Binnenvaartregeling
- BWB-id
- BWBR0025958
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0025958
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/binnenvaartregeling
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/binnenvaartregeling/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0025958&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0025958&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0025958/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/binnenvaartregeling
Artikel 10.4#
artikel 10.4, eerste lid
Artikel 10.4#
artikel 10.4, tweede lid
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: bevoegde autoriteit: artikel 1.18 autoriteit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 of bedoeld in; besluit: Binnenvaartbesluit ; CBR: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk (Z-H); competentieverklaring dekbemanningslid: Richtlijn 2017/2397 door een bevoegde autoriteit afgegeven verklaring waarin wordt verklaard dat een matroos, volmatroos of stuurman voldoet aan de competentienormen van het operationele niveau van; dienstboekje: persoonlijk register waarin de gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, met name de vaartijden en de gemaakte reizen; duwbak: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, geschikt om te worden geduwd en dat: 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn; duwstel: hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken; ES-QIN: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/03/ES-QIN_2019_nl.pdf Europese standaard voor kwalificaties in de binnenvaart, editie 2019, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart, ingesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bij plenaire zitting in juni 2015 en raadpleegbaar op:; ES-TRIN: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2024/11/ES_TRIN_2025_signed_nl.pdf Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2025/1, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart, ingesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bij plenaire zitting in juni 2015 en raadpleegbaar op:; Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2020/12: Richtlijn (EU) 2020/12 Richtlijn (EU) 2017/2397 Gedelegeerdevan de Commissie van 2 augustus 2019 tot aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad wat betreft normen betreffende competenties en de overeenkomstige kennis en vaardigheden voor praktijkexamens, de goedkeuring van simulatoren en medische geschiktheid; Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473: Verordening (EU) 2020/473 Richtlijn (EU) 2017/2397 Gedelegeerdevan de Commissie van 20 januari 2020 tot aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de normen voor gegevensbanken voor EU-kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken; gekoppeld samenstel: samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel; groot konvooi: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en de totale breedte van het geduwde vaartuig 7.000 vierkante meter of meer bedraagt; groot pleziervaartbewijs I: groot pleziervaartbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren; groot pleziervaartbewijs II: groot pleziervaartbewijs voor de vaart op alle binnenwateren; hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel; ICC: bijlage 7.5 internationaal certificaat van competentie als bedoeld in resolutie 40, nr. TRANS/SC.3/147, van de Working Party on Inland Transport van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, van 16 oktober 1998, overeenkomstigbij deze regeling; klein vaarbewijs I: klein vaarbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren; klein vaarbewijs II: klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren; kwalificatiecertificaat: Richtlijn 2017/2397 door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een dekbemanningslid aan de voorschriften vanvoldoet; kwalificatiecertificaat deksman: richtlijn 2017/2397 een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond vanworden gesteld aan de deksman; kwalificatiecertificaat lichtmatroos: richtlijn 2017/2397 een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond vanworden gesteld aan de lichtmatroos; kwalificatiecertificaat matroos: richtlijn 2017/2397 een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond vanworden gesteld aan de matroos; kwalificatiecertificaat schipper: artikel 25, eerste lid, van de wet Richtlijn 2017/2397 door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat zoals bedoeld inwaarin wordt verklaard dat een schipper een vaarbevoegdheid bezit en aan de voorschriften vanwordt voldaan; kwalificatiecertificaat stuurman: richtlijn 2017/2397 een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond vanworden gesteld aan de stuurman; kwalificatiecertificaat volmatroos: richtlijn 2017/2397 een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond vanworden gesteld aan de volmatroos; minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat; open rondvaartboot: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 20 meter en dat: a. is ingericht en bestemd uitsluitend voor rondvaarten met een niet-onderbroken vaarduur van ten hoogste twee uren, b. geen gesloten opbouw heeft, c. geen doorlopend dek heeft, en d. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4; patrouillevaartuig: schip voor zover ingezet voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak; richtlijn 87/540/EEG: richtlijn nr. 87/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s, certificaten en andere titels (PbEG L 322); richtlijn 96/50/EG: richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L 235); Richtlijn 2017/2397: Richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijnen 91/672/EEG 96/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van deenvan de Raad (PbEU 2017, L 345); rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype: passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 25 meter, zoals ontwikkeld voor de rondvaarten in Amsterdam, en dat: a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord, b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met grote ramen, c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn, d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, en e. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4; RosR: bijlage 1.1 het door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde Reglement onderzoek schepen op de Rijn, zoals opgenomen in; Rsp: Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn bij resolutie van 8 december 2022 (protocol 2022-II-9) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgesteld; SAB: Stichting Afvalstoffen & Vaardocumenten Binnenvaart; schipper: dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading; specifieke vergunning: Richtlijn 2017/2397 een door een bevoegde autoriteit afgegeven aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper waarmee wordt aangegeven dat de schipper aan aanvullende voorschriften vanvoldoet; vaarbewijs: bewijs van vaarbevoegdheid; vaartijd: tijd, uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een door de bevoegde autoriteit gevalideerde reis met een vaartuig op binnenwateren, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen; verordening (EEG) 2919/85: verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280); verordening (EU) 2016/1628: verordening (EU) 2016/1628 Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 (EU) nr. 167/2013 Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging vanen, en tot wijziging en intrekking van(PbEU 2016, L 252). 2025 42126 10-12-2025 01-12-2025 IENW/BSK-2025/301015 2025 42126 10-12-2025 01-12-2025 IENW/BSK-2025/301015 01-01-2026
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 Binnenwateren zijn de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen de langs de Nederlandse kust gaande lijn, die loopt van: – het snijpunt van de breedtecirkel 53°26'.5 N met de Duitse kust ter plaatse van Upleward, – vandaar naar het punt met de coördinaten 53°26'.5 N en 006°55'.9 E, – vandaar naar een punt gelegen 25 meter westelijk van de kop van de strekdam van Borkum, – vandaar via de noordelijkste punten van Rottumeroog, Rottumerplaat en de zandplaat Simonszand, naar het oostelijkste punt van Schiermonnikoog, en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van Schiermonnikoog, – vandaar naar het noordelijkste punt van de zandplaat Het Rif, – vandaar naar het oostelijkste punt van Ameland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, – vandaar naar het oostelijkste punt van Terschelling en voorts langs de noordelijke kustlijn naar het westelijkste punt van dit eiland, – vandaar naar het noordelijkste punt van Vlieland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, – vandaar naar het noordelijkste punt van Texel en voorts langs de westelijke kust tot het snijpunt van de kustlijn en de lijn tussen het Loodsmansduin te Texel, met de coördinaten 53°01'.3 N en 004°43'.7 E, en het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E op het eiland Noorderhaaks, – vandaar naar het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E, – vandaar naar de Noord-Hollandse kust ter hoogte van de vuurtoren Kijkduin bij Den Helder en voorts langs de kust van Noord- en Zuid-Holland, waarbinnen zijn begrepen de hoofden van IJmuiden, Scheveningen en Hoek van Holland, tot aan de Haringvlietdam, – vandaar langs de zeezijde van deze dam en de zeezijde van de buitenhaven van Stellendam, naar Goeree en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de Brouwersdam, – vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Schouwen en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de afsluiting in de Oosterschelde, – vandaar langs de zeezijde van deze afsluiting, over de havenhoofden van de vluchthaven Neeltje Jans en de Noordland Buitenhaven (Roompotsluis), naar Noord-Beveland en voorts langs de kustlijn hiervan naar de Veersedam, – vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Walcheren en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de lichtopstand de Nolle, met de coördinaten 51°26'.9 N en 003°33'.1 E, bij Vlissingen, – vandaar naar de lichtopstand Nieuwe Sluis, met de coördinaten 51°24'.4 N en 003°31'.3 E, in Zeeuws-Vlaanderen en voorts langs de noordwestelijke kust hiervan over de hoofden van de haven van Cadzand-Bad naar het punt van grensovergang tussen Nederland en België. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 artikel 2, eerste lid, van de wet De zones, bedoeld inzijn: a. de zones 2, 3 en 4 genoemd in bijlage I van richtlijn (EU) 2016/1629; b. wet de zone R, die de binnenwateren omvat, bedoeld in onderdeel a, waarvoor een certificaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, volgens de bewoordingen van dat artikel bij het in werking treden van de. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 Rsp wet Onverminderd het bepaalde in hetten aanzien van het aanvragen van Rijnpatenten, kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen wordt voor het aanvragen van een krachtens devereist document de wijze van aanvragen toegepast die de afgevende instantie voorschrijft. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 1 wet De verplichting tot het aan boord hebben van documenten, afgegeven ingevolge of krachtens de, geldt niet voor de volgende vaartuigen: a. bokken; b. kranen; c. baggermolens; d. hopperzuigers; e. elevatoren; f. schepen zonder verblijven, zoals duwbakken, dekschuiten, pontons; g. open rondvaartboten, behalve ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs en mits het certificaat van onderzoek ter plaatse waar de rondvaarten beginnen, aanwezig is; h. artikel 785, tweede lid, van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek artikel 16, onderdeel d, van het besluit binnenschepen waarvoor ingevolgegeen verplichting tot teboekstelling bestaat, behalve motorboten als bedoeld inten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs. 2 De vrijstelling voor de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde schepen geldt alleen indien: a. op het schip een metalen plaat is aangebracht waarop staan vermeld het certificaatnummer, de zone, onderscheidenlijk zones waarvoor het certificaat van onderzoek geldig is en de datum tot welke het certificaat geldig is; b. de vermeldingen, bedoeld in onderdeel a, in goed leesbare letters en cijfers met een diepte van ten minste 6 mm zijn ingehakt en de metalen plaat, bedoeld in onderdeel a, een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm heeft en op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats is bevestigd; c. de overeenstemming tussen de vermeldingen op de plaat en de aantekeningen in het certificaat is bevestigd door een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport door middel van het aanbrengen van een stempel op de plaat; d. bij gebruik van het schip op de in Nederland gelegen binnenwateren het certificaat bij de eigenaar van het schip in bewaring is; en e. bij grensoverschrijding het certificaat aan boord is van het schip dat het duwstel, gekoppeld samenstel of de sleep voortbeweegt. 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 01-04-2013
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 1 RosR bijlage 1.1 Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht hetmet de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen inbij deze regeling en wordt aangehaald als: Reglement onderzoek schepen op de Rijn. 2 artikel 1.19 RosR Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid handelt de commissie van deskundigen, bedoeld in, overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van het. 3 De minister maakt de dienstinstructies, bedoeld in het tweede lid, bekend in de Staatscourant. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 1.7 — Artikel 1.7#
Artikel 1.7 1 artikelen 1.03 tot en met 1.05 hoofdstuk 8a van het RosR hoofdstukken 3 tot en met 31 artikelen 8.07, derde lid 10.07, derde lid 15.01, derde en vierde lid 17.15, tweede en derde lid 19.05, eerste lid 21.06, eerste lid, van ES-TRIN artikelen 3.01 3.02, eerste lid, onderdeel a 4.01 4.02 5.01, eerste, derde en zesde lid 10.01 11.01 17.01, eerste lid, tweede lid, derde alinea, derde lid en vierde lid 18.01 18.02, eerste, tweede en derde lid 18.03 18.04, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het Rsp De gezagvoerder van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de, en, van de, met uitzondering van de,,,,, enen van de,,,,,,,,,,,. 2 artikelen 1.03 tot en met 1.05 2.08, eerste lid 2.09, eerste lid hoofdstuk 8a van het RosR artikel 19.01, eerste lid, van het Rsp De eigenaar van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de,,, enen van de hoofdstukken 3 tot en met 31, met uitzondering van de artikelen 8.07, derde lid, 10.07, derde lid, 15.01, derde en vierde lid, 17.15, tweede en derde lid, 19.05, eerste lid, en 21.06, eerste lid, van ES-TRIN en van. 3 artikelen 3.01 3.02, eerste lid, onderdeel a 4.01 4.02 5.01, eerste, derde en zesde lid 10.01 11.01 17.01, eerste lid, tweede lid, derde alinea, derde lid en vierde lid 18.01 18.02, eerste tot en met derde lid 18.03 18.04, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het Rsp De werkgever van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de,,,,,,,,,,en. 4 artikelen 3.05, eerste lid, onderdeel b 4.02 5.01, eerste, derde en vijfde lid, van het Rsp Een lid van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart, niet zijnde de gezagvoerder, is verantwoordelijk voor de naleving van de,, en. 5 artikel 1.06, eerste lid, van het RosR artikel 1.03 van het Rsp Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de krachtensofaangebrachte tijdelijke afwijkingen. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 1.8 — Artikel 1.8#
Artikel 1.8 artikel 18.01, derde lid, van het Rsp bijlage 5, onderdeel V, van ES-TRIN bijlage 1.4 Op een tachograaf waarmee vaartijd kan worden geregistreerd als bedoeld inisvan toepassing, alsmede. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 1.9 — Artikel 1.9#
Artikel 1.9 1 Rsp bijlage 1.9 Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in. 2 Onverminderd het eerste lid is op de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, van toepassing: a. hoofdstuk 7, paragrafen 1 2 en; b. mits tijdens de vaart de Duits-Nederlandse grens in de ene of de andere richting niet wordt overschreden: 1°. artikel 2.9 de bekwaamheidseisen, bedoeld in; 2°. artikel 5.10 de omschrijving van zeeschepen in; 3°. hoofdstuk 5, paragraaf 5 de vrijstellingen, bedoeld in; 4°. Arbeidstijdenbesluit vervoer, hoofdstuk 5 de rusttijden bedoeld in hetBinnenvaart. 2013 13660 24-05-2013 23-05-2013 IENM/BSK-2013/88294 2013 13660 24-05-2013 23-05-2013 IENM/BSK-2013/88294 01-07-2013
Artikel 1.10 — Artikel 1.10#
Artikel 1.10 artikel 11.01, tweede lid, van het Rsp In plaats van de patenten, bedoeld in, volstaat voor de vaart op de Rijn benedenstrooms van het Spijksche Veer, met inbegrip van de Waal en de Lek: a. een klein vaarbewijs; b. artikel 7.11 een ingevolgeerkend bewijs van vaarbekwaamheid; of c. een Militair vaarbewijs, geldig voor het besturen van een klein legervaartuig op rivieren, kanalen en meren, afgegeven door het Genie opleidingscentrum. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 1.11 — Artikel 1.11#
Artikel 1.11 1 artikel 20.09, eerste lid, van het Rsp artikel 13.02 van het Rsp artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c Het radarpatent, bedoeld inen de specifieke vergunningen op met behulp van radar te mogen varen, bedoeld inen, zijn gelijkwaardig aan elkaar en worden tevens tot en met 17 januari 2032 gelijkgesteld met: a. Besluit Patentreglement Rijn het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het Besluit reglement radarpatenten zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het; b. Besluit Reglement radarpatenten het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1965, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn (Stb. 660), zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het; c. Regeling radarpatent binnenvaart het radardiploma binnenvaart, afgegeven krachtens de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de; d. Regeling radarpatent binnenvaart het radardiploma Rijn- en binnenvaart, bedoeld in artikel 17, onderdeel b, van de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de; e. het radarbrevet, afgegeven krachtens het koninklijk besluit tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart van 15 oktober 1993 (Belgisch Staatsblad, 2757). 2 artikel 20.09, eerste lid, van het Rsp artikel 13.02 van het Rsp artikel 4.06, derde en vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c In plaats van met het radarpatent, bedoeld inen de specifieke vergunningen op met behulp van radar te mogen varen, bedoeld inen, kan voor de vaart op de scheepvaartwegen, bedoeld in, tot en met 17 januari 2032 worden volstaan met: a. de stuurliedendiploma’s, afgegeven krachtens de Wet op de zeevaartdiploma’s, met uitzondering van het diploma stuurman kustsleepvaart en het diploma stuurman beperkte kleine handelsvaart; b. het bewijs van bevoegdheid van radarwaarnemer en het bewijs van bevoegdheid van radarnavigator, ter verkrijging van het diploma, bedoeld in onderdeel a; c. het bewijs van bevoegdheid, afgegeven krachtens annex II/2, II/3 en II/4 van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (Trb. 1981, 144); d. het radardiploma ruime wateren, afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 1.12 — Artikel 1.12#
Artikel 1.12 Vervallen 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 1.13 — Artikel 1.13#
Artikel 1.13 Vervallen 2011 11115 30-06-2011 21-06-2011 IENM/BSK-2011/91950 2011 11115 30-06-2011 21-06-2011 IENM/BSK-2011/91950 01-07-2011
Artikel 1.14 — Artikel 1.14#
Artikel 1.14 1 Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek voldoen de kleur, de sterkte van de lichten, alsmede de goedkeuring van de navigatielantaarns aan de eisen van richtlijn (EU) 2016/1629. 2 Navigatielantaarns die zijn goedgekeurd met inachtneming van de in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983 (Stb. 389), bedoelde voorschriften worden geacht te zijn goedgekeurd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorschriften. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 1.15 — Artikel 1.15#
Artikel 1.15 Typen van radarapparatuur die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze radarapparatuur tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is. 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 01-01-2010
Artikel 1.16 — Artikel 1.16#
Artikel 1.16 Typen van bochtaanwijzers die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze bochtaanwijzers tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is. 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 01-01-2010
Artikel 1.17 — Artikel 1.17#
Artikel 1.17 1 De inbouw of vervanging, alsmede de reparatie en het onderhoud van radarinstallaties en bochtaanwijzers mogen slechts worden uitgevoerd door bedrijven, die door de bevoegde autoriteit zijn erkend. 2 De erkenning kan aan een door de bevoegde autoriteit te bepalen termijn worden verbonden en kan door deze worden ingetrokken indien de keuringsvoorwaarden bedoeld in bijlage 5, onderdelen I en II, van ES-TRIN niet langer vervuld zijn. 3 De bevoegde autoriteit deelt per omgaande aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mee welke bedrijven zijn erkend. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 1.17a — Artikel 1.17a#
Artikel 1.17a bijlage 1.10 Het Inland ECDIS-apparaat in de informatiemodus, het daarmee vergelijkbare visualiseringssysteem en de elektronische binnenvaartkaarten moeten aan de inopgenomen minimumeisen voldoen. 2014 34264 01-12-2014 28-11-2014 IENM/BSK-2014/258980 2014 34264 01-12-2014 28-11-2014 IENM/BSK-2014/258980 01-12-2014
Artikel 1.18 — Artikel 1.18#
