Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, van 30 juni 2005, nr. 2005-0000059936/CZW/WVOB, houdende regels ter uitvoering van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid)
- BWB-id
- BWBR0018516
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2013-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0018516
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2005/uitvoeringsregeling-brede-doeluitkering-sociaal-integratie-e
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2005/uitvoeringsregeling-brede-doeluitkering-sociaal-integratie-e/2013-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0018516&g=2013-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0018516&z=2026-06-06&g=2013-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0018516/2013-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2005/uitvoeringsregeling-brede-doeluitkering-sociaal-integratie-e
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid Besluit:; b. G30: de gemeenten Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo (Overijssel), ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad en Zwolle; c. niet westerse allochtoon: persoon waarvan ten minste één van de ouders in Turkije, in een land in Afrika, Latijns Amerika of in Azië, met uitzondering van Indonesië en Japan, is geboren; d. CBS: Centraal bureau voor de statistiek; e. bijlage A maatschappelijke centrumgemeenten: centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid die zijn vermeld in de bij deze regeling behorende; f. bijlage A maatschappelijk zorggebied: zorggebied voor maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid volgens de in de bij deze regeling behorendeopgenomen gebiedsindeling; g. bijlage B zorggebied voor vrouwenopvang: zorggebied volgens de in de bij deze regeling behorendeopgenomen gebiedsindeling; h. artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs verklaring: door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaring, bedoeld in; i. artikel 1, onderdeel g, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers beschikking omtrent een inburgeringsprogramma: beschikking als bedoeld in; j. wijk: GSB-wijk zoals opgenomen in het rapport ‘Wijkmonitoring G30’ van 30 december 2004; k. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; l. voorschoolse educatie: een programma dat door gekwalificeerd personeel wordt verzorgd in kinderdagverblijven en peuterspeelzalen voor doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar; m. artikel 6 van het Besluit bekostiging WPO artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO doelgroepkind: kind met onderwijsachterstand dat op grond van, zoals dat luidde op 31 juli 2006, in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie, dan wel kind met onderwijsachterstand voor wie een gewicht is vastgesteld op grond van, zoals dat luidde op 31 juli 2006, en dat in aanmerking komt voor het volgen van vroegschoolse educatie; n. artikelen 166 166a van de Wet op het primair onderwijs schakelklas: groep of groepje leerlingen als bedoeld in deen; o. artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO schoolgewicht: schoolgewicht als bedoeld in, zoals dat luidde op 31 juli 2006; p. artikel 7.3.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs volwasseneneducatie: opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen gericht op sociale redzaamheid, of opleidingen Nederlands als tweede taal, als bedoeld in; q. artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs roc: regionaal opleidingencentrum als bedoeld in; r. G27: de gemeenten, behorend tot de G31, met uitzondering van Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht; s. hoofdstuk 4 van de Wet inburgering inburgeringsexamen: het inburgeringsexamen, bedoeld inzoals die luidde op 31 december 2012; t. inburgeringscursus: een cursus welke een inburgeringsplichtige of inburgeraar in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen; u. artikel 23, tweede lid, van de Wet inburgering eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld inzoals die luidde op 31 december 2012; v. artikel 1, onderdeel i, van de Wet inburgering exameninstelling: de exameninstelling, bedoeld inzoals die luidde op 31 december 2012; w. artikel 47 van de Wet inburgering Informatiesysteem Inburgering: het Informatiesysteem Inburgering, bedoeld inzoals die luidde op 31 december 2012; x. inburgeringsbedrijf: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van uitoefening van beroep of bedrijf de inburgering van personen in Nederland bevordert; y. persoonlijk inburgeringsbudget: een budget dat door het college van burgemeester en wethouders, in het kader van een te sluiten overeenkomst met een inburgeringsbedrijf, ten behoeve van een inburgeraar ter beschikking wordt gesteld en met behulp waarvan de inburgeraar zijn inburgering op een individuele wijze vorm geeft; z. artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs staatsexamen: het staatsexamen Nederlands als tweede taal I en II, bedoeld in; aa. artikel 1.1, onderdeel p, van het Besluit inburgering duale inburgeringsvoorziening: duale inburgeringsvoorziening als bedoeld inzoals dit luidde op 31 december 2012; bb. artikel 19, tweede lid, van de Wet inburgering taalkennisvoorziening: taalkennisvoorziening als bedoeld inzoals die luidde op 31 december 2012. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a artikelen 2 tot en met 9a 14a tot en met 14c 15 15b De,,enzijn niet van toepassing op de gemeente Sittard-Geleen. 2006 246 18-12-2006 12-12-2006 2006-0000407829 2006 246 18-12-2006 12-12-2006 2006-0000407829 01-01-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor leefbaarheid en veiligheid, bedoeld in, wordt bepaald volgens de formule: 0,3366 × ((0,50 × Inw2004gem /Inw2004G30) + 0,50 (Nwal2004gem/Nwal2004G30)) + 0,4795 × ((0,3333 × (Jong2004gem/Jong2004G30) + 0,3333 × (A/B) + 0,3333 × (HKS2003gem/HKS2003G30)) + 0,1839 × ((0,50 × Inw2004gem/Inw2004G30) + 0,25 × ((Link2004gem × Kpreg2004gem)/(Link2004G30 × Kpreg2004G30)+ 0,25 × (Jonggem × Kpreg2004gem)/(JongG30 × Kpreg2004G30)). In deze formule is Inw2004gem: aantal inwoners van de gemeente op 1 januari 2004; Inw2004G30: aantal inwoners van de G30 op 1 januari 2004; Nwal2004gem: aantal niet westerse allochtonen op 1 januari 2004 in de gemeente; Nwal2004G30: aantal niet westerse allochtonen op 1 januari 2004 in de G30; Jong2004gem: het aantal inwoners van de gemeente dat 24 jaar of jonger is op 1 januari 2004 in de gemeente; Jong2004G30: het aantal inwoners van de G30 dat 24 jaar of jonger is op 1 januari 2004; A: (Nwal2004gem/Inw2004gem) × Jong2004gem; B: (Nwal2004G30/Inw2003G30) × Jong2004G30; HKS2003gem: aantal inwoners van de gemeente van twaalf tot en met vierentwintig jaar dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie HKS2003G30: aantal inwoners van de G30 van twaalf tot en met vierentwintig jaar dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie; bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Link2004gem: het aantal huishoudens in de gemeente volgens de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in, volgens de meest recente vóór 2004 vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS; bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Link2004G30: het aantal huishoudens in de G30 volgens de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in, volgens de meest recente vóór 2004 vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS; artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpreg2004gem: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de gemeente als bedoeld inop 1 januari 2004; artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpreg2004G30: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de G30 als bedoeld inop 1 januari 2004; Jonggem: het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari 2004 dat 19 jaar of jonger is; JongG30: het aantal inwoners van de G30 op 1 januari 2004 dat 19 jaar of jonger is. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten, bedoeld in, wordt bepaald volgens de formule 0,3333 × (NWAl2004gem/NWAl2004G30) + 0,3333 × (ABW2003gem/ABW2003G30) + 0,3333 × (Loplgem/LoplG30). In deze formule is NWAl2004gem: aantal niet westerse allochtonen in de gemeente op 1 januari 2004; NWAl2004G30: aantal niet westerse allochtonen in de G30 op 1 januari 2004; Algemene bijstandswet ABW2003gem: totaal aantal uitkeringen ingevolge dein 2003 in de gemeente; Algemene bijstandswet ABW2003G30: totaal aantal uitkeringen ingevolge dein 2003 in de G30; Loplgem: gemiddeld aantal inwoners in de gemeente van 18 jaar tot en met 64 jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs; LoplG30: gemiddeld aantal inwoners in de G30 van 18 jaar tot en met 64 jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden wordt bepaald volgens de formule Schgw2003gem/Schgw2003G30. In deze formule is artikel 15b van het Formatiebesluit WPO Schgw2003gem: het aantal van de schoolgewichten op 1 oktober 2003 in de gemeente op basis van, zoals dat luidde op die datum; artikel 15b van het Formatiebesluit WPO Schgw2003G30: het aantal van de schoolgewichten op 1 oktober 2003 in de G30-gemeenten op basis van, zoals dat luidde op die datum. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de maatschappelijke centrumgemeenten in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid, bedoeld in, wordt bepaald volgens de formule In deze formule is t-1 Inwgem: het aantal inwoners van het maatschappelijk zorggebied van de gemeente op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar; t-1 Inwcgmo: het aantal inwoners van de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Linkgem: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in, in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Linkcgmo: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in, in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS; t-1 artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpreggem: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld inop 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente; t-1 artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpregcgmo: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld inop 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten; t-2 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Ugem: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld in, in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld inin dat gebied, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar; t-2 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Ucgmo: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld inin de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld inin die gebieden, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar; t Midmocgmo: het deel van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basismocgmo: het deel van de basisbedragen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de maatschappelijke centrumgemeenten dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basismogem: het deel van het basisbedrag voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; Midmo: de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid in de GSB III periode. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang in de middelen voor vrouwenopvang, bedoeld in, wordt bepaald volgens de formule In deze formule is t-1 Inwgem: het aantal inwoners van het zorggebied voor vrouwenopvang van de gemeente op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar; t-1 Inwcgvo: het aantal inwoners van de zorggebieden van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Mingem: het totaal van het aantal inwoners van de gemeente in het zorggebied voor vrouwenopvang op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar, volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Mincgvo: Het totaal van het aantal inwoners in de zorggebieden voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar, volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in; t Midvo: het deel van de middelen voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basisvocgvo: het deel van de basisbedragen voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basisvogem: het deel van het basisbedrag voor vrouwenopvang van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe rekenen; Midvo: de middelen voor vrouwenopvang in de GSB III periode. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van nieuwkomers, bedoeld in, voor het jaar 2005 wordt bepaald volgens de formule (C/D) × (Midverkl/Midinbnk) + (E/F) × (Midbeschl/Midinbnk)). In deze formule is C: het aantal verklaringen van de gemeente in 2005; D: het aantal verklaringen van de G30 in 2005; E: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de gemeente in 2005; F: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de G30 in 2005; Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is; Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor maatstaf beschikkingen beschikbaar is; Midinbnk: de middelen voor de inburgering van nieuwkomers in 2005. 2 Wet inburgering nieuwkomers Op het met het procentuele aandeel, bedoeld in het eerste lid, corresponderende bedrag, wordt de helft van de per 31 december 2004 door de gemeente op grondslag van degevormde reserve in mindering gebracht, mits die reserve groter is dan € 0. 3 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van nieuwkomers, bedoeld in, wordt voor het jaar 2006 bepaald volgens de formule (C/D) × (Midverkl/Midinbnk) + (E/F) × (Midbeschl/Midinbnk)). In deze formule is – C: het aantal verklaringen van de gemeente in 2006, welke betrekking hebben op in dit jaar aangevangen inburgeringsprogramma’s; – D: het aantal verklaringen van de G30 in 2006, welke betrekking hebben op in dit jaar aangevangen inburgeringsprogramma’s; – E: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de gemeente in 2006; – F: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de G30 in 2006; – Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is; – Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor maatstaf beschikkingen beschikbaar is; – Midinbnk: de middelen voor de inburgering van nieuwkomers in het jaar 2006. 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 31-08-2006 01-07-2006
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van oudkomers, bedoeld in, wordt bepaald volgens de formule (G/H) × 2667/8000 + (I/J) × 5333/8000. In deze formule is G: het aantal oudkomers in de gemeente dat in 2005 en 2006 start met een inburgeringsprogramma voor oudkomers en met wie de gemeente in 2005 en 2006 een overeenkomst heeft gesloten; H: het aantal oudkomers in de G30 dat in 2005 en 2006 start met een inburgeringsprogramma voor oudkomers en met wie in 2005 en 2006 een overeenkomst is gesloten; I: het aantal oudkomers in de gemeente dat in 2005 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2006 afrondt, alsmede het aantal oudkomers in de gemeente dat in 2006 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2007 afrondt; J: het aantal oudkomers in de G30 dat in 2005 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2006 afrondt, alsmede het aantal oudkomers in de G30 dat in 2006 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2007 afrondt. 2 Bij de toepassing van de formule, genoemd in het eerste lid, bedraagt bij elk van de onderdelen van de formule het aantal in aanmerking te nemen oudkomers ten hoogste het aantal oudkomers dat bij de verlening van voorschotten is betrokken. 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 31-08-2006 01-07-2006
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 4, eerste lid, van het Besluit Het procentuele aandeel van de gemeente in de extra middelen voor veiligheid, bedoeld in, wordt bepaald volgens de formule 0,1950 × (Inw2004gem/Inw2004G30) + 0,2090 × (Min2004gem/Min2004G30) + 0,12 × (Jonggem/JongG30) + 0,12 × (K/L) + 0,12 × (HKS2003gem/HKS2003G30) + 0,083 × (ABWontgem/ABWontG30) + 0,083 × (Loplgem/LoplG30) + 0,035 × ((Li2004gem × Kpreg2004gem)/(Li2004G30 × Kpreg2004G30)) + 0, 035 × ((Jonggem × Kpreg2004gem)/(JongG30 × Kpreg2004G30)). In deze formule is Inw2004gem: aantal inwoners van de gemeente op 1 januari 2004; Inw2004G30: aantal inwoners van de G30 op 1 januari 2004; bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Min2004gem: Het totaal van het aantal inwoners op 1 januari 2004 in de gemeente volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in; bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Min2004G30: Het totaal van het aantal inwoners in de G30 op 1 januari 2004, volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in; Jonggem: het aantal inwoners van de gemeente dat negentien jaar of jonger is op 1 januari 2004; JongG30: het aantal inwoners van de G30 dat negentien jaar of jonger is op 1 januari 2004 op 1 januari 2004; K: (Min2004gem/Inw2004gem) × Jonggem; L: (Min2004G30/Inw2004G30) × JongG30; HKS2003gem: aantal jongeren van twaalf tot en met vierentwintig jaar in de gemeente dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie; HKS2003G30: aantal jongeren van twaalf tot en met vierentwintig jaar in de G30 dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie; bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 ABWontgem: aantal personen in de gemeente op 31 december 2003 op basis van de Bijstandmaatstaf, bedoeld in; bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 ABWontG30: aantal personen in de G30 op 31 december 2003 op basis van de Bijstandmaatstaf, bedoeld in; Loplgem: gemiddeld aantal inwoners in de gemeente van vijftien jaar tot en met vierenzestig jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs; LoplG30: gemiddeld aantal inwoners in de G30 van vijftien jaar tot en met vierenzestig jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs; artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpreg2004gem: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de gemeente als bedoeld inop 1 januari 2004; artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpreg2004G30: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de G30 als bedoeld inop 1 januari 2004. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 4, eerste lid, onderdeel Q, van het Besluit Het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering, bedoeld in, voor de jaren 2007, 2008 en 2009 wordt bepaald volgens de formule { ( [ A × B ] + [ C × D ] + [ E × F ] + [ G × H ] + [ I × J ] + [ K × L ] + [ M × N ] + [ O × P ] + [ Q × R ] + [ S x T ] ) × U } + V + W. In deze formule is A: het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; B: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening, bedoeld in letter A; C: het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; D: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening, bedoeld in letter C; E: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college van burgemeester en wethouders een handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt, dan wel een kennisgeving heeft verstrekt; F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de bekendmaking van een handhavingsbeschikking en de verstrekking van een kennisgeving; G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren; I: het aantal in de letter A bedoelde inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen; J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen, bedoeld in letter I; K: het aantal in de letter C bedoelde inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen; L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen, bedoeld in letter K; M: het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen; N: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen, bedoeld in letter M; artikel 3.8 van het Besluit inburgering O: het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het aanvullende praktijkdeel van het inburgeringsexamen of het staatsexamen, bedoeld inzoals dit luidde op 31 december 2012; artikel 3.8 van het Besluit inburgering P: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het aanvullende praktijkdeel van het inburgeringsexamen of het staatsexamen, bedoeld inzoals dit luidde op 31 december 2012; Wet inburgering nieuwkomers Q: het aantal door het college van burgemeester en wethouders in 2007 op grond van de, zoals die luidde op 31 december 2006, genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma; R: de bijdragevergoeding ten aanzien van een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma als bedoeld in letter Q; Wet inburgering nieuwkomers artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs S: het aantal door het college van burgemeester en wethouders in 2007 en 2008 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de, zoals die luidde op 31 december 2006, uitgereikte verklaringen als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006, die betrekking hebben op in 2006 en 2007 aangevangen inburgeringsprogramma’s; T: de bijdragevergoeding ten aanzien van een verklaring als bedoeld in letter S; U: de door de Minister vast te stellen correctiefactor; artikel 9, vierde lid, onderdeel a, onder 2° van het Besluit V: het bedrag, bedoeld in; artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 4°, van het Besluit W: het bedrag, bedoeld in. 2 Het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering, bedoeld in het eerste lid, aanhef, wordt voor de jaren 2008 en 2009 verhoogd met de uitkomst van de formule [X x Y]+ [Z x AA], in welke formule voorstelt: a. X: het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; b. Y: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening, bedoeld in letter X; c. Z:het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders na 1 september 2008 voor de eerste keer een taalkennisvoorziening heeft vastgesteld, en d. AA: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening, bedoeld in letter Z. 3 artikel 4, eerste lid, onderdeel R, van het Besluit Het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering, bedoeld in, voor de jaren 2008 en 2009 wordt bepaald volgens de formule ( A × B) + ( C × D)+ (E x F)+ (G x H). In deze formule is A. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt, ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; B. de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening, bedoeld in letter A; C. het aantal in de letter A bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; D. de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen; E. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt, ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; F. de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening, bedoeld in letter E; G. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt, ten behoeve van wie het college van burgemeester en wethouders na 1 september 2008 voor de eerste keer een taalkennisvoorziening heeft vastgesteld, en H. de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening, bedoeld in letter G. 4 artikel 27, eerste lid, van het Besluit Bij het vaststellen van het programmadeel als bedoeld in, wordt bij de berekening van het aandeel, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, uitgegaan van de door de gemeente gerealiseerde aantallen, bedoeld in de letters A, C, E, G, I, K, M, O, Q en S van het eerste lid, X en Z van het tweede lid, respectievelijk de letters A, C, E en G van het derde lid. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013
