Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 maart 2010, nr. BJZ2010008979, houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van het Besluit omgevingsrecht (Regeling omgevingsrecht)
- BWB-id
- BWBR0027471
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2023-07-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0027471
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2010/regeling-omgevingsrecht
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2010/regeling-omgevingsrecht/2023-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0027471&g=2023-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0027471&z=2026-06-06&g=2023-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0027471/2023-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2010/regeling-omgevingsrecht
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: besluit: Besluit omgevingsrecht ; bouwactiviteit: artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet activiteit als bedoeld in; BRL: door het Centraal College van Deskundigen van InstallQ vastgestelde Nationale Beoordelingsrichtlijn; bruto-inhoud: bruto-inhoud als bedoeld in NEN 2580; bruto-vloeroppervlakte: bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580; detailtekening: getekende uitwerking die een ondubbelzinnige aanduiding geeft van een groep van gelijksoortige constructieonderdelen in hun vorm, afmetingen, materiaalgebruik en overige gestelde eisen en waarvan de plaats eenduidig vastligt; gebruiksoppervlakte: artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 gebruiksoppervlakte als bedoeld in; groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; invloedsgebied: artikel 15, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen gebied waarin volgens door Onze Minister bij ministeriële regeling op grond vante stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico; ISO: een door de International Organization for Standardization opgestelde norm; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse norm; NEN-EN: door de Europese Commissie voor Normalisatie geharmoniseerde norm; oprichten of in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk: artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1° of 3°, van de wet activiteit als bedoeld in; plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; straatpeil: de hoogteligging van het bouwwerk ten opzichte van: 1°. de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang, voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst voor een bouwwerk, of 2°. de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst; veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk of veranderen van de werking daarvan: artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, van de wet activiteit als bedoeld in; vergunning: artikel 1.1 van de wet omgevingsvergunning als bedoeld in. 2020 57490 05-11-2020 29-10-2020 2020-0000627317 2020 529 18-12-2020 08-12-2020 01-01-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I, II,
onderdelen A en C, III, onderdelen A, C en D, IV en VI van het
Besluit tot wijziging van diverse besluiten in verband met de
aanpassing van de methodiek voor het bepalen van de energieprestatie
van gebouwen en de inijking van energielabels (Stb. 2020/454) in
werking treden.
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Elektronisch aanvraagformulier en landelijke voorziening#
Artikel 1.2 Elektronisch aanvraagformulier en landelijke voorziening 1 artikel 7.6 van de wet Een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in. 2 De minister stelt een systeembeschrijving vast voor de landelijke voorziening. 3 Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het beheer van de gegevens die zijn opgenomen in het deel van de landelijke voorziening dat hem ter beschikking staat. Dit beheer omvat in elk geval de verlening en beperking van toegang tot de gegevens omtrent een aanvraag en de zorg voor de archiefbescheiden. 4 Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening zijn de minister respectievelijk het bevoegd gezag, ieder voor zover die verwerking onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvindt, verwerkingsverantwoordelijke. 2018 67390 05-12-2018 20-11-2018 2018-0000808011 2018 67390 05-12-2018 20-11-2018 2018-0000808011 01-01-2019 25-05-2018
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag#
Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag 1 In de aanvraag vermeldt de aanvrager: a. de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project; c. een omschrijving van de aard en omvang van het project; d. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; e. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats. 2 De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen. 3 De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 1.4 — Artikel 1.4 Vereisten aan digitale indiening van gegevens en bescheiden#
Artikel 1.4 Vereisten aan digitale indiening van gegevens en bescheiden 1 Gegevens en bescheiden die langs elektronische weg bij de aanvraag worden verstrekt, worden aangeleverd in een van de volgende archiefwaardige bestandsformaten: a. foto’s: PNG en JPG b. scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a, PDF/A-1b en PDF 1.4 c. officedocumenten: PDF/A-1a en PDF 1.4 d. tekeningen: PDF/X en PDF 1.4 2 Indien de bestanden langs elektronische weg worden aangeleverd, worden deze uitsluitend als ‘read-only’ (alleen lezen) gekenmerkt. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt. 2010 14433 20-09-2010 13-09-2010 BJZ2010023805 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt volgens Stcrt. 2010/5126 in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 1.5 — Artikel 1.5 Vermelding van tijdelijkheid van een activiteit#
Artikel 1.5 Vermelding van tijdelijkheid van een activiteit Indien de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd naar haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij vermeldt daarbij tevens zo mogelijk het tijdstip waarop de activiteit of activiteiten uiterlijk zal of zullen worden beëindigd. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Algemene vereisten#
Artikel 2.1 Algemene vereisten 1 Ten aanzien van de gegevens en bescheiden bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit maakt de aanvrager de samenhang kenbaar tussen deze gegevens en bescheiden onderling en met de overige gegevens en bescheiden die bij de aanvraag zijn gevoegd. 2 artikel 2.2, eerste tot en met vijfde lid Indien de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit betrekking heeft op een woonwagen kan aan de eisen met betrekking tot het aanleveren van de gegevens en bescheiden, bedoeld in, worden voldaan door het indienen van documentatie van de leverancier, mits de bedoelde gegevens en bescheiden duidelijk kenbaar zijn. 2011 21436 06-12-2011 25-11-2011 IENM/BSK-2011/157723 2012 6383 29-03-2012 27-03-2012 2012-0000194326 2012 125 27-03-2012 20-03-2012 01-04-2012 Treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011/416).
