Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187683, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van innoveren (Subsidieregeling innoveren)
- BWB-id
- BWBR0024855
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2014-02-06 t/m 2014-08-19
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0024855
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/subsidieregeling-innoveren
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/subsidieregeling-innoveren/2014-02-06
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0024855&g=2014-02-06
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0024855&z=2026-06-06&g=2014-02-06
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0024855/2014-02-06
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/subsidieregeling-innoveren
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: – experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 2.2, onder g, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323); – industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2, onder f, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323); – minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 22-11-2011
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 1 artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bijlage 1.1 Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen inbij deze regeling. 2 artikel 12, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies verordening (EG) nr. 1906/2006 Als rapport als bedoeld inwordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader vanvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in, bedraagt 50 procent van de loonkosten. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 1 artikel 13, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het uurtarief, bedoeld in, bedraagt € 60. 2 artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het uurtarief, bedoeld in, bedraagt € 60. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 verordening (EG) nr. 800/2008 Deze regeling valt onder devan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214). 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – Eurostars High Level Group: het door de lidstaten die deelnemen aan het Eurostars Programma opgerichte samenwerkingsorgaan dat de rangschikking van internationale samenwerkingsprojecten door het Internationaal Evaluatie Panel goedkeurt; – Eurostars Programma: het gezamenlijke Eurostars Programma van EUREKA en de Europese Unie, inhoudend een internationaal Europees stimuleringsprogramma voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader; – Eurostarsproject: een internationaal samenwerkingsproject voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader dat voldoet aan de criteria van het Eurostars Programma, waarvan de rangschikking door de Eurostars High Level Group is goedgekeurd, bestaande uit een samenhangend geheel van activiteiten van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan; – Internationaal Evaluatie Panel: panel van onafhankelijke deskundigen dat binnen het Eurostars Programma de ingediende voorstellen voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling beoordeelt en rangschikt. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan: a. een ondernemer of onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan een Eurostarsproject of b. indien twee of meer binnen Nederland gevestigde partijen bijdragen aan hetzelfde Eurostarsproject, aan een deelnemer in het door deze partijen gevormde samenwerkingsverband, die bijdraagt aan een Eurostarsproject. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 1 Regeling steunintensiteit In afwijking van debedraagt de subsidie: a. 50 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een onderzoeksorganisatie; b. 35 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een ondernemer; c. 25 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling. 2 De percentages genoemd in het eerste lid, onderdeel b en c, worden verhoogd met tien procentpunten, indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer. 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 01-01-2010
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 Vervallen 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 01-01-2010
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld in, is drie jaar. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 1 De minister beschikt afwijzend op een aanvraag indien: a. het Eurostarsproject een onvoldoende totaalscore heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel; b. het Eurostarsproject een onvoldoende score voor een criterium heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel; c. aannemelijk is dat het Eurostarsproject, voor zover het door een in Nederland gevestigde ondernemer of onderzoeksorganisatie wordt uitgevoerd, ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd; d. aannemelijk is dat het Eurostarsproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Eurostarsproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende parttijen in een ander deelnemend land. 2 De minister beslist tevens afwijzend op een aanvraag voor zover het gevraagde subsidiebedrag hoger is als € 500.000. 3 artikel 23, onderdelen d tot en met f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2014 3490 05-02-2014 04-02-2014 WJZ/13177972 2014 3490 05-02-2014 04-02-2014 WJZ/13177972 06-02-2014
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Eurostars High Level Group vastgestelde rangschikking. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 2.9 — Artikel 2.9#
Artikel 2.9 artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking vanbrengt de subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het Eurostarsproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 2.10 — Artikel 2.10#
Artikel 2.10 1 De subsidie-ontvanger voert het Eurostarsproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland. 2 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 2.11 — Artikel 2.11#
Artikel 2.11 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. bijlage 2.1 een subsidie is opgenomen in; b. bijlage 2.2 een subsidievaststelling is opgenomen in. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – certificeringstraject: certificering op basis van de resultaten van uitvoerige beproevingen en berekeningen; – klinisch ontwikkelingsproject: een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten of processen, die nieuw zijn voor Nederland, en a. aan de ontwikkeling van welke producten en processen klinische risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. welke producten of processen door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; – klinisch risico: risico voor het welslagen van het product of proces dat voortvloeit uit de noodzaak dat het nieuwe product of proces een testfase in de mens doorloopt; – technisch ontwikkelingsproject: een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, die nieuw zijn voor Nederland, en a. waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; – ontwikkelingsproject: een technisch ontwikkelingsproject of een klinisch ontwikkelingsproject; – artikel 3.8, tweede en derde lid artikel 3.8, vierde lid uitstaand saldo: het totaalbedrag dat aan de subsidie-ontvanger is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet, verhoogd met de verschenen rente, bedoeld in, en verminderd met de betalingen, gedaan overeenkomstig. 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 01-01-2012 Artikel III van Stcrt. 2011/23199 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 De minister verstrekt op aanvraag ten behoeve van de financiering van een ontwikkelingsproject subsidie aan een ondernemer, die een ontwikkelingsproject uitvoert. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van krediet. 2 artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In aanvulling opkan ook subsidie worden verstrekt aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 01-01-2012 Artikel III van Stcrt. 2011/23199 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 Regeling steunintensiteit Communautaire kaderregeling (EU) nr. C 323/1 van de Commissie van 30 december 2006 inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2006, C 323) In afwijking van debedraagt de subsidie in de vorm van krediet aan een kleine onderneming die deel uitmaakt van een samenwerking als bedoeld in paragraaf 5.1.3, onderdeel b, van de, 50 procent van de subsidiabele kosten. 2013 35310 13-12-2013 11-12-2013 WJZ/13207573 2013 35310 13-12-2013 11-12-2013 WJZ/13207573 14-12-2013
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 5.000.000 per subsidie-ontvanger. 2 Indien door een ondernemer, dan wel door ondernemers die behoren tot eenzelfde groep, meer dan één ontwikkelingsproject wordt uitgevoerd en daarvoor subsidieaanvragen in het kader van dit hoofdstuk zijn ingediend, wordt in een kalenderjaar aan die ondernemer, dan wel aan die ondernemers die tot eenzelfde groep behoren gezamenlijk, ten hoogste het in het eerste lid genoemde bedrag aan subsidie verleend. 2009 20074 22-12-2009 14-12-2009 WJZ/9201556 2009 20074 22-12-2009 14-12-2009 WJZ/9201556 01-01-2010 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 01-01-2010