Artikel 9b — Artikel 9b#
Artikel 9b De aan de gemeente Sittard-Geleen te verstrekken uitkering bedraagt: a. € 14.818.757,27 voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, ten behoeve van de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma, plus b. € 870.420,– voor 2006, ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers en oudkomers. 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 22-12-2009
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 7, tweede lid, van het Besluit De indicatoren, bedoeld in, zijn: a. het aantal doelgroepkinderen dat deelneemt aan voorschoolse educatie; b. het aantal leerlingen dat heeft deelgenomen aan een schakelklas; ba. een door het college van burgermeester en wethouders van de betreffende gemeente te bepalen indicator op het gebied van onderwijsachterstandenbeleid anders dan bedoeld onder a en b; onder deze door de gemeente te bepalen indicator kan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente tevens kiezen voor een uitsplitsing in subindicatoren; c. artikel 7.2.2., eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs het aantal voortijdig schoolverlaters onder de drieëntwintig jaar dat is herplaatst en alsnog een startkwalificatie behaalt van tenminste het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in; ca. een door het college van burgermeester en wethouders van de betreffende gemeente te bepalen indicator op het gebied van het terugdringen van voortijdig schoolverlaten anders dan bedoeld onder c; d. het aantal trajecten dat door een gemeente bij een roc wordt ingekocht, waarbij een traject kan worden opgebouwd uit onderdelen van opleidingen educatie; e. het aantal deelnemers dat met een opleiding educatie is gestart; f. het aantal deelnemers dat een opleiding educatie succesvol heeft afgerond; g. een door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente te bepalen indicator op het gebied van educatie anders dan bedoeld onder d tot en met f; onder deze door de gemeente te bepalen indicator kan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente tevens kiezen voor een uitsplitsing in subindicatoren naar onderdelen van opleidingen educatie; h. de gemiddelde verblijfsduur in de maatschappelijke opvang; i. het aantal plaatsen in de vrouwenopvang; j. het aantal behandelingen op het gebied van de verslavingszorg dat per jaar wordt afgesloten; k. een door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente te bepalen indicator op het gebied van maatschappelijke opvang, de verslavingszorg of van vrouwenopvang anders dan bedoeld onder h tot en met j; onder deze door de gemeente te bepalen indicator kan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente tevens kiezen voor een uitsplitsing in subindicatoren; l. het aantal personen van nul tot negentien jaar met overgewicht die via de Jeugdgezondheidszorg wordt opgespoord en voor wie gezondheidsinterventies worden ingezet; m. een door de gemeenteraad te bepalen doelstelling op het gebied van de bestrijding van gezondheidsachterstanden anders dan bedoeld onder l; n. vervallen; o. vervallen; p. het procentuele deel van de personen die overlast geven op straat dat in maatschappelijke opvang kan worden geplaatst, die in crisissituaties vierentwintig uur per dag beschikbaar is; q. de aanwezigheid van een convenant of van een ander arrangement tussen alle partijen betrokken bij huiselijk geweld; r. de aanwezigheid van een advies- en steunpunt huiselijk geweld voor 1 januari 2009 (incl. aanvullende afspraken extra impuls); onder deze indicator kan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente tevens kiezen voor een uitsplitsing in subindicatoren; s. vervallen; t. het verminderen van criminaliteit in risicogebieden en in de woonomgeving uitgedrukt in een door de gemeenteraad te bepalen indicator; u. een door de gemeenteraad te bepalen doelstelling op het gebied van veiligheid anders dan bedoeld onder n tot en met t; v. het aantal vast te stellen inburgeringsvoorzieningen; w. het aantal vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen; x. het aantal bekend te maken handhavingsbeschikkingen en te verstrekken kennisgevingen; y. het aantal vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van geestelijke bedienaren; z. artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs het door de gemeenteraad te bepalen aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars dat op 1 januari 2007 deelneemt aan opleidingen educatie, bedoeld in, alsmede de door de gemeenteraad te bepalen omvang van het bedrag dat benodigd is om deze opleidingen educatie gedurende het jaar 2007 te bekostigen; aa. het aantal vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt; bb. het aantal vast te stellen duale inburgeringsvoorzieningen; cc. het aantal vast te stellen taalkennisvoorzieningen. 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 22-12-2009
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 7, tweede lid, van het Besluit De percentsgewijze verdeling van de middelen voor leefbaarheid en veiligheid over de indicatoren, bedoeld in, is als volgt samengesteld: a. artikel 10, onder p 40,35 percent aan de indicator, bedoeld in, en b. artikel 10, onder t 59,65 percent aan de indicator, bedoeld in. 2 artikel 7, tweede lid, van het Besluit artikel 10, onder c artikel 10, onder c artikel 10, onder ca Bij de percentsgewijze verdeling van de middelen voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten over de indicatoren, bedoeld in, wordt 100 percent toegedeeld aan de indicator, bedoeld in. Indien ten aanzien van de indicator, bedoeld in, geen resultaat is vastgelegd, wordt 100 percent toegedeeld aan de indicator, bedoeld in. 3 artikel 7, tweede lid, van het Besluit De percentsgewijze verdeling van de middelen voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden over de indicatoren, bedoeld in, is als volgt samengesteld: a. artikel 10, onder l 80 percent aan de indicator, bedoeld in, en b. artikel 10, onder m 20 percent aan de indicator, bedoeld in. 4 artikel 7, tweede lid, van het Besluit De percentsgewijze verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid respectievelijk voor vrouwenopvang over de indicatoren, bedoeld in, is steeds als volgt samengesteld: a. artikel 10, onder h 33,90 percent aan de indicator, bedoeld in; b. artikel 10, onder i 17,50 percent aan de indicator, bedoeld in; c. artikel 10, onder j 28,60 percent aan de indicator, bedoeld in, en d. artikel 10, onder k artikel 12h, derde lid artikel 12h, vierde lid artikel 10, onderdeel k 20,00 percent aan de indicator, bedoeld in. Voor de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, die een Plan van aanpak maatschappelijke opvang, bedoeld in, hebben opgesteld, met daarin opgenomen de te bereiken resultaten, wordt de percentsgewijze verdeling van de middelen, bedoeld in onderdeel a respectievelijk onderdeel c van dit lid, tezamen met de percentsgewijze verdeling van de middelen, bedoeld in, toegevoegd aan de 20,00 percent, bedoeld in de eerste zin van dit onderdeel. Als bij de indicator, bedoeld in, gekozen is voor een uitsplitsing in subindicatoren, wordt het totale percentage, bedoeld in de vorige zin, toegerekend aan die subindicatoren met gelijke percentages. 5 artikel 7, tweede lid, van het Besluit De percentsgewijze verdeling van de extra middelen voor veiligheid over de indicatoren, bedoeld in, is als volgt samengesteld: a. artikel 10, onder q 26,67 percent aan de indicator, bedoeld in; b. artikel 10, onder r 26,67 percent aan de indicator, bedoeld in; c. artikel 10, onder t 26,67 percent aan de indicator, bedoeld in, en d. artikel 10, onder u 20,00 percent aan de indicator, bedoeld in. 6 artikelen 12d 12e, eerste lid De bedragen, bedoeld in deen, worden toegerekend aan de middelen, genoemd in het eerste tot en met vijfde lid, evenredig naar de omvang van die middelen, en daarbinnen naar rato van de in die leden genoemde percentsgewijze verdeling over de indicatoren. 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 07-12-2008
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De uitkering aan de gemeente Heerlen wordt verhoogd met ten hoogste € 1.500.000,– ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VII van de Rijksbegroting voor het jaar 2005 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van het project Hartslag, gericht op het verminderen van de aan harddrugs gerelateerde overlast in die gemeente. 2 Voor 1 augustus 2005 dient het college van burgemeester en wethouders van Heerlen bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren ontwikkelingsprogramma. Daarin worden vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het verminderen van de aan harddrugs gerelateerde overlast, met de daarbij behorende indicatoren. 3 De minister neemt een beschikking tot verlening van de in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt in zijn geheel toegedeeld aan de in het tweede lid bedoelde indicatoren. 4 De minister kan de verhoging op een lager bedrag dan € 1.500.000,– vaststellen indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 5 De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van Heerlen heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden. 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 31-08-2006
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a 1 De uitkeringen aan de gemeenten Den Haag, Rotterdam en Utrecht en Amsterdam worden ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren, op de volgende wijze verhoogd: a. voor Den Haag: met € 750.000,– voor 2006 en 2007 en € 900.000,– voor 2008 en 2009; b. voor Rotterdam: met € 1.080.000,– voor 2006 en 2007 en € 1.296.000,– voor 2008 en 2009; c. voor Utrecht: met € 690.000,– voor 2006 en 2007 en € 828.000,– voor 2008 en 2009; d. voor Amsterdam: met € 1.980.000,– voor 2006 en 2007 en € 2.376.000,– voor 2008 en 2009. 2 Binnen vier weken na publicatie van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de vier in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin worden vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren. 3 In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met: a. voor Den Haag: 1°. het aantal trajecten ‘Individuele ondersteuning van jongeren en gezinnen’; 2°. het aantal trajecten ‘Voorkomen van schooluitval’; 3°. het aantal trajecten ‘Werktoeleiding’; b. voor Rotterdam: 1°. de daling van het percentage Nederlandse jongeren van Marokkaanse afkomst dat één jaar na ‘nazorg interventie’ nieuwe Justitiecontacten heeft; 2°. het percentage van de betreffende jongeren dat na een half jaar geen bemiddeling of bemoeienis anderzijds meer nodig heeft van de regisseur van de deelgemeentelijke organisatie ‘Sluitende aanpak’; 3°. het aantal stageplekken waarmee het tekort wordt verminderd; c. voor Utrecht: het aantal hulptrajecten per jaar voor Marokkaanse risicojongeren, beginners, meerplegers en risicogezinnen. d. voor Amsterdam: een of meer door het college van burgemeester en wethouders te bepalen indicatoren op het gebied van het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren. 4 De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt toegedeeld aan de in het derde lid genoemde indicatoren, volgens de navolgende percentsgewijze procentuele verdeling:. a. voor Den Haag: 1°. 75% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 1°; 2°. 11% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 2°; 3°. 14% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 3°; b. voor Rotterdam: 1°. 56% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 1°; 2°. 36% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 2°; 3°. 8% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 3°, en c. voor Utrecht: 100% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder c. d. voor Amsterdam: 100% aan de indicator of indicatoren, bedoeld in het derde lid, onder d; in de beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging wordt de percentsgewijze toedeling aan de indicator of indicatoren vastgelegd. 5 De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 6 De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden. 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 2006 167 29-08-2006 15-08-2006 2006-0000268900 31-08-2006 01-04-2006