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Bouwbesluit 2012#
Artikel 2.2 Bouwbesluit 2012 Bouwbesluit 2012 In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het: 1. uit het oogpunt van veiligheid: a. gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat het te bouwen of te wijzigen bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen in relatie tot: Indien de aanvraag betrekking heeft op de wijziging of uitbreiding van een bestaand bouwwerk blijkt uit de aangeleverde gegevens tevens wat de opbouw van de bestaande constructie is (tekeningen en berekeningen) en wat de toegepaste materialen zijn; 1°. belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk, alsmede van het bouwwerk als geheel; 2°. de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen van de bouwconstructie. b. een schriftelijke toelichting op het ontwerp van de constructies, waaruit met name blijkt: 1°. de aangehouden belastingen en belastingcombinaties; 2°. de constructieve samenhang; 3°. het stabiliteitsprincipe; 4°. de omschrijving van de bouwconstructie en de weerstand tegen bezwijken bij brand hiervan; c. de detaillering van trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken); d. de draairichting van beweegbare constructieonderdelen; e. de brandveiligheid en rookproductie van toegepaste materialen; f. de brandcompartimentering. De opgave bevat tevens gegevens betreffende deuren en daglichtopeningen in uitwendige scheidingsconstructies. Voor zover van belang voor het vluchten bij brand, worden tevens de deuren en daglichtopeningen in inwendige scheidingsconstructies opgegeven; g. de vluchtroutes en de daarbij behorende mate van bescherming alsmede de aard en plaats van brandveiligheidsvoorzieningen; h. de inbraakwerendheid van bereikbare gevelelementen; 2. uit het oogpunt van gezondheid: a. de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, de bescherming tegen geluid van installaties, de geluidsabsorptie van gemeenschappelijke verkeersruimten, gangen en trappenhuizen ingeval het bouwwerk een woonfunctie heeft, de geluidwering tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie en de geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties; b. de wateropname van toegepaste materialen van vloer, wand en plafond in sanitaire ruimten; c. de lucht- en waterdichtheid, de factor van de temperatuur en vochtwerende voorzieningen van inwendige en uitwendige scheidingsconstructies; d. de ventilatievoorzieningen van ruimten en voorzieningen betreffende de afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht; e. gegevens en bescheiden over het weren van ratten en muizen; f. de daglichttoetreding; 3. uit het oogpunt van bruikbaarheid: a. de aanduiding van de gebruiksfunctie, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en de afmetingen en de bezetting van alle ruimten inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie; b. de aanduiding van bad- of toiletruimte, liften, buitenberging en buitenruimte; c. gegevens en bescheiden over de integrale toegankelijkheid van het bouwwerk en in het bouwwerk gelegen ruimten; d. de aanduiding van de vloerpeilen ten opzichte van het aansluitende terrein; e. de aanduiding van de opstelplaats van het aanrecht en van kook-, stook- en warmwatertoestellen; f. indien het bouwwerk een utiliteitsgebouw betreft: de aanduiding van de stallingruimte voor fietsen; 4. uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu: a. gegevens en bescheiden over de waarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie, de thermische eigenschappen van de toegepaste uitwendige scheidingsconstructie en de beperking van luchtdoorlatendheid; b. gegevens en bescheiden over de milieubelasting van het gebouw door de toe te passen materialen, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken versie 1.0 (1 juli 2020) met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 oktober 2020, het wijzigingsblad van 1 februari 2021 en het wijzigingsblad van 1 oktober 2021; 5. inzake installaties: a. gegevens en bescheiden over de noodstroomvoorziening en -verlichting; b. het leidingplan en aansluitpunten van gas-, elektra- en waterleiding; c. de aansluitpunten van de drinkwater- en warmwatervoorziening; d. het leidingplan en aansluitpunten van riolering en hemelwaterafvoeren; e. gegevens en bescheiden over de aard en plaats van brandveiligheidinstallaties alsmede van de vluchtrouteaanduiding; f. een tekening van de inrichting van het bij het bouwwerk behorende terrein met daarop aangegeven de voorzieningen voor de bereikbaarheid en de plaats van bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen van brandweervoertuigen; g. Bouwbesluit 2012 gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de aanvullende regels voor tunnelveiligheid uit het; h. indien het een woongebouw betreft: gegevens en bescheiden over zelfsluitende deuren, spreekinstallaties, signaalvoorzieningen en deuropeners ter voorkoming van veel voorkomende criminaliteit; i. gegevens en bescheiden over gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen ten behoeve van veilig onderhoud middels de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012; j. gegevens en bescheiden over technische bouwsystemen en de daarbij behorende waarde voor de energieprestatie; 6. artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012 uit het oogpunt van het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het bouwen: een veiligheidsplan als bedoeld in; 7. overige vereisten: a. kwaliteitsverklaringen en CE-markeringen en gegevens en bescheiden ten behoeve van een beroep op de gelijkwaardigheid; b. Bouwbesluit 2012 artikel 7 van de Woningwet eventuele extra gegevens en bescheiden ten behoeve van het verlenen van een ontheffing van de voorschriften van hetals bedoeld in, waaronder gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat toestemming als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het transeuropese wegennet (PbEU 2004, L 167, gerectificeerd in PbEU 2004, L 201) is verkregen om van eisen van die richtlijn af te wijken. 2022 6293 04-03-2022 24-02-2022 2022-0000078435 2022 6293 04-03-2022 24-02-2022 2022-0000078435 01-04-2022
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften bouwverordening#
Artikel 2.3 Planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften bouwverordening In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan het bestemmingsplan of de beheersverordening, en, voor zover van toepassing, de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening: a. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. 3 2 een opgave van de bruto inhoud in men de bruto vloeroppervlakte in mvan het (deel van het) bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde, de wijze waarop het terrein ontsloten wordt, de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden welke samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit in een gebied met een agrarische bestemming; h. artikel 4.1, derde lid 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening overige gegevens en bescheiden welke samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een bestemmingsplan, beheersverordening dan wel een besluit als bedoeld in, of; i. indien dat is voorgeschreven in het bestemmingsplan: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; j. gegevens en bescheiden welke samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een exploitatieplan. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Overige voorschriften bouwverordening#
Artikel 2.4 Overige voorschriften bouwverordening Besluit bodemkwaliteit In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager ten behoeve van toetsing aan de overige voorschriften van de bouwverordening een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het. 2011 21436 06-12-2011 25-11-2011 IENM/BSK-2011/157723 2012 6383 29-03-2012 27-03-2012 2012-0000194326 2012 125 27-03-2012 20-03-2012 01-04-2012 Treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011/416).
