Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187684, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van starten, groeien en overdragen van ondernemingen (Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen)
- BWB-id
- BWBR0024902
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2014-07-12 t/m 2014-08-19
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0024902
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/subsidieregeling-starten-groeien-en-overdragen-van-ondernemi
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/subsidieregeling-starten-groeien-en-overdragen-van-ondernemi/2014-07-12
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0024902&g=2014-07-12
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0024902&z=2026-06-06&g=2014-07-12
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0024902/2014-07-12
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2009/subsidieregeling-starten-groeien-en-overdragen-van-ondernemi
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 01-01-2012 Artikel II van Stcrt. 2011/23204 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 1 artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bijlage 1.1 Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in. 2 artikel 12, vierde lid verordening (EG) nr. 1906/2006 Als rapport als bedoeld in, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader vanvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in, bedraagt 50 procent van de loonkosten. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 1 artikel 13, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het uurtarief, bedoeld in, bedraagt € 35. 2 artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het uurtarief, bedoeld inbedraagt € 35. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 verordening (EG) nr. 800/2008 Deze regeling valt onder devan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214). 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 Vervallen 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 01-01-2012 Artikel II van Stcrt. 2011/23204 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een bank en een door de minister aangewezen kredietverstrekker. 2 artikel 2.3, derde lid Wet financiële markten BES Voor de toepassing van, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van dedie op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen en een door de minister aangewezen, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde, kredietverstrekker. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan: a. een bank voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op: 1°. bedrijfsborgstellingskredieten; 2°. bodemsaneringsborgstellingskredieten; b. artikel 2.2, eerste lid een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst. 3 In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan: a. artikel 2.2, tweede lid een kredietinstelling als bedoeld in, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op: 1°. bedrijfsborgstellingskredieten; 2°. bodemsaneringsborgstellingskredieten; b. artikel 2.2, tweede lid een door de minister aangewezen kredietverstrekker als bedoeld in, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten. Artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, onder 1 , is niet van toepassing op de in dit lid bedoelde MKB-ondernemers. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 artikel 2.3, eerste lid De subsidie, bedoeld in, valt onder de de-minimis verordening. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 1 Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die: a. een onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: 1°. de beoefening van de land- of de tuinbouw, de vee- of visteelt, de visserij of de teelt van vee- of visvoer, 2°. de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen of 3°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; b. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg een aanbieder is als bedoeld indan wel het beroep van dierenarts, notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder. 2 Vervallen. 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 01-01-2012 Artikel II van Stcrt. 2011/23204 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 1 artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het tarief van de provisie, bedoeld inbedraagt eenmalig: a. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar, b. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan vier jaar, c. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan vier jaar, maar niet langer dan zes jaar, d. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan negen jaar en e. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan negen jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. 2 artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het tarief van de provisie, bedoeld inbedraagt 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bodemsaneringsborgstellingskrediet betreft. 2013 2125 01-02-2013 25-01-2013 WJZ/13010922 2013 2125 01-02-2013 25-01-2013 WJZ/13010922 01-04-2013
Artikel 2.6a — Artikel 2.6a#
Artikel 2.6a 1 artikelen 22 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Er is een Adviescommissie Borgstelling MKB-kredieten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een bedrijfsborgstellingsovereenkomst, bedoeld in deen. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zeven leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 1 Wet financiële markten BES De minister verdeelt het subsidieplafond voor banken en kredietinstellingen in de zin van dedoor vaststelling van een maximumbedrag per bank respectievelijk kredietinstelling die zich bij de minister hebben aangemeld. 2 De minister stelt het maximumbedrag per financier, als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve vast voor het voorgaande kalenderjaar. 3 artikel 2.2, eerste en tweede lid bijlage 2.5 De minister verdeelt het subsidieplafond voor door de minister aangewezen kredietverstrekkers, als bedoeld in, op volgorde van binnenkomst van de meldingen, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van het model bedrijfsborgstellingsovereenkomst, zoals opgenomen in. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 Er wordt borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag. 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 01-01-2012 Artikel II van Stcrt. 2011/23204 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2010 4648 26-03-2010 19-03-2010 WJZ/10047532 2010 4648 26-03-2010 19-03-2010 WJZ/10047532 01-01-2012 2010 20452 28-12-2010 20-12-2010 WJZ/10187950 Artikel II, derde lid, van Stcrt. 2010/4648 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2010/4648 gesteld op 1 januari 2011.
Artikel 2.9 — Artikel 2.9#
Artikel 2.9 1 Wet financiële markten BES bijlage 2.1 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van deis opgenomen in. 2 Wet financiële markten BES bijlage 2.2 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (meer dan één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van deis opgenomen in. 3 Wet financiële markten BES bijlage 2.3 Het model voor de bodemsaneringsborgstellingskredietovereenkomst (één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van deis opgenomen in. 4 Wet financiële markten BES bijlage 2.4 Het model voor de bodemsaneringsborgstellingskredietovereenkomst (meer dan één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van deis opgenomen in. 5 artikel 2.2, eerste en tweede lid bijlage 2.5 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst met een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in, is opgenomen in. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 2.10 — Artikel 2.10#
Artikel 2.10 1 artikel 2.3, eerste en derde lid bijlage 2.6 Wet financiële markten BES Het formulier voor het indienen van een aanvraag om borgstelling als bedoeld in, voor een bank respectievelijk een kredietinstelling in de zin van de, is opgenomen in. 2 artikel 2.3, eerste en derde lid artikel 2.2, eerste respectievelijk tweede lid bijlage 2.7 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om borgstelling als bedoeld in, voor een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in, is opgenomen in. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 2.11 — Artikel 2.11#
Artikel 2.11 bijlagen 2.1 2.2 2.5 Op aanvragen om subsidie die voor 1 januari 2015 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de,en, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 01-11-2013
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – aandelenkapitaal: de aandelen in het kapitaal van een onderneming van een ondernemer, die de financier rechtstreeks van de ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening; – a. een lening van geld door een financier aan een ondernemer met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten, 1°. welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer op persoonlijke titel heeft gegeven, 2°. waarop de ondernemer krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer waaraan de achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders in de onderneming van de ondernemer en 3°. ten aanzien waarvan de financier in de vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen of b. artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een lening van geld door een financier aan een ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een dochtermaatschappij in de zin van, met het oog op financiering door deze ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij, 1°. welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer en van een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij en 2°. ten aanzien waarvan de financier in de akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; – reserveringsquotum: het bedrag dat de minister op aanvraag van een financier vaststelt als maximum voor de som van de garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die: 1°. gedurende drie jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft; 2°. gedurende twee jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien reeds eerder een reservingsquotum is toegekend; – risicokapitaal: kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of een achtergestelde lening; – waarde van aandelenkapitaal: het bedrag in geld dat de financier bij de volstorting van de aandelen heeft betaald dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de financier; – waarde van een achtergestelde lening: het nog niet afgeloste deel van de lening. 2009 17783 20-11-2009 18-11-2009 WJZ/9207917 2009 17783 20-11-2009 18-11-2009 WJZ/9207917 11-12-2009
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 4.1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier, niet zijnde een startersfonds als bedoeld in, voor het verstrekken van risicokapitaal aan een ondernemer. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling voor de terugbetaling van risicokapitaal dat de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur de overeenkomst met een maximum van twaalf jaar. 3 De garantstelling heeft slechts betrekking op risicokapitaal dat wordt verstrekt nadat de minister desgevraagd een reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum toereikend en geldig is. 4 In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan een financier voor het verstrekken van risicokapitaal aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. 5 Wet financiële markten BES Voor de toepassing van het vierde lid wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van dedie op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, of een in Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen die blijkens haar statuten of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan ondernemers teneinde winst te behalen. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 De financier verstrekt geen risicokapitaal aan een ondernemer wier activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in. 2 artikel 70 van de Woningwet De financier verstrekt geen risicokapitaal aan een instelling als bedoeld in. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van het risicokapitaal. 2 Indien de financier bij het verkrijgen van risicokapitaal een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze regeling slechts van toepassing op het gedeelte van het verkregen risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 hoofdstuk 4 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op risicokapitaal waarbij de waarde van het risicokapitaal dat aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een andere financier met toepassing van dit hoofdstuk en van risicokapitaal dat met toepassing vanvan deze regeling aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, niet meer bedraagt dan € 5.000.000. 2 hoofdstuk 4 In afwijking van het eerste lid heeft de garantstelling voor participatiemaatschappijen uitsluitend betrekking op risicokapitaal waarbij de waarde van het risicokapitaal dat aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van het risicokapitaal dat door een andere participatiemaatschappij met toepassing van dit hoofdstuk en van risicokapitaal dat met toepassing vanvan deze regeling aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, niet meer bedraagt dan € 25.000.000. 2009 17783 20-11-2009 18-11-2009 WJZ/9207917 2009 17783 20-11-2009 18-11-2009 WJZ/9207917 11-12-2009 Artikel II van Stcrt. 2009/17783 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 1 artikelen 22 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Er is een Adviescommissie Groeifaciliteit die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in deen. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zes leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 1 bijlage 3.1 Inis een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van achtergestelde leningen en aandelenkapitaal. 2 bijlage 3.2 Inis een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van niet converteerbare achtergestelde leningen. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 De minister verdeelt het subsidieplafond voor het toekennen van reserveringsquota op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een reserveringsquotum indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten of geen aanvraag voor het sluiten van een garantstellingsovereenkomst heeft ingediend; b. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst. 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 12-07-2014
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 1 De financier is voor het verkrijgen van een reserveringsquotum een eenmalige provisie van 1 procent van dit quotum verschuldigd. 2 artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het tarief van de provisie, bedoeld in, wordt voor de garantie op het verstrekte risicokapitaal vastgesteld op: a. 2,5 procent per jaar van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal indien de kapitaalverstrekking bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde ondernemer door de financier of door een andere financier die deel uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal; b. 3 procent van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal, die per kwartaal wordt berekend, in andere gevallen. 3 De minister kan in plaats van het tarief van de provisie, genoemd in het tweede lid, een vergoeding vaststellen, indien het tarief van de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 2009 17783 20-11-2009 18-11-2009 WJZ/9207917 2009 17783 20-11-2009 18-11-2009 WJZ/9207917 11-12-2009 Artikel II van Stcrt. 2009/17783 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 Op gemeenschappelijk verzoek van een financier die beschikt over een reserveringsquotum en van een andere financier die een garantstellingsovereenkomst met de staat heeft, kan dit quotum geheel of gedeeltelijk voor de resterende periode worden overdragen aan de laatstgenoemde financier. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 Jaarlijks vindt een evaluatie van de toepassing van deze regeling plaats, onder meer ter beoordeling of de inkomsten en de uitgaven ingevolge garantstellingen op grond van deze regeling met elkaar in evenwicht zijn. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 3.12a — Artikel 3.12a#
Artikel 3.12a 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: – lening: een al dan niet achtergestelde lening van geld door een financier aan een ondernemer, welke lening: a. al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, b. niet converteerbaar is en c. is afgesloten met de afspraak dat een gedeelte van de rente vast is en een gedeelte van de rente flexibel is en gekoppeld is aan Euribor, met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten; – liquiditeitsopslag: een door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen een bank. 3 artikel 3.12b, tweede lid Wet financiële markten BES Voor de toepassing van, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van dedie op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 3.12b — Artikel 3.12b#
Artikel 3.12b 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van acht jaar. 2 De minister kan ook subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft verstrekt. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.12c — Artikel 3.12c#
Artikel 3.12c 1 De financier verstrekt geen lening aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in. 2 artikel 70 van de Woningwet De financier verstrekt geen lening aan een instelling als bedoeld in. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.12d — Artikel 3.12d#
Artikel 3.12d 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van het nog niet afgeloste deel van de lening. 2 Indien de financier bij het verkrijgen van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze paragraaf slechts van toepassing op het gedeelte van de verkregen lening dat onder de garantstelling is gebracht. 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 08-03-2009
Artikel 3.12e — Artikel 3.12e#
Artikel 3.12e 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer verstrekte lening niet minder bedraagt dan € 1.500.000. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte lening tezamen met die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000. a. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen of b. 3.12v een of meer bankgarantiefaciliteiten als bedoeld in 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 01-11-2013
Artikel 3.12f — Artikel 3.12f#
Artikel 3.12f 1 artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Er is een Adviescommissie Kredietcommissie die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de. 2 artikel 3.12i De commissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in. 3 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vier leden. 4 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaar. 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 21-08-2013
Artikel 3.12g — Artikel 3.12g#
Artikel 3.12g bijlage 3.6 Inis een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen. 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 08-03-2009
Artikel 3.12h — Artikel 3.12h#
Artikel 3.12h De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 08-03-2009
Artikel 3.12i — Artikel 3.12i#
Artikel 3.12i De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst zoals opgenomen in bijlage 3.6 er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in. c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst. 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 08-03-2009
Artikel 3.12j — Artikel 3.12j#
Artikel 3.12j 1 artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het tarief van de provisie, bedoeld in, wordt voor de garantie op de verstrekte lening, berekend door alle door de financier over het gegarandeerde deel van de lening ontvangen inkomsten te verminderen met: a. een kwart procent per jaar voor beheerskosten, b. Euribor zoals opgenomen in de kredietofferte aan het te financieren bedrijf vermeerderd met een liquiditeitsopslag en c. de afsluitprovisie. 2 Indien de financier een hogere rating heeft dan A, wordt de liquiditeitsopslag vermeerderd met het verschil tussen het percentage uit de regeling voor staatsgaranties voor de uitgifte van schuldpapier van banken voor banken met een rating A en de werkelijke rating van de financier. 3 Indien de afsluitprovisie meer bedraagt dan 0,5 procent van de lening, wordt het meerdere toegevoegd aan de in het eerste lid, aanhef, genoemde inkomsten. 4 De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 2009 45 06-03-2009 21-02-2009 WJZ/9036947 08-03-2009
Artikel 3.12k — Artikel 3.12k#
Artikel 3.12k In deze paragraaf wordt verstaan onder: – curatieve zorg: Wet toelating zorginstellingen zorg door een instelling die een toelating heeft op grond van devoor het verlenen van medisch-specialistische zorg of een zorgcontract heeft met het Zorgverzekeringskantoor BES en die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; – lening: een niet achtergestelde lening van geld door een financier aan een ondernemer, welke lening: a. al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, b. niet converteerbaar is en c. is afgesloten met de afspraak dat een gedeelte van de rente vast is, een gedeelte van de rente flexibel is en gekoppeld is aan Euribor, met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten; – liquiditeitsopslag: een door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld. 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 2011 23204 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11109912 01-01-2012 Artikel II van Stcrt. 2011/23204 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.12l — Artikel 3.12l#
Artikel 3.12l 1 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen a. een bank; b. Wet financiële markten BES een kredietinstelling in de zin van dedie op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een academisch ziekenhuis aangemerkt als een ondernemer. 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 2012 20975 19-10-2012 09-10-2012 WJZ/12316813 20-10-2012
Artikel 3.12m — Artikel 3.12m#
Artikel 3.12m De minister verstrekt op aanvraag subsidie in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van acht jaar. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12n — Artikel 3.12n#
Artikel 3.12n 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van het nog niet afgeloste deel van de lening. 2 Indien de financier bij het verschaffen van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling ingevolge deze paragraaf brengt, zijn de bepalingen van deze paragraaf slechts van toepassing op het gedeelte van de verkregen lening dat onder de garantstelling is gebracht. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12o — Artikel 3.12o#
Artikel 3.12o 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer verstrekte lening niet minder bedraagt dan € 1.500.000. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte lening tezamen met het nog niet afgeloste deel van de lening of leningen die door de financier met toepassing van deze paragraaf aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt niet meer bedraagt dan € 50.000.000. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12p — Artikel 3.12p#
Artikel 3.12p 1 artikel 3.6 artikelen 22 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De inbedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in deen. 2 artikel 3.12f, tweede lid artikel 3.12s De in, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12q — Artikel 3.12q#
Artikel 3.12q bijlage 3.9 Inis een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12r — Artikel 3.12r#
Artikel 3.12r De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12s — Artikel 3.12s#
Artikel 3.12s De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een garantstelling: a. indien de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. bijlage 3.9 indien er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst zoals opgenomen in; c. indien de financier eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst; d. voor zover voor een lening of deel daarvan reeds door de stichting Waarborgfonds voor de Zorgsector, gevestigd te Utrecht, een garantstelling is verstrekt; e. indien de activiteiten van de ondernemer niet in overwegende mate betrekking hebben op de curatieve zorg; f. indien de lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt geen betrekking heeft op de bouw of verbouw van een onroerende zaak. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12t — Artikel 3.12t#
Artikel 3.12t 1 artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het tarief van de provisie, bedoeld in, wordt voor de garantie op de verstrekte lening, berekend door alle door de financier over het gegarandeerde deel van de lening ontvangen inkomsten te verminderen met: a. een kwart procent per jaar voor beheerskosten; b. Euribor zoals opgenomen in de kredietofferte aan het te financieren bedrijf vermeerderd met een liquiditeitsopslag en c. de afsluitprovisie. 2 Indien de financier een hogere rating heeft dan A, wordt de liquiditeitsopslag vermeerderd met het verschil tussen het percentage uit de regeling voor staatsgaranties voor de uitgifte van schuldpapier van banken voor banken met een rating A en de werkelijke rating van de financier. 3 Indien de afsluitprovisie meer bedraagt dan 0,5 procent van de lening, wordt het meerdere toegevoegd aan de in het eerste lid, aanhef, genoemde inkomsten 4 De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 2009 16163 23-10-2009 16-10-2009 WJZ/9178831 24-10-2009
Artikel 3.12u — Artikel 3.12u#
Artikel 3.12u 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: − bankgarantie: de verplichting van een financier om aan een begunstigde, ten laste van een ondernemer, ten behoeve van eigen activiteiten van die ondernemer, een bedrag te betalen, indien de begunstigde daarop aanspraak maakt, uitgezonderd kredietgaranties; − bankgarantiefaciliteit: het bedrag waarvoor een financier aan een begunstigde ten laste van een ondernemer bankgaranties kan afgeven die onder de garantstelling van de staat kunnen vallen; − waarde van een bankgarantie: de hoogte van het bedrag waarop maximaal aanspraak kan worden gemaakt onder een afgegeven bankgarantie. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen: a. een bank; b. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een schadeverzekeraar als bedoeld in. 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 21-08-2013
Artikel 3.12v — Artikel 3.12v#
Artikel 3.12v 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het afgeven van een bankgarantie. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een vordering die een financier op een ondernemer krijgt uit hoofde van een betaling onder een bankgarantie die een financier op grond van een overeenkomst ten laste van een ondernemer heeft afgegeven voor de duur van minimaal zes maanden en maximaal 8 jaar. 3 In afwijking van het tweede lid kan, indien een bankgarantie geen vaste looptijd heeft en het inroepen daarvan afhankelijk is van het zich voordoen van een bepaalde gebeurtenis, een financier een bankgarantie onder de garantstelling brengen onder de voorwaarde dat de gebeurtenis bij het aangaan van de bankgarantie zich naar verwachting niet meer dan 7 jaar na het afsluiten van de bankgarantiefaciliteit voordoet en dat de begunstigde een provincie, gemeente, openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen of een dienst, instelling of bedrijf van de rijksoverheid is. 4 De garantstelling heeft slechts betrekking op bankgaranties die worden afgegeven nadat de minister desgevraagd een bankgarantiefaciliteit heeft goedgekeurd en voor zover deze faciliteit toereikend en geldig is. 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 21-08-2013
Artikel 3.12w — Artikel 3.12w#
Artikel 3.12w 1 De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in. 2 artikel 70 van de Woningwet De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een instelling als bedoeld in. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.12x — Artikel 3.12x#
Artikel 3.12x 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van een bankgarantie. 2 Indien de financier bij het afgeven van een bankgarantie een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze paragraaf slechts van toepassing op het gedeelte van de afgegeven bankgarantie dat onder de garantstelling is gebracht. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.12y — Artikel 3.12y#
Artikel 3.12y 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de door een financier ten laste van een ondernemer afgegeven bankgarantie niet minder bedraagt dan € 250.000. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte bankgarantiefaciliteit tezamen met die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000. a. een of meer bankgarantiefaciliteiten of b. 3.12b het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen als bedoeld in 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 01-11-2013
Artikel 3.12z — Artikel 3.12z#
Artikel 3.12z artikel 3.12f, eerste lid paragraaf 2 3 artikel 3.12ac artikelen 22 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De in, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in deenindien met de financier nog geen garantstellingsovereenkomst is gesloten als bedoeld inofen de afwijzingsgronden voor aanvragen om een bankgarantiefaciliteit, bedoeld in. 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 2013 23740 20-08-2013 16-08-2013 WJZ/13048404 21-08-2013
Artikel 3.12aa — Artikel 3.12aa#
Artikel 3.12aa bijlage 3.13 Inis een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van bankgaranties. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.12ab — Artikel 3.12ab#
Artikel 3.12ab De minister verdeelt het subsidieplafond voor bankgarantiefaciliteiten op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.12ac — Artikel 3.12ac#
Artikel 3.12ac De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. bijlage 3.13 er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst, met uitzondering van onderdelen f, h en i, zoals opgenomen in; c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst; d. het bedrag van een bankgarantiefaciliteit minder bedraagt dan € 1.500.000. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.12ad — Artikel 3.12ad#
Artikel 3.12ad 1 De financier is voor het verstrekken van een bankgarantiefaciliteit een eenmalige provisie van 0,25 procent van 50 procent van de bankgarantiefaciliteit verschuldigd. 2 Voor zover de opbrengsten uit de provisie, bedoeld in het eerste lid, die de financier bij de onderneming in rekening brengt voor het verstrekken van de bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 0,5 procent van de bankgarantiefaciliteit, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. 3 Voor zover de opbrengsten uit een eventuele bereidstellingsprovisie die een financier bij een onderneming in rekening brengt over het onbenutte deel van een bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 25 procent van een door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie op bankgaranties, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. 4 artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het tarief van de periodieke provisie, bedoeld in, wordt voor de garantstelling op een afgegeven bankgarantie berekend over de waarde van de afgegeven bankgaranties op de eerste dag van het kwartaal en is gelijk aan de door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie over het door de staat gegarandeerde deel van de afgegeven bankgaranties met aftrek van 0,15 procent op jaarbasis als vergoeding voor de financier voor het beheer van de bankgarantiefaciliteit en met een minimum van 0,5 procent op jaarbasis. 5 In afwijking van het vierde lid kan een financier eenmalig en vooraf aangeven de provisie per kwartaal te willen verrekenen op basis van een controleerbare opgave van de provisieberekening op dagbasis. 6 De minister kan een hoger tarief voor de provisie, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 Het formulier voor: a. paragraaf 2 bijlage 3.3 het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van, is opgenomen in; b. bijlage 3.4 het indienen van een aanvraag voor een reserveringsquotum is opgenomen in; c. paragraaf 3 bijlage 3.5 het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond vanis opgenomen in; d. paragraaf 3 bijlage 3.7 het indienen van een aanvraag om een garantstelling op grond vanis opgenomen in; e. paragraaf 3A bijlage 3.8 het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond vanis opgenomen in; f. paragraaf 3A bijlage 3.10 het indienen van een aanvraag om een garantstelling op grond vanis opgenomen in; g. paragraaf 3B bijlage 3.12 het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond vanis opgenomen in; h. bijlage 3.14 het indienen van een aanvraag voor een bankgarantiefaciliteit is opgenomen in. 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 2010 3513 08-03-2010 02-03-2010 WJZ/10026538 09-03-2010
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 artikelen 3.12e 3.12y bijlagen 3.6 3.13 3.14 Op aanvragen om subsidie die voor 1 januari 2015 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven deenen de,en, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 2013 29700 25-10-2013 17-10-2013 WJZ/13161402 01-11-2013
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – achtergestelde vordering: een vordering van een startersfonds ten laste van een technostartersvennootschap, a. die het startersfonds heeft verkregen door aan de technostartersvennootschap geld ter leen te verstrekken, b. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling of een akkoord in faillissement van de debiteur, eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van de schulden die voortvloeien uit leningen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling is verbonden, c. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; – beheerskosten: alle kosten die een startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartersvennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingprijs van de participaties; – creatieve technostarter: een technostarter die actief is in de creatieve zakelijke dienstverlening, media, entertainment, of kunsten; – eerste commerciële verkoop: eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt; – fondsplan: een plan van een startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartersvennootschappen; – informal investor: een particulier die voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen; – inkomsten: alle op geld waardeerbare voordelen die een startersfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de technostartersvennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering; – investeringsbudget: de financiële middelen die een startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen; – investeringsperiode: de periode gedurende welke een startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van participaties; – participatie: risicodragend kapitaal in de vorm van: a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde vordering of b. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap als bedoeld onder 1° in combinatie met een achtergestelde vordering; – referentierente: de referentierentevoet, bedoeld in de Mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEG 1997, C 273), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met 4 procent; – startersfonds: een vennootschap: a. in de vorm van kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de andere lidstaten van de Europese Unie; b. die blijkens de akte waarbij haar statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen; en c. waarin ten minste drie aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een meerderheidsbelang in het fonds heeft; – technostarter : een rechtspersoon die een onderneming drijft die: a. minder dan zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop actief is op een markt; b. ten tijde van de eerste verstrekking van risicodragend kapitaal op grond van dit hoofdstuk voldoet aan de definitie van middelgrote, kleine of micro-ondernemingen; en c. hetzij voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, d. hetzij deel uitmaakt van één van de creatieve sectoren en voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe creatieve vinding of op een nieuwe toepassing van een bestaande creatieve vinding; – technostartersvennootschap: een technostarter die behoudens voor zover de onderneming behoort tot de economische sectoren van landbouw, visserij, aquacultuur of scheepsbouw of tot de EGKS-sectoren; a. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap, en b. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert, – verkrijgingprijs van een participatie: het bedrag in geld waarvoor het startersfonds de participatie heeft verkregen. 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 12-07-2014
