Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 april 2005, nr. WJZ/2005/11620 (8165), houdende nadere regels over de verstrekking van specifieke uitkeringen in het kader van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving en cultuureducatie primair onderwijs (Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008)
- BWB-id
- BWBR0018160
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 2006-12-08 t/m 2010-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0018160
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2005/regeling-uitkeringen-cultuurbereik-2005-2008
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2005/regeling-uitkeringen-cultuurbereik-2005-2008/2006-12-08
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0018160&g=2006-12-08
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0018160&z=2026-06-06&g=2006-12-08
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0018160/2006-12-08
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2005/regeling-uitkeringen-cultuurbereik-2005-2008
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. aanvrager: een college van burgemeester en wethouders van een gemeente of een college van gedeputeerde staten van een provincie; b. gemeente: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heerlen, Hengelo, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zaanstad, Zoetermeer of Zwolle; c. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; d. Wet op het primair onderwijs Wet op de expertisecentra primair onderwijs: onderwijs als bedoeld in deof de; e. Wet op het primair onderwijs Wet op de expertisecentra school: een school in de zin van deof de; f. artikel 3, eerste, tweede of derde lid uitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 De minister kan van deze regeling afwijken, mits de beschikking waarbij een uitkering wordt verstrekt, de afwijking nadrukkelijk vermeldt. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De minister kan voor de periode 2005–2008 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuurbereik. 2 De minister kan voor de periode 2005–2008 aan de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leeuwarden, Maastricht, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zwolle of provincies specifieke uitkeringen verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van beeldende kunst en vormgeving. 3 De minister kan voor de jaren 2005 en 2006 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuureducatie in het primair onderwijs. 4 De Minister kan een specifieke uitkering die aan een gemeente of provincie wordt verstrekt op grond van het derde lid, verlengen tot en met het jaar 2007, indien die gemeente of provincie daarmee instemt. 2006 238 06-12-2006 30-11-2006 WJZ/2006/46424(8129) 2006 238 06-12-2006 30-11-2006 WJZ/2006/46424(8129) 08-12-2006
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 De uitkering bestaat uit een bedrag voor de door de minister in de beslissing tot toekenning van een uitkering aangeduide doelen. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 41, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen Onverminderd, omvat de aanvraag voor een uitkering: a. een analyse van de gemeentelijke of provinciale infrastructuur op het gebied van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving of cultuureducatie in het primair onderwijs binnen de gemeente of provincie; b. een opsomming van keuzes op basis van de analyse, bedoeld in onderdeel a, die past binnen het gemeentelijke of provinciale beleid in de uitkeringsperiode ten aanzien van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving of cultuureducatie in het primair onderwijs; c. een beschrijving van de beoogde meetbare doelstellingen die passen in de gemeentelijke of provinciale context die voortkomen uit de keuzelijst, bedoeld in onderdeel b, en die tevens een bijdrage leveren aan het bereiken van de rijksbrede doelstelling, bedoeld in: 1°. het Beleidskader Actieplan Cultuurbereik 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133, 2°. het Beleidskader Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133, of 3°. de Afspraak tussen de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het bestuur van het Interprovinciaal Overleg en het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over Cultuureducatie Primair Onderwijs, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133; d. de omschrijving van de wijze waarop en de lijst van indicatoren waaraan de gemeente of provincie de doelstellingen gaan meten; e. bijlage I een meerjarenbegroting overeenkomstig het alsbij deze regeling gevoegde model. 2 artikel 3, derde lid Indien de aanvraag een uitkering als bedoeld in, betreft, geeft de aanvrager tevens aan hoe gestimuleerd wordt dat: a. passende cultuureducatieve activiteiten beschikbaar komen, en b. netwerken van scholen en culturele instellingen tot stand worden gebracht. 3 artikel 3, derde lid Indien de aanvrager een college van gedeputeerde staten is, geeft het college in de aanvraag voor een uitkering als bedoeld in, tevens aan hoe het college zorg gaat dragen voor de bovenlokale coördinatie, bemiddeling en afstemming tussen vraag en aanbod. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 4, eerste en tweede lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen Onverminderdweigert de minister aan: a. artikel 3, eerste lid de desbetreffende gemeente of provincie een uitkering als bedoeld in, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze gemeente of provincie lager is dan deze uitkering; b. artikel 3, tweede lid Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Maastricht, Rotterdam en Utrecht een uitkering als bedoeld in, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze gemeente lager is dan deze uitkering; c. artikel 3, tweede lid de desbetreffende provincie een uitkering als bedoeld in, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze provincie lager is dan deze uitkering minus het bedrag dat deze provincie besteedt in samenwerking met een of meer gemeenten. d. artikel 3, derde lid de desbetreffende gemeente of provincie een uitkering, bedoeld in, te verstrekken als de financiële inzet in het jaar 2005 en 2006 van deze gemeente of provincie op het gebied van aanbod, ondersteuning en bemiddeling ten behoeve van cultuureducatie voor het primair onderwijs lager is dan de financiële inzet in 2004. 