Artikel 1.18 1 artikelen 1.6 1.9 De bevoegde autoriteit in de zin van de in deenbedoelde reglementen is de minister. 2 In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit: a. artikel 2.18 van het RosR de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken in; b. artikelen 2.11, eerste lid 2.12, tweede lid 2.20, eerste, tweede en derde lid 2.21, eerste, tweede, derde en vierde lid van het RosR de voorzitter van de commissie van deskundigen in de,,, enen de artikelen 9.00, tweede lid, 9.01, vijfde lid, 9.05, 9.06, 9.07, 9.08 en artikel 9.09, tweede lid, onderdeel b, en 25.01, tweede lid, onderdeel h, van ES-TRIN; c. artikel 2.11, eerste lid, van het RosR de hoofdingenieurs-directeuren van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat Oost-Nederland en Zuid-Holland, ieder voor zover het zijn ambtsgebied betreft, in deen de artikelen 5.03, eerste lid en 23.01 van ES-TRIN; d. artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering artikelen 2.11, eerste lid de ambtenaren, bedoeld inin de. 3 Rsp In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit in het: a. artikelen 2.01 3.03 4.01, tweede lid 4.02, derde lid 5.01, derde lid 8.01 8.02, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid 8.03, eerste en derde lid 18.04, eerste, tweede en vierde lid 20.01, tweede lid de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport in de,,,,,,,,en; b. artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012 artikel 8.03, eerste lid de in artikel 10.2 aangewezen ambtenaren alsmede de ambtenaren van politie, bedoeld inin; c. artikel 18.04, eerste, tweede en vierde lid de voorzitter van de commissie van deskundigen in; d. de Dienst wegverkeer in bijlage 5, onderdeel V, artikel 3, punt 1, van ES-TRIN; e. artikel 45 van de wet artikel 8.01 de ambtenaren, bedoeld inin; f. artikelen 1.05, tweede en derde lid 1.06, eerste en tweede lid 2.01 4.01, tweede lid 4.02, derde lid 6.01, eerste, derde, vierde en vijfde lid 7.03, eerste lid 8.01 8.02 8.03 12.01, vierde lid 12.02, derde lid 12.03, derde lid 12.04, eerste lid 12.06 12.07 12.08 13.02, derde en vierde lid 13.03, vierde, vijfde en zesde lid 13.04, derde lid 13.06, tweede lid 15.04 15.05, eerste en derde lid 15.06, tweede lid 16.02 16.03 16.04 16.05 16.06, eerste en derde lid 16.10 20.03, tweede en derde lid 20.10, tweede lid het CBR in,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,en,; g. artikel 2.01 de SAB in. 4 Rsp De in het eerste en derde lid bedoelde bevoegde autoriteiten voeren hetuit overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van dat reglement. 5 De minister maakt de in het vierde lid bedoelde dienstinstructies bekend in de Staatscourant. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 1.19 — Artikel 1.19#
Artikel 1.19 1 Er is een commissie van deskundigen. 2 Van deze commissie maken deel uit: a. als deskundigen: de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die zijn belast met het onderzoek van schepen en de afgifte van certificaten van onderzoek, alsmede de hoofdingenieur-directeur van de directie Oost-Nederland van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; b. als deskundige, uitsluitend belast met de afgifte van vaartijdenboeken voor de Rijnvaart en de daarbij behorende verklaringen: de hoofdinspecteur Toezichtseenheid Binnenvaart van de Inspectie Leefomgeving en Transport; c. als voorzitter: de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport; d. als plaatsvervangend voorzitter: de plaatsvervangend inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. 3 Een besluit genomen door de voorzitter of een deskundige van de commissie wordt gelijkgesteld met een besluit genomen door de commissie van deskundigen. 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 01-04-2013
Artikel 1.20 — Artikel 1.20#
Artikel 1.20 1 Er is voor de duur van vijf jaar een technische commissie. 2 Van deze commissie maken als lid deel uit: a. vertegenwoordigers van de classificatiebureau’s die als zodanig door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn erkend; b. vertegenwoordigers van de overige keuringsinstanties die in opdracht van de minister onderzoek van schepen verrichten; c. een vertegenwoordiger van het Deelorgaan Binnenvaart van de Overlegorganen Verkeer en Waterstaat. 3 Deze commissie staat onder voorzitterschap van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. 4 De werkwijze van deze Commissie is nader geregeld in een door de minister goedgekeurd reglement van orde. 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 01-04-2013
Artikel 1.21 — Artikel 1.21#
Artikel 1.21 artikel 2, eerste lid, van het besluit Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen en personen tussen twee punten gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte, bevindt de Rijnvaartverklaring, bedoeld inof een gewaarmerkt afschrift daarvan zich aan boord van het schip waarvoor het is afgegeven. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 1.22 — Artikel 1.22#
Artikel 1.22 Een wijziging van richtlijn (EU) 2016/1629 gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 Artikel 6, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op: a. vervoer met binnenschepen waarvan het laadvermogen niet meer dan 200 metrieke ton bedraagt; b. vervoer van: 1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden gebruikt voor het beroepsvervoer van personen; 2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd; of 3°. aan de vervoerder toebehorende goederen, mits het totale gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 artikel 6, eerste lid, van de wet De vakbekwaamheid, bedoeld in, wordt aangetoond door middel van: a. de volgende diploma’s: 1°. het vakdiploma Ondernemer in de binnenvaart van het CBR, 2°. het diploma MBO Rijn- en Binnenvaart, 3°. het diploma Kapitein binnenvaart niveau 3 of niveau 4, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met de opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110 of 95640; b. artikel 11, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart een op grond vanafgegeven vergunning voor het beroepsvervoer van goederen; of c. artikel 2.4, tweede lid het bewijsstuk, bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 artikel 2.2, onderdeel a Voor de examens ter verkrijging van een diploma als bedoeld in, is een door de minister goedgekeurd examenreglement van toepassing. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 1 Richtlijn 87/540/EEG Natuurlijke personen die bewijzen dat zij voor het tijdstip, bedoeld in artikel 5 van, in een lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte het beroep van ondernemer van nationaal of internationaal goederenvervoer over de binnenwateren wettelijk hebben uitgeoefend, voldoen aan de eis van vakbekwaamheid en ontvangen van de minister op aanvraag een desbetreffend bewijsstuk. 2 bijlage 2.1 Als bewijsstuk van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld het document overeenkomstig het model opgenomen inbij deze regeling. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 1 artikel 6, eerste lid, van de wet Aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in, behoeft gedurende een jaar niet te worden voldaan door: a. de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, gezamenlijke erfgenamen van de overleden houder van een bewijs van vakbekwaamheid; b. een, door of namens de houder van een bewijs van vakbekwaamheid, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de houder van een bewijs van vakbekwaamheid. 2 De termijn, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onder a of b. De minister kan op aanvraag in bijzondere gevallen deze termijn met ten hoogste 26 weken verlengen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 richtlijn 87/540/EEG De minister kan op aanvraag een ontheffing als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de wet, verlenen aan een persoon die aantoonbaar beschikt over een praktijkervaring van ten minste drie jaar in het dagelijks beheer van de betrokken onderneming, indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 De houder van een bewijs van vakbekwaamheid draagt er zorg voor dat dit bewijs op één van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd: a. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van het binnenschip; of b. artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 aan de hand van de gegevens uit het handelsregister bedoeld in. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 richtlijn 87/540/EEG artikelen 2.4 2.6 Een wijziging vangaat voor de toepassing van deengelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 2.9 — Artikel 2.9#
Artikel 2.9 1 artikel 12 van het besluit artikel 1.2 Dit artikel is van toepassing op de bemanningsleden van schepen als bedoeld in, varend op de inbedoelde binnenwateren. 2 Een schipper is: a. artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp artikel 20.03, eerste lid in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld inof een krachtens, van dat reglement geldig Rijnschipperspatent; b. artikel 25, eerste lid, van de wet in het bezit van een kwalificatiecertificaat schipper of ander vaarbewijs als bedoeld in; of c. artikel 25, derde lid, van de wet in het bezit van een document als bedoeld in. 3 Een stuurman is: a. artikel 26a van de wet in het bezit van een kwalificatiecertificaat stuurman als bedoeld in; of b. artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat stuurman als bedoeld in. 4 Een machinist is: a. artikel 2.12 ten minste 18 jaar en in het bezit van een maritiem diploma zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de opleidingscodes 25677, 25679, 25680, 25683, 91943, 91941, 91931 of 91932, dan wel in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in; b. ten minste 18 jaar en in het bezit van de verklaring praktijkexamen machinist, ten bewijze dat het praktijkexamen machinist binnenvaart van het CBR met goed gevolg is afgelegd bij een daartoe door het CBR erkend opleidingsinstituut; c. ten minste 19 jaar en heeft een beroepservaring van ten minste 2 jaar als volmatroos op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen; of d. artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat machinist als bedoeld in. 5 Een volmatroos is: a. artikel 26a van de wet in het bezit van een kwalificatiecertificaat volmatroos als bedoeld in; of b. artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat volmatroos als bedoeld in. 6 Een matroos is: a. artikel 26a van de wet in het bezit van een kwalificatiecertificaat matroos als bedoeld in; of b. artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat matroos als bedoeld in. 7 Een lichtmatroos is: a. artikel 26a van de wet in het bezit van een kwalificatiecertificaat lichtmatroos als bedoeld in; of b. artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat lichtmatroos als bedoeld in. 8 Een deksman is: a. artikel 26a van de wet in het bezit van een kwalificatiecertificaat deksman als bedoeld in; of b. artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat deksman als bedoeld in. 9 Een schipper mag ook de functies stuurman, volmatroos, matroos en deksman uitoefenen. Een stuurman mag ook de functies volmatroos, matroos en deksman uitoefenen. Een volmatroos mag ook de functies matroos en deksman uitoefenen. Een matroos mag ook de functie deksman uitoefenen. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 2.10 — Artikel 2.10#
Artikel 2.10 1 artikel 2.9 In afwijking vanmaar onverminderd het negende lid van dat artikel, is op de schippers en machinisten op veerboten dit artikel van toepassing. 2 Een schipper: a. artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a tot en met c voldoet aan de vereisten die op grond van, worden gesteld aan een schipper; en b. is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg de opleiding Zoute Veren, nautische Module is gevolgd. 3 Een eerste machinist is ten minste 21 jaar en is in het bezit van: a. een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg is gevolgd: 1°. de zeevaartopleiding Maritiem Officier op MBO-4 of HBO niveau met een technische uitstroomrichting; 2°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op ten minste MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting, aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische module; of 3°. een technische opleiding op MBO-4 of HBO niveau aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische Module; 4°. een andere door de minister erkende opleiding; b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of c. artikel 2.12 een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in. 4 Een tweede machinist is ten minste 19 jaar en is in het bezit van: a. een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg is gevolgd: 1°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting; 2°. een technische opleiding op MBO-4 niveau; of 3°. een andere door de minister erkende opleiding; b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of c. artikel 2.12 een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in. 5 Voor de examens ter verkrijging van de diploma’s Zoute Veren Nautische Module of Technische Module, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het derde lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, is een door de minister goedgekeurd examenreglement en examenprogramma van toepassing. 6 Een eerste machinist mag ook de functie tweede machinist uitoefenen. 7 Richtlijn 2017/2397 Dekbemanningsleden die houder zijn van een kwalificatiecertificaat afgegeven door de bevoegde autoriteit in het buitenland overeenkomstigvoor een functie genoemd in dit artikel voldoen aan de eisen voor die desbetreffende functie. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 2.10a — Artikel 2.10a#
Artikel 2.10a 1 De schipper en de bij de bunkerprocedure betrokken bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, moeten over een deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof beschikken. 2 De deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof kan worden aangetoond door het beschikken over: a. artikel 7.19a, derde lid een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) als bedoeld in; b. artikel 15.02, eerste lid, van het Rsp een CCR-kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) als bedoeld in; of c. artikel 20.10 van het Rsp een verklaring van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof, bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 2.10b — Artikel 2.10b#
Artikel 2.10b Een deskundige voor de passagiersvaart is: a. artikel 7.19a, eerste lid houder van een kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart, als bedoeld in; b. artikel 16.02 van het Rsp houder van een CCR- kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart als bedoeld in; of c. artikel 20.10 van het Rsp een verklaring van deskundigheid voor de passagiersvaart, als bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 2.11 — Artikel 2.11#
Artikel 2.11 De bekwaamheid voor een functie aan boord kan te allen tijde worden aangetoond: a. door de schipper door middel van het vaarbewijs; b. artikel 5.11 door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje bedoeld inwaarin het kwalificatiecertificaat voor de betreffende functie is opgenomen; c. artikel 2.10a door de deskundigen voor de passagiersvaart en deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas door middel van het invoorgeschreven bewijs; of d. artikel 7.19, zesde lid artikel 2.10a, tweede lid door de schipper aan wie een specifieke vergunning is verleend door middel van het kwalificatiecertificaat waar deze specifieke vergunningen op zijn aangetekend overeenkomstig, of voor de specifieke vergunning voor het varen met vloeibaar aardgas als brandstof door middel van het kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) als bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 2.12 — Artikel 2.12#
Artikel 2.12 artikel 5.11 Als document ter beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties van een migrerende beroepsbeoefenaar voor de beroepen machinist binnenvaart wordt vastgesteld het dienstboekje, bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder: Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat: a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten, b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen; niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden; skûtsje: zeilend passagiersschip: a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m, b. dat is gebouwd voor 1950, en c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton. 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 01-01-2010
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 6 van het besluit Binnenschepen als bedoeld indie worden gebruikt op de zones 2, 3 en 4, voldoen aan de technische voorschriften van ES-TRIN. 2 Bij de toepassing van dit artikel handelt de minister overeenkomstig de Instructies voor de toepassing van ES-TRIN zijn vastgesteld. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 artikel 3.2, eerste lid bijlage 3.1 Onverminderd, voldoen passagiersschepen op de zone 2 aan de technische voorschriften, genoemd in. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 artikel 3.2, eerste lid In afwijking van, bedraagt voor duwstellen met een lengte van ten hoogste 86 meter de minimaal te behalen snelheid ten opzichte van het water ten minste: a. 11 km/h op zone 3-wateren; b. 10 km/h op zone 4-wateren, tenzij daar een maximumsnelheid van minder dan 10 km/h geldt. In dat geval stelt de minister voor het betreffende duwstel een andere minimaal te behalen snelheid vast. 2 artikel 3.2, eerste lid In afwijking van, is het toegestaan om een duwstel, met een lengte van ten hoogste 86 meter en van een duwsteven voorzien, op de zones drie en vier zonder hekankers te gebruiken en te volstaan met de in artikel 13.01, eerste lid, van ES-TRIN, bedoelde boegankers. 3 Artikel 3.2 is niet van toepassing op: a. bijlage 3.2 Amsterdamse dekschuiten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; b. bijlage 3.3 rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; c. bijlage 3.4 open rondvaartboten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; d. bijlage 3.5 skûtsjes, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; e. bijlage 3.6 veerponten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; f. bijlage 3.7 veerboten en passagiersschepen die een openbaar vervoersdienst onderhouden tussen plaatsen gelegen aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; g. bijlage 3.8 bunkerstations, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; h. bijlage 3.9 patrouillevaartuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van; i. bijlage 3.12 kleine drijvende werktuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 artikel 1.6, eerste lid Onverminderd, kunnen binnenschepen op de zone R eveneens voldoen aan de technische voorschriften, bedoeld in ES-TRIN, voor zover zij over een Uniebinnenvaartcertificaat beschikken, ten bewijze van de volledige conformiteit van het binnenschip met de in ES-TRIN en de in bijlage V bij richtlijn (EU) 2016/1629 bedoelde technische voorschriften, waarvan de gelijkwaardigheid met de bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde technische voorschriften is vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke voorschriften en procedures. 2 paragraaf 2 van dit hoofdstuk Bij de toepassing van het eerste lid isvan overeenkomstige toepassing. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 1 Voor binnenschepen waarvan de kiel op 30 december 2008 of later is gelegd, verstrekt de minister het certificaat van onderzoek, indien hem na technisch onderzoek voor de ingebruikneming van het binnenschip is gebleken dat het voldoet aan de voorschriften van ES-TRIN. 2 Voor binnenschepen waarvan de kiel voor 30 december 2008 is gelegd, wordt het certificaat van onderzoek door de minister afgegeven als het voldoet aan de voorschriften van ES-TRIN, met inachtneming van de voor het binnenschip geldende overgangsbepalingen. 3 artikel 3.4 Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde technisch onderzoek of bij een in opdracht van de eigenaar uitgevoerd technisch onderzoek wordt in voorkomend geval nagegaan of het binnenschip voldoet aan. 4 Indien uit een door een erkend classificatiebureau afgegeven verklaring blijkt, dat een binnenschip geheel of ten dele voldoet aan de voorschriften, opgenomen in ES-TRIN of in de overige bij deze regeling behorende bijlagen, kan de minister van een onderzoek geheel of gedeeltelijk afzien. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 artikel 6, onderdelen a tot en met d, g en j, van het besluit Voor de binnenschepen, bedoeld inwordt het certificaat van onderzoek afgegeven als Uniebinnenvaartcertificaat. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 1 De aanvraag van een certificaat van onderzoek wordt ingediend door de eigenaar van het binnenschip. 2 Bij de aanvraag worden de tekeningen van bouw en inrichting van het binnenschip alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de minister bijzondere redenen bestaan, het rekenkundig bewijs van de sterkte van de romp overgelegd. 3 artikel 14 van de wet Indien het binnenschip is onderzocht door of is gebouwd onder toezicht van een op basis vanaangewezen classificatiebureau, wordt ook de verklaring van dat bureau inzake het onderzoek of de bouw overgelegd. 4 artikelen 3.14 3.15 Indien ingevolge deofeen hellingproef is vereist, worden de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de gegevens over de stabiliteit van het binnenschip bij verschillende beladingstoestanden. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 1 Het certificaat van onderzoek, het voorlopig certificaat van onderzoek, het Uniebinnenvaartcertificaat, het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, alsmede het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat in samenhang met een certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig voor de bestemming en voor de zones waarvoor het schip blijkens het certificaat geschikt is bevonden. 2 artikel 8 van het besluit Het Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld in, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN. 3 artikel 9 van het besluit Het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld inwordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel III, van ES-TRIN. 4 artikel 10 van het besluit Het voorlopig certificaat van onderzoek, bedoeld in, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel II, van ES-TRIN. 5 artikel 7 van de wet artikel 3.4 Het certificaat van onderzoek, bedoeld in, wordt, voor de schepen bedoeld in, door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN. 6 artikel 7 van de wet bijlage 3.10 Het certificaat van onderzoek, bedoeld in, wordt voor bunkerstations door de minister afgegeven volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende. 7 bijlage B bij het RosR 1995 Het certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte, wordt door de minister afgegeven volgens het model van. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 artikel 10 van het besluit Het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat bedoeld in, wordt afgegeven wanneer de deugdelijkheid van het binnenschip, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht. 2019 33286 20-06-2019 14-06-2019 IENW/BSK-2019/92488 2019 33286 20-06-2019 14-06-2019 IENW/BSK-2019/92488 01-07-2019