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een startersfonds. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan. 2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan voor een creatieve technostarter. 3 De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening. 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 2011 23199 21-12-2011 13-12-2011 WJZ/11067701 01-01-2012 Artikel III van Stcrt. 2011/23199 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.3a — Artikel 4.3a#
Artikel 4.3a artikel 4.3 De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in, verbonden kunnen zijn. 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 12-07-2014
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 Vervallen 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 01-01-2010
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 1 In de overeenkomst van geldlening wordt bepaald dat: a. de financier een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister; b. de financier geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan. 2 In de overeenkomst van geldlening kunnen bepalingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt 50 procent van het investeringsbudget. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 1 Er wordt borg gestaan voor 100 procent van het bedrag. 2 Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 6.000.000 per subsidie-ontvanger. 3 Indien een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen een financiële bijdrage aan het investeringsbudget van de financier heeft verstrekt, wordt op grond van deze regeling slechts een zodanige geldlening verstrekt, dat het totaal van de geldlening en de andere financiële bijdragen niet meer bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde percentage. 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 12-07-2014
Artikel 4.8 — Artikel 4.8#
Artikel 4.8 1 artikelen 22 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 4.9 artikel 4.10 Er is een Adviescommissie seed capital technostarters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in deenen in, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste negen leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. 2012 12650 26-06-2012 18-06-2012 WJZ/12030564 2012 12650 26-06-2012 18-06-2012 WJZ/12030564 27-06-2012 01-01-2012
Artikel 4.9 — Artikel 4.9#
Artikel 4.9 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de investeringsperiode daadwerkelijk zal beschikken over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer van de financier op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is; c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2°. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in één technostartersvennootschap worden verkregen, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 3.500.000 bedraagt; 3°. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap verkrijgt, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 1.200.000 bedraagt; 4°. de middelen die door een financier over een periode van twaalf maanden aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 2.000.000 bedragen; 5°. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget; 6°. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie; 7°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van de participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 8°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 9°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 10°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 11°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarin niet eerder een participatie is verkregen door een investeringsfonds, niet zijnde een financier, behoudens indien de eerdere participatie is verkregen door een informal investor of door een investeringsfonds dat uitsluitend het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartersvennootschappen tot doel heeft en dat naar het oordeel van de minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen; d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd; e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd; f. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. 2 Artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing. 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 12-07-2014
Artikel 4.10 — Artikel 4.10#
Artikel 4.10 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid; b. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartersvennootschappen; c. het fondsplan doelmatiger is ingericht. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 4.11 — Artikel 4.11#
Artikel 4.11 artikel 30, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking vanbedraagt de termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen twee weken. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 4.12 — Artikel 4.12#
Artikel 4.12 1 artikel 33, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De vergoeding, bedoeld in, verschilt al naar gelang de inkomsten door de financier worden ontvangen in één van de volgende perioden: a. periode A: vanaf het tot stand komen van deze overeenkomst van geldlening tot het tijdstip waarop het totaal van de door de financier uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdrage voor de verkregen participaties; b. periode B: vanaf het onder a bedoelde tijdstip tot het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag; c. periode C: vanaf het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag. 2 artikel 33, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De vergoeding, bedoeld in, bedraagt: a. in periode A: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat; b. in periode B: 50 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat; c. in periode C: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van het krediet van de Staat. 3 De minister kan de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, per periode A, B en C afwijkend vaststellen, indien de financier in strijd heeft gehandeld met hetgeen in deze regeling of in de overeenkomst tot geldlening is bepaald. 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 12-07-2014
Artikel 4.13 — Artikel 4.13#
Artikel 4.13 1 bijlage 4.1 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om geldlening is opgenomen in. 2 bijlage 4.2 Het model voor een overeenkomst is opgenomen in. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – financiële bijdrage: een verstrekking van geld met of zonder terugbetalingsverplichting; – innovatieve starter: een innovatieve starter als bedoeld in paragraaf 5.4 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323); – kennisinstelling: artikel 1.13, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een onderwijsinstelling of een academisch ziekenhuis als bedoeld in; – lening: een lening aan een rechtspersoon die is verstrekt onder de voorwaarde dat een bij de rechtspersoon betrokken natuurlijke persoon garant staat voor de betaling van de rente en de terugbetaling van de hoofdsom, of een lening aan een natuurlijke persoon; – maatschappelijke organisatie: een rechtspersoon zonder winstoogmerk, uitgezonderd ondernemers die geen MKB-ondernemer zijn; – onderwijsinstelling: artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in; – starter: a. een MKB-ondernemer: 1°. die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten verkoopt en levert die zijn gebaseerd op een nieuwe vinding of een nieuwe toepassing en 2°. die ten hoogste vijf jaar geleden is ingeschreven in het handelsregister of b. een natuurlijke persoon die voorbereidingen treft voor de oprichting van een onderneming als bedoeld onder a; – technische haalbaarheidsstudie: een technische haalbaarheidsstudie in de zin van paragraaf 5.2 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323); – valorisatieplan: een planmatig en met elkaar samenhangend geheel van activiteiten dat: a. bijlage 5.1. strekt tot versterking van het valorisatieproces in Nederland door middel van faciliteiten zoals onder meer beschreven in; b. wordt uitgevoerd door ten minste één onderwijsinstelling en één in Nederland gevestigde onderneming die niet tot dezelfde groep behoren; c. is gebaseerd op een integrale visie ten aanzien van de ambitie om het valorisatieproces duurzaam te versterken; d. een looptijd heeft van zes jaar; – valorisatieproces: het proces waarbij toegevoegde waarde wordt gecreëerd door kennis geschikt of beschikbaar te maken voor economische of maatschappelijke benutting en door deze kennis daadwerkelijk aan te wenden in producten, diensten en processen of anderszins met deze kennis nieuwe bedrijvigheid te creëren. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de uitvoering van een valorisatieplan aan: a. een organisatie met rechtspersoonlijkheid waarin ten minste één onderwijsinstelling en één in Nederland gevestigde onderneming die niet tot dezelfde groep behoren, zijn verbonden of b. een deelnemer in een samenwerkingsverband bestaande uit ten minste één onderwijsinstelling en één in Nederland gevestigde onderneming die niet tot dezelfde groep behoren. 2 De subsidie wordt verstrekt voor activiteiten gedurende de eerste vier jaar van de looptijd van het valorisatieplan die bestaan uit: a. onderwijsactiviteiten in het kader van door de overheid bekostigd onderwijs ter stimulering van een ondernemende houding en voor de ontwikkeling van ondernemerschapscompetenties, verricht door een onderwijsinstelling die deelneemt aan de uitvoering van het valorisatieplan, ten behoeve van studenten, docenten of andere betrokkenen in alle kennisdomeinen binnen de onderwijsinstelling; b. activiteiten van een kennisinstelling die aan de uitvoering van het valorisatieplan deelneemt ter bevordering van de aanwending van kennis waarover zij beschikt met betrekking tot: voor zover die activiteiten niet bestaan uit advisering op individuele basis; 1°. de beoordeling in hoeverre deze kennis geschikt is voor economische of maatschappelijke benutting; 2°. het zoeken naar en stimuleren van starters, maatschappelijke organisaties en ondernemingen om deze kennis toe te passen; c. de indiening van aanvragen door een kennisinstelling die aan de uitvoering van het valorisatieplan deelneemt, voor de verwerving van rechten van intellectuele eigendom voor zover: 1°. de aanvragen passen in een door de kennisinstelling ontwikkelde visie over optimale bescherming van kennis; 2°. de verkregen rechten van intellectuele eigendom binnen 30 maanden tegen marktconforme voorwaarden worden overgedragen met het oog op de toepassing daarvan; 3°. de uit de overdracht verkregen opbrengsten worden geïnvesteerd in de primaire activiteiten van de kennisinstelling; d. de bekostiging van aan starters te verstrekken leningen ten behoeve van de oprichting of de opbouw van hun onderneming; e. de bekostiging van financiële bijdragen aan starters, MKB-ondernemers en maatschappelijke organisaties, uitgezonderd kennisinstellingen, voor het verrichten van een technische haalbaarheidsstudie; f. het vormen en in stand houden van een netwerk met behulp waarvan de uitvoerder van het valorisatieplan contacten onderhoudt met relevante derden; g. andere activiteiten ter versterking van het valorisatieproces. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 1 artikel 5.2, tweede lid, onderdelen a en b De subsidie voor de in, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten. 2 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c De subsidie voor de in, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 12.500 per aanvraag betreffende een intellectueel eigendomsrecht. 3 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel d De subsidie voor de in, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000 per starter. 4 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel e De subsidie voor de in, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 125.000 per haalbaarheidsonderzoek. 5 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel f De subsidie voor de in, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste 5% van de totaal verstrekte subsidie. 6 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel g De subsidie voor de in, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste 5% van de totaal verstrekte subsidie. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 artikel 5.2, tweede lid, onderdeel d Voor zover de subsidie voor de in, bedoelde activiteiten wordt verstrekt aan starters die geen innovatieve starter zijn, is de de-minimis verordening van toepassing. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 1 Het maximum bedrag voor het totaal van de op grond van een valorisatieplan te verstrekken subsidie bedraagt € 5.000.000 per subsidie-ontvanger. 2 Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde valorisatieplan en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 5.000.000 betreffen, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 1 artikelen 22 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 5.9 Er is een Adviescommissie valorisatieprogramma die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in deenen in. 2 De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf leden. 3 De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste zes jaar. 2010 19953 13-12-2010 07-12-2010 WJZ/10181175 2010 19953 13-12-2010 07-12-2010 WJZ/10181175 14-12-2010 01-11-2010
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld in, is zes jaar. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. niet aannemelijk is dat uitvoering van het valorisatieplan leidt tot een aanzienlijke en duurzame versterking van het valorisatieproces in Nederland; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de gerealiseerde versterking van het valorisatieproces aan het einde van de looptijd van het valorisatieplan structureel zal zijn verankerd bij de organisaties die deelnemen in de uitvoering van het valorisatieplan, en in de uitvoeringspraktijk. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 1 De subsidie-ontvanger stelt voor elk jaar van de looptijd van het valorisatieplan een jaarplan op dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten die gedurende het desbetreffende jaar worden verricht ter uitvoering van het valorisatieplan, onder vermelding van de desbetreffende kosten. 2 Het jaarplan wordt uiterlijk twee maanden voor de aanvang van het desbetreffende jaar ingediend. Het jaarplan voor het eerste jaar wordt uiterlijk dertien weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ingediend. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 1 Ten aanzien van de projectresultaten en de kennis die door het project is verkregen, verleent de subsidie-ontvanger medewerking aan de verdere verspreiding door de minister of door een door de minister aangewezen derde. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 De subsidie-ontvanger draagt er voor zorg dat de met de gesubsidieerde activiteiten gerealiseerde versterking van het valorisatieproces structureel wordt verankerd bij de uitvoerders van het valorisatieplan en in de uitvoeringspraktijk. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 1 artikel 5.2, tweede lid, onderdelen d en e De subsidie-ontvanger draagt er voor zorg dat aflossingen en afbetalingen die worden ontvangen over leningen die zijn verstrekt voor de in, bedoelde activiteiten, worden besteed voor het verstrekken van nieuwe, soortgelijke leningen. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt tot vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 3 Op verzoek van de subsidie-ontvanger kan de minister ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verplichting. 4 Aan de ontheffing, bedoeld in het derde lid, wordt het voorschrift verbonden dat de subsidie-ontvanger 50% van het totaal van de aflossingen op onderscheidenlijk afbetalingen van de leningen aan de minister betaalt. 5 Aan de ontheffing, bedoeld in het derde lid, kunnen andere voorschriften dan bedoeld in het vierde lid, worden verbonden. 6 Artikel 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De subsidie-ontvanger is verplicht om na verloop van vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling 50% van het totaal van de aflossingen en afbetalingen die over verstrekte leningen zijn of zullen worden ontvangen, aan de minister te betalen volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema.is niet van toepassing. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 1 De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, niet: a. indien hij een organisatie met rechtspersoonlijkheid is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden; b. indien hij deelnemer is in een samenwerkingsverband, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan. 2 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. bijlage 5.2 een subsidie is opgenomen in; b. bijlage 5.3 een subsidievaststelling is opgenomen in. 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 2010 7633 21-05-2010 11-05-2010 WJZ/10069658 22-05-2010 Artikel III van Stcrt. 2010/7633 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder een onderwijsinstelling: a. artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs een basisschool als bedoeld in, bekostigd uit de openbare kas; b. artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in, bekostigd uit de openbare kas; c. artikel 1 van de Wet op de expertisecentra een school of instelling voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in, bekostigd uit de openbare kas; d. artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs artikel 1.3.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld inen een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld invoor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, bekostigd uit de openbare kas; e. artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 12.3.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijsinstelling een instelling als bedoeld inmet uitzondering van een agrarisch opleidingscentrum voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, de instituten, genoemd inof de hogescholen, genoemd in; f. artikel 1.2, onderdeel a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in. 2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – CE-project: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het opzetten en totstandkomen van een Centre of Entrepreneurship; – CE-samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband, ten minste bestaande uit twee hoger onderwijsinstellingen die blijkens schriftelijke stukken samenwerken in het kader van een CE-project; – Centre of Entrepreneurship: de coördinatie, organisatie of ondersteuning van multidisciplinair en instellingsbreed ondernemerschapsonderwijs met als doel binnen een of meerdere hoger onderwijsinstellingen ondernemerschap te stimuleren; – hoger onderwijsinstelling: een onderwijsinstelling bedoeld in het eerste lid, onderdeel f; – ondernemerschapsonderwijsproject: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op de totstandkoming, verbetering of verspreiding van ondernemerschap in het onderwijs; – onderwijssamenwerkingsverband: een samenwerkingsverband, bestaande uit ten minste twee onderwijsinstellingen en of instellingsonderdelen die blijkens schriftelijke stukken in het kader van ondernemerschapsonderwijs samenwerken. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een onderwijsinstelling of de deelnemers in een onderwijssamenwerkingsverband dat een ondernemerschapsonderwijsproject uitvoert. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.3 — Artikel 6.3#
Artikel 6.3 Regeling steunintensiteit In afwijking van debedraagt de subsidie voor een ondernemerschapsonderwijsproject 50% van de subsidiabele kosten. 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 01-01-2010
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 Indien voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan wel een bestuursorgaan van een provincie of gemeente subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan 75 procent van de subsidiabele kosten. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.5 — Artikel 6.5#
Artikel 6.5 Voor subsidie komen de volgende rechtstreeks aan het ondernemerschapsonderwijsproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte en betaalde kosten in aanmerking: a. loonkosten van het personeel van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen, met dien verstande dat deze loonkosten worden bepaald op basis van een door de onderwijsinstelling voor dat personeel gehanteerd integraal uurtarief; b. aan derden verschuldigde kosten voor verrichte arbeid; c. materiaalkosten voor de aanschaf van middelen of materialen die een functionele relatie tot het ondernemerschapsonderwijsproject hebben met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 25 procent van de totale subsidiabele kosten bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief; d. kosten voor overhead, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 50 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief; e. de kosten voor projectmanagement, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 5 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.6 — Artikel 6.6#
Artikel 6.6 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.7 — Artikel 6.7#
Artikel 6.7 1 artikel 22 van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 6.10 Er is een Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie en in dat kader omtrent de afwijzingsgronden voor een ondernemerschapsonderwijsproject, met uitzondering van de afwijzingsgrond, bedoeld in, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste acht leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden voor een termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.8 — Artikel 6.8#
Artikel 6.8 artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld inis vier jaar. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.9 — Artikel 6.9#
Artikel 6.9 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. voor het ondernemerschapsonderwijsproject reeds door de rijksoverheid subsidie is verstrekt; b. het bedrijfsleven niet op enigerlei wijze betrokken is bij het ondernemerschapsonderwijsproject. c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt; d. aannemelijk is dat de activiteiten geen verbetering, uitbreiding, wijziging of aanvulling inhouden van reeds bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs van de betrokken onderwijsinstellingen. 2 artikel 23, onderdelen a, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.10 — Artikel 6.10#
Artikel 6.10 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. het meer bijdraagt aan ondernemerschap als onderdeel van de leeromgeving of het curriculum van leerlingen en studenten; b. de kwaliteit van het projectplan hoger is; c. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal onderwijsinstellingen bereikt; d. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal leerlingen of studenten van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen bereikt; e. het meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van het ondernemerschapsonderwijs. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 6.11 — Artikel 6.11#
Artikel 6.11 1 artikel 48, tweede lid, van het Kaderbesluit Een onderwijsinstelling wordt aangewezen als een instelling als bedoeld in. 2 artikelen 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking van dekunnen voorschotten slechts op aanvraag van de subsidie-ontvanger worden verstrekt. 3 Een aanvraag om een voorschot wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een tussenrapportage. 4 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier. 5 Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In het totaal is het bedrag aan voorschotten niet groter dan 80 procent van het bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. 2009 117 29-06-2009 24-06-2009 WJZ/9111891 2009 117 29-06-2009 24-06-2009 WJZ/9111891 01-07-2009
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – a. artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld invoor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs wordt bekostigd uit de openbare kas; b. artikel 1.1.1. onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs een instelling als bedoeld in; – praktijkleren: alle vormen van leren in de beroepspraktijk of met behulp van de beroepspraktijk die in combinatie met theorieonderwijs strekken tot het behalen van een diploma in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs of middelbaar beroepsonderwijs; – samenwerkingsverband beroepsonderwijs: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband van ten minste één MKB-ondernemer en een beroepsonderwijsinstelling dat blijkens schriftelijke stukken samenwerkt in het kader van praktijkleren; – vernieuwingstraject: een traject gericht op het gezamenlijk door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen vernieuwen van de vorm, de inhoud en het proces van of de taakverdeling rondom het praktijkleren. 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 01-01-2010 Artikel II van Stcrt. 2009/19699 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan de deelnemers in een samenwerkingsverband beroepsonderwijs dat een project uitvoert dat bestaat uit een samenhangend geheel van activiteiten die zijn gericht op: a. het door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen gezamenlijk ontwerpen en uitvoeren van een vernieuwingstraject of b. het duurzaam verankeren van het door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen gezamenlijk ontwikkelde vernieuwingstraject op basis van schriftelijke afspraken. 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 01-01-2010 Artikel II van Stcrt. 2009/19699 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 1 Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 500.000 per subsidie-ontvanger. 2 Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die samen een subsidiebedrag van meer dan € 500.000 betreffen, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 01-01-2010 Artikel II van Stcrt. 2009/19699 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.5 — Artikel 7.5#
Artikel 7.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 7.6 — Artikel 7.6#
Artikel 7.6 artikel 6 van het Kaderbesluit EZ-subsidies Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006-2009 Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2010 Bij de toepassing vanblijven de aanvullende vergoedingen op grond van deen debuiten beschouwing. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 7.7 — Artikel 7.7#
Artikel 7.7 artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 7.2 De termijn, bedoeld in, is drie jaar voor de ingenoemde activiteiten. 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 01-01-2010 Artikel II van Stcrt. 2009/19699 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.8 — Artikel 7.8#
Artikel 7.8 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de voor rekening van de deelnemers blijvende subsidiabele kosten voor meer dan 60 procent voor rekening komen van de deelnemende ondernemers tezamen, dan wel van de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen tezamen; b. de personele inbreng in de uitvoering van het project niet evenredig is verdeeld over de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen en de deelnemende ondernemers; c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project; d. onvoldoende aannemelijk is dat de samenwerking leidt tot verbetering van het praktijkleren; e. de kosten van het project niet in verhouding zijn met de activiteiten en de te verwachten resultaten, met name voor de MKB-ondernemers; f. artikel 7.2, onderdeel b onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten, bedoeld in, indien het project mede is gericht op duurzame verankering als daar bedoeld. 2 artikel 23, onderdelen a, b, d, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 2009 19699 21-12-2009 10-12-2009 WJZ/9222189 01-01-2010 Artikel II van Stcrt. 2009/19699 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 7.9 — Artikel 7.9#
Artikel 7.9 artikel 46, vierde lid 47, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking van, enbedraagt het voorschot 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 7.10 — Artikel 7.10#
Artikel 7.10 De subsidieontvanger neemt deel aan de jaarlijkse bijeenkomst van projectleiders voor projecten die wordt georganiseerd door het Ministerie van Economische Zaken in het kader van deze regeling en brengt op deze bijeenkomst verslag uit omtrent de uitvoering van het project. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 7.11 — Artikel 7.11#
Artikel 7.11 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde project, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 7.12 — Artikel 7.12#
Artikel 7.12 artikel 7.2 De subsidie-ontvanger is verplicht binnen drie maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening te starten met de activiteiten, bedoeld in. 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 2008 245 17-12-2008 03-12-2008 WJZ/8187684 01-01-2009
Artikel 7.13 — Artikel 7.13#
Artikel 7.13 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. bijlage 7.1 een subsidie is opgenomen in; b. bijlage 5.3 een subsidievaststelling is opgenomen in. 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 2011 11207 24-06-2011 20-06-2011 WJZ/10146711 01-07-2011
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: − contractprijs: de tussen opdrachtgever en scheepswerf overeengekomen prijs voor de bouw van een schip, met inbegrip van stelposten voor zover daarvoor in het contract vaste of geschatte bedragen zijn opgenomen en met uitzondering van de eventueel verschuldigde omzetbelasting; − kredietbedrag: het bedrag dat op grond van de kredietovereenkomst als krediet wordt verstrekt ten behoeve van de bouw in Nederland van een nieuw schip; − kredietovereenkomst: schriftelijke overeenkomst tussen een scheepswerf en een financier waarbij de financier op verzoek van de scheepswerf krediet verstrekt aan de scheepswerf voor de bouw in Nederland van een nieuw schip; − opdrachtgever: natuurlijke of rechtspersoon die opdracht heeft gegeven tot de bouw van een schip; − scheepswerf: een ondernemer die schepen ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust, hetzij zelfstandig, hetzij deel uitmakend van een groep; − schip: een zichzelf voortstuwend schip, met een minimaal vermogen van 365 kW of een minimaal tonnage van 500 bruto ton, niet zijnde een schip dat overeenkomstig zijn fundamentele en technisch vermogen is bedoeld om voor militaire doeleinden te worden gebruikt. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een bank, niet zijnde een bank die uitsluitend beleggingsonderneming is. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het verstrekken van een krediet aan een scheepswerf ten behoeve van de bouw in Nederland van een nieuw schip. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.4 — Artikel 8.4#
Artikel 8.4 1 bijlage 8.1 Er wordt garant gestaan voor maximaal 80 procent van de financiële verplichtingen die ingevolge artikel 2 van de overeenkomst tot garantstelling die is opgemaakt conform het model dat is opgenomen in, onder de garantstelling vallen. 2 Er wordt niet garant gestaan voor de kosten die de financier in rekening brengt aan de scheepswerf, met uitzondering van de kosten ten behoeve van de financiering van de bouw van het schip. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.5 — Artikel 8.5#
Artikel 8.5 1 Er is een Adviescommissie Garantieregeling scheepsnieuwbouwfinanciering die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent: a. artikelen 22 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 8.7 de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld inenen bedoeld in; b. artikel 8.10, tweede lid de bepaling van het tarief van de provisie bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.6 — Artikel 8.6#
Artikel 8.6 1 De financier dient de aanvraag om een garantstelling in binnen zeven werkdagen na het sluiten van de kredietovereenkomst. 2 De minister stuurt de financier binnen vijf werkdagen een bevestiging van ontvangst van de aanvraag. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.7 — Artikel 8.7#
Artikel 8.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. ten laste van de Staat een garantstelling, borgstelling, verzekering of herverzekering voor een kredietovereenkomst voor de bouw van hetzelfde schip is afgegeven; b. de contractprijs minder dan € 3.000.000 of meer dan € 100.000.000 bedraagt; c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de bouw van het schip; d. het kredietbedrag meer dan 80 procent van de contractprijs betreft; e. de kredietovereenkomst ten aanzien van het kredietbedrag een looptijd heeft van meer dan 36 maanden of de looptijd van de kredietovereenkomst langer is dan de termijn voor de bouw en technische-/financiële oplevering van het schip; f. de financier op het moment van het verstrekken van het kredietbedrag waarvoor de Staat garant staat een lopende financieringsfaciliteit verlaagt; g. de financier onvoldoende naar normaal bankgebruik te vestigen zekerheden heeft gevestigd of zal vestigen bij de verstrekking van het kredietbedrag aan de scheepswerf; h. door de verlening van de garantstelling het totaal van de op grond van dit hoofdstuk verleende garantstellingen ten behoeve van de scheepswerf of van de groep, waartoe deze scheepswerf behoort, meer zou bedragen dan 30 procent van het subsidieplafond; i. gegronde vrees bestaat dat de scheepswerf zich in financiële moeilijkheden bevindt; j. de rentabiliteits- en continuïteitsperpectieven van de scheepswerf onvoldoende bevredigend zijn; k. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de scheepswerf de capaciteiten heeft om de bouw van het schip naar behoren uit te voeren; l. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht zal uitvoeren niet blijkt dat de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, voorafgaand aan een uitbetaling van het krediet op grond van de kredietovereenkomst, een of meer aanbetalingen doet ter hoogte van ten minste 5 procent van de contractprijs; m. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht zal uitvoeren niet blijkt dat de aanbetaling door de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, oploopt tot ten minste 20 procent van de contractprijs tot aflevering van het schip; n. van de bouw van het schip onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.8 — Artikel 8.8#
Artikel 8.8 De minister verdeelt het subsidieplafond voor het stellen van garanties op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.9 — Artikel 8.9#
Artikel 8.9 bijlage 8.1 Het model voor de overeenkomst tot garantstelling is opgenomen in. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.10 — Artikel 8.10#
