Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 6 december 2006, nr. 5456790/06, tot uitvoering van de Wet inburgering, het Besluit inburgering en tot wijziging van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Regeling inburgering)
- BWB-id
- BWBR0020657
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 2021-12-31 t/m 2021-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020657
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-inburgering
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-inburgering/2021-12-31
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020657&g=2021-12-31
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020657&z=2026-06-06&g=2021-12-31
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020657/2021-12-31
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-inburgering
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. Besluit inburgering besluit: het; b. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; c. artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964 belastbaar loon: het belastbaar loon, bedoeld in; d. artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen toetsingsinkomen: het toetsingsinkomen, bedoeld in; e. artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs staatsexamen Nederlands als tweede taal: staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in; f. inburgeringscursus: door een cursusinstelling aangeboden cursus die een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen; g. cursus Nederlands als tweede taal: door een cursusinstelling aangeboden cursus die een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven, teneinde het staatsexamen Nederlands als tweede taal te behalen. 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 01-07-2018
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 artikel 4.1a, vierde lid, van het besluit Het keurmerk, bedoeld inis het Keurmerk Inburgeren, dat wordt toegekend en beheerd door de Stichting Blik op Werk. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 1 artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 Als geestelijke bedienaar wordt in ieder geval aangemerkt de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in, die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als geestelijke voorganger of godsdienstleraar. 2 artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet Onder kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag als bedoeld inwordt tevens verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken. 3 artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet Van werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard als bedoeld inis in ieder geval sprake in geval van werkzaamheden als voorganger, godsdienstleraar, zendeling, leraar levensbeschouwelijk onderwijs, vertrouwenspersoon of pastoraal werker binnen een godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap, dan wel op het terrein van het uitdragen en verklaren van een bepaalde geloofsleer of levensbeschouwelijke opvattingen. 4 Als geestelijke bedienaar wordt niet aangemerkt degene die op louter incidentele basis werkzaamheden als bedoeld in het derde lid, verricht. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 artikel 2.1, eerste en tweede lid, van het besluit bijlage 1 De beperkingen, bedoeld in, zijn opgenomen inbij deze regeling. 2010 16517 21-10-2010 13-10-2010 BJZ2010027168 2013 165 03-05-2013 24-04-2013 01-06-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit modern migratiebeleid in werking treedt.
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 artikel 2.3, eerste lid, onderdeel e, van het besluit bijlage 2 De diploma’s, certificaten en andere documenten, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, bedoeld in, zijn opgenomen inbij deze regeling. 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 01-01-2015
Artikel 2.2a — Artikel 2.2a#
Artikel 2.2a 1 artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld inte behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over een originele verklaring van het regionaal opleidingencentrum die is afgegeven op basis van de resultaten van een voor 1 januari 2007 afgelegde toets ter afronding van een NT2-taaltraject, indien uit de verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste de volgende niveaus van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal, dan wel Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, zijn behaald: niveau 2, respectievelijk niveau A2, voor de onderdelen Luisteren en Spreken, en niveau 2, respectievelijk niveau A2 voor de onderdelen Lezen en Schrijven. 2 Om tot vrijstelling te kunnen leiden, dient de verklaring de volgende gegevens te bevatten: a. de naam van het document; b. de naam en handtekening van de verantwoordelijke van het regionaal opleidingencentrum; c. de echtheidskenmerken van het regionaal opleidingencentrum; d. de naam en geboortedatum van de deelnemer aan het NT2-taaltraject die overeenkomen met de naam en geboortedatum zoals vermeld op zijn identiteitsdocument; e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier taalvaardigheden Lezen, Schrijven, Luisteren en Spreken; f. de datum waarop de toetsresultaten zijn behaald. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 2.2b — Artikel 2.2b#
Artikel 2.2b Vervallen 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 29-11-2014 01-11-2014
Artikel 2.2c — Artikel 2.2c#
Artikel 2.2c artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld inte behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal: a. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (ERK-niveau A2); b. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau A2); c. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau B1); d. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau B2); e. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau B2); f. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau C1). 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 2.2d — Artikel 2.2d#
Artikel 2.2d Van de verplichting om voor een of meerdere onderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 het examen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over een van de volgende bewijsstukken, waaruit blijkt dat een voldoende resultaat is behaald voor het vak Nederlandse taal: a. een certificaat dat is afgegeven ter afronding van het examenonderdeel lezen, schrijven, luisteren respectievelijk spreken van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal, alsmede degene die beschikt over het diploma van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal; b. artikel 52 van het Eindexamenbesluit VO artikel 53 van het Eindexamenbesluit VO artikel 31 van het Staatsexamenbesluit VO een cijferlijst als bedoeld inof een certificaat als bedoeld indan wel; c. een buitenlands diploma, getuigschrift of certificaat dat is behaald bij een door de overheid van het land waar de opleiding is gevolgd erkende instelling, waaruit blijkt dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de schriftelijke en mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 beheerst. 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Regeling inburgering 2021.
Artikel 2.2e — Artikel 2.2e#
Artikel 2.2e artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het besluit artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs Van de verplichting om het onderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt van het inburgeringsexamen, bedoeld in, te behalen is vrijgesteld degene die de entreeopleiding, bedoeld in, heeft afgerond. 2020 48431 21-09-2020 14-09-2020 2020-0000120481 2020 48431 21-09-2020 14-09-2020 2020-0000120481 01-10-2020
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 artikel 2.5b van het besluit Als organisaties als bedoeld in, worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Regeling inburgering 2021.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 1 artikel 2.8, eerste lid, van het besluit artikel 3.2 Het advies, bedoeld in, bevat in ieder geval een oordeel met betrekking tot het verlenen dan wel het weigeren van de ontheffing van de inburgeringsplicht en, indien van toepassing, noodzakelijke bijzondere examenomstandigheden als bedoeld in. 2 artikel 2.8, eerste lid, van het besluit De arts, bedoeld in, adviseert tot ontheffing van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige: a. niet in staat is zich met lichte aanpassingen binnen vijf jaar voor te bereiden op het inburgeringsexamen, of b. artikel 3.2 bijzondere examenomstandigheden nodig heeft om het inburgeringsexamen te kunnen behalen en de bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in, hiertoe niet toereikend zijn. 3 artikel 2.8, eerste lid, van het besluit bijlage 4 De arts, bedoeld in, stelt het advies op conform het protocol dat is opgenomen inbij deze regeling. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 2.4a — Artikel 2.4a#
Artikel 2.4a artikel 2.8a van het besluit De minister verleent de ontheffing, bedoeld in, indien: a. de inburgeringsplichtige volgens de basisregistratie personen ten minste 10 jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven is geweest; b. de inburgeringsplichtige naar het oordeel van de minister aantoonbaar gedurende ten minste 5 jaar betaald werk of vrijwilligerswerk heeft verricht in Nederland; en c. artikel 2.9, onderdelen a en b, van het besluit in een gesprek is vastgesteld dat de inburgeringsplichtige de vaardigheden in de Nederlandse taal, bedoeld in, beheerst op het in dat artikel bedoelde niveau. 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 01-07-2018
Artikel 2.4b — Artikel 2.4b#
Artikel 2.4b artikel 2.8b van het besluit De minister verleent de ontheffing, bedoeld in, in ieder geval indien de inburgeringsplichtige: a. ten minste viermaal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen, waarvan ten hoogste twee van de examenpogingen de overeenkomstige onderdelen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal betreffen, en ten minste 600 uur bij een cursusinstelling met het Blik op Werk-keurmerk heeft deelgenomen aan: 1°. een inburgeringscursus; 2°. een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, waarbij ten minste 200 uur besteed is aan de inburgeringscursus; 3°. een cursus Nederlands als tweede taal; of 4°. een combinatie van een inburgeringscursus en een cursus Nederlands als tweede taal; b. ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk en uit een door de minister afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of c. ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, beide aan een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, waarvan ten minste 300 uur besteed is aan de alfabetiseringscursus, en uit een door de Minister afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen. 2020 48431 21-09-2020 14-09-2020 2020-0000120481 2020 48431 21-09-2020 14-09-2020 2020-0000120481 01-10-2020
Artikel 2.4c — Artikel 2.4c#
Artikel 2.4c 1 artikel 7b, derde lid, onderdeel a, van de wet De Minister verleent verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn op grond vanin ieder geval indien de inburgeringsplichtige ten minste 300 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus of een cursus Nederlands als tweede taal bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk en ten minste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal. 2 artikel 7b, eerste lid, van de wet artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van het besluit De Minister verleent verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in, ook als de inburgeringsplichtige een opleiding volgt of heeft gevolgd waarvan de opleiding leidt tot uitreiking van een in, opgesomd diploma of getuigschrift. 3 De inburgeringsplichtige verstrekt bij de aanvraag om verlenging op grond van het eerste lid een verklaring cursusdeelname en bij de aanvraag om verlenging op grond van het tweede lid een bewijs van inschrijving. 4 De verlenging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor ten hoogste twee jaar verleend. De verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan telkens voor ten hoogste twee jaar worden verleend. 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 01-07-2018
Artikel 2.4d — Artikel 2.4d#
Artikel 2.4d 1 artikel 2.4, eerste lid Voor het onderzoek ten behoeve van een advies als bedoeld in, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 225,00. 2 artikel 2.4a Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld inis door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 90,00. 3 artikel 2.4b, aanhef en onderdelen b en c Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 150,00. 4 artikel X, tweede lid, van de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige artikel 6, eerste lid, van de wet Onder de inburgeringsplichtige, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de inburgeringsplichtige, bedoeld in(Stb. 2012, 430), die een ontheffing aanvraagt op grond van de regels gesteld bij of krachtens, zoals dit luidde op 31 december 2012. 5 artikel 2.4, eerste lid Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de inburgeringsplichtige terugbetaald indien in het advies, bedoeld in, wordt geadviseerd de gevraagde ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen dan wel deze niet te verlenen, en tevens wordt geadviseerd de inburgeringsplichtige de examens onder aangepaste examenomstandigheden af te laten leggen. 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Regeling inburgering 2021. 2021 38863 01-09-2021 13-08-2021 2021-0000130089 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 31-12-2021 Artikel 12.2 van Stcrt. 2021/38863 bevat overgangsrecht m.b.t.
deze wijziging. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 artikel 2.10, eerste lid, van het besluit bijlage 5 bijlage 5A De eindtermen van het inbedoelde onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving zijn voor wat betreft het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij opgenomen inen voor wat betreft de het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt opgenomen in. 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 29-11-2014 01-11-2014
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 1 artikel 3.3, eerste lid, van het besluit Het examengeld, bedoeld in, bedraagt: a. artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit € 50,00 voor elk van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in; b. artikel 3.9, tweede lid, onderdeel d, van het besluit € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in; c. artikel 3.9, derde lid, onderdeel a, van het besluit € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in; d. artikel 3.9, derde lid, onderdeel b, van het besluit € 40,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in. 2 artikel 3.9, eerste lid, van het besluit Voor inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedraagt het examengeld voor het examenonderdeel participatieverklaringstraject, bedoeld in, € 150,00. 2021 38863 01-09-2021 13-08-2021 2021-0000130089 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 31-12-2021 Artikel 12.2 van Stcrt. 2021/38863 bevat overgangsrecht m.b.t.
deze wijziging. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 artikel 3.5, eerste lid, van het besluit De bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in, betreffen: a. examen in aangepaste locatie; b. verlenging examentijd; c. onderbroken examenafname; d. aangepaste inroostering; e. examenhulp; f. grootbeeld; g. grootschrift; h. loepfunctie; i. typen in plaats van schrijven; ii. voorleesfunctie. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012.
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 bijlage 6 Het model van het inburgeringsdiploma is opgenomen inbij deze regeling. 2 artikel 8, tweede lid, van de wet bijlage 7 De tekst van de participatieverklaring, bedoeld in, is opgenomen inbij deze regeling. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 artikel 15b van de Auteurswet De Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) maakt een voorbehoud als bedoeld inmet betrekking tot de inhoud van het inburgeringsexamen. 2013 28833 17-10-2013 10-10-2013 2013-0000138571 2013 28833 17-10-2013 10-10-2013 2013-0000138571 18-10-2013
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 artikel 3.9a, vierde lid, van het besluit bijlage 5A Het praktijkexamen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, bedoeld in, bestaat uit het ter beoordeling voorleggen van een portfolio als bedoeld inen het voeren van een eindgesprek. 2 bijlage 5A In afwijking van het eerste lid bestaat het praktijkexamen, voor degene die hierom verzoekt en daarbij aantoont ten minste 64 uur te hebben deelgenomen aan het cursusonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt bij een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, uit het ter beoordeling voorleggen van een portfolio als bedoeld in. Het portfolio kan in dit geval slechts digitaal worden ingediend op de wijze zoals beschreven op www.mijninburgering.nl 2018 19740 11-04-2018 03-04-2018 2018-0000023456 2018 19740 11-04-2018 03-04-2018 2018-0000023456 01-05-2018
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 artikel 3.9b, tweede lid, van het besluit Van de resultaten van het onderdeel spreekvaardigheid worden de antwoorden op meerkeuzevragen beoordeeld door het geautomatiseerde systeem, bedoeld inen de antwoorden op de open vragen door beoordelaars. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012.
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 1 artikel 3.13, onderdeel c, van het besluit De deskundigheid van de beoordelaars, bedoeld in, blijkt uit een afgeronde door de minister vast te stellen Examentraining schrijfvaardigheid of spreekvaardigheid. 2 De Examentraining wordt gegeven door een door de Minister aan te wijzen instelling. 3 De in het tweede lid genoemde instelling reikt een certificaat uit, waaruit blijkt dat de deelnemer de training met goed gevolg heeft afgelegd en het aansluitende examen heeft behaald. 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 29-11-2014 01-11-2014
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 1 artikel 3.13, onderdeel c, van het besluit De deskundigheid van de examinatoren, bedoeld inblijkt uit een afgeronde door de minister vast te stellen Examentraining Arbeidsmarktmodule. 2 De Examentraining wordt gegeven door een door de Minister aan te wijzen instelling. 3 De in het tweede lid genoemde instelling reikt een certificaat uit, waaruit blijkt dat de deelnemer de training met goed gevolg heeft afgelegd en het aansluitende examen heeft behaald. 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 29-11-2014 01-11-2014
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 1 artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet De minister stelt voor de examenonderdelen, bedoeld ineen examenreglement vast. 2 artikel 3.4 van het besluit Een ieder die zich overeenkomstig de daartoe gestelde regels heeft aangemeld, het verschuldigde examengeld heeft voldaan en zich overeenkomstigheeft geïdentificeerd, wordt toegelaten tot de tot het inburgeringsexamen behorende onderdelen. 3 De kwaliteit van de examinering wordt gewaarborgd door: a. transparantie van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij de examinering; b. het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen om de examen- en persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of onrechtmatige verwerking; c. het beschrijven van de procedure van verwerking van examenresultaten en de gegevensverstrekking ten behoeve van opneming in het Informatiesysteem Inburgering; d. de naleving van het examenreglement, bedoeld in het eerste lid; e. het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen om de kwaliteit van de processen rondom de afname en de beoordeling van examens te waarborgen. 4 bijlage 18 Om tot het inburgeringsexamen te worden toegelaten is de kandidaat verplicht in te stemmen met de inopgenomen geheimhoudingsverklaring ten aanzien van de inhoud van het examen. 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 01-07-2018
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012.
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012.
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 artikel 3.10, eerste lid In het examenreglement, bedoeld in, wordt in ieder geval vermeld: a. de procedure van aanmelding en identificatie van de inburgeringsplichtige; b. de wijze waarop het examengeld wordt geïnd; c. de wijze van bekendmaking van de uitslagen van de onderdelen van het inburgeringsexamen; d. de procedure en sancties bij fraude, en e. de procedure voor de afhandeling van klachten. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012.
Artikel 3.15 — Artikel 3.15#
Artikel 3.15 artikel 6.2, eerste lid, onderdeel h, van het besluit Als organisaties, bedoeld inworden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 2014 33927 28-11-2014 20-11-2014 2014-0000166971 29-11-2014 01-11-2014
Artikel 3.16 — Artikel 3.16#
Artikel 3.16 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012. Dit artikel, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing op het toezicht op de exameninstellingen voor de examinering van de personen, bedoeld in Stcrt. 2012/26740, artikel VIII, derde lid, betreffende de uitvoering van het toezicht op de exameninstellingen en het Kwaliteitscentrum Examinering en de subsidiëring van het Kwaliteitscentrum Examinering, tot en met 31 december 2014 voor zover het gaat om de personen die van de mogelijkheid, bedoeld in Stcrt. 2012/26740, artikel VIII, tweede lid, gebruik maken.
Artikel 3.17 — Artikel 3.17#
Artikel 3.17 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012. Dit artikel, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing op het toezicht op de exameninstellingen voor de examinering van de personen, bedoeld in Stcrt. 2012/26740, artikel VIII, derde lid, betreffende de uitvoering van het toezicht op de exameninstellingen en het Kwaliteitscentrum Examinering en de subsidiëring van het Kwaliteitscentrum Examinering, tot en met 31 december 2014 voor zover het gaat om de personen die van de mogelijkheid, bedoeld in Stcrt. 2012/26740, artikel VIII, tweede lid, gebruik maken.
Artikel 3.18 — Artikel 3.18#
Artikel 3.18 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012. Dit artikel, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing op het toezicht op de exameninstellingen voor de examinering van de personen, bedoeld in Stcrt. 2012/26740, artikel VIII, derde lid, betreffende de uitvoering van het toezicht op de exameninstellingen en het Kwaliteitscentrum Examinering en de subsidiëring van het Kwaliteitscentrum Examinering, tot en met 31 december 2014 voor zover het gaat om de personen die van de mogelijkheid, bedoeld in Stcrt. 2012/26740, artikel VIII, tweede lid, gebruik maken.
Artikel 3.19 — Artikel 3.19#
Artikel 3.19 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 2013 13217 22-05-2013 14-05-2013 I&S/2013-0000052732 Hoofdstuk 3, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing tot en met 31 december 2014 op personen die van de mogelijkheid bedoeld in het tweede lid gebruikmaken met dien verstande dat: a. de bijlage behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, wordt vervangen door de bijlage 6 behorende bij artikel 3.3 van de Regeling inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, zoals gepubliceerd in Stcrt. 2012/26740; b. het examengeld in die gevallen bedraagt: 1°. € 110’ voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit inburgering ,zoals dat luidde op 31 december 2012; 2°. € 40’ voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 3°. € 60’ voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012; 4°. € 40’ voor het examen kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde op 31 december 2012.
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 1 artikel 4.1a, eerste lid, van het besluit artikel 4.9, tweede tot en met vijfde lid Van het bedrag van de lening, bedoeld inwordt twee maal de vastgestelde draagkracht, als vastgesteld op grond van, afgetrokken. 2 Indien het bedrag van de lening minder dan € 180,00’ bedraagt, wordt dit op nul gesteld. 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 01-07-2018
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 1 Ten behoeve van de betaling van de lening verstrekt de inburgeringsplichtige originele facturen aan de minister van: a. de door hem gevolgde inburgeringscursus en de door hem afgelegde onderdelen van het inburgeringsexamen; b. de door hem gevolgde cursus die opleidt tot het staatsexamen Nederlands als tweede taal en het door hem afgelegde examen, of c. artikel 4.1a, derde lid, onderdeel a of b, van het besluit de door hem gevolgde alfabetiseringscursus, indien hij op grond vanin aanmerking komt voor een lening ten behoeve van het volgen van een alfabetiseringscursus. 2 De factuur vermeldt in ieder geval: a. het burgerservicenummer van de kandidaat; b. de naam- en adresgegevens van de kandidaat; c. de naam- en adresgegevens van de instelling; d. de handtekening van de kandidaat; e. de datum, en f. de specificatie van het factuurbedrag. 3 Ten behoeve van de betaling van de lening levert de cursusinstelling de in de factuur vermelde informatie, bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van onderdeel d, digitaal aan bij de minister. 4 De door de cursusinstelling aangeleverde informatie, bedoeld in het derde lid, komt overeen met de door de inburgeringsplichtige verstrekte facturen, bedoeld in het eerste lid. 5 De facturen, bedoeld in het eerste lid, en de informatie, bedoeld in het derde lid, worden binnen uiterlijk vier maanden na de dag waarop de inburgeringsplichtige aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, ingediend of aangeleverd bij de minister. 6 artikel 12a, eerste lid, van de wet De facturen, bedoeld in het eerste lid, van een cursusinstelling die niet langer beschikt over een keurmerk als bedoeld in, en de informatie, bedoeld in het derde lid, worden binnen uiterlijk vier maanden na de dag waarop de cursusinstelling niet meer beschikt over het keurmerk, ingediend of aangeleverd bij de minister. 7 De betaling van de factuur, bedoeld in het eerste lid, geschiedt binnen vier weken na ontvangst door de minister van die factuur, en de informatie, bedoeld in het derde lid, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid. 8 De minister betaalt per kwartaal de bedragen van de lening aan de hand van de facturen met een maximum van € 2.000,00. Indien het bedrag van de facturen, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan € 2.000,00 wordt de inburgeringsplichtige verzocht nieuwe facturen te overleggen van en de cursusinstelling informatie als bedoeld in het derde lid aan te leveren over nog verschuldigde bedragen voor gevolgde cursussen of voor examens als bedoeld in het eerste lid. 2021 11277 09-03-2021 01-03-2021 2021-00000035156 2021 11277 09-03-2021 01-03-2021 2021-00000035156 10-03-2021
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 Vervallen 2015 34287 13-10-2015 05-10-2015 2015-0000260450 2015 34287 13-10-2015 05-10-2015 2015-0000260450 01-01-2016
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 1 De rente over de door de inburgeringsplichtige opgenomen lening wordt maandelijks berekend op basis van samengestelde interest. 2 Voor de berekening van de rente op de voet van het eerste lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen. 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 01-01-2007
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 1 artikel 17, eerste lid, aanhef, van de wet artikel 4.6, eerste lid, van het besluit artikel 4.5, eerste lid, van het besluit Gedurende de aanloopfase, bedoeld in, en de eerste vijf jaren van de de terugbetalingsperiode, bedoeld in, wordt hetzelfde rentepercentage gehanteerd, vastgesteld overeenkomstig. Het bij aanvang van de aanloopfase geldende rentepercentage wordt gehanteerd. 2 artikel 4.5, eerste lid, van het besluit Voor de resterende terugbetalingsperiode na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn wordt het rentepercentage opnieuw vastgesteld overeenkomstig. 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Regeling inburgering 2021.
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 1 artikel 4.4 De hoogte van de maandelijkse termijn wordt berekend op basis van het bedrag aan opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstigen gedeeld door het aantal te betalen termijnen. 2 artikel 4.9 De hoogte van de maandelijkse termijn bedraagt ten minste € 15,00. Indien de draagkracht overeenkomstigis vastgesteld op minder dan € 180,00’ per jaar, wordt het maandelijkse termijnbedrag op nul gesteld. 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 2018 15700 21-03-2018 13-03-2018 2018-0000037011 01-07-2018
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 1 artikel 4.7, eerste lid, van het besluit Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 4.4 In afwijking vanvervallen de rente en aflossing van de lening van een debiteur, die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen.is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is. Op aanvraag van de in de eerste volzin bedoelde debiteur kan de minister besluiten dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen. 2 artikel 4.6 De hoogte van de jaarlijkse dan wel de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, wordt berekend overeenkomstig, tenzij de debiteur, bedoeld in het eerste lid, bij de minister een aanvraag indient tot vaststelling van zijn draagkracht voor de resterende aflosfase. In dat geval levert hij aan de minister de door de minister gevraagde gegevens. 3 De betaling van de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, geschiedt door middel van: a. een daartoe door de debiteur verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een door de debiteur aangewezen bank- of girorekening in Nederland of b. een door de minister aan de debiteur gezonden acceptgirokaart. 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 01-01-2010
Artikel 4.7a — Artikel 4.7a#
Artikel 4.7a artikel 4.7, eerste lid, van het besluit artikel 4.4 De inburgeringsplichtige kan in afwijking vande lening in een keer terugbetalen. De terugbetaling omvat het bedrag van de opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig. 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 01-01-2009
Artikel 4.8 — Artikel 4.8#
Artikel 4.8 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.9 — Artikel 4.9#
Artikel 4.9 1 artikel 4.9 van het besluit De draagkracht die wordt vastgesteld overeenkomstig dit artikel, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de aanvraag, bedoeld in, is ingediend. 2 Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht de debiteur is het totaal van het toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen. 3 Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan: a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner, of b. artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur op wie de alleenstaande ouderkorting, bedoeld in, van toepassing is, of c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner. 4 De draagkracht de debiteur is 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet. 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.10 — Artikel 4.10#
Artikel 4.10 1 artikel 4.9 Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing vanuitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien sprake is van terugval in inkomen: a. over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of b. over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande dat de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van de minister het uiteindelijke belastbaar loon benadert. 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 2009 19752 21-12-2009 14-12-2009 BJZ2009065769 01-01-2010
Artikel 4.11 — Artikel 4.11#
Artikel 4.11 artikel 4.8, eerste lid, van het besluit Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is die een beschikking tot terugbetaling als bedoeld inheeft ontvangen, wordt: a. artikel 4.9, tweede en vierde lid , slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen, en b. artikel 4.10 van het besluit bij toepassing vande te betalen maandelijkse termijn per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk. 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 01-01-2007
Artikel 4.12 — Artikel 4.12#
Artikel 4.12 De debiteur is in verzuim indien binnen twee weken na de vervaldatum van een vordering het bedrag van de verplichte terugbetaling niet is ontvangen. 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 04-07-2009
Artikel 4.13 — Artikel 4.13#
Artikel 4.13 Vervallen 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 04-07-2009
Artikel 4.14 — Artikel 4.14#
Artikel 4.14 Vervallen 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 04-07-2009
Artikel 4.15 — Artikel 4.15#
Artikel 4.15 Vervallen 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 2009 9754 02-07-2009 24-06-2009 BJZ2009034157 04-07-2009
Artikel 4.16 — Artikel 4.16#
Artikel 4.16 artikel 17, tweede lid, van de wet Bij uitvaardiging van het dwangbevel, bedoeld inkunnen de achterstallige termijnen worden overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder mits: a. het achterstallige deel minimaal € 180,00 bedraagt, of b. het deel dat zes maanden of langer achterstallig is, minimaal € 15,00 bedraagt. 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Regeling inburgering 2021.
Artikel 4.16a — Artikel 4.16a#
Artikel 4.16a 1 artikel 4.1a, derde lid, van het besluit artikel 7b, eerste lid, van de wet artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Op verzoek van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in, vindt gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld plaats indien de debiteur binnen de termijn, genoemd in, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtensverlengde termijn, maximaal twee onderdelen van het inburgeringsexamen nog niet had behaald, en uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn deze onderdelen alsnog heeft behaald, en diegene hiermee voldoet aan de inburgeringsplicht. 2 artikel 4.1a, derde lid, van het besluit Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in, die uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn of de verlengde termijn, niet langer inburgeringsplichtig is vanwege: a. artikel 2.4b, onderdeel a het indienen van een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in, en de verzochte ontheffing is verleend; b. artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet; het bereiken van de leeftijd, bedoeld inof c. het verkrijgen van het Nederlanderschap. 3 artikel 4.1a, derde lid, van het besluit artikel 7b, eerste lid, van de wet artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet hoofdstuk 2, afdeling 2, van het besluit artikel 2.4b, onderdeel b en c Op verzoek van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in, vindt gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld plaats indien de debiteur binnen de termijn, genoemd in, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtensverlengde termijn, niet aan de inburgeringsplicht heeft voldaan en uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn, niet langer inburgeringsplichtig is vanwege het indienen van een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in, of tot vrijstelling als bedoeld inen de verzochte ontheffing of vrijstelling is verleend. 4 Bij de vaststelling van de hoogte van de kwijtschelding van de schuld wordt gekeken naar: a. de mate van verwijtbaarheid; en b. binnen hoeveel maanden alsnog is voldaan aan de inburgeringsplicht of een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid zich voordeed. 5 bijlage 19 De hoogte van de kwijtschelding van de schuld wordt vastgesteld aan de hand van de tabel, opgenomen inbij deze regeling. 6 artikel 4.1a, derde lid, van het besluit In bijzondere omstandigheden kan ten gunste van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in, worden afgeweken van de voorwaarden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, of van de tabel, bedoeld in het vijfde lid, of kan de terugbetalingsplicht teniet worden gedaan. 7 De minister neemt binnen twaalf weken na ontvangst een beslissing op de aanvraag tot kwijtschelding van de schuld. 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Regeling inburgering 2021. Vindt voor het eerst toepassing met ingang van 1 maart 2022 op de
inburgeringsplichtige voor wie de terugbetalingsperiode, bedoeld in
artikel 4.6, tweede lid, van het besluit, is aangevangen voor 1
januari 2022.
Artikel 4.17 — Artikel 4.17#
Artikel 4.17 1 artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 De minister kan de achterstallige termijnen alsmede het resterende verschuldigde bedrag van de debiteur die direct voorafgaande aan de beëindiging van de inburgeringsplicht houder is geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in, op verzoek geheel kwijtschelden, indien: a. uit de gegevens in de basisregistratie personen blijkt dat de debiteur geen verblijfsrecht meer heeft, en b. artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 de Immigratie- en Naturalisatiedienst kan bevestigen dat de debiteur niet langer inburgeringsplichtig is omdat de verblijfsvergunning, bedoeld in, is ingetrokken aangezien de grond voor verlening daarvan is komen te vervallen. 2 Als tijdstip van indiening van het verzoek wordt aangemerkt het moment dat de minister op grond van de gegevens in de basisregistratie personen heeft geconstateerd dat er geen sprake meer is van een verblijfsrecht. 2014 2560 31-01-2014 24-01-2014 2013-0000176917 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 4.18 — Artikel 4.18#
Artikel 4.18 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen. Hoofdstuk 4, paragraaf 3 blijft tot en met 31 december 2015 van toepassing op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, ten aanzien van wie geen inburgeringstermijn op grond van artikel 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.19 — Artikel 4.19#
Artikel 4.19 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen. Hoofdstuk 4, paragraaf 3 blijft tot en met 31 december 2015 van toepassing op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, ten aanzien van wie geen inburgeringstermijn op grond van artikel 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.20 — Artikel 4.20#
Artikel 4.20 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen. Hoofdstuk 4, paragraaf 3 blijft tot en met 31 december 2015 van toepassing op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, ten aanzien van wie geen inburgeringstermijn op grond van artikel 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.21 — Artikel 4.21#
Artikel 4.21 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen. Hoofdstuk 4, paragraaf 3 blijft tot en met 31 december 2015 van toepassing op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, ten aanzien van wie geen inburgeringstermijn op grond van artikel 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.22 — Artikel 4.22#
Artikel 4.22 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen. Hoofdstuk 4, paragraaf 3 blijft tot en met 31 december 2015 van toepassing op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, ten aanzien van wie geen inburgeringstermijn op grond van artikel 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.23 — Artikel 4.23#
Artikel 4.23 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen. Hoofdstuk 4, paragraaf 3 blijft tot en met 31 december 2015 van toepassing op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, ten aanzien van wie geen inburgeringstermijn op grond van artikel 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.24 — Artikel 4.24#
Artikel 4.24 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 De artikelen 1.2 tot en met 2.2c, 2.4, 2.5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 tot en met 3, en artikel 5.1, zoals deze luidden op 31 december 2012, blijven van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012, voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet op grond van artikel 7, eerste lid, of 26 van die wet is aangevangen. Hoofdstuk 4, paragraaf 3 blijft tot en met 31 december 2015 van toepassing op de oudkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, ten aanzien van wie geen inburgeringstermijn op grond van artikel 26 van die wet is aangevangen.
Artikel 4.25 — Artikel 4.25#
Artikel 4.25 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013 Dit artikel, zoals het luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing op de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Wet inburgering, zoals die luidde op 31 december 2012, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van die wet, voor zover hij uiterlijk op 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 De maatschappelijke begeleiding bevat in ieder geval de volgende componenten: a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen: ondersteuning en coaching van vergunninghouders bij het regelen van praktische zaken en het wegwijs maken in de gemeente; b. hulp bij het starten van de inburgering: informatie over het inburgeringstraject en hulp bij het vinden van een inburgeringscursus waar nodig en c. stimuleren van participatie en integratie: door begeleiding en coaching en kennismaking met maatschappelijke organisaties, informatie over onderwijs, vrijwillig en betaald werk. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 artikel 50, eerste lid, van de wet De bijzondere persoonsgegevens, bedoeld inzijn gegevens waaruit blijkt dat een inburgeringsplichtige: a. een geestelijke bedienaar is; b. artikel 6, eerste of tweede lid, van de wet is ontheven van de inburgeringsplicht op grond van; c. 28 30 31 33 van de wet een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel,,ofis opgelegd; d. het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 1 artikel 6.1, onderdeel a artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet De verwerking van bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling van de inburgeringsplicht van een geestelijke bedienaar overeenkomstig. 2 artikel 6.1, onderdeel b artikel 3 van de wet De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling van de inburgeringsplicht overeenkomstig. 3 artikel 6.1, onderdeel c artikelen 7, eerste lid 29 32 van de wet De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in, is in ieder geval noodzakelijk voor de beoordeling of een inburgeringsplichtige gehandeld heeft in strijd met de,en. 4 artikel 6.1, onderdeel d De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in, is in ieder geval noodzakelijk om de kandidaat met een psychische of lichamelijk belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, op diens verzoek in de gelegenheid te stellen het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden. 5 De bijzondere persoonsgegevens worden ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde doeleinden verstrekt aan het Informatiesysteem Inburgering. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 6.3 — Artikel 6.3#
Artikel 6.3 1 Voorzover de bijzondere persoonsgegevens zijn opgeslagen in het Informatiesysteem Inburgering, wordt dit bestand beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door: a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen informatie moeten hebben; b. het bewaren van een reservebestand op een voor niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats. 2 De minister, stelt richtlijnen op voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens in het Informatiesysteem Inburgering. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 De onverenigbare verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de minister wordt op de volgende wijze tegengegaan: a. artikel 6.2 de toegang tot de gegevens in het Informatiesysteem Inburgering is voorbehouden aan die personen, die voor het uitoefenen van hun taak, bedoeld in, toegang tot de informatie moeten hebben; b. Wet bescherming persoonsgegevens de minister, stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan, die toeziet op de naleving van de; c. de minister, verricht integriteits- en kwaliteitsaudits ten aanzien van de verwerking van de persoonsgegevens en rapporteert deze aan de functionaris voor de gegevensbescherming. 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013
Artikel 6.5 — Artikel 6.5#
Artikel 6.5 Vervallen 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 2012 26740 21-12-2012 13-12-2012 I&S/2012/17936 01-01-2013
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 Vervallen 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 2008 252 30-12-2008 16-12-2008 BJZ2008123774 01-01-2009
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 01-01-2007
Artikel 9.1 — Artikel 9.1#
Artikel 9.1 artikel 3.9, tweede lid, onderdeel d, van het besluit Van de verplichting om mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende onderdeel, bedoeld inte behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die: a. artikel 3.98a, derde lid, onderdeel c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voor 1 november 2014 voor het laatst afgelegde onderdeel spreekvaardigheid van het basisexamen inburgering, bedoeld in, ten minste 37 punten heeft behaald; b. na 1 november 2014 niet nogmaals het eerdergenoemde onderdeel spreekvaardigheid heeft afgelegd. 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 9.2 — Artikel 9.2#
Artikel 9.2 artikel 5.1 In afwijking van, wordt een in dat artikel genoemde vaststelling gedaan voor 26 februari 2007. 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 01-01-2007
Artikel 9.3 — Artikel 9.3#
Artikel 9.3 Artikel 2.4d, vijfde lid artikel 2.8 van het besluit , is niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in, die is ingediend vóór 1 januari 2022. 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 2021 49155 13-12-2021 03-12-2021 2021-0000196950 31-12-2021 Treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de Regeling inburgering 2021.
Artikel 9.4 — Artikel 9.4#
Artikel 9.4 Vervallen 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 2017 38120 07-07-2017 29-06-2017 2017-0000106853 01-10-2017
Artikel 9.5 — Artikel 9.5#
Artikel 9.5 Wijzigt deze regeling. 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 01-01-2007
Artikel 9.6 — Artikel 9.6#
Artikel 9.6 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. 2 Artikel 9.4 werkt terug tot en met 1 januari 2006. 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 01-01-2007
Artikel 9.7 — Artikel 9.7#
Artikel 9.7 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering. 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 2006 244 14-12-2006 06-12-2006 5456790/06 01-01-2007
Artikel 2.1#
artikel 2.1
Artikel 2.2#
artikel 2.2
Artikel 2.3#
artikel 2.3, tweede lid
Artikel 2.4#
artikel 2.4, derde lid
Artikel 2.5#
artikel 2.5
Artikel 3.3#
artikel 3.3
Artikel 3.4#
artikel 3.4
Artikel 3.5#
artikel 3.5, eerste lid
Artikel 3.5#
artikel 3.5, tweede lid
Artikel 3.7#
artikel 3.7, derde lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1
Artikel 2.2#
artikel 2.2
Artikel 2.4#
artikel 2.4, derde lid
Artikel 2.5#
artikel 2.5
Artikel 2.5#
artikel 2.5
Artikel 3.3#
artikel 3.3
Artikel 3.8#
artikel 3.8, vierde lid
Artikel 3.10#
artikel 3.10, vierde lid
Artikel 4.16a#
artikel 4.16a, vijfde lid
Artikel 4.16a#
artikel 4.16a, derde lid