Artikel 12b — Artikel 12b#
Artikel 12b 1 De uitkeringen aan gemeenten waar de som van de schoolgewichten 11 of meer bedraagt worden met ingang van 2006 verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. 2 Het procentuele aandeel van de betreffende gemeenten wordt voor het jaar 2006 vastgesteld volgens de formule: 5/12 × s × v, en met ingang van 2007 jaarlijks volgens de formule: 7/12 × s × (v-1) + 5/12 × s × v. In die formules is: s: de som van de schoolgewichten volgens de definitie van het schoolgewicht, zoals die luidde op 31 juli 2006 en berekend aan de hand van het totaal aantal leerlingen op 1 oktober 2004 van de hoofdvestigingen en nevenvestigingen van basisscholen voor zover deze zich bevinden op het grondgebied van de betreffende gemeente; (v-1): het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat van toepassing was in het voorgaande jaar, en v: het vermenigvuldigingsbedrag van het jaar van vaststelling. 3 artikel 120, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs Het vermenigvuldigingsbedrag bedraagt op 1 augustus 2006 € 1.368,–. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt met ingang van 2007 jaarlijks per 1 augustus het voor het komende schooljaar geldende vermenigvuldigingsbedrag vast door het vermenigvuldigingsbedrag van het voorgaande jaar aan te passen op basis van de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen, als bedoeld in. 4 Het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat op grond van het vorige lid jaarlijks wordt vastgesteld, wordt jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant. 5 artikel 10, onderdelen a en b dan wel onderdelen a, b en ba Uiterlijk 15 augustus 2007 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma. In de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van de indicatoren, bedoeld in. 6 Voorschoolse educatie geschiedt onder de volgende voorwaarden: a. het college van burgemeester en wethouders van een gemeente geeft aan op grond van welke criteria een doelgroepkind in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie; b. de voorschoolse educatie wordt tenminste drie dagdelen per week gedurende tenminste een jaar gegeven; c. in afwijking van het onder b. gestelde kan gedurende het schooljaar 2006–2007 tenminste twee dagdelen per week voorschoolse educatie gedurende een jaar worden gegeven. 7 Voor schakelklassen gelden de volgende voorwaarden: a. artikel 166 van de Wet op het primair onderwijs indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt in combinatie met onderwijs in de reguliere groep, als bedoeld in, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 8 uren per week; b. artikel 166a van de Wet op het primair onderwijs indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt na de reguliere schooltijd, bedoeld in, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 100 uren per schooljaar. 8 artikel 10, onderdelen a en b artikel 10, onderdeel a artikel 10, onderdeel b artikel 10, onderdelen a, b en ba artikel 10, onderdeel a artikel 10, onderdeel b artikel 10, onderdeel ba artikel 10, onderdeel ba De Minister neemt een beschikking tot de in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het vijfde lid bedoelde aanvraag is ontvangen. Indien de wijziging van het meerjarenprogramma uitsluitend voorziet in het gebruik van de indicatoren, bedoeld in, wordt de verhoging voor 80% toebedeeld aan de indicator, bedoeld in, en voor 20% aan de indicator, bedoeld in. Indien de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma voorziet in het gebruik van de indicatoren, bedoeld in, wordt de verhoging voor 70 procent toegekend aan de indicator, bedoeld in, voor 10 procent aan de indicator, bedoeld in, en voor 20 procent aan de indicator, bedoeld in. Als bij de indicator, bedoeld in, gekozen is voor een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de 20 procent toegedeeld aan die subindicatoren met gelijke percentages. 9 De minister kan minder dan 100 percent verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 10 De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden. 11 Een landelijke evaluatie vindt plaats na het schooljaar 2007–2008. Desgevraagd werken gemeenten en bevoegde gezagsorganen hieraan mee. De evaluatie heeft betrekking op: a. de samenwerking tussen gemeenten en bevoegde gezagsorganen van scholen in die gemeente; b. de wijze waarop gemeenten uitvoering hebben gegeven aan de voorschoolse educatie; c. de wijze waarop gemeenten schakelklassen onderwijs hebben ingericht. 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 30-06-2007 01-01-2007
Artikel 12ba — Artikel 12ba#
Artikel 12ba 1 artikel 12b, eerste lid artikel 10, onderdeel a De uitkeringen aan de gemeenten, bedoeld in, worden voor de schooljaren 2007–2008 tot en met 2008–2009 verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting voor 2007, 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld voor een extra impuls op het terrein van voorschoolse educatie, teneinde de in het meerjarenontwikkelingsprogramma vastgelegde resultaten, met inachtneming van de indicator, bedoeld in, eerder dan ultimo 2009 te bereiken. 2 Het procentuele aandeel van de betreffende gemeenten in de middelen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de som van de schoolgewichten, volgens de definitie van het schoolgewicht zoals die luidde op 31 juli 2006 en berekend aan de hand van het totaal aantal leerlingen op 1 oktober 2004 van de hoofdvestigingen en nevenvestigingen van basisscholen voor zover deze zich bevinden op het grondgebied van de betreffende gemeente, te vermenigvuldigen met een bedrag van € 176,45. 3 artikel 12b, vijfde lid artikel 10, onderdeel a De Minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in, bedoelde aanvraag is ontvangen, maar niet later dan 15 oktober 2007. De verhoging wordt in zijn geheel toegedeeld aan de indicator, bedoeld in. 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 30-06-2007
Artikel 12bb — Artikel 12bb#
Artikel 12bb 1 artikel 12b, eerste lid De uitkeringen aan de gemeenten, bedoeld in, worden met ingang van 2008 verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting voor 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld voor een extra rijksbijdrage op het terrein van voorschoolse educatie om het bereik van het aantal doelgroepkinderen te vergroten en tevens de kwaliteit en toegankelijkheid te verbeteren. 2 Het procentuele aandeel van de betreffende gemeenten in de middelen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de som van de schoolgewichten, volgens de definitie van schoolgewicht zoals die luidde op 31 juli 2006 en berekend aan de hand van het totaal aantal leerlingen op 1 oktober 2004 van de hoofdvestigingen en nevenvestigingen van basisscholen voor zover deze zich bevinden op het grondgebied van een gemeente, te vermenigvuldigen met: a. een bedrag van € 251,00; b. een bedrag van € 157,00 in 2009, in aanvulling op het bedrag, bedoeld in onderdeel a. 3 artikel 12b, eerste lid artikel 12ba, eerste lid Onverminderd het eerste lid,, en, worden de uitkeringen aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting voor 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van een extra impuls voor het realiseren van een dekkend aanbod aan voorschoolse plaatsen voor doelgroepkinderen in de Krachtwijken, op de volgende wijze verhoogd: a. voor Amsterdam: met € 1.770.000,– per jaar voor 2008 en 2009; b. voor Rotterdam: met € 1.680.000,– per jaar voor 2008 en 2009; c. voor Den Haag: met € 1.110.000,– per jaar voor 2008 en 2009; d. voor Utrecht: met € 440.000,– per jaar voor 2008 en 2009. 4 artikel 5, tweede lid, van het Besluit artikel 10, onderdelen a en ba Binnen vier weken na inwerkingtreding van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het ontwikkelingsprogramma. In deze wijziging van het ontwikkelingsprogramma worden de te bereiken resultaten opnieuw geformuleerd met inachtneming van de in het ontwikkelingsprogramma eerder vastgelegde te bereiken resultaten, bedoeld in, en met inachtneming van de indicatoren, bedoeld in. 5 Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel worden aangemerkt als aanvragen als bedoeld in dit artikel. Voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht geldt als aanvraag de ‘Bestuurlijke overeenkomst over voorschoolse educatie in de G4’, die op 17 maart 2008 is getekend door de wethouders Onderwijs van de betreffende gemeenten en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Sharon A.M. Dijksma. 6 artikel 10, onderdeel a artikel 10, onderdeel ba artikel 10, onderdeel ba artikel 10, onderdeel ba De minister neemt een beschikking tot verlening van de in het eerste en derde lid bedoelde verhoging binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit artikel. De verhoging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 30 procent toegedeeld aan de indicator, bedoeld in, en voor 70 procent aan de indicator, bedoeld in. Als bij de indicator, bedoeld in, gekozen is voor een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de 70 procent toegedeeld aan die subindicatoren met gelijke percentages. De verhoging, bedoeld in het derde lid, wordt in zijn geheel toegedeeld aan de betreffende subindicator, bedoeld in. 7 De minister kan minder dan 100 percent verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 8 De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden. 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 22-12-2009 01-08-2009
Artikel 12c — Artikel 12c#