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 1 artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld inis vier jaar. 2 De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek met ten hoogste twee jaar verlengen indien sprake is van een technisch ontwikkelingsproject met een certificeringstraject. 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 01-01-2012 Artikel III van Stcrt. 2011/23199 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. hij de subsidiabele kosten raamt op minder dan € 150.000; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidie-ontvanger het ontwikkelingsproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren; c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidie-ontvanger een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken; d. artikel 3.8, vierde lid onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidie-ontvanger de subsidie terug kan betalen binnen de in, genoemde periode; e. van het ontwikkelingsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. 2 artikel 23, onderdeel b, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgrond, genoemd inis niet van toepassing. 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 01-01-2012 Artikel III van Stcrt. 2011/23199 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 1 De subsidie-ontvanger is verplicht de verstrekte subsidie volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terug te betalen aan de minister. 2 artikel 3.9 De subsidie-ontvanger is verplicht over het uitstaande saldo aan de minister jaarlijks een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig, bepaald rentepercentage te betalen, dat op een ontwikkelingsproject van toepassing blijft tot aan de betalingsverplichtingen geheel is voldaan. 3 De rente wordt aan het eind van elk kalenderjaar rentedragend bij het uitstaande saldo bijgeschreven. 4 De subsidie-ontvanger is verplicht het uitstaande saldo binnen 10 jaar na vaststelling van de subsidie aan de minister te betalen. 5 artikel 42, vijfde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn genoemd in het vierde lid kan naar aanleiding van een ontheffingsverzoek als bedoeld inworden verlengd. 2012 20314 09-10-2012 01-10-2012 WJZ/12302026 2012 20314 09-10-2012 01-10-2012 WJZ/12302026 10-10-2012
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 1 artikel 3.8, tweede lid Het rentepercentage, bedoeld in, is opgebouwd uit: a. het basispercentage en de opslag voor technische ontwikkelingsprojecten onderscheidenlijk voor klinische ontwikkelingsprojecten, of b. het op grond van onderdeel a vastgestelde percentage vermeerderd met de opslag voor het risico dat de ontvanger niet in staat is om de subsidie terug te betalen bij uitblijven van commercieel succes van het ontwikkelingsproject. 2 De percentages, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 De minister kan besluiten dat de verstrekte subsidie in de vorm van krediet versneld of in een keer terugbetaald wordt, indien: a. de aandelen van de subsidie-ontvanger worden vervreemd; b. de resultaten van het project geheel of gedeeltelijk worden vervreemd. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 1 artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Indien ontheffing is verleend op basis van, kan de minister op aanvraag van de subsidie-ontvanger het bedrag van een eerder voor een ontwikkelingsproject verleende subsidie verhogen tot maximaal het bedrag dat voor dat ontwikkelingsproject kan worden verkregen. 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt volgens eenzelfde procedure en volgens dezelfde criteria behandeld als een eerste aanvraag om subsidie voor een ontwikkelingsproject. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 1 De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde ontwikkelingsproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. bijlage 3.1 een subsidie is opgenomen in; b. bijlage 2.2 een subsidievaststelling is opgenomen in. 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 01-07-2011
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – collectieve activiteiten: de activiteiten die op basis van innovatieplannen door twee of meer IPC-deelnemers gezamenlijk zullen worden gefinancierd en uitgevoerd en waarvan de resultaten evenredig over deze deelnemers worden verdeeld; – collectief onderzoek: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling waarvan de resultaten naar hun aard voor een bredere groep toepasbaar zijn; – innovatieplan: een planmatige beschrijving van de activiteiten, inclusief de planning en kosten daarvan, die een IPC-deelnemer zal verrichten met het oog op innovatie van zijn producten, diensten of productieproces, met inbegrip van zijn collectieve activiteiten en van zijn activiteiten in het kader van het overkoepelende plan; – IPC-deelnemer: een MKB-ondernemer die deelneemt aan een IPC-verband; – IPC-penvoerder: een rechtspersoon die: a. paragraaf 2 de mogelijkheden onderzoekt om tot een IPC-verband te komen als bedoeld invan dit hoofdstuk, b. paragraaf 3 de mogelijkheden onderzoekt om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek en dit onderzoek laat uitvoeren, als bedoeld invan dit hoofdstuk of c. paragraaf 4 namens de IPC-deelnemers optreedt als projectleider van een IPC-verband en het overkoepelende plan uitvoert als bedoeld invan dit hoofdstuk; – IPC-project: een project bestaande uit activiteiten die de IPC-penvoerder en de IPC-deelnemers binnen een periode van twee jaar verrichten ter uitvoering van het overkoepelende plan en de daarmee samenhangende innovatieplannen; – overkoepelend plan: artikel 4.24 een plan waarin de IPC-penvoerder beschrijft wat de samenhang is tussen de verschillende innovatieplannen, welke collectieve activiteiten worden verricht en door welke deelnemers, hoe en in welke mate het IPC-project voldoet aan de criteria van, welke activiteiten hij ten behoeve van de IPC-deelnemers en het IPC-project zal verrichten, waaronder ten minste het begeleiden van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van de innovatieplannen, het begeleiden van samenwerkingsverbanden van de IPC-deelnemers en hetbegeleiden en uitvoeren van administratieve activiteiten die samen hangen met een IPC-project, alsmede een globale omschrijving van de planning en de geraamde kosten van deze activiteiten; – publieke kennisinstelling: a. bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 6.9 16.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een onder a, b, c, f of g van degenoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder i van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis, Nyenrode Business Universiteit alsmede andere instellingen van hoger onderwijs, die op basis vanofzijn aangewezen; b. artikel 1.1.1, onderdeel b artikel 12.3.8 artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs instellingen als bedoeld in,en; c. een andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; d. een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde: 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a, 2°. instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of 3°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; e. een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b, c of d direct of indirect: 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft, 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of 3°. overwegende zeggenschap heeft. 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 05-04-2013
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 1 artikelen 20 29 39, tweede lid 51, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Op een IPC-penvoerder en een IPC-verband zijn de,,, envan overeenkomstige toepassing. 2 Een IPC-penvoerder is een rechtspersoon zonder winstoogmerk met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die volgens haar statuten tot doel heeft de behartiging van belangen van ondernemingen en hier volgens feitelijk handelen ook aantoonbaar minimaal één jaar ervaring mee heeft. 3 Een IPC-verband bestaat, naast de IPC-penvoerder, uit ten minste tien en ten hoogste twintig niet met een andere IPC-deelnemer of de IPC-penvoerder in een groep verbonden MKB-ondernemers. 4 Indien er betrokkenheid bestaat tussen IPC-penvoerder en een of meer IPC-deelnemers, neemt het IPC-verband maatregelen om belangenverstrengeling te voorkomen. 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 22-11-2011 Artikel IV van Stcrt. 2011/20034 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een IPC-penvoerder voor het verkennen van de mogelijkheden voor samenwerking van MKB-bedrijven met een of meer ondernemingen of publieke kennisinstellingen resulterend in een rapportage waarin zijn opgenomen innovatieonderwerpen waarop met een of meer ondernemingen of publieke kennisinstellingen kan worden samengewerkt, een inventarisatie van mogelijke IPC-deelnemers en een voorstel voor samenwerkingsprojecten. 2 artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In aanvulling opkan ook subsidie worden verstrekt aan een IPC-penvoerder die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 05-04-2013