2 artikel 1, onderdeel b Onder gemeenten in het eerste lid, onderdeel c, worden ook andere gemeenten verstaan dan de gemeenten, genoemd in. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 3, eerste en tweede lid De minister betaalt een voorschot van één vierde deel van de uitkering, bedoeld in, in de maand juni van het desbetreffende jaar waarvoor het voorschot is bestemd. 2 artikel 3, derde lid De minister betaalt in de maand juni van 2005 een voorschot op de uitkering, bedoeld in, van € 1,– vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2004: a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt. 3 artikel 3, derde lid De minister betaalt in de maand juni van 2006 een voorschot op de uitkering, bedoeld in, van € 1,50 vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2005: a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het vastgestelde aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt. 4 artikel 3, derde lid Indien een uitkering als bedoeld in, wordt verlengd tot en met het jaar 2007, betaalt de Minister in de maand juni van 2007 een voorschot op de uitkering van € 1,50 vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2006: a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het vastgestelde aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt. 2006 238 06-12-2006 30-11-2006 WJZ/2006/46424(8129) 2006 238 06-12-2006 30-11-2006 WJZ/2006/46424(8129) 08-12-2006
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 artikel 3, eerste lid De uitkering, bedoeld in, bedraagt ten hoogste: 2005–2008 Alkmaar 297.496 Almere 538.796 Amersfoort 419.672 Amsterdam 3.341.428 Apeldoorn 492.996 Arnhem 448.052 Breda 523.972 Delft 302.356 Den Haag 2.121.196 Dordrecht 378.272 Ede 333.140 Eindhoven 657.668 Emmen 342.056 Enschede 483.572 Groningen 566.256 Haarlem 464.600 Haarlemmermeer 401.572 Heerlen 295.532 Hengelo 255.984 Den Bosch 422.260 Leeuwarden 288.624 Leiden 375.820 Maastricht 387.468 Nijmegen 497.788 Rotterdam 2.707.500 Tilburg 628.236 Utrecht 1.219.728 Zaanstad 441.648 Zoetermeer 360.504 Zwolle 350.200 Drenthe 1.181.556 Flevoland 597.024 Friesland 1.739.004 Gelderland 4.442.548 Groningen 1.249.132 Limburg 2.917.188 Noord Brabant 5.374.120 Noord Holland 4.229.028 Overijssel 2.402.740 Utrecht 2.397.588 Zeeland 1.196.940 Zuid Holland 6.113.004 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 3, tweede lid De uitkering, bedoeld in, bedraagt ten hoogste: 2005–2008 Amsterdam 10.408.696 Arnhem 1.497.280 Breda 470.912 Den Haag 6.607.616 Eindhoven 2.197.780 Enschede 1.615.988 Groningen 1.892.300 Den Bosch 379.500 Leeuwarden 259.396 Maastricht 1.294.836 Rotterdam 8.433.976 Tilburg 564.616 Utrecht 3.799.504 Zwolle 314.736 Drenthe 1.022.172 Flevoland 762.008 Friesland 1.166.676 Gelderland 3.868.644 Groningen 838.024 Limburg 2.155.372 Noord Brabant 3.605.424 Noord Holland 3.914.180 Overijssel 1.783.704 Utrecht 1.890.060 Zeeland 803.008 Zuid Holland 5.051.744 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 3, derde lid De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50. 2 artikel 3, derde lid De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50. 3 artikel 3, derde en vierde lid De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50 + F × € 1,50. 4 artikel 3, derde en vierde lid De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50 + (G – F) × € 1,50. 5 In de formule als bedoeld in het eerste en tweede lid is: A: artikel 3, derde lid het bedrag van de uitkering, bedoeld in; B: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004; C: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005; D: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004; E: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005; F. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006; G. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006. 2006 238 06-12-2006 30-11-2006 WJZ/2006/46424(8129) 2006 238 06-12-2006 30-11-2006 WJZ/2006/46424(8129) 08-12-2006
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikelen 45 47 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen De rapportage over de naleving van de uitkeringsbepalingen, bedoeld in deen, geschiedt overeenkomstig de volgende bijlagen bij deze regeling: a. bijlage II , Controleprotocol; b. bijlage III , Model accountantsverklaring; c. bijlage IV , Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik; d. bijlage V , Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving; e. bijlage VI , Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs; f. bijlage VII , Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik en gemeenten Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving; g. bijlage VIII , Model financiële verantwoording provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving; h. bijlage IX , Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Regeling specifieke uitkering cultuureducatie po 2004 Dewordt ingetrokken. 2 Voorzover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de regeling, bedoeld in het eerste lid, plaats. 3 Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de regeling, bedoeld in het eerste lid, blijven in stand. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2011. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008. 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 2005 72 14-04-2005 01-04-2005 WJZ/2005/11620(8165) 16-04-2005
Artikel 3#
artikel 3
Artikel 4#
Artikel 4
Artikel 5#
Artikel 5
Artikel 6#
Artikel 6
Artikel 11#
Artikel 11
Artikel 5#
artikel 5
Artikel 6#
artikel 6, eerste lid, onderdeel a
Artikel 6#
artikel 6, eerste lid, onderdeel b
Artikel 6#
artikel 6, eerste lid, onderdeel c
Artikel 6#
artikel 6, eerste lid, onderdeel d
Artikel 11#
artikel 11
Artikel 4#
artikel 4