Artikel 8.10 1 artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies Het tarief van de provisie, bedoeld in, bedraagt jaarlijks tussen 0,39 procent en 4,19 procent van het bedrag dat op enig moment gedurende de bouw van een schip op basis van een kredietovereenkomst daadwerkelijk door een scheepswerf als krediet is opgenomen. 2 De minister bepaalt in de beschikking tot verlening van subsidie in de vorm van een garantstelling het tarief per individuele garantstelling. 3 Het tarief, bedoeld in het tweede lid, wordt zodanig vastgesteld dat: a. het marktconform is; b. de provisie zowel de met de garantstelling verbonden risico´s als de beheerskosten dekt; c. rekening wordt gehouden met een realistische risicoanalyse. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.11 — Artikel 8.11#
Artikel 8.11 De minister beziet eenmaal per jaar of de in dit hoofdstuk gestelde vereisten moeten worden herzien. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 8.12 — Artikel 8.12#
Artikel 8.12 bijlage 8.2 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om garantstelling is opgenomen in. 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 2013 5957 06-03-2013 04-03-2013 WJZ/13023889 07-03-2013
Artikel 9.1 — Artikel 9.1#
Artikel 9.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – veiligheidsadviseur: een onafhankelijke veiligheidsdeskundige: 1°. bijlage 9.1 die een diploma, certificaat of andere titel heeft behaald in ten minste één van de inopgenomen opleidingen of in een gelijkwaardige opleiding; 2°. die de cursus Adviseur Veiligheid Kleine Bedrijven van het Ministerie van Economische Zaken heeft gevolgd; 3°. die een recente verklaring omtrent gedrag, een recente verklaring van betrouwbaarheid of een door een bestuursorgaan afgegeven vergelijkbaar document met ten minste een gelijkwaardige betrouwbaarheid kan overleggen; 4°. bijlage 9.2 die voldoet aan de inopgenomen gedragscode; 5°. waarvan gebleken is dat de door hem gemaakte veiligheidsscans van voldoende kwaliteit zijn; 6°. die tenminste vijf jaren relevante ervaring als veiligheidsadviseur heeft. – veiligheidsmaatregelen: de in een veiligheidsscan genoemde maatregelen ten behoeve van de preventie van criminaliteit; – veiligheidsscan: een door een veiligheidsadviseur uitgevoerd onderzoek naar te nemen maatregelen ten behoeve van de preventie van criminaliteit in één of meer vestigingen van een MKB-ondernemer of in de voor de bedrijfsvoering van een MKB-ondernemer relevante bedrijfsmiddelen en waarin in ieder geval wordt ingegaan op de te nemen organisatorische, bouwkundige, elektronische en digitale maatregelen en hun onderlinge samenhang. 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 01-03-2012 Artikel IV, eerste en tweede lid, van Stcrt. 2012/2683 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2#
Artikel 9.2 Een subsidie die op grond van dit hoofdstuk wordt verstrekt valt onder de de-minimis verordening. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.3 — Artikel 9.3#
Artikel 9.3 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een veiligheidsscan heeft laten uitvoeren. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.4 — Artikel 9.4#
Artikel 9.4 De subsidie voor de veiligheidsscan bedraagt € 300. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.5 — Artikel 9.5#
Artikel 9.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.6 — Artikel 9.6#
Artikel 9.6 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. aan de MKB-ondernemer voor dezelfde vestiging of hetzelfde bedrijfsmiddel reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk; b. de MKB-ondernemer geen Kamer van Koophandel-nummer heeft; c. de aanvrager een MKB-ondernemer zonder vestigingen is, die meer dan tien fulltime-equivalents werknemers in dienst heeft; d. de aanvrager een MKB-ondernemer met minder dan zes vestigingen is en bij één of meer van die vestigingen meer dan tien fulltime-equivalents werknemers in dienst zijn; e. de MKB-ondernemer meer dan vijf vestigingen heeft; f. de veiligheidsscan niet wordt uitgevoerd ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer in Nederland; g. de veiligheidsscan geen betrekking heeft op de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer; h. de aanvrager geen KvK-nummer heeft voor de vestiging waarvoor subsidie wordt aangevraagd; i. reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk voor een vestiging op hetzelfde adres van een tot de groep van de MKB-ondernemer behorende onderneming; j. de adresgegevens van de vestiging in het handelsregister niet overeenkomen met de adresgegevens van de vestiging in de aanvraag; k. de veiligheidsscan op het moment van de ontvangst van de aanvraag ouder is dan negen maanden; l. reeds subsidie is verstrekt door de Minister van Veiligheid en Justitie. 2 artikel 23, onderdelen b, c, d, e, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 01-03-2012 Artikel IV, eerste lid, van Stcrt. 2012/2683 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.7 — Artikel 9.7#
Artikel 9.7 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer voor het treffen van één of meer in een veiligheidsscan opgenomen veiligheidsmaatregelen. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.8 — Artikel 9.8#
Artikel 9.8 De subsidie voor de veiligheidsmaatregelen bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 700. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.9 — Artikel 9.9#
Artikel 9.9 1 artikel 10 van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking vankomen voor subsidie in aanmerking: a. de rechtstreeks aan de veiligheidsmaatregelen toe te rekenen gemaakte kosten van derden; b. de periodiek terugkerende kosten van de koop van zaken ter uitvoering van de veiligheidsmaatregelen; c. de overige periodiek terugkerende kosten met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen voor het eerste jaar. 2 Onderhoudskosten komen niet voor subsidie in aanmerking. 3 artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking vankomen voor de aanvraag gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking. 4 Artikel 10, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.10 — Artikel 9.10#
Artikel 9.10 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 2010 16576 22-10-2010 13-10-2010 WJZ/10144037 01-01-2011 Artikel VIII van Stcrt. 2010/16576 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.11 — Artikel 9.11#
Artikel 9.11 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. artikel 9.3 geen subsidie aan de MKB-ondernemer is verstrekt op grond van; b. de aanvraag om subsidie niet is ontvangen binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening; c. aan de MKB-ondernemer reeds subsidie is verstrekt voor het treffen van één of meer veiligheidsmaatregelen die in dezelfde veiligheidsscan zijn opgenomen. 3 In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt de aanvraag niet afgewezen, indien voor de uitgevoerde veiligheidsscan subsidie is verstrekt door de Minister van Veiligheid en Justitie. 3 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor zover: a. een veiligheidsmaatregel wettelijk niet is toegestaan; b. de veiligheidsmaatregelen niet zijn getroffen ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer in Nederland; c. de veiligheidsmaatregelen geen betrekking hebben op de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer; d. de veiligheidsadviseur betrokken is bij de verwezenlijking van de in zijn veiligheidsscan opgenomen veiligheidsmaatregelen; e. een veiligheidsmaatregel bestaat uit het plaatsen van een camerabewakingsysteem zonder bijbehorend door de leverancier of installateur voor de vestiging opgesteld organisatorisch plan; f. de MKB-ondernemer voorafgaand aan de veiligheidsscan een verplichting is aangegaan met betrekking tot een veiligheidsmaatregel waarvoor subsidie wordt aangevraagd. 3 artikel 23, onderdelen b, c, d, e, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 01-03-2012 Abusievelijk voegt de Staatscourant een tweede en derde lid 3 toe. Artikel IV, eerste en derde lid, van Stcrt. 2012/2683 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.12 — Artikel 9.12#
Artikel 9.12 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om: a. artikel 9.3 bijlage 9.3 subsidie op grond vanis opgenomen in; b. artikel 9.7 bijlage 9.4 subsidie op grond vanis opgenomen in. 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 2012 2683 15-02-2012 07-02-2012 WJZ/12013645 01-03-2012 Artikel IV, eerste lid, van Stcrt. 2012/2683 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9a.1 — Artikel 9a.1#
Artikel 9a.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – academische innovatieve starter: Bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 4.1 van het Reglement NWO 2002 innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een universiteit, een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de, een onderzoeksorganisatie als bedoeld in, een onderzoeksinstituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, het Nederlands Kanker Instituut, het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen, onderzoekers van de Dubble-bundellijn bij de European Synchrotron Radiation Facility te Grenoble, Frankrijk, het Naturalis Biodiverity Center, of het Advanced Research Centre for NanoLithography, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende universiteit, het desbetreffende academisch ziekenhuis, de desbetreffende onderzoeksorganisatie of het desbetreffende onderzoeksinstituut; – experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 2.2, onder g, van het O&O&I-steunkader; – innovatieve starter: ondernemer als bedoeld in paragraaf 5.4 van het O&O&I-steunkader; – O&O&I-steunkader: Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU 2006, C 323); – toekomstige investeerder: artikelen 9a.5 9a.10 9a.15 persoon die in het kader van een vernieuwingsfasetraject of een vroegefasetraject van plan is na uitvoering van het vernieuwingsfaseplan of het vroegefaseplan aan de aanvrager van de subsidie financiering te verstrekken voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan het bedrag van de maximale hoofdsom, bedoeld in de,en, voor de fase na de vernieuwingsfase of de vroegefase; – vroegefaseplan: document waarin: a. de aanvrager van de subsidie uiteenzet op welke wijze en op welke termijn een uitvinding, een resultaat van een onderzoek, een idee of een concept zo kan worden ontwikkeld dat de toekomstige investeerder in staat is te besluiten tot de voorgenomen financiering, of; b. indien het gaat om een uiteenzetting van een academische innovatieve starter, de vragen van toekomstige financiers omtrent de ontwikkeling worden beantwoord zodat de toekomstige financiers over financiering kunnen besluiten; – vroegefasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vroegefaseplan; – vernieuwingsfaseplan: document waarin wordt uiteengezet op welke wijze en op welke termijn de MKB-ondernemer door experimentele ontwikkeling komt tot de ontwikkeling of de verdere ontwikkeling van een product, proces of dienst op basis waarvan de toekomstige investeerder definitief kan besluiten tot financiering van het vervolgtraject; – vernieuwingsfasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vernieuwingsfaseplan. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.2 — Artikel 9a.2#
Artikel 9a.2 Een subsidie die op grond van dit hoofdstuk wordt verstrekt valt onder het O&O&I-steunkader. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.3 — Artikel 9a.3#
Artikel 9a.3 1 bijlage 9a.1 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om subsidie door een MKB-ondernemer is opgenomen in. 2 bijlage 9a.2 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om subsidie door een innovatieve starter is opgenomen in. 3 bijlage 9a.3 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om subsidie door een academische innovatieve starter is opgenomen in. 4 artikel 9a.8 bijlage 9a.4 De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld inbestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen inen andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van dit hoofdstuk. 5 artikelen 9a.13 9a.20 bijlage 9a.5 De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in deenbestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen inen andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van dit hoofdstuk. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.4 — Artikel 9a.4#
Artikel 9a.4 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een MKB-ondernemer ten behoeve van de financiering van een vernieuwingsfasetraject. 2 bijlage 9a.6 Bij zijn aanvraag legt de MKB-ondernemer een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat inis opgenomen. 3 artikel 23, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld inbedraagt 24 maanden. 4 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het vernieuwingsfasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien met de uitvoering van het vernieuwingsfasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.5 — Artikel 9a.5#
Artikel 9a.5 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan: a. 35 procent van de door de MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 122.500; b. 45 procent van de door de MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 157.500. 2 De kosten gemaakt door de MKB-ondernemer als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vernieuwingstraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief. 3 Het vaste uurtarief bedoeld in het tweede lid is € 35 per uur. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.6 — Artikel 9a.6#
Artikel 9a.6 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien het vernieuwingsfasetraject geen experimentele ontwikkeling vormt; b. indien aannemelijk is dat de MKB-ondernemer de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; c. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vernieuwingsfaseplan het plan heeft opgevat de MKB-ondernemer te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; d. voor zover de begrote kosten van het vernieuwingsfasetraject hoger zijn dan € 350.000 of 1°. lager zijn dan € 142.000 indien de MKB-ondernemer een middelgrote onderneming in stand houdt, of 2°. lager zijn dan € 110.000 indien de MKB-ondernemer een kleine onderneming in stand houdt; e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer een vernieuwingsfasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vernieuwingsfasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; f. artikel 9a.4, eerste lid indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer de geldlening bedoeld in, kan terugbetalen. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.7 — Artikel 9a.7#
Artikel 9a.7 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.8 — Artikel 9a.8#
Artikel 9a.8 1 De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de MKB-ondernemer. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.9 — Artikel 9a.9#
Artikel 9a.9 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. 2 bijlage 9a.6 Bij zijn aanvraag legt de innovatieve starter een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat inis opgenomen. 3 artikel 23, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld inbedraagt 24 maanden. 4 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.10 — Artikel 9a.10#
Artikel 9a.10 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 350.000. 2 De kosten gemaakt door de innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief. 3 Het vaste uurtarief bedoeld in het tweede lid is € 35 per uur. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.11 — Artikel 9a.11#
Artikel 9a.11 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien aannemelijk is dat de innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vroegefaseplan het plan heeft opgevat de innovatieve starter te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; c. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 350.000 of lager zijn dan € 50.000; d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; e. artikel 9a.9, eerste lid indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter de geldlening bedoeld in, kan terugbetalen. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.12 — Artikel 9a.12#
Artikel 9a.12 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.13 — Artikel 9a.13#
Artikel 9a.13 1 De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de innovatieve starter. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.14 — Artikel 9a.14#
Artikel 9a.14 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een academische innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. 2 Bij zijn aanvraag legt de academische innovatieve starter: a. een rapport van een haalbaarheidsstudie over; b. artikel 9a.1 een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van academische innovatieve starter in. 3 artikel 23, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies De termijn, bedoeld inbedraagt 24 maanden. 4 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.15 — Artikel 9a.15#
Artikel 9a.15 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de academische innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 250.000. 2 De kosten gemaakt door de academische innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief. 3 Het vaste uurtarief bedoeld in het tweede lid is € 35 per uur. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.16 — Artikel 9a.16#
Artikel 9a.16 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien aannemelijk is dat de academische innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend niet zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 250.000 of lager dan zijn € 50.000; c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen; d. artikel 9a.14, eerste lid indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter de geldlening, bedoeld in, kan terugbetalen. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.17 — Artikel 9a.17#
Artikel 9a.17 1 artikelen 22 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies 9a.16 artikel 9a.19 Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in deenen, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 20 leden. 3 De voorzitter en de andere leden van de commissies worden door de minister voor een termijn van ten hoogste 2 jaar benoemd. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.18 — Artikel 9a.18#
Artikel 9a.18 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.19 — Artikel 9a.19#
Artikel 9a.19 1 artikel 9a.16 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing vanafwijzend is beslist, zodanig dat een vroegefasetraject hoger gerangschikt wordt naarmate: a. het commercieel perspectief van het vroegefasetraject groter is; b. de wetenschappelijke innovativiteit van het vroegefasetraject groter is; c. de kwaliteit van de academische innovatieve starter en het wetenschappelijk team dat betrokken is bij het vroegefasetraject hoger is; d. de kwaliteit van het vroegefasetraject hoger is. 2 Voor de rangschikking telt het criterium, genoemd in onderdeel a, voor 40 procent en de criteria, genoemd in de onderdelen b tot en met d, elk voor 20 procent. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.20 — Artikel 9a.20#
Artikel 9a.20 1 De subsidieverlening aan een academische innovatieve starter vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie subsidiebeschikking is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen acht weken na die beschikking tot verlening van de subsidie is ondertekend door de academische innovatieve starter. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 9a.21 — Artikel 9a.21#
Artikel 9a.21 Dit hoofdstuk vervalt met ingang van 1 november 2018, met dien verstande dat dit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 2014 17949 30-06-2014 24-06-2014 WJZ/14104796 01-07-2014
Artikel 10.0 — Artikel 10.0#
Artikel 10.0 1 artikel 4.3 artikel 4.5 Voor een startersfonds waaraan op grond vaneen subsidie is verstrekt voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 juli 2014, tot wijziging van de Subsidie-regeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen in verband met actualisatie van de subsidiemodule Seed capital technostarters (Stcrt. 2014, 19382) en waarvoor de overeenkomst van geldlening, bedoeld in, nog geldig is, blijft deze regeling van toepassing, zoals deze gold voor dat tijdstip. 2 bijlage 4.2 Op verzoek van een startersfonds als bedoeld in het eerste lid kan de overeenkomst van geldlening worden aangepast overeenkomstig het model opgenomen in, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden binnen vier maanden na het in het eerste lid bedoelde tijdstip. 3 bijlage 4.2, artikel 5, eerste lid, onderdeel c Het tweede lid is niet van toepassing met betrekking tot het bepaalde in. 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 2014 19382 11-07-2014 09-07-2014 WJZ/14111731 12-07-2014
Artikel 10.1 — Artikel 10.1#
Artikel 10.1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. 2009 20 30-01-2009 21-01-2009 WJZ/9013801 2009 20 30-01-2009 21-01-2009 WJZ/9013801 01-02-2009 Voorheen art. 9.1.
Artikel 10.2 — Artikel 10.2#
Artikel 10.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. 2009 20 30-01-2009 21-01-2009 WJZ/9013801 2009 20 30-01-2009 21-01-2009 WJZ/9013801 01-02-2009 Voorheen art. 9.2.
Artikel 1.2#
artikel 1.2, eerste lid
Artikel 2.9#
artikel 2.9, eerste lid
Artikel 1 — Artikel 1 Definitiebepalingen#
Artikel 1 Definitiebepalingen 1. Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De begrippen die in hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen zijn gedefinieerd hebben in deze overeenkomst de in deze regelingen gegeven betekenis. 2. Voorts wordt in deze overeenkomst verstaan onder: a. bankfaciliteit: krediet of een deel van een krediet waarvoor de Staat niet borg of garant staat: 1°. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 Regeling LNV-subsidies op grond van het, het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, dan wel de; of 2°. vanwege de overname van de verplichtingen van Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw; b. bank-gelieerde: een rechtspersoon waaraan de Bank direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor het handelen waarvan de Bank volledig aansprakelijk is, en die als Bank-gelieerde is vermeld in artikel 25 van deze overeenkomst; c. bedrijfsborgstellingskrediet: krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 6 is gemeld; d. de-minimissteun: steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) of verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193); e. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van, of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; f. innovatieve MKB-ondernemer: artikel 23, eerste lid artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in, ofen waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer; g. krediet: bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken; h. kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan: 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is of een Bank-gelieerde, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is; i. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; j. starter: 1°. een MKB-ondernemer, die een natuurlijk persoon is en die niet langer dan drie jaar een onderneming in stand houdt; 2°. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, tevens MKB-ondernemer, waarvan de bestuurder een natuurlijk persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt; k. starters-borgstellingskrediet: bedrijfsborgstellingskrediet dat uitsluitend wordt verstrekt aan een starter; l. uitwinning: 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden; 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen; en 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer; 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surseance van betaling is verleend de onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder; m. liquiditeitsopslag: een door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld.
Artikel 2 — Artikel 2 Borgstelling#
Artikel 2 Borgstelling Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Bank worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3 — Artikel 3 Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst#
Artikel 3 Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst 1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen: a. indien het krediet is gemeld als bedoeld in artikel 6; b. artikel 2.6 indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde provisie door de Bank aan de Staat is betaald; c. artikel 2.7, tweede lid indien en voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden; d. indien de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, zich borg heeft gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet met een minimum van € 5.000; e. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor buitenlandse investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer; f. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat; g. indien de kredietovereenkomst in schriftelijke vorm is aangegaan; h. indien de bank in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de MKB-ondernemer is opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel 20, eerste lid, genoemde bevoegdheden; i. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek indien de Bank in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomst met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de Staat heeft opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de Staat en de Bank geen bedingen heeft opgenomen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van; j. indien door de Bank gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan de MKB-ondernemer wordt verstrekt, met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de MKB-ondernemer over een bankfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van bankfaciliteiten waarover de MKB-ondernemer beschikt bij de Bank of een Bank-gelieerde of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is; k. indien de bankfaciliteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten minste 100 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, of, 1°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was; 2°. ten minste 50 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatieve MKB-ondernemer was, of 3°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien sprake is van een bedrijfsborgstellingskrediet, dat per kalenderjaar het bedrag van € 200.000 niet overschrijdt, indien de Bank bij de melding, bedoeld in artikel 6, heeft aangegeven hiervan gebruik te willen maken; l. indien de looptijd van de onder k bedoelde bankfaciliteit ten minste even lang is als de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel k, worden mede in aanmerking genomen de bedragen die een Bank-gelieerde gelijktijdig met de gesloten kredietovereenkomst aan de MKB-ondernemer worden verstrekt, indien de zekerheden van de Bank-gelieerde ter zake van die bedragen mede strekken tot zekerheid van de Bank.
Artikel 4 — Artikel 4 Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 4 Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet 1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan: a. de MKB-ondernemer: 1°. beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven; 2°. is in Nederland gevestigd en voert daar een substantieel deel van de activiteiten van de onderneming uit; 3°. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg is geen aanbieder als bedoeld in, noch oefent hij het beroep van dierenarts, notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder uit; 4°. houdt geen onderneming in stand waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: – de beoefening van de land- of de tuinbouw, de vee- of visteelt, de visserij of de teelt van vee- of visvoer, – de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of – het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; 5°. Regeling LNV-subsidies beschikt naast het bedrijfsborgstellingskrediet niet over een lening waarvoor de Staat uit hoofde van deof door overname van de verplichtingen van de Stichting Borgstellingsfonds voor de landbouw borg of garant staat; 6°. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 beschikt niet over een door een andere bank of kredietverstrekker verstrekte kredietfaciliteit, waarvoor de Staat op grond van het, hetof het Besluit borgstelling MKB-kredieten borg staat. b. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken; c. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend. 2. Het eerste lid, onderdeel a, onder 4, eerste gedachtenstreepje, is niet van toepassing op een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Artikel 5 — Artikel 5 Voorkomen onrechtmatige staatssteun#
Artikel 5 Voorkomen onrechtmatige staatssteun 1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet voorts aan de volgende criteria zijn voldaan: a. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000. Een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep; b. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat: – zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun; – de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, niet meer bedraagt dan € 100.000; – de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een kredietovereenkomst die wordt gesloten met een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint-Eustatius of Saba.
Artikel 6 — Artikel 6 Kredietmelding#
Artikel 6 Kredietmelding 1. De bank meldt het krediet of het deel van het krediet waarop deze bedrijfsborgstellingsovereenkomst van toepassing is binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst aan de Staat onder de gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. 2. De minister bevestigt de ontvangst van een melding binnen 35 dagen na ontvangst. 3. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingen door de minister bepalend.
Artikel 7 — Artikel 7 Provisie#
Artikel 7 Provisie 1. Het tarief van de provisie bedraagt eenmalig: a. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar, b. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan vier jaar, c. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan vier jaar, maar niet langer dan zes jaar, d. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan negen jaar en e. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan negen jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. 2. Indien overeenkomstig artikel 3, onderdeel b, een provisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de Staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de Staat heeft gedaan.
Artikel 8 — Artikel 8 Maximale omvang van de borgstelling#
Artikel 8 Maximale omvang van de borgstelling 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bedrijfsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt. 2. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een starters-borgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van dit krediet het totaal van de starters-borgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep een bedrag van € 200.000 niet overschrijdt. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bedrijfsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt. 4. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend. 5. Voor de toepassing van het eerste lid worden: a. bedrijfsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 6 zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 9 en 10 berekende gedeelte van die bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen; b. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 kredieten, voor zover de Staat daarvoor op grond van het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, of hetnog borg staat, als bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen. 6. In afwijking van het eerste lid, overschrijdt het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten per kalenderjaar een bedrag van € 200.000 niet, indien de Bank heeft aangegeven van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 3°, gebruik te maken.
Artikel 9 — Artikel 9 Berekening van de omvang en duur van de borgstelling#
Artikel 9 Berekening van de omvang en duur van de borgstelling 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 8 in aanmerking te nemen bedrijfsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast bedrag, dat het bedrijfsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, maar uiterlijk na verloop van 6 jaar, nihil bedraagt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar indien: a. het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend is bestemd voor de betaling van de kosten van de stichting, van de aankoop of van de verbouwing van een onroerende zaak, b. deze onroerende zaak voor ten minste de helft bestemd is te worden gebruikt voor de onderneming van de MKB-ondernemer, en c. de Bank met betrekking tot de onder a bedoelde kosten bankfaciliteiten verstrekt die een bedrag van ten minste 100 procent van de in onderdeel a bedoelde kosten belopen, dan wel, indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet of een bedrijfsborgstellingskrediet dat per kalenderjaar het bedrag van € 200.000 niet overschrijdt, indien de Bank bij de melding, bedoeld in artikel 6, heeft aangegeven hiervan gebruik te maken, 33,3 procent van dit bedrijfsborgstellingskrediet. 3. Voor de toepassing van het eerste lid geldt in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer. 4. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 5. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het veertiende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 6. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt voor de betaling van de kosten van de stichting of verbouwing van een onroerende zaak, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het zesde kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 7. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een periode van ten minste een kalenderkwartaal opschorten indien: a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet, b. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle bankfaciliteiten gedurende de duur van de opschorting, dan wel uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten, waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan: 1°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was, ten minste 33,3 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of 2°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatief MKB-ondernemer was, ten minste 50 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, en c. de Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. De minister bevestigt de melding binnen 35 dagen na ontvangst. 8. De in het zevende lid bedoelde opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van acht kalenderkwartalen plaats. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van twaalf kalenderkwartalen plaats indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een starter. 9. Indien een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangewend voor herfinanciering van een bedrijfsborgstellingskrediet, dat eerder is gebruikt voor de in het tweede lid, onder a en b genoemde doelen, en tevens is voldaan aan het tweede lid, onder b en c, is de nieuwe periode ten hoogste gelijk aan de periode waarvoor het bedrijfsborgstellingskrediet nog zou hebben gelopen zonder herfinanciering, indien en voor zover deze restperiode meer bedraagt dan zes jaar. 10. artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Kadasterwet Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder een onroerende zaak mede begrepen schepen en vliegtuigen, voor zover deze zijn ingeschreven in de registers als bedoeld in, alsmede ieder goederenrechtelijk recht dat omvat het uitsluitend gebruik van een onroerende zaak, met inbegrip van bovenbedoelde schepen en vliegtuigen.