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 30.000. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 artikel 11 van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking vankomen uitsluitend voor subsidie in aanmerking het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-penvoerder danwel door derden, waaronder begrepen overige organisaties waarmee de verkenning wordt uitgevoerd,vermenigvuldigd met een vast uurtarief van € 87,50. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. vervallen; b. paragraaf 4 de IPC-penvoerder niet aannemelijk maakt dat er een aanzienlijke kans is dat de subsidiabele activiteiten zullen leiden tot het tot stand komen van een IPC-verband, waarvan de deelnemers overeenkomstigvan dit hoofdstuk voor subsidie in aanmerking komen en de IPC-penvoerder niet het vertrouwen geeft in staat te zijn om de daarbij benodigde inzet te leveren; c. van de activiteiten onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn; d. artikel 4.3, eerste lid in dezelfde indieningsperiode reeds subsidie is aangevraagd op grond van deze paragraaf voor dezelfde activiteiten door een andere organisatie als bedoeld in. 2012 10598 30-05-2012 21-05-2012 WJZ/12061523 2012 10598 30-05-2012 21-05-2012 WJZ/12061523 13-06-2012 Artikel III van Stcrt. 2012/10598 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.8 — Artikel 4.8#
Artikel 4.8 artikel 4.3, eerste lid De activiteiten, bedoeld in, vinden plaats binnen veertien maanden na de subsidieaanvraag. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.9 — Artikel 4.9#
Artikel 4.9 1 Voor subsidies boven de € 25.000 bedraagt de hoogte van het eerste voorschot 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. De hoogte van de overige voorschotten, indien van toepassing, bedraagt 0 procent van de maximale hoogte van de subsidie. 2 Artikel 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing op subsidies boven de € 25.000. 3 Indien de door de minister verleende subsidie meer bedraagt dan € 25.000, wordt deze subsidie ambtshalve vastgesteld. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.10 — Artikel 4.10#
Artikel 4.10 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een IPC-penvoerder voor: a. het onderzoeken van de mogelijkheden om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek dat ten goede komt aan de gehele branche, resulterende in een verslag van dit onderzoek en, indien de conclusie is dat collectief onderzoek mogelijk is, het opstellen van een plan voor een hierop volgend collectief onderzoek; b. het door één of meer onderzoeksorganisaties laten uitvoeren van het collectief onderzoek, bedoeld in onderdeel a, resulterende in een rapport met onderzoeksresultaten en het kostenloos verspreiden van die resultaten binnen de branche. 2 artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In aanvulling opkan ook subsidie worden verstrekt aan een IPC-penvoerder die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.11 — Artikel 4.11#
Artikel 4.11 artikel 4.10 De subsidie, bedoeld invalt onder een de-minimis verordening. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.12 — Artikel 4.12#
Artikel 4.12 De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van: a. artikel 4.13, onderdeel a € 20.000 met betrekking tot de kosten bedoeld in, en b. € 150.000 in totaal. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.13 — Artikel 4.13#
Artikel 4.13 artikel 11 van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking vankomen uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: a. artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-penvoerder danwel door derden ten behoeve van reis, overleg en rapportage in verband met activiteiten als bedoeld in, alsmede begeleiding van het collectief onderzoek, bedoeld in artikel 4.10, onderdeel b, vermenigvuldigd met een vast uurtarief van € 87,50, alsmede de reis- en verblijfkosten in verband met deze activiteiten; b. artikel 4.10, eerste lid,onderdeel b de kosten voor collectief onderzoek, verschuldigd aan een onderzoeksorganisatie waarmee de IPC-penvoerder niet in een groep verbonden is, voor zover deze kosten worden gedragen door de IPC-penvoerder, alsmede de kosten voor de verspreiding van de resultaten, bedoeld in. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.14 — Artikel 4.14#
Artikel 4.14 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.15 — Artikel 4.15#
Artikel 4.15 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. Subsidieregeling innovatieprestatiecontracten minder dan drie jaar geleden reeds subsidie krachtens dit hoofdstuk of deis verleend, betrekking hebbend op dezelfde of vergelijkbare activiteiten; b. van de activiteiten onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn; c. artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a de IPC-penvoerder niet aannemelijk maakt dat er een aanzienlijke kans is, dat de subsidiabele activiteiten, bedoeld in, zullen leiden tot het tot stand komen van activiteiten als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b; d. artikel 4.10, eerstelid, onderdeel b de IPC-penvoerder geen maatregelen heeft genomen om de betrokkenheid van het midden- en kleinbedrijf uit de branche bij het collectief onderzoek, bedoeld in, te borgen; e. artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b van de totale kosten voor het collectief onderzoek, bedoeld in, meer dan 80 procent wordt gedragen door de IPC-penvoerder. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.16 — Artikel 4.16#
Artikel 4.16 1 artikel 4.10, eerste lid De activiteiten, bedoeld in, vinden plaats binnen twintig maanden na subsidieaanvraag. 2 artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b De IPC-penvoerder verspreidt de resultaten, bedoeld in, onder de ondernemers, die werkzaam zijn in dat deel van het bedrijfsleven, waarop het collectief onderzoek betrekking heeft, en stelt het voorts voor een ieder op aanvraag verkrijgbaar. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.17 — Artikel 4.17#
Artikel 4.17 1 artikel 38, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Voor subsidies die € 125.000 of meer bedragen geldt, in afwijking van, niet de verplichting van dat artikellid, maar de verplichting van artikel 38, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies. 2 artikel 50, tweede lid, onder b, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking van, behoeft, indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, het verzoek om subsidievaststelling niet vergezeld te gaan van een accountantsverklaring. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.18 — Artikel 4.18#
Artikel 4.18 1 De minister verstrekt op aanvraag aan de deelnemers in een IPC-verband subsidie voor het uitvoeren van een IPC-project, waarbij: a. de IPC-penvoerder subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn activiteiten die zijn beschreven in het overkoepelende plan en b. een IPC-deelnemer subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn innovatieplan. 2 De subsidiabele kosten voor de activiteiten van een IPC-deelnemer in het kader van een innovatieplan: a. bedragen € 30.000 of meer, b. bestaan voor ten minste 20 procent uit collectieve activiteiten en c. artikel 4.20, eerste lid, onder b bestaan voor ten minste 60 procent uit overige kosten als bedoeld in. 3 artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In aanvulling opkan ook subsidie worden verstrekt aan een IPC-penvoerder of een IPC-deelnemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.19 — Artikel 4.19#
Artikel 4.19 De subsidie bedraagt: a. artikel 4.18, eerste lid, aanhef en onderdeel a voor activiteiten bedoeld in, € 3000 per IPC-deelnemer; b. artikel 4.18, eerste lid, aanhef en onderdeel b voor activiteiten bedoeld in, 40 procent van de subsidiabele kosten van de IPC-deelnemer tot een maximum van € 25.000. 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 22-11-2011 Artikel IV van Stcrt. 2011/20034 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.20 — Artikel 4.20#
Artikel 4.20 1 artikel 11 van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 4.18, eerste lid, onderdeel b In afwijking vankomen, voor activiteiten bedoeld in, uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: a. het aantal uren gemaakt door personeel van de IPC-deelnemer of personeel van ondernemingen waarmee de IPC-deelnemer in een groep verbonden is, vermenigvuldigd met een vast uurtarief van € 60; b. de specifiek ten behoeve van de uitvoering van het innovatieplan gemaakte overige kosten. 2 In afwijking van het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: de kosten van het maken van een innovatieplan; de kosten van implementatie van de innovatie, waaronder begrepen marketing- en salesactiviteiten, herhalingstesten en het inrichten van de productie; de kosten van het opzetten van kwaliteitssystemen; de kosten van opleidingen; de kosten van deelname aan tentoonstellingen en symposia; de reiskosten en kosten die verband houden met penvoerdersactiviteiten. 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 05-04-2013
Artikel 4.21 — Artikel 4.21#
Artikel 4.21 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.22 — Artikel 4.22#
Artikel 4.22 artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 4.18, eerste lid De termijn, bedoeld in, is twee jaar en wordt gerekend vanaf de aanvang van de activiteiten, bedoeld in. 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 2011 20034 09-11-2011 31-10-2011 WJZ/11154967 22-11-2011 Artikel IV van Stcrt. 2011/20034 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.23 — Artikel 4.23#