Artikel 12c 1 Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 2005 ingediende voorstel van Wet houdende regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering, Kamerstukken I 2005/06, 30 308, nr. A) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, worden de uitkeringen aan alle gemeenten met ingang van de datum van inwerkingtreding van die Wet verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor educatie. 2 artikelen 3.2.1. tot en met 3.2.3 van het Uitvoeringsbesluit Web Het procentuele aandeel van elke gemeente wordt berekend op basis van deen wordt aan elke gemeente bekendgemaakt in het verleningsbesluit, bedoeld in het vijfde lid. 3 Uiterlijk op 15 november 2006 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij Onze Minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma. 4 De wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma voldoet aan de volgende aanvullende eisen: a. zij bevat een doelgroepenanalyse, waarin wordt aangegeven met welke doelgroepen van de educatie de gemeente te maken heeft, wat de omvang is van de onderscheiden doelgroepen en op welke doelgroep(en) het gemeentelijk beleid wordt gericht, alsmede een overzicht van het aantal deelnemers in de onderscheiden opleidingen educatie; b. artikel 4.1.3, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Web aangegeven wordt welk deel van het budget wordt besteed aan educatie. Indien de gemeente voornemens is tien procent of meer van de voor educatie beschikbaar gestelde middelen niet in te zetten voor educatie, bevat de wijziging van het meerjarenprogramma een motivatie daarvoor, alsmede een gezamenlijke verklaring van het college van burgemeester en wethouders en het betrokken roc, of de betrokken roc’s, waaruit blijkt datin acht is genomen en waaruit tevens blijkt op welke wijze deelnemers in staat worden gesteld hun opleiding af te maken; c. artikel 10, onderdelen d tot en met g artikel 10, onderdeel g het te bereiken resultaat wordt geformuleerd op een van de indicatoren, bedoeld in. Als de gemeente in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma heeft gekozen voor de indicator, bedoeld in, en daarbij heeft gekozen voor een uitsplitsing in subindicatoren, geeft de wijziging van het meerjarenontwikkelings-programma tevens aan in welke mate de beschikbare middelen worden toegerekend aan elk van die subindicatoren. 5 artikel 10, onderdeel g De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid respectievelijk in het negende lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid respectievelijk in het negende lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt in zijn geheel toegerekend aan de gekozen indicator. Als is gekozen voor de indicator, bedoeld in, met daarbij een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de verhoging toegerekend aan die subindicatoren op de wijze als aangegeven in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma. 6 De minister kan minder dan 100% verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel respectievelijk de in het negende lid bedoelde verhoging, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 7 De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden. 8 artikel 2.3.4, derde lid, onder a van de Wet educatie en beroepsonderwijs Indien activiteiten als bedoeld in, waarvoor het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente zich heeft verplicht, niet of niet volledig zijn verricht en het college van burgemeester en wethouders uit dien hoofde in 2006 aanspraken heeft jegens de instelling, besteedt het college van burgemeester en wethouders de uit die aanspraken voortvloeiende en terugontvangen middelen die afkomstig zijn uit de rijksbijdrage 2006 in de resterende GSB III periode opnieuw voor volwasseneneducatie, en verantwoordt het college van burgemeester en wethouders die middelen bij de verantwoording van de uitkering. 9 Indien er sprake is van een verhoging van de uitkering met de in het achtste lid bedoelde middelen, kan dit voor de Minister aanleiding zijn het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente te verzoeken hiervoor een aanvraag in te dienen, vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma, binnen een door hem te bepalen termijn. In deze wijziging van het ontwikkelingsprogramma wordt het te bereiken resultaat opnieuw geformuleerd met inachtneming van de in het derde lid bedoelde aanvraag en met inachtneming van de in het vierde lid, onderdelen a en c, gestelde eisen. 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 30-06-2007 01-01-2007
Artikel 12d — Artikel 12d#
Artikel 12d 1 artikel 7, eerste lid, van het Besluit De uitkering aan de gemeenten Almelo, Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Dordrecht, Eindhoven, Heerlen, Leeuwarden, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam en Utrecht wordt verhoogd met € 2.000.000,– per gemeente ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VII van de Rijksbegroting voor het jaar 2006 en 2007 ter beschikking worden gesteld, ten behoeve van de impuls ‘Sociale Herovering’. De verhoging is bestemd voor het uitvoeren van wijkgerichte activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen, genoemd in. 2 Onverminderd het eerste lid wordt de uitkering aan de gemeente Leeuwarden verhoogd met € 50.000,– ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor het jaar 2008 ter beschikking worden gesteld voor de organisatie van een landelijke conferentie ‘Sociale Herovering’. 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 30-05-2008 01-01-2008
Artikel 12e — Artikel 12e#
Artikel 12e 1 De uitkering kan ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VII van de Rijksbegroting voor het jaar 2006 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van het initiatief ‘Aanval op de Uitval’ van de G27, verhoogd worden ten behoeve van experimentele projecten, gericht op het tegengaan van uitval van jeugd of van kansarmen, of op de uitval van wijken in relatie tot de zorg van bewoners voor hun eigen buurt. 2 Voor 15 november 2006 kunnen de colleges van burgemeester en wethouders bij de bestuurlijke kern van de G27 een aanvraag indienen voor een verhoging als bedoeld in het eerste lid. Aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend worden mede aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in dit lid. 3 bijlage C De bestuurlijke kern van de G27 toetst de aanvragen aan de criteria, genoemd in het eerste en vierde lid en zendt deze, vergezeld van een advies, voor 20 november 2006 door naar de minister. Het advies is vormgegeven volgens het model inbij deze regeling. 4 De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Deze wijziging voldoet aan de volgende eisen: a. het project: 1°. maakt de omslag van aanbodsgericht naar vraaggericht beleid zichtbaar en richt zich op concrete vragen en problemen van burgers; 2°. experimenteert met succesvol gebleken methoden met het oog op verdere verfijning daarvan; 3°. is gericht op verbetering van de samenwerking tussen overheden, maatschappelijke instellingen of andere private partijen en b. de resultaten van het project zijn in principe bruikbaar voor de andere G27 gemeenten en de aanvrager is bereid deze bekend te maken. 5 Voor de verhoging, bedoeld in het eerste lid, is een bedrag van € 1.400.000,– beschikbaar. Per project wordt een bedrag van € 100.000,– toegekend. 6 De minister neemt uiterlijk 1 december 2006 een beslissing over verlening van de verhogingen bedoeld in het eerste lid. 7 De bestuurlijke kern van de G27 informeert de minister voor BVK uiterlijk 31 december 2007 over de behaalde resultaten van de projecten waarvoor een verhoging als bedoeld in het eerste lid is verleend. Daarbij wordt in ieder geval ingegaan op de volgende vragen: a. welke knelpunten zijn in de projecten aangepakt; b. welke oplossingsrichtingen zijn voorgesteld en in hoeverre hebben die oplossingsrichtingen bij de uitvoering gewerkt; c. is een verdere verspreiding van de voorgestelde oplossingsrichtingen aan te bevelen en zo ja, hoe kan dat het beste gebeuren. 8 Onverminderd het eerste lid wordt de uitkering aan de gemeente Hengelo verhoogd met een bedrag van € 120.000,– ten behoeve van de projectmanagementkosten van het initiatief ‘Aanval op de Uitval’ van de G27. 2006 218 08-11-2006 02-11-2006 2006-0000344716 2006 218 08-11-2006 02-11-2006 2006-0000344716 10-11-2006
Artikel 12ea — Artikel 12ea#
Artikel 12ea 1 De uitkering aan de gemeente Leeuwarden kan worden verhoogd met € 300.000,– ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de jaren 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de uitvoering door het Nicis Institute van het tweejarige programma ‘Aanval op de Uitval II’ van de G27, ten behoeve van activiteiten in de G31, gericht op het opleiden en coachen van gemeenten in de complexiteit van de stedelijke regie. 2 Binnen vier weken na inwerkingtreding van deze regeling dient het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, namens het dagelijks bestuur van de G27, bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. Een aanvraag die is ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel worden aangemerkt als aanvraag als bedoeld in dit artikel. 3 De minister neemt een beschikking over verlening van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit artikel. 4 Aan de verlening van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, kunnen door de minister voorwaarden worden verbonden. 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 30-05-2008 01-01-2008
Artikel 12f — Artikel 12f#
Artikel 12f 1 De uitkeringen aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Tilburg, Arnhem, Enschede, Zaanstad, Dordrecht en Nijmegen kunnen ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd op de volgende wijze worden verhoogd: a. voor Amsterdam met ten hoogste € 3.571.598,–; b. voor Rotterdam met ten hoogste € 2.942.561,–; c. voor Den Haag met ten hoogste € 2.108.468,–; d. voor Utrecht met ten hoogste € 799.779,–; e. voor Eindhoven met ten hoogste € 428.098,–; f. voor Tilburg met ten hoogste € 370.978,–; g. voor Arnhem met ten hoogste € 336.383,–; h. voor Enschede met ten hoogste € 302.729,–; i. voor Zaanstad met ten hoogste € 295.324,–; j. voor Dordrecht met ten hoogste € 276.186,–, en k. voor Nijmegen met ten hoogste € 267.895,–. 2 Binnen vier weken na inwerkingtreding van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin wordt vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel worden aangemerkt als aanvragen als bedoeld in dit artikel. 3 In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van een of meer door de gemeente te bepalen indicatoren op het gebied van het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd. 4 De minister neemt een beschikking over verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na de inwerkingtreding van dit artikel. De in het derde lid bedoelde indicator of indicatoren, met bijbehorende overeengekomen resultaten, worden voor elk van de elf in het eerste lid genoemde gemeenten afzonderlijk in de beschikking tot verlening van de verhoging van de uitkering vastgelegd. De verhoging wordt voor 100% aan de indicator of indicatoren toegedeeld met gelijke percentages. 5 De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 6 De minister geeft niet eerder toepassing aan het vijfde lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden. 2006 218 08-11-2006 02-11-2006 2006-0000344716 2006 218 08-11-2006 02-11-2006 2006-0000344716 10-11-2006
Artikel 12g — Artikel 12g#
Artikel 12g 1 De uitkeringen aan de centrumgemeenten voor vrouwenopvang, worden verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting voor 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de aanwezigheid van een advies- en steunpunt huiselijk geweld. 2 Het procentuele aandeel van de betreffende centrumgemeenten wordt voor het jaar 2008 en voor het jaar 2009 vastgesteld volgens de Tijdelijke stimuleringsregeling advies- en steunpunten huiselijk geweld. 3 artikel 5, tweede lid, van het Besluit artikel 10, onderdeel r De Minister neemt begin 2008 een beschikking tot verlening van de in het eerste lid bedoelde verhoging, met inachtneming van de in het meerjarenontwikkelingsprogramma vastgelegde te bereiken resultaten, bedoeld in. De verhoging wordt in zijn geheel toegedeeld aan de indicator, bedoeld in. 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 2007 122 28-06-2007 27-06-2007 DGW/GSB2007044921 30-06-2007