Artikel 10 — Artikel 10 Schorsing vermindering borgstelling#
Artikel 10 Schorsing vermindering borgstelling 1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 9, wordt geschorst met ingang van de dag waarop het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist. 3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surseance van betaling is verleend.
Artikel 11 — Artikel 11 Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst#
Artikel 11 Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst 1. De Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, maar in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een verzoek in om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst. 2. Het verzoek wordt ingediend onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. 3. De minister bevestigt de ontvangst van het verzoek om betaling binnen 35 dagen na de ontvangst en reageert op het verzoek binnen negen maanden na de bevestiging.
Artikel 12 — Artikel 12 Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen#
Artikel 12 Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen 1. De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 11 ingediende verzoek uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch a. ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 berekende omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten, en b. ten hoogste de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer. 2. In afwijking van het eerste lid, onder b, bedraagt de omvang van de borgstelling: a. indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet: ten hoogste drie maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer; b. indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking een innovatieve MKB-ondernemer was: ten hoogste twee maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer. 3. Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, worden als bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen: a. de bedragen die een Bank-gelieerde uit hoofde van een overeenkomst aan de MKB-ondernemer ter leen verstrekt of zal verstrekken, en b. de verplichtingen die een Bank-gelieerde tegenover een derde, niet zijnde een andere Bank-gelieerde of een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is, onherroepelijk is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel g, 3°, indien de zekerheden van de Bank-gelieerde ter zake van de hiervoor onder a en b bedoelde bedragen en verplichtingen mede strekken tot zekerheid van de Bank. 4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedraagt de omvang van de borgstelling ten hoogste drie maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer indien sprake is van een bedrijfsborgstellingskrediet, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 3°.
Artikel 13 — Artikel 13 Betaling door de Staat#
Artikel 13 Betaling door de Staat 1. De minister betaalt hetgeen de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met het oog op de door de Bank in haar verzoek bedoelde bedrijfsborgstellingskrediet verschuldigd is. 2. Voor zover de Bank bij haar verzoek om betaling aannemelijk maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het naar normaal bankgebruik noodzakelijk maakten de andere bankfaciliteiten sterker in omvang terug te brengen dan de bedrijfsborgstellingskredieten, blijft artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, buiten toepassing. 3. De Staat is niet verplicht tot betaling op het verzoek van de Bank: a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid; b. indien de Bank in het kader van het verzoek gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek zou hebben geleid. 4. Betalingen door de Staat aan de Bank en door de Bank aan de Staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de Bank van een rekening die de Bank zal aanhouden ten name van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, met vermelding van 'verliesdeclaraties'. 5. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de basisrente.
Artikel 14 — Artikel 14 Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 14 Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet 1. Gedurende vijf jaar nadat de Bank uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet door de Staat is betaald, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de Staat het door de Staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De Staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de Staat verschuldigde bedragen. 2. De Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar ondernomen activiteiten, waarin de door de minister vastgestelde informatie is opgenomen.
Artikel 15 — Artikel 15 Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling#
Artikel 15 Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling 1. Indien een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 11 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, brengt de Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning. 2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.
Artikel 16 — Artikel 16 (Terug)betalen bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 16 (Terug)betalen bedrijfsborgstellingskrediet 1. De Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 11 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de Staat. 2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 14, eerste lid, ontvangen zijn wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten, tenzij opbrengsten ontvangen zijn uit hoofde van uitwinning. 3. De Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 13, vierde lid, per de datum van verzending van het verzoek, bedoeld in artikel 11, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 9, op grond van artikel 10 is geschorst. 4. De Bank zal de rekening op de datum van de reactie van de minister, bedoeld in artikel 11, derde lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de Staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het door de Staat blijkens de reactie, bedoeld in artikel 11, verschuldigde bedrag, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de datum waarop de reactie is ontvangen. 5. De rente, bedoeld in het derde en vierde lid, is gelijk aan de zes maands Euribor op het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 11, vermeerderd met de door de bank gehanteerde liquiditeitsopslag.
Artikel 17 — Artikel 17 Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 17 Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet 1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling. 2. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18 — Artikel 18 Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst#
Artikel 18 Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst 1. De verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bedrijfsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bedrijfsborgstellingskrediet. 2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de Staat met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet van kracht, indien: a. de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon, b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst. 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 19 — Artikel 19 Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Bank#
Artikel 19 Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Bank Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20 — Artikel 20 Controle bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 20 Controle bedrijfsborgstellingskrediet 1. Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De Bank, en indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, de Bank-gelieerde, en de MKB-ondernemer voldoen aan hetgeen door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het,van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en met het oog op de nakoming door de Staat van op de Staat rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit of deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank of de Bank-gelieerde de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt of de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten, omtrent: a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen; b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden; c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden; d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en e. het verstrekken van inlichtingen. 2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank, of indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, aan de Bank-gelieerde, of aan de MKB-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken. 3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank, de Bank-gelieerde of de MKB-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. 4. De Bank stelt de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten en verstrekt daarbij de door de minister vastgestelde informatie: a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet; b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet; c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer; d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet. 5. De Bank meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de Bank, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de Bank.
Artikel 21 — Artikel 21 Beheer#
Artikel 21 Beheer 1. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de Staat als borg. 2. De Bank zal er voor zorg dragen dat het bedrijfsborgstellingskrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het bedrijfsborgstellingskrediet verstrekt, aan een Bank-gelieerde of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is. 3. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de Staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend, een beding ten behoeve van de Staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de Staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat: a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken; b. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van. 4. De Bank draagt er zorg voor dat de relaties tussen haar en de bij haar onderneming betrokkenen enerzijds, en de ondernemer aan wie een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt anderzijds transparant zijn.
Artikel 22 — Artikel 22 Hardheidsclausule#
Artikel 22 Hardheidsclausule Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Bank om afwijking van deze overeenkomst.
Artikel 23 — Artikel 23 Communicatie#
Artikel 23 Communicatie Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Bank kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Bank ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.
Artikel 24 — Artikel 24 Overige bepalingen#
Artikel 24 Overige bepalingen 1. Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De inwerkingtreding van een wijziging van hetofvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst. 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de Bank. 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Bank schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden. 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in deze overeenkomst. 5. Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking van het derde lid kan de Bank deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of een schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst. 6. Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van hetof door intrekking van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. 7. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging. 8. Het zevende lid is niet van toepassing ten aanzien van de wijziging van artikel 5 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 september 2009, nr. WJZ/9155298, tot wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen ten aanzien van de opschortingsvoorwaarden voor borgstelling van MKB-kredieten (Stcrt. 2009, 13666). 9. Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a Als heten, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen gelijktijdig worden ingetrokken en vervangen door materieel identieke wettelijke voorschriften in een andere algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling dan is het zesde lid niet van toepassing.
Artikel 25 — Artikel 25 Bank-gelieerde#
Artikel 25 Bank-gelieerde Bank-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn): a. (...) .................... b. (...enz.)
Artikel 2.9#
artikel 2.9, tweede lid
Artikel 1 — Artikel 1 Definitiebepalingen#
Artikel 1 Definitiebepalingen 1. Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De begrippen die in hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen zijn gedefinieerd hebben in deze overeenkomst de in deze regelingen gegeven betekenis. 2. Voorts wordt in deze overeenkomst verstaan onder: a. bankfaciliteit: krediet of een deel van een krediet waarvoor de Staat niet borg of garant staat: 1°. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 Regeling LNV-subsidies op grond van het, het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, dan wel de; of 2°. vanwege de overname van de verplichtingen van Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw; b. bank-gelieerde: een rechtspersoon waaraan een van de Banken voor zich, dan wel twee of meer Banken gezamenlijk, direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft, respectievelijk verschaffen, of voor het handelen waarvan de Bank volledig aansprakelijk is of deze Banken volledig aansprakelijk zijn, en die als Bank-gelieerde is vermeld in artikel 25 van deze overeenkomst; c. bedrijfsborgstellingskrediet: krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 6 is gemeld; d. de-minimissteun: steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) of verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193); e. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van, of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; f. innovatieve MKB-ondernemer: artikel 23, eerste lid artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in, ofen waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer; g. krediet: bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken; h. kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan: 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is of een Bank-gelieerde, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is; i. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; j. starter: 1°. een MKB-ondernemer, die een natuurlijk persoon is en die niet langer dan drie jaar een onderneming in stand houdt; 2°. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, tevens MKB-ondernemer, waarvan de bestuurder een natuurlijk persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt; k. starters-borgstellingskrediet: bedrijfsborgstellingskrediet dat uitsluitend wordt verstrekt aan een starter; l. uitwinning: 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden; 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen; en 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer; 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surseance van betaling is verleend de onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder; m. liquiditeitsopslag: een door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld.
Artikel 2 — Artikel 2 Borgstelling#
Artikel 2 Borgstelling Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Banken voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Banken worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3 — Artikel 3 Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst#
Artikel 3 Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst 1. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen: a. indien het krediet is gemeld als bedoeld in artikel 6; b. artikel 2.6 indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde provisie door de centrale Bank aan de Staat is betaald; c. artikel 2.7, tweede lid indien en voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden; d. indien de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, zich borg heeft gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet met een minimum van € 5.000; e. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor buitenlandse investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer; f. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat; g. indien de kredietovereenkomst in schriftelijke vorm is aangegaan; h. indien de bank in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de MKB-ondernemer is opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel 20, eerste lid, genoemde bevoegdheden; i. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek indien de Bank in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomst met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de Staat heeft opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de Staat en de Bank geen bedingen heeft opgenomen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van; j. indien door de Bank gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan de MKB-ondernemer wordt verstrekt, met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de MKB-ondernemer over een bankfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van bankfaciliteiten waarover de MKB-ondernemer beschikt bij de Bank of een Bank-gelieerde of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is; k. indien de bankfaciliteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten minste 100 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, of, 1°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was; 2°. ten minste 50 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatieve MKB-ondernemer was, of 3°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien sprake is van een bedrijfsborgstellingskrediet, dat per kalenderjaar het bedrag van € 200.000 niet overschrijdt, indien de Bank bij de melding, bedoeld in artikel 6, heeft aangegeven hiervan gebruik te willen maken; l. indien de looptijd van de onder k bedoelde bankfaciliteit ten minste even lang is als de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel k, worden mede in aanmerking genomen de bedragen die een Bank-gelieerde gelijktijdig met de gesloten kredietovereenkomst aan de MKB-ondernemer worden verstrekt, indien de zekerheden van de Bank-gelieerde ter zake van die bedragen mede strekken tot zekerheid van de Bank.
Artikel 4 — Artikel 4 Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 4 Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet 1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan: a. de MKB-ondernemer: 1°. beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven; 2°. is in Nederland gevestigd en voert daar een substantieel deel van de activiteiten van de onderneming uit; 3°. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg is geen aanbieder als bedoeld in, noch oefent hij het beroep van dierenarts, notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder uit; 4°. houdt geen onderneming in stand waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: – de beoefening van de land- of de tuinbouw, de vee- of visteelt, de visserij of de teelt van vee- of visvoer, – de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of – het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; 5°. Regeling LNV-subsidies beschikt naast het bedrijfsborgstellingskrediet niet over een lening waarvoor de Staat uit hoofde van deof door overname van de verplichtingen van de Stichting Borgstellingsfonds voor de landbouw borg of garant staat; 6°. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 beschikt niet over een door een andere bank of kredietverstrekker verstrekte kredietfaciliteit, waarvoor de Staat op grond van het, hetof het Besluit borgstelling MKB-kredieten borg staat. b. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken; c. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend. 2. Het eerste lid, onderdeel a, onder 4, eerste gedachtenstreepje, is niet van toepassing op een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Artikel 5 — Artikel 5 Voorkomen onrechtmatige staatssteun#
Artikel 5 Voorkomen onrechtmatige staatssteun 1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet voorts aan de volgende criteria zijn voldaan: a. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000. Een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep; b. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat: – zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun; – de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, niet meer bedraagt dan € 100.000; – de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een kredietovereenkomst die wordt gesloten met een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint-Eustatius of Saba.
Artikel 6 — Artikel 6 Kredietmelding#
Artikel 6 Kredietmelding 1. De centrale bank meldt het krediet of het deel van het krediet waarop deze bedrijfsborgstellingsovereenkomst van toepassing is binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst aan de Staat onder de gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. 2. De minister bevestigt de ontvangst van een melding binnen 35 dagen na ontvangst. 3. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingen door de minister bepalend.
Artikel 7 — Artikel 7 Provisie#
Artikel 7 Provisie 1. Het tarief van de provisie bedraagt eenmalig: a. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar, b. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan vier jaar, c. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan vier jaar, maar niet langer dan zes jaar, d. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan negen jaar en e. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan negen jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. 2. Indien overeenkomstig artikel 3, onderdeel b, een provisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de Staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de Staat heeft gedaan.
Artikel 8 — Artikel 8 Maximale omvang van de borgstelling#
Artikel 8 Maximale omvang van de borgstelling 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bedrijfsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt. 2. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een starters-borgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van dit krediet het totaal van de starters-borgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep een bedrag van € 200.000 niet overschrijdt. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bedrijfsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt. 4. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend. 5. Voor de toepassing van het eerste lid worden: a. bedrijfsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 6 zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 9 en 10 berekende gedeelte van die bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen; b. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 kredieten, voor zover de Staat daarvoor op grond van het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, of hetnog borg staat, als bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen. 6. In afwijking van het eerste lid, overschrijdt het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten per kalenderjaar een bedrag van € 200.000 niet, indien de Bank heeft aangegeven van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 3°, gebruik te maken.
Artikel 9 — Artikel 9 Berekening van de omvang en duur van de borgstelling#
Artikel 9 Berekening van de omvang en duur van de borgstelling 1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 8 in aanmerking te nemen bedrijfsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast bedrag, dat het bedrijfsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, maar uiterlijk na verloop van 6 jaar, nihil bedraagt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar indien: a. het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend is bestemd voor de betaling van de kosten van de stichting, van de aankoop of van de verbouwing van een onroerende zaak, b. deze onroerende zaak voor ten minste de helft bestemd is te worden gebruikt voor de onderneming van de MKB-ondernemer, en c. de Bank met betrekking tot de onder a bedoelde kosten bankfaciliteiten verstrekt die een bedrag van ten minste 100 procent van de in onderdeel a bedoelde kosten belopen, dan wel, indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet of een bedrijfsborgstellingskrediet dat per kalenderjaar het bedrag van € 200.000 niet overschrijdt, indien de Bank bij de melding, bedoeld in artikel 6, heeft aangegeven hiervan gebruik te maken, 33,3 procent van dit bedrijfsborgstellingskrediet. 3. Voor de toepassing van het eerste lid geldt in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer. 4. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 5. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het veertiende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 6. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt voor de betaling van de kosten van de stichting of verbouwing van een onroerende zaak, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het zesde kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 7. De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een periode van ten minste een kalenderkwartaal opschorten indien: a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet, b. de Bank uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle bankfaciliteiten gedurende de duur van de opschorting, dan wel uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de bankfaciliteiten, waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan: 1°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was, ten minste 33,3 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, of 2°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatief MKB-ondernemer was, ten minste 50 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Bank uitstel verleent als bedoeld onder a, en c. de centrale Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. De minister bevestigt de melding binnen 35 dagen na ontvangst. 8. De in het zevende lid bedoelde opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van acht kalenderkwartalen plaats. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van twaalf kalenderkwartalen plaats indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een starter. 9. Indien een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangewend voor herfinanciering van een bedrijfsborgstellingskrediet, dat eerder is gebruikt voor de in het tweede lid, onder a en b genoemde doelen, en tevens is voldaan aan het tweede lid, onder b en c, is de nieuwe periode ten hoogste gelijk aan de periode waarvoor het bedrijfsborgstellingskrediet nog zou hebben gelopen zonder herfinanciering, indien en voor zover deze restperiode meer bedraagt dan zes jaar. 10. artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Kadasterwet Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder een onroerende zaak mede begrepen schepen en vliegtuigen, voor zover deze zijn ingeschreven in de registers als bedoeld in, alsmede ieder goederenrechtelijk recht dat omvat het uitsluitend gebruik van een onroerende zaak, met inbegrip van bovenbedoelde schepen en vliegtuigen.
Artikel 10 — Artikel 10 Schorsing vermindering borgstelling#
Artikel 10 Schorsing vermindering borgstelling 1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 9, wordt geschorst met ingang van de dag waarophet bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist. 3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surseance van betaling is verleend.
Artikel 11 — Artikel 11 Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst#
Artikel 11 Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst 1. De centrale Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, maar in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een verzoek in om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst. 2. Het verzoek wordt ingediend onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. 3. De minister bevestigt de ontvangst van het verzoek om betaling binnen 35 dagen na de ontvangst en reageert op het verzoek binnen negen maanden na de bevestiging van de ontvangst aan de centrale Bank.
Artikel 12 — Artikel 12 Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen#
Artikel 12 Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen 1. De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 11 ingediende verzoek uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch a. ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 berekende omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten, en b. ten hoogste de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer. 2. In afwijking van het eerste lid, onder b, bedraagt de omvang van de borgstelling: a. indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet: ten hoogste drie maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer; b. indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking een innovatieve MKB-ondernemer was: ten hoogste twee maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer. 3. Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, worden als bankfaciliteiten mede in aanmerking genomen: a. de bedragen die een Bank-gelieerde uit hoofde van een overeenkomst aan de MKB-ondernemer ter leen verstrekt of zal verstrekken, en b. de verplichtingen die een Bank-gelieerde tegenover een derde, niet zijnde een andere Bank-gelieerde of een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is, onherroepelijk is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel g, 3°, indien de zekerheden van de Bank-gelieerde ter zake van de hiervoor onder a en b bedoelde bedragen en verplichtingen mede strekken tot zekerheid van de Bank. 4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedraagt de omvang van de borgstelling ten hoogste drie maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte bankfaciliteiten van de Bank voor de MKB-ondernemer indien sprake is van een bedrijfsborgstellingskrediet, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 3°.
Artikel 13 — Artikel 13 Betaling door de Staat#
Artikel 13 Betaling door de Staat 1. De minister betaalt hetgeen de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met het oog op de door de Bank in haar verzoek bedoelde bedrijfsborgstellingskrediet verschuldigd is. 2. Voor zover de centrale Bank bij haar verzoek om betaling aannemelijk maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het naar normaal bankgebruik noodzakelijk maakten de andere bankfaciliteiten sterker in omvang terug te brengen dan de bedrijfsborgstellingskredieten, blijft artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, buiten toepassing. 3. De Staat is niet verplicht tot betaling op het verzoek van de Bank: a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid; b. indien de Bank of de centrale Bank in het kader van het verzoek gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek zou hebben geleid. 4. Betalingen door de Staat aan de Bank en door de Bank aan de Staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de centrale Bank van een rekening die de centrale Bank zal aanhouden ten name van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, met vermelding van 'verliesdeclaraties'. 5. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de basisrente.
Artikel 14 — Artikel 14 Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 14 Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet 1. Gedurende vijf jaar nadat de Bank uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet door de Staat is betaald, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de Staat het door de Staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De Staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de Staat verschuldigde bedragen. 2. De centrale Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar of door de Bank ondernomen activiteiten, waarin de door de minister vastgestelde informatie is opgenomen.
Artikel 15 — Artikel 15 Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling#
Artikel 15 Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling 1. Indien een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 11 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, brengt de centrale Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning. 2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Banken verlangen.
Artikel 16 — Artikel 16 (Terug)betalen bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 16 (Terug)betalen bedrijfsborgstellingskrediet 1. De centrale Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 11 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de Staat. 2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 14, eerste lid, ontvangen zijn wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten, tenzij opbrengsten ontvangen zijn uit hoofde van uitwinning. 3. De centrale Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 13, vierde lid, per de datum van verzending van het verzoek, bedoeld in artikel 11, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 9, op grond van artikel 10 is geschorst. 4. De centrale Bank zal de rekening per de datum van de reactie van de minister, bedoeld in artikel 11, derde lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de Staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het door de Staat blijkens de reactie, bedoeld in artikel 11, verschuldigde bedrag, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de datum waarop de reactie is ontvangen. 5. De rente, bedoeld in het derde en vierde lid, is gelijk aan de zes maands Euribor op het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 11, vermeerderd met de door de bank gehanteerde liquiditeitsopslag.
Artikel 17 — Artikel 17 Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 17 Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet 1. De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande toestemming van de minister op een verzoek ingediend door de centrale Bank. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling. 2. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18 — Artikel 18 Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst#
Artikel 18 Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst 1. De verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bedrijfsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bedrijfsborgstellingskrediet. 2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de Staat met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet van kracht, indien: a. de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon, b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst. 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 19 — Artikel 19 Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Bank#
Artikel 19 Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Bank Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank of de centrale Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20 — Artikel 20 Controle bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 20 Controle bedrijfsborgstellingskrediet 1. Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De Bank, en indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, de Bank-gelieerde, en de MKB-ondernemer voldoen aan hetgeen door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het,van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en met het oog op de nakoming door de Staat van op de Staat rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit of deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank of de Bank-gelieerde de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt of de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten, omtrent: a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen; b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden; c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden; d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en e. het verstrekken van inlichtingen. 2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank, of indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, aan de Bank-gelieerde, of aan de MKB-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken. 3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank, de Bank-gelieerde of de MKB-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. 4. De centrale Bank stelt de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten en verstrekt daarbij de door de minister vastgestelde informatie: a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet; b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet; c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer; d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet. 5. De Bank meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de Bank, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de Bank.
Artikel 21 — Artikel 21 Beheer#
Artikel 21 Beheer 1. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de Staat als borg. 2. De Bank zal er voor zorg dragen dat het bedrijfsborgstellingskrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het bedrijfsborgstellingskrediet verstrekt, aan een Bank-gelieerde of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is. 3. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de Staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend, een beding ten behoeve van de Staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de Staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat: a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken; b. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van. 4. De Bank draagt er zorg voor dat de relaties tussen haar en de bij haar onderneming betrokkenen enerzijds, en de ondernemer aan wie een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt anderzijds transparant zijn.
Artikel 22 — Artikel 22 Hardheidsclausule#
Artikel 22 Hardheidsclausule Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Bank om afwijking van deze overeenkomst.
Artikel 23 — Artikel 23 Communicatie#
Artikel 23 Communicatie Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Bank kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Bank ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.
Artikel 24 — Artikel 24 Overige bepalingen#
Artikel 24 Overige bepalingen 1. Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De inwerkingtreding van een wijziging van hetofvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst. 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de centrale Bank. 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Bank schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden. 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien een Bank of centrale Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in deze overeenkomst. 5. Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking van het derde lid kunnen de Banken deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of een schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst. 6. Opzegging door de Banken als bedoeld in het derde en vijfde lid is uitsluitend mogelijk indien dit geschiedt door alle Banken gezamenlijk. 7. Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van hetof door intrekking van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. 8. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging. 9. Het achtste lid is niet van toepassing ten aanzien van de wijziging van artikel 5 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 september 2009, nr. WJZ/9155298, tot wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen ten aanzien van de opschortingsvoorwaarden voor borgstelling van MKB-kredieten (Stcrt. 2009, 13666) 10. Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a Als heten, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen gelijktijdig worden ingetrokken en vervangen door materieel identieke wettelijke voorschriften in een andere algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling dan is het zevende lid niet van toepassing.
Artikel 25 — Artikel 25 Bank-gelieerde#
Artikel 25 Bank-gelieerde Bank-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn): a. (...)................................... b. (...enz.)