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Redelijke eisen van welstand#
Artikel 2.5 Redelijke eisen van welstand artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota, bedoeld in: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; d. opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Overige eisen voor wegtunnels#
Artikel 2.6 Overige eisen voor wegtunnels Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit voor een wegtunnel als bedoeld in de, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens ten behoeve van de toetsing aan de voorschriften van die wet: a. artikel 6, eerste lid, van die wet een toelichting waaruit blijkt dat het ontwerp van de tunnel voldoet aan de norm van; b. artikel 6b van die wet indien er een gestandaardiseerde uitrusting wordt toegepast, een toelichting waaruit blijkt dat het ontwerp aansluit bij de standaarduitrusting van de tunnel waarvoor op grond vanis gekozen. 2013 16853 28-06-2013 20-06-2013 IENM/BSK-2013/123468 2013 243 28-06-2013 20-06-2013 01-07-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen D, E en F, van de Wijzigingswet Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (vaststellen van een veiligheidsnorm en wijzigingen in totstandkomingsproces van wegtunnels) in werking treedt.
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen#
Artikel 2.7 Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen 1 In de vergunning voor een bouwactiviteit wordt, indien de aanvrager een verzoek tot latere aanlevering heeft ingediend, bepaald dat de volgende gegevens en bescheiden uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd: a. gegevens en bescheiden met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe betreft; b. gegevens en bescheiden met betrekking tot de details van de in of ten behoeve van het bouwwerk toegepaste installaties, voor zover het niet de gegevens met betrekking tot de hoofdlijn dan wel het principe van de toegepaste installaties betreft; de hoofdlijn betreft onder meer de wijze van verwarming, koeling en luchtbehandeling, de plaats en wijze van verticaal transport en de locatie en het type brandveiligheidinstallatie. 2 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de gegevens en bescheiden betrekking hebben op tekeningen of berekeningen waaruit het constructieprincipe blijkt voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, voor de bestaande situatie. Dit betreft: a. tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen inclusief globale maatvoering; b. schematisch funderingsoverzicht of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus, inclusief globaal grondonderzoek waaruit de draagkracht van de ondergrond blijkt; c. plattegronden van vloeren en daken, inclusief globale maatvoering; d. overzichtstekeningen van constructies in staal, hout en geprefabriceerd beton, inclusief stabiliteitsvoorzieningen en dilataties; principedetails van karakteristieke constructieonderdelen (1:20/1:10/1:5), inclusief maatvoering; e. artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b een schriftelijke toelichting op het ontwerp van de constructies als bedoeld in. 3 artikelen 2.2, eerste lid, onderdelen c tot en met h, en tweede tot en met zesde lid 2.3, onderdeel i 2.4 2.5 Indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan in de vergunning worden bepaald dat gegevens en bescheiden, genoemd in de,,en, binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd. 2011 21436 06-12-2011 25-11-2011 IENM/BSK-2011/157723 2012 6383 29-03-2012 27-03-2012 2012-0000194326 2012 125 27-03-2012 20-03-2012 01-04-2012 Treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011/416).
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Algemene vereisten aan tekeningen#
Artikel 2.8 Algemene vereisten aan tekeningen 1 De aanvrager voorziet de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit van een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding. 2 artikel 5.8 Tenzijvan toepassing is, geldt voor de volgende tekeningen de daarbij genoemde maximaal toe te passen schaal: a. situatietekeningen: 1:1000; b. geveltekeningen, plattegronden en doorsneden: 1°. 2 bouwwerken kleiner dan 10.000 mbruto vloeroppervlakte: 1:100; 2°. 2 bouwwerken 10.000 mof groter bruto vloeroppervlakte: 1:200; c. detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of 1:20. 3 Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl). 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Vereisten aan plattegronden, doorsneden en aanzichten#
Artikel 2.9 Vereisten aan plattegronden, doorsneden en aanzichten 1 Een plattegrond bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit betreft een doorsnede van een bouwlaag op 1200 mm boven vloerniveau waarop zijn aangegeven: a. uitwendige en inwendige scheidingsconstructies (inclusief materiaalaanduiding); b. peilmaten van de vloer; c. trappen en hellingbanen; d. binnen- en buitenkozijnen; e. kokers, schachten, kanalen en schoorstenen; f. alle oppervlakken die een directe relatie hebben met of behoren tot: 1°. gebruiksfuncties; 2°. gebruiksoppervlakten en vloeroppervlakten; 3°. verwarmde en onverwarmde zones; 4°. gebruiksgebieden, functiegebieden en verblijfsgebieden; 5°. verkeersruimten; 6°. toegankelijkheidssectoren; g. overige gegevens die zich ervoor lenen om aan te duiden op plattegronden, zoals toiletruimten, badruimten, buitenbergingen, buitenruimten, liften, stallingsruimten, technische ruimten, opslagruimten en opstelplaatsen van het aanrecht en kook-, stook- en warmwatertoestellen. 2 De vloerpeilen ten opzichte van het straatpeil en de hoogte van het maaiveld zijn aangeduid ter plaatse van de entree van het bouwwerk. 3 Ten behoeve van de beoordeling van de bruikbaarheid, de gebruiksoppervlakte en het verblijfsgebied zijn de relevante doorsneden, inclusief 1500 – 2400 – 2600 mm hoogtelijn en voorzien van maatvoering, getekend. 4 Alle aanzichten (geveltekeningen) worden in loodrechte verticale projectie weergegeven. Alle dichte delen en kozijnen die een directe koppeling met de berekeningen hebben, zijn als zodanig traceerbaar in berekening, rapportage of renvooi. 2011 21436 06-12-2011 25-11-2011 IENM/BSK-2011/157723 2012 6383 29-03-2012 27-03-2012 2012-0000194326 2012 125 27-03-2012 20-03-2012 01-04-2012 Treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011/416).