Artikel 12ga — Artikel 12ga#
Artikel 12ga 1 Wet tijdelijk huisverbod De uitkeringen aan de centrumgemeenten voor vrouwenopvang worden in 2008 en 2009 verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting voor 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld voor een extra impuls op het terrein van vrouwenopvang om de capaciteit aan opvangplaatsen uit te breiden en de advies- en steunpunten huiselijk geweld te versterken, voor crisisinterventie en daderopvang, mede met het oog op de, en voor de opvang en hulp aan tienermoeders. 2 artikel 6 Het procentuele aandeel van de betreffende centrumgemeenten in de middelen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 2008 en 2009 vastgesteld overeenkomstig. 3 artikel 5, tweede lid, van het Besluit artikel 10, onderdelen i, k en r Binnen vier weken na inwerkingtreding van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het ontwikkelingsprogramma. In deze wijziging van het ontwikkelingsprogramma worden de te bereiken resultaten opnieuw geformuleerd met inachtneming van de in het ontwikkelingsprogramma eerder vastgelegde te bereiken resultaten, bedoeld in, en met inachtneming van de indicatoren, bedoeld in. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel worden aangemerkt als aanvragen als bedoeld in dit artikel. 4 artikel 10, onderdeel i artikel 10, onderdeel k artikel 10, onderdeel r artikel 10, onderdelen k en r De minister neemt een beschikking tot verlening van de in het eerste lid bedoelde verhoging binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit artikel. De verhoging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 15 procent toegedeeld aan de indicator, bedoeld in, voor 15 procent aan de indicator, bedoeld in, en voor 70 procent aan indicator, bedoeld in. Als bij de indicatoren, bedoeld in, gekozen is voor een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de 15 en 70 procent toegedeeld aan die subindicatoren met gelijke percentages. 5 De minister kan minder dan 100 percent verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven. 6 De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden. 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 07-12-2008
Artikel 12h — Artikel 12h#
Artikel 12h 1 De uitkeringen aan de maatschappelijke centrumgemeenten worden verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting voor 2007, 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld voor activiteiten op het terrein van de openbare geestelijke gezondheidszorg. 2 Het procentuele aandeel van de betreffende maatschappelijke centrumgemeenten in de middelen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 2007, 2008 en 2009 vastgesteld volgens de volgende verdeelmaatstaven: – 30% via het aantal inwoners van de gemeente; – 40% via de gewogen maatstaf aantal inwoners met een laag inkomen; – 12,5% via het aantal uitkeringsgerechtigden; – 12,5% via het aantal 15–30-jarige jongeren (speciaal ontwikkelde maatstaf); – 5,0% via het aantal minderheden. 3 Uiterlijk 1 april 2008 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij de Minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma, waarin als te bereiken resultaat is vastgelegd dat er een Plan van aanpak maatschappelijke opvang is opgesteld. Als bijlage bij de aanvraag dient tevens dit Plan van aanpak zelf te zijn bijgevoegd. Een Plan van aanpak maatschappelijke opvang dat door het college van burgemeester en wethouders van een maatschappelijke centrumgemeente is ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel, wordt aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in dit artikel. 4 De Minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het derde lid bedoelde aanvraag is ontvangen. Indien het Plan van aanpak maatschappelijke opvang van een maatschappelijke centrumgemeente reeds voor de inwerkingtreding van deze regeling is ingediend, neemt de Minister een beschikking tot verlening van de in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling. De verhoging wordt in zijn geheel toegedeeld aan het in het derde lid bedoelde Plan van aanpak als indicator. 5 De Minister kan minder dan 100 percent verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien het ingediende Plan van aanpak maatschappelijke opvang naar het oordeel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daartoe aanleiding geeft. 6 De Minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van het Plan van aanpak maatschappelijke opvang in te zenden. 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 07-12-2008
Artikel 12ha — Artikel 12ha#
Artikel 12ha 1 artikelen 5 12h, eerste lid artikel 12h, derde lid Onverminderd deen, worden de uitkeringen aan de maatschappelijke centrumgemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting voor 2007, 2008 en 2009 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de voorfinanciering van een eventuele herverdeling van de verdeelsleutel maatschappelijke opvang en voor de voortgang in de uitvoering van het Plan van aanpak maatschappelijk opvang, bedoeld in. 2 Het procentuele aandeel van de betreffende maatschappelijke centrumgemeenten in de middelen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 2007, 2008 en 2009 vastgesteld volgens de verdeling die is gebaseerd op de kostenraming zoals opgenomen in het Plan van aanpak maatschappelijke opvang van de betrokken centrumgemeenten. 3 artikel 10, onderdeel k artikel 11, vierde lid, onderdeel d De minister neemt in 2009 een beschikking tot verlening van de in het eerste lid bedoelde verhoging. De in het eerste lid bedoelde verhoging wordt in zijn geheel toegedeeld aan de indicator, bedoeld in, of aan elk van de subindicatoren op de wijze als aangegeven in. 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 07-12-2008
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Ten behoeve van het meten van de maatschappelijke effecten die zijn bereikt met de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma worden periodiek gegevens verzameld op basis van de volgende indicatoren: a. slachtofferschap: i. vermogensdelicten: het aantal respondenten dat in het voorafgaande jaar binnen het grondgebied van de gemeente te maken heeft gehad met poging tot inbraak, inbraak, fietsendiefstal, diefstal uit auto’s, diefstal van auto’s, diefstal of vernieling aan de buitenkant van auto’s en zakkenrollerij; ii. geweldsdelicten: het aantal respondenten dat in het voorafgaande jaar binnen het grondgebied van de gemeente te maken heeft gehad met diefstal met geweld, mishandeling en bedreiging; b. een meting van de onveiligheidsgevoelens in de buurt; c. verloedering: een schaalscore, gebaseerd op de volgende elementen: i. bekladding van muren en gebouwen; ii. vernieling van telefooncellen, bus- en tramhokjes; iii. rommel op straat; iv. hondenpoep op straat; d. sociale kwaliteit: een schaalscore, gebaseerd op de reacties op de volgende stellingen: i. de mensen in de buurt kennen elkaar nauwelijks; ii. de mensen gaan op een prettige manier met elkaar om; iii. ik woon in een buurt waar veel saamhorigheid is; iv. ik voel mij thuis bij de mensen die hier wonen. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden zowel op het niveau van de wijk als op het niveau van de gemeente verzameld. 3 Het college van burgemeester en wethouders verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens uiterlijk op 30 juni 2005, 31 mei 2007 en 15 juli 2010 aan de minister. 4 De uiterlijk per 30 juni 2005 te verstrekken gegevens hebben zoveel mogelijk betrekking op de stand per 31 december 2004, voorzover in het eerste lid niet anders is aangegeven. 5 De in 2007 en 2010 te verstrekken gegevens die voortkomen uit registratiesystemen hebben zoveel mogelijk betrekking op de stand per 31 december 2006, respectievelijk 31 december 2009. Voorzover het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van enquêtes, worden deze uitgevoerd in de periode oktober 2006–maart 2007, respectievelijk 15 september–31 december 2009 en hebben deze betrekking op 2006, respectievelijk 2009. 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 30-05-2008
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a Besteding van de middelen, bestemd voor de inburgering van inburgeraars, voldoet aan de eisen, gesteld in dit hoofdstuk. 2006 246 18-12-2006 12-12-2006 2006-0000407829 2006 246 18-12-2006 12-12-2006 2006-0000407829 01-01-2007
Artikel 13b — Artikel 13b#
Artikel 13b 1 artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs Het college van burgemeester en wethouders kan aan een inburgeraar een inburgeringsvoorziening, een gecombineerde inburgeringsvoorziening of, indien de inburgeraar een beroepsopleiding als bedoeld involgt of zal volgen, een taalkennisvoorziening aanbieden die op de persoonlijke situatie van de inburgeraar is afgestemd. Indien de inburgeraar daarom verzoekt, kan de inburgeringsvoorziening, de inburgeringscomponent van de gecombineerde inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening worden aangeboden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget. 2 Zowel een inburgeringsvoorziening als een gecombineerde inburgeringsvoorziening bereidt voor op en leidt toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende examen. 3 Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening, dan wel de gecombineerde inburgeringsvoorziening, uiterlijk 31 december van het tweede kalenderjaar na het jaar waarin de voorziening is vastgesteld, wordt afgesloten door middel van deelname aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen. 4 artikel 23, tweede lid, van de wet artikel 21, tweede lid, van de wet De inburgeraar is de inbedoelde eigen bijdrage verschuldigd, tenzij hij op last van het college van burgemeester en wethouders, dan wel een andere instantie, genoemd in, een gecombineerde inburgeringsvoorziening dient te volgen. 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 01-01-2009 01-09-2008
Artikel 13c — Artikel 13c#
Artikel 13c 1 Indien een inburgeraar in aanmerking wordt gebracht voor een inburgeringsvoorziening, een gecombineerde inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening doet het college van burgemeester en wethouders de inburgeraar terzake een aanbod. 2 Indien het aanbod, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk bestaat uit een persoonlijk inburgeringsbudget begeleidt het college van burgemeester en wethouders de inburgeraar op diens verzoek bij de vormgeving van zijn inburgeringsprogramma en de keuze van een inburgeringsbedrijf. Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt het voorstel van de inburgeraar en sluit vervolgens een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf. 3 artikel 4.25 van de Regeling inburgering Indien een inburgeraar tevens geestelijke bedienaar is, wordt hem onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, de cursus, bedoeld inzoals deze luidde op 31 december 2012 aangeboden. 4 artikel 13d Het college van burgemeester en wethouders doet geen aanbod aan een inburgeraar met wie eerder een overeenkomst als bedoeld inis gesloten. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013
Artikel 13d — Artikel 13d#