Artikel 4.23 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien het overkoepelende plan niet het vertrouwen geeft dat de IPC-penvoerder de begeleiding van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun innovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren; b. voor zover voor dezelfde werkzaamheden met dezelfde IPC-deelnemers reeds op grond van deze paragraaf subsidie is verleend of in dezelfde periode is aangevraagd; c. indien aan een IPC-deelnemer eerder subsidie is verstrekt krachtens dit hoofdstuk of de Subsidieregeling innovatieprestatiecontracten, en 1°. tussen de datum waarop het IPC-project start en de datum waarop het vorige IPC-project is gestart, een periode verstreken is van minder dan drie jaar, of 2°. de IPC-deelnemer toestemming heeft verkregen om het IPC-project in een langere periode dan drie jaar af te ronden, maar binnen die toegestane aanvullende periode een nieuw IPC-project start; d. indien de datum waarop het IPC-project start, meer dan zes maanden na de datum van de ontvangst van de subsidieaanvraag ligt; e. uit het innovatieplan onvoldoende blijkt dat de IPC-deelnemer activiteiten verricht die gericht zijn op innovatie van zijn producten, diensten of processen. 2012 10598 30-05-2012 21-05-2012 WJZ/12061523 2012 10598 30-05-2012 21-05-2012 WJZ/12061523 13-06-2012 Artikel III van Stcrt. 2012/10598 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.24 — Artikel 4.24#
Artikel 4.24 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. er sprake is van meer innovatie; b. de kwaliteit van de samenwerking hoger is. 2 Voor de rangschikking telt het criterium a voor 60 procent en het criterium b voor 40 procent. 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 2013 8373 04-04-2013 03-04-2013 WJZ/13009953 05-04-2013
Artikel 4.25 — Artikel 4.25#
Artikel 4.25 1 Voor subsidies boven de € 25.000 bedraagt de hoogte van het eerste voorschot 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. De hoogte van de overige voorschotten, indien van toepassing, bedraagt 0 procent van de maximale hoogte van de subsidie. 2 Artikel 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing op subsidies boven de € 25.000. 3 Indien de door de minister verleende subsidie meer bedraagt dan € 25.000, wordt deze subsidie ambtshalve vastgesteld. 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 2011 3669 03-03-2011 23-02-2011 WJZ/11019095 04-03-2011 Artikel IIa van Stcrt. 2011/3669 jo. Stcrt/ 2011/8355 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.26 — Artikel 4.26#
Artikel 4.26 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. artikelen 4.3 4.10 bijlage 4.1 een subsidie, bedoeld in deenis opgenomen in; b. artikel 4.18 bijlage 4.2 een subsidie, bedoeld inis opgenomen in; c. artikel 4.10 bijlage 2.2 de vaststelling van een subsidie, bedoeld inis opgenomen in. 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 01-07-2011
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – grote innovatievoucher: artikel 5.2, eerste lid paragraaf 4 een op grond van, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject, danwel – voor de toepassing vanvan dit hoofdstuk – dat de ondernemer kan gebruiken ten behoeve van een subsidie in de kosten van het aanvragen en verkrijgen van een octrooi, waarbij van de ondernemer een eigen bijdrage verlangd wordt; – kennisoverdrachtproject: een door een kennisinstelling verrichte activiteit, bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, beantwoorden van een toepassingsgerichte kennisvraag van een ondernemer of ten hoogste 10 ondernemers gezamenlijk, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten en van welke activiteit de gevolgen naar verwachting grotendeels ten goede zullen komen aan de Nederlandse economie. Geen kennisoverdrachtsproject is een project waarbij de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag plaatsvindt door het leveren van goederen, het geven van cursussen of het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten, zoals het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal; – kleine innovatievoucher: artikel 5.3, eerste lid paragraaf 4 een op grond van, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject, danwel – voor de toepassing vanvan dit hoofdstuk – dat de ondernemer kan gebruiken ten behoeve van een subsidie in de kosten van het aanvragen en verkrijgen van een octrooi, zonder dat een eigen bijdrage van de ondernemer verlangd wordt. 2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder kennisinstelling: a. onder a, b, c, f of g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek onder i van de bijlage bij die wet artikel 6.9 16.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Subsidieregeling innovatievouchers eengenoemde instelling voor hoger onderwijs en eenbedoeld academisch ziekenhuis, Nyenrode Business Universiteit alsmede andere instellingen van hoger onderwijs, die op basis vanofzijn aangewezen en zich als kennisinstelling in de zin van dit hoofdstuk of van debij de minister hebben aangemeld; b. artikel 1.1.1, onderdeel b artikel 12.3.8 artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs instellingen als bedoeld in,en; c. een andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; d. een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde: 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a, 2°. instelling van middelbaar beroepsonderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder b of 3°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; e. een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b, c of d direct of indirect: 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft, 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of 3°. overwegende zeggenschap heeft; f. Subsidieregeling innovatievouchers een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met e en die zich als kennisinstelling in de zin van dit hoofdstuk of van debij de minister heeft aangemeld; g. een onderzoeksafdeling, die onderdeel vormt van een onderneming of groep die niet als hoofddoelstelling onderzoek en ontwikkeling heeft en die in 2008 kosten voor onderzoek en ontwikkeling had van ten minste € 45.000.000. 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 19-02-2010
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 1 De minister verstrekt op aanvraag een grote innovatievoucher aan een MKB-ondernemer die een kennisoverdrachtproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer in Nederland verricht. 2 Per MKB-ondernemer kan per kalenderjaar één grote innovatievoucher worden verstrekt. 3 Geen grote innovatievoucher wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer: a. aan wie door een of meer bestuursorganen in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds tot een hoger bedrag subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan voor de sector waartoe de betrokken onderneming behoort is vastgesteld in een de-minimis verordening; b. die failliet is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; c. hoofdstuk 5a die reeds eerder een aanvraag om verstrekking van een grote of kleine innovatievoucher op grond van dit hoofdstuk ofheeft gedaan waarop de minister nog geen beschikking heeft afgegeven; d. hoofdstuk 5a aan wie in hetzelfde kalenderjaar een grote innovatievoucher op grond vanis verstrekt. 4 Indien het voor de betrokken ondernemer geldende de-minimisplafond, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, niet al is bereikt door andere subsidies, wordt het bedrag dat gelet op dat plafond ten hoogste met inzet van de voucher kan worden vergoed, op de voucher vermeld. 5 artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In aanvulling opkan ook een grote innovatievoucher worden verstrekt aan een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die een kennisoverdrachtproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer aldaar verricht. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 1 artikel 5.2, eerste lid De minister verstrekt op aanvraag een kleine innovatievoucher aan een MKB-ondernemer als bedoeld in. Artikel 5.2, tweede lid, derde lid, onderdeel a en b, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. 2 hoofdstuk 5a Subsidieregeling innovatievouchers Beleidsregel verstrekking innovatievouchers 2004 Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 tweede fase artikel 2:22 van de Regeling LNV-subsidies Subsidieregeling zorginnovatie Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer aan wie op grond van dit hoofdstuk,of dereeds een kleine of grote innovatievoucher is verstrekt of aan wie op grond van de, de, de,of deeen innovatievoucher is verstrekt. 3 Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer in het kader van een kennisoverdrachtproject dat een kennisvraag betreft van een aantal ondernemers gezamenlijk. 4 paragraaf 4 Het tweede lid is niet van toepassing indien voorafgaand aan de aanvraag een kleine of grote innovatievoucher werd verstrekt ten behoeve van een subsidie krachtensvan dit hoofdstuk of paragraaf 4 van de Subsidieregeling innoveren, dan wel indien het betreft de aanvraag van een innovatievoucher met het oog op toepassing van paragraaf 4 van dit hoofdstuk; in het laatste geval wordt dat op de voucher vermeld. 5 artikel 5.7 Het tweede lid is niet van toepassing indien een verstrekte innovatievoucher op verzoek van de ondernemer die de voucher heeft ontvangen, door de minister is ingetrokken voordat deze voucher op grond vanbij de minister is ingeleverd of voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 1 De aanvraag door een ondernemer van een grote of kleine innovatievoucher wordt ingediend: a. bijlage 5.1 met gebruikmaking van een papieren formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden of b. bijlage 5.4 op elektronische wijze, met gebruikmaking van het formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende. 2 Een ondernemer kan ten hoogste één voucher tegelijkertijd aanvragen. 2009 57 24-03-2009 13-03-2009 WJZ/9042647 2009 57 24-03-2009 13-03-2009 WJZ/9042647 26-03-2009