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 1 De geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat, het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat en het certificaat van onderzoek bedraagt voor nieuwe schepen: a. vijf jaar voor passagiersschepen en snelle schepen; b. tien jaar voor andere binnenschepen. 2 De geldigheidsduur wordt in de in het eerste lid bedoelde certificaten aangetekend. 3 Voor binnenschepen die reeds vóór het onderzoek in bedrijf waren, stelt minister de geldigheidsduur van het certificaat voor elk geval afzonderlijk vast, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, doch niet langer dan in het eerste lid bepaald. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018 Abusievelijk is voor het eerste lid, aanhef, een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 De minister houdt overeenkomstig deel I, bijlage 3, onderdeel VI, van ES-TRIN een register bij van alle door hem op grond van deze paragraaf afgegeven certificaten van onderzoek. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 1 Het certificaat van onderzoek vermeldt het uniek Europees scheepsidentificatienummer dat is toegekend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de plaats van teboekstelling of de thuishaven van het binnenschip is gelegen. 2 Aan binnenschepen die niet uit een der lidstaten van de Europese Unie afkomstig zijn, kent de minister het uniek Europees scheepsidentificatienummer toe. 3 De eigenaar van het binnenschip brengt het in het certificaat van onderzoek vermelde scheepsidentificatienummer op het binnenschip aan en verwijdert dit zodra het ongeldig is geworden. 4 Dit artikel is niet van toepassing op pleziervaartuigen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 1 Een te onderzoeken binnenschip wordt onbeladen, gereinigd en voorzien van de voorgeschreven uitrusting aangeboden. 2 artikel 3.16 De commissie van deskundigen bezichtigt het binnenschip bij een eerste onderzoek op het droge. Dit kan achterwege blijven indien een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd, of indien een certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de minister al voor andere doeleinden een bezichtiging op het droge heeft verricht. Bij periodieke onderzoeken of onderzoeken overeenkomstigkan de commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen. 3 Bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting, doet de commissie van deskundigen een proefvaart plaatsvinden. 4 De commissie van deskundigen kan, eveneens tijdens de bouw, extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen. 5 De eigenaar van het binnenschip verleent verdere medewerking aan het onderzoek, onder meer door de toegang te vergemakkelijken tot de delen van de romp en tot de installaties, die niet of moeilijk toegankelijk of zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen of door proefvaarten te houden. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.15 — Artikel 3.15#
Artikel 3.15 1 Voor de beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het schip, indien het een eerste onderzoek betreft, aan een hellingproef onderworpen. 2 Indien de uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip beschikbaar zijn en daaraan voldoende stabiliteitsgegevens kunnen worden ontleend, kan de minister toestaan dat een hellingproef achterwege blijft. 3 Voor de beoordeling van de stabiliteit van andere schepen dan in het eerste lid genoemd, kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden indien de inrichting of de bijzondere bestemming van het schip daartoe aanleiding geeft. 4 De hellingproef wordt, behalve bij schepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter, door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid van de commissie van deskundigen. 5 Bij passagiersschepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter kan voldoende stabiliteit worden aangetoond door het uitvoeren van een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen, bij de ongunstigste vullingsgraad van de brandstof- en drinkwatertanks. 6 Bij de in het vijfde lid bedoeld stabiliteitsproef wordt het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen zodanig op het voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het schip verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3,75 personen per vierkante meter, overeenkomend met 285 kg per vierkante meter, wordt verkregen. 7 Bij de in het zesde lid bedoelde gewichtsverplaatsing mag de slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden bedragen. Het resterende vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,20 meter en 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,10 meter. 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 2009 20191 28-12-2009 16-12-2009 CEND/HDJZ-2009/1531sectorSCH 01-01-2010
Artikel 3.16 — Artikel 3.16#
Artikel 3.16 1 artikel 15, eerste lid, van de wet dat artikel Indien naar aanleiding van omstandigheden als in bedoeld ineen onderzoek plaatsvindt als bedoeld inomvat dit een onderzoek van de constructie, de werktuigen en uitrusting van het binnenschip, voor zover deze betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de verbouwing, de wijziging of de gebreken. Tevens kan de stabiliteit worden beoordeeld. 2 Indien het een onderzoek van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip betreft kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden. 3 artikel 3.15, derde lid Indien het onderzoek andere schepen dan de in het tweede lid genoemde betreft is, van overeenkomstige toepassing. 4 artikel 8 van de wet Indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, het binnenschip aan de bij of krachtensgestelde voorschriften voldoet, geeft de minister een nieuw certificaat van onderzoek af of verlengt de geldigheidsduur van het certificaat. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.17 — Artikel 3.17#
Artikel 3.17 Indien een certificaat van onderzoek door de minister is afgegeven, deelt de eigenaar elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een binnenschip alsmede elke wijziging van het uniek Europees scheepsidentificatienummer, van de teboekstelling of van de thuishaven aan de minister mee. Hij legt daarbij het certificaat van onderzoek ter wijziging voor. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.18 — Artikel 3.18#
Artikel 3.18 1 Voor afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek kan een binnenschip aan een periodiek onderzoek worden onderworpen. 2 Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vastgesteld. De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat en wordt ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven. 3 Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur, als bedoeld in het tweede lid, het certificaat van onderzoek door een nieuw wordt vervangen, wordt het oude certificaat teruggezonden aan de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven. 4 In uitzonderingsgevallen kan de minister op een met redenen omkleed verzoek besluiten de geldigheidsduur van het door hem afgegeven certificaat van onderzoek zonder onderzoek met ten hoogste zes maanden te verlengen. Deze verlenging wordt in het certificaat vermeld. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.19 — Artikel 3.19#
Artikel 3.19 1 RosR De minister onderzoekt ook schepen die niet onder de reikwijdte van richtlijn (EU) 2016/1629 of van hetvallen, indien zij ter onderzoek worden aangeboden. 2 RosR Als uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat het schip voldoet aan richtlijn (EU) 2016/1629 of aan het, geeft de minister een certificaat van onderzoek af. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 3.20 — Artikel 3.20#
Artikel 3.20 1 Als ES-TRIN bepaalt dat op een binnenschip bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de minister de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit binnenschip van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel toestaan dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 als gelijkwaardig zijn erkend. 2 Zolang het comité, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, in het kader van de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, nog geen aanbeveling inzake gelijkwaardigheid overeenkomstig het eerste lid heeft gedaan, kan de minister een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat afgeven. 3 Binnen een maand na afgifte van het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, overeenkomstig artikel 9, onder g, van richtlijn (EU) 2016/1629, stelt de minister, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, met opgave van de naam en het unieke Europees scheepsidentificatienummer van het binnenschip, het comité, bedoeld in het tweede lid, in kennis van de aard van de afwijking en van het land waar het binnenschip is te boek gesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen. 4 Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan de minister op grond van een aanbeveling van het comité, bedoeld in het tweede lid, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, voor een binnenschip met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de bepalingen van bijlage II bij die richtlijn, een Uniebinnenvaartcertificaat afgeven, voor zover deze nieuwe voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid bieden. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 3.21 — Artikel 3.21#
Artikel 3.21 1 artikel 7, onderdeel c, van het besluit richtlijn 2009/100/EG Voor passagiersschepen en zeilende passagiersschepen voor de in Nederland gelegen zone 2, erkent de minister voor de toepassing van, scheepsattesten afgegeven op grond vanvan het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (Pb L 259), indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regels voor zone 2. 2 bijlage 3.7 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten, met dien verstande dat de erkenning voor zone 2 slechts geldt indien de veerboot tevens voldoet aan de voorschriften van. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 3.22 — Artikel 3.22#
Artikel 3.22 1 artikel 7, onderdeel c, van het besluit De minister kan voor de toepassing van, een document erkennen dat door een bevoegde autoriteit van een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is afgegeven ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar teboekstaand schip. 2 Erkenning van het in het eerste lid bedoelde document van deugdelijkheid vindt plaats indien het naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het schip. 3 Het document van deugdelijkheid wordt erkend voor de in Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 indien het document naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van de vaart op die wateren. 4 De erkenning kan betrekking hebben op een enkel document van deugdelijkheid of op een groep gelijke documenten. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.23 — Artikel 3.23#
Artikel 3.23 Met het certificaat voor passagiersschepen, veerboten, patrouillevaartuigen, zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt gelijkgesteld een document van deugdelijkheid afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat in de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 3.24 — Artikel 3.24#
Artikel 3.24 In deze paragraaf wordt verstaan onder: keuringsinstantie: artikel 14, eerste lid, van de Binnenvaartwet krachtensvoor het verrichten van onderzoek aangewezen rechtspersoon; NEN-EN-ISO/IEC 17020 (2004): de met de desbetreffende aanduiding overeenkomende norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft; onderzoek: artikel 9, eerste lid, van de Binnenvaartwe onderzoek ten behoeve van de certificering van binnenschepen als bedoeld int. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 3.25 — Artikel 3.25#
Artikel 3.25 1 De minister wijst als keuringsinstantie aan rechtspersonen, die: a. naar zijn oordeel in staat zijn het onderzoek, waar dan ook in Nederland, te verrichten; b. zijn ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c. beschikken over een vestiging of vertegenwoordiging in Nederland; en d. artikel 3.27 beschikken over een accreditatieverklaring, afgegeven door de Raad voor Accreditatie of een andere accreditatie-instelling die erkend is in een lidstaat van de Europese Unie, waaruit blijkt dat de werkzaamheden bedoeld in, conform NEN-EN-ISO/IEC 17020 (2004) worden uitgevoerd. 2 Rechtspersonen die nog niet aan het eerste lid, onderdeel d, voldoen, kunnen voorlopig worden aangewezen, indien zij de aanvraag voor accreditatie hebben ingediend bij de Raad voor Accreditatie en blijkens een verklaring van de Raad redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende rechtspersoon zal voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Een voorlopige aanwijzing is ten hoogste een jaar geldig. 2013 34914 13-12-2013 09-12-2013 WJZ/13199207 2013 34914 13-12-2013 09-12-2013 WJZ/13199207 01-01-2014
Artikel 3.26 — Artikel 3.26#
Artikel 3.26 bijlage 3.11 Een keuringsinstantie wordt aangewezen voor het onderzoek van een of meer in deopgenomen pakketten van scheepstypen. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 3.27 — Artikel 3.27#
Artikel 3.27 De aangewezen keuringsinstantie is belast met het volledige onderzoek, onverminderd haar bevoegdheid om met inachtneming van de voorwaarden voor accreditatie, onderdelen van het onderzoek uit te besteden aan derden. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 3.28 — Artikel 3.28#
Artikel 3.28 Binnenvaartwet Wet vervoer gevaarlijke stoffen artikel 14, derde lid, van de wet De aangewezen keuringsinstantie voert het onderzoek uit met inachtneming van de voorschriften ingevolge deen, indien van toepassing, de, alsmede de beleidsregels, bedoeld in. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 3.29 — Artikel 3.29#
Artikel 3.29 De aangewezen keuringsinstantie meldt ernstige mankementen die aan een schip worden geconstateerd onverwijld aan de minister, indien de eigenaar niet bereid is deze onverwijld te herstellen. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 3.30 — Artikel 3.30#
Artikel 3.30 1 artikel 1.20 De aangewezen keuringsinstantie neemt deel in de commissie, bedoeld in. 2 De keuringsinstantie verstrekt de minister onvoorwaardelijk en kosteloos informatie, benodigd voor het uitoefenen van toezicht. Deze omvat in ieder geval de door de accrediterende instelling opgestelde auditrapporten. 3 De keuringsinstantie verleent de minister onvoorwaardelijk medewerking aan audits en steekproeven. 4 De keuringsinstantie verstrekt de minister jaarlijks voor 1 maart een schriftelijke rapportage, overeenkomstig de daarvoor door de minister te stellen voorschriften of aanwijzingen, over de in het voorgaande kalenderjaar verrichtte onderzoeken. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 3.31 — Artikel 3.31#
Artikel 3.31 1 De aangewezen keuringsinstantie stelt de minister tenminste dertien weken voor de voorgenomen datum van beëindiging van haar werkzaamheden van dit voornemen in kennis. 2 De keuringsinstantie stelt de minister onverwijld in kennis van: a. wijzigingen van het ter zake van de keuringsinstantie in het handelsregister ingeschrevene met betrekking tot haar naam en adresgegevens; b. wijziging, voornemen tot schorsing, schorsing of beëindiging van haar accreditatie. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 3.32 — Artikel 3.32#
Artikel 3.32 De minister kan de aanwijzing van een keuringsinstantie intrekken, indien: a. artikelen 3.25 3.30 de betrokken keuringsinstantie niet meer voldoet aan deof; b. de betrokken keuringsinstantie in strijd handelt met deze regeling; of c. de betrokken keuringsinstantie door handelen of nalaten te handelen naar het oordeel van de minister gevaar voor de veiligheid of het milieu veroorzaakt. 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 2011 5551 31-03-2011 23-03-2011 IENM/BSK-2011/20022 01-04-2011
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: belanghebbende: eigenaar van het binnenschip of degene die namens de eigenaar optreedt; ligger: register waarin de minister elke meetbrief inschrijft die hij uitreikt, alsmede de datum van de uitreiking, de naam en het Europese scheepidentificatienummer van het binnenschip of andere gegevens waardoor een binnenschip kan worden geïdentificeerd; maximum toelaatbare waterverplaatsing: in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tot het vlak van de grootste toegelaten diepgang; meetbrief: meetbrief, afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst; Overeenkomst: Trb. op 15 februari 1966 te Genève ondertekende en op 14 september 1967 goedgekeurde Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, met Bijlage en Protocol van Ondertekening (1967, 43); verplaatsing: in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tussen het vlak van inzinking van het lege binnenschip in zoet water en het vlak van de grootste toegelaten diepgang. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 De meting van binnenschepen heeft tot doel: a. de verplaatsing vast te stellen, evenals, indien nodig, een deel van de verplaatsing in samenhang met de inzinking; b. indien het binnenschip bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: het mogelijk te maken het gewicht van de lading volgens de inzinking te bepalen; c. indien het binnenschip niet bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: de maximum toelaatbare waterverplaatsing en de waterverplaatsing in lege toestand te bepalen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 1 De minister onderhoudt een ligger tot inschrijving van de gemeten binnenschepen. 2 De minister houdt van de afgifte, de verlenging en de intrekking van de meetbrief en van de hermeting aantekening in de ligger. 3 artikelen 4.19, eerste lid 4.20, eerste lid De minister maakt van de aantekeningen als bedoeld in, en, melding in de ligger. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 1 De meting, hermeting of controle-meting wordt uitgevoerd op aanvraag van de belanghebbende door de minister of de daartoe door de minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen. 2 Degene die de meting heeft aangevraagd, volgt gedurende de meting alle voorschriften op van de minister met betrekking tot de ligging van het vaartuig op het vlak van inzinking van het lege vaartuig en de eventuele verplaatsing van losse voorwerpen en verschaft de nodige hulp bij de meting en bij het aanbrengen van de ijkmerken of de ijkplaten en stelt daartoe een deugdelijke roeiboot met ten minste twee personen beschikbaar. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 1 De ligplaats van het te meten binnenschip of van het binnenschip waarvan de meting gecontroleerd wordt, is in stil, bij voorkeur zoet water en zodanig, dat het vaartuig van alle zijden toegankelijk is. 2 Indien in brak of zout water wordt gemeten, wordt de lege diepgang gecorrigeerd. 3 Het water in stoomketels van schepen zonder voortstuwingswerktuig behoort tot de uitrusting van het vaartuig. 4 artikel 4.7 Zaken die niet behoren tot die, welke volgens het derde lid en volgensaanwezig zijn, bevinden zich niet aan boord. 5 Is de uitrusting niet volledig, dan wordt zij voor de meting aangevuld. 6 Het schip is voor de meting behoorlijk schoon; op de bodem is geen water aanwezig. 7 Het vaartuig ligt gedurende de meting zoveel mogelijk dwarsscheeps horizontaal en stil. 8 Zolang niet aan de dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt de meting niet verricht. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 1 Voor de meting van een binnenschip worden de maten aan het vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenschip is het deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het lege vaartuig. 2 Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van centimeters rekenkundig afgerond. 3 Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters tot op millimeters in aanmerking genomen. 4 Bij de berekening worden breuken van duizendste delen, rekenkundig afgerond tot duizendsten. 5 Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen van een kubieke decimeter verwaarloosd. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 1 Het vlak van inzinking van het lege vaartuig, is het vlak overeenkomende met het wateroppervlak, indien: a. het binnenschip geen brandstof of verplaatsbare ballast aan boord heeft maar slechts de uitrusting, de proviand en de bemanning die normaal aan boord zijn als het vaartuig vaart; alsmede water dat niet door gebruikelijke middelen uit het ruim kan worden verwijderd en de drinkwatervoorraad, die 0,5% van de grootste verplaatsing van het vaartuig niet aanzienlijk mag overschrijden; b. de werktuigen, ketels, pijpleidingen en installaties, nodig voor de voortstuwing, voor de noodzakelijke hulpwerktuigen, of voor verwarming of koeling, water, olie of andere vloeistoffen bevatten waarvan zij in gewone omstandigheden worden voorzien om dienst te kunnen doen; c. het binnenschip zich in zoet water bevindt met een soortelijk gewicht gelijk aan 1. 2 Indien het binnenschip zich bij de meting niet in de toestand, bedoeld in het eerste lid bevindt, of niet in omstandigheden die leiden tot dezelfde inzinking en ongeveer dezelfde trimligging, worden het verschil in belasting en het verschil in soortelijk gewicht van het water in aanmerking genomen bij het maken van de berekeningen. 3 De gewichten aan boord die behoren bij de lege inzinking worden in de meetbrief vermeld. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.8 — Artikel 4.8#
Artikel 4.8 1 Het vlak van de grootste toegelaten diepgang wordt vastgesteld overeenkomstig de voor dat binnenschip geldende regels van artikel 4.03, tweede lid, van ES-TRIN. 2 Voor binnenschepen die bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste lid bepaald. 3 In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits aan de minister wordt aangetoond dat de grootste diepgang waarop het schip zal kunnen varen geringer is dan de diepgang, bepaald volgens het tweede lid. 4 Voor binnenschepen die niet zijn bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan overeenkomstig het eerste lid bepaald. 2025 42126 10-12-2025 01-12-2025 IENW/BSK-2025/301015 2025 42126 10-12-2025 01-12-2025 IENW/BSK-2025/301015 01-01-2026