Artikel 2.9#
artikel 2.9, derde lid
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze overeenkomst wordt verstaan onder: a. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; b. kredietovereenkomst: een overeenkomst uit hoofde waarvan: 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is; c. krediet: een bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken; d. bodemsaneringsborgstellingskrediet: een krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld; e. saneringsplan: artikel 39 van de Wet bodembescherming plan als bedoeld in; f. saneringsbestek: bestek gebaseerd op een saneringsplan, dat een gedetailleerde beschrijving omvat van de aard en de omvang van de uit te voeren sanering van de bodem met een nauwkeurige beschrijving van het te bereiken resultaat en waaruit de omvang van de saneringskosten kan worden afgeleid; g. uitwinning: 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden, 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen, 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, en 4°. indien het faillissement van de ondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend: onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder; h. MKB-ondernemer: een ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt; i. kleine onderneming: kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); j. middelgrote onderneming: verordening (EG) nr. 800/2008 een middelgrote onderneming in de zin vanvan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); k. de-minimissteun: verordening (EG) nr. 1998/2006 verordening (EG) nr. 1535/2007 verordening (EG) nr. 875/2007 steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld invan de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379)),van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) envan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193); l. Bank: binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde bank, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is, die is toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de terugbetaling van bodemsaneringsborgstellingskredieten die met inachtneming van hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Bank worden verstrekt. Deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen: a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst aan de minister is gemeld met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, b. artikel 2.6 indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde garantieprovisie door de Bank aan de staat betaald is, c. artikel 2.7, tweede lid voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden. 2 De minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst. 3 Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de minister bepalend. 4 De meldingen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden gedaan met gebruikmaking van een ondertekend formulier.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet het totaal van de bodemsaneringsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt. 3 Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend. 4 Voor de toepassing van het eerste lid worden bodemsaneringsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van die bodemsaneringsborgstellingskredieten in aanmerking genomen.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen bodemsaneringsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal met een zodanig vast bedrag verminderd, dat het bodemsaneringsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, doch uiterlijk na verloop van 18 jaar, nihil bedraagt. 2 De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier kalenderkwartalen opschorten indien: a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet, en b. de Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld. 3 De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste twee maal plaats. 4 Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 5 De minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld in het tweede lid, onder b, schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt geschorst met ingang van de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist. 3 De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van een overeenkomstig artikel 14 ingediende aanvraag uit hoofde van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of bodemsaneringsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of de bodemsaneringsborgstellingskredieten.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan: a. De Bank heeft de beschikking over de volgende bescheiden: 1°. een schriftelijke verklaring van een ingenieur overeenkomstig het model dat door de minister wordt vastgesteld; 2°. artikel 29 van de Wet bodembescherming een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in, waaruit blijkt dat het om een geval van ernstige verontreiniging gaat; 3°. artikel 39, tweede lid, eerste volzin, van de Wet bodembescherming een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in; b. de MKB-ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven; c. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken; d. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat; e. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan de saneringskosten die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in onderdeel a, ten 1°, zijn aangemerkt als kosten van de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de sanering van de bodem; f. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan; g. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend; h. het bodemsaneringsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het bodemsaneringsborgstellingskrediet verstrekt of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is; i. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 de MKB-ondernemer beschikt niet over een door een andere bank verstrekte kredietfaciliteit waarvoor de staat op grond van het, het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985 of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 borg staat anders dan een bijzondere hypothecaire geldlening als bedoeld in bijlage 4 van de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 of in hoofdstuk VI van de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985; j. de MKB-ondernemer, indien deze een natuurlijke persoon is, zal naar verwachting na een gebruikelijke aanloopperiode uit de inkomsten van zijn onderneming kunnen voorzien in zijn levensonderhoud; k. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, heeft zich borg gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bodemsaneringsborgstellingskrediet met een minimum van € 15.000; l. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek de Bank heeft in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de staat en de Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van. m. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000. Een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die in de referteperiode is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep; n. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat: – zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun; – de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, meer bedraagt dan € 100.000; – de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De Bank voldoet slechts aan de voor haar uit het bodemsaneringsborgstellingskrediet jegens de MKB-ondernemer voortvloeiende betalingsverplichtingen voor zover de MKB-ondernemer door het overleggen van facturen de verschuldigdheid van de kosten, die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, ten 1° zijn aangemerkt als noodzakelijk voor de sanering van de bodem, heeft aangetoond.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De Bank voldoet aan hetgeen door door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het,van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit en deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank, op de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent: a. het toegang verlenen tot door haar gebruikte plaatsen; b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden; c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden; d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en e. het verstrekken van inlichtingen. 2 Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken. 3 Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. 4 De Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten: a. vervroegde volledige aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet; b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bodemsaneringsborgstellingskrediet; c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer; d. opeising van het bodemsaneringsborgstellingskrediet. 5 Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank voor 1 februari van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle bodemsaneringsborgstellingskredieten te zamen, waarvoor de Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4. 6 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld inwaaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave. 7 Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg. 8 artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van. 9 De Bank draagt er zorg voor dat de relaties tussen haar en de bij haar onderneming betrokkenen enerzijds, en de ondernemer aan wie een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt anderzijds transparant zijn. 10 De Bank meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de Bank, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de Bank.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, brengt de Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning. 2 De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Bank verlangen.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend of, indien een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, na de datum waarop de Bank de minister heeft bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen. 2 De Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling. 2 Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient door de Bank schriftelijk bij de minister te worden ingediend. 3 De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, doch in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de bodemsaneringsborgstellingsovereenkomst. 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 De minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst. 2 De minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de Bank mede.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig het,van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 10, vierde, vijfde en zesde lid. 2 De minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een aanvraag: a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 10, eerste lid; b. indien de Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Betalingen door de staat aan de Bank en door de Bank aan de staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de Bank van een rekening die de Bank zal aanhouden ten name van het Ministerie van Economische Zaken, met vermelding van 'bodemsaneringsverliesdeclaraties'. 2 Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de in Het Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bodemsaneringsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bodemsaneringsborgstellingskrediet. 2 In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de staat met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet van kracht, indien: a. de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon, b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Indien overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een garantieprovisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de staat heeft gedaan.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 De Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 14 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de staat. 2 Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 12, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten. 3 De Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 17, eerste lid, per de datum van verzending van de aanvraag, bedoeld in artikel 14, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 5, op grond van artikel 6 is geschorst. 4 De Bank zal de rekening per de datum van de beslissing van de minister, bedoeld in artikel 15, tweede lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het bedrag waarop de minister de betaling vaststelde, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de vaststelling van de betaling.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De inwerkingtreding van een wijziging van hetofvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst. 2 Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de Bank. 3 Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Bank schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden. 4 In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8 van deze overeenkomst. 5 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 In afwijking van het derde lid kan de Bank de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het, publicatie in de Staatscourant van een wijziging vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst. 6 Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van hetof door intrekking van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. 7 Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.
Artikel 2.9#
artikel 2.9, vierde lid
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze overeenkomst wordt verstaan onder: a. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; b. kredietovereenkomst: een overeenkomst uit hoofde waarvan: 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is; c. krediet: een bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken; d. bodemsaneringsborgstellingskrediet: een krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 3 is gemeld; e. saneringsplan: artikel 39 van de Wet bodembescherming plan als bedoeld in; f. saneringsbestek: bestek gebaseerd op een saneringsplan, dat een gedetailleerde beschrijving omvat van de aard en de omvang van de uit te voeren sanering van de bodem met een nauwkeurige beschrijving van het te bereiken resultaat en waaruit de omvang van de saneringskosten kan worden afgeleid; g. uitwinning: 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden, 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen, 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, en 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend: onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder; h. MKB-ondernemer: een ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt; i. kleine onderneming: kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); j. middelgrote onderneming: een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); k. de-minimissteun: verordening (EG) nr. 1998/2006 verordening (EG) nr. 1535/2007 verordening (EG) nr. 875/2007 steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld invan de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379),van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) envan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193); l. Bank: binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde bank, niet zijnde een bank die tevens beleggingsonderneming is, die is toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De staat stelt zich borg ten behoeve van de Banken voor de terugbetaling van bodemsaneringsborgstellingskredieten die met inachtneming van hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Banken worden verstrekt. Deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen: a. indien het krediet of het deel ervan binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst door de centrale Bank aan de minister is gemeld met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, b. artikel 2.6 indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde garantieprovisie door de centrale Bank aan de staat betaald is, c. artikel 2.7, tweede lid voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden. 2 De minister bevestigt de ontvangst van een meldingsformulier schriftelijk binnen 35 dagen na ontvangst. 3 Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst van de meldingsformulieren door de minister bepalend. 4 De meldingen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden gedaan met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet het totaal van de bodemsaneringsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep, een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bodemsaneringsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt. 3 Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de krediet- overeenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend. 4 Voor de toepassing van het eerste lid worden bodemsaneringsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5 en 6 berekende gedeelte van die bodemsaneringsborgstellingskredieten in aanmerking genomen.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 4 in aanmerking te nemen bodemsaneringsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal met een zodanig vast bedrag verminderd, dat het bodemsaneringsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, doch uiterlijk na verloop van 18 jaar, nihil bedraagt. 2 De Bank kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vier kalenderkwartalen opschorten indien: a. de Bank voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet, en b. de centrale Bank de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld. 3 De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste twee maal plaats. 4 Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 5 De minister bevestigt de ontvangst van een formulier als bedoeld in het tweede lid, onder b, schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 5, wordt geschorst met ingang van de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet door de Bank is opgeëist. 3 De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van een overeenkomstig artikel 14 ingediende aanvraag uit hoofde van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of bodemsaneringsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 berekende omvang van het bodemsaneringsborgstellingskrediet of de bodemsaneringsborgstellingskredieten.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan: a. De Bank heeft de beschikking over de volgende bescheiden: 1°. een schriftelijke verklaring van een ingenieur overeenkomstig het model dat door de minister wordt vastgesteld; 2°. artikel 29 van de Wet bodembescherming een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in, waaruit blijkt dat het om een geval van ernstige verontreiniging gaat; 3°. artikel 39, tweede lid, eerste volzin, van de Wet bodembescherming een afschrift van de beschikking van gedeputeerde staten als bedoeld in; b. de MKB-ondernemer beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven; c. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de Bank naar normaal bankgebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken; d. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat; e. het bodemsaneringsborgstellingskrediet bedraagt niet meer dan de saneringskosten die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in onderdeel a, ten 1°, zijn aangemerkt als kosten van de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de sanering van de bodem; f. de kredietovereenkomst is in schriftelijke vorm aangegaan; g. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend; h. het bodemsaneringsborgstellingskrediet is niet bestemd en wordt niet gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Bank die het verstrekt, aan een andere Bank, of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is; i. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 de MKB-ondernemer beschikt niet over een door een andere bank verstrekte kredietfaciliteit waarvoor de staat op grond van het, het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, de Regeling borgstelling MKB-kredieten 1988, de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985, of de Kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 borg staat anders dan een bijzondere hypothecaire geldlening als bedoeld in bijlage 4 van de kredietbeschikking midden- en kleinbedrijf 1976 of in hoofdstuk VI van de Kredietregeling midden- en kleinbedrijf 1985; j. de MKB-ondernemer, indien deze een natuurlijke persoon is, zal naar verwachting na een gebruikelijke aanloopperiode uit de inkomsten van zijn onderneming kunnen voorzien in zijn levensonderhoud; k. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, heeft zich borg gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bodemsaneringsborgstellingskrediet met een minimum van € 15.000; l. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek de Bank heeft in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomsten met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de staat en de Bank heeft geen bedingen opgenomen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van. m. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000. Een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die in de referteperiode is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep; n. De Bank heeft er voor zorg gedragen dat: – zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun; – de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, meer bedraagt dan € 100.000; – de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bodemsaneringsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De Bank voldoet slechts aan de voor haar uit het bodemsaneringsborgstellingskrediet jegens de MKB-ondernemer voortvloeiende betalingsverplichtingen voor zover de MKB-ondernemer door het overleggen van facturen de verschuldigdheid van de kosten, die in de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, ten 1°, zijn aangemerkt als noodzakelijk voor de sanering van de bodem, heeft aangetoond.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De Banken voldoen aan hetgeen door door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het,van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit en deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank, op de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent: a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen; b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden; c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden; d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en e. het verstrekken van inlichtingen. 2 Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken. 3 Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. 4 De centrale Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten: a. vervroegde volledige aflossing van het bodemsaneringsborgstellingskrediet; b. het door de afdeling ..... van de Bank in beheer nemen van het bodemsaneringsborgstellingskrediet; c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer; d. opeising van het bodemsaneringsborgstellingskrediet. 5 Na afsluiting van ieder boekjaar zendt de centrale Bank voor 1 februari van het daaropvolgende jaar, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle bodemsaneringsborgstellingskredieten te zamen, waarvoor de centrale Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4. 6 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de centrale Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld inwaaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave. 7 Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg. 8 artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van. 9 De Bank draagt er zorg voor dat de relaties tussen haar en de bij haar onderneming betrokkenen enerzijds, en de ondernemer aan wie een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt anderzijds transparant zijn. 10 De Bank meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de Bank, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de Bank.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Indien een aanvraag om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, brengt de centrale Bank de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning. 2 De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Banken verlangen.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Gedurende een periode van vijf jaar na de datum waarop een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 14 is ingediend of, indien een verzoek om betaling is ingediend op een moment waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, na de datum waarop de centrale Bank de minister heeft bericht dat de uitwinning is voltooid of dat aannemelijk is dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodsemsaneringsborgstellingskrediet, is de Bank gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de staat het door de staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Bank in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Bank zou zijn verstrekt. De staat machtigt met het oog hierop de Bank tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de staat verschuldigde bedragen. 2 De centrale Bank zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar of door de Bank ondernomen activiteiten, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De Bank treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling. 2 Een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid dient door de centrale Bank schriftelijk bij de minister te worden ingediend. 3 De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De centrale Bank dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet, doch in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bodemsaneringsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een aanvraag in om betaling uit hoofde van de bodemsaneringsborgstellingsovereenkomst. 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 De minister bevestigt de ontvangst van een aanvraag om betaling schriftelijk binnen 35 dagen na de ontvangst. 2 De minister deelt zijn beslissing op de aanvraag binnen negen maanden na de bevestiging van de ontvangst schriftelijk aan de centrale Bank mede.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De minister stelt het uit hoofde van deze overeenkomst door de staat verschuldigde bedrag vast overeenkomstig het,van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, met uitzondering van het bepaalde in artikel 10, vierde, vijfde en zesde lid. 2 De minister kan in ieder geval afwijzend beslissen op een aanvraag: a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 10, eerste lid; b. indien de Bank of de centrale Bank in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Betalingen door de staat aan de Bank en door de Bank aan de staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de centrale Bank van een rekening die de centrale Bank zal aanhouden ten name van het Ministerie van Economische Zaken, met vermelding van 'bodemsaneringsverliesdeclaraties'. 2 Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan de in Het Financieele Dagblad gepubliceerde basisrente.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De verplichtingen van de staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Bank met betrekking tot het bodemsaneringsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bodemsaneringsborgstellingskrediet. 2 In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de staat met betrekking tot een bodemsaneringsborgstellingskrediet van kracht, indien: a. de MKB-ondernemer aan wie het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon, b. de Bank met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bodemsaneringsborgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Indien overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een garantieprovisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Bank, wordt de provisie door de staat terugbetaald aan de Bank mits de Bank binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de staat heeft gedaan.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 De centrale Bank betaalt de vanaf het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 14 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bodemsaneringsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de staat. 2 Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 12, eerste lid, ontvangen zijn en niet ontvangen zijn uit hoofde van de uitwinning van zekerheden, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten. 3 De centrale Bank zal de rekening, bedoeld in artikel 17, eerste lid, per de datum van verzending van de aanvraag, bedoeld in artikel 14, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 5, op grond van artikel 6 is geschorst. 4 De centrale Bank zal de rekening per de datum van de beslissing van de minister, bedoeld in artikel 15, tweede lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het bedrag waarop de minister de betaling vaststelde, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente als bedoeld in artikel 17, tweede lid, over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de vaststelling van de betaling.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank of de centrale Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de centrale Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De inwerkingtreding van een wijziging van hetofvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst. 2 Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de centrale Bank. 3 Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Banken schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden. 4 In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Bank of de centrale Bank in strijd heeft gehandeld met het gestelde in de paragrafen 5, 6, 7 of 8 van deze overeenkomst. 5 Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking van het derde lid kunnen de Banken de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst. 6 Opzegging door de Banken als bedoeld in het derde en vijfde lid is uitsluitend mogelijk indien dit geschiedt door alle Banken gezamenlijk. 7 Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van hetof door intrekking van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. 8 Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bodemsaneringsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.
Artikel 2.9#
artikel 2.9, vijfde lid
Artikel 1 — Artikel 1 Definitiebepalingen#
Artikel 1 Definitiebepalingen 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De begrippen die in hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen zijn gedefinieerd hebben in deze overeenkomst de in deze regelingen gegeven betekenis. 2 Voorts wordt in deze overeenkomst verstaan onder: a. financieringsfaciliteit: krediet of een deel van een krediet waarvoor de Staat niet borg of garant staat: 1°. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 Regeling LNV-subsidies op grond van het, het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, dan wel de; of 2°. vanwege de overname van de verplichtingen van Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw; b. kredietverstrekker-gelieerde: een rechtspersoon waaraan de kredietverstrekker direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor het handelen waarvan de kredietverstrekker volledig aansprakelijk is, en die als kredietverstrekker-gelieerde is vermeld in artikel 25 van deze overeenkomst; c. bedrijfsborgstellingskrediet: krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 6 is getoetst en gemeld; d. de-minimissteun: steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) of verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193); e. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van, of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; f. artikel 23, eerste lid artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen innovatieve MKB-ondernemer: een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de kredietverstrekker beschikt over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in, ofen waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de kredietverstrekker beschikt over een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer; g. krediet: bedrag dat de kredietverstrekker uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken; h. kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan: 1°. de kredietverstrekker aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de kredietverstrekker, of 3°. de kredietverstrekker tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de kredietverstrekker in een groep verbonden is of een kredietverstrekker-gelieerde, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de kredietverstrekker van invloed is; i. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; j. starter: 1°. een MKB-ondernemer, die een natuurlijk persoon is en die niet langer dan drie jaar een onderneming in stand houdt; 2°. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, tevens MKB-ondernemer, waarvan de bestuurder een natuurlijk persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt; k. starters-borgstellingskrediet: bedrijfsborgstellingskrediet dat uitsluitend wordt verstrekt aan een starter; l. uitwinning: 1°. uitwinning door de kredietverstrekker van de door de MKB-ondernemer aan de kredietverstrekker verstrekte zekerheden, zoals een redelijk handelend en bekwaam financier in het kader van een actief en winstgericht beleid zou hebben gedaan zonder borgstelling; 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de kredietverstrekker door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen; 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer; en 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surseance van betaling is verleend de onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder.
Artikel 2 — Artikel 2 Borgstelling#
Artikel 2 Borgstelling Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De Staat stelt zich borg ten behoeve van de kredietverstrekker voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van hetenvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de kredietverstrekker worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.
Artikel 3 — Artikel 3 Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst#
Artikel 3 Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst 1 De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen: a. indien het krediet is getoetst en gemeld overeenkomstig artikel 6; b. artikel 2.6 indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde provisie door de kredietverstrekker aan de Staat is betaald; c. artikel 2.7, derde lid indien en voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde subsidieplafond niet is overschreden; d. indien de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, zich borg heeft gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet met een minimum van € 5.000; e. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor buitenlandse investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer; f. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan het tekort aan zekerheden dat bij de kredietverstrekker ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat; g. indien de kredietovereenkomst in schriftelijke vorm is aangegaan; h. indien de kredietverstrekker in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de MKB-ondernemer is opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel 20, eerste lid, genoemde bevoegdheden; i. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek indien de kredietverstrekker in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomst met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de Staat heeft opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de Staat en de kredietverstrekker geen bedingen heeft opgenomen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van; j. indien door de kredietverstrekker gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan de MKB-ondernemer wordt verstrekt, met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de MKB-ondernemer over een financieringsfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van financieringsfaciliteiten waarover de MKB-ondernemer beschikt bij de kredietverstrekker of een kredietverstrekker-gelieerde of aan een rechtspersoon waarmee de kredietverstrekker in een groep verbonden is; k. indien de financieringsfaciliteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten minste 100 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, of, 1°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was; 2°. ten minste 50 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatieve MKB-ondernemer was, of 3°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien sprake is van een bedrijfsborgstellingskrediet, dat per kalenderjaar het bedrag van € 200.000 niet overschrijdt, indien de kredietverstrekker bij de melding, bedoeld in artikel 6, heeft aangegeven hiervan gebruik te willen maken; l. indien de looptijd van de onder k bedoelde financieringsfaciliteit ten minste even lang is als de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel k, worden mede in aanmerking genomen de bedragen die een kredietverstrekker-gelieerde gelijktijdig met de gesloten kredietovereenkomst aan de MKB-ondernemer worden verstrekt, indien de zekerheden van de kredietverstrekker-gelieerde ter zake van die bedragen mede strekken tot zekerheid van de kredietverstrekker.
Artikel 4 — Artikel 4 Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 4 Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken bedrijfsborgstellingskrediet 1 Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan: a. de MKB-ondernemer: 1°. beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven; 2°. is in Nederland gevestigd en voert daar een substantieel deel van de activiteiten van de onderneming uit; 3°. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg is geen aanbieder als bedoeld in, noch oefent hij het beroep van dierenarts, notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder uit; 4°. houdt geen onderneming in stand waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: – de beoefening van de land- of de tuinbouw, de vee- of visteelt, de visserij of de teelt van vee- of visvoer, – de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of – het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; 5°. Regeling LNV-subsidies beschikt naast het bedrijfsborgstellingskrediet niet over een lening waarvoor de Staat uit hoofde van deof door overname van de verplichtingen van de Stichting Borgstellingsfonds voor de landbouw borg of garant staat; 6°. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 beschikt niet over een door een andere kredietverstrekker of bank verstrekte kredietfaciliteit, waarvoor de Staat op grond van het, hetof het Besluit borgstelling MKB-kredieten borg staat. b. er is een tekort aan zekerheden bij de MKB-ondernemer, waardoor de kredietverstrekker, oordelend zoals een redelijk handelend en bekwaam financier in het kader van een actief en winstgericht beleid zou hebben gedaan zonder borgstelling, het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken; c. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming zijn bevredigend. 2 Het eerste lid, onderdeel a, onder 4, eerste gedachtenstreepje, is niet van toepassing op een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Artikel 5 — Artikel 5 Voorkomen onrechtmatige staatssteun#
Artikel 5 Voorkomen onrechtmatige staatssteun 1 Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet voorts aan de volgende criteria zijn voldaan: a. de verlening van de borgstelling leidt er niet toe dat de MKB-ondernemer een bedrag van meer dan € 200.000 aan de-minimissteun ontvangt over de periode van het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren. Indien de onderneming actief is in het wegvervoer, geldt een maximum voor dit totaal van € 100.000. Een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangemerkt als de-minimissteun voor 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet. Bij de bepaling of de verlening van de borgstelling niet leidt tot overschrijding van het desbetreffende maximum wordt rekening gehouden met de-minimissteun die is verleend aan ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep; b. De kredietverstrekker heeft er voor zorg gedragen dat: – zij de MKB-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet steun van de overheid ontvangt ter waarde van 13% van het staatsgegarandeerde deel van het krediet, en dat deze steun wordt aangemerkt als de-minimissteun; – de MKB-ondernemer een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over de de-minimissteun die hij of, indien hij deel uitmaakt van een groep, deze groep heeft ontvangen in het lopende en de twee voorafgaande fiscale jaren en schriftelijk heeft verklaard dat het totaal van deze de-minimissteun en de de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan € 200.000 of, indien de onderneming actief is in het wegvervoer, niet meer bedraagt dan € 100.000; – de MKB-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van de-minimissteun ingevolge de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, dit niet leidt tot een overschrijding van het maximale percentage van staatssteun dat in dit geval geldt ingevolge de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening of het desbetreffende besluit van de Commissie. 2 Dit artikel is niet van toepassing op een kredietovereenkomst die wordt gesloten met een MKB-ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint-Eustatius of Saba.
Artikel 6 — Artikel 6 Toetsing en melding#
Artikel 6 Toetsing en melding 1 De kredietverstrekker stelt de Staat in kennis van een voorgenomen verstrekking van een krediet onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. 2 Indien de voorgenomen verstrekking van het krediet naar het oordeel van de Staat voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel d tot en met n, en tweede lid, bedoelde voorwaarden, wordt de borgstelling voor dit krediet verleend op grond van deze overeenkomst. De Staat bericht de kredietverstrekker hierover binnen drie weken na ontvangst van de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, onder vermelding van de omvang en looptijd van de borgstelling. 3 artikel 2.7, derde lid De borgstelling wordt verleend onder de voorwaarde dat de kredietverstrekker een melding doet overeenkomstig het vijfde lid, de provisie bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, heeft betaald en de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan niet hoger zijn dan de door de minister op grond van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde subsidieplafond. 4 Indien het naar het oordeel van de Staat niet noodzakelijk wordt geacht dat de kredietverstrekker de Staat in kennis stelt van voorgenomen kredietvertrekkingen overeenkomstig het eerste lid, geldt de procedure van het vijfde lid. De Staat bericht de kredietverstrekker hierover. 5 De kredietverstrekker meldt het krediet of het deel van het krediet waarop deze bedrijfsborgstellingsovereenkomst van toepassing is binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst aan de Staat onder de gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. De Staat bevestigt de ontvangst van een melding binnen 35 dagen na ontvangst. 6 Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, is de volgorde van ontvangst door de Staat van de meldingen, bedoeld in het vijfde lid, bepalend.
Artikel 7 — Artikel 7 Provisie#
Artikel 7 Provisie 1 Het tarief van de provisie bedraagt eenmalig: a. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar, b. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan vier jaar, c. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan vier jaar, maar niet langer dan zes jaar, d. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan negen jaar en e. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan negen jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. 2 Indien overeenkomstig artikel 3, onderdeel b, een provisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de kredietverstrekker, wordt de provisie door de Staat terugbetaald aan de kredietverstrekker mits de kredietverstrekker binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de Staat heeft gedaan.
Artikel 8 — Artikel 8 Maximale omvang van de borgstelling#
Artikel 8 Maximale omvang van de borgstelling 1 Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een bedrijfsborgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van het bedrijfsborgstellingskrediet het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep een bedrag van € 1.500.000 niet overschrijdt. 2 Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een starters-borgstellingskrediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van dit krediet het totaal van de starters-borgstellingskredieten, berekend per MKB-ondernemer of, indien de MKB-ondernemer deel uitmaakt van een groep, per groep een bedrag van € 200.000 niet overschrijdt. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bedrijfsborgstellingskrediet dat is verstrekt aan een andere MKB-ondernemer ten behoeve van een onderneming voor het drijven waarvan de MKB-ondernemer volledig aansprakelijk is, geacht aan de MKB-ondernemer te zijn verstrekt. 4 Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt bepalend. 5 Voor de toepassing van het eerste lid worden: a. bedrijfsborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 6 zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 9 en 10 berekende gedeelte van die bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen; b. Kaderbesluit EZ-subsidies Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 kredieten, voor zover de Staat daarvoor op grond van het, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, of hetnog borg staat, als bedrijfsborgstellingskredieten in aanmerking genomen. 6 In afwijking van het eerste lid, overschrijdt het totaal van de bedrijfsborgstellingskredieten per kalenderjaar een bedrag van € 200.000 niet, indien de kredietverstrekker heeft aangegeven van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 3°, gebruik te maken.