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 1 Bij ministeriële regeling wordt bepaald gedurende welke periodes grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers kunnen worden aangevraagd en wordt per periode bepaald hoeveel grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers voor binnen dezelfde periode ingediende aanvragen beschikbaar zijn. 2 artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht De minister verdeelt de beschikbare grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing vande gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. 3 Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal grote innovatievouchers of het beschikbare aantal kleine innovatievouchers zou worden overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 De minister geeft een beschikking binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een kennisinstelling die een kennisoverdrachtproject heeft uitgevoerd en in verband daarmee een of meer geldige grote innovatievouchers of een geldige kleine innovatievoucher overlegt. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 Vervallen 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 01-01-2010
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 1 artikel 5.2, vierde lid De subsidie bedraagt tweederde deel van het bedrag van de door de kennisinstelling voor het kennisoverdrachtproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 5000, dan wel het krachtens, op de voucher vermelde bedrag per overgelegde grote innovatievoucher en, indien het kennisoverdrachtproject gericht is op het beantwoorden van een kennisvraag van meerdere ondernemers gezamenlijk, niet meer dan € 50.000 in totaal. 2 artikel 5.2, vierde lid De subsidie bedraagt het bedrag van de door de kennisinstelling voor het kennisoverdrachtproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 2500 dan wel het krachtens, op de voucher vermelde bedrag voor de overgelegde kleine innovatievoucher. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 1 artikel 5.9 De kosten die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze paragraaf zijn de inbedoelde kosten met dien verstande dat: a. de door de kennisinstelling gemaakte kosten voor maximaal de helft bestaan uit kosten die de kennisinstelling heeft gemaakt doordat de kennisinstelling het onderzoek in het kader van het kennisoverdrachtproject gedeeltelijk heeft uitbesteed aan een derde, niet zijnde een bij dat kennisoverdrachtproject betrokken aanvrager; b. geen subsidie wordt verstrekt voor zover het onderzoek is uitbesteed aan een persoon, die ook een dienstbetrekking heeft met de kennisinstelling; c. artikel 5.9, eerste lid indien de in onderdeel a bedoelde helft van de kosten wordt overschreden, de door de kennisinstelling gemaakte kosten, in aanmerking te nemen bij de toepassing van, tweemaal de kosten bedragen van het eigen onderzoek van de kennisinstelling; d. niet subsidiabel zijn kosten die in het kader van stages van studenten van kennisinstellingen worden gemaakt, noch kosten voor activiteiten waarvoor studenten studiepunten krijgen. 2 artikelen 10 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Dezijn niet van toepassing. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 1 Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het kennisoverdrachtproject ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst. 2 De aanvraag moet binnen een jaar nadat de voucher aan de ondernemer is verstrekt, zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend schriftelijk verzoek kan de minister deze termijn eenmalig verlengen. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de ondernemer en de kennisinstelling reeds voor de afgiftedatum van de innovatievoucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan; b. indien op de overgelegde voucher is vermeld dat zij zal worden gebruikt voor subsidiëring krachtens paragraaf 4 van dit hoofdstuk; c. de ondernemer de innovatievoucher aangewend heeft voor een kennisoverdrachtproject waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt. 2 artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 1 De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de toepassing van dit hoofdstuk, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 paragraaf 2 paragraaf 2 van de Subsidieregeling innovatievouchers De minister verstrekt op aanvraag aan een ondernemer, die een op grond vanvan dit hoofdstuk ofverstrekte innovatievoucher overlegt, een subsidie in de kosten van het aanvragen en verkrijgen van één of meer octrooien, indien dat doel bij de aanvraag om de voucher is aangegeven en op de verstrekte voucher is vermeld. 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 19-02-2010
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 artikel 5.14 De subsidie, bedoeld invalt onder een de-minimis verordening. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.16 — Artikel 5.16#
Artikel 5.16 De subsidie bedraagt: a. artikel 23b van de Rijksoctrooiwet artikel 5.2, vierde lid indien bij de aanvraag een grote innovatievoucher wordt overgelegd tweederde deel van het bedrag dat de persoon, die krachtensof artikel 134, eerste lid, van het Europees Octrooiverdrag, bevoegd is als gemachtigde op te treden of de tot octrooiverlening bevoegde autoriteit, waarvan bij de aanvraag de facturen zijn overgelegd, blijkens die facturen aan de ondernemer in rekening heeft gebracht, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 5000 dan wel het krachtens, op de voucher vermelde bedrag; b. artikel 5.2, vierde lid indien bij de aanvraag een kleine innovatievoucher wordt overgelegd het factuurbedrag, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 2500 dan wel het krachtens, op de voucher vermelde bedrag. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.17 — Artikel 5.17#
Artikel 5.17 1 artikel 5.16 De kosten die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze paragraaf zijn de inbedoelde kosten. 2 artikelen 10 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Dezijn niet van toepassing. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.18 — Artikel 5.18#
Artikel 5.18 De aanvraag om subsidie wordt, onder overlegging van de voucher, binnen een jaar nadat de voucher aan de ondernemer is verstrekt, bij de minister ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst. 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 2008 243 15-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187683 01-01-2009
Artikel 5.19 — Artikel 5.19#
Artikel 5.19 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. paragraaf 4 van de Subsidieregeling innovatievouchers Subsidieregeling prepare2start indien reeds eerder met gebruikmaking van een voucher subsidie is verstrekt krachtens deze paragraaf ofof indien reeds voor de aanvraag van hetzelfde octrooi subsidie is verstrekt op grond van de; b. voor zover de gefactureerde kosten reeds vóór de afgiftedatum van de innovatievoucher zijn gemaakt. 2 artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2009 57 24-03-2009 13-03-2009 WJZ/9042647 2009 57 24-03-2009 13-03-2009 WJZ/9042647 26-03-2009
Artikel 5.20 — Artikel 5.20#
Artikel 5.20 1 Indien de aanvraag door middel van een papieren formulier wordt ingediend, is het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. artikel 5.7 bijlage 5.2 een subsidie, bedoeld inopgenomen in; b. artikel 5.14 bijlage 5.3 een subsidie, bedoeld inopgenomen in. 2 Indien de aanvraag elektronisch wordt ingediend, is het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. artikel 5.7 bijlage 5.5 een subsidie, bedoeld inopgenomen in; b. artikel 5.14 bijlage 5.6 een subsidie, bedoeld inopgenomen in. 2009 57 24-03-2009 13-03-2009 WJZ/9042647 2009 57 24-03-2009 13-03-2009 WJZ/9042647 26-03-2009
Artikel 5a.1 — Artikel 5a.1#
Artikel 5a.1 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – grote innovatievoucher: artikel 5a.2, eerste lid artikel 5.1 een op grond van, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een instelling, niet zijnde een kennisinstelling als bedoeld in, ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject. – kennisoverdrachtproject: een door een instelling verrichte activiteit, bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, beantwoorden van een toepassingsgerichte kennisvraag van een ondernemer of ten hoogste tien ondernemers gezamenlijk, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten en van welke activiteit de gevolgen naar verwachting grotendeels ten goede zullen komen aan de Nederlandse economie. Geen kennisoverdrachtsproject is een project waarbij de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag plaatsvindt door het leveren van goederen, het geven van cursussen of het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten, zoals het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal; – kleine innovatievoucher: artikel 5a.3, eerste lid artikel 5.1 een op grond van, door de minister aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een instelling, niet zijnde een kennisinstelling als bedoeld in, ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject. 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 19-02-2010