Artikel 4.9 — Artikel 4.9#
Artikel 4.9 bijlage 4.1 Op de meting isvan toepassing. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.10 — Artikel 4.10#
Artikel 4.10 1 De belanghebbende kan binnen zesentwintig weken na de afgifte van de meetbrief bij de minister hermeting verzoeken. De hermeting is beslissend. 2 De hermeting en zonodig de vernieuwing van de ijkmerken of de ijkplaten geschieden kosteloos, indien het verschil met de eerste meting meer bedraagt dan: Het verschil wordt bepaald over een zelfde laadhoogte. a. 1 procent voor de verplaatsingscijfers van maximaal 500 kubieke meter; b. 5 kubieke meter voor de verplaatsingscijfers van meer dan 500 kubieke meter tot maximaal 2000 kubieke meter; c. 0,25 procent voor de verplaatsingscijfers van meer dan 2000 kubieke meter. 3 De minister geeft in de in het tweede lid genoemde gevallen een nieuwe meetbrief af, waarin de onderscheidingstekenen en het volgnummer van inschrijving in de ligger van de eerste meetbrief worden overgenomen. 4 Is het verschil met de eerste meting gelijk aan of minder dan de percentages of het aantal kubieke meters, vermeld in het tweede lid, dan wordt de eerste meting als juist aangemerkt en is de belanghebbende voor de hermeting de voor de meting gestelde vergoeding verschuldigd. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.11 — Artikel 4.11#
Artikel 4.11 1 De belanghebbende geeft bij hermeting de bij de vorige meting behorende meetbrief aan de minister af. 2 Indien het een meetbrief betreft die in het buitenland is afgegeven, geeft de minister de bevoegde autoriteit in de andere staat hiervan kennis onder bijvoeging van de ingetrokken meetbrief. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.12 — Artikel 4.12#
Artikel 4.12 bijlage 4.1 Op de hermeting isvan toepassing. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.13 — Artikel 4.13#
Artikel 4.13 1 De minister verstrekt de meetbrief uiterlijk zeven werkdagen na de meting. 2 De meetbrief wordt vastgesteld overeenkomstig het model in de Overeenkomst. 3 artikel 1.3 Op de meetbrief worden de zones als bedoeld in, waarin het binnenschip bestemd is te varen, vermeld. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.14 — Artikel 4.14#
Artikel 4.14 1 De geldigheidsduur van een meetbrief is ten hoogste vijftien jaar, te rekenen van de datum van afgifte. 2 De vervaldatum wordt op de meetbrief vermeld. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.15 — Artikel 4.15#
Artikel 4.15 1 De geldigheidsduur van een meetbrief wordt op verzoek van de belanghebbende verlengd, indien bij een controlemeting blijkt dat de gegevens van de meetbrief nog juist zijn. Daartoe worden de volgende afmetingen van het binnenschip gecontroleerd: a. de lengte en de breedte, alsmede de inzinking van het lege vaartuig ter plaatse van elk ijkmerk; b. ingeval het vaartuig blijvende vervormingen heeft: enkele breedten aan de hand van de laatste meting, om na te gaan of de vervormingen vóór of na de laatste meting zijn ontstaan. 2 De geldigheidsduur van de meetbrief kan overeenkomstig het eerste lid worden verlengd: a. indien het een binnenschip betreft dat bestemd of gebruikt is voor het vervoer van goederen: voor een periode van ten hoogste tien jaar; b. indien het een ander binnenschip betreft dan bedoeld in onderdeel a: voor een periode van ten hoogste vijftien jaar. 3 Van de uitkomst van de controle en van de datum waarop de geldigheidsduur van de meetbrief is verlengd, houdt de minister aantekening in de ligger. 4 Tenzij de betreffende bij de Overeenkomst aangesloten staat zulks niet toestaat, kan de geldigheidsduur van een door een van zijn bureaus van meting afgegeven meetbrief voor een vaartuig, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, worden verlengd, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. 5 Van de uitkomst van de controle van een in het buitenland gemeten binnenschip alsmede van de datum waarop de geldigheidsduur van een dergelijke meetbrief is verlengd, wordt kennis gegeven aan de minister. Laatstgenoemde geeft daarna aan zijn ambtgenoot in het andere land hiervan kennis. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.16 — Artikel 4.16#
Artikel 4.16 1 De meetbrief vervalt: a. door het verstrijken van de geldigheidsduur; b. wanneer het binnenschip een verbouwing ondergaat die van invloed is op de ligging van het vlak van inzinking van het lege vaartuig, op de verplaatsing dan wel op de in de meetbrief vermelde afmetingen; c. wanneer het binnenschip, een andere bestemming krijgt of anders gebruikt wordt dan waarvoor de meetbrief is afgegeven; d. wanneer de meetbrief is gewijzigd door daartoe niet bevoegde personen; e. wanneer aan het binnenschip andere veranderingen dan wel blijvende beschadigingen zijn aangebracht, waardoor de omschrijving in de meetbrief niet meer juist is; f. wanneer de meetbrief niet meer volledig is. 2 Als een verbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt onder meer aangemerkt: het verlengen van het schip, het verhogen van het gangboord, het wijzigen van de positie van een of meer lichtranden of patrijspoorten onmiddellijk boven de lastlijn, alle in- en uitwendige verbouwingen aan de romp, laadhoofden en de bovenbouw van het schip en het plaatsen, verwijderen of veranderen van machines, ketels of de inventaris, voor zover daardoor het vlak van inzinking van het lege vaartuig of het vlak van de grootste toegelaten diepgang is verplaatst. 3 Indien een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, zich voordoet, wordt de afgegeven meetbrief voor zover nodig vervangen of gewijzigd. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.17 — Artikel 4.17#
Artikel 4.17 1 artikel 4.16, eerste lid Indien de minister constateert, dat zich ten aanzien van een in Nederland geregistreerd binnenschip één der gevallen, genoemd in, voordoet trekt hij de meetbrief in. 2 artikel 4.16, eerste lid Indien één der gevallen, genoemd in, zich voordoet ten aanzien van een in het buitenland geregistreerd binnenschip, informeert de minister de bevoegde autoriteit in het land waar het binnenschip is geregistreerd. In de meetbrief van het desbetreffende binnenschip wordt een verklaring gehecht als vastgesteld door de minister. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.18 — Artikel 4.18#
Artikel 4.18 Een meetbrief, afgegeven door een bureau van meting van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst, wordt gelijkgesteld aan een meetbrief afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.19 — Artikel 4.19#
Artikel 4.19 1 In geval van wijziging van de naam van een binnenschip wordt op verzoek van de belanghebbende de nieuwe naam op de meetbrief aangetekend. 2 De minister maakt van deze aantekening melding in de ligger. 3 Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, geeft de minister aan de bevoegde autoriteit van de andere staat van deze aantekening kennis. 4 De in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening wordt door de minister geautoriseerd. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.20 — Artikel 4.20#
Artikel 4.20 1 artikel 4.16, eerste lid artikel 4.17 Onverminderd het in, bepaalde, kunnen veranderingen ten aanzien van het vaartuig anders dan bedoeld in, op de meetbrief worden aangetekend. De aantekening geschiedt op aanvraag van de belanghebbende door de minister. 2 Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, is een schriftelijke machtiging van de bevoegde autoriteit die de meetbrief heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een zodanige aantekening. 3 Zonder de in het tweede lid bedoelde schriftelijke machtiging is een aantekening in de meetbrief ook mogelijk met een geldigheid van niet meer dan drie maanden. 4 Een aantekening als bedoeld in het tweede of derde lid wordt in de daarvoor bestemde rubriek in de meetbrief gewaarmerkt, waarbij tevens de duur van de voorlopige geldigheid wordt vermeld. 5 De minister geeft de bevoegde autoriteit van de andere staat van de aantekening kennis. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.21 — Artikel 4.21#
Artikel 4.21 1 Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgegeven omdat het origineel niet meer aanwezig is, bevat dit afschrift aan het hoofd de volgende zin: Dit afschrift treedt in plaats van het origineel, dat is verloren geraakt. 2 De Minister kan een afschrift van de meetbrief verstrekken, indien dat moet worden gedeponeerd op een buitenlands hypotheekkantoor waar het schip is of zal worden ingeschreven. Dit wordt voor eensluidend afschrift ondertekend en bevat aan het hoofd de volgende zin: ‘Afschrift, bestemd voor nederlegging ten hypotheekkantore te .....’. 3 De minister kan uittreksels van meetbrieven verstrekken. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.22 — Artikel 4.22#
Artikel 4.22 De belanghebbende levert bij verloren gaan, slopen of blijvend ongeschikt worden voor de vaart van een gemeten binnenschip de meetbrief in bij de minister. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.23 — Artikel 4.23#
Artikel 4.23 Binnenschepen, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, kunnen bij meting of hermeting van ijkschalen worden voorzien, indien de belanghebbende dit verzoekt. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 4.24 — Artikel 4.24#
Artikel 4.24 1 De ijkmerken of de ijkplaten worden door de belanghebbende zodanig onderhouden, dat zij steeds duidelijk zichtbaar zijn. De ijkmerken worden in lichte kleur op donkere achtergrond of in donkere kleur op lichte achtergrond aangebracht. 2 Zijn één of meer ijkmerken of ijkplaten verloren geraakt, versleten of onzichtbaar geworden, dan worden deze, mits de meetbrief nog geldig is, op verzoek van belanghebbende door de minister door nieuwe vervangen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 paragraaf 5 artikel 1.2 Behoudensis dit hoofdstuk van toepassing op de inbedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek. 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 07-05-2010 01-04-2010
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bilgeboot: artikel 15.01, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel scheepsbedrijfsafval, als bedoeld in, van deze schepen in te nemen; bunkerschip: schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden; exploitatiewijze A1: artikel 5.3, tweede lid artikel 5.4, eerste lid exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in, ten hoogste 14 uur dan wel overeenkomstig, 16 uur bedraagt; exploitatiewijze A2: artikel 5.3, tweede lid exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in, ten hoogste 18 uur bedraagt; exploitatiewijze B: artikel 5.3, tweede lid exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in, meer dan 18 uur bedraagt; hotelschip: passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers; motorschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen; pompoverslagboot: schip dat langszij andere schepen of installaties gaat, met als doel droge bulkgoederen uit die schepen of installaties te zuigen; rusttijd: de tijd waarin een bemanningslid geen taak verricht noch daartoe verplicht is. De bewaking en het toezicht op een stilliggend schip worden niet beschouwd als taak in de zin van deze definitie; sleepschip: schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden gesleept en dat: 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn; S1 en S2: 19.01, eerste lid, van het Rsp standaarden S1 en S2 met betrekking tot uitrustingsvoorschriften voor schepen die met een minimumbemanning worden geëxploiteerd als bedoeld in; tachograaf: een registratieapparaat ter controle van de naleving van bij of krachtens de wet gegeven voorschriften met betrekking tot de vaartijden van het schip, van een door de minister goedgekeurd model. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 1 artikel 1.2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met de rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren, bedoeld inis binnengevaren. 2 artikel 1.2 artikel 18.04 van het Rsp Een schip dat de inbedoelde binnenwateren binnenvaart is voorzien van een vaartijdenboek als bedoeld inof een ander document, waaruit blijkt op welke wijze de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden van het schip gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn vervuld. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 1 artikel 18.01, tweede en derde lid, van het Rsp artikel 18.04, vijfde lid, van het Rsp Bij de exploitatiewijzen A1 en A2 zijnenvan overeenkomstige toepassing. 2 artikel 18.01, tweede en derde lid, van het Rsp Ten aanzien van een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, en een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, isvan overeenkomstige toepassing, indien het eerste lid in acht wordt genomen op het schip of de schepen die zorg dragen voor de voortstuwing van het hecht samenstel of het sleepschip. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 artikel 18.03 van het Rsp Bij wisseling en herhaling van exploitatiewijzen isvan overeenkomstige toepassing. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 1 artikel 19.02 van het Rsp artikel 2.9, tweede lid De minimumbemanning van de navolgende categorieën van schepen wordt vastgesteld overeenkomstig, met dien verstande dat de stuurman in voetnoot 3 de bekwaamheid van schipper bezit bedoeld in: a. motorschepen; b. duwboten; c. passagiersschepen, niet zijnde stoomschepen, die zonder passagiers aan boord varen; d. drijvende werktuigen die zelfvarend zijn tijdens transport; e. bunkerschepen; f. bilgeboten; g. pompoverslagboten. 2 In afwijking van het eerste lid mag de minimumbemanning van bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten die volgens exploitatiewijze A2 varen worden vervangen door de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften voor: a. de rusttijd van een bemanningslid bedraagt ten minste 12 uur, waarvan ten minste 6 uur ononderbroken in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van de voorafgaande ononderbroken rusttijd van 6 uur. De volgende periode dient uiterlijk om 00.00 uur aan te vangen; b. de resterende rusttijd wordt opgenomen in ononderbroken blokken van tenminste 1 uur; c. de rusttijd is buiten de vaartijd gelegen; d. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld. 3 Voor bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte van minder dan 35 meter die zijn ingezet op Nederlandse binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, geldt tevens dat de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1 kan worden vervangen door: a. hetzij een schipper mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften: 1°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per week; 2°. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld; 3°. artikel 3.14 van het BPR RPR het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarvoor op grond vaneneen teken moet worden gevoerd is niet toegestaan; 4°. artikel 6.30 6.32 van het Binnenvaartpolitiereglement Rijnvaartpolitiereglement het bepaalde inenrespectievelijk hetblijft onverkort van kracht; 5°. De afstand tot de plaats van waaruit bunkeractiviteiten wordt bedreven bedraagt niet meer dan 30 km, gemeten over de vaarweg. De plaats van waaruit de bunkeractiviteiten wordt bedreven staat vermeld op het certificaat van onderzoek. b. hetzij een schipper en een lichtmatroos mits de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder ten derde, in acht worden genomen. 4 bijlagen 5.1 tot en met 5.6 De minimumbemanning van hechte samenstellen, schepen voor dagtochten, stoomschepen voor dagtochten, hotelschepen, veerboten en sleepschepen wordt onderscheidenlijk vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende. 5 bijlage 5.7 De minimumbemanning van sleepboten en sleepboten die havendiensten verrichten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende. 6 bijlage 5.8 artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c De minimumbemanning van snelle veerponten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende. De schipper is in het bezit van een specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar, als bedoeld in. 7 In afwijking van de krachtens dit artikel gestelde minimumbemanning wordt aan de voorgeschreven minimumbemanning voor een bepaalde exploitatiewijze en uitrustingsstandaard op een bepaald schip ook volstaan met de minimumbemanning die is voorgeschreven op hetzelfde schip voor een exploitatiewijze met een langere vaartijd of voor een hogere uitrustingsstandaard. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 1 artikel 19.01 artikel 19.05 van het Rsp Op motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, indien zij met een minimumbemanning worden geëxploiteerd, isonderscheidenlijkvan overeenkomstige toepassing. 2 Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften bedoeld in het eerste lid wordt door de minister in een verklaring vastgelegd. 3 artikel 19.01, tweede lid, van het Rsp De verklaring, bedoeld inwordt met de in het tweede lid bedoelde verklaring gelijkgesteld. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 artikel 17.01, eerste en tweede lid, met uitzondering van de derde alinea, van het Rsp Voor de toepassing van deze paragraaf isvan overeenkomstige toepassing. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 Een vrouw, die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, maakt geen deel uit van de minimumbemanning gedurende ten minste 14 weken rondom de vermoedelijke datum van haar bevalling, waarvan ten minste 6 weken vóór deze datum en ten minste 7 weken na de datum van de bevalling liggen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 artikel 19.07 van het Rsp artikel 2.9, tweede lid Ten aanzien van zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van Resolutie A. 890 (21) van de Internationale Maritieme Organisatie van 25 november 1999 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, met bijlage, (Trb. 1981, 144 en 1992, 109) isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder een persoon die houder is van een kwalificatiecertificaat schipper een persoon wordt verstaan die in het bezit is van een document als bedoeld in. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 1 artikel 2.9 artikelen 3.02 5.01 20.01 van het Rsp artikel 1.04 van dat reglement Onverminderd, zijn ten aanzien van het dienstboekje de,en, alsmede de op grond vanvastgestelde dienstinstructies van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. artikel 5.01, derde lid als plaatselijk bevoegde autoriteit, bedoeld in, de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt aangewezen; b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan. 2 Een vervangend exemplaar treedt in de plaats van een eerder afgegeven dienstboekje en wordt niet eerder afgegeven dan nadat het geheel of ten dele onleesbaar geworden exemplaar, waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij de minister. 3 De aanvrager wiens eerder uitgereikt dienstboekje verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af. Op bladzijde 1 van het vervangende exemplaar van het dienstboekje wordt aangetekend dat de hiervoor bedoelde verklaring is afgelegd. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 1 artikel 5.11, tweede en derde lid artikelen 18.04 20.02 van het Rsp Ten aanzien van het vaartijdenboek is, alsmede deenvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. als autoriteit de voorzitter van de commissie van deskundigen wordt aangewezen; b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan; en c. de uitzondering voor sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren niet van toepassing is. 2 Wanneer bij de overdracht van een schip de overdragende partij het bij het schip behorende vaartijdenboek niet levert, kan dit bewijs van aangifte worden vervangen door een door de koper en de minister te ondertekenen verklaring. 3 artikel 18.04, tweede lid, van het Rsp Indien het volgnummer, bedoeld in, van het te vervangen vaartijdenboek onbekend is bij de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt het nieuwe vaartijdenboek voorzien van het volgnummer 1. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 1 Het vaartijdenboek is niet vereist met betrekking tot veerboten, veerponten en open rondvaartboten. 2 De gezagvoerder van een veerboot of een veerpont, onderscheidenlijk van een open rondvaartboot draagt er zorg voor dat aan boord een scheepsjournaal aanwezig is, onderscheidenlijk ten kantore een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende gegevens worden vermeld: a. de naam van het schip; b. het begin en einde van de veerdienst van het schip; c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer; d. de leden van de bemanning bij het begin van de dagelijkse veerdienst van het schip met vermelding van naam en functie, en vervolgens telkens wanneer deze van samenstelling verandert. 2014 14518 23-05-2014 22-05-2014 IENM/BSK-2014/112432 2014 14518 23-05-2014 22-05-2014 IENM/BSK-2014/112432 01-07-2014