Artikel 9 — Artikel 9 Berekening van de omvang en duur van de borgstelling#
Artikel 9 Berekening van de omvang en duur van de borgstelling 1 Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 8 in aanmerking te nemen bedrijfsborgstellingskrediet na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast bedrag, dat het bedrijfsborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, maar uiterlijk na verloop van 6 jaar, nihil bedraagt. 2 Voor de toepassing van het eerste lid geldt in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar indien: a. het bedrijfsborgstellingskrediet uitsluitend is bestemd voor de betaling van de kosten van de stichting, van de aankoop of van de verbouwing van een onroerende zaak, b. deze onroerende zaak voor ten minste de helft bestemd is te worden gebruikt voor de onderneming van de MKB-ondernemer, en c. de kredietverstrekker met betrekking tot de onder a bedoelde kosten financieringsfaciliteiten verstrekt die een bedrag van ten minste 100 procent van de in onderdeel a bedoelde kosten belopen, dan wel, indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet of een bedrijfsborgstellingskrediet, dat per kalenderjaar het bedrag van € 200.000 niet overschrijdt, indien de kredietverstrekker bij de melding, bedoeld in artikel 6, heeft aangegeven hiervan gebruik te maken, 33,3 procent van dit bedrijfsborgstellingskrediet. 3 Voor de toepassing van het eerste lid geldt in plaats van een periode van ten hoogste zes jaar een periode van ten hoogste twaalf jaar indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer. 4 Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 5 Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een innovatieve MKB-ondernemer, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het veertiende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 6 Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt voor de betaling van de kosten van de stichting of verbouwing van een onroerende zaak, het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt uiterlijk aanvangt op de eerste dag van het zesde kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst is gesloten. 7 De kredietverstrekker kan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, gedurende een periode van ten minste een kalenderkwartaal opschorten indien: a. de kredietverstrekker voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet, b. de kredietverstrekker uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle financieringsfaciliteiten gedurende de duur van de opschorting, dan wel uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de financieringsfaciliteiten, waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste even groot is als de som van de aflossingsbedragen waarvoor de kredietverstrekker uitstel verleent als bedoeld onder a, of, indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan: 1°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was, ten minste 33,3 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de kredietverstrekker uitstel verleent als bedoeld onder a, of 2°. een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatief MKB-ondernemer was, ten minste 50 procent bedraagt van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de kredietverstrekker uitstel verleent als bedoeld onder a, en c. de kredietverstrekker de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. De minister bevestigt de melding binnen 35 dagen na ontvangst. 8 De in het zevende lid bedoelde opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van acht kalenderkwartalen plaats. De opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van twaalf kalenderkwartalen plaats indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een starter. 9 Indien een bedrijfsborgstellingskrediet wordt aangewend voor herfinanciering van een bedrijfsborgstellingskrediet, dat eerder is gebruikt voor de in het tweede lid, onder a en b genoemde doelen, en tevens is voldaan aan het tweede lid, onder b en c, is de nieuwe periode ten hoogste gelijk aan de periode waarvoor het bedrijfsborgstellingskrediet nog zou hebben gelopen zonder herfinanciering, indien en voor zover deze restperiode meer bedraagt dan zes jaar. 10 artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Kadasterwet Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder een onroerende zaak mede begrepen schepen en vliegtuigen, voor zover deze zijn ingeschreven in de registers als bedoeld in, alsmede ieder goederenrechtelijk recht dat omvat het uitsluitend gebruik van een onroerende zaak, met inbegrip van bovenbedoelde schepen en vliegtuigen.
Artikel 10 — Artikel 10 Schorsing vermindering borgstelling#
Artikel 10 Schorsing vermindering borgstelling 1 De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 9, wordt geschorst met ingang van de dag waarop het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet door de kredietverstrekker is opgeëist. 3 De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surseance van betaling is verleend.
Artikel 11 — Artikel 11 Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst#
Artikel 11 Verzoek om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst 1 De kredietverstrekker dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, maar in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het bedrijfsborgstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement, een verzoek in om betaling uit hoofde van de bedrijfsborgstellingsovereenkomst. 2 Het verzoek wordt ingediend onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. 3 De minister bevestigt de ontvangst van het verzoek om betaling binnen 35 dagen na de ontvangst en reageert op het verzoek binnen negen maanden na de bevestiging.
Artikel 12 — Artikel 12 Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen#
Artikel 12 Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen 1 De omvang van de borgstelling bedraagt per MKB-ondernemer 90 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 11 ingediende verzoek uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch a. ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 berekende omvang van het bedrijfsborgstellingskrediet of de bedrijfsborgstellingskredieten, en b. ten hoogste de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte financieringsfaciliteiten van de kredietverstrekker voor de MKB-ondernemer. 2 In afwijking van het eerste lid, onder b, bedraagt de omvang van de borgstelling: a. indien sprake is van een starters-borgstellingskrediet: ten hoogste drie maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte financieringsfaciliteiten van de kredietverstrekker voor de MKB-ondernemer; b. indien het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking een innovatieve MKB-ondernemer was: ten hoogste twee maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte financieringsfaciliteiten van de kredietverstrekker voor de MKB-ondernemer. 3 Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, worden als financieringsfaciliteiten mede in aanmerking genomen: a. de bedragen die een kredietverstrekker-gelieerde uit hoofde van een overeenkomst aan de MKB-ondernemer ter leen verstrekt of zal verstrekken, en b. de verplichtingen die een kredietverstrekker-gelieerde tegenover een derde, niet zijnde een andere kredietverstrekker-gelieerde of een rechtspersoon waarmee de kredietverstrekker in een groep verbonden is, onherroepelijk is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel g, 3°, indien de zekerheden van de kredietverstrekker-gelieerde ter zake van de hiervoor onder a en b bedoelde bedragen en verplichtingen mede strekken tot zekerheid van de kredietverstrekker. 4 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedraagt de omvang van de borgstelling ten hoogste drie maal de som van de ten tijde van de opzegging van de kredietovereenkomst bestaande en verstrekte financieringsfaciliteiten van de kredietverstrekker voor de MKB-ondernemer indien sprake is van een bedrijfsborgstellingskrediet, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 3°.
Artikel 13 — Artikel 13 Betaling door de Staat#
Artikel 13 Betaling door de Staat 1 De minister betaalt hetgeen de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met het oog op de door de kredietverstrekker in haar verzoek bedoelde bedrijfsborgstellingskrediet verschuldigd is. 2 Voor zover de kredietverstrekker bij haar verzoek om betaling aannemelijk maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het, oordelend zoals een redelijk handelend en bekwaam financier in het kader van een actief en winstgericht beleid zou hebben gedaan zonder borgstelling, noodzakelijk maakten de andere financieringsfaciliteiten sterker in omvang terug te brengen dan de bedrijfsborgstellingskredieten, blijft artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, buiten toepassing. 3 De Staat is niet verplicht tot betaling op het verzoek van de kredietverstrekker: a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid; b. indien de kredietverstrekker in het kader van het verzoek gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek zou hebben geleid; c. indien niet voldaan is aan artikel 21, eerste lid. 4 Betalingen door de Staat aan de kredietverstrekker en door de kredietverstrekker aan de Staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de kredietverstrekker van een rekening die de kredietverstrekker zal aanhouden ten name van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, met vermelding van 'verliesdeclaraties'.
Artikel 14 — Artikel 14 Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 14 Inspanningsverplichting tot uitwinning bedrijfsborgstellingskrediet 1 Gedurende vijf jaar nadat de kredietverstrekker uit hoofde van het bedrijfsborgstellingskrediet door de Staat is betaald, is de kredietverstrekker gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de Staat het door de Staat betaalde bedrag in te vorderen, die de kredietverstrekker in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de kredietverstrekker zou zijn verstrekt. De Staat machtigt met het oog hierop de kredietverstrekker tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de Staat verschuldigde bedragen. 2 De kredietverstrekker zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar ondernomen activiteiten, waarin de door de minister vastgestelde informatie is opgenomen.
Artikel 15 — Artikel 15 Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling#
Artikel 15 Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling 1 Indien een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 11 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet, brengt de kredietverstrekker de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning. 2 De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de kredietverstrekker verlangen.
Artikel 16 — Artikel 16 Terugbetalen#
Artikel 16 Terugbetalen 1 De kredietverstrekker betaalt de vanaf het moment van de indiening van een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 11 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het bedrijfsborgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de Staat. 2 Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 14, eerste lid, ontvangen zijn, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten, tenzij opbrengsten ontvangen zijn uit hoofde van uitwinning van zekerheden. 3 De kredietverstrekker zal de rekening, bedoeld in artikel 13, vierde lid, per de datum van verzending van het verzoek, bedoeld in artikel 11, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 9, op grond van artikel 10 is geschorst. 4 De kredietverstrekker zal de rekening op de datum van de reactie van de minister, bedoeld in artikel 11, derde lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de Staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het door de Staat blijkens de reactie, bedoeld in artikel 11, verschuldigde bedrag, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de datum waarop de reactie is ontvangen. 5 De rente, bedoeld in het derde en vierde lid, is gelijk aan de zes maands Euribor op het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 11.
Artikel 17 — Artikel 17 Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 17 Voorwaarden schuldregeling bedrijfsborgstellingskrediet 1 De kredietverstrekker treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling. 2 De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18 — Artikel 18 Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst#
Artikel 18 Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst 1 De verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de kredietverstrekker met betrekking tot het bedrijfsborgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het bedrijfsborgstellingskrediet. 2 In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de Staat met betrekking tot een bedrijfsborgstellingskrediet van kracht, indien: a. de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt de onderneming en alle voor het drijven van de onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-ondernemer voor het drijven van die onderneming opgerichte rechtspersoon, b. de kredietverstrekker met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de MKB-ondernemer, en c. de MKB-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 19 — Artikel 19 Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door kredietverstrekker#
Artikel 19 Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door kredietverstrekker Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de kredietverstrekker zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de kredietverstrekker de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 20 — Artikel 20 Controle bedrijfsborgstellingskrediet#
Artikel 20 Controle bedrijfsborgstellingskrediet 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De kredietverstrekker, en indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, de kredietverstrekker-gelieerde, en de MKB-ondernemer voldoen aan hetgeen door door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het,van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en met het oog op de nakoming door de Staat van op de Staat rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit of deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de kredietverstrekker of de kredietverstrekker-gelieerde, op de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt of op de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten, omtrent: a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen; b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden; c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden; d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en e. het verstrekken van inlichtingen. 2 Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de kredietverstrekker, of indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, aan de kredietverstrekker-gelieerde, of aan de MKB-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar accountant te doen verstrekken. 3 Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de kredietverstrekker, de kredietverstrekker-gelieerde of de MKB-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. 4 De kredietverstrekker stelt de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten en verstrekt daarbij de door de minister vastgestelde informatie: a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet; b. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer; c. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet. 5 De kredietverstrekker meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de kredietverstrekker, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de kredietverstrekker.
Artikel 21 — Artikel 21 Beheer#
Artikel 21 Beheer 1 Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de kredietverstrekker waken over de belangen van de Staat als borg. 2 De kredietverstrekker zal er voor zorg dragen dat het bedrijfsborgstellingskrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de kredietverstrekker die het bedrijfsborgstellingskrediet verstrekt, aan een kredietverstrekker-gelieerde of aan een rechtspersoon waarmee de kredietverstrekker in een groep verbonden is. 3 artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek De kredietverstrekker zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de Staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend, een beding ten behoeve van de Staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling vanniet geldt ten opzichte van de Staat en de kredietverstrekker zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat: a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken; b. artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van. 4 De kredietverstrekker draagt er zorg voor dat de relaties tussen haar en de bij haar onderneming betrokkenen enerzijds, en de ondernemer aan wie een bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt anderzijds transparant zijn. 5 artikel 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies De kredietverstrekker voldoet blijvend aan. 6 De kredietverstrekker informeert de Staat zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken voorafgaand aan de desbetreffende gebeurtenis schriftelijk over wezenlijke wijzigingen in het financieringsbeleid of de organisatie van de kredietverstrekker.
Artikel 22 — Artikel 22 Hardheidsclausule#
Artikel 22 Hardheidsclausule Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de kredietverstrekker om afwijking van deze overeenkomst.
Artikel 23 — Artikel 23 Communicatie#
Artikel 23 Communicatie Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de kredietverstrekker kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de kredietverstrekker ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.
Artikel 24 — Artikel 24 Overige bepalingen#
Artikel 24 Overige bepalingen 1 Kaderbesluit EZ-subsidies hoofdstuk 2 De inwerkingtreding van een wijziging van hetofvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst. 2 Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de kredietverstrekker. 3 Deze overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot en met 31 december 2013 en kan door de minister en de kredietverstrekker tussentijds schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden. 4 In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de kredietverstrekker in strijd heeft gehandeld met het gestelde in deze overeenkomst. 5 Kaderbesluit EZ-subsidies In afwijking van het derde lid kan de kredietverstrekker deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen of een schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst. 6 Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van hetof door intrekking van, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. 7 Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 3 zijn gemeld en ten aanzien van bedrijfsborgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging. 8 Kaderbesluit EZ-subsidies artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a Als heten, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen gelijktijdig worden ingetrokken en vervangen door materieel identieke wettelijke voorschriften in een andere algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling dan is het zesde lid niet van toepassing.
Artikel 25 — Artikel 25 Kredietverstrekker-gelieerde#
Artikel 25 Kredietverstrekker-gelieerde Kredietverstrekker-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn): Getekend te ’s-Gravenhage ..... De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, (naam en functie vertegenwoordigers kredietverstrekker) a. (...) .................... b. (...enz.)
Artikel 3.7#
artikel 3.7, eerste lid
Artikel 1 — Artikel 1 Definitiebepalingen#
Artikel 1 Definitiebepalingen In deze overeenkomst wordt verstaan onder: a. minister: de Minister van Economische Zaken; b. kapitaalvennootschap: 1°. Richtlijn 68/151/EEG een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerstevan de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB EG L 65), of 2°. Richtlijn 68/151/EEG een kapitaalvennootschap die is ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld invan de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden te beschermen; c. ondernemer: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vennootschap, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld; d. kleine onderneming: kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); e. middelgrote onderneming: een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); f. participatiemaatschappij: artikel 4.1 een vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens haar statuten of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan ondernemers teneinde winst te behalen, met uitzondering van startersfondsen als bedoeld invan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen; g. bank: binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde bank die is toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen; h. financier: een bank of een participatiemaatschappij of een andere, door de minister aangewezen instelling; i. achtergestelde lening: 1°. een lening van geld door een financier aan een ondernemer met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten, – welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer op persoonlijke titel heeft gegeven, – waarop de ondernemer krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer waaraan de achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders in de onderneming van de ondernemer, en – ten aanzien waarvan de financier in de vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; of 2°. artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een lening van geld door een financier aan een ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een dochtermaatschappij in de zin van, met het oog op financiering door deze ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij, – welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer en van een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij, – en ten aanzien waarvan de financier in de akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; j. waarde van een achtergestelde lening: het nog niet afgeloste deel van de lening; k. aandelenkapitaal: aandelen in het kapitaal van een onderneming van de ondernemer, die de financier rechtstreeks van de ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening; l. waarde van aandelenkapitaal: het bedrag in geld dat de financier bij de volstorting van de aandelen heeft betaald dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de financier; m. risicokapitaal: kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of een achtergestelde lening; n. reserveringsquotum: het bedrag dat de minister op aanvraag van een financier vaststelt als maximum voor de som van de garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die: 1°. gedurende drie jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft; 2°. gedurende twee jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien reeds eerder een reserveringsquotum is toegekend. o. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van, of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; p. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent, in Nederland is gevestigd en daar een substantieel deel van haar activiteiten uitvoert.
Artikel 2 — Artikel 2 Garantstelling#
Artikel 2 Garantstelling 1 De Staat stelt zich tegenover de financier garant voor 50% van de waarde van door de financier verstrekt risicokapitaal, voor welke garantstelling de financier een provisie is verschuldigd. 2 De garantie wordt verleend voor de duur van de desbetreffende kapitaalverstrekkingen met een maximum van twaalf jaar, met dien verstande dat op verzoek van de financier de garantie inzake een verstrekking van aandelenkapitaal wordt gebonden aan een termijn van ten minste zes jaar en ten hoogste twaalf jaar. 3 De garantstelling heeft alleen betrekking op risicokapitaal a. dat wordt verstrekt nadat de minister desgevraagd een reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum nog toereikend en geldig is; b. dat wordt verstrekt overeenkomstig de in artikel 3 genoemde voorwaarden; c. dat onder de garantstelling is gebracht overeenkomstig de procedure van artikel 4. 4 Indien de financier bij de verstrekking van risicokapitaal een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, is deze overeenkomst slechts van toepassing op het gedeelte van het verstrekte risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 3 — Artikel 3 Randvoorwaarden risicokapitaal#
Artikel 3 Randvoorwaarden risicokapitaal Een verstrekking van risicokapitaal aan een ondernemer kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming van de ondernemer zijn bevredigend; b. in de voorafgaande periode van twaalf maanden zijn niet meer middelen ten behoeve van derden aan de onderneming onttrokken dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering en evenmin is een verplichting tot een zodanige onttrekking aangegaan; c. de verstrekking van het risicokapitaal dient niet ter vervanging van aan een ondernemer verschaft krediet of risicokapitaal door dezelfde financier of door een financier die deel uitmaakt van de groep van dezelfde financier; d. hoofdstuk 3 hoofdstuk 4 de waarde van het risicokapitaal dat aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een andere financier met toepassing vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen, en van risicokapitaal dat met toepassing vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan € 5.000.000; e. bij of in verband met het verstrekken van het risicokapitaal verstrekt de financier geen andere goederen dan geld; f. de verstrekking van het risicokapitaal draagt zelfstandig bij aan het realiseren van een actief en winstgericht beleid van de financier; g. de ondernemer verplicht zich aan een door de minister als toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht aangewezen persoon of aan een door de minister aangewezen deskundige derde, voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk acht voor de vervulling van zijn taak: 1°. inlichtingen te verstrekken en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken en de gelegenheid te bieden daarvan kopieën te maken; 2°. toegang te verlenen tot plaatsen niet zijnde woningen; 3°. anderszins binnen de door hem gestelde termijn alle door hem gewenste medewerking te verlenen; h. het risicokapitaal dient niet voor de overname van een aandelenkapitaal of een converteerbare achtergestelde lening, behalve indien dit een concrete verbetering in het ondernemingsbeleid ten doel heeft; i. het risicokapitaal dient niet ter vervanging van een bestaande lening, indien dit uitsluitend ten doel heeft betere financieringsvoorwaarden te verkrijgen. j. het risicokapitaal heeft niet als doel de afwenteling van bestaande risico’s op de Staat; k. voor participatiemaatschappijen bedraagt de waarde van het risicokapitaal dat aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van het risicokapitaal dat door een andere participatiemaatschappij met toepassing van hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en van risicokapitaal dat met toepassing van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt niet meer dan € 25.000.000; l. de minister, geadviseerd door een groep deskundige derden, heeft verklaard dat is voldaan aan de voorwaarden a tot en met g, indien de financiering waarvoor een garantie wordt aangevraagd meer bedraagt dan € 5 miljoen.
Artikel 4 — Artikel 4 Aanmelding en toetsing#
Artikel 4 Aanmelding en toetsing 1 De financier stelt de Staat in kennis van een voorgenomen verstrekking van risicokapitaal met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de ontwerp-overeenkomst tot verstrekking van het risicokapitaal en van andere bescheiden als genoemd in het model. 2 Indien de verstrekking van risicokapitaal naar het oordeel van de Staat voldoet aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden, geldt de garantstelling op grond van deze overeenkomst voor dit risicokapitaal. De Staat bericht hierover de financier binnen drie weken na ontvangst van de aanmelding onder vermelding van de omvang en duur van de garantie. De minister kan in plaats van de provisie, genoemd in artikel 6, tweede lid, een vergoeding vaststellen, indien naar het oordeel van de minister de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 3 De garantie wordt afgegeven onder de opschortende voorwaarde dat een dienovereenkomstige, door partijen gesloten overeenkomst aan de Staat wordt overgelegd en dat ook dan wordt voldaan aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden. De Staat bericht hierover de financier binnen 35 dagen na ontvangst van de gesloten overeenkomst onder vermelding van de omvang, duur en provisie of vergoeding van de garantie.
Artikel 5 — Artikel 5 Verplichtingen beheer#
Artikel 5 Verplichtingen beheer 1 De financier draagt er voor zorg dat een actief en winstgericht beleid wordt gevoerd voor het verstrekken, beheren en vervreemden van risicokapitaal, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller. 2 De financier draagt er voor zorg dat degenen die met het verstrekken, beheren of vervreemden van risicokapitaal zijn belast beschikken over de nodige deskundigheid. 3 De financier staat er voor in dat degenen die zijn belast met het verstrekken, beheren of vervreemden van risicokapitaal en met de bepaling van en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar zijn. 4 De financier draagt zorg voor een integere bedrijfsvoering en neemt in dat verband de noodzakelijke maatregelen om onder meer strafbare handelingen, verstrengeling van tegenstrijdige belangen en afhankelijkheid van de financier van bepaalde vennoten, aandeelhouders of andere betrokkenen te voorkomen. 5 De financier staat er voor in dat aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders en beheerders van de financier en andere zijdens de financier betrokkenen alleen medewerking verlenen aan verstrekkingen van risicokapitaal en krediet door een ander dan de financier aan een onderneming waaraan de financier risicokapitaal heeft verstrekt met een garantie op grond van deze overeenkomst, indien een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder deze verstrekkingen zou hebben gedaan in het kader van een actief en winstgericht beleid. 6 De financier komt met een ondernemer aan wie een achtergestelde lening is verstrekt slechts een wijziging van het aflossingsschema overeen na voorafgaande toestemming van de Staat, tenzij deze betrekking heeft op een versnelde aflossing of op een gehele of gedeeltelijke opschorting van de aflossingen gedurende ten hoogste vier aaneengesloten kwartalen die niet is voorafgegaan door een eerdere opschorting van de aflossingen. 7 De Staat verleent de in het zesde lid bedoelde toestemming indien aannemelijk is dat: a. de ondernemer niet in staat is te voldoen aan het bestaande aflossingsschema; b. adequate maatregelen worden genomen ter verbetering van de liquiditeit van de onderneming en rekening houdend met het belang van rentabiliteit en continuïteit van de onderneming; c. rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 8 De Staat kan op verzoek van de financier besluiten om de afdracht van de provisie, bedoeld in artikel 6.2, op te schorten in het geval dat: a. er voor de financier geen mogelijkheden meer zijn om de renteverplichtingen te incasseren bij de ondernemer, en b. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de verplichtingen van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 9 De financier vervreemdt de lening slechts na voorafgaande toestemming van de Staat. 10 De financier verleent slechts gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit de leningovereenkomst, uit hoofde waarvan de gegarandeerde lening is verstrekt, na voorafgaande toestemming van de Staat. De Staat geeft toestemming indien de kwijtschelding noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 11 De financier brengt slechts wijzigingen aan in de leningovereenkomst van de lening na voorafgaande toestemming van de Staat. De Staat kan toestemming geven indien de wijziging noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.
Artikel 6 — Artikel 6 Financiële verplichtingen#
Artikel 6 Financiële verplichtingen 1 De financier aan wie de minister een reserveringsquotum heeft toegekend, is hiervoor aan de Staat een eenmalige provisie van 1% van dit quotum verschuldigd. 2 De financier is een provisie verschuldigd voor de garantie op het verstrekte risicokapitaal dat overeenkomstig de procedure van artikel 4 onder de garantstelling is gebracht. De provisie bedraagt jaarlijks a. 2,5% van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal indien de kapitaalverstrekking bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde ondernemer door de financier of een andere financier die deel uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal; b. 3% van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal in andere gevallen. 3 Per kwartaal wordt een vierde deel van de in het tweede lid bedoelde provisie in rekening gebracht, uitgaand van de waarde van het risicokapitaal op de eerste dag van het kwartaal. 4 De in het tweede lid bedoelde provisie is verschuldigd voor de duur van de garantie of zoveel korter als zich één van de in artikel 8, eerste lid, genoemde omstandigheden voordoet. 5 Indien het risicokapitaal aandelenkapitaal betreft dat wordt vervreemd binnen zes jaren vanaf de verstrekking van het risicokapitaal, is de financier op dat tijdstip een aanvullende provisie verschuldigd voor de periode vanaf het tijdstip van de vervreemding tot na het verstrijken van de periode van zes jaren, welke aanvullende provisie wordt berekend met overeenkomstige toepassing van het tweede lid en uitgaand van de waarde van het aandelenkapitaal op de eerste dag van het kwartaal voorafgaand aan de vervreemding. 6 Indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, is de financier een minimale provisie verschuldigd gelijk aan de provisie die met toepassing van het tweede lid op basis van de initiële hoofdsom van de lening voor een periode van drie jaar verschuldigd is. Indien op het tijdstip van de volledige aflossing van de lening de reeds op grond van het tweede lid voor de verstreken looptijd van de lening verschuldigde provisie lager is dan de minimale provisie, is de financier een aanvullende provisie verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de reeds verschuldigde provisie en de minimale provisie. 7 Indien risicokapitaal binnen een termijn van zes jaar wordt afgestoten om verlies op dat risicokapitaal in de zin van artikel 8, eerste lid, te beperken, kan de minister op verzoek van de financier de over de resterende termijn verschuldigde provisie kwijtschelden indien sprake is van klemmende redenen, gelegen in het belang van de onderneming van de ondernemer.