Artikel 5a.2 — Artikel 5a.2#
Artikel 5a.2 1 De minister verstrekt op aanvraag een grote innovatievoucher aan een MKB-ondernemer die een kennisoverdrachtproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer in Nederland verricht. 2 Per MKB-ondernemer kan per kalenderjaar één grote innovatievoucher worden verstrekt. 3 Geen grote innovatievoucher wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer: a. aan wie door een of meer bestuursorganen in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds tot een hoger bedrag subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan voor de sector waartoe de betrokken onderneming behoort is vastgesteld in een de-minimis verordening; b. die failliet is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; c. hoofdstuk 5 die reeds eerder een aanvraag om verstrekking van een grote of kleine innovatievoucher op grond van dit hoofdstuk ofheeft gedaan waarop de minister nog geen beschikking heeft afgegeven; d. hoofdstuk 5 aan wie in hetzelfde kalenderjaar een grote innovatievoucher op grond vanis verstrekt. 4 Indien het voor de betrokken ondernemer geldende de-minimisplafond, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, niet al is bereikt door andere subsidies, wordt het bedrag dat gelet op dat plafond ten hoogste met inzet van de voucher kan worden vergoed, op de voucher vermeld. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.3 — Artikel 5a.3#
Artikel 5a.3 1 artikel 5a.2, eerste lid Artikel 5a.2, tweede lid, derde lid, onderdeel a, b en c, en vierde lid De minister verstrekt op aanvraag een kleine innovatievoucher aan een MKB-ondernemer als bedoeld in.is van overeenkomstige toepassing. 2 hoofdstuk 5 Subsidieregeling innovatievouchers Beleidsregel verstrekking innovatievouchers 2004 Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 tweede fase artikel 2:22 van de Regeling LNV-subsidies Subsidieregeling zorginnovatie Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer aan wie op grond van dit hoofdstuk,of dereeds een kleine of grote innovatievoucher is verstrekt of aan wie op grond van de, de, de,of deeen innovatievoucher is verstrekt. 3 Geen kleine innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer in het kader van een kennisoverdrachtproject dat een kennisvraag betreft van een aantal ondernemers gezamenlijk. 4 paragraaf 4 van hoofdstuk 5 paragraaf 4 Het tweede lid is niet van toepassing indien voorafgaand aan de aanvraag een kleine of grote innovatievoucher werd verstrekt ten behoeve van een subsidie krachtensofvan de Subsidieregeling innoveren. 5 artikel 5a.9 Het tweede lid is niet van toepassing indien een verstrekte innovatievoucher op verzoek van de ondernemer die de voucher heeft ontvangen, door de minister is ingetrokken voordat deze voucher op grond vanbij de minister is ingeleverd of voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken. 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 19-02-2010
Artikel 5a.4 — Artikel 5a.4#
Artikel 5a.4 1 bijlage 5a.1 De aanvraag door een ondernemer van een grote of kleine innovatievoucher wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. 2 Een ondernemer kan ten hoogste één voucher tegelijkertijd aanvragen. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.5 — Artikel 5a.5#
Artikel 5a.5 1 Bij ministeriële regeling wordt bepaald gedurende welke periodes grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers kunnen worden aangevraagd en wordt per periode bepaald hoeveel grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers voor binnen dezelfde periode ingediende aanvragen beschikbaar zijn. 2 artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht De minister verdeelt de beschikbare grote innovatievouchers en kleine innovatievouchers in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing vande gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. 3 Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal grote innovatievouchers of het beschikbare aantal kleine innovatievouchers zou worden overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.6 — Artikel 5a.6#
Artikel 5a.6 De minister geeft een beschikking binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.7 — Artikel 5a.7#
Artikel 5a.7 1 De ondernemer sluit in overleg met een adviseur van Syntens een overeenkomst met een instelling over de besteding van de voucher. 2 Syntens stuurt een advies over de besteding van de voucher aan de ondernemer en de minister. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.8 — Artikel 5a.8#
Artikel 5a.8 De minister kan een beschikking tot verlening van een voucher intrekken indien: a. het niet aannemelijk is dat de activiteiten die met de voucher zullen worden bekostigd een kennisoverdrachtproject vormen; b. de beoogde activiteiten onvoldoende bijdragen aan nieuwe producten, diensten en processen bij de ondernemer; c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de instelling in staat is om de benodigde inzet of expertise voor het kennisoverdrachtproject te leveren of de expertise heeft om de kennisvraag van de ondernemer te beantwoorden. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.9 — Artikel 5a.9#
Artikel 5a.9 artikel 5.1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een instelling, niet zijnde een kennisinstelling als bedoeld in, die een kennisoverdrachtproject heeft uitgevoerd en in verband daarmee een of meer geldige grote innovatievouchers of een geldige kleine innovatievoucher overlegt. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.10 — Artikel 5a.10#
Artikel 5a.10 Vervallen 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 2009 19287 16-12-2009 07-12-2009 WJZ/9153608 01-01-2010
Artikel 5a.11 — Artikel 5a.11#
Artikel 5a.11 1 artikel 5a.2, vierde lid De subsidie bedraagt 50 procent van het bedrag van de door de instelling voor het kennisoverdrachtsproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 3750, dan wel het krachtens, op de voucher vermelde bedrag per overgelegde grote innovatievoucher en, indien het kennisoverdrachtsproject gericht is op beantwoorden van een kennisvraag van meerdere ondernemers gezamenlijk, niet meer dan € 37.500 in totaal. 2 artikel 5a.2, vierde lid De subsidie bedraagt het bedrag van de door de instelling voor het kennisoverdrachtproject gemaakte kosten, exclusief eventueel in rekening te brengen omzetbelasting, maar niet meer dan € 2500 dan wel het krachtens, op de voucher vermelde bedrag voor de overgelegde kleine innovatievoucher. 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 2010 2481 18-02-2010 10-02-2010 WJZ/10016860 19-02-2010
Artikel 5a.12 — Artikel 5a.12#
Artikel 5a.12 1 artikel 5a.11 De kosten die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze paragraaf zijn de inbedoelde kosten met dien verstande dat geen subsidie wordt verstrekt voor zover het onderzoek is uitbesteed aan een derde. 2 artikelen 10 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Dezijn niet van toepassing. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.13 — Artikel 5a.13#
Artikel 5a.13 1 Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het kennisoverdrachtproject ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst. 2 De aanvraag moet binnen een jaar nadat de voucher aan de ondernemer is verstrekt, zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend schriftelijk verzoek kan de minister deze termijn eenmalig verlengen. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.14 — Artikel 5a.14#
Artikel 5a.14 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de ondernemer en de instelling reeds voor de afgiftedatum van de innovatievoucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan; b. artikel 5a.7 de uitvoering van het kennisoverdrachtproject in belangrijke mate afwijkt van de overeenkomst, bedoeld in; c. de ondernemer en de instelling verbonden zijn in een groep; d. de ondernemer de innovatievoucher aangewend heeft voor een kennisoverdrachtproject waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt. 2 artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.15 — Artikel 5a.15#
Artikel 5a.15 artikel 5a.9 bijlage 5a.2 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie, bedoeld in, is opgenomen in. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5a.16 — Artikel 5a.16#
Artikel 5a.16 1 De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de toepassing van dit hoofdstuk, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 2009 84 08-05-2009 27-04-2009 WJZ/9073523 10-05-2009
Artikel 5b.1 — Artikel 5b.1#