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 Algemene vereisten in verband met berekeningen#
Artikel 2.10 Algemene vereisten in verband met berekeningen 1 Berekeningen die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit voldoen aan de volgende eisen: a. voorzien van naam en versie van de gebruikte rekenprogramma's; b. invoergegevens en handberekeningen zijn gegeven op doorlopend genummerde bladen; c. voorzien van de herkomst van basis- of invoergegevens; d. symbolen en afkortingen weergegeven conform de voor de verschillende berekeningen geldende NEN-normen. Indien in de toegepaste rekenprogramma’s afwijkende symbolen of afkortingen zijn gebruikt, zijn deze separaat toegelicht; e. numerieke gegevens zijn weergegeven in SI-eenheden (internationale standaard van het Système International). 2 De volgende informatie betreffende de toegepaste rekensoftware blijkt uit de gegevens en bescheiden bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit: a. beschrijving toegepaste rekensoftware; b. beschrijving rekenmethode; c. beschrijving toepassingsgebied; d. aanduiding betekenis gepresenteerde waarden; e. aanduiding nauwkeurigheid resultaten; f. beschrijving gekozen assenstelsel; g. verklaring gebruikte symbolen en grootheden. 2011 21436 06-12-2011 25-11-2011 IENM/BSK-2011/157723 2012 6383 29-03-2012 27-03-2012 2012-0000194326 2012 125 27-03-2012 20-03-2012 01-04-2012 Treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011/416).
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 Vereisten aan constructieve berekeningen#
Artikel 2.11 Vereisten aan constructieve berekeningen Constructieve berekeningen die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit, voldoen aan de volgende eisen: a. schematisering onder toepassing van de van toepassing zijnde NEN- en NEN-EN-norm(en), inclusief te hanteren belastingschema's; b. toerekening materiaaleigenschappen conform van toepassing zijnde NEN- en NEN-EN-norm(en); c. doorsnedegrootheden die per constructie-onderdeel zijn gemotiveerd, in de vorm van een berekening; d. verantwoording eigenschappen ondersteuningen; e. berekeningsresultaten per belastingschema uitgewerkt volgens de van toepassing zijnde NEN- en NEN-EN-norm(en); f. voorzien van maatgevende waarden. 2012 13245 29-06-2012 27-06-2012 2012-000368158 2012 256 14-06-2012 07-06-2012 01-07-2012 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 5.2 en afdeling 6.12 van het Bouwbesluit 2012 in werking treden.
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 Vereisten aan overige berekeningen#
Artikel 2.12 Vereisten aan overige berekeningen 1 Berekeningen van de mechanische ventilatie die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit, bevatten minimaal de volgende informatie: a. strangenschema's met diameters en lengten; b. gegevens over drukverlies; c. merk en type toe te passen installatie. 2 Berekeningen van de thermische isolatie en energieprestatie die worden uitgevoerd vanwege de aanvraag van de vergunning voor een bouwactiviteit, bevatten minimaal de volgende informatie: a. totale oppervlakte kozijnen, ramen, deuren, dichte delen en daarmee gelijk te stellen constructiedelen; b. oppervlakte van iedere toegepaste glassoort en de thermische eigenschappen hiervan; c. artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 tekening waarop gehanteerde woningen voor de berekening van de waarden, bedoeld inzijn aangegeven; d. artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 de begrenzing van de waarden, bedoeld invoor woningen of woongebouw (door middel van arcering op plattegrondtekening); e. gebouwfunctie en energiesectoren (op tekening voor niet tot bewoning bestemde gebouwen, gearceerd); f. artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 invoergegevens voor de berekening van de waarden, bedoeld in(bouwfysische eigenschappen bouwwerk, installaties en gehanteerd rekenprogramma). 3 De in het tweede lid bedoelde berekening van de energieprestatie wordt uitgevoerd met behulp van geattesteerde software als bedoeld in BRL 9501 van 15 april 2020, inclusief wijzigingsblad van 1 februari 2023. 2023 12584 17-05-2023 15-05-2023 2023-0000223264 2023 12584 17-05-2023 15-05-2023 2023-0000223264 01-07-2023
Artikel 2.13 — Artikel 2.13#
Artikel 2.13 Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels bijlage 2, onderdeel B2, bij de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels Een aanvraag voor een vergunning voor een bouwactiviteit voor een wegtunnel als bedoeld in dewordt uitgevoerd overeenkomstig. 2013 16853 28-06-2013 20-06-2013 IENM/BSK-2013/123468 2013 243 28-06-2013 20-06-2013 01-07-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen D, E en F, van de Wijzigingswet Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (vaststellen van een veiligheidsnorm en wijzigingen in totstandkomingsproces van wegtunnels) in werking treedt.