Artikel 7 — Artikel 7 Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen#
Artikel 7 Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen 1 De financier draagt er voor zorg dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerd risicokapitaal en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde ondernemer heeft verstrekt. 2 De financier informeert de Staat binnen acht weken nadat de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden schriftelijk over wezenlijke wijzigingen in het financieringsbeleid of de organisatie van de financier en over wijzigingen ten aanzien van gegarandeerd risicokapitaal, waaronder a. een omzetting van een achtergestelde lening in aandelenkapitaal, b. een aflossing van een achtergestelde lening, tenzij deze aflossing overeenkomt met een aflossingsschema waarover de Staat eerder is geïnformeerd; c. een wijziging van de looptijd van een achtergestelde lening. 3 De financier verstrekt de Staat jaarlijks zijn jaarverslag. 4 artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Desgevraagd verstrekt de financier de Staat gegevens en bescheiden over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerd risicokapitaal en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde ondernemer heeft verstrekt, en de jaarrekeningen van de ondernemingen waaraan risicokapitaal is verstrekt, vergezeld van desbetreffende accountantsverklaringen als bedoeld inof een mededeling waarom deze ontbreekt, en van de bijbehorende toelichtingen voor het bestuur van de onderneming. 5 De financier doet onverwijld mededeling aan de Staat van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing te verklaren.
Artikel 8 — Artikel 8 Reikwijdte garantie#
Artikel 8 Reikwijdte garantie 1 De financier kan een beroep doen op de garantie indien hij op gegarandeerd risicokapitaal verlies lijdt: a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van dat risicokapitaal; b. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de lening door de financier; c. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, door onvermogen van de ondernemer om de lening af te lossen; d. als gevolg van een faillietverklaring, een verlening van surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer; e. bij een in kracht van gewijsde gegane homologatie van een akkoord na de faillietverklaring, na de verlening van surséance van betaling of na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer waaraan de lening is verstrekt; f. indien de ondernemer een rechtspersoon is, bij ontbinding van de rechtspersoon. 2 De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de MKB-onderneming zijn onttrokken ten behoeve van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering, dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan, mits de financier hieraan op enigerlei wijze medewerking heeft verleend. 3 Bij verlies ingevolge vervreemding van risicokapitaal geldt de garantie alleen indien de vervreemding: a. niet eerder dan twee jaar na de verstrekking ervan heeft plaatsgevonden, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen deze termijn heeft ingestemd; b. gebeurt tegen een prijs die past in het voeren van een actief en winstgericht beleid; c. voor zover de financier daarbij risicokapitaal geheel of voor een deel overdraagt aan één van zijn aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen, gebeurt tegen een prijs die is gebaseerd op een taxatie van twee onafhankelijke deskundigen, dan wel gepaard gaat met vervreemding van ten minste een derde deel van het risicokapitaal aan onafhankelijke derden. 4 Bij verlies ingevolge gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een achtergestelde lening geldt de garantie alleen indien de kwijtschelding noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 5 Als onvermogen van de ondernemer om de lening af te lossen, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt aangemerkt de situatie waarin a. de ondernemer niet in staat is te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen; b. aannemelijk is dat de ondernemer in de eerstvolgende jaren niet in staat zal zijn te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen; en c. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 6 Verlies als gevolg van faillietverklaring, een verlening van surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, wordt aanwezig geacht a. voor zover aannemelijk is dat de financier bij het einde van het faillissement, van de surséance onderscheidenlijk van de toepassing van de schuldsaneringsregeling een verlies als bedoeld in het achtste lid zal leiden; b. mits aannemelijk is dat rekening is gehouden met het belang van de Staat als garantsteller. 7 De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien de financier tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van deze overeenkomst of indien de financier niet kan aantonen die maatregelen te hebben genomen die een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder zou hebben genomen in het kader van een actief en winstgericht beleid. 8 Het verlies wordt berekend op basis van de waarde van het risicokapitaal of, indien het verlies slechts op een deel van het verstrekte risicokapitaal is geleden, het hiermee overeenkomende deel van die waarde, in een voorkomend geval verminderd met: a. in geval van vervreemding: de prijs waarvoor die vervreemding heeft plaatsgevonden; b. in geval van ontbinding: de liquidatie-uitkering; of c. in geval van homologatie van een akkoord als bedoeld in het eerste lid, onder e, de in het kader van het akkoord voor de achtergestelde lening verrichte uitkering; en d. in geval van verlies op aandelenkapitaal, het totaal van de uitgekeerde dividenden en het totaal van de aan de financier betaalde vergoedingen voor zover deze vergoedingen hoger zijn dan een marktconforme vergoeding. 9 Indien de financier meermalen gegarandeerd risicokapitaal aan een ondernemer heeft verstrekt en slechts op een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden op het risicokapitaal dat de financier het eerst heeft verstrekt. 10 Indien de financier aan een ondernemer risicokapitaal heeft verstrekt dat slechts ten dele onder de garantstelling is gebracht en slechts op een deel van het verstrekte risicokapitaal verlies lijdt, wordt het verlies, onverminderd het negende lid, naar rato toegerekend aan het risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht.
Artikel 9 — Artikel 9 Inroepen van garantie#
Artikel 9 Inroepen van garantie 1 De financier verzoekt de Staat binnen zes maanden nadat zich de in artikel 8, eerste lid, bedoelde situatie heeft voorgedaan om betaling op grond van de garantie met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de vervreemdingsovereenkomst, de inschrijving in het register van de ontbinding van de rechtspersoon of van de in artikel 8, eerste lid, onder c, bedoelde akkoorden en van andere bescheiden als genoemd in het model. 2 Indien naar het oordeel van de Staat sprake is van een verlies als bedoeld in artikel 8, maakt de financier aanspraak op betaling van 50% van het geleden verlies, tenzij de financier in gebreke is gebleven bij de naleving van deze overeenkomst. De Staat bericht hierover de financier binnen dertien weken na ontvangst van het betalingsverzoek onder vermelding van het te betalen bedrag.
Artikel 10 — Artikel 10 Betalingen#
Artikel 10 Betalingen Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de financier geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer ... bij de ... bank, ten name van SenterNovem, onder vermelding van het ... nummer.
Artikel 11 — Artikel 11 Terugvordering en navordering#
Artikel 11 Terugvordering en navordering 1 Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra blijkt dat de financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat de Staat op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft. 2 Indien vanwege een verlies als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c of d, een uitkering op grond van de garantie heeft plaatsgevonden, is de financier verplicht 50% van de aflossingen die na de uitkering worden verricht, onderscheidenlijk van hetgeen na de uitkering is ontvangen, uit te betalen aan de Staat.
Artikel 12 — Artikel 12 Opzegging#
Artikel 12 Opzegging 1 De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen indien a. de financier tekort schiet bij de nakoming van één van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst; b. ten aanzien van de financier een verzoek bij de rechtbank is ingediend tot verlening van surseance van betaling, een verzoek tot faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of een buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden; c. de financier, in geval deze rechtspersoonlijkheid heeft, is ontbonden; d. hoofdstuk 3 de bepalingen invan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen niet langer verenigbaar zijn met de regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun. 2 Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a, geschiedt uitsluitend nadat de Staat de financier op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een redelijke termijn. 3 Een opzegging in verband met de in het eerste lid, onder d, bedoelde omstandigheid heeft geen gevolgen voor de verplichtingen ten aanzien van verstrekkingen van risicokapitaal die voor het tijdstip van de opzegging onder de garantstelling zijn gebracht.
Artikel 13 — Artikel 13 Geschillen#
Artikel 13 Geschillen 1 Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement Den Haag. 2 Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
Artikel 14 — Artikel 14 Adressering schriftelijke stukken#
Artikel 14 Adressering schriftelijke stukken Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder 1 gemelde partij worden gericht aan Ministerie van Economische Zaken, SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag. 2 gemelde partij worden gericht aan .....
Artikel 15 — Artikel 15 Inwerkingtreding#
Artikel 15 Inwerkingtreding Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.
Artikel 3.7#
artikel 3.7, tweede lid
Artikel 1 — Artikel 1 Definitiebepalingen#
Artikel 1 Definitiebepalingen In deze overeenkomst wordt verstaan onder: a. minister: de Minister van Economische Zaken; b. kapitaalvennootschap: 1°. Richtlijn 68/151/EEG een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerstevan de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB EG L 65), of 2°. Richtlijn 68/151/EEG een kapitaalvennootschap die is ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld invan de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden te beschermen; c. ondernemer: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vennootschap, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld; d. kleine onderneming: kleine onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); e. middelgrote onderneming: een middelgrote onderneming in de zin van verordening (EG) nr. 800/ 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikel 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L 214); f. participatiemaatschappij: artikel 4.1 een vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens haar statuten of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan ondernemers teneinde winst te behalen, met uitzondering van startersfondsen als bedoeld invan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen; g. bank: binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde bank die is toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen; h. financier: een bank of een participatiemaatschappij of een andere, door de minister aangewezen instelling; i. achtergestelde lening: 1°. een lening van geld door een financier aan een ondernemer met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten, – welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer op persoonlijke titel heeft gegeven, – waarop de ondernemer krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer waaraan de achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders in de onderneming van de ondernemer, en – ten aanzien waarvan de financier in de vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; of 2°. artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een lening van geld door een financier aan een ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een dochtermaatschappij in de zin van, met het oog op financiering door deze ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij, – welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer en van een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij, – en ten aanzien waarvan de financier in de akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; j. waarde van een achtergestelde lening: het nog niet afgeloste deel van de lening; k. aandelenkapitaal: aandelen in het kapitaal van een onderneming van de ondernemer, die de financier rechtstreeks van de ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening; l. waarde van aandelenkapitaal: het bedrag in geld dat de financier bij de volstorting van de aandelen heeft betaald dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de financier; m. risicokapitaal: kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of een achtergestelde lening; n. reserveringsquotum: het bedrag dat de minister op aanvraag van een financier vaststelt als maximum voor de som van de garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die: 1°. gedurende drie jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft; 2°. gedurende twee jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien reeds eerder een reserveringsquotum is toegekend. o. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van, of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; p. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent, in Nederland is gevestigd en daar een substantieel deel van haar activiteiten uitvoert.
Artikel 2 — Artikel 2 Garantstelling#
Artikel 2 Garantstelling 1 De Staat stelt zich tegenover de financier garant voor 50% van de waarde van door de financier verstrekte niet converteerbare achtergestelde leningen, voor welke garantstelling de financier een provisie is verschuldigd. 2 De garantie wordt verleend voor de duur van deze leningen met een maximum van twaalf jaar. 3 De garantstelling heeft alleen betrekking op leningen a. die worden verstrekt nadat de minister desgevraagd een reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum nog toereikend en geldig is; b. die worden verstrekt overeenkomstig de in artikel 3 genoemde voorwaarden; c. die onder de garantstelling zijn gebracht overeenkomstig de procedure van artikel 4. 4 Indien de financier bij de verstrekking van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, is deze overeenkomst slechts van toepassing op het gedeelte van de lening dat onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 3 — Artikel 3 Randvoorwaarden risicokapitaal#
Artikel 3 Randvoorwaarden risicokapitaal Een niet converteerbare achtergestelde lening aan een ondernemer kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de onderneming van de ondernemer zijn bevredigend; b. in de voorafgaande periode van twaalf maanden zijn niet meer middelen ten behoeve van derden aan de onderneming onttrokken dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering en evenmin is een verplichting tot een zodanige onttrekking aangegaan; c. de verstrekking van het risicokapitaal dient niet ter vervanging van aan een ondernemer verschaft krediet of risicokapitaal door dezelfde financier of door een financier die deel uitmaakt van de groep van dezelfde financier; d. hoofdstuk 3 hoofdstuk 4 de waarde van de lening die aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een andere financier met toepassing vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen, en van risicokapitaal dat met toepassing vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan € 5.000.000; e. bij of in verband met het verstrekken van de lening verstrekt de financier geen andere goederen dan geld; f. de lening draagt zelfstandig bij aan het realiseren van een actief en winstgericht beleid van de financier; g. de ondernemer verplicht zich aan een door de minister als toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht aangewezen persoon of aan een door de minister aangewezen deskundige derde, voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk acht voor de vervulling van zijn taak: 1°. inlichtingen te verstrekken en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken en de gelegenheid te bieden daarvan kopieën te maken; 2°. toegang te verlenen tot plaatsen niet zijnde woningen; 3°. anderszins binnen de door hem gestelde termijn alle door hem gewenste medewerking te verlenen; h. het risicokapitaal dient niet voor de overname van een aandelenkapitaal of een converteerbare achtergestelde lening, behalve indien dit een concrete verbetering in het ondernemingsbeleid ten doel heeft; i. het risicokapitaal dient niet ter vervanging van een bestaande lening, indien dit uitsluitend ten doel heeft betere financieringsvoorwaarden te verkrijgen. j. het risicokapitaal heeft niet als doel de afwenteling van bestaande risico’s op de Staat; k. voor participatiemaatschappijen bedraagt de waarde van het risicokapitaal dat aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van het risicokapitaal dat door een andere participatiemaatschappij met toepassing van hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en van risicokapitaal dat met toepassing van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt niet meer dan € 25.000.000; l. de minister, geadviseerd door een groep deskundige derden, heeft verklaard dat is voldaan aan de voorwaarden a tot en met g, indien de financiering waarvoor een garantie wordt aangevraagd meer bedraagt dan € 5 miljoen.
Artikel 4 — Artikel 4 Aanmelding en toetsing#
Artikel 4 Aanmelding en toetsing 1 De financier stelt de Staat in kennis van een voorgenomen verstrekking van een lening met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de ontwerp-leningsovereenkomst en van andere bescheiden als genoemd in het model. 2 Indien de verstrekking van de lening naar het oordeel van de Staat voldoet aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden, geldt de garantstelling op grond van deze overeenkomst voor deze lening. De Staat bericht hierover de financier binnen drie weken na ontvangst van de aanmelding onder vermelding van de omvang en duur van de garantie. De minister kan in plaats van de provisie, genoemd in artikel 6, tweede lid, een vergoeding vaststellen, indien naar het oordeel van de minister de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 3 De garantie wordt afgegeven onder de opschortende voorwaarde dat een dienovereenkomstige, door partijen gesloten overeenkomst aan de Staat wordt overgelegd en dat ook dan wordt voldaan aan de in artikel 3 bedoelde voorwaarden. De Staat bericht hierover de financier binnen 35 dagen na ontvangst van de gesloten overeenkomst onder vermelding van de omvang, duur en provisie of vergoeding van de garantie.
Artikel 5 — Artikel 5 Verplichtingen beheer#
Artikel 5 Verplichtingen beheer 1 De financier draagt er voor zorg dat een actief en winstgericht beleid wordt gevoerd voor het verstrekken, beheren en vervreemden van leningen, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller. 2 De financier draagt er voor zorg dat degenen die met het verstrekken, beheren of vervreemden van leningen zijn belast beschikken over de nodige deskundigheid. 3 De financier staat er voor in dat degenen die zijn belast met het verstrekken, beheren of vervreemden van leningen en met de bepaling van en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar zijn. 4 De financier draagt zorg voor een integere bedrijfsvoering en neemt in dat verband de noodzakelijke maatregelen om onder meer strafbare handelingen, verstrengeling van tegenstrijdige belangen en afhankelijkheid van de financier van bepaalde vennoten, aandeelhouders of andere betrokkenen te voorkomen. 5 De financier staat er voor in dat aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders en beheerders van de financier en andere zijdens de financier betrokkenen alleen medewerking verlenen aan verstrekkingen van risicokapitaal en krediet door een ander dan de financier aan een onderneming waaraan de financier een gegarandeerde lening heeft verstrekt, indien een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder deze verstrekkingen zou hebben gedaan in het kader van een actief en winstgericht beleid. 6 De financier komt met een ondernemer aan wie een gegarandeerde lening is verstrekt slechts een wijziging van het aflossingsschema overeen na voorafgaande toestemming van de Staat, tenzij deze betrekking heeft op een versnelde aflossing of op een gehele of gedeeltelijke opschorting van de aflossingen gedurende ten hoogste vier aaneengesloten kwartalen die niet is voorafgegaan door een eerdere opschorting van de aflossingen. 7 De Staat verleent de in het zesde lid bedoelde toestemming indien aannemelijk is dat: a. de ondernemer niet in staat is te voldoen aan het bestaande aflossingsschema; b. adequate maatregelen worden genomen ter verbetering van de liquiditeit van de onderneming en rekening houdend met het belang van rentabiliteit en continuïteit van de onderneming; c. rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 8 De Staat kan op verzoek van de financier besluiten om de afdracht van de provisie, bedoeld in artikel 6.2, op te schorten in het geval dat: a. er voor de financier geen mogelijkheden meer zijn om de renteverplichtingen te incasseren bij de ondernemer, en b. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de verplichtingen van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 9 De financier vervreemdt de lening slechts na voorafgaande toestemming van de Staat. 10 De financier verleent slechts gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit de leningovereenkomst, uit hoofde waarvan de gegarandeerde lening is verstrekt, na voorafgaande toestemming van de Staat. De Staat geeft toestemming indien de kwijtschelding noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 11 De financier brengt slechts wijzigingen aan in de leningovereenkomst van de lening na voorafgaande toestemming van de Staat. De Staat kan toestemming geven indien de wijziging noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening.
Artikel 6 — Artikel 6 Financiële verplichtingen#
Artikel 6 Financiële verplichtingen 1 De financier aan wie de minister een reserveringsquotum heeft toegekend, is hiervoor aan de Staat een eenmalige provisie van 1% van dit quotum verschuldigd. 2 De financier is een provisie verschuldigd voor de garantie op leningen die overeenkomstig de procedure van artikel 4 onder de garantstelling zijn gebracht. De provisie bedraagt jaarlijks a. 2,5% van de gegarandeerde waarde van de lening indien deze bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde ondernemer door de financier of een andere financier die deel uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal; b. 3% van de gegarandeerde waarde van de lening in andere gevallen. 3 Per kwartaal wordt een vierde deel van de in het tweede lid bedoelde provisie in rekening gebracht, uitgaand van de waarde van de leningen op de eerste dag van het kwartaal. 4 De in het tweede lid bedoelde provisie is verschuldigd voor de duur van de garantie of zoveel korter als zich één van de in artikel 8, eerste lid, genoemde omstandigheden voordoet. 5 De financier is op het tijdstip van de volledige aflossing van de lening een aanvullende provisie verschuldigd indien de op grond van het tweede lid voor de totale looptijd van de lening verschuldigde provisie minder bedraagt dan het zesvoud van de provisie die met toepassing van het tweede lid voor de helft van het geleende bedrag kan worden berekend, welke aanvullende provisie gelijk is aan het hiervoor bedoelde verschil. 6 Indien de lening binnen een termijn van zes jaar wordt afgestoten om verlies op die lening in de zin van artikel 8, eerste lid, te beperken, kan de minister op verzoek van de financier de over de resterende termijn verschuldigde provisie kwijtschelden indien sprake is van klemmende redenen, gelegen in het belang van de onderneming van de ondernemer.
Artikel 7 — Artikel 7 Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen#
Artikel 7 Administratieve en informatieverstrekkingsverplichtingen 1 De financier draagt er voor zorg dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde leningen en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde ondernemer heeft verstrekt. 2 De financier informeert de Staat binnen acht weken nadat de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden schriftelijk over wezenlijke wijzigingen in het financieringsbeleid of de organisatie van de financier en over wijzigingen ten aanzien van gegarandeerde leningen, waaronder a. een aflossing van een achtergestelde lening, tenzij deze aflossing overeenkomt met een aflossingsschema waarover de Staat eerder is geïnformeerd; b. een wijziging van de looptijd van een achtergestelde lening. 3 De financier verstrekt de Staat jaarlijks zijn jaarverslag. 4 artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Desgevraagd verstrekt de financier de Staat gegevens en bescheiden over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde leningen en van ander risicokapitaal dat hij aan dezelfde ondernemer heeft verstrekt, en de jaarrekeningen van de ondernemingen waaraan risicokapitaal is verstrekt, vergezeld van desbetreffende accountantsverklaringen als bedoeld inof een mededeling waarom deze ontbreekt, en van de bijbehorende toelichtingen voor het bestuur van de onderneming. . 5 De financier doet onverwijld mededeling aan de Staat van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing te verklaren.
Artikel 8 — Artikel 8 Reikwijdte garantie#
Artikel 8 Reikwijdte garantie 1 De financier kan een beroep doen op de garantie indien hij op een gegarandeerde lening verlies lijdt: a. bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van de lening; b. door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de lening door de financier; c. door het onvermogen van de ondernemer om de lening af te lossen; d. als gevolg van een faillietverklaring, een surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer waaraan de lening is verstrekt; e. indien het risicokapitaal een achtergestelde lening betreft, bij een in kracht van gewijsde gegane homologatie van een akkoord na de faillietverklaring, na de verlening van surséance van betaling of na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer waaraan de lening is verstrekt; f. indien de ondernemer een rechtspersoon is, bij ontbinding van de rechtspersoon. 2 De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de MKB-onderneming zijn onttrokken ten behoeve van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering, dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan, mits de financier hieraan op enigerlei wijze medewerking heeft verleend. 3 Bij verlies ingevolge vervreemding van een lening geldt de garantie alleen indien de vervreemding: a. niet eerder dan twee jaar na de verstrekking ervan heeft plaatsgevonden, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen deze termijn heeft ingestemd; b. gebeurt tegen een prijs die past in het voeren van een actief en winstgericht beleid; c. voor zover de financier daarbij de lening geheel of voor een deel overdraagt aan één van zijn aandeelhouders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen, gebeurt tegen een prijs die is gebaseerd op een taxatie van twee onafhankelijke deskundigen, dan wel gepaard gaat met vervreemding van ten minste een derde deel van de lening aan onafhankelijke derden. 4 Bij verlies ingevolge gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een lening geldt de garantie alleen indien de kwijtschelding noodzakelijk is voor de continuïteit van de onderneming waarvoor de lening is verstrekt en indien rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 5 Als onvermogen van de ondernemer om de lening af te lossen, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt aangemerkt de situatie waarin a. de ondernemer niet in staat is te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen; b. aannemelijk is dat de ondernemer in de eerstvolgende jaren niet in staat zal zijn te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen; en c. aannemelijk is dat rekening is gehouden en wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller, onder meer door een evenwichtige aanwending van de beschikbare middelen van de ondernemer voor de aflossing van bestaande leningen, met inachtneming van de achterstelling van de gegarandeerde lening. 6 Verlies als gevolg van faillietverklaring, een verlening van surséance van betaling of een van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, wordt aanwezig geacht a. voor zover aannemelijk is dat de financier bij het einde van het faillissement, van de surséance onderscheidenlijk van de toepassing van de schuldsaneringsregeling een verlies als bedoeld in het achtste lid zal leiden; b. mits aannemelijk is dat rekening is gehouden met het belang van de Staat als garantsteller. 7 De minister kan het beroep afwijzen of een korting toepassen op het gevraagde bedrag indien de financier tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van deze overeenkomst of indien de financier niet kan aantonen die maatregelen te hebben genomen die een redelijk handelend en redelijk bekwaam beheerder zou hebben genomen in het kader van een actief en winstgericht beleid. 8 Het verlies wordt berekend op basis van de waarde van de lening of, indien het verlies slechts op een deel van de lening is geleden, het hiermee overeenkomende deel van die waarde, in een voorkomend geval verminderd met: a. in geval van vervreemding: de prijs waarvoor die vervreemding heeft plaatsgevonden; b. in geval van ontbinding: de liquidatie-uitkering; of c. in geval van homologatie van een akkoord als bedoeld in het eerste lid, onder e, de in het kader van het akkoord voor de lening verrichte uitkering. 9 Indien de financier meermalen gegarandeerde leningen aan een ondernemer heeft verstrekt en slechts op een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies geacht te zijn geleden op de lening dat de financier het eerst heeft verstrekt. 10 Indien de financier aan een ondernemer leningen heeft verstrekt die slechts ten dele onder de garantstelling zijn gebracht en slechts op een deel daarvan verlies lijdt, wordt het verlies, onverminderd het zesde lid, naar rato toegerekend aan de leningen die onder de garantstelling zijn gebracht.
Artikel 9 — Artikel 9 Inroepen van garantie en toetsing#
Artikel 9 Inroepen van garantie en toetsing 1 De financier verzoekt de Staat binnen zes maanden nadat zich de in artikel 8, eerste lid, bedoelde situatie heeft voorgedaan om betaling op grond van de garantie met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van een kopie van de vervreemdingsovereenkomst, de inschrijving in het register van de ontbinding van de rechtspersoon of van de in artikel 8, eerste lid, onder c, bedoelde akkoorden en van andere bescheiden als genoemd in het model. 2 Indien naar het oordeel van de Staat sprake is van een verlies als bedoeld in artikel 8, maakt de financier aanspraak op betaling van 50% van het geleden verlies, tenzij de financier in gebreke is gebleven bij de naleving van deze overeenkomst.. De Staat bericht hierover de financier binnen dertien weken na ontvangst van het betalingsverzoek onder vermelding van het te betalen bedrag.
Artikel 10 — Artikel 10 Betalingen#
Artikel 10 Betalingen Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de financier geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer PM PMxxxxx bij de ---financier, ten name van SenterNovem, onder vermelding van het PM PM---nummer
Artikel 11 — Artikel 11 Terugvordering en navordering#
Artikel 11 Terugvordering en navordering 1 Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra blijkt dat de financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat de Staat op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft. 2 Indien vanwege een verlies als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c of d, een uitkering op grond van de garantie heeft plaatsgevonden, is de financier verplicht 50% van de aflossingen die na de uitkering worden verricht, uit te betalen aan de Staat.