Artikel 5b.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: jonggehandicapte: artikel 2:3 artikel 3:2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten de jonggehandicapte, bedoeld inof; minister van SZW: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert; Wajong adviesvoucher: artikel 5b.3, eerste lid een op grond van, door de minister van SZW aan een ondernemer afgegeven document, dat deze ondernemer kan inleveren bij een door de minister van SZW aangewezen re-integratiebedrijf ten behoeve van een onderzoek naar en advies over de mogelijkheden om binnen het bedrijf van de ondernemer werkzaamheden in dienstbetrekking door jonggehandicapten te laten uitvoeren. 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010
Artikel 5b.2 — Artikel 5b.2#
Artikel 5b.2 1 Kaderwet SZW-subsidies Dit hoofdstuk is gebaseerd op de. 2 Algemene Regeling SZW-subsidies Deis niet van toepassing op dit hoofdstuk. 3 hoofdstukken 1 tot en met 3 4, paragrafen 1 artikel 10, vierde lid 3 5 7 8 artikel 23 24 9 10, paragraaf 2 11, paragrafen 1 3 13 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De,met uitzondering van, en,,,met uitzondering vanen,,,en, enzijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk. 2011 2984 21-02-2011 14-02-2011 R&P/RA/11/2060 2011 2984 21-02-2011 14-02-2011 R&P/RA/11/2060 22-02-2011 31-12-2009
Artikel 5b.3 — Artikel 5b.3#
Artikel 5b.3 1 De minister van SZW verstrekt op aanvraag een Wajong adviesvoucher aan een ondernemer die een onderzoek wil laten uitvoeren naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen zijn bedrijf te laten uitvoeren. 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend van 15 februari 2010 tot en met 29 april 2011. 3 Per ondernemer kan één Wajong adviesvoucher worden verstrekt. Per franchiseketen kunnen ten hoogste 100 Wajong adviesvouchers worden verstrekt. 4 Geen Wajong adviesvoucher wordt verstrekt aan een ondernemer: a. die failliet is verklaard, aan wie surseance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; b. die reeds eerder een aanvraag om verstrekking van een Wajong adviesvoucher op grond van dit hoofdstuk heeft gedaan waarop de minister van SZW nog geen beschikking heeft afgegeven. 2011 2984 21-02-2011 14-02-2011 R&P/RA/11/2060 2011 2984 21-02-2011 14-02-2011 R&P/RA/11/2060 22-02-2011 31-12-2009
Artikel 5b.4 — Artikel 5b.4#
Artikel 5b.4 bijlage 5b.1 De aanvraag van een Wajong adviesvoucher door een ondernemer wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010
Artikel 5b.5 — Artikel 5b.5#
Artikel 5b.5 1 Er zijn 1000 Wajong adviesvouchers beschikbaar. 2 artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht De minister van SZW verdeelt de beschikbare Wajong adviesvouchers in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing vande gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. 3 Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal Wajong adviesvouchers zou worden overschreden en de volgorde van die aanvragen niet kan worden vastgesteld, stelt de minister van SZW de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting. 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 31-12-2009
Artikel 5b.6 — Artikel 5b.6#
Artikel 5b.6 De minister van SZW geeft een beschikking binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag om een Wajong adviesvoucher. Indien een beschikking niet binnen de termijn van zes weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld. 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 31-12-2009
Artikel 5b.7 — Artikel 5b.7#
Artikel 5b.7 De ondernemer die een Wajong adviesvoucher heeft ontvangen sluit een overeenkomst met een door de minister van SZW aangewezen re-integratiebedrijf over de besteding van de voucher. 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010
Artikel 5b.8 — Artikel 5b.8#
Artikel 5b.8 De minister van SZW verstrekt op aanvraag een subsidie aan een door hem aangewezen re-integratiebedrijf, indien dat re-integratiebedrijf een onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen het bedrijf van een ondernemer te laten verrichten heeft uitgevoerd en in verband daarmee een: overlegt. a. geldige Wajong adviesvoucher; en b. een door de ondernemer, die opdracht heeft gegeven tot het onderzoek, getekende verklaring dat het onderzoek is uitgevoerd; 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010
Artikel 5b.9 — Artikel 5b.9#
Artikel 5b.9 1 artikel 5b.8 Een re-integratiebedrijf als bedoeld inkan op aanvraag door de minister van SZW worden aangewezen, indien dat bedrijf in ieder geval: a. is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel dan wel het nationale beroepshandelsregister, of een daarmee vergelijkbaar buitenlands register; b. heeft aangegeven dat de onderzoeken naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen het bedrijf van een ondernemer te laten uitvoeren, zullen worden uitgevoerd door een arbeidsdeskundige; c. Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten aantoont dat het in de periode van 1 december 2006 tot 1 december 2009 tenminste 30 jonggehandicapten die recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deheeft ondersteund bij de inschakeling in het arbeidsproces; d. aantoont dat de arbeidsdeskundige die de onderzoeken gaat uitvoeren ervaring heeft met het re-integreren van personen in de regio, bedoeld in het tweede en derde lid, waarin het bedrijf wenst te worden aangewezen. 2 Ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk wordt Nederland verdeeld in vijf regio’s: a. Regio 1: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe; b. Regio 2: de provincies Overijssel, Gelderland en Flevoland; c. Regio 3: de provincies Utrecht en Noord-Holland; d. Regio 4: de provincies Zuid-Holland en Zeeland; en e. Regio 5: de provincies Noord Brabant en Limburg 3 Per regio, bedoeld in het tweede lid, wijst de minister van SZW ten hoogste zes re-integratiebedrijven aan. 4 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de minister van SZW voor 31 januari 2010. 5 Indien per regio meer dan zes re-integratiebedrijven een aanvraag om aanwijzing hebben ingediend en alle voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wijst de minister van SZW de zes re-integratiebedrijven aan door middel van een loting onder de re-integratiebedrijven die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid. 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010
Artikel 5b.10 — Artikel 5b.10#
Artikel 5b.10 De subsidie bedraagt € 2500,00 per overgelegde Wajong adviesvoucher. 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010
Artikel 5b.11 — Artikel 5b.11#
Artikel 5b.11 Geen subsidie wordt verstrekt indien het onderzoek door het re-integratiebedrijf is uitbesteed aan een derde. 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 31-12-2009
Artikel 5b.12 — Artikel 5b.12#
Artikel 5b.12 1 Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen een onderneming te laten uitvoeren, ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst. 2 De aanvraag om subsidie moet binnen zes maanden nadat de Wajong adviesvoucher aan de ondernemer is verstrekt, zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend schriftelijk verzoek kan de minister van SZW deze termijn eenmalig verlengen. 3 De minister van SZW geeft binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking tot subsidievaststelling. 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010
Artikel 5b.13 — Artikel 5b.13#
Artikel 5b.13 De minister van SZW beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. de ondernemer en het re-integratiebedrijf reeds voor de afgiftedatum van de Wajong adviesvoucher verplichtingen jegens elkaar zijn aangegaan; b. artikel 5b.7 de uitvoering van het onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen een onderneming te laten uitvoeren in belangrijke mate afwijkt van de overeenkomst, bedoeld in; c. de ondernemer en het re-integratiebedrijf zijn verbonden in een groep; d. de ondernemer de Wajong adviesvoucher heeft aangewend voor een project waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt of dat deel uitmaakt van een project of programma waarvoor reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt; e. artikel 5b.9, eerste lid, onderdelen b en d het onderzoek naar de mogelijkheden om een jonggehandicapte werkzaamheden in dienstbetrekking binnen een onderneming te laten uitvoeren niet is uitgevoerd door de arbeidsdeskundige, bedoeld in. 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 2010 14046 13-09-2010 24-08-2010 R&P/RPA/2010/16790 14-09-2010 Abusievelijk is voor het eerste lid, onderdeel a, een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 5b.14 — Artikel 5b.14#
Artikel 5b.14 artikel 5b.8 bijlage 5b.2 De aanvraag voor een subsidie, bedoeld in, wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende, en gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 31-12-2009
Artikel 5b.15 — Artikel 5b.15#
Artikel 5b.15 1 De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de toepassing van dit hoofdstuk, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 3 De subsidie-ontvanger verleent aan de toezichthouders op de toepassing van dit hoofdstuk alle medewerking die dezen redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van hun bevoegdheden. 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 2009 20381 29-12-2009 17-12-2009 R&P/RPA/2009/28483 31-12-2009
Artikel 5c.1 — Artikel 5c.1#