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 1 bijlage 5, onderdeel V, van ES-TRIN bijlage 1.4 Bij uitvoering van exploitatiewijze A1 of A2 met een tachograaf isvan toepassing, alsmede. 2 Indien gebruik wordt gemaakt van een tachograaf bewaart de gezagvoerder de registraties van de tachograaf gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 1 artikel 5.6, eerste lid Motorschepen en zelfvarende drijvende werktuigen met een lengte van minder dan 55 meter zijn vrijgesteld van de ingevolge, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. hetzij: 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper; 2°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per kalenderweek; 3°. de minimale dagelijkse ononderbroken rusttijd van de schipper bedraagt ten minste 12 uur in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere rustperiode van ten minste 12 uur; 4°. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van 12 uur waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen; 5°. er is een vanuit het stuurhuis bedienbaar reserve-toplicht aanwezig; 6°. het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die in werking is gesteld vanaf het begin van de voorafgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart en waarvan de gegevens gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord worden bewaard; 7°. bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen vervoer van stoffen waarvoor op grond van het ADN een certificaat van goedkeuring als bedoeld inis vereist, is niet toegestaan; 8°. er wordt niet gevaren op de Westerschelde; 9°. artikel 5.7 het schip voldoet aan, en 10°. voor zover het motorschip een lengte heeft van meer dan 33 meter, is actieve boegbesturing bedienbaar vanuit het stuurhuis aanwezig; b. hetzij: 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of deksman; 2°. er wordt slechts tussen 22.00 en 06.00 gevaren indien de onder 1° bedoelde lichtmatroos of deksman 18 jaar of ouder is; en 3°. de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder 7° tot en met 10°, worden in acht genomen. 2 Een wisseling van de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, naar de exploitatiewijze A1, A2 of B, is slechts toegestaan indien: a. de schipper is afgelost, of b. bij controle kan worden aangetoond dat het voor de exploitatiewijze A1, A2 of B bestemde bemanningslid dat niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 uur buiten de vaartijd in acht heeft genomen, en de voor deze exploitatiewijzen voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt. 3 Van de exploitatiewijze A1, A2 of B mag slechts naar de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, worden overgegaan, indien de voor de vaart onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstelling voorgeschreven schipper onmiddellijk voor de wisseling geen deel heeft uitgemaakt van de bemanning van het schip, dan wel bij controle kan worden aangetoond dat de schipper, indien deze niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd van 12 uur buiten de vaartijd van het schip in acht heeft genomen. 4 Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, voor een identieke vaart worden ingezet indien de schipper wordt vervangen door een andere schipper. 5 Het aantonen van de rusttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, derde en vierde lid, geschiedt door middel van het vaartijdenboek van het schip. 6 artikel 5.6, eerste lid Zelfvarende drijvende werktuigen met een lengte van minder dan 20 meter zijn vrijgesteld van de ingevolge, voorgeschreven minimumbemanning, indien wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 1° tot en met 4° en 7° tot en met 10°. 2021 41844 05-10-2021 01-10-2021 IENW/BSK-2020/100129 2021 41844 05-10-2021 01-10-2021 IENW/BSK-2020/100129 06-10-2021
Artikel 5.16 — Artikel 5.16#
Artikel 5.16 artikel 5.4 paragraaf 4 Patrouillevaartuigen zijn vrijgesteld vanen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 5.17 — Artikel 5.17#
Artikel 5.17 1 artikel 5.6, vierde lid Passagiersschepen die in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit: 1°. voor de passagiersschepen uit groep 4 die ten hoogste 600 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1; 2°. voor de passagiersschepen uit groep 3 die ten hoogste 250 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1; 3°. voor de passagiersschepen uit groep 2 die ten hoogste 75 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast. 2 artikel 5.6, vierde lid Passagiersschepen uit groep 1, met een lengte van maximaal 45 meter, die ten hoogste 40 personen aan boord hebben en in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of een deksman van ten minste 18 jaar; b. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van ten minste 16 uur, waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen: en c. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast. 3 artikel 5.15, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde passagierschepen is in geval van vaart zonder passagiers, van overeenkomstige toepassing, onder voorwaarde dat het schip beschikt over vrij toegankelijke gangboorden die voldoen aan de in artikel 14.02, van ES-TRIN gestelde eisen. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 5.17a — Artikel 5.17a#
Artikel 5.17a artikel 5.6, zesde lid Snelle veerponten waar zich maximaal 12 passagiers aan boord kunnen bevinden zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper. 2021 41844 05-10-2021 01-10-2021 IENW/BSK-2020/100129 2021 41844 05-10-2021 01-10-2021 IENW/BSK-2020/100129 06-10-2021
Artikel 5.18 — Artikel 5.18#
Artikel 5.18 1 artikel 5.6, vierde lid Rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper. 2 artikel 5.6, vierde lid Open rondvaartboten zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper. 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 07-05-2010 01-04-2010
Artikel 5.19 — Artikel 5.19#
Artikel 5.19 artikel 5.4 artikel 5.6, vierde lid bijlage 5.2 bijlage 5.4 Schepen, bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, voor zover zij in exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld vanen van de ingevolge, inonderscheidenlijkvoorgeschreven minimumbemanning, mits de bemanning bestaat uit: a. een schipper, en b. een lichtmatroos of deksman, die ten minste 18 jaar is. 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 07-05-2010 01-04-2010
Artikel 5.20 — Artikel 5.20#
Artikel 5.20 artikelen 5.6, vierde lid 5.7, eerste lid Van de, en, zijn vrijgesteld schepen die: a. een minimumbemanning hebben van één schipper; b. zijn bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning; c. zijn bestemd of gebruikt voor de sportvisserij en varen op, dan wel op weg zijn van of naar, de binnenwateren ingedeeld in zone 2 en varen in exploitatiewijze A1. 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 07-05-2010 01-04-2010
Artikel 5.21 — Artikel 5.21#
Artikel 5.21 1 artikel 5.15 artikel 5.6, eerste lid Onverminderdwordt ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan; c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 2 artikel 5.6, eerste lid Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos; b. artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan; c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 3 artikel 5.6, eerste lid Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 4 artikel 5.6, eerste lid Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen 22.00 uur en 06.00 uur; c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; d. artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan; e. het schip is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar en voldoet aan artikel 7.13, van ES-TRIN; en f. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 5 artikel 5.6, eerste lid Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één matroos; en b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid onder e en f. 6 artikel 5.6, vierde lid Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan; c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 7 artikel 5.6, vierde lid Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos; b. artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan; c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 8 artikel 5.6, vierde lid Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 9 artikel 5.6, vierde lid Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder b tot en met e; en c. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. 10 artikel 5.6, vierde lid Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een matroos; en b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f. 11 artikel 5.6, vierde lid Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een matroos; en b. de voorschriften, bedoeld in het het vierde lid, onder e en f. 12 artikel 5.6, vierde lid Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee matrozen; en b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f. 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 2023 33917 20-12-2023 06-12-2023 IENW/BSK-2023/362052 01-01-2024
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aanvrager: degene die in aanmerking wenst te komen voor de afgifte van: a. artikel 25, eerste lid, van de wet artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp artikel 11.02 van het Rsp een vaarbewijs als bedoeld inmet inbegrip van een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld inof een patent als bedoeld in, b. artikel 5.11, eerste lid artikelen 4.01 4.02 Rsp een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk, of deen; c. een kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied; d. artikel 7.6 een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied als bedoeld in; of e. artikel 7.9 een zeilbewijs als bedoeld in; arts: artikel 28, eerste lid, van de wet artikel 4.01, tweede lid, van het Rsp deskundige, bedoeld inen; scheidsrechter: artikel 28, derde lid, van de Wet deskundige, bedoeld in; medisch adviseur scheepvaart: medisch adviseur scheepvaart van de Minister, of diens plaatsvervanger; geneeskundig onderzoek: artikel 6.4 onderzoek, bedoeld in, ter verkrijging van: a. artikel 25, eerste lid, van de wet artikel 11.02 van het Rsp een vaarbewijs als bedoeld inof een Rijnpatent als bedoeld in, b. artikel 5.11, eerste lid artikelen 4.01 4.02 Rsp een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk, alsmede deen; gezondheidsverklaring: artikel 26, eerste lid, van het besluit verklaring, bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 1 artikel 31, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen artikel 28, eerste lid, van de Binnenvaartwet Een arts is de geneeskundige die bij beschikking op grond vanis aangewezen of de instelling die bij beschikking op grond vanis aangewezen. 2 artikel 32, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen Een scheidsrechter is de geneeskundige die bij beschikking op grond vanis aangewezen. De scheidsrechter is niet degene door wie het eerste onderzoek is verricht. 2025 15667 28-05-2025 25-04-2025 IENW/BSK-2025/91091 2025 145 28-05-2025 06-05-2025 01-07-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning
zeeschepen in werking treedt.
Artikel 6.3 — Artikel 6.3#
Artikel 6.3 1 De aanvrager wendt zich voor een geneeskundig onderzoek tot een arts, niet zijnde de behandelend arts van de aanvrager. 2 De arts gaat niet tot een geneeskundig onderzoek over dan nadat de aanvrager zich heeft gelegitimeerd en de arts heeft kunnen vaststellen dat hij gezien de eerdere uitslagen of aantekeningen gerechtigd is de keuring te verrichten. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 1 bijlage 6.1 De arts verricht het geneeskundig onderzoek op basis van de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in. 2 bijlage 6.I Indien ingevolgeeen medisch rapport is voorgeschreven, dan wel bij twijfel of de aanvrager voldoet aan de keuringseisen, vraagt de arts de benodigde geneeskundige informatie op bij de behandelend arts. Bij het ontbreken van voldoende informatie verwijst de arts de aanvrager voor een deelonderzoek door naar een specialist. 3 Het geneeskundig onderzoek wordt door de arts afgerond na ontvangst van de informatie van de behandelend arts of de uitslag van het specialistisch deelonderzoek. 4 De arts maakt uitsluitend gebruik van het keuringsformulier en de formulieren voor de geneeskundige verklaring en het bericht van afkeuring die hem door de medisch adviseur scheepvaart kosteloos worden verstrekt. 5 De arts bewaart het keuringsformulier en eventuele andere stukken betrekking hebbende op het onderzoek, gedurende vijftien jaar. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 6.5 — Artikel 6.5#
Artikel 6.5 1 bijlage 6.1 bijlage 6.2 De aanvrager is geschikt als hij voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in. De arts vermeldt bij geschiktheid van de aanvrager de uitslag van het geneeskundig onderzoek op de geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen inen verstrekt de geneeskundige verklaring aan de aanvrager. 2 Bij tijdelijke geschiktheid van de aanvrager verstrekt de arts de aanvrager een geneeskundige verklaring van tijdelijke geschiktheid. 3 In het geval, bedoeld in het tweede lid, vindt een volgende keuring plaats door dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 6.6 — Artikel 6.6#
Artikel 6.6 1 bijlage 6.1 bijlage 6.3 De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in. De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, dat is vastgesteld volgens het model, opgenomen in. De arts deelt de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij een scheidsrechter. 2 In het geval, bedoeld in het eerste lid, verzendt de arts nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld, aan de medisch adviseur scheepvaart. De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes. 3 De aanvrager die een heronderzoek wenst, richt zich daarvoor tot een scheidsrechter onder toezending van de verklaring van medische ongeschiktheid. 4 artikelen 6.3, tweede lid 6.4 Ten aanzien van het heronderzoek zijn de, envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat reeds door de arts in orde bevonden onderdelen van de keuring niet behoeven te worden herhaald, tenzij over de uitslag twijfel bestaat bij de scheidsrechter. Het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de reeds ter beschikking staande gegevens. 5 Indien de scheidsrechter na het heronderzoek van oordeel is dat de aanvrager medisch ongeschikt is, doet de medisch adviseur scheepvaart na ontvangst van de verklaring van medische ongeschiktheid hiervan mededeling aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes. 2011 11115 30-06-2011 21-06-2011 IENM/BSK-2011/91950 2011 11115 30-06-2011 21-06-2011 IENM/BSK-2011/91950 01-07-2011
Artikel 6.7 — Artikel 6.7#
Artikel 6.7 artikel 6.6 De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager tijdelijk ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van tijdelijke ongeschiktheid. In afwijking van, eerste lid, deelt de arts de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 6.8 — Artikel 6.8#
Artikel 6.8 Indien nog geen heronderzoek heeft plaatsgevonden, is een geneeskundige verklaring, waarop is aangegeven dat de aanvrager geschikt is en die is afgegeven nadat hij door een andere arts ongeschikt is bevonden, ongeldig. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 6.9 — Artikel 6.9#
Artikel 6.9 artikel 26, eerste lid, van het besluit artikel 6.10, derde lid De aanvrager van een klein vaarbewijs of een groot pleziervaartbewijs die met toepassing van, een gezondheidsverklaring overlegt aan het CBR, zoals bedoeld in, maakt daartoe gebruik van het door het CBR vastgesteld model. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 6.10 — Artikel 6.10#
Artikel 6.10 1 Indien alle vragen van de gezondheidsverklaring met ‘nee’ zijn beantwoord, stuurt de aanvrager de ingevulde en ondertekende gezondheidsverklaring samen met de aanvraag voor het vaardocument naar de instantie die belast is met de afgifte van het vaarbewijs dat hij aanvraagt. 2 Indien ten minste een van de vragen van de gezondheidsverklaring met ‘ja’ is beantwoord wordt deze voorzien van een aantekening van een arts naar eigen keuze waaruit de aard en de ernst van de afwijking blijkt. 3 De aanvrager zendt de gezondheidsverklaring ter beoordeling aan het CBR. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 6.11 — Artikel 6.11#
Artikel 6.11 1 artikel 6.10, eerste lid In het geval, bedoeld in, verklaart de beoordelaar de aanvrager geschikt. In het geval, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, wordt de aanvrager door de beoordelaar opgeroepen voor nader onderzoek. In geval van twijfel kan de beoordelaar de aanvrager oproepen voor een nader onderzoek. Indien nodig kan de beoordelaar de aanvrager doorverwijzen voor een deelonderzoek naar een specialist. 2 bijlage 6.1 bijlage 6.2 De aanvrager is geschikt als hij naar het oordeel van de beoordelaar voldoet aan de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in. In dat geval verstrekt de beoordelaar de aanvrager een geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen in. 3 bijlage 6.1 De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in. In het geval, dat de beoordelaar de aanvrager ongeschikt verklaart, zendt de beoordelaar de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, onder mededeling van de mogelijkheid van heronderzoek. 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, zendt de beoordelaar de medisch adviseur scheepvaart nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld. 5 artikel 6.4, eerste tot en met vierde lid De aanvrager die ongeschikt is verklaard en een heronderzoek wenst, wendt zich tot een scheidsrechter die niet reeds bij de beoordeling van de gezondheidsverklaring was betrokken. Ten aanzien van het heronderzoek is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de ter beschikking staande gegevens. 6 De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met de afgifte van onderscheidenlijk vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 6.12 — Artikel 6.12#
Artikel 6.12 artikel 22 van het besluit artikel 23, eerste lid, van de wet Een geldig kwalificatiecertificaat als bedoeld ingeldt als een geldige geneeskundige verklaring bedoeld in, tenzij in deze regeling anders is bepaald. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 6.13 — Artikel 6.13#
Artikel 6.13 De Minister kan aanwijzingen geven ter uitvoering van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 1 artikel 5.11 artikel 5.12 Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over een vereiste vaartijd dan dient het aantonen daarvan te geschieden door middel van het dienstboekje, bedoeld in, indien nodig aangevuld met het vaartijdenboek, bedoeld in, of andere stukken. 2 artikel 7.5, tweede lid, onderdeel d artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b In afwijking van het eerste lid kan het aantonen van vaartijd voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied, bedoeld in, en voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied, bedoeld in, ook geschieden door middel van een werkgeversverklaring in combinatie met aanvullende stukken. 3 De beoordeling van de vaartijd en het beoordelen of aanvullende stukken nodig zijn, geschiedt door de minister. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 paragrafen 1 2 artikel 1.2 Behoudens deenis dit hoofdstuk van toepassing op de inbedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek. 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 2010 6766 06-05-2010 26-04-2010 CEND/HDJZ-2010/557sectorSCH 07-05-2010 01-04-2010
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 artikelen 7.5 7.6 bijlage 7.3 De kwalificatiecertificaten, met uitzondering van de kwalificatiecertificaten genoemd in deen, de specifieke vergunningen en het klein vaarbewijs worden vastgesteld volgens de modellen opgenomen in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 1 artikel 16, onderdeel d, van het besluit Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in, voor schepen gebezigd ten behoeve van reiniging van grachten en soortgelijke wateren. 2 artikel 16, onderdelen c en d, van het besluit Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in, voor Belgische redeboten op de Westerschelde en in de daarmee in open verbinding staande havens en voorhavens. 3 artikel 16, onderdelen b en d, van het besluit Een vaarbewijs is niet vereist voor schepen als bedoeld in, die deelnemen aan wedstrijden op binnenwateren die voor het openbaar scheepvaartverkeer niet toegankelijk zijn. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 7.5 — Artikel 7.5#
Artikel 7.5 1 Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit artikel 16, onderdeel d, van het besluit artikel 1.1 bijlage 7.4 , is indien het schip vaart op de binnenwateren van zone 4, dan wel op de Beulakerwijde of de Belterwijde en behoudens schepen als bedoeld in, niet van toepassing voor open rondvaartboten als bedoeld in, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, met een lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking van minder dan 20 meter, voor zover de schipper in het bezit is van het kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied overeenkomstig het model opgenomen in. 2 Het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat wordt door de minister afgegeven na overlegging van: a. CBR diploma theorie rondvaartboot; b. CBR verklaring praktijkexamen schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied; c. artikel 28, eerste lid, van de wet een geneeskundige verklaring als bedoeld in, niet ouder dan drie maanden; en d. artikel 7.1, derde lid een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in, waaruit blijkt dat de aanvrager ten minste 30 vaardagen heeft gemaakt op een open rondvaartboot. 3 De praktijktoetsen ter verkrijging van de verklaring praktijkexamen, bedoeld in het tweede lid, onder b, en het examen ter verkrijging van het CBR diploma theorie rondvaartboot, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden afgenomen met inachtneming van examenreglementen en examenprogramma’s die zijn goedgekeurd door de minister. 4 artikel 1.4 Op de aanvragen van het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat isvan overeenkomstige toepassing. 5 artikel 27, eerste lid artikel 30 van de wet Op het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat is, envan overeenkomstige toepassing. 6 artikel 22 van het besluit Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaatvan overeenkomstige toepassing. 7 Het kwalificatiecertificaat, bedoeld in het eerste lid, is aan boord van het schip aanwezig. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.6 — Artikel 7.6#