Artikel 12 — Artikel 12 Opzegging#
Artikel 12 Opzegging 1 De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen indien a. de financier tekort schiet bij de nakoming van één van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst; b. ten aanzien van de financier een verzoek bij de rechtbank is ingediend tot verlening van surseance van betaling, een verzoek tot faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of een buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden; c. de financier, in geval deze rechtspersoonlijkheid heeft, is ontbonden; d. hoofdstuk 3 de bepalingen invan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen niet langer verenigbaar zijn met de regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun. 2 Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a, geschiedt uitsluitend nadat de Staat de financier op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een redelijke termijn. 3 Een opzegging in verband met de in het eerste lid, onder d, bedoelde omstandigheid heeft geen gevolgen voor de verplichtingen ten aanzien van verstrekkingen van risicokapitaal die voor het tijdstip van de opzegging onder de garantstelling zijn gebracht.
Artikel 13 — Artikel 13 Geschillen#
Artikel 13 Geschillen 1 Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement Den Haag. 2 Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
Artikel 14 — Artikel 14 Adressering schriftelijke stukken#
Artikel 14 Adressering schriftelijke stukken Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder 1 gemelde partij worden gericht aan Ministerie van Economische Zaken, SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag. 2 gemelde partij worden gericht aan .....
Artikel 15 — Artikel 15 Inwerkingtreding#
Artikel 15 Inwerkingtreding Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.
Artikel 3.13#
artikel 3.13, sub a
Artikel 3.13#
artikel 3.13, tweede lid, sub a
Artikel 3.13#
artikel 3.13, sub c
Artikel 3.13#
artikel 3.13, tweede lid, sub c
Artikel 3.12g#
artikel 3.12g
Artikel 3.13#
artikel 3.13, tweede lid, sub e
Artikel 3.12q#
artikel 3.12q
Artikel 3.13#
artikel 3.13, sub g
Artikel 3.13#
artikel 3.13, tweede lid, sub g
Artikel 3.12aa#
artikel 3.12aa
Artikel 3.12b#
3.12b
Artikel 3.12b#
artikel 3.12b
Artikel 3.12g#
artikel 3.12g
Artikel 3.13#
3.13
Artikel 3.12w#
artikel 3.12w
Artikel 3.12b#
3.12b
Artikel 4.13#
artikel 4.13, tweede lid
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In deze overeenkomst wordt verstaan onder: a. minister: de Minister van Economische Zaken; b. kapitaalvennootschap: 1°. Richtlijn 68/151/EEG een vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Eerstevan de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB EG L 65), of 2°. Richtlijn 68/151/EEG een kapitaalvennootschap die ten tijde van de eerste verstrekking van risicodragend kapitaal op grond van deze regeling is ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, een apart vermogen heeft dat bij uitsluiting voor de schulden van de vennootschap kan worden aangesproken en op grond van haar nationale wetgeving onderworpen is aan garantievoorwaarden zoals bedoeld invan de Raad om de belangen van zowel deelgerechtigden als derden te beschermen; c. technostarter : een rechtspersoon die een onderneming drijft: 1°. die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, of 2°. die deel uitmaakt van één van de creatieve sectoren en die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe creatieve vinding of een nieuwe toepassing van een bestaande creatieve vinding; en 3°. minder dan zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop actief is op een markt; en 4°. die ten tijde van de eerste verstrekking van risicodragend kapitaal op grond van dit hoofdstuk voldoet aan de definitie van middelgrote, kleine of micro-ondernemingen; d. technostartervennootschap: een technostarter die behoudens voor zover de onderneming behoort tot de economische sectoren van landbouw, visserij, aquacultuur of scheepsbouw of tot de EGKS-sectoren; 1°. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap, en 2°. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert, e. achtergestelde vordering: een vordering van het startersfonds ten laste van een technostartervennootschap 1°. die het startersfonds heeft verkregen door aan de technostartervennootschap geld ter leen te verstrekken, 2°. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surséance van betaling of een akkoord in faillissement van de debiteur, eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van de schulden die voortvloeien uit leningen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling is verbonden, 3°. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; f. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die direct of indirect: – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; g. participatie: risicodragend kapitaal in de vorm van 1°. aandelen in het kapitaal van een technostartervennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartervennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde vordering; of 2°. aandelen in het kapitaal van een technostartervennootschap als bedoeld onder 1° in combinatie met een achtergestelde vordering; h. verkrijgingsprijs van een participatie: het bedrag in geld waarvoor het startersfonds de participatie heeft verkregen; i. fondsplan: een plan van het startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartervennootschappen; j. investeringsperiode: de periode gedurende welke het startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van participaties; k. investeringsbudget: de financiële middelen die het startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingsprijs van participaties te voldoen; l. inkomsten: alle op geld waardeerbare voordelen die het startersfonds heeft verkregen uit de participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de desbetreffende technostartervennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering; m. beheerskosten: alle kosten die het startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartervennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingsprijs van de participaties; n. fondspartij: een aandeelhouder of hoofdelijk aansprakelijk vennoot van het startersfonds; o. eigen bijdrage: de geldelijke middelen die door de fondspartijen in het investeringsfonds zijn ingebracht en die daadwerkelijk zijn gebruikt voor het verkrijgen van participaties; p. referentierente: de referentierentevoet, bedoeld in de Mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld(PbEG 1997, C 273), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met 4%; q. eerste commerciële verkoop: eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt; r. startersfonds: een vennootschap: 1°. in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de andere lidstaten van de Europese Unie; 2°. die blijkens de akte waarbij haar statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en 3°. waarin ten minste drie aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een meerderheidsbelang in het fonds heeft.
Artikel 2 — Artikel 2 Verstrekking lening#
Artikel 2 Verstrekking lening 1 De Staat verstrekt het startersfonds voor het verkrijgen van participaties een renteloze geldlening tot een bedrag van € «DOSSIER_GECOMMITTEERD» met een looptijd van .... jaar, van «DOSSIER_AANVANG_DAT» tot <<einddatum fonds>>, gegeven een investeringsbudget van € «BEGROTE_KOSTEN». 2 De Staat kan de in het eerste lid genoemde termijn op verzoek van het startersfonds verlengen indien daarvoor zwaarwegende economische redenen zijn. 3 Het startersfonds kan bedragen in contanten opnemen, telkens indien het startersfonds een betaling verricht ter verkrijging van een participatie, voor zover het totaal van de opgenomen bedragen niet hoger is dan het maximale bedrag van de geldlening. 4 Telkens indien het startersfonds inkomsten heeft verkregen uit een participatie boekt het een deel van deze inkomsten over aan de Staat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5. 5 Het startersfonds is niet gehouden de uitstaande hoofdsom af te lossen, anders dan door de overboekingen bedoeld in het vierde lid. 6 Het geld dat het startersfonds aan de technostarter verstrekt, wordt uitsluitend aangewend voor financiering van de verdere groei van de technostarter, en wordt niet gebruikt om bestaande financiële verplichtingen te herfinancieren. 7 Het startersfonds kan, bij zwaarwegende economische redenen en na schriftelijke toestemming van de Staat, de totale fondsomvang vergroten door de private inbreng te verhogen. Dit kan alleen indien alle fondspartijen pro rata meedoen met de verhoging.
Artikel 3 — Artikel 3 Opname van de lening#
Artikel 3 Opname van de lening 1 hoofdstuk 4 Indien het startersfonds een participatie heeft verkregen na de indiening van de aanvraag om subsidie op grond vanvan de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en over gaat of over is gegaan tot betaling aan de technostartervennootschap van de verkrijgingsprijs of van een deel daarvan, verricht de Staat op verzoek van het fonds een betaling aan het fonds ter hoogte van dat bedrag vermenigvuldigd met het percentage dat het maximale bedrag van de geldlening vormt van het investeringsbudget, met dien verstande dat de middelen die door een startersfonds over een periode van twaalf maanden aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 2.000.000 bedragen. 2 Het startersfonds doet het verzoek om betaling met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model dat als bijlage 1 bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van de overeenkomst tot verkrijging van de participatie en van andere bescheiden als genoemd in het model. 3 De Staat verricht de betaling binnen twee weken na ontvangst van het verzoek om betaling, tenzij hij van oordeel is dat het startersfonds niet heeft voldaan aan de ingevolge deze overeenkomst voor hem geldende verplichtingen, dan wel indien het startersfonds failliet is verklaard of aan het fonds surséance van betaling is verleend of ten aanzien van fonds de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. 4 De Staat bericht het startersfonds na afloop van de investeringsperiode wat het totale bedrag is dat op grond van deze overeenkomst is opgenomen. De investeringsperiode loopt van «DOSSIER_AANVANG_DAT» tot en met «DOSSIER_OORSPR_EINDDAT».
Artikel 4 — Artikel 4 Overboeking van inkomsten uit participaties#
Artikel 4 Overboeking van inkomsten uit participaties 1 Indien het startersfonds inkomsten heeft, wordt daarvan het rechtmatige deel overgeboekt aan de Staat: a. indien dit rechtmatige deel gelijk of meer is dan € 20.000, binnen één maand; b. indien dit rechtmatige deel minder is dan € 20.000, binnen één maand nadat € 20.000 is overschreden; c. in alle andere gevallen éénmaal per half kalenderjaar. 2 Het deel van de inkomsten dat aan de Staat wordt overgeboekt verschilt al naar gelang de inkomsten worden ontvangen in één van de volgende perioden: a. periode A: vanaf het totstandkomen van deze overeenkomst tot het tijdstip waarop het totaal van de door het startersfonds uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdrage voor de verkregen participaties; b. periode B: vanaf het onder a bedoelde tijdstip tot het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de leningsovereenkomst opgenomen bedrag; c. periode C: vanaf het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de leningsovereenkomst opgenomen bedrag. 3 Het deel van de inkomsten dat aan de Staat wordt overgeboekt is a. in periode A: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat; b. in periode B: 50 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat; c. in periode C: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat. 4 De Staat kan de hoogte van het deel van de inkomsten, bedoeld in het derde lid, per periode A, B en C afwijkend vaststellen, indien het startersfonds in strijd heeft gehandeld met hetgeen in deze overeenkomst of in de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen is bepaald. 5 Telkens indien het startersfonds een bedrag overboekt aan de Staat, informeert het de Staat over de aard van de inkomsten met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig een model, dat als bijlage 2 bij deze overeenkomst is gevoegd, onder bijvoeging van bescheiden als genoemd in het model, waaronder in geval van inkomsten uit vervreemding van de participatie de overeenkomst tot vervreemding van de participatie. 6 Indien het startersfonds inkomsten heeft uit een participatie die niet bestaan uit een geldsom, maakt het deze inkomsten te gelde voor het verloop van de in artikel 2, eerste lid, genoemde termijn. 7 Zodra de in het vijfde lid bedoelde inkomsten te gelde zijn gemaakt, boekt het startersfonds het in overeenstemming met het derde lid bepaalde deel van deze gelden over aan de Staat. 8 Op verzoek van de Staat verstrekt het startersfonds een accountantsverklaring dat het startersfonds bij de verkrijging, het bezit of de vervreemding van de participatie waaruit inkomsten aan de Staat zijn overgeboekt, in overeenstemming met deze overeenkomst heeft gehandeld.
Artikel 5 — Artikel 5 Verkrijging van participaties#
Artikel 5 Verkrijging van participaties 1 Het startersfonds hanteert bij het verkrijgen van participaties in technostartervennootschappen de volgende voorwaarden: a. de participaties worden verkregen gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze worden uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemd; b. de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in één technostartervennootschap worden verkregen, bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 3.500.000; c. de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een startersfonds gedurende de investeringsperiode per technostartervennootschap verkrijgt, bedraagt over alle technostartervennootschappen genomen ten hoogste € 1.200.000; d. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen wordt zodanig beperkt dat ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van de participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; e. voor achtergestelde vorderingen wordt een rente bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; f. de participaties worden verkregen in technostartervennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; g. bij de beslissing van het startersfonds inzake de verkrijging van een participatie wordt rekening gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartervennootschap. 2 Bij of in verband met het verkrijgen van een participatie verstrekt het startersfonds geen andere goederen dan geld. 3 Het startersfonds verkrijgt geen participatie in een technostartervennootschap indien in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de technostartervennootschap zijn onttrokken ten behoeve van derden dan noodzakelijk voor een redelijk te achten bedrijfsvoering, dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan. 4 Het startersfonds verkrijgt geen participatie in een technostartervennootschap indien een ander investeringsfonds in deze vennootschap reeds een participatie heeft, behoudens a. indien dit investeringsfonds een ander startersfonds is en voor zover als gevolg van de nieuwe participatie het in het eerste lid, onder b, bedoelde maximum niet wordt overschreden; b. indien dit investeringsfonds voor zover als gevolg van de nieuwe participatie het in het eerste lid, onder b, bedoelde maximum niet wordt overschreden; 1°. de vorm heeft van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen, ingericht naar het recht van één van de andere lidstaten van de Europese Unie; 2°. blijkens de akte waarbij de statuten van de vennootschap zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij de vennootschap is aangegaan uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartervennootschappen teneinde winst te behalen; en 3°. naar het oordeel van de minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartervennootschap te verkrijgen; c. indien dit investeringsfonds een informal investor is. 5 Het startersfonds verkrijgt of behoudt geen participatie in de vennootschap van een technostarter indien een fondspartij, bestuurder of een beheerder of andere betrokkene bij het startersfonds een bedrijf uitoefent dat gelijk of verwant is aan het bedrijf van de technostarter terwijl tussen beide bedrijven een afnemers- of een aandeelhoudersrelatie bestaat. 6 Het startersfonds brengt voor het verkrijgen van participaties eigen geldelijke middelen in het investeringsbudget in tot ten hoogste €...........euro. 7 Het startersfonds verricht geen andere activiteiten dan de uitvoering van het fondsplan.
Artikel 6 — Artikel 6 Vervreemding van participaties#
Artikel 6 Vervreemding van participaties 1 Het startersfonds vervreemdt een participatie niet eerder dan twee jaar na de verkrijging ervan, tenzij de Staat desgevraagd met vervreemding binnen deze termijn heeft ingestemd. 2 Het startersfonds draagt ervoor zorg dat vervreemding van een participatie gebeurt tegen een marktconforme prijs. 3 Indien het startersfonds een participatie, waaronder activa, geheel of voor een deel vervreemdt aan één van zijn fondspartijen, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen, draagt het er voor zorg dat ten minste een derde deel van de participatie wordt vervreemd aan onafhankelijke derden dan wel dat de prijs waartegen de vervreemding plaats vindt, is gebaseerd op een taxatie van twee onafhankelijke deskundigen.
Artikel 7 — Artikel 7 Fondsbeheer algemeen#
Artikel 7 Fondsbeheer algemeen 1 Het startersfonds voert het fondsplan uit, voert daarbij een actief en winstgericht beleid voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties en begeleidt in dat kader technostartervennootschappen waarin een participaties is verkregen. Het startersfonds houdt hierbij rekening met het belang van de Staat als verstrekker van de geldlening. 2 Het startersfonds hanteert een expliciete gedragslijn om het ontstaan van belangenverstrengeling te voorkomen en neemt ook overigens de in dit verband noodzakelijke maatregelen. 3 Desgewenst kan een door de minister daartoe gemachtigde persoon als toehoorder deelnemen aan overleg van een orgaan van het startersfonds over de uitvoering van het fondsplan. 4 Het startersfonds staat er voor in dat fondspartijen, bestuurders, beheerders of andere betrokkenen bij een startersfonds geen medewerking verlenen aan investeringen door een ander dan het startersfonds in een technostartervennootschap waarin het startersfonds een participatie heeft verkregen, indien deze investeringen niet tegen marktconforme voorwaarden plaatsvinden. 5 Het startersfonds bedingt van technostarters die in verband met participaties worden geadviseerd of begeleid geen vergoeding voor deze advisering respectievelijk begeleiding die hoger is dan hetgeen in de markt gebruikelijk is. 6 Het startersfonds richt het beheer zodanig in dat de jaarlijkse beheerskosten, dat wil zeggen alle kosten die ten laste komen van het startersfonds, ten hoogste 5% van het investeringsbudget bedragen. 7 De fondsbeheerder verkrijgt voor zijn werkzaamheden een beloning die afhankelijk is van zijn individuele prestatie. Hiertoe wordt tussen het professionele fondsmanagement en de deelnemende partijen een overeenkomst gesloten. 8 De Adviescommissie Seed capital technostarters dan wel de Staat zal tweejaarlijks gedurende de investeringsperiode het startersfonds visiteren met de mogelijkheid daar aanbevelingen en consequenties aan te verbinden. Gedurende de desinvesteringsperiode worden ten minste eenmaal in twee jaar de visitaties uitgevoerd door de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland dan wel door de door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aangewezen personen.
Artikel 8 — Artikel 8 Administratie en informatieverstrekking#
Artikel 8 Administratie en informatieverstrekking 1 Het startersfonds draagt ervoor zorg dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verkrijging, het beheer en de vervreemding van participaties, over de inkomsten uit deze participaties, over de ondernemingsresultaten van de desbetreffende technostarters en over de kosten van het fondsbeheer. 2 Het startersfonds informeert steeds na afloop van een periode van zes maanden de Staat schriftelijk: a. over de voorstellen voor participaties die in de voorafgaande periode van zes maanden zijn ontvangen van technostartervennootschappen en over de besluitvorming die hierover bij het startersfonds heeft plaatsgevonden; b. over de voortgang, inkomsten en exits met betrekking tot de participaties onder beheer. 3 Het startersfonds brengt steeds binnen zes maanden na afloop van een periode van twaalf maanden aan de Staat schriftelijk verslag uit over de uitvoering van het fondsplan, met in het bijzonder een overzicht over de verkregen en de vervreemde participaties, de gerealiseerde verkrijgingsprijzen, de beheerskosten en de inkomsten, welk verslag vergezeld gaat van een controleverklaring, inclusief de eventuele managementletters, die is opgesteld overeenkomstig een model dat als bijlage 3 bij deze overeenkomst is gevoegd, en met gebruikmaking van een controleprotocol dat als bijlage 4 bij deze overeenkomst is gevoegd. 4 Desgevraagd verstrekt het startersfonds de Staat gegevens en bescheiden over het beheer van het fonds en de verkregen participaties. 5 Na afloop van de looptijd van deze overeenkomst brengt het startersfonds een eindverslag uit omtrent de uitvoering en de resultaten van het fondsplan. 6 De Staat bericht het startersfonds na afloop van de looptijd van deze overeenkomst of het startersfonds naar zijn oordeel bij het verkrijgen en vervreemden van participaties in overeenstemming met deze overeenkomst heeft gehandeld. 7 De Staat heeft het recht op elk moment een audit te laten uitvoeren om te zien of alle afspraken en contracten door het startersfonds worden nagekomen.
Artikel 9 — Artikel 9 Status van startersfonds#
Artikel 9 Status van startersfonds 1 Het startersfonds voert tijdens de looptijd van deze overeenkomst geen wijziging in de organisatiestructuur, de samenstelling van het team, de aandeelhouders of de uitvoering van het fondsplan door, tenzij de Staat desgevraagd hiermee heeft ingestemd. 2 Het startersfonds doet onverwijld mededeling aan de Staat van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing te verklaren.
Artikel 10 — Artikel 10 Opzegging#
Artikel 10 Opzegging 1 De Staat is gerechtigd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen indien a. het startersfonds tekort schiet bij de nakoming van één van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst; b. het aantal aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten die niet behoren tot dezelfde groep of enige andere onderlinge zakelijke of familiale betrokkenheid kennen, kleiner is geworden dan drie, behoudens voor zover de Staat desgevraagd hiermee heeft ingestemd; c. ten aanzien van het startersfonds een verzoek bij de rechtbank is ingediend tot verlening van surseance van betaling, een verzoek tot faillietverklaring of een verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of een buitengerechtelijk akkoord aan crediteuren wordt aangeboden; d. het startersfonds is ontbonden; e. hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen niet langer verenigbaar is met de regels van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van staatssteun. 2 Een opzegging op grond van het eerste lid, onder a en b, geschiedt uitsluitend nadat de Staat het startersfonds op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot opzegging en nadat deze in de gelegenheid is gesteld om een tekortschieten dat hersteld kan worden te herstellen binnen een redelijke termijn. 3 Bij een opzegging als bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, kan de Staat van het startersfonds het totale bedrag dat hij overeenkomstig artikel 3 aan het startersfonds heeft betaald, verminderd met het bedrag dat het startersfonds overeenkomstig artikel 5 aan hem heeft overgeboekt, direct opeisen. 4 Bij een opzegging als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan de Staat bovenop het onder het derde lid bedoelde bedrag een boete van ten hoogste 50 procent van dat bedrag in rekening brengen.
Artikel 11 — Artikel 11 Geschillen#
Artikel 11 Geschillen 1 Ieder geschil ten aanzien van deze overeenkomst zal bij uitsluiting worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement Den Haag. 2 Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
Artikel 12 — Artikel 12 Adressering schriftelijke stukken#
Artikel 12 Adressering schriftelijke stukken Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder 1 gemelde partij worden gericht aan: (Naam startersfonds) (Adres startersfonds) Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder 2 gemelde partij worden gericht aan: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Afdeling Garanties, Kredieten, Risicokapitaal / Seed Capital Postbus 93144 2509 AC Den Haag
Artikel 13 — Artikel 13 Betalingen#
Artikel 13 Betalingen Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door het startersfonds geschieden door overmaking van de desbetreffende bedragen naar rekeningnummer NL49RBOS0569994136RBOSNL2A ten name van Ministerie van Economische Zaken, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onder vermelding van ‘projectnummer ...’.
Artikel 14 — Artikel 14 Fondsmanagement#
Artikel 14 Fondsmanagement Het startersfonds garandeert dat gedurende de looptijd van het fonds de kwaliteit en de tijdsbesteding van het fondsmanagement in overeenstemming zijn met hetgeen is aangegeven in het fondsplan. Het startersfonds kan overeenkomstig artikel 9 een verzoek indienen tot wijziging van het fondsmanagement. Een wijziging van het fondsmanagement is alleen toegestaan met instemming van de Staat.
Artikel 15 — Artikel 15 Belangenverstrengeling#
Artikel 15 Belangenverstrengeling hoofdstuk 4 De aandeelhouders verklaren dat het startersfonds een ‘right of first refusal’ heeft ten aanzien van investeringsproposities met betrekking tot starters vallende onder de definitie vanvan de Regeling starten, groeien en overdragen ondernemingen.
Artikel 16 — Artikel 16 Documenten#
Artikel 16 Documenten Door ondertekening van deze overeenkomst verklaren de aandeelhouders of de hoofdelijk aansprakelijke vennoten dat zij alle relevante documenten met betrekking tot de investeringswijze en financiële uitvoering van het startersfonds hebben overlegd aan de Staat en eventuele toekomstige relevante documenten ter goedkeuring zullen voorleggen aan de Staat.
Artikel 17 — Artikel 17 Gescheiden administratie#
Artikel 17 Gescheiden administratie Het startersfonds scheidt de begroting, alsook de financiën en de administratie, van andere fondsen (zogenaamde ‘ring-fencing’).
Artikel 18 — Artikel 18 Rechtsgeldigheid#
Artikel 18 Rechtsgeldigheid Deze overeenkomst gaat boven enige andere overeenkomst tussen en met de partijen in het startersfonds.
Artikel 19 — Artikel 19 Expiratie#
Artikel 19 Expiratie Indien het startersfonds op «DATUM» aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst heeft voldaan, hoeft het startersfonds, overeenkomstig artikel 2, vijfde lid, de dan uitstaande hoofdsom niet af te lossen. Indien op deze datum sprake is van een uitstaande hoofdsom, dient het startersfonds een schriftelijk verzoek in bij de Staat tot kwijtschelding van het resterende bedrag van de lening.
Artikel 20 — Artikel 20 Inwerkingtreding#
Artikel 20 Inwerkingtreding Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten van het startersfonds. 1. De Minister van Economische Zaken, namens deze: (bevoegde ambtenaar) 2. Namens ... Plaat : _________________, d.d._______________2011 Handtekening: _____________________ Naam: _____________________ 3. Namens <<fondspartij 1>>, Plaats: _________________, d.d._______________2011 Handtekening: _____________________ Naam: _____________________ 4. Namens <<fondspartij 2>>, Plaats: _________________, d.d._______________2011 Handtekening: _____________________ Naam: _____________________ 5. Namens <<fondspartij 3>>, Plaats: ________________, d.d.________________2011 Handtekening: _____________________ Naam: _____________________
Artikel 5.1#
artikel 5.1
Artikel 5.15#
artikel 5.15, eerste lid
Artikel 5.15#
artikelen 5.15, onderdeel b
Artikel 7.13#
7.13, onderdeel b
Artikel 8.9#
artikel 8.9
Artikel 8.3#
artikel 8.3
Artikel 8.3#
artikel 8.3
Artikel 8.3#
artikel 8.3
Artikel 8.10#
artikel 8.10
Artikel 8.12#
artikel 812
Artikel 9.10#
artikel 9.10, onderdeel a
Artikel 9.10#
artikel 9.10, onderdeel b
Artikel 9a.8#
artikel 9a.8, eerste lid
Artikel 9a.3#
artikel 9a.3, vierde lid
Artikel 9a.13#
artikelen 9a.13, eerste lid
Artikel 9a.20#
9a.20, eerste lid
Artikel 9a.3#
artikel 9a.3, vierde lid
Artikel 9a.4#
artikelen 9a.4, tweede lid
Artikel 9a.9#
9a.9, tweede lid
Artikel 9a.4#
artikelen 9a.4, tweede lid
Artikel 9a.9#
9a.9, tweede lid