Artikel 13d 1 artikel 13c, eerste lid Tegelijkertijd met het doen van het aanbod, bedoeld in, informeert het college van burgemeester en wethouders de inburgeraar omtrent de hoofdlijnen van de met hem te sluiten overeenkomst terzake van de vaststelling van zijn inburgeringsvoorziening, gecombineerde inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. 2 artikel 13c, eerste lid Indien de inburgeraar het aanbod, bedoeld in, aanvaardt, sluit het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde overeenkomst met de inburgeraar. 3 De overeenkomst bevat ten minste een omschrijving van de inburgeringsvoorziening, de gecombineerde inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening, alsmede een omschrijving van de rechten en verplichtingen van de inburgeraar ten aanzien van: a. de termijn waarbinnen de inburgeraar moet hebben deelgenomen aan het inburgeringsexamen dan wel het staatsexamen; b. de verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de mogelijkheid van betaling in termijnen; c. bijlage bij artikel 6.1, tweede lid, van het Besluit inburgering de verlening van toestemming om de in dezoals dit luidde op 31 december 2012 bedoelde (persoons)gegevens welke betrekking hebben op de inburgeraar, op te nemen in het Informatiesysteem Inburgering; d. de gevolgen van niet-nakoming van de overeenkomst. 4 De overeenkomst wordt door partijen niet later ondertekend dan 31 december 2009. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013
Artikel 13e — Artikel 13e#
Artikel 13e 1 Indien de inburgeraar het inburgeringsexamen heeft behaald, ontvangt hij het inburgeringsdiploma. 2 Het inburgeringsdiploma wordt uitgereikt door de Minister. 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 01-01-2010
Artikel 13f — Artikel 13f#
Artikel 13f 1 Het college van burgemeester en wethouders, de exameninstellingen en de minister verstrekken aan de beheerder van het Informatiesysteem Inburgering uit eigen beweging of op verzoek kosteloos alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk. 2 De Minister verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk. 3 In het Informatiesysteem Inburgering met betrekking tot inburgeraars opgenomen persoonsgegevens worden verwijderd: a. na verloop van twintig jaren, of b. indien de betrokken persoon is overleden. 4 De termijn, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, vangt aan op de dag waarop de gegevens in het Informatiesysteem Inburgering zijn opgenomen. 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 01-01-2010
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Het bedrag dat jaarlijks ambtshalve aan voorschotten op het programmadeel wordt verleend, is de uitkomst van de formule t-1 t-1 t-1 t-1 t-1 t-1 t-2 t-2 t t t t-1 t-1 t-1 t-1 t t t 0,20 × M + ((0,40 × Inwgemmo/Inwcgmo) + 0,50 × ((Linkgemmo × Kpreggemmo)/(Linkcgmo × Kpregcgmo)) + 0.10 × (Ugemmo/Ucgmo)) × (Midmocgmo –Basismocgmo)+Basismogem + (0,90 × (Inwgemvo/Inwcgvo) + 0,10 × (Mingemvo/Mincgvo)) × ((Midvo– Basisvocgvo))+Basisvogem + N + Q + R. In deze formule is M: het bedrag van de aandelen van de gemeente in de middelen voor veiligheid en leefbaarheid, voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden; t-1 Inwgemmo: het aantal inwoners in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar; t-1 Inwcgmo: het aantal inwoners in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Linkgemmo: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in, in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Linkcgmo: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in, in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS; t-1 artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpreggemmo: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld inop 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente; t-1 artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 Kpregcgmo: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld inop 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten; t-2 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Ugemmo: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld inin het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld inin dat gebied, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar; t-2 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Ucgmo: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld inin de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld inin die gebieden, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar; t Midmocgmo: het deel van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basismocgmo: het deel van de basisbedragen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de maatschappelijke centrumgemeenten dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basismogem: het deel van het basisbedrag voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; Inw: het aantal inwoners; t-1 Inwgemvo: het aantal inwoners van het zorggebied voor vrouwenopvang van de gemeente; t-1 Inwcgvo: het aantal inwoners van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang en de regiogemeenten op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Mingemvo: Het totaal van het aantal inwoners op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in het zorggebied voor vrouwenopvang van de gemeente volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in; t-1 bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 Mincgvo: Het totaal van het aantal inwoners op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in de zorggebieden voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in; t Midvo: het deel van de middelen voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basisvocgvo: het deel van de basisbedragen voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen; t Basisvogem: het deel van het basisbedrag voor vrouwenopvang van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe rekenen; N: het aan het kalenderjaar op basis van het tweede lid toe te rekenen bedrag van de gemeente voor de extra veiligheidsmiddelen; artikelen 14b, eerste lid 14c Q: de op basis van de, envast te stellen voorschotten voor inburgering; artikelen 14b, derde lid 14c R: de op basis van de, envast te stellen voorschotten voor inburgering. 2 Het bedrag van de gemeente voor de extra veiligheidsmiddelen bedraagt voor: a. het kalenderjaar 2005, 8,17% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen; b. het kalenderjaar 2006, 25,67% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen; c. het kalenderjaar 2007, 27,33% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen; d. het kalenderjaar 2008, 21,50% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen, en e. het kalenderjaar 2009, 17,33% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen. 3 Het verleende voorschot voor een kalenderjaar wordt in twee termijnen betaald. 4 artikel 12, derde lid Het in 2005 aan de gemeente Heerlen te verlenen voorschot wordt verhoogd met het bedrag dat de minister op grond van, heeft verleend. 5 artikel 9, derde lid van het Besluit artikel 12b, achtste en negende lid artikel 12ba, derde lid artikel 12bb, zesde en zevende lid artikel 12c, vijfde en zesde lid Aan Sittard-Geleen wordt vanaf 2006 ambtshalve jaarlijks een voorschot verleend van € 1.494.327,–, met in 2006 een extra bedrag voor inburgering van € 870.420,–. De te verlenen voorschotten worden in de jaren 2007, 2008 en 2009 steeds verhoogd met de bedragen die de Minister heeft verleend op grond van, alsmede op grond van,,, en, van de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid. 6 artikel 12a, eerste lid artikel 12a, vierde en vijfde lid De aan de vier gemeenten, genoemd in, te verlenen voorschotten worden verhoogd met de bedragen die de minister op grond van, heeft verleend. 7 artikel 12b artikel 12b, achtste en negende lid artikel 12b, tweede lid artikel 12b, achtste en negende lid De aan de in het eerste lid vanbedoelde gemeenten te verlenen voorschotten worden verhoogd met de bedragen die de minister op grond van, heeft verleend. Het procentuele aandeel voor het jaar 2006, als bedoeld in, wordt door de minister als voorschot vóór 1 oktober 2006 beschikbaar gesteld. Dit voorschot wordt verstrekt, vooruitlopend op de beschikking tot verlening, als bedoeld in. 8 De aan gemeenten te verlenen voorschotten worden steeds verhoogd op de volgende wijze: a. artikel 12b, eerste lid artikel 12ba, derde lid De aan de gemeenten, bedoeld in, te verlenen voorschotten worden in de jaren 2007, 2008 en 2009 verhoogd met de bedragen, die de minister ten behoeve van het schooljaar 2007–2008 respectievelijk het schooljaar 2008–2009 op grond van, heeft toegekend; b. artikel 12b, eerste lid artikel 12bb, zesde en zevende lid De aan de gemeenten, bedoeld in, te verlenen voorschotten worden in de jaren 2008 en 2009 verhoogd met de bedragen, die de minister op grond van, voor 2008 en 2009 heeft toegekend, onverminderd de verhoging bedoeld in onderdeel a; c. artikel 12bb, derde lid artikel 12bb, zesde lid De aan de vier gemeenten, genoemd in, te verlenen voorschotten worden in 2008 en 2009 verhoogd met de bedragen, die de minister op grond van, voor 2008 en 2009 heeft toegekend, onverminderd de verhoging bedoeld in de onderdelen a en b. 9 artikel 12c artikel 12c, vijfde en zesde lid De aan de gemeenten, waaraan op grond vaneen aanvulling op de uitkering wordt verleend, te verlenen voorschotten worden in de jaren 2007 tot en met 2009 steeds verhoogd met een derde deel van het bedrag dat op grond van, is verleend. 10 De aan gemeenten te verlenen voorschotten ten behoeve van de impuls ‘Sociale Herovering’ worden op de volgende wijze verleend: a. artikel 12d De aan de gemeenten, genoemd in, te verlenen voorschotten worden verhoogd met € 808.333,– voor het jaar 2006 en met € 1.191.667,– voor het jaar 2007; b. Het aan de gemeente Leeuwarden te verlenen voorschot wordt verhoogd met € 50.000,– voor het jaar 2008, onverminderd de verhoging bedoeld in onderdeel a. 11 De aan gemeenten te verlenen voorschotten ten behoeve van ‘Aanval op de Uitval’ worden op de volgende wijze verleend: a. artikel 12e, zesde lid artikel 12e, achtste lid De aan de gemeenten, die op basis van, in aanmerking komen voor een bijdrage in het kader van het initiatief ‘Aanval op de Uitval’, te verlenen voorschotten worden verhoogd met € 100.000 per toegekend project voor het jaar 2006. Het aan Hengelo te verlenen voorschot wordt ten gevolge van, voor het jaar 2006 verhoogd met € 120.000; b. Het aan de gemeente Leeuwarden te verlenen voorschot wordt verhoogd met € 150.000,– voor het jaar 2008, onverminderd de verhoging bedoeld in onderdeel a. 12 artikel 12f, eerste lid artikel 12f, vierde en vijfde lid De aan de elf gemeenten, genoemd in, te verlenen voorschotten worden in de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 steeds verhoogd met respectievelijk 17,69%, 17,69%, 43,08% en 21,54% van het bedrag dat de minister op grond van, heeft verleend. 13 De aan de centrumgemeenten voor vrouwenopvang te verlenen voorschotten worden: a. artikel 12g, derde lid voor het jaar 2008 en het jaar 2009 verhoogd met de helft van het bedrag dat de minister op grond van, heeft verleend, en b. artikel 12ga, vierde en vijfde lid voor het jaar 2008 en het jaar 2009 verhoogd met de bedragen, die de minister op grond van, heeft verleend, onverminderd de verhoging, bedoeld in onderdeel a. 14 De aan de maatschappelijke centrumgemeenten te verlenen voorschotten worden op de volgende wijze verleend: a. artikel 12h, vierde en vijfde lid artikel 12h, tweede lid artikel 12h, vierde en vijfde lid De aan de maatschappelijke centrumgemeenten te verlenen voorschotten worden voor de jaren 2007, 2008 en 2009 verhoogd met het bedrag dat de minister op grond van, heeft verleend. Indien een maatschappelijke centrumgemeente bij de inwerkingtreding van deze regeling niet beschikt over een Plan van aanpak maatschappelijke opvang, wordt het procentuele aandeel, bedoeld in, door de minister als voorschot vóór 1 augustus 2007 respectievelijk 1 augustus 2008 beschikbaar gesteld, vooruitlopend op de beschikking tot verlening, bedoeld in; b. artikel 12ha, tweede lid artikel 12ha, derde lid Het procentuele aandeel aan de maatschappelijke centrumgemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, bedoeld in, wordt door de minister voor de jaren 2007, 2008 en 2009 op grond van, beschikbaar gesteld, onverminderd de verhoging bedoeld in onderdeel a. Het voorschot betreft een vooruitbetaling, vooruitlopend op de beschikking tot verlening, bedoeld als voorfinanciering van een eventuele herverdeling van de verdeelsleutel maatschappelijke opvang en voor de voortgang in de uitvoering van het Plan van aanpak maatschappelijk opvang van de betrokken centrumgemeenten. 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 2008 237 05-12-2008 28-11-2008 2008109129 07-12-2008