Artikel 7.6 1 Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit artikel 1.1 , is niet van toepassing voor rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, als bedoeld invoor zover varend op de binnenwateren van zone 4 of met toestemming van de vaarwegbeheerder op zone 3, en voor zover de schipper in het bezit is van: a. bijlage 7.4 het kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied overeenkomstig het model opgenomen in; en b. artikel 2, eerste lid van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement een verklaring van de vaarwegbeheerder houdende de vermelding voor welke wateren, behorende tot zone 3 met uitzondering van de wateren genoemd invoor zover die behoren tot zone 3 en de Maas voor wat betreft de gedeelten die behoren tot zone 3, het kwalificatiecertificaat rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype geldt alsmede de door de vaarwegbeheerder opgelegde voorwaarden waaronder op deze wateren mag worden gevaren. 2 artikel 28, eerste lid, van de wet Het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat wordt door de minister afgegeven na overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in, niet ouder dan drie maanden, en: a. artikel 7.1, derde lid het diploma Schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met de opleidingscodes 95050 of 25385, 23277 of 25676, en een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van ten minste 180 vaardagen heeft opgebouwd; of b. artikel 7.1, derde lid de CBR verklaring praktijkexamen schipper rondvaartboot Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied ten bewijze dat het Praktijkexamen schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied met goed gevolg is afgelegd en een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in, waaruit blijkt dat de aanvrager ten minste 90 vaardagen heeft opgebouwd op een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype tijdens het praktijkexamentraject. 3 artikel 7.5, tweede lid, onderdeel a De praktijktoetsen ter verkrijging van de verklaring praktijkexamen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden slechts afgenomen wanneer de kandidaat beschikt over het CBR diploma theorie rondvaartboot, bedoeld in, en worden afgenomen met inachtneming van examenreglementen en examenprogramma’s die zijn goedgekeurd door de minister. 4 artikel 1.4 Op de aanvragen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat isvan overeenkomstige toepassing. 5 artikelen 27, eerste lid 30 van de wet Op het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat zijn de, envan overeenkomstige toepassing. 6 artikel 22 van het besluit Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaatvan overeenkomstige toepassing. 7 Het kwalificatiecertificaat en de verklaring van de vaarwegbeheerder, bedoeld in het eerste lid, zijn aan boord van het schip aanwezig. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.7 — Artikel 7.7#
Artikel 7.7 1 Artikel 14, eerste lid, van het besluit , is niet van toepassing op gierponten, kabelponten en andere niet-vrijvarende veerponten op de rivieren, kanalen en meren indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs, en: a. de veerpont is uitgerust met een marifooninstallatie en de schipper in het bezit is van een bedieningscertificaat; of b. de veerpont is uitgerust met een radarinstallatie en de schipper in het bezit is van het certificaat Radaropleiding voor objectenpersoneel van de vakopleiding Transport en Logistiek, van de Maritieme academie, van het Scheepvaart- en Transportcollege STC of een getuigschrift van een andere door de Minister aangewezen of erkende opleiding. 2 Artikel 14, eerste lid, van het besluit , is niet van toepassing op schepen die in het kader van hulpverlening op zee of op de binnenwateren, dan wel in het kader van het oefenen voor die hulpverlening: a. worden bestuurd door medewerkers van een reddingmaatschappij; of b. 3 dienen als sleepduwboot voor schepen met een lengte van meer dan 20 meter of schepen waarvoor het product van lengte, breedte en diepgang in meters ten minste 100 mbedraagt. 3 Artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van het besluit is niet van toepassing op het voeren van sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 20 meter of het daarmee slepen, langszij vastgemaakt meevoeren of duwen van een schip met een lengte van minder dan 20 meter indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.8 — Artikel 7.8#
Artikel 7.8 1 Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing op pleziervaartuigen met een lengte van 25 tot 40 meter, indien de schipper in het bezit is van: a. bijlage 7.4 een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in; of b. bijlage 7.1 een vaarbewijs als bedoeld in, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011. 2 Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing voor pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 40 meter, indien de schipper in het bezit is van: a. bijlage 7.4 een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in, voorzien van de aantekening ‘40 meter plus’; of b. bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4 een vaarbewijs als bedoeld in, mits behaald vóór 1 juli 2011. 3 Het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan: a. degene die geslaagd is voor het examen groot motorschip van het CBR; b. de houder van een ander hiertoe door de minister erkend diploma; c. Binnenvaartwet degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van 25 tot 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dein het bezit waren van een klein vaarbewijs; of d. degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van 25 tot 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig. 4 Het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan: a. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van meer dan 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die bij het in werking treden van de wet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of b. aan degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van meer dan 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig. 5 In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen I afgegeven aan de houder van: a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper; b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper; of c. een kwalificatiecertificaat schipper of een CCR-kwalificatiecertificaat schipper dat ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. 6 In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen II afgegeven aan de houder van: a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard; b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard; c. een geldig zeilbewijs; d. een geldig klein patent; of e. een van de onder a tot en met d genoemde documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. 7 De houder van een groot pleziervaartbewijs I die tevens in het bezit is van een klein vaarbewijs II komt in aanmerking voor het groot pleziervaartbewijs II. 8 De in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde diploma’s worden verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen. 9 artikel 30 van de wet artikel 1.4 Op het groot pleziervaartbewijs zijnalsmedevan overeenkomstige toepassing. 10 artikel 26 van het besluit Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het groot pleziervaartbewijsen de nadere regels die van toepassing zijn op het klein vaarbewijs van overeenkomstige toepassing. 11 Het groot pleziervaartbewijs is tijdens de vaart aan boord van het schip aanwezig. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.9 — Artikel 7.9#
Artikel 7.9 1 artikelen 14, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, onder 1° 16 van het besluit artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement bijlage 7.4 De, en, zijn niet van toepassing op schepen, bestemd of gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van personen en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, indien de schipper in het bezit is van een zeilbewijs overeenkomstig het model opgenomen inen zolang er niet wordt gevaren op de wateren genoemd in. 2 artikel 16 van het besluit Vanzijn vrijgesteld de gezagvoerders van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid bedoelde zeilbewijs. 3 Het zeilbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging van: a. het diploma Schipper zeilvaart van het CBR dan wel het diploma Stuurman Kleine Zeilvaart van de Enkhuizer zeevaartschool; b. artikel 28, eerste lid, van de wet een geneeskundige verklaring als bedoeld in, niet ouder dan drie maanden; en c. artikel 5.11 een dienstboekje als bedoeld in, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van twee jaar als lid van de dekbemanning aan boord van zeilschepen heeft doorlopen. 4 Het in het derde lid, onderdeel a, bedoelde diploma wordt verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen. 5 artikel 1.4 Op de aanvraag van het zeilbewijs isvan overeenkomstige toepassing. 6 artikel 27, eerste lid artikel 30 van de wet Op het zeilbewijs zijn, envan overeenkomstige toepassing. 7 artikel 22 van het besluit Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het zeilbewijsvan overeenkomstige toepassing. 8 Het eerste, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op zeilbewijzen afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart. 9 Het zeilbewijs is aan boord van het schip. 2025 43254 12-12-2025 10-12-2025 IENW/BSK-2025/301102 2025 43254 12-12-2025 10-12-2025 IENW/BSK-2025/301102 01-01-2026
Artikel 7.9a — Artikel 7.9a#
Artikel 7.9a Artikel 14, eerste lid, onderdeel h, van het besluit artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement is, zolang niet wordt gevaren op de wateren genoemd in, niet van toepassing op drijvende werktuigen met een lengte van: a. minder dan 15 meter; b. minimaal 15 meter maar minder dan 20 meter, indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs. 2025 43254 12-12-2025 10-12-2025 IENW/BSK-2025/301102 2025 43254 12-12-2025 10-12-2025 IENW/BSK-2025/301102 01-01-2026
Artikel 7.9b — Artikel 7.9b#
Artikel 7.9b 1 artikel 35b, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet artikel 7.5, eerste lid artikel 7.6, eerste lid artikel 7.9, eerste lid artikel 7.11 artikel 7.11b Als vaarbewijs als bedoeld in, worden aangewezen het kwalificatiecertificaat schipper, het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, het kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied, bedoeld in, het kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied, bedoeld in, het zeilbewijs, bedoeld in, een erkend buitenlands bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in, en de specifieke vergunningen, bedoeld in. 2 artikelen 48, vijfde lid 49, tweede lid, van de wet bijlage 7.1 Als categorieën vaarbewijzen, bedoeld in de, en, worden aangewezen het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, alsmede erkende buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid als bedoeld in, onderdelen 1.3 en 1.4. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.10 — Artikel 7.10#
Artikel 7.10 artikel 16 van het besluit De minister kan een vaarbewijs gelijkwaardig aan een klein vaarbewijs als bedoeld inerkennen voor de vaart op rivieren, kanalen en meren of voor de vaart op alle binnenwateren, voor zover het bewijs naar zijn oordeel voldoende waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op de betrokken wateren. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.11 — Artikel 7.11#
Artikel 7.11 1 bijlage 7.1 artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van het besluit De ingenoemde buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid worden erkend als bedoeld in. 2 richtlijn 2017/2397 Buitenlandse kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, specifieke vergunningen en vaartijdenboeken die in een andere EU-lidstaat zijn afgegeven overeenkomstig de eisen gesteld inzijn geldig in plaats van de vergelijkbare vaardocumenten die geldig zijn op grond van deze regeling. 3 artikel 17, tweede lid, van het besluit De inbedoelde, krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven, bewijzen van vaarbevoegdheid zijn: a. artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp artikel 20.03, eerste lid, van dat reglement een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld inof een krachtensgeldig Rijnschipperspatent als gelijkwaardig aan het kwalificatiecertificaat schipper en het klein vaarbewijs; b. artikel 11.02, onder b, van het Rsp het sportpatent als bedoeld in, als gelijkwaardig aan het klein vaarbewijs. 4 richtlijn 2017/2397 artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van het besluit Buitenlandse bewijzen van vaarbevoegdheid die zijn erkend op grond van artikel 10, derde lid, vangelden als erkend zoals bedoeld in. 5 richtlijn 2017/2397 Buitenlandse bewijzen van kennis en bekwaamheid die zijn erkend op grond van artikel 10, derde lid, vanzijn geldig als vervanging van de vergelijkbare documenten die geldig zijn op grond van deze regeling. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.11a — Artikel 7.11a#
Artikel 7.11a Vervallen 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb.2023/392).
Artikel 7.11b — Artikel 7.11b#
Artikel 7.11b 1 De schipper aan boord van een schip waarvoor een kwalificatiecertificaat schipper vereist is, beschikt over de betreffende specifieke vergunning indien het schip vaart: a. op wateren die zijn geclassificeerd als binnenwateren van maritieme aard; b. op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s; c. met behulp van een radar; d. met vloeibaar aardgas als brandstof; e. met grote konvooien. 2 artikel 2, tweede lid, van de wet De wateren van maritieme aard, bedoeld in, zijn de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer met uitzondering van de Gouwzee. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.12 — Artikel 7.12#
Artikel 7.12 bijlage 7.2 artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van het besluit De ingenoemde bewijzen van vaarbekwaamheid onderscheidenlijk getuigschriften worden erkend voor gehele respectievelijk gedeeltelijke vrijstelling van het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om een schip te voeren, bedoeld in. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 7.12a — Artikel 7.12a#
Artikel 7.12a artikel 1.04 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn artikel 32, derde lid, van de wet De geneeskundige verklaringen van artsen vermeld op de op grond vanopgestelde lijst worden erkend als bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.13 — Artikel 7.13#
Artikel 7.13 Vervallen 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb.2023/392).
Artikel 7.14 — Artikel 7.14#
Artikel 7.14 artikel 29, eerste lid, van de wet In deze paragraaf wordt onder examinator verstaan de instellingen of personen bedoeld in. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 7.15 — Artikel 7.15#
Artikel 7.15 1 Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs I heeft betrekking op de volgende onderwerpen: a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op rivieren, kanalen en meren; b. de behandeling van de voortstuwingswerktuigen; c. de veiligheidsmaatregelen; d. de waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater en elementaire meteorologie; e. het varen, manoeuvreren en de onder bijzondere omstandigheden te nemen maatregelen. 2 Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs II heeft betrekking op de in het eerste lid genoemde onderwerpen alsmede op: a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de Dollard; b. het gebruik van nautische bescheiden; c. de koers- en plaatsbepaling; d. meteorologie. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 7.16 — Artikel 7.16#
Artikel 7.16 1 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor schipper heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 2 van bijlage II en rubriek 2 van tabel B van bijlage IV vanen genoemd in onderdeel II van bijlage I van gedelegeerdeen omvat een praktijkexamen. 2 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor stuurman, volmatroos of matroos heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 1 van bijlage II en rubriek 1 van tabel B van bijlage IV vanen genoemd in onderdeel I van bijlage I van gedelegeerde. 3 De basisopleiding veiligheid deksman is gebaseerd op de Standaarden voor de basisopleiding veiligheid voor deksmannen, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart in het besluit CESNI 2021-I-1. 4 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Het examen ter verkrijging van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 3.1 van bijlage II en rubriek 3.1 van tabel B van bijlage IV vanen genoemd in onderdeel III van bijlage I van gedelegeerde. 5 Het examen ter verkrijging van de specifieke vergunning voor het varen op een waterweg die is ingedeeld als binnenwatertraject met specifieke risico’s omvat de examenonderdelen die door de EU-lidstaat die de binnenwateren met specifieke risico’s heeft aangewezen verplicht worden gesteld en heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen die die lidstaat heeft vastgesteld. 6 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Het examen ter verkrijging van een specifieke vergunning voor radarvaart heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 3.2 van bijlage II en rubriek 3.2 van tabel B van bijlage IV vanen omvat een praktijkexamen en genoemd in onderdeel IV van bijlage I van gedelegeerde. 7 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor deskundige voor de passagiersvaart heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.1 van bijlage II en rubriek 4.1 van tabel B van bijlage IV vanen genoemd in onderdeel V van bijlage I van gedelegeerdeen omvat een praktijkexamen. 8 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.2 van bijlage II en rubriek 4.2 van tabel B van bijlage IV vanen genoemd in onderdeel VI van bijlage I van gedelegeerdeen omvat een praktijkexamen. 9 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Een wijziging van bijlage II of bijlage IV vanof bijlage I van gedelegeerdegaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.16a — Artikel 7.16a#
Artikel 7.16a 1 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 De praktijkexamens bedoeld in artikel 7.16 vinden plaats overeenkomstig de toepasselijke voorschriften genoemd in tabel A van bijlage IV vanen bijlage III van gedelegeerde. 2 artikel 7.16 De praktijkexamens bedoeld in het eerste, zesde en achtste lid vankunnen worden afgenomen met behulp van een gecertificeerde simulator. 3 richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijn (EU) 2020/12 Een simulator bedoeld in het tweede lid wordt goedgekeurd voor het betreffende praktijkexamen door het CBR op grond van de toepasselijke voorschriften genoemd in tabel A van bijlage IV vanen bijlage III van gedelegeerdeof is goedgekeurd door een bevoegde autoriteit van een andere EU-lidstaat. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.17 — Artikel 7.17#
Artikel 7.17 1 artikel 26, eerste lid artikel 26a, vierde lid, van de wet Nadat het examen ter verkrijging van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning met gunstig gevolg is afgelegd, wordt de verklaring bedoeld in, of, afgegeven door de instantie die het examen heeft afgenomen. 2 De verklaring vermeldt voor welk vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning het examen is afgelegd. 3 richtlijn (EU) 2017/2397 Een verklaring met betrekking tot het succesvol afleggen van een praktijkexamen op een simulator die voldoet aan artikel 21 van, afgegeven in een andere EU-lidstaat, zijn geldig in plaats van de vergelijkbare verklaring bedoeld in het eerste lid. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.18 — Artikel 7.18#
Artikel 7.18 1 Om voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat schipper in aanmerking te komen: a. artikel 7.16, eerste lid heeft de aanvrager van ten minste 18 jaar oud een goedgekeurd opleidingsprogramma van ten minste drie jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in, heeft de aanvrager een vaartijd van ten minste 360 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma of na afloop daarvan en is deze houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008; b. artikel 7.17 Examenregeling frequentiegebruik 2008 beschikt de aanvrager van ten minste 18 jaar oud over de relevante verklaring, bedoeld in, toont deze daarnaast aan dat een vaartijd is opgebouwd van ten minste 180 dagen in de functie stuurman en is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de; c. artikel 7.17 Examenregeling frequentiegebruik 2008 beschikt de aanvrager van ten minste 18 jaar oud over de relevante verklaring, bedoeld in, toont deze daarnaast aan dat een vaartijd is opgebouwd van ten minste 540 dagen, die verminderd worden tot 180 dagen indien de aanvrager 500 dagen werkervaring aan boord van een zeeschip kan aantonen, en is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de; of d. artikel 7.16, eerste lid Examenregeling frequentiegebruik 2008 heeft de aanvrager een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma van ten minste anderhalf jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in, heeft de aanvrager een vaartijd van ten minste 180 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma en ten minste 180 dagen na afloop daarvan, is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in deen heeft de aanvrager voorafgaand aan de inschrijving voor het opleidingsprogramma vijf jaar werkervaring opgebouwd, 500 dagen werkervaring als dekbemanningslid op een zeeschip opgebouwd of een beroepsopleiding voltooid van ten minste drie jaar. 2 artikel 21 van het besluit De volgende vaarbewijzen zijn tot en met 17 januari 2032 gelijkwaardige documenten zoals bedoeld in: a. het beperkt groot vaarbewijs A en het groot vaarbewijs A voor de afgifte van het kwalificatiecertificaat schipper met de specifieke vergunning voor het varen op wateren van maritieme aard; b. het beperkt groot vaarbewijs B en het groot vaarbewijs B voor de afgifte van het kwalificatiecertificaat schipper. 3 Richtlijn 2017/2397 De opleidingsprogramma’s die gebaseerd zijn op de competentienormen en onderwerpen zoals genoemd in onderdeel 2 van bijlage II en rubriek 2 van tabel B van bijlage IV vanzijn de opleidingsprogramma’s die resulteren in het diploma kapitein binnenvaart, schipper binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen onder de respectieve nummers 25612, 25611 en 25635. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.18a — Artikel 7.18a#
Artikel 7.18a De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor stuurman in aanmerking wil komen: a. Examenregeling frequentiegebruik 2008 voldoet aan de eisen van volmatroos, heeft als volmatroos ten minste 180 dagen vaartijd opgebouwd en is houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de; b. artikel 7.16, tweede lid Examenregeling frequentiegebruik 2008 heeft een goedgekeurd opleidingsprogramma van minstens drie jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in, heeft een vaartijd van ten minste 360 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma en is houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de; of c. artikel 1 van de Wet bemanning zeeschepen Examenregeling frequentiegebruik 2008 artikel 7.17 heeft als kapitein zoals bedoeld ineen werkervaring opgebouwd van ten minste 500 dagen, beschikt over een verklaring als bedoeld inen is houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de. 2025 15667 28-05-2025 25-04-2025 IENW/BSK-2025/91091 2025 145 28-05-2025 06-05-2025 01-07-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning
zeeschepen in werking treedt.
