 2014. 2011 7314 29-04-2011 19-04-2011 IENM/BSK-2011-36701 2011 209 13-05-2011 27-04-2011 14-05-2011 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit
Vissersvaartuigenbesluit 2002, enz. (opnemen diverse grondslagen) in werking
treedt.
Artikel 4c.3 — Artikel 4c.3#
Artikel 4c.3 De schipper van een vaartuig dat is uitgerust met een automatisch identificatiesysteem is verplicht dat systeem te allen tijde operationeel te houden in overeenstemming met voorschrift V/19.2.4.7 van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen, tenzij dit in uitzonderlijke omstandigheden naar het oordeel van de schipper gevaar oplevert voor de veiligheid of de beveiliging van het vissersvaartuig. 2013 8228 27-03-2013 22-03-2013 IENM/BSK-2013/56648 2013 8228 27-03-2013 22-03-2013 IENM/BSK-2013/56648 01-04-2013
Artikel 4c.4 — Artikel 4c.4#
Artikel 4c.4 artikel 4c.2 artikel 4c.3 Overtreding vandoor buitenlandse vissersvaartuigen en overtreding vanzijn strafbare feiten. 2012 18964 17-09-2012 12-09-2012 IENM/BSK-2012/139186 2012 18964 17-09-2012 12-09-2012 IENM/BSK-2012/139186 18-09-2012
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vissersvaartuigen. 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 2004 32 17-02-2004 09-02-2004 HDJZ/SCH/2004-58 19-02-2004