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Uitvoeren van werk of werkzaamheden#
Artikel 3.1 Uitvoeren van werk of werkzaamheden 1 artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld inverstrekt de aanvrager bij de omschrijving van de aard, omvang en effecten van de activiteit gegevens en bescheiden over: a. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd; b. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; c. de te gebruiken materialen; d. in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; e. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het werk of de werkzaamheid. 2 Indien dat is voorgeschreven in het bestemmingsplan verstrekt de aanvrager een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met planologische voorschriften#
Artikel 3.2 Gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met planologische voorschriften artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in, verstrekt de aanvrager gegevens en bescheiden over: a. het beoogde en het huidige gebruik van de gronden en de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening; c. artikel 41 van de Monumentenwet 1988 Erfgoedwet indien dat met toepassing van, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de, is verplicht door het bevoegd gezag, een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde, de wijze waarop het terrein ontsloten wordt, de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd gebruik van het terrein behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de reden waarom en de mate waarin wordt afgeweken van het exploitatieplan. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Brandveilig gebruiken van een bouwwerk#
Artikel 3.3 Brandveilig gebruiken van een bouwwerk 1 artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor het brandveilig gebruiken van een bouwwerk, bedoeld in, verstrekt de aanvrager: a. een situatieschets met noordpijl met een schaal die niet kleiner is dan 1:1000; b. per bouwlaag een plattegrond die voldoet aan de volgende eisen: – 2 schaal maximaal 1:100 bij een bouwlaag kleiner dan 10.000 mbruto vloeroppervlakte; – 2 schaal maximaal 1:200 bij een bouwlaag van 10.000 mbruto vloeroppervlakte of meer. 2 De plattegrond of een bijlage daarvan met betrekking tot het brandveilig gebruik bevat de volgende gegevens: De aanduidingen zijn conform NEN 1413: 2007, voor zover deze norm daarin voorziet. a. aanduiding van de schaal van de plattegrond; b. per bouwlaag: – hoogte van de vloer boven het meetniveau; – gebruiksoppervlakte; – maximaal aantal personen; c. per ruimte: – vloeroppervlakte; – gebruiksbestemming; – artikelen 7.13 7.14 van het Bouwbesluit 2012 bij ruimten voor meer dan 25 personen, de hoogste bezetting van die ruimte, en opstelling van inventaris en van inrichtingselementen als bedoeld in deen; d. met aanduidingen van de plaats van, voor zover deze aanwezig zijn: – brand- en rookwerende scheidingsconstructies; – vluchtroutes; – draairichting van deuren; – artikel 7.3 van het Bouwbesluit 2012 zelfsluitende deuren als bedoeld in; – artikel 6.25, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 sluitwerk van deuren als bedoeld in; – vluchtrouteaanduidingen; – noodverlichting; – artikel 6.5 van het Bouwbesluit 2012 oriëntatieverlichting als bedoeld in; – brandmeldcentrale en brandmeldpaneel; – brandslanghaspels; – mobiele brandblusapparaten; – droge blusleidingen; – brandweeringang; – sleutelkluis of -buis; – brandweerlift, en e. gegevens en bescheiden over de aard en de plaats van de brandveiligheidsinstallaties. 3 artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 Bij de toepassing van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld inverstrekt de aanvrager tevens gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk wordt gemaakt. 2014 34076 03-12-2014 24-11-2014 2014-000023518 2014 34076 03-12-2014 24-11-2014 2014-000023518 01-01-2015
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Algemene vereisten omtrent een inrichting#
Artikel 4.1 Algemene vereisten omtrent een inrichting 1 In of bij de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een inrichting, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden: a. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken; b. de voor de activiteiten en de processen, bedoeld onder a, kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen, tussen-, neven- en eindproducten; c. de maximale capaciteit van de inrichting en het totale nominale motorische of thermische ingangsvermogen van de tot de inrichting behorende installaties; d. de tijden en dagen, dan wel perioden waarop de inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan, in bedrijf zullen zijn; e. de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt; f. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van: 1°. het nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor nuttig toepassing van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan; 2°. het opslaan van de afvalstoffen in de inrichting; 3°. het zich ontdoen van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan; g. de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken; h. de wijze waarop gedurende het in werking zijn van de inrichting de belasting van het milieu, die de inrichting veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd; i. de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de inrichting die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn; j. voor zover het betreft inrichtingen waartoe IPPC-installaties behoren: een beknopte beschrijving van de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen. 2 De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens. 2013 15182 20-06-2013 17-06-2013 IENM/BSK-2013/111358 2013 15182 20-06-2013 17-06-2013 IENM/BSK-2013/111358 01-07-2013
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Ongewone voorvallen#
Artikel 4.2 Ongewone voorvallen De aanvrager verstrekt in of bij de aanvraag gegevens over: a. artikel 17.1 van de Wet milieubeheer ongewone voorvallen als bedoeld in, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten; b. de belasting van het milieu, die die voorvallen kunnen veroorzaken; c. de aard en de omvang van de bij die voorvallen te onderscheiden vormen van belasting van het milieu; d. de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting ten gevolge van die voorvallen kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Bodemkwaliteit#