Artikel 5c.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit: een door een kennisinstelling verrichte activiteit, bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, beantwoorden van een toepassingsgerichte kennisvraag van een MKB-ondernemer gericht op het versterken van innovatie op het gebied van elektrische mobiliteit, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de ontwikkeling van producten, productieprocessen, diensten of bijdragen aan een business case, zoals het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoek, literatuurstudie, testwerk en algemeen marktonderzoek, het opstellen van een innovatie- of marktstrategie, en het ontwikkelen of vernieuwen van producten of processen. Geen kennisoverdrachtproject is in ieder geval een project waarbij de beantwoording van een toepassingsgerichte kennisvraag plaatsvindt door het leveren van goederen, het geven van cursussen, het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten, zoals het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal, de automatisering van boekhouding en procesautomatisering, het uitvoeren van octrooionderzoek of octrooiaanvraag door de kennisinstellingen alsmede organisatieonderzoek en duurzaamheidsonderzoek, of sociale innovatie; – a) elektrische voertuigen; b) elektrische vaartuigen; c) elektrische oplaadpunten; d) componenten van elektrische voertuigen, elektrische vaartuigen en elektrische oplaadpunten, die essentieel zijn om elektrisch te rijden, en e) diensten, die gekoppeld zijn aan elektrische voertuigen, elektrische vaartuigen en elektrische oplaadpunten; – elektrische voertuigen: voertuigen voorzien van een elektromotor als hoofdmotor en een accu, eventueel in combinatie met een verbrandingsmotor, waarvan de accu kan worden opgeladen door middel van een oplaadvoorziening buiten het voertuig, niet zijnde een fiets, vorkheftruck, scootmobiel, tram of een metro, en die voldoen aan de volgende eisen: a) 2 voor voertuigen met kenteken een CO-uitstoot van minder dan 50 gram per kilometer is, of b) voor voertuigen zonder kenteken een actieradius van ten minste 50 kilometer op een volle accu is, en c) zijn bestemd voor vervoer over de openbare weg of op bedrijfsterreinen in de open lucht; – elektrische vaartuigen: vaartuigen bestemd voor personen- of goederenvervoer, die voor de voortstuwing voorzien zijn van uitsluitend een elektromotor of een elektromotor als hoofdmotor, gecombineerd met een verbrandingsmotor (hybride); – elektrische oplaadpunten: oplaadpunten voor het laden van accu's van voer- of vaartuigen, die een elektromotor als hoofdmotor hebben; – kennisinstelling: artikel 5.1, tweede lid een kennisinstelling als bedoeld in. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 5c.2 — Artikel 5c.2#
Artikel 5c.2 1 De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher elektrische mobiliteit ter waarde van maximaal € 5000,– (inclusief BTW) aan een MKB-ondernemer die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert op het gebied van elektrische mobiliteit. 2 Een innovatievoucher elektrische mobiliteit kan worden ingeleverd bij een kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit. 3 Per MKB-ondernemer kan één innovatievoucher elektrische mobiliteit worden verstrekt. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 5c.3 — Artikel 5c.3#
Artikel 5c.3 Deze paragraaf valt onder de de-minimisverordening. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 5c.4 — Artikel 5c.4#
Artikel 5c.4 1 Bij ministeriële regeling wordt bepaald gedurende welke periodes innovatievouchers elektrische mobiliteit kunnen worden aangevraagd en wordt per periode bepaald hoeveel innovatievouchers elektrische mobiliteit voor binnen dezelfde periode ingediende aanvragen beschikbaar zijn. 2 De minister verdeelt de beschikbare innovatievouchers elektrische mobiliteit in de volgorde van ontvangst van de aanvragen. Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare aantal innovatievouchers elektrische mobiliteit zou worden overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast door middel van loting. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 5c.5 — Artikel 5c.5#
Artikel 5c.5 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een kennisinstelling die een kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit heeft uitgevoerd en in verband daarmee een geldige innovatievoucher elektrische mobiliteit overlegt. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 5c.6 — Artikel 5c.6#
Artikel 5c.6 De subsidie bedraagt het bedrag van de door de kennisinstelling ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit gemaakte kosten, maar niet meer dan € 5000,–. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 5c.7 — Artikel 5c.7#
Artikel 5c.7 1 Een aanvraag om subsidie wordt na afloop van het kennisoverdrachtproject elektrische mobiliteit ingediend en wordt behandeld op volgorde van binnenkomst. 2 De aanvraag moet binnen een jaar nadat de innovatievoucher elektrische mobiliteit aan de ondernemer is verstrekt zijn ontvangen. Op een voor het einde van de termijn daartoe ingediend verzoek kan de minister deze termijn eenmalig verlengen met uiterlijk zes maanden. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 5c.8 — Artikel 5c.8#
Artikel 5c.8 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. bijlage 5c.1 een innovatievoucher elektrische mobiliteit is opgenomen in; b. artikel 5c.5 bijlage 5c.2 een subsidie als bedoeld inis opgenomen in. 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 2012 24576 28-11-2012 23-11-2012 WJZ/12306041 01-01-2013
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – operationele eindgebruiker: de ambulancesector, de brandweerorganisatie, defensie, de politieorganisatie en overige publieke operationele veiligheidsorganisaties; – veiligheidsproject: een planmatig geheel van activiteiten bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan op het terrein van de maatschappelijke veiligheid dat past binnen de thema’s • Optreden in ketens en netwerken, • Opleiden en trainen met behulp van geavanceerde simulatie, of • bijlage 6.1 Fysieke bescherming van de Maatschappelijke Innovatieagenda Veiligheid, zoals omschreven inen dat leidt tot technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die of een deelnemer in een samenwerkingsverband dat een veiligheidsproject uitvoert. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009
Artikel 6.3 — Artikel 6.3#
Artikel 6.3 1 Het samenwerkingsverband bestaat uit hetzij twee of meer ondernemers, hetzij een of meer ondernemers en een of meer onderzoeksorganisaties. 2 De penvoerder is een ondernemer. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009
Artikel 6.5 — Artikel 6.5#
Artikel 6.5 1 artikelen 22 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 6.7 artikel 6.8 Er is een Adviescommissie innovatie voor maatschappelijke veiligheid, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in deenenen de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009
Artikel 6.6 — Artikel 6.6#
Artikel 6.6 artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld inis twee jaar. 2010 20276 17-12-2010 09-12-2010 WJZ/10172563 2010 20276 17-12-2010 09-12-2010 WJZ/10172563 01-01-2011
Artikel 6.7 — Artikel 6.7#
Artikel 6.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien uit de aanvraag om subsidie voor het veiligheidsproject geen betrokkenheid blijkt van het operationele veld; b. voor zover het gevraagde subsidiebedrag voor het veiligheidsproject hoger is dan € 1.500.000; c. indien van het veiligheidsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. 2010 20276 17-12-2010 09-12-2010 WJZ/10172563 2010 20276 17-12-2010 09-12-2010 WJZ/10172563 01-01-2011
Artikel 6.8 — Artikel 6.8#
Artikel 6.8 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate; a. de bijdrage aan technologische vernieuwing of aan wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie voor maatschappelijke veiligheid groter is; b. meer wordt bijgedragen aan het creëren van een veiliger Nederland; c. de doelmatigheid en doeltreffendheid van het project groter is; d. de projectresultaten meer economische waarde creëren, beter wordt aangesloten bij de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009
Artikel 6.9 — Artikel 6.9#
Artikel 6.9 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. bijlage 6.2 een subsidie is opgenomen in; b. bijlage 2.2 een subsidievaststelling is opgenomen in. 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 01-07-2011
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009 Voorheen art. 6.1.
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling innoveren. 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 2009 11299 27-07-2009 18-07-2009 WJZ/9119524 29-07-2009 Voorheen art. 6.2.
Artikel 1.2#
artikel 1.2, eerste lid
Artikel 2.11#
artikelen 2.11, onderdeel b
Artikel 3.13#
3.13, onderdeel b
Artikel 4.26#
4.26, onderdeel c
Artikel 6.9#
6.9, onderdeel b
Artikel 3.13#
artikel 3.13, onderdeel a
Artikel 5.4#
hoofdstuk 5 Innovatievouchers, artikel 5.4, lid 1, onder a
Artikel 5.4#
artikel 5.4, lid 1, onder b, van de Subsidieregeling innoveren
Artikel 5.20#
artikel 5.20, lid 2, onder a
Artikel 5a.15#
hoofdstuk 5a Private innovatievouchers, artikel 5a.15
Artikel 5c.8#
artikel 5c.8, onder a
Artikel 5c.8#
artikel 5c.8, onder b
Artikel 5.20#
artikel 5.20, lid 2, onder b
Artikel 6.1#
artikel 6.1