Artikel 7.18b — Artikel 7.18b#
Artikel 7.18b De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor volmatroos in aanmerking wil komen: a. voldoet aan de eisen van matroos en heeft als matroos ten minste 180 dagen vaartijd opgebouwd; of b. artikel 7.16, tweede lid heeft een goedgekeurd opleidingsprogramma van minstens drie jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd inen heeft een vaartijd van ten minste 270 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart
en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de
Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.18c — Artikel 7.18c#
Artikel 7.18c De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor matroos in aanmerking wil komen: a. artikel 7.16, tweede lid is ten minste 17 jaar oud, heeft een goedgekeurd opleidingsprogramma van minstens twee jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in, heeft een vaartijd van ten minste 90 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma en is als gevolg van het voltooien van dat opleidingsprogramma in bezit van: 1°. Het diploma matroos binnenvaart, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met opleidingscodes 25610 en 25970; 2°. Het diploma kapitein binnenvaart, schipper binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 25612, 25972, 25611, 25971, 25635 en 25973; 3°. Het diploma VMBO Rijn-, en binnen- en kustvaart van het Scheepvaart en Transport College te Rotterdam, het Maritiem College te IJmuiden, of de Maritieme Academie Harlingen, waarbij voor de met ingang van 1 juli 2017 behaalde diploma’s de beroepsgerichte keuzevakken met de vakcodes 2105 tot en met 2108 op de bijbehorende cijferlijst moeten zijn vermeld en de toets matroosvaardigheden voldoende moet zijn afgesloten; dan wel 4°. Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de; b. artikel 7.17 is ten minste 18 jaar oud, beschikt over een verklaring als bedoeld inen heeft een vaartijd van ten minste 360 dagen opgebouwd, waarbij ook kan worden volstaan met een vaartijd van ten minste 180 dagen indien in aanvulling daarop ook ten minste 250 dagen werkervaring als dekbemanningslid op een zeeschip zijn opgebouwd; of c. artikel 7.16, tweede lid heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma van minstens 9 maanden afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in, heeft een vaartijd van ten minste 90 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma, is als gevolg van het voltooien van het opleidingsprogramma in bezit van een CBR-verklaring matroos en heeft voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma vijf jaar werkervaring opgebouwd, ten minste 500 dagen werkervaring als lid van de dekbemanning op een zeeschip opgebouwd of een beroepsopleiding van ten minste drie jaar voltooid. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart
en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de
Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.18d — Artikel 7.18d#
Artikel 7.18d De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor lichtmatroos in aanmerking wil komen: a. is ten minste 15 jaar, en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat de desbetreffende opleiding verzorgt, voor het door middel van schoolbezoek volgen van een opleiding voor matroos binnenvaart, schipper binnenvaart, kapitein binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes: 25509, 25610, 25970, 25510, 25611, 25971, 25511, 25612, 25972, 25564, 25635 en 25973; of b. is ten minste 15 jaar en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat de opleiding verzorgt voor deelname aan het Praktijkexamen matroos binnenvaart van het CBR. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart
en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de
Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.18e — Artikel 7.18e#
Artikel 7.18e De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deksman in aanmerking wil komen is ten minste 16 jaar oud en: a. artikel 7.16, derde lid heeft een door het CBR gecertificeerde basisopleiding veiligheid, genoemd in, voltooid; b. artikel 7.16, derde lid artikel 7.18d, onderdeel a heeft een basisopleiding veiligheid, genoemd in, voltooid als onderdeel van een van de opleidingen genoemd in; c. heeft een bewijs van voltooiing van een basisopleiding veiligheid dat is afgegeven in een van de Rijnoeverstaten of België; of d. artikel 3.5.1 van de Regeling bemanning zeeschepen heeft een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid als bedoeld in. 2025 15667 28-05-2025 25-04-2025 IENW/BSK-2025/91091 2025 145 28-05-2025 06-05-2025 01-07-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning
zeeschepen in werking treedt.
Artikel 7.19 — Artikel 7.19#
Artikel 7.19 1 artikel 7.17 De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard in aanmerking wil komen beschikt over verklaring als bedoeld in. 2 artikel 7.17 De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s in aanmerking wil komen beschikt over de relevante verklaring, bedoeld in. 3 artikel 7.17 artikel 20.09, van het Rsp De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor radarvaart in aanmerking wil komen beschikt over een verklaring als bedoeld in, over een radarpatent, bedoeld in, of kan aantonen dat het diploma kapitein binnenvaart of schipper binnenvaart zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110, 95640, 25972, 10651, 25510, 25971, 25635, 91900, 95630 dan wel het onderdeel radar van die opleidingen is behaald. 4 artikel 7.19a, derde lid De afgifte van een specifieke vergunning voor het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof vindt plaats in de vorm van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), bedoeld in. 5 De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen in grote konvooien in aanmerking wil komen heeft een vaartijd opgebouwd van ten minste 720 dagen, waarvan ten minste 540 dagen als schipper en ten minste 180 dagen als begeleider van een groot konvooi. 6 De afgifte van de specifieke vergunningen zoals bedoeld in het eerste tot en met het derde lid en het vijfde lid vindt plaats door aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper of het CCR-kwalificatiecertificaat schipper van de aanvrager en wordt bij een verlenging van het kwalificatiecertificaat opnieuw aangetekend. 7 artikel 17, tweede lid, van het besluit In afwijking van het zesde lid, wordt indien de aanvrager geen houder is van een kwalificatiecertificaat schipper of CCR-kwalificatiecertificaat schipper maar wel houder is van een als gelijkwaardig erkend vaarbewijs als bedoeld in, de specifieke vergunning als een losse verklaring afgegeven. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.19a — Artikel 7.19a#
Artikel 7.19a 1 artikel 7.16, zevende lid De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen voor de passagiersvaart in aanmerking wil komen is ten minste 18 jaar oud en heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma afgerond dat gebaseerd is op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in. 2 artikel 7.17 Het kwalificatiecertificaat voor deskundigen voor de passagiersvaart is vijf jaar geldig en kan verlengd worden door het tonen van een nieuwe relevante verklaring zoals bedoeld in. 3 richtlijn (EU) 2017/2397 artikel 7.17 De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) in aanmerking wil komen heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma afgerond dat gebaseerd is op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.2 van bijlage II en rubriek 4.2 van tabel B van bijlage IV vanen beschikt over een relevante verklaring, bedoeld in. 4 artikel 7.17 Het kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) is vijf jaar geldig en kan verlengd worden door het tonen van een nieuwe relevante verklaring zoals bedoeld inof door het aantonen van opgebouwde vaartijd op een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt van 180 dagen in de afgelopen vijf jaar of 90 dagen in het afgelopen jaar. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.19b — Artikel 7.19b#
Artikel 7.19b Vervallen 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.20 — Artikel 7.20#
Artikel 7.20 1 De examinator biedt ten minste eenmaal per jaar de mogelijkheid examens af te leggen. Hij maakt tijdig bekend voor welk tijdstip en bij wie aanmelding voor een examen dient te geschieden. Hij vermeldt tevens welke vergoeding voor het afleggen van het examen verschuldigd is, alsmede de wijze van betaling. 2 De examinator zorgt dat de examens worden afgenomen in daartoe geschikte locaties. Hij zorgt voor toezicht en een goede gang van zaken bij het examen. Onder meer worden maatregelen getroffen om bedrog te voorkomen. 3 Indien zich tijdens het examen onregelmatigheden hebben voorgedaan stelt de examinator zo spoedig mogelijk een verslag op omtrent het voorgevallene. 4 De examinator bewaart het verslag en de examenbescheiden gedurende een jaar na afloop van het examen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 7.21 — Artikel 7.21#
Artikel 7.21 1 artikelen 7.15 7.16 De examens, bedoeld in deenen het examen ter verkrijging van een verklaring praktijkexamen machinist worden afgenomen met inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn goedgekeurd door de minister. 2 De minister keurt het examenreglement en het examenprogramma slechts goed indien deze naar zijn oordeel voldoende waarborgen bevatten dat de vereiste kennis en bekwaamheid van de kandidaat naar behoren worden onderzocht. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.22 — Artikel 7.22#
Artikel 7.22 1 Een aanvraag tot afgifte van een duplicaat wordt door de houder van het klein vaarbewijs ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het klein vaarbewijs, onder vermelding van de reden. 2 De aanvrager wiens eerder uitgereikt klein vaarbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af. 3 Voor zover het klein vaarbewijs nog aanwezig is, wordt dit tegelijk met de aanvraag overgelegd. 4 Indien de houder van een verloren geraakt klein vaarbewijs dit weer tot zijn beschikking heeft gekregen, levert hij dit klein vaarbewijs onverwijld in bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het klein vaarbewijs. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.23 — Artikel 7.23#
Artikel 7.23 1 Bij naamswijziging van de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning, en indien de geldigheidsduur van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning niet langer dan een jaar verstreken is, kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning voorzien van de gewijzigde gegevens worden afgegeven. 2 artikel 33a van het Binnenvaartbesluit Bij verlies van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een vervangend document worden afgegeven, indien de betreffende kwalificatie vermeld staat in het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld in. 3 Een aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning, onder vermelding van de reden. 4 Bij de aanvraag wordt het te vervangen vaarbewijs, het te vervangen kwalificatiecertificaat of de te vervangen specifieke vergunning indien mogelijk ingeleverd. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 7.24 — Artikel 7.24#
Artikel 7.24 1 De instanties die belast zijn met de afgifte van vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten of specifieke vergunningen stellen de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie alsmede de dienst Zeehavenpolitie van de regionale eenheid Rotterdam onverwijld schriftelijk in kennis van: a. de ongeldigverklaring voor de gehele of gedeeltelijke geldigheidsduur van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning; b. artikel 7.8 de ongeldigverklaring van een groot pleziervaartbewijs als bedoeld in; c. artikel 7.9 de ongeldigverklaring van een zeilbewijs als bedoeld in; d. artikel 7.6 de ongeldigverklaring van een vrijstellingsbewijs als bedoeld in. 2 Van de in het eerste lid bedoelde in kennis stelling wordt gelijktijdig mededeling gedaan aan de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning. 3 artikel 33a van het Binnenvaartbesluit Een registratie in het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld ingeldt als een schriftelijke in kennisstelling bedoeld in het eerste lid. 2025 29509 03-09-2025 25-08-2025 6447370 2025 29509 03-09-2025 25-08-2025 6447370 04-09-2025 01-01-2024
Artikel 7.25 — Artikel 7.25#
Artikel 7.25 bijlage 7.2, § 3 De instantie die het klein vaarbewijs afgeeft verstrekt op aanvraag, namens de minister, aan de houder van onderscheidenlijk een geldig klein vaarbewijs I of II, een geldig groot pleziervaartbewijs I of II, een certificaat Theoretische Kustnavigatie van het Koninklijk Nederlands Watersportverbond of een diploma als bedoeld in, onderscheidenlijk het: a. gecombineerde klein vaarbewijs I / ICC inland; b. gecombineerde klein vaarbewijs II / ICC inland + coastal; c. gecombineerde groot pleziervaartbewijs I / ICC inland; d. gecombineerde groot pleziervaartbewijs II / ICC inland + coastal; e. ICC coastal. 2017 63042 08-11-2017 01-11-2017 IENM/BSK-2017/220276 2017 63042 08-11-2017 01-11-2017 IENM/BSK-2017/220276 01-12-2017
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 artikel 2, tweede lid, onderdeel a van het besluit verordening (EEG) 2919/85 De Minister verstrekt een Rijnvaartverklaring, bedoeld in, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 5 van de bijlage bij. 2010 20385 31-12-2010 06-12-2010 VENW/BSK-2010/203741 2010 20385 31-12-2010 06-12-2010 VENW/BSK-2010/203741 01-01-2011
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 1 bijlage 8.1 De Rijnvaartverklaring wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen inbij deze regeling. 2 verordening (EEG) 2919/85 bijlage 8.2 De verklaring bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de bijlage bijwordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen inbij deze regeling. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 1 artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van het besluit De Minister verstrekt een bewijs van toelating, bedoeld in, indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de herziene Rijnvaartakte. 2 bijlage 8.3 Het bewijs van toelating wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen inbij deze regeling. 2010 20385 31-12-2010 06-12-2010 VENW/BSK-2010/203741 2010 20385 31-12-2010 06-12-2010 VENW/BSK-2010/203741 01-01-2011
Artikel 8.3a — Artikel 8.3a#
Artikel 8.3a artikel 2, tweede lid, van het Binnenvaartbesluit Van de verplichting bedoeld in, zijn vrijgesteld veerponten die de stroom dwars oversteken. 2013 13660 24-05-2013 23-05-2013 IENM/BSK-2013/88294 2013 13660 24-05-2013 23-05-2013 IENM/BSK-2013/88294 01-07-2013
Artikel 8.4 — Artikel 8.4#
Artikel 8.4 artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van het besluit Verordening (EEG) nr. 3921/91 Als geëigend document, bedoeld in, zijn aangewezen de attesten, bedoeld in artikel 2, derde lid, vanvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373). 2010 20385 31-12-2010 06-12-2010 VENW/BSK-2010/203741 2010 20385 31-12-2010 06-12-2010 VENW/BSK-2010/203741 01-01-2011
Artikel 8.5 — Artikel 8.5#
Artikel 8.5 De houder van een document van toelating draagt er zorg voor dat dit document op een van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd: a. aan boord van het binnenschip, waarvoor het document is afgegeven; of b. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van dat binnenschip. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 9.1 — Artikel 9.1#
Artikel 9.1 artikel 30 van het besluit artikel 2.01, eerste lid, onder a, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 artikel 2.01, derde lid, van dat reglement Het registratienummer, bedoeld in, wordt op het binnenschip aangebracht op de plaats en wijze, bedoeld inmet inachtneming van het bepaalde in. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2#
Artikel 9.2 artikel 2.5, eerste lid Degene die daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan de vervoersactiviteit van een onderneming bestaande uit het bedrijfsmatig vervoer van goederen, anders dan bestemd voor of afkomstig van de eigen onderneming, met vaartuigen met een laadvermogen van 50 ton of meer, alsmede de personen bedoeld in, zijn verstrekken periodiek over één of meer door het Centraal Bureau voor de Statistiek nader vast te stellen tijdvakken en uiterlijk binnen veertien dagen na afloop daarvan aan het Centraal Bureau voor de Statistiek een opgave van: a. de datum van het vervoer; b. de soorten van vervoer; c. de scheepsgegevens; d. het land, de regio of het gebied en de plaats van lading en lossing, respectievelijk het land, de regio of het gebied en plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart; e. de afstand tussen de plaats of plaatsen van lading en de plaats of plaatsen van lossing, respectievelijk de afstand tussen de plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart; f. het gewicht, uitgedrukt in tonnen, van de vervoerde goederen; g. de aard van de vervoerde goederen; h. het aantal beladen en lege containers naar grootte; i. het identificatienummer, klasse en cijfer van de vervoerde stof in geval van vervoer van gevaarlijke stoffen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 9.3 — Artikel 9.3#
Artikel 9.3 Verordening (EU) 2020/473 artikel 33a van het Binnenvaartbesluit De SAB is aangewezen als het centraal contactpunt, bedoeld in artikel 8.1 van bijlage I bij Gedelegeerde, voor het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld in. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 10.1 — Artikel 10.1#
Artikel 10.1 artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de wet Als ambtenaren in de zin vanworden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht en opsporing. 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 2013 6816 14-03-2013 12-03-2013 IENM/BSK-2013/45386 01-04-2013
Artikel 10.2 — Artikel 10.2#
Artikel 10.2 artikel 40, tweede lid, van de wet Als ambtenaren in de zin vanworden aangewezen de ambtenaren, onderscheidenlijk medewerkers, van: a. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Amsterdam N.V.; b. het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; c. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V.; d. de Arbeidsinspectie. 2019 52741 01-10-2019 30-09-2019 IENW/BSK-2019/202197 2019 52741 01-10-2019 30-09-2019 IENW/BSK-2019/202197 01-01-2020
Artikel 10.3 — Artikel 10.3#
Artikel 10.3 1 artikel 40, tweede lid, van de wet artikel 10.4 Als ambtenaren in de zin vanworden aangewezen de ambtenaren van de ingenoemde provincies, gemeenten onderscheidenlijk waterschappen die daartoe door het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur als zodanig zijn aangesteld. 2 wet Het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur stelt slechts ambtenaren aan die naar zijn oordeel voldoende bekwaam zijn ter zake van deen van toezicht of opsporing. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 10.4 — Artikel 10.4#
Artikel 10.4 1 artikel 10.3, eerste lid De in, bedoelde provincies zijn: Fryslân, Groningen en Overijssel. 2 artikel 10.3, eerste lid De in, bedoelde gemeenten zijn: Aalsmeer en Amsterdam. 3 artikel 10.3, eerste lid Het in, bedoelde waterschap is: Rivierenland. 2012 10932 05-06-2012 29-05-2012 IENM/BSK-2012/56947 2012 10932 05-06-2012 29-05-2012 IENM/BSK-2012/56947 01-07-2012
Artikel 11.1 — Artikel 11.1#
Artikel 11.1 1 artikelen 5, eerste lid 6, eerste lid en zesde lid 7, eerste lid 8, derde lid 10, tweede lid 11 12 13, vierde lid 21, eerste lid 22, negende lid 23, eerste lid 25, vierde lid en vijfde lid 28, zevende lid 31, vierde lid 33, tweede lid 36, vierde lid 37, tweede lid 43, tweede lid 46, tweede lid, van de wet bijlage 11.1 De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de,,,,,,,,,,,,,,,,,, enzijn opgenomen in tabel 1 inbij deze regeling. 2 artikelen 39c, derde lid 39e, van de wet bijlage 11.1 De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de, enzijn opgenomen in tabel 2 inbij deze regeling. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 12.1 — Artikel 12.1#