Artikel 4.3 Bodemkwaliteit 1 De aanvrager verstrekt in of bij de aanvraag de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen. 2 artikel 2.11, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer 1 Nederlandse norm voor Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. 2 Nederlandse norm voor Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. De aanvrager verstrekt in of bij de aanvraag een rapport als bedoeld in. Het in het rapport opgenomen onderzoek voldoet aan de normbladen NEN 5725en NEN 5740. 2018 68042 29-11-2018 28-11-2018 IENW/BSK-2018/255698 2018 68042 29-11-2018 28-11-2018 IENW/BSK-2018/255698 30-11-2018
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Indien een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is#
Artikel 4.4 Indien een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken tijdens het in werking zijn van de inrichting dan wel mijnbouwwerk of de te onderscheiden onderdelen daarvan, waarbij, voor zover van toepassing, onderscheid wordt gemaakt tussen proefdraaien, normaal bedrijf, schoonmaak-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Geluid#
Artikel 4.5 Geluid bijlage I, onder 11.1, 12.1, 13.1, onder a, onder 1° en 2°, 17.1, 18 of 19 van het besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in, of die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens over: a. de aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten geluidsbelasting welke de inrichting binnen een door het bevoegd gezag aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken; b. de tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen; c. de methode waarmee de aard van de geluiden en hoogte van de geluidsbelasting zijn vastgesteld. 2014 1588 23-01-2014 21-01-2014 IENM/BSK-2013/158949 2014 82 20-02-2014 29-01-2014 01-03-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit
Activiteitenbesluit milieubeheer, enz. (nieuwe activiteiten en
herstel gebreken wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard)
in werking treedt.
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 Bijzondere deskundigheden en andere vereisten bij bepaalde inrichtingen#
Artikel 4.6 Bijzondere deskundigheden en andere vereisten bij bepaalde inrichtingen bijlage I, onder 21, 28.4, onder g, of 29.1, onder k, van het besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot: a. de namen van degenen die verantwoordelijk zijn voor de activiteiten met de genetisch gemodificeerde organismen en voor het toezicht op en de controle van de veiligheid daarvan; b. het eventuele bestaan van biologische veiligheidscomités of subcomités; c. artikel 2.55, eerste lid, onder b, c en d, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het gewenste aantal van elk van de aangevraagde categorieën van fysische inperking, als bedoeld in; d. Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 een plattegrond van de inrichting, waarop is ingetekend het ggo-gebied als bedoeld in heten waarop is aangegeven waar de onderscheiden categorieën van fysische inperking zullen zijn gelegen. 2014 11317 30-04-2014 14-04-2014 IenM/BSK-2014/88344 2015 37 05-02-2015 19-01-2015 01-03-2015 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit genetisch
gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 in werking treedt.
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Beheer van afvalstoffen#
Artikel 4.7 Beheer van afvalstoffen bijlage I, onder 28.4 of 28.5 van het besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot: a. de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de inkomende afvalstoffen; b. de procedures van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen; c. de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan; d. de tarieven die de aanvrager voor het nuttig toepassen of verwijderen wil vaststellen alsmede de wijze waarop de tarieven zijn samengesteld; e. de beschikbaarheid en vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen; f. de wijze waarop de inkomende afvalstoffen worden geregistreerd; g. de wijze waarop de bij het proces van nuttig toepassen of verwijderen ontstane stoffen, preparaten of andere producten of afvalstoffen worden afgezet, afgevoerd, nuttig toegepast of verwijderd, alsmede de wijze van registratie daarvan; h. de ondernemings- en organisatiestructuur, alsmede de regeling van de feitelijke leiding van de activiteiten in de inrichting; i. de naam en het adres van degene die de feitelijke leiding van de activiteiten heeft in de inrichting. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 Afvalstoffen op of in de bodem#
Artikel 4.8 Afvalstoffen op of in de bodem bijlage I, onder 28.6, van het besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de betrokken afvalstoffen. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.9 — Artikel 4.9 Storten van afvalstoffen#
Artikel 4.9 Storten van afvalstoffen 1 bijlage I, onder 28.1, onder c, onder 28.4, onder f, of 28.4, onder g, van het besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in, in gevallen waarin sprake is van het storten van afvalstoffen, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot: a. de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen; b. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, waaronder ten minste gegevens met betrekking tot: 1°. voor zover van toepassing de gemiddelde grondwaterstand, vastgesteld door metingen volgens de door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgeven norm NEN 5766, uitgave 1990, welke metingen tenminste tweemaal per maand op de 14e en 28e van die maand, gedurende een periode van tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn verricht; 2°. de grondwaterstroming; 3°. de doorlatendheid, dikte, samenstelling en zetting van de bodemlagen; c. de vormen van belasting van het milieu alsmede de aard, de omvang en de duur daarvan die de inrichting naar verwachting kan veroorzaken na de beëindiging van de werking van de inrichting of de sluiting daarvan; d. de wijze waarop na beëindiging van het op of in de bodem brengen van de afvalstoffen het milieuhygiënische beheer van die stoffen en van de milieubeschermende voorzieningen is geregeld; e. onderdelen a, b, c, d en h van artikel 4.1 onderdelen a tot en met h van artikel 4.7 een exploitatie-, toezicht- en controleplan dat ten minste de gegevens, bedoeld in de, alsmede de gegevens, bedoeld in de, bevat. 