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a artikel 4, eerste lid, onderdeel Q, van het Besluit De Minister maakt uiterlijk 1 maart 2007 een indicatieve rijksbijdrage bekend met betrekking tot het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering, bedoeld invoor de jaren 2007, 2008 en 2009. 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 2008 100 28-05-2008 25-05-2008 DGW/S&R2008039120 30-05-2008 15-06-2007
Artikel 14b — Artikel 14b#
Artikel 14b 1 artikel 4, eerste lid, onderdeel Q, van het Besluit Het bedrag dat aan voorschotten op het aandeel in de middelen voor inburgering, bedoeld in, voor de jaren 2007, 2008 en 2009 wordt verleend is de uitkomst van: a. artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 1° en 2°, van het Besluit de formule [ A × B ] + [ C × D ] + [ E × F ] + G indien het meerjaren ontwikkelingsprogramma van een gemeente met betrekking tot de ingenoemde onderdelen niet tot gevolg heeft dat de voor die gemeente gegeven indicatieve rijksbijdrage moet worden verhoogd; b. artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 1° en 2°, van het Besluit de formule [ A × B ] + [ C × D ] + [ E × F ] + G indien het meerjaren ontwikkelingsprogramma van een gemeente met betrekking tot de ingenoemde onderdelen tot gevolg heeft dat de voor die gemeente gegeven indicatieve rijksbijdrage moet worden verhoogd en de jaarlijks vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting ten behoeve van de G30 te verstrekken middelen voor inburgering daartoe toereikend zijn; c. artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 1° en 2°, van het Besluit de formule [ A × B ] + [ C × D ] + [ E × F ] + [ H × I ] + G indien het meerjaren ontwikkelingsprogramma van een gemeente met betrekking tot de ingenoemde onderdelen tot gevolg heeft dat de voor die gemeente gegeven indicatieve rijksbijdrage moet worden verhoogd en de jaarlijks vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting ten behoeve van de G30 te verstrekken middelen voor inburgering daartoe niet toereikend zijn. 2 In de formules, genoemd in het eerste lid, is A: het in het meerjaren ontwikkelingsprogramma opgenomen aantal door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen inburgerings-voorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen en inburgeraars; B: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter A bedoelde inburgeringsvoorziening; C: het in het meerjaren ontwikkelingsprogramma opgenomen aantal door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen en inburgeraars; D: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in letter C bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening; E: het in het meerjaren ontwikkelingsprogramma opgenomen aantal door het college van burgemeester en wethouders bekend te maken handhavings-beschikkingen en te verstrekken kennisgevingen; F: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in letter E bedoelde handhavingsbeschikking en kennisgeving; artikel 9, vierde lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit G: het bedrag, bedoeld in; H: het na toepassing van de in het eerste lid, onderdelen a en b, weergegeven formules resterende deel van de jaarlijks vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting ten behoeve van de G30 te verstrekken middelen voor inburgering; artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 1° en 2°, van het Besluit I: het relatieve aandeel in de overtekening van de jaarlijks vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting te verstrekken middelen voor inburgering van de gemeente die op de ingenoemde onderdelen een hoger meerjaren ontwikkelingsprogramma heeft ingediend dan de voor de gemeente gegeven indicatieve rijksbijdrage toelaat. 3 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt ten behoeve van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen voor de jaren 2008 en 2009 verhoogd met een bedrag dat wordt vastgesteld naar evenredigheid van het aandeel van de gemeente in het aantal in Nederland woonachtige leden van etnische minderheidsgroepen uit de eerste generatie die behoren tot de groep niet-westerse allochtonen, alsmede allochtonen afkomstig uit voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie in de leeftijdscategorie 15 tot en met 65 jaar. 4 artikel 4, eerste lid, onderdeel R, van het Besluit Het bedrag dat aan voorschotten op het aandeel in de middelen voor inburgering, bedoeld in, voor de jaren 2008 en 2009 wordt verleend, wordt ambtshalve door de minister vastgesteld. 5 artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 1° en 2°, van het Besluit Indien het eerste lid, aanhef en onderdeel c, van toepassing is, is het voorschot voor een gemeente niet hoger dan het met het door die gemeente op de onderdelen vaningediende meerjaren ontwikkelingsprogramma corresponderende indicatieve rijksbijdrage. 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 01-01-2009 01-01-2008
Artikel 14c — Artikel 14c#
Artikel 14c 1 artikel 14b artikel 9a De Minister stelt jaarlijks de voorschotvergoedingen, bedoeld in, respectievelijk de bijdragevergoedingen, bedoeld in, vast. 2 artikel 9a, eerste lid, letters A, C en G artikel 9a, eerste lid, letters I, K, M en O artikel 9a, tweede lid, letter A artikel 9a, tweede lid, letter C De Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen de onderlinge verhouding vast tussen de onderdelen, bedoeld inenerzijds en de onderdelen, bedoeld inanderzijds, respectievelijk het onderdeel, bedoeld inenerzijds en het onderdeel, bedoeld inanderzijds. 3 De Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het tweede lid, en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%. 4 De Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen, alsmede de verhouding jaarlijks voor 15 september bekend. 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 01-01-2009 01-01-2008
Artikel 14d — Artikel 14d#
Artikel 14d Vervallen 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 01-01-2009 01-01-2008
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Het bedrag dat in 2005 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend is de uitkomst van de formule ((O/P) × Midverkl + (Q:R) × Midbesch) – ½S + (T × € 6400). In deze formule is O: het aantal verklaringen van de gemeente in 2003; P: het aantal verklaringen van de G30 in 2003; Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is; Q: het aantal beschikkingen van de gemeente in 2003; R: het aantal beschikkingen van de G30 in 2003; Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf beschikkingen beschikbaar is; artikel 1, onderdeel g, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers S: de door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen als bedoeld in, per 31 december 2004; T: het door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie vastgestelde aantal oudkomers dat bij de verlening van de voorschotten wordt betrokken. 2 Als de reserve, bedoeld in onderdeel S van de formule, genoemd in het eerste lid, negatief is wordt S gesteld op 0. 3 Het bedrag dat in 2005 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend bedraagt in afwijking van het eerste lid ten minste T × € 6400. 2005 223 16-11-2005 09-11-2005 2005-0000240849/CZW/WVOB 2005 223 16-11-2005 09-11-2005 2005-0000240849/CZW/WVOB 18-11-2005
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a artikel 15 artikel 1, onderdeel g, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers Onverminderdwordt in november 2005 een additioneel voorschot verstrekt op het inburgeringsdeel, ter hoogte van het verschil tussen enerzijds de helft van de door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen als bedoeld in, per 31 december 2004, en anderzijds de helft van de verantwoorde reserve van een gemeente per 31 december 2004, mits dat verschil groter is dan € 0. 2005 223 16-11-2005 09-11-2005 2005-0000240849/CZW/WVOB 2005 223 16-11-2005 09-11-2005 2005-0000240849/CZW/WVOB 18-11-2005
Artikel 15b — Artikel 15b#
Artikel 15b 1 Het bedrag dat aan de gemeenten in 2006 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend is de uitkomst van de formule ((O/P) × Midverkl + (Q:R) × Midbesch) + (T × € 6400). In deze formule is O: het aantal verklaringen van de gemeente in 2004; P: het aantal verklaringen van de G30 in 2004; Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is; Q: het aantal beschikkingen van de gemeente in 2004; R: het aantal beschikkingen van de G30 in 2004; Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf beschikkingen beschikbaar is; T: het door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie vastgestelde aantal oudkomers dat bij de verlening van de voorschotten wordt betrokken. 2 Het bedrag dat in 2006 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend bedraagt in afwijking van het eerste lid ten minste T × € 6400. 2006 112 13-06-2006 07-06-2006 2006-0000165744 2006 112 13-06-2006 07-06-2006 2006-0000165744 15-06-2006 01-01-2006
Artikel 15c — Artikel 15c#
Artikel 15c artikel 15b artikel 7, eerste en tweede lid artikel 15, eerste en tweede lid Onverminderdkan in 2006 en 2007 een additioneel voorschot worden verstrekt op het inburgeringsdeel, maximaal ter hoogte van het verschil tussen enerzijds de op de grondslag van, vast te stellen middelen voor de inburgering van nieuwkomers en anderzijds het op grond van, verstrekte voorschot voor de inburgering van nieuwkomers, mits dat verschil groter is dan nul. 2006 232 28-11-2006 20-11-2006 2006-0000375299 2006 232 28-11-2006 20-11-2006 2006-0000375299 30-11-2006 10-11-2006
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2006 140 21-07-2006 07-07-2006 2006-0000229755 2006 140 21-07-2006 07-07-2006 2006-0000229755 23-07-2006
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2005. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid. 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 2005 128 06-07-2005 30-06-2005 2005-0000059936/CZW/WVOB 08-07-2005 01-06-2005
Artikel 1#
artikel 1, onderdelen e en f
Artikel 1#
artikel 1, onderdeel g
Artikel 12e#
artikel 12e, derde lid