Artikel 12.1 1 richtlijn nr. 82/714/EEG Op binnenschepen die niet onder het toepassingsbereik vanvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot het vaststellen van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301) vielen, maar wel onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen, is artikel 29, tweede, derde en vierde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 van toepassing. 2 wet Binnenschepenbesluit Als tekortkomingen die geen klaarblijkelijk gevaar opleveren als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn (EU) 2016/1629 worden in ieder geval de tekortkomingen gerekend die voor binnenschepen als bedoeld in het eerste lid voortvloeien uit de tot het in werking treden van detoegepaste overgangsbepalingen van hetzoals dat op dat moment luidde. 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 2018 50756 26-09-2018 07-09-2018 IENW/BSK-2018/156621 07-10-2018
Artikel 12.2 — Artikel 12.2#
Artikel 12.2 artikel 5 van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978 besluit van 23 maart 1998, houdende wijziging van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978 Ten aanzien van een binnenschip waarvan het vlak van de grootste toegelaten diepgang bij de laatste meting is vastgesteld volgens, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het, kan bij hermeting het vlak van de grootste toegelaten diepgang op verzoek van de belanghebbende worden vastgesteld met toepassing van dat artikel, mits het vaartuig sinds de laatste meting geen verbouwing heeft ondergaan die van invloed kan zijn op de vaststelling van dat vlak. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 12.3 — Artikel 12.3#
Artikel 12.3 1 Klein vaarbewijzen en groot pleziervaartbewijzen, afgegeven krachtens deze regeling tot 1 januari 2020 blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken. 2 hoofdstuk 23 van het RosR 1995 Patentreglement Rijn Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen Dienstboekjes, vaartijdenboeken, Rijnpatenten, attesten en andere documenten, afgegeven vóór 1 juli 2011 op grond van, hetof het, blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken. 2019 52741 01-10-2019 30-09-2019 IENW/BSK-2019/202197 2019 52741 01-10-2019 30-09-2019 IENW/BSK-2019/202197 01-01-2020
Artikel 12.4 — Artikel 12.4#
Artikel 12.4 Binnenschepenwet Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart Wet vervoer binnenvaart hoofdstuk 10 Ambtenaren die op het moment voor inwerkingtreding van de wet krachtens aanwijzing door de Minister bevoegd waren tot toezicht op de naleving of tot opsporing van het bepaalde bij of krachtens de, de, deof de Herziene Rijnvaartakte, behouden die bevoegdheid tot 31 december 2009 of zoveel eerder als zij ingevolgeworden aangewezen onderscheidenlijk van hun bevoegdheid tot toezicht of opsporing worden ontheven. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 12.5 — Artikel 12.5#
Artikel 12.5 artikel 7.8, derde lid, onderdeel a De tot 1 juli 2009 door de Stichting Commissie Watersport Opleidingen te Nieuwegein afgegeven diploma’s CWO groot motorschip alsook het door Scouting Nederland afgegeven diploma Machtiging voor bootleiding (MBL) M3 en het tot 1 januari 2020 door de Stichting VAMEX afgegeven diploma CWO groot motorschip gelden als het in, bedoelde door het CBR afgegeven diploma. 2019 52741 01-10-2019 30-09-2019 IENW/BSK-2019/202197 2019 52741 01-10-2019 30-09-2019 IENW/BSK-2019/202197 01-01-2020
Artikel 12.5a — Artikel 12.5a#
Artikel 12.5a 1 artikel 2.9, eerste lid artikel 2.10, eerste lid Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn Een bemanningslid als bedoeld in, dat volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in de artikelen 2.9 en 2.10 op 22 februari 2022, of op een bemanningslid als bedoeld in, zoals dat artikel luidde op 31 maart 2023, dat volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in de artikelen 2.9 en 2.10 op 31 maart 2023, voldoet tot en met 17 januari 2032 aan de eisen voor die desbetreffende functie zoals die gesteld zijn in de artikelen 2.9 of 2.10 en in het. 2 artikel 2.10, zesde lid artikel 2.9, achtste lid Een bemanningslid dat op 31 maart 2023 voldeed aan de eisen van matroos bedoeld in, of lichtmatroos bedoeld in artikel 2.10, zevende lid, zoals die luidden op 31 maart 2023, voldoet tot en met 17 januari 2032 aan de eisen van deksman bedoeld in. 3 artikelen 2.9 2.10 artikel 5.01 van het Rsp Wanneer een bemanningslid dat op 31 maart 2023 volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in deenvoor de eerste keer een dienstboekje met kwalificatiecertificaat bedoeld inaanvraagt kan er ongeacht de functie van dat bemanningslid een dienstboekje worden afgegeven voor: artikel 5.11 artikel 5.12 Het aantonen van de vaartijd bedoeld in dit artikellid kan geschieden door middel van het dienstboekje, bedoeld in, indien nodig aangevuld met het vaartijdenboek, bedoeld in, of andere stukken. a. matroos indien er een vaartijd wordt aangetoond van 540 dagen waarvan minstens 180 dagen in de binnenvaart; b. volmatroos indien er een vaartijd wordt aangetoond van 900 dagen waarvan minstens 540 dagen in de binnenvaart; c. stuurman indien er een vaartijd wordt aangetoond van 1.080 dagen waarvan minstens 720 dagen in de binnenvaart; artikel 7.18, zesde lid waarbij de vereiste vaartijd met ten hoogste 360 dagen kan worden verminderd met de duur van een opleidingsprogramma bedoeld inin het geval dat opleidingsprogramma praktijkstages bevat. 4 artikelen 2.9 2.10 7.18 Op een persoon die met uitzondering van de vaartijdeis volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in de,ofop de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I van de Regeling gedeeltelijke implementatie richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart, blijven de eisen in de artikelen 2.9, 2.10 en 7.18 zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regeling van toepassing. 5 artikel 7.18 Op een persoon die volledig voldeed aan de eisen voor afgifte van een beperkt groot of een groot vaarbewijs zoals bepaald in, eerste lid, op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I van de Regeling gedeeltelijke implementatie richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart maar aan wie nog geen afgifte heeft plaatsgevonden, blijft artikel 7.18 zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regeling van toepassing. 6 artikel 2.10 artikel 2.10, derde en vierde lid Binnenvaartwet Richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijnen 91/672/EEG 96/50/EG Een bemanningslid dat voldeed aan de eisen voor eerste machinist of tweede machinist bedoeld in, zoals die luidden op het moment voor inwerkingtreding van de wet van 7 juni 2023 tot wijziging van dein verband met de implementatie vanvan het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van deenvan de Raad, voldoet aan de eisen voor die desbetreffende functie, bedoeld in. 7 artikel 42 van het besluit Onder een activiteit die op het binnenwater aan het begin of het eind van een reis in het kader van zeevervoer wordt uitgevoerd, bedoeld in, wordt onder andere begrepen het verhalen van zeeschepen binnen een havengebied. 8 vijfde lid van artikel 7.8 In aanvulling op hetkan bij de afgifte van een groot pleziervaartbewijs I tot en met 17 januari 2032 worden volstaan met een geldig groot vaarbewijs B, een geldig beperkt groot vaarbewijs B of een van deze documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. 9 zesde lid van artikel 7.8 In aanvulling op hetkan bij de afgifte van een groot pleziervaartbewijs II tot en met 17 januari 2032 worden volstaan met een geldig groot vaarbewijs A, een geldig beperkt groot vaarbewijs A, een geldig groot patent of een van deze documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. 10 Binnenvaartwet Richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijnen 91/672/EEG 96/50/EG artikel 16, eerste lid, onderdeel d, van het besluit artikel 7.5 artikel 1.1 artikel 7.6, eerste lid, onderdeel a Tot en met drie jaar na het tijdstip waarop de wet van 7 juni 2023 tot wijziging van dein verband met de implementatie vanvan het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van deenvan de Raad in werking treedt is in afwijking vaneen kwalificatiecertificaat open rondvaartboot beperkt vaargebied niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in, voor open rondvaartboten als bedoeld in, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, met een lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking van minder dan 20 meter, voor zover de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs of een kwalificatiecertificaat als bedoeld in, en indien het schip vaart op de binnenwateren van zone 4, dan wel op de Beulakerwijde of de Belterwijde. 11 artikel 7.6, eerste lid, onderdeel a In plaats van een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied bedoeld in, kan worden volstaan met een vrijstellingsbewijs schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype. 12 Binnenvaartwet Richtlijn (EU) 2017/2397 richtlijnen 91/672/EEG 96/50/EG artikel 7.6, derde lid Tot en met zes maanden na het tijdstip waarop de wet van 7 juni 2023 tot wijziging van dein verband met de implementatie vanvan het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van deenvan de Raad in werking treedt volstaat in afwijking van, het beschikken over een klein vaarbewijs om deel te kunnen nemen aan de praktijktoetsen bedoeld in dat artikellid. 2025 14004 30-04-2025 24-04-2025 IENW/BSK-2025/92536 2025 125 14-05-2025 06-05-2025 01-06-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de
implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van
beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de
richtlijnen 91/672/EEG en
96/50/EG van de Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Artikel 12.5b — Artikel 12.5b#
Artikel 12.5b 1 artikel 7.11b, lid 1, onderdeel c artikel 20.09 van het Rsp In plaats van de specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar, bedoeld in, kan worden volstaan met een radarpatent, bedoeld in. 2 artikel 7.11b, lid 1, onderdeel d artikel 20.10 van het Rsp In plaats van de specifieke vergunning voor het varen met vloeibaar aardgas als brandstof, bedoeld in, kan worden volstaan met een verklaring van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof, bedoeld in. 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 2023 11946 03-05-2023 17-04-2023 IENW/BSK-2023/96863 04-05-2023 01-04-2023
Artikel 12.6 — Artikel 12.6#
Artikel 12.6 Wijzigt de Regeling bemanning zeegaande zeilschepen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 12.7 — Artikel 12.7#
Artikel 12.7 Wijzigt de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 12.8 — Artikel 12.8#
Artikel 12.8 Wijzigt de Subsidieregeling dieselmotoren voor binnenvaartschepen. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 12.9 — Artikel 12.9#
Artikel 12.9 Wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 12.10 — Artikel 12.10#
Artikel 12.10 Wijzigt de Regeling aanwijzing wetgeving ex art. 4:2, tweede lid, Besluit politiegegevens. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 12.11 — Artikel 12.11#
Artikel 12.11 Wijzigt de Regeling tarieven scheepvaart 2005. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 13.1 — Artikel 13.1#
Artikel 13.1 Binnenvaartwet Deze regeling treedt gelijktijdig in werking met de. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 13.2 — Artikel 13.2#
Artikel 13.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Binnenvaartregeling. 2009 106 12-06-2009 02-06-2009 CEND/HDJZ-2009/105sectorSCH 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Binnenvaartwet in werking treedt.
Artikel 1.8#
artikel 1.8
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1. De Dienst Wegverkeer beslist op een verzoek om typegoedkeuring van een tachograaf. 2. De Dienst Wegverkeer brengt de goedgekeurde typen tachografen onmiddellijk ter kennis van het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 bijlage 5, onderdeel V, van ES-TRIN De typegoedkeuring kan worden verleend indien de tachograaf voldoet aan de voorschriften van de.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 De tachograaf wordt zodanig op het schip geïnstalleerd, dat alle met de tachograaf verband houdende bestanddelen deugdelijk tegen beschadiging zijn beschermd.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1. De Dienst Wegverkeer beslist op een verzoek om: a. erkenning als installateur van tachografen; b. erkenning als reparateur van tachografen. 2. Een verzoek om erkenning wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1. Een erkenning wordt verleend aan in Nederland gevestigde fabrikanten of importeurs van tachografen. 2. Als importeur wordt aangemerkt de door de fabrikant van tachografen contractueel erkende importeur.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Rsp De Dienst Wegverkeer kan een erkenning als installateur of reparateur intrekken als aan de voorschriften in deze regeling of in hetniet wordt voldaan.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1. Een aan een fabrikant of importeur van tachografen verleende erkenning als installateur of reparateur van tachografen geldt tevens voor de door hem op verzoek gemachtigde installateurs en reparateurs. 2. Een machtiging mag eerst worden verleend als door deze installateurs en reparateurs wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 9.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1. De machtiging wordt door de erkende fabrikant of importeur ingetrokken indien blijkt dat aan de voorschriften bedoeld in artikel 9 niet wordt voldaan of de voorschriften bedoeld in artikel 3, dan wel de verplichting opgenomen in artikel 11 niet wordt nageleefd. 2. Bij intrekking van de machtiging doet de fabrikant of importeur van tachografen daarvan onmiddellijk mededeling aan de Dienst Wegverkeer.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1. De installatie, het onderzoek of de reparatie van tachografen mag slechts geschieden door installateurs respectievelijk reparateurs die zijn voorzien van: a. een verzegelinrichting voorzien van een verzegelnummer; b. door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven gereedschap en testapparatuur. 2. Het voor de installatie, het onderzoek of de reparatie van de tachograaf aangewezen personeel dient met goed gevolg een door de fabrikant of importeur van tachografen georganiseerde cursus te hebben gevolgd inzake constructie, functioneren, installatie, onderzoek en reparatie van tachografen. 3. Het personeel volgt vervolgens tenminste eenmaal in de drie jaren een herhalingscursus. 4. Een door de fabrikant of importeur afgegeven bewijs van deelname aan de cursus is in het bedrijf bij de installateur respectievelijk reparateur aanwezig.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 De fabrikant of importeur van tachografen die in het bezit is van een erkenning als installateur of reparateur van tachografen is verplicht zorg te dragen dat: a. aan de hem gemachtigde installateurs en reparateurs een verzegelnummer wordt toegekend; b. aan de Dienst Wegverkeer een opgave wordt verstrekt van de door hem gemachtigde installateurs en reparateurs alsmede van het door hem gebezigde verzegelnummer of de door hem aan de gemachtigde installateurs en reparateurs toegekende verzegelnummers; c. b aan de minister van de door hem aangebrachte wijzigingen van het bepaalde in onderdeelonmiddellijk mededeling wordt gedaan; d. de door hem gemachtigde installateurs en reparateurs in het bezit zijn van: 1°. de voorschriften bedoeld in artikel 3, 2°. door hem uitgevaardigde technische instructies, werkaanwijzingen en mededelingen; en e. door hem wordt toegezien op de naleving van de voorschriften door de door hem gemachtigde installateurs en reparateurs.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 bijlage 5, onderdeel V, artikel 3, van ES-TRIN Van de verklaring bedoeld in debewaart de installateur een afschrift gedurende zeven jaren na dagtekening daarvan.
Artikel 1.9#
artikel 1.9
Artikel 2.4#
artikel 2.4, tweede lid
Artikel 3.3#
artikel 3.3
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel a
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel b
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel c
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel d
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel e
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel f
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel f
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel f
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel g
Artikel 3.14#
artikel 3.14, tweede lid
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel h
Artikel 3.9#
3.9, zesde lid
Artikel 3.26#
artikel 3.26
Artikel 3.4#
artikel 3.4, derde lid, onderdeel i
Artikel 4.9#
artikelen 4.9
Artikel 4.12#
4.12
Artikel 4.7#
artikel 4.7 van hoofdstuk 4
Artikel 4.7#
artikel 4.7 van hoofdstuk 4
Artikel 1.3#
artikel 1.3 van de regeling
Artikel 4.8#
artikel 4.8 van hoofdstuk 4
Artikel 4.4#
artikel 4.4 van hoofdstuk 4
Artikel 4.24#
artikel 4.24 van hoofdstuk 5
Artikel 4.8#
artikel 4.8 van hoofdstuk 5
Artikel 5.6#
artikel 5.6, vierde lid
Artikel 2.9#
artikel 2.9, tweede lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6, vierde lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6, vierde lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6, vierde lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6, vierde lid
Artikel 2.10#
artikel 2.10, tweede lid
Artikel 2.9#
artikel 2.9, tweede lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6, vierde lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6, vijfde lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6, zesde lid
Artikel 5.11#
artikel 5.11, lid 2
Artikel 6.4#
artikel 6.4, eerste lid
Artikel 6.9#
artikel 6.9
Artikel 7.11#
artikel 7.11, eerste lid,
Artikel 7.8#
artikel 7.8, eerste lid
Artikel 7.12#
artikel 7.12
Artikel 7.3#
artikel 7.3
Artikel 7.5#
artikelen 7.5, eerste lid
Artikel 7.6#
7.6, eerste lid, onderdeel a
Artikel 7.8#
artikel 7.8, eerste lid
Artikel 7.9#
artikel 7.9, eerste lid
Artikel 7.1#
artikel 7.1
Artikel 8.2#
artikel 8.2, eerste lid
Artikel 8.2#
artikel 8.2, tweede lid
Artikel 8.3#
artikel 8.3
Artikel 11.1#
artikel 11.1
Artikel 2.2#
2.2
Artikel 2.2#
2.2
Artikel 4.16#
4.16
Artikel 4.16#
4.16
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.4#
5.4 lid 1
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.4#
5.4 lid 1
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7.
Artikel 5.5#
5.5
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.5#
5.5
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.8#
5.8.
Artikel 5.6#
5.6. lid 1
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 5.5#
bijlage 5.5
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.6#
5.6 lid 4
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.8#
5.8
Artikel 5.7#
5.7
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.6#
5.6
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.9#
5.9
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.10#
5.10
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 7.11b#
7.11b lid 1
Artikel 7.11b#
7.11b, lid 1, onderdelen a, b, c, en e.
Artikel 7.11b#
7.11b, lid 1, onderdeel d.
Artikel 9.1#
9.1
Artikel 9.1#
9.1
Artikel 9.1#
artikel 9.1. Bvr
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 2.11#
2.11
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7 lid 1
Artikel 5.3#
5.3 lid 2
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7.
Artikel 5.4#
5.4 lid 1
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.4#
5.4 lid 1
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7 lid 1
Artikel 5.14#
5.14 lid 2
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.4#
5.4 lid 1
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.11#
5.11
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.11#
5.11
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.11#
5.11
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.11#
5.11
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.11#
5.11
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 5.13#
5.13 lid 2
Artikel 5.13#
5.13 lid 2
Artikel 5.13#
5.13 lid 2
Artikel 5.13#
5.13 lid 2
Artikel 5.13#
5.13 lid 2
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 1.7#
1.7
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 2.7#
2.7
Artikel 2.7#
2.7
Artikel 1.9#
1.9
Artikel 5.12#
5.12
Artikel 8.4#
8.4
Artikel 8.5#
8.5.