2 In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, toont de aanvrager aan dat financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot: a. de bovenafdichting van een stortplaats, niet zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort; b. het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem, of het zo nodig aanbrengen van een afdeklaag op een stortplaats, zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort. 3 Indien een gemeente-, een provincie- of een waterschapsbestuur, dan wel het Rijk, vergunninghouder zal zijn, kan in afwijking van het tweede lid in plaats van het stellen van financiële zekerheid een daaraan gelijkwaardige voorziening zijn of worden getroffen. 4 richtlijn 1999/31/EG Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid in gevallen waarin sprake is van het storten van afvalstoffen in de diepe ondergrond, gaat zij tevens vergezeld van een rapport, inhoudende een veiligheidsbeoordeling die voldoet aan onderdeel 2.5 van de bijlage bij de beschikking nr. 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II vanbetreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L11). 5 verordening (EG) nr. 1102/2008 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid en er sprake is van het opslaan of storten van metallisch kwik, voldoet deze tevens aan artikel 4, eerste lid, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (PbEU L 304/75). 6 Een wijziging van de bijlage, bedoeld in het vierde lid, gaat voor de toepassing van dat lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.10 — Artikel 4.10 Afvalvoorziening#
Artikel 4.10 Afvalvoorziening 1 artikel 3 van het Besluit beheer winingsafvalstoffen Indien de aanvraag betrekking heeft op een afvalvoorziening, gaat de aanvraag vergezeld van een door degene die de afvalvoorziening drijft, opgesteld winningsafvalbeheersplan als bedoeld in. 2 In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een afvalvoorziening, toont de aanvrager aan dat: a. de afvalvoorziening geschikt gelegen is, in het bijzonder gelet op verplichtingen ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische en hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren; b. de afvalvoorziening zo is ontworpen dat voldaan wordt aan de noodzakelijke voorwaarden om: 1°. richtlijn 2006/11/EG Lozingenbesluit bodembescherming verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of een oppervlaktewaterlichaam, rekening houdende met in het bijzonder, heten de kaderrichtlijn water, te voorkomen, 2°. te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze kunnen worden verzameld, en 3°. erosie door water of wind wordt tegengegaan voor zover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is; c. de afvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en onderhouden teneinde: 1°. haar fysische stabiliteit te verzekeren, 2°. verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, een oppervlaktewaterlichaam of het grondwater te voorkomen, en 3°. schade aan het landschap zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. d. passende plannen en regelingen zijn getroffen voor: 1°. een periodieke monitoring en inspectie van de afvalvoorziening door binnen de inrichting werkzame personen, die beschikken over de voor die werkzaamheden benodigde vakbekwaamheid; 2°. het treffen van maatregelen indien de resultaten van die monitoring en de inspectie wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem; e. passende regelingen zijn getroffen voor: 1°. de rehabilitatie en de sluiting van de afvalvoorziening; 2°. de fase na de sluiting van de afvalvoorziening; f. artikel 1, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 in het ontwerp en bij de bouw van die afvalvoorziening rekening is gehouden met de noodzakelijke voorwaarden om een zwaar ongeval als bedoeld inte voorkomen en de nadelige gevolgen van een dergelijk ongeval voor de gezondheid van de mens of het milieu zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, met inbegrip van de grensoverschrijdende gevolgen; g. Besluit beheer winningsafvalstoffen paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften die ingevolge hetaan de vergunning worden verbonden, alsmede voor het nakomen van, en dat het bedrag waarvoor de zekerheid in stand wordt gehouden is berekend overeenkomstig beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEU L 101). 2016 10468 03-03-2016 29-02-2016 IENM/BSK-2016/39486 2016 10468 03-03-2016 29-02-2016 IENM/BSK-2016/39486 04-03-2016
Artikel 4.11 — Artikel 4.11 Verbranden van afvalstoffen#
Artikel 4.11 Verbranden van afvalstoffen paragraaf 5.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropvan toepassing is, vermeldt of verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens: a. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van terugwinning van de als gevolg van thermische behandeling van afvalstoffen opgewekte warmte; b. artikel 4.1, eerste lid, onder a artikel 1, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst de gegevens, bedoeld in, per onderscheiden afvalsoort in de afvalstoffenlijst als bedoeld in, en voor gevaarlijke afvalstoffen voorts een specificatie van de minimale en maximale toevoer, de laagste en hoogste calorische waarde, alsmede de maximumgehalten aan PCB’s, pentachloorfenol, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen per onderscheiden afvalsoort in de afvalstoffenlijst; c. een nadere omschrijving van de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden. 2012 21373 14-11-2012 31-10-2012 IENM/BSK-2012/196587 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Activiteitenbesluit milieubeheer, enz. (omzetting van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies)(Stb. 2012/552) in werking treedt.
