Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
- BWB-id
- BWBR0020917
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020917
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-pensioenwet-en-wet-verplichte-beroepspensioenregeli
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-pensioenwet-en-wet-verplichte-beroepspensioenregeli/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020917&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020917&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020917/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2007/regeling-pensioenwet-en-wet-verplichte-beroepspensioenregeli
Artikel 32#
artikelen 32
Artikel 33#
33
Artikel 34#
34
Artikel 1 — Artikel 1 Aangewezen werknemers#
Artikel 1 Aangewezen werknemers artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet Als categorie van personen als bedoeld inworden aangewezen: a. de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt; b. artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de bestuurders van vennootschappen als bedoeld in, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder; c. de ambtsdragers behorende tot het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten; d. de predikanten die een pensioenovereenkomst hebben gesloten met de Stichting voor de predikantspensioenen; e. personen die zijn aangesteld als officieren door het Kerkgenootschap Leger des Heils in Nederland. 2024 11384 09-04-2024 29-03-2024 2024-0000038304 2024 11384 09-04-2024 29-03-2024 2024-0000038304 10-04-2024
Artikel 1a — Artikel 1a Stichting Pensioenregister#
Artikel 1a Stichting Pensioenregister artikel 51, zesde lid, van de Pensioenwet artikel 62, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Als instelling als bedoeld indan welwordt aangewezen de Stichting Pensioenregister. 2018 72607 27-12-2018 17-12-2018 2018-0000162309 2018 72607 27-12-2018 17-12-2018 2018-0000162309 01-01-2019
Artikel 2 — Artikel 2 Aangewezen instellingen#
Artikel 2 Aangewezen instellingen artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bijlage 1 Als instelling als bedoeld indan welworden de ingenoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen. 2007 138 20-07-2007 13-07-2007 AV/PB/07/20602 2007 138 20-07-2007 13-07-2007 AV/PB/07/20602 22-07-2007 01-01-2007
Artikel 3 — Artikel 3 Aangewezen verenigingen#
Artikel 3 Aangewezen verenigingen Vervallen 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 3a — 3a Gelijkstelling met pensioen#
3a Gelijkstelling met pensioen Vervallen 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 3b — 3b De tijdelijke uitkering#
3b De tijdelijke uitkering Vervallen 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 3c — 3c De levenslange uitkering#
3c De levenslange uitkering Vervallen 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 3d — 3d Resterend kapitaal#
3d Resterend kapitaal Vervallen 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 3e — 3e Verplichting pensioenuitvoerder#
3e Verplichting pensioenuitvoerder Vervallen 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 4 — Artikel 4 Vaststelling toeslagenlabel#
Artikel 4 Vaststelling toeslagenlabel Vervallen 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 4a — Artikel 4a Fictieve dekkingsgraden continuïteitsanalyse#
Artikel 4a Fictieve dekkingsgraden continuïteitsanalyse Vervallen 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 4b — Artikel 4b Rekeninstrument verzekeraars#
Artikel 4b Rekeninstrument verzekeraars Vervallen 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 4c — Artikel 4c Gebruik toeslagenlabel#
Artikel 4c Gebruik toeslagenlabel Vervallen 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 4d — Artikel 4d Vormvereisten toeslagenlabel#
Artikel 4d Vormvereisten toeslagenlabel Vervallen 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 5 — Artikel 5 Consistentie verzekeraars#
Artikel 5 Consistentie verzekeraars 1 artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Voor de toepassing vanenwordt verstaan onder: a. gewekte verwachtingen: de toeslagambitie; b. financiering: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld; en c. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar. 2 Consistentie bestaat indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie. 3 Het rekeninstrument, bedoeld in het tweede lid, is door verzekeraars op te vragen bij het Verbond van Verzekeraars. Voor wijziging van dit rekeninstrument is instemming van De Nederlandsche Bank en Onze Minister vereist. 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 6 — Artikel 6 Voorwaardelijkheidsverklaring#
Artikel 6 Voorwaardelijkheidsverklaring artikel 95, derde lid, van de Pensioenwet artikel 103, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De voorwaardelijkheidsverklaring, bedoeld indan wel, is vormvrij. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 7 — Artikel 7 Reële dekkingsgraad#
Artikel 7 Reële dekkingsgraad artikel 133b van de Pensioenwet artikel 128b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen De reële dekkingsgraad, bedoeld indan wel, is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de beleidsdekkingsgraad die ingevolgedan welis vereist voor voorwaardelijke toeslagverlening ter hoogte van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 8 — Artikel 8 Vrijstelling termijn tien jaar en aantal van zes#
Artikel 8 Vrijstelling termijn tien jaar en aantal van zes 1 artikel 132 van de Pensioenwet artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 138, tweede lid, van de Pensioenwet artikel 133, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Een fonds waarvan de dekkingsgraad op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 ligt onder het niveau dat nodig is om zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten in tien jaar te voldoen aandan wel, wordt vrijgesteld van de termijn van tien jaar, bedoeld indan welindien het, met inachtneming van dit artikel, een herstelplan indient met een looptijd van maximaal twaalf jaar. 2 artikel 140, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 135, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Een fonds dat op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 voor de zesde maal opeenvolgend een beleidsdekkingsgraad heeft die ligt onder het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen en die op dat tijdstip een dekkingsgraad heeft die ook ligt onder dat niveau, wordt vrijgesteld van het indan wel, genoemde aantal van zes, indien het een herstelplan indient met inachtneming van dit artikel. 3 Een fonds dat gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het eerste of tweede lid, en dat op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 een dekkingsgraad heeft waarbij de technische voorzieningen voor minder dan 90% door waarden worden gedekt, neemt telkens binnen zes maanden maatregelen waardoor de dekkingsgraad van het fonds direct zodanig wordt dat de technische voorzieningen voor 90% door waarden worden gedekt. 4 Voor zover het bij de maatregelen, bedoeld in het derde lid, een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten betreft, worden deze direct in de technische voorzieningen verwerkt en ofwel direct doorgevoerd, ofwel in beginsel evenredig gespreid in de tijd gedurende maximaal de termijn die wordt gebruikt voor het herstelplan. 5 Een fonds dat gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het eerste of tweede lid: a. onderbouwt bij het indienen van het herstelplan waarom het vanuit het belang van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden gebruik maakt van de vrijstelling; b. verklaart dat het naar verwachting zal overgaan op een collectieve waardeoverdracht die ertoe strekt om in verband met een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten dan wel een wijziging van de beroepspensioenregeling naar aanleiding van de voorgenomen stelselwijziging de waarde van de pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij het fonds overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomsten of beroepspensioenregeling; en c. stelt informatie over het gebruik van de regeling en de onderbouwing daarvan tijdig ter beschikking van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden of verstrekt deze informatie tijdig. 6 artikel 140, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 135, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 138, zevende lid, van de Pensioenwet artikel 133, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 142 van de Pensioenwet artikel 137 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Indien een fonds gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, isdan wel, van overeenkomstige toepassing bij iedere volgende vaststelling van de beleidsdekkingsgraad op grond vandan wel, totdat de beleidsdekkingsgraad ligt op of boven het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen of de beleidsdekkingsgraad en de dekkingsgraad liggen onder dat niveau en maatregelen zijn genomen waardoor de dekkingsgraad voldoet aan het minimaal vereist eigen vermogen.dan welis van overeenkomstige toepassing bij iedere volgende vaststelling. 2023 5212 16-02-2023 08-02-2023 2023-0000066103 2023 5212 16-02-2023 08-02-2023 2023-0000066103 17-02-2023 31-12-2022
Artikel 9 — Artikel 9 Eisen aan de toelichting bij de begroting#
Artikel 9 Eisen aan de toelichting bij de begroting Vervallen 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 01-01-2013
Artikel 10 — Artikel 10 Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting#
Artikel 10 Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting Vervallen 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 01-01-2013
Artikel 11 — Artikel 11 Indienen van jaarverslag en jaarrekening of verantwoording#
Artikel 11 Indienen van jaarverslag en jaarrekening of verantwoording Vervallen 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 01-01-2013
Artikel 12 — Artikel 12 Eisen aan jaarrekening of verantwoording#
Artikel 12 Eisen aan jaarrekening of verantwoording Vervallen 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 01-01-2013
Artikel 13 — Artikel 13 Eisen aan het jaarverslag#
Artikel 13 Eisen aan het jaarverslag Vervallen 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 01-01-2013
Artikel 14 — Artikel 14 Informatie over de pensioenregeling#
Artikel 14 Informatie over de pensioenregeling Vervallen 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 14a — Artikel 14a Rekenmethodiek weergave in scenario’s#
Artikel 14a Rekenmethodiek weergave in scenario’s 1 artikelen 14b tot en met 14j Voor de toepassing van dit artikel en dewordt verstaan onder: a. berekeningsdatum: de eerste dag van het kwartaal vanaf welke de rekenmethode wordt uitgevoerd over het aantal toekomstige jaren; b. scenarioset: artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen de scenarioset, bedoeld in, voor het kwartaal waarin de berekeningsdatum ligt; c. scenarioprijsinflatie: de veronderstelde prijsinflatie die voor ieder jaar in elk scenario in de scenarioset wordt vermeld; d. uitkeringsovereenkomst: artikel 1 van de Pensioenwet Wet toekomst pensioenen artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling uitkeringsovereenkomst als bedoeld inzoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dedan wel uitkeringsregeling als bedoeld inzoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen; e. premieovereenkomst: premieovereenkomst of premieregeling; f. kapitaalovereenkomst: artikel 1 van de Pensioenwet Wet toekomst pensioenen artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kapitaalovereenkomst als bedoeld inzoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dedan wel kapitaalregeling als bedoeld inzoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen; g. rekenmethodes: de toegelaten rekenmethodes, bedoeld in de onderdelen h en i, die door uitvoerders gebruikt kunnen worden; h. generieke rekenmethode: rekenmethode voor alle soorten pensioenovereenkomsten en pensioenuitkeringen; i. rekenmethode 1: rekenmethode voor uitkeringsovereenkomsten en vastgestelde uitkeringen; en j. pensioenbedrag: de hoogte van de op basis van een rekenmethode in een scenario op te bouwen of opgebouwde ouderdomspensioenrechten en ouderdomspensioenaanspraken op jaarbasis, op A jaren vanaf de berekeningsdatum, waarbij het aantal jaren A wordt bepaald door het moment, gerekend vanaf de berekeningsdatum, waarvoor het pensioenbedrag wordt berekend. 2 Indien de berekening bedoeld is voor communicatiedoeleinden kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, onder scenarioset ook verstaan worden: de scenarioset voor het kwartaal direct voorafgaand aan de berekeningsdatum. 3 Bij toepassing van de rekenmethodes kan een scenario-analyse uitgevoerd worden met minimaal 2000 scenario’s uit de scenarioset. 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 14b — Artikel 14b Uitvoering rekenmethodiek#
Artikel 14b Uitvoering rekenmethodiek 1 artikel 14a, eerste lid, onderdeel j Voor een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde wordt voor het moment, bedoeld in, een pensioenbedrag berekend voor een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario. De status van deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde op de berekeningsdatum is bepalend bij de toepassing van de rekenmethode. 2 Algemene Ouderdomswet Bij de berekeningen voor een deelnemer of gewezen deelnemer wordt uitgegaan van de pensioenleeftijd in de pensioenregeling. Indien het moment waarvoor de pensioenbedragen worden berekend de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van deis en deze afwijkt van de pensioenleeftijd, dan wordt de berekening eerst uitgevoerd op basis van de pensioenleeftijd en vindt vervolgens een herrekening plaats van het pensioenbedrag naar een pensioenbedrag op de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet op basis van de ten tijde van de berekening gebruikte vervroegingfactoren en uitstelfactoren. 3 Algemene Ouderdomswet Indien bij de berekeningen voor een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde de berekeningsdatum ligt na de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van deen de pensioenbedragen worden berekend voor weergave in het pensioenregister, bedraagt het aantal jaren A vanaf de berekeningsdatum tien. 4 Voor de berekening op het individuele niveau worden een wijziging van het pensioengevend salaris en een op een looninflatie gebaseerde wijziging van andere premie- en pensioengrondslag bepalende grootheden, gebaseerd op de scenarioprijsinflatie. 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 15-04-2023 Wijziging is herplaatst. 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023-0000199836 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023-0000199836 15-04-2023
Artikel 14c — Artikel 14c Berekeningen generieke rekenmethode#
Artikel 14c Berekeningen generieke rekenmethode 1 De generieke rekenmethode berekent het pensioenbedrag op basis van een zo realistisch mogelijke doorrekening van het pensioenbeleid in elk scenario van de scenarioset. 2 Bij toepassing van de generieke methode wordt het in elk scenario van de scenarioset berekende pensioenbedrag gecorrigeerd voor de scenarioprijsinflatie over de A jaren. 3 Het pensioenbedrag voor een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario wordt als volgt bepaald: a. het 50e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het verwacht scenario; b. het 95e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het optimistisch scenario; c. het 5e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het pessimistisch scenario. 2018 22286 23-04-2018 13-04-2018 2018-0000071068 2018 22286 23-04-2018 13-04-2018 2018-0000071068 01-07-2018
Artikel 14d — Artikel 14d Berekeningen generieke methode uitkeringsovereenkomsten#
Artikel 14d Berekeningen generieke methode uitkeringsovereenkomsten 1 Bij het toepassen van de generieke rekenmethode bij een uitkeringsovereenkomst wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald op basis van de op de berekeningsdatum opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en, voor de deelnemer, ook de toekomstige tijdsevenredige pensioenopbouw met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario. 2 De aanpassing van het pensioen kan zijn: toeslagverlening, vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten of een aanpassing in het kader van een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel gedurende de opbouwfase. 3 Voor fondsen volgt de aanpassing van het pensioen uit een doorrekening van de haalbaarheidstoets op de berekeningsdatum. Indien de berekening bedoeld is voor communicatiedoeleinden, dan kan de aanpassing van het pensioen ook volgen uit een aan de haalbaarheidstoets gelijkwaardige berekening in het kwartaal voorafgaand aan de berekeningsdatum. Voor andere uitvoerders volgt de aanpassing van het pensioen uit een zo realistisch mogelijke projectieberekening die gebaseerd is op dezelfde berekeningsdatum. 4 Indien bij een uitkeringsovereenkomst het premieniveau voor een bepaalde periode wordt vastgelegd en in verband daarmee de opbouw van pensioen in enig jaar kan worden aangepast, wordt in de doorrekening van het pensioenbeleid daarmee rekening gehouden. 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 15-04-2023 Wijziging is herplaatst. 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023-0000199836 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023-0000199836 15-04-2023
Artikel 14e — Artikel 14e Berekeningen generieke methode premieovereenkomsten#
Artikel 14e Berekeningen generieke methode premieovereenkomsten 1 Bij het toepassen van de generieke rekenmethode bij een premieovereenkomst in de opbouwfase gevolgd door een variabele pensioenuitkering vanaf pensioendatum, wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald op basis van een zo realistisch mogelijke doorrekening van het pensioenbeleid. 2 Bij een premieovereenkomst in de opbouwfase gevolgd door een vastgestelde uitkering vanaf pensioendatum, wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald: a. in het geval van een deelnemer of gewezen deelnemer, voor de opbouwfase op basis van het eerste lid, en, indien van toepassing, vanaf de pensioendatum op basis van de uit de opbouwfase voortkomende pensioenrechten op pensioendatum met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario vanaf de pensioendatum; en b. in het geval van een gepensioneerde op basis van de pensioenrechten op de berekeningsdatum met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario vanaf de berekeningsdatum. 3 Bij toepassing van het tweede lid geldt het volgende: a. artikel 14d, tweede en derde lid op de aanpassing van het pensioen is, van overeenkomstige toepassing; en b. indien het moment op A jaren vanaf de berekeningsdatum gelegen is na de pensioendatum dan wordt in het geval van toepassing van het eerste lid voor de opbouwfase voor A jaren gelezen het aantal jaren vanaf berekeningsdatum tot de pensioendatum. 4 Bij een premieovereenkomst in de opbouwfase en een variabele pensioenuitkering in de uitkeringsfase geldt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde met de beleggingsportefeuille op de berekeningsdatum voor elk scenario in de scenarioset het volgende: a. de waarde van de beleggingsportefeuille wordt op basis van de scenarioset en conform de specifieke kenmerken van de pensioenregeling op jaarbasis ontwikkeld vanaf de berekeningsdatum over A jaren met medeneming in enig jaar van onder andere de toevoeging van premie en de onttrekking van uitkeringen, kosten en risicopremies waarbij, als het niet een geheel jaar is, de ontwikkeling in dat jaar naar evenredigheid wordt toegepast; en b. een omzetting van de waarde van de beleggingsportefeuille in volgens de regeling te verkrijgen pensioenrechten geschiedt op basis van de in dat scenario voorkomende marktrente en specifieke factoren van de pensioenregeling die het tarief bepalen van die omzetting. 5 artikel 23a, vijfde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen De beleggingsportefeuille, bedoeld in het vierde lid, is opgedeeld in de twee beleggingscategorieën waarop de scenarioset wordt toegepast, risicovrije vastrentende waarden en zakelijke waarden. De vastrentende waarden worden onderverdeeld in risicovrije vastrentende waarden en zakelijke waarden op basis van de tabel in. Alle niet vastrentende waarden worden ingedeeld in de categorie zakelijke waarden. 6 In het geval van een kapitaalovereenkomst zijn het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. voor premieovereenkomst wordt gelezen kapitaalovereenkomst; b. in de opbouwfase voor de beleggingsportefeuille op de berekeningsdatum en de waardeontwikkeling daarvan wordt gelezen het volgens de kapitaalovereenkomst opgebouwde kapitaal en de ontwikkeling daarvan; en c. in de uitkeringsfase in het geval van een variabele uitkering de waarde van de beleggingsportefeuille voor de deelnemer en de gewezen deelnemer volgens het vierde lid ontwikkeld wordt vanaf de pensioendatum over de resterende jaren tot A jaren vanaf de berekeningsdatum. 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 14f — Artikel 14f Uitgangspunten berekening rekenmethode 1#
Artikel 14f Uitgangspunten berekening rekenmethode 1 1 Bij rekenmethode 1 wordt voor elk scenario in de scenarioset en voor elk jaar in dat scenario het volgende bepaald: a. de aanpassing van het pensioen, uitgedrukt als een percentage van dat pensioen, waarbij de aanpassing kan zijn toeslagverlening of vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten; b. de koopkrachtfactor, door de aanpassing voor dat jaar en de scenarioprijsinflatie voor dat jaar als volgt te bepalen: (1 + aanpassing) / (1 + scenarioprijsinflatie); c. de cumulatieve koopkrachtfactor, door de vermenigvuldiging van de koopkrachtfactoren over de voorgaande jaren tot en met dat jaar; en d. de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw. 2 In een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel gedurende de opbouwfase wordt in de aanpassing in ieder geval toeslagverlening ter hoogte van de scenarioprijsinflatie meegenomen. 3 De aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw is voor uitkeringsovereenkomsten waarbij het premieniveau voor een bepaalde periode wordt vastgelegd en in verband daarmee de opbouw van pensioen in enig jaar kan worden aangepast, de aangepaste pensioenopbouw voor dat jaar uitgedrukt als een percentage van de oorspronkelijke opbouw. Voor andere uitkeringsovereenkomsten is dit percentage 100%. 4 Uit de factoren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden drie rekenmethodescenario’s afgeleid. Elk rekenmethodescenario bevat voor elk jaar in de scenarioset telkens twee getallen: a. bij het verwacht rekenmethodescenario is het eerste getal het 50e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 50e percentiel bepaalt; b. bij het optimistisch rekenmethodescenario is het eerste getal het 95e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 95e percentiel bepaalt; c. bij het pessimistisch rekenmethodescenario is het eerste getal het 5e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 5e percentiel bepaalt. 5 Als er bij de factoren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en d, onderscheid wordt gemaakt tussen de groepen deelnemers, gewezen deelnemers of gepensioneerden of deelgroepen hiervan, dan worden de drie rekenmethodescenario’s opgesteld voor elke groep. 6 Voor fondsen volgt de aanpassing en de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw uit een doorrekening van de haalbaarheidstoets op de berekeningsdatum. Indien de berekening bedoeld is voor communicatiedoeleinden, dan kunnen deze factoren ook volgen uit een aan de haalbaarheidstoets gelijkwaardige berekening in het kwartaal voorafgaand aan de berekeningsdatum. Voor andere uitvoerders volgen deze factoren uit een zo realistisch mogelijke projectieberekening die gebaseerd is op dezelfde berekeningsdatum. 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 15-04-2023 Wijziging is herplaatst. 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023-0000199836 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023-0000199836 15-04-2023
Artikel 14g — Artikel 14g Berekeningen rekenmethode 1#
Artikel 14g Berekeningen rekenmethode 1 1 artikel 14f, vierde lid In rekenmethode 1 wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde met het verwachte, optimistische en pessimistische rekenmethodescenario, bedoeld in, het pensioenbedrag als volgt berekend: a. het op de berekeningsdatum opgebouwde ouderdomspensioen wordt vermenigvuldigd met de cumulatieve koopkrachtfactor in jaar A van het rekenmethodescenario; b. voor de jaren vanaf de berekeningsdatum tot en met jaar A worden voor elk jaar j de volgende drie grootheden met elkaar vermenigvuldigd: 1°. het op te bouwen ouderdomspensioen in jaar 1, op jaarbasis; 2°. artikel 14f, vierde lid het eerste getal, bedoeld in, in jaar A van het rekenmethodescenario gedeeld door het eerste getal, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, in jaar j van het rekenmethodescenario, en 3°. artikel 14f, vierde lid het tweede getal, bedoeld in, in jaar j van het rekenmethodescenario; en c. het in onderdeel a berekende bedrag en de in onderdeel b berekende bedragen worden bij elkaar opgeteld. 2 Voor de gewezen deelnemer of de gepensioneerde is de grootheid in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° gelijk aan nul. Dit is ook het geval indien voor een deelnemer het pensioenbedrag berekend wordt voor alleen het op de berekeningsdatum opgebouwde ouderdomspensioen. 3 Als A niet een geheel aantal jaren is, dan wordt het pensioenbedrag P als volgt berekend. Laat [A] het gehele aantal jaren zijn door het naar beneden op een geheel getal afronden van A. Met het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P0 op [A] jaren vanaf berekeningsdatum en het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P1 op [A]+1 jaren wordt het pensioenbedrag P als volgt bepaald: P = P0 + (P1 – P0) * (A – [A]). 2018 22286 23-04-2018 13-04-2018 2018-0000071068 2018 22286 23-04-2018 13-04-2018 2018-0000071068 01-07-2018
Artikel 14h — Artikel 14h Uitgangspunten berekening rekenmethode 2#
Artikel 14h Uitgangspunten berekening rekenmethode 2 Vervallen 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 15-04-2023 Wijziging is herplaatst.
Artikel 14i — Artikel 14i Berekeningen rekenmethode 2#
Artikel 14i Berekeningen rekenmethode 2 Vervallen 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 2023 11036 14-04-2023 05-04-2023 15-04-2023 Wijziging is herplaatst.
Artikel 14j — Artikel 14j Normen rekenmethodiek#
Artikel 14j Normen rekenmethodiek 1 De pensioenuitvoerder kiest de rekenmethode die passend is gegeven de kenmerken van de pensioenuitvoerder en de pensioenregelingen die worden uitgevoerd. 2 artikel 14d, derde lid artikel 14f, zesde lid De onderbouwing van een doorrekening van de haalbaarheidstoets en van de projectieberekening, bedoeld in, en, is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering. 3 De onderbouwing van de berekening volgens de generieke rekenmethode is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering. 4 De pensioenuitvoerder stelt procedures vast voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de rekenmethodes. 2018 63529 13-11-2018 05-11-2018 2018-0000167784 2018 63529 13-11-2018 05-11-2018 2018-0000167784 14-11-2018 Voorheen art. 14h.
Artikel 15 — Artikel 15 Berekenen risicoblootstelling maatstaven#
Artikel 15 Berekenen risicoblootstelling maatstaven 1 artikel 14u van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Voor de toepassing vanwordt verstaan onder: a. een mediaan scenario: het scenario van het 50e percentiel; b. een pessimistisch scenario: het scenario van het 5e percentiel. 2 artikel 14u van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling bijlage 1a Voor de berekening van de blootstelling behorend bij de risicomaatstaf, de verwachtingsmaatstaf en de lange termijn risicomaatstaf, bedoeld inworden de procedure, formules en symbolen ingebruikt. 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 16 — Artikel 16 Bepaling rente#
Artikel 16 Bepaling rente 1 rtikel 23, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling De rente, bedoeld in a, wordt berekend aan de hand van het u-rendement, waarbij de periode wordt vastgesteld in volle maanden. Het aantal volle maanden wordt bepaald op het verschil in maanden en dagen tussen de overdrachtsdatum en de datum van betaling van de overdrachtswaarde, waarbij alle kalendermaanden op 30 dagen worden gesteld. 2 Het in het eerste lid genoemde u-rendement is het op 1 januari van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 17 — Artikel 17 Verschuldigde rente#
Artikel 17 Verschuldigde rente artikel 25, eerste en vijfde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 16 Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als bedoeld in, rekent de ontvangende uitvoerder, met toepassing van, terug welk deel van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum. 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 18 — Artikel 18 Het standaardtarief#
Artikel 18 Het standaardtarief 1 artikel 25, tweede en derde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in, wordt uitgegaan van de periodetafel GBM/V 2010–2015 met de volgende leeftijdterugstellingen: a. 5 jaar voor mannelijke deelnemers; b. 3 jaar voor vrouwelijke deelnemers; c. 1 jaar voor de vrouwelijke partner van mannelijke deelnemers; en d. 3 jaar voor de mannelijke partner van vrouwelijke deelnemers. 2 De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet. 3 De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar. 4 Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt. 5 Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar. 6 Voor de berekening van het partnerpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt. 7 artikel 1 van bijlage 2 Voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen dat is opgebouwd vóór 1 januari 2002, dan wel 1 januari 2006, indien sprake is van perioden van opbouw op grond van een beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner. 8 De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de overdragende uitvoerder hanteert. 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 19 — Artikel 19 Berekening pensioenaanspraken#
Artikel 19 Berekening pensioenaanspraken 1 artikel 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 2 van bijlage 2 De berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in, wordt gemaakt volgens de formules en symbolen, opgenomen in. 2 De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioenleeftijd en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de ontvangende uitvoerder hanteert. 3 Indien de overdrachtswaarde lager is dan het bedrag benodigd voor de financiering van de toe te kennen pensioenaanspraken komt het verschil ten laste van de nieuwe werkgever of het ontvangende fonds. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 20 — Artikel 20 Afwijking standaardtarief#
Artikel 20 Afwijking standaardtarief Vervallen 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 21 — Artikel 21 Standaardregel#
Artikel 21 Standaardregel 1 artikel 150n, derde lid, van de Pensioenwet artikel 145m, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 46d van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling De standaardregel, bedoeld in,en, bestaat uit de volgende berekeningen in de hierna vermelde volgorde: 1° vaststellen van de contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten; 2° vaststellen van de contante waarde van de aanpassingskasstromen; 3° vaststellen van de schalingsfactor voor de aanpassingskasstroom; en 4° vaststellen van voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal. 2 bijlage 2a Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de formules ingebruikt. 3 Het fonds waarborgt dat bij het toepassen van de standaardregel geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen. 2024 42208 24-12-2024 17-12-2024 2024-0000934444 2024 42208 24-12-2024 17-12-2024 2024-0000934444 25-12-2024
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 33 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling bijlage behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling De Nederlandsche Bank kan bij het verkrijgen van inzicht als bedoeld ingebruik maken van desgevraagd verstrekte justitiële gegevens met betrekking tot de antecedenten genoemd in de. 2025 39743 24-11-2025 20-11-2025 2025-0000527540 2025 39743 24-11-2025 20-11-2025 2025-0000527540 25-11-2025
Artikel 23 — Artikel 23 Vaststelling verschuldigd bedrag kosten#
Artikel 23 Vaststelling verschuldigd bedrag kosten Vervallen 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 2012 25824 14-12-2012 06-12-2012 AV/PB/2012/17509 01-01-2013
Artikel 24 — Artikel 24 Standaardmodel#
Artikel 24 Standaardmodel 1 artikel 12, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel, bedoeld in, gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren: a. bijlage 3 het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 vanopgenomen rentefactoren; b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in: 1°. aandelen ontwikkelde markten en beursgenoteerd vastgoed met 30%; 2°. aandelen opkomende markten met 40%; 3°. niet-beursgenoteerde aandelen met 40%; en 4°. niet-beursgenoteerd vastgoed met 15%, waarbij de waarde van de beleggingen wordt aangepast voor financiering met vreemd vermogen; c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de euro met 20% voor valutarisico in ontwikkelde markten en 35% voor valutarisico in opkomende markten; d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 35%; e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een stijging van de rentemarge voor het kredietrisico van het fonds, afhankelijk van een ratingklasse als bedoeld in het derde lid: 1°. 0,60%-punt voor beleggingen met rating AAA, met uitzondering van Europese staatsobligaties; 2°. 0,80%-punt voor beleggingen met rating AA; 3°. 1,30%-punt voor beleggingen met rating A; 4°. 1,80%-punt voor beleggingen met rating BBB; en 5°. 5,30%-punt voor beleggingen met rating BB en lager, alsook beleggingen zonder rating; f. het verzekeringstechnische risico; g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%; h. het concentratierisico bedraagt 0%; i. het operationeel risico bedraagt 0%; en j. het actief beheer risico. 2 artikel 13a, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor. Het vereist vermogen per risicofactor wordt vastgesteld op grond van het strategisch beleggingsbeleid waarbij het aanwezig vermogen van het fonds per berekeningsdatum wordt belegd volgens de beoogde beleggingsportefeuille, bedoeld in. 3 Voor de vaststelling van het scenario voor kredietrisico overeenkomstig het eerste lid, onderdeel e, wordt een ratingklasse zoveel mogelijk bepaald op basis van het oordeel van een gekwalificeerde derde partij. De Nederlandsche Bank kan hierover nadere regels stellen. 4 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de vaststelling van het vereist eigen vermogen per risicofactor. 2025 15094 30-04-2025 25-04-2025 2025-0000091779 2025 15094 30-04-2025 25-04-2025 2025-0000091779 01-05-2025
Artikel 25 — Artikel 25 Correlaties#
Artikel 25 Correlaties 1 artikel 24 Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld intot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties: a. 1 2 tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie ρvan 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging; b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie ρ’ van 0,75; c. 1 5 tussen het renterisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρvan 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging; d. 2 5 tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρvan 0,50; e. tussen de risico’s die zijn onderscheiden voor het valutarisico: een correlatie van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; een correlatie van 0,75 tussen valuta in opkomende markten en een correlatie van 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds; en f. tussen de overige risico’s: een correlatie van 0. 2 bijlage 3 Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 vanopgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedures gebruikt. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 26 — Artikel 26 Partiële interne modellen#
Artikel 26 Partiële interne modellen 1 Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met De Nederlandsche Bank over de invulling van een of meer partiële interne modellen in aanvulling op het standaardmodel. 2 Het fonds beoordeelt jaarlijks of het risicoprofiel adequaat wordt weergegeven door het standaardmodel, zo nodig aangevuld met een of meer partiële interne modellen, en legt deze beoordeling vast. 3 De methodieken en procedures voor het gebruik en vaststelling van een of meer partiële interne modellen sluiten aan op de aard, omvang en complexiteit van de betreffende risico’s in de portefeuille. Het fonds legt de methodieken en procedures vast. 4 artikel 24, eerste lid Een partieel intern model is specifiek voor een belegging of beleggingsportefeuille van het fonds en onderscheidt zich van de risicoscenario’s zoals omschreven in. 5 Voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen wordt de uitkomst van de doorrekening van een partieel intern model opgeteld bij de uitkomst van het standaardmodel. Op verzoek mogen fondsen onderbouwd en na voorafgaande goedkeuring door De Nederlandsche Bank van deze methode afwijken. 6 artikel 12, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld invoorwaarden verbinden. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 27 — Artikel 27 Vereenvoudigd model#
Artikel 27 Vereenvoudigd model Vervallen 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 28 — Artikel 28 Intern model#
Artikel 28 Intern model 1 artikel 12, derde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen De Nederlandsche Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld inindien het fonds voldoet aan door De Nederlandsche Bank gestelde regels ten aanzien van: a. de organisatorische inbedding van het intern model; en b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model. 2 Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds. 3 Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het fonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het fonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang. 4 In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het intern model geen afbreuk doen. 5 Een fonds dat een intern model hanteert: a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan De Nederlandsche Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en b. artikel 24 dient bij De Nederlandsche Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel als bedoeld in. 6 De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 29 — Artikel 29 Overgangsregeling#
Artikel 29 Overgangsregeling 1 artikel 28, eerste lid artikel 28, eerste lid In afwijking van, kan De Nederlandsche Bank een fonds dat niet voldoet aan de in, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien: a. naar het oordeel van De Nederlandsche Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen. 2 Voor zover tijdens de overgangsperiode het model incompleet is, kan voor de ontbrekende onderdelen gebruik worden gemaakt van een prudente bijschatting. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 30 — Artikel 30 Haalbaarheidstoets#
Artikel 30 Haalbaarheidstoets 1 artikelen 30a 30b 30c Voor de toepassing van dit artikel en de,enwordt verstaan onder: a. rapportagedatum: de datum vanaf welke de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd over het aantal prognosejaren; b. geboortejaargroep: een op de rapportagedatum bestaande groep personen met hetzelfde geboortejaar en pensioenaanspraken of pensioenrechten jegens het fonds; c. scenarioset: artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen de scenarioset, bedoeld in; d. scenarioprijsinflatie: de veronderstelde prijsinflatie die voor ieder jaar in elk scenario in de scenarioset wordt vermeld; e. pensioenresultaat: een per scenario als percentage uitgedrukt quotiënt met in de teller de som van de verwachte uitkeringen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen en in de noemer de som van de verwachte uitkeringen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen, zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van de scenarioprijsinflatie. 2 Voor de verwachte uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt uitgegaan van de op de rapportagedatum opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en van de toekomstige opbouw van pensioenaanspraken en pensioenrechten vanaf de rapportagedatum. 3 Voor de haalbaarheidstoets wordt voor een op 1 januari 2015 bestaand fonds verondersteld dat op die datum de feitelijk opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten gelijk zijn aan de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van de gerealiseerde prijsinflatie voor dat moment. Voor een na 1 januari 2015 opgericht fonds geldt deze veronderstelling voor de datum van oprichting. 4 In de noemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt op de rapportagedatum, gelegen na 1 januari 2015 dan wel de datum van oprichting, uitgegaan van de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van een door alle fondsen te hanteren uniforme gerealiseerde prijsinflatie. 5 In een haalbaarheidstoets worden kalenderjaren gehanteerd. De haalbaarheidstoets omvat 60 prognosejaren. 6 artikel 1 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Een haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd met een scenario-analyse als bedoeld in. 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 2023 17726 30-06-2023 19-06-2023 2023-0000327780 01-07-2023
Artikel 30a — Artikel 30a Uitvoering haalbaarheidstoets#
Artikel 30a Uitvoering haalbaarheidstoets 1 Voor de aanvangshaalbaarheidstoets geldt: a. de rapportagedatum is 1 januari van het kalenderjaar waarin het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan; b. de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd op basis van de pensioenfondsbalans en de onderliggende gegevens op de rapportagedatum; c. er wordt gebruik gemaakt van de scenarioset die De Nederlandsche Bank beschikbaar heeft gesteld voor het kwartaal waarin het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan, waarbij De Nederlandsche Bank bepaalt hoe in de berekeningen wordt omgegaan met de periode tussen 1 januari en het begin van dat kwartaal; d. de datum van inlevering bij De Nederlandsche Bank is een maand nadat het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan. 2 Voor de jaarlijkse haalbaarheidstoets geldt: a. de rapportagedatum is 1 januari; b. artikel 147 van de Pensioenwet artikel 142 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd op basis van de pensioenfondsbalans en de onderliggende gegevens die ten grondslag liggen aan de staten, bedoeld indan wel, over het aan de rapportagedatum voorafgaande boekjaar; c. er wordt gebruik gemaakt van de scenarioset die De Nederlandsche Bank beschikbaar heeft gesteld voor het kwartaal waarin de rapportagedatum ligt; d. de datum van inlevering is niet later dan de datum van inlevering van de staten, bedoeld in onderdeel b. 3 artikel 30, vijfde lid Na voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank kan een fonds afwijken van het eerste en tweede lid en van. 4 artikel 22, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen De verplichting om jaarlijks een haalbaarheidstoets uit te voeren, bedoeld in, geldt niet: a. artikel 150m van de Pensioenwet artikel 145o van de Wet verplichte beroepspensioenregeling gedurende de jaren waarin een fonds de verwachting heeft over te gaan op een volledige collectieve waardeoverdracht als bedoeld indan wel; en b. indien het fonds naar verwachting geen flexibele premieregeling met een vastgestelde uitkering uit zal voeren na de volledige collectieve waardeoverdracht, bedoeld in onderdeel a. 5 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de bij de haalbaarheidstoets te leveren gegevens en de wijze waarop de gegevens worden geleverd. 2025 15094 30-04-2025 25-04-2025 2025-0000091779 2025 15094 30-04-2025 25-04-2025 2025-0000091779 01-05-2025
Artikel 30b — Artikel 30b Berekeningen haalbaarheidstoets#
Artikel 30b Berekeningen haalbaarheidstoets 1 Voor de berekening van het pensioenresultaat worden de verwachte uitkeringen gecorrigeerd voor de scenarioprijsinflatie. 2 Het pensioenresultaat voor een geboortejaargroep wordt voor elk scenario uit de scenarioset berekend. 3 Het pensioenresultaat op fondsniveau is voor elk scenario uit de scenarioset gelijk aan het gewogen gemiddelde van de pensioenresultaten van de geboortejaargroepen. Er wordt gewogen naar het aantal personen in een geboortejaargroep. 4 e Het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau is het 50percentiel in de doorrekening van de scenarioset. 5 e Het pensioenresultaat op fondsniveau in het slechtweerscenario is het 5percentiel in de doorrekening van de scenarioset. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 30c — Artikel 30c Normen haalbaarheidstoets#
Artikel 30c Normen haalbaarheidstoets 1 Bij de aanvangshaalbaarheidstoets mag het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau vanuit de financiële positie dat precies aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan en de daarbij door het fonds gekozen ondergrens niet kleiner zijn dan het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau vanuit de feitelijke financiële positie en de daarbij door het fonds gekozen ondergrens. 2 artikel 22, derde lid, onderdeel d, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen De maximale afwijking, bedoeld in, drukt het fonds uit als een percentage dat de afwijking ten opzichte van het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau aangeeft. 3 De onderbouwing van de haalbaarheidstoets is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering. 4 Het fonds stelt procedures vast voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de haalbaarheidstoets. 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 2014 36799 24-12-2014 17-12-2014 2014-0000184171 01-01-2015
Artikel 31 — Artikel 31 Overgangsrecht Wet toekomst pensioenen#
Artikel 31 Overgangsrecht Wet toekomst pensioenen 1 Artikel 15 bijlage 1a artikel 220i van de Pensioenwet artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en, zoals die luiden vanaf 1 juli 2023, zijn van toepassing vanaf het tijdstip dat de uitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst of gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld indan wel, maar uiterlijk vanaf 1 januari 2028. 2 artikelen 17 18 20 artikel 220i van de Pensioenwet artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De,en, zoals die luidden op 30 juni 2023, blijven van toepassing tot het tijdstip dat de uitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst of gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld indan wel, maar uiterlijk tot 1 januari 2028. 2025 15094 30-04-2025 25-04-2025 2025-0000091779 2025 423 10-12-2025 04-12-2025 01-01-2026 Treedt in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke
boodschap van 19 juni 2024 ingediende voorstel van wet tot wijziging
van de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting 1964 en enige andere
wetten in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het
nieuwe pensioenstelsel in werking treedt (Stb. 2025/422).
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Wijzigt de Regeling voor berekening in geval van waarde-overdracht. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Wijzigt de Regeling vermogenswaardering Ioaz. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 37 — Artikel 37 Inwerkingtreding#
Artikel 37 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 38 — Artikel 38 Citeertitel#
Artikel 38 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 2006 253 29-12-2006 19-12-2006 AV/PB/102565A 01-01-2007
Artikel 2#
artikel 2
Artikel 15#
artikel 15, tweede lid
Artikel 1 — Artikel 1 De risicomaatstaf#
Artikel 1 De risicomaatstaf 1 i t Het gewogen gemiddelde van alle verwachte ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase van deelnemerberekend op tijdstipin een scenario is: waar i t H wordt gedefinieerd als de reële ouderdomspensioenuitkering voor deelnemerop tijdstip+en i l i t H t wordt gedefinieerd als de kans dat deelnemer, met leeftijd(), op tijdstip+nog in leven is, conditioneel op tijdstip. 2 De risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de opbouwfase wordt als volgt berekend: x P x waarbijpercentielaangeeft van alle gewogen gemiddelde uitkeringen in de verschillende scenario’s. 3 De risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de uitkeringsfase, met jaar op jaar afwijking, wordt vergelijkbaar berekend als:
Artikel 2 — Artikel 2 De verwachtingsmaatstaf#
Artikel 2 De verwachtingsmaatstaf 1 Het gewogen gemiddelde van alle verwachte ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase wordt berekend op basis van een hypothetisch geheel risicomijdend reëel beleggingsbeleid in een scenario als . Vervolgens wordt getoetst aan de verwachtingsmaatstaf door: 2 Het hypothetisch geheel risicomijdend beleggingsbeleid, , in de verwachtingsmaatstaf is zodanig dat het Nederlandse inflatierisico in de verwachte uitkeringsstroom door middel van reële obligaties volledig wordt afgedekt, waarbij de reële obligatieprijzen zijn afgeleid uit de uniforme scenarioset. 3 De verwachte uitkeringsstroom wordt bepaald op basis van de beschikbare vermogens, waarbij de reële rentetermijnstructuur wordt gehanteerd als projectierendement dan wel als projectierente. 4 Indien er sprake is van een solidariteitsreserve of risicodelingsreserve dan wordt deze bij de bepaling van het hypothetisch geheel risicomijdend beleggingsbeleid, , buiten beschouwing gelaten, evenals de vul- en uitdeelregels van deze reserve.
Artikel 3 — Artikel 3 De lange termijn risicomaatstaf in de uitkeringsfase#
Artikel 3 De lange termijn risicomaatstaf in de uitkeringsfase De risicoblootstelling behorend bij de lange termijn risicomaatstaf kan op eenzelfde manier worden bepaald als de risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de opbouwfase, waarbij alleen wordt gekeken naar de nog resterende uitkeringen in de uitkeringsfase. i t Definieer het gewogen gemiddelde van alle verwachte ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase van deelnemerberekend op tijdstip, tijdstip waarop uitkeringsfase in gaat, in een scenario als: De risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de uitkeringsfase wordt vervolgens als volgt berekend:
Artikel 18#
artikelen 18
Artikel 19#
19
Artikel 18#
artikel 18, zevende lid
Artikel 19#
artikel 19, eerste lid
Artikel 21#
artikel 21, tweede lid
Artikel 01 — Artikel 01 Begripsbepaling#
Artikel 01 Begripsbepaling In deze bijlage wordt verstaan onder: – ieder individu: iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde; – premieovereenkomst: premieovereenkomst of premieregeling; – voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal: voor pensioenuitkering bestemd vermogen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling dan wel het kapitaal in de flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling.
Artikel 1 — Artikel 1 Vaststellen contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten#
Artikel 1 Vaststellen contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten 1 voor CW voor KS(i,h) i h voor CW De contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechtenwordt vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechtenvoor ieder individuen voor alle looptijden> 0 vast te stellen. Vervolgens worden de kasstromen van ieder individu per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld. Voor opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen die voortvloeien uit een premieovereenkomst is de contante waardegelijk aan het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies. 2 voor CW voor KS(i,h) Indien sprake is van een premieovereenkomst geldt in afwijking van het eerste lid dat de opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen niet hoeven te worden meegenomen inen, maar in de waarde P. De waarde P is dan gelijk aan de som van het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies van ieder individu. 3 artikel 46c van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Indien sprake is van een premieovereenkomst met inleggarantie of rendementsgarantie wordt de waarde van de inleggarantie of rendementsgarantie in afwijking van het eerste lid opgenomen in waarde P. De waarde van de inleggarantie of rendementsgarantie is gelijk aan de specifiek hiervoor aangehouden voorziening of wordt vastgesteld door toepassing van de vba-methode, bedoeld in. 4 artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling De overwegingen om al dan niet van het tweede lid gebruik te maken worden overeenkomstigopgenomen in het implementatieplan. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom de gemaakte keuze bijdraagt aan de evenwichtigheid van de transitie.
Artikel 2 — Artikel 2 Vaststellen contante waarde van de aanpassingskasstromen#
Artikel 2 Vaststellen contante waarde van de aanpassingskasstromen 1 CW* KS* i,h i h De contante waarde van de aanpassingskasstromenwordt vastgesteld door eerst de aanpassingskasstromen() voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigdeen voor alle looptijden> 0 vast te stellen via de formule q h waarbij de jaarlijks trapsgewijs stijgende functie() als volgt is gedefinieerd: h N met [] de op hele jaren neerwaarts afgeronde looptijd ende spreidingstermijn in jaren, die gelijk is aan tien jaar. Vervolgens worden de aanpassingskasstromen van alle deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld. Voor opgebouwde pensioenaanspraken, variabele uitkeringen, inleggarantie of rendementsgarantie die voortvloeien uit een premieovereenkomst en die volgens artikel 1, tweede of derde lid, worden meegenomen in waarde P wordt geen aanpassingskasstroom vastgesteld. 2 KS*(i,h) Om de contante waarde van de aanpassingskasstromenbij opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen die voortvloeien uit een premieovereenkomst vast te stellen, worden de volgende stappen doorlopen: a. voor voor Voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 worden de verwachte uitgaande kasstromen KS(i,h) bepaald, zodat de contante waarde hiervan gelijk is aan CW. Voor deze bepaling gebruikt het fonds de hiervoor benodigde aannames en methodes, waarbij het zich baseert op zo realistisch mogelijke aannames en de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven. artikel 145 van de Pensioenwet artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling voor Een fonds kan hiervan afwijken, indien toepassing van het op 30 juni 2022 in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld indan wel, vastgelegde beleidskader bijdraagt aan de evenwichtigheid van de transitie, of voor zo ver dit leidt tot een realistischere bepaling van de kasstromen KS(i,h). De onderbouwing van een afwijking wordt overeenkomstigin het implementatieplan opgenomen. b. KS*(i,h) Vervolgens kan de contante waarde van de aanpassingskasstromenbepaald worden, overeenkomstig het eerste lid. 3 N M M In afwijking van, de spreidingstermijn van tien jaar, kan een fonds een kortere of langere spreidingstermijn hanteren. Een langere spreidingstermijn is uitsluitend toegestaan voor zover de verhouding tussen het beschikbare vermogenen de technische voorzieningen van een fonds meer dan 100 procent betreft. Hierbij isgelijk aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt. 4 artikel 46, tweede lid, onderdeel i, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Bij toepassing van een andere spreidingstermijn dan tien jaar wordt bij de onderbouwing in het implementatieplan, bedoeld inin ieder geval de bestandssamenstelling van het fonds betrokken. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom een spreidingstermijn van tien jaar tot een onevenwichtiger nadeel zou leiden dan bij de gekozen afwijkende spreidingstermijn.
Artikel 3 — Artikel 3 Vaststellen schalingsfactor voor de aanpassingskasstroom#
Artikel 3 Vaststellen schalingsfactor voor de aanpassingskasstroom x De schalingsfactorvoor de aanpassingskasstroom wordt vastgesteld via de formule M waarbijgelijk is aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt. Voor zover de waarde P, als bedoeld in artikel 1, tweede of derde lid, niet van toepassing is, is de waarde P in deze formule gelijk aan 0.
Artikel 4 — Artikel 4 Vaststellen voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal#
Artikel 4 Vaststellen voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal 1 na KS i,h i h Het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel het kapitaal, waarbij gebruik is gemaakt van artikel 1, eerste lid, wordt vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling, of flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling() voor ieder individuen voor alle looptijden> 0 vast te stellen via de formule Vervolgens is het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal voor ieder individu gelijk aan de contante waarde van deze kasstroom. 2 Het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal is gelijk aan het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies voor ieder individu, indien gebruik is gemaakt van de waarde P, als bedoeld in artikel 1, tweede lid. 3 Indien sprake is van een premieovereenkomst met inleggarantie of rendementsgarantie wordt het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal volgend uit het eerste of tweede lid voor ieder individu verhoogd met de in waarde P opgenomen waarde van diens inleggarantie of rendementsgarantie, als bedoeld in artikel 1, derde lid.
Artikel 24#
artikelen 24
Artikel 25#
25
Artikel 24#
artikel 24
Artikel 25#
artikel 25
Artikel 25#
artikel 25