Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/2006/102565b, tot vaststelling van de parameters voor pensioenfondsen (Regeling parameters pensioenfondsen)
- BWB-id
- BWBR0020899
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 2007-01-01 t/m 2009-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020899
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-parameters-pensioenfondsen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-parameters-pensioenfondsen/2007-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020899&g=2007-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020899&z=2026-06-06&g=2007-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020899/2007-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-parameters-pensioenfondsen
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikelen 126 128 138 140 143 van de Pensioenwet artikelen 121 123 133 135 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Een pensioenfonds of beroepspensioenfonds gaat voor de berekeningen, bedoeld in de,,,endan wel de,,,en, uit van: a. minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het loon- en prijsindexcijfer van 3%, respectievelijk 2%; b. een maximaal verwacht rendement op vastrentende waarden na aftrek van beleggingskosten van 4,5%; c. maximale risicopremies voor aandelen, onroerend goed en grondstoffen, te onderscheiden in de volgende categorieën: 1º. voor aandelen ontwikkelde markten: een rekenkundig gemiddelde van 4,5% of een meetkundig gemiddelde van 3%; 2º. voor niet-beursgenoteerde aandelen: een rekenkundig gemiddelde van 5% of een meetkundig gemiddelde van 3,5%; 3º. voor aandelen opkomende markten: een rekenkundig gemiddelde van 5,5% of een meetkundig gemiddelde van 4%; en 4º. voor onroerend goed en voor grondstoffen: een rekenkundig gemiddelde van 3,5% of een meetkundig gemiddelde van 2%; en d. artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen de toekomstige rentetermijnstructuur voor de disconteringsvoet in de continuïteitsanalyse. De toekomstige rentetermijnstructuur kan worden afgeleid uit de rentetermijnstructuur als bedoeld inwaarbij het fonds vanaf jaar t + 5 van die toekomstige rentetermijnstructuur gemotiveerd en na toestemming van De Nederlandsche Bank kan afwijken. 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 01-01-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 1 Een pensioenfonds of beroepspensioenfonds kan na instemming van De Nederlandsche Bank afwijken van hetgeen is bepaald inindien de actuele marktomstandigheden of de specifieke karakteristieken van het fonds dat noodzakelijk maken. 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 01-01-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 128 van de Pensioenwet artikel 123 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Pensioenfondsen of beroepspensioenfondsen die op het moment dat deze regeling in werking treedt, de premies voor het jaar 2007 hebben vastgesteld, onder toepassing van de Nota Hoofdlijnen FTK (Kamerstukken II 2004/05, 28 294, nr. 4) en de Nota Uitwerking FTK (Kamerstukken II 2004/05, 28 294, nr. 11) voldoen voor het jaar 2007 aandan wel. 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 01-01-2007
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2007 en vervalt met ingang van 1 januari 2010. 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 01-01-2007
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als Regeling parameters pensioenfondsen. 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 2006 250 22-12-2006 19-12-2006 AV/PB/2006/102565b 01-01-2007