Artikel 4.12 — Artikel 4.12 Vuurwerk#
Artikel 4.12 Vuurwerk 1 Vuurwerkbesluit Vuurwerkbesluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar ten hoogste 10.000 kilogram consumentenvuurwerk als bedoeld in hetwordt opgeslagen, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de maximale hoeveelheid consumentenvuurwerk in de zin van hetdie in de inrichting wordt opgeslagen. 2 bijlage I, onder 3.5, van het Besluit omgevingsrecht Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag: a. bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen de maximale hoeveelheden stoffen en voorwerpen behorend tot transport-gevarenklasse 1 als bedoeld in, onderscheiden naar gevarensubklasse en compatibiliteitsgroep, die in de inrichting worden opgeslagen; b. Vuurwerkbesluit de maximale hoeveelheid consumenten- en professioneel vuurwerk dan wel pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de zin van hetdie in de inrichting wordt opgeslagen; c. de namen van degenen door wie of onder voortdurend toezicht van wie handelingen met professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk onderscheidenlijk pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; d. gegevens over de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.13 — Artikel 4.13 BRZO#
Artikel 4.13 BRZO 1 artikel 1, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 artikel 10 van dat besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een hogedrempelinrichting als bedoeld in, gaat zij vergezeld van die onderdelen van het veiligheidsrapport, bedoeld in, die betrekking hebben op de risico's voor personen buiten de inrichting en voor het milieu. 2 In een geval als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, per categorie van stoffen en mengsels genoemd in bijlage I, deel 1, bij Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PbEU 2012, L 197) en per stof, genoemd in bijlage I, deel 2, bij voornoemde richtlijn, de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt aangevraagd. 3 artikel 1, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Indien de aanvraag betrekking heeft op een lagedrempelinrichting als bedoeld in, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag, de volgende gegevens: a. de naam en de functie van de met de feitelijke leiding van de inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan degene die de inrichting drijft; b. de aard van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; c. per categorie van stoffen en mengsels, genoemd in bijlage I, deel 1, bij de richtlijn, bedoeld in het tweede lid en per stof, genoemd in bijlage I, deel 2, bij de richtlijn, bedoeld in het tweede lid: 1°. de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt gevraagd; 2°. de hoeveelheid die bij een normale bedrijfsvoering in de inrichting aanwezig is; 3°. de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen; d. met het oog op de vaststelling van domino-effecten, voor gevaarlijke stoffen behorend tot de categorie ontplofbaar, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, bedoeld in bijlage I, deel 1, bij de richtlijn, genoemd in het tweede lid: 1°. een aanduiding van het grootste insluitsysteem; 2°. de maximale hoeveelheid van de betrokken gevaarlijke stof die daarin aanwezig kan zijn; 3°. een aanduiding van de betrokken gevaarlijke stof alsmede een aanduiding van de categorie waartoe die stof behoort; 4°. de plaats van het insluitsysteem in de inrichting; 5°. de druk en de temperatuur van de betrokken stoffen en preparaten in het insluitsysteem; e. de activiteiten die in de inrichting worden uitgeoefend; f. de met de onmiddellijke omgeving van de inrichting samenhangende omstandigheden die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen daarvan ernstiger kunnen maken. 2016 16200 13-04-2016 30-03-2016 IENM/BSK-2016/68278 2016 139 13-04-2016 01-04-2016 14-04-2016 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 5.3, eerste lid,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, als gewijzigd door de
wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en
handhaving) (Stb. 2016/139) in werking treedt.
Artikel 4.14 — Artikel 4.14 Geologische opslag van kooldioxide#
Artikel 4.14 Geologische opslag van kooldioxide Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar een stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer aanwezig is, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot: a. 2 artikel 1 van de Mijnbouwwet de aanwezigheid van een geschikt CO-opslagcomplex als bedoeld in; b. 2 de technische en economische haalbaarheid van faciliteiten voor het transport van kooldioxide naar een CO-opslagcomplex; c. 2 de technische en economische haalbaarheid van aanpassing van de stookinstallatie voor de afvang van CO. 2012 21373 14-11-2012 31-10-2012 IENM/BSK-2012/196587 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Activiteitenbesluit milieubeheer, enz. (omzetting van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies)(Stb. 2012/552) in werking treedt.
Artikel 4.15 — Artikel 4.15 Indirecte lozingen#
Artikel 4.15 Indirecte lozingen In of bij een aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of het in werking hebben van een inrichting, van waaruit afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden: a. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, die in de voorziening wordt gebracht, waarbij in ieder geval wordt vermeld of het afvalwater continu dan wel discontinu in de voorziening wordt gebracht, met welke regelmaat dit plaatsvindt, de wijze waarop dit plaatsvindt en de activiteiten waaruit het afvalwater afkomstig is; b. een beschrijving van de technische gegevens van het rioolstelsel en een aanduiding van de plaats waar het afvalwater of andere afvalstoffen in de voorziening worden gebracht, met toelichtende tekeningen, die in ieder geval bestaan uit een rioleringstekening; c. een processchema van de opzet en een beschrijving van de capaciteit van elke installatie waardoor of waarin processen plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, waarbij wordt aangegeven welke afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen waar en in welke mate vrijkomen; d. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om te voorkomen of te beperken dat afvalwater of andere afvalstoffen in de voorziening worden gebracht, met toelichtende tekening; e. de voorzieningen en de maatregelen die zijn voorzien om extra lozingen ten gevolge van storingen, ongewone voorvallen, proefdraaien, in gebruik stellen, buiten bedrijf nemen, schoonmaak- of herstelwerkzaamheden te voorkomen of te beperken; f. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen bij definitieve stopzetting van de activiteiten, om te voorkomen of te beperken dat afvalwater of andere afvalstoffen in de voorziening worden gebracht; g. een beschrijving van de aard en omvang van de gevolgen voor de doelmatige werking van het zuiveringstechnisch werk dat het afvalwater of de andere afvalstoffen ontvangt. Indien de inrichting of het mijnbouwwerk over een eigen afvalwaterzuivering beschikt, wordt in of bij de aanvraag tevens het gehalte BZV/N-totaal in het effluent van deze afvalwaterzuivering aangegeven; h. een beschrijving van de aard en omvang van de belasting van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het lozen van het afvalwater of andere afvalstoffen, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige effecten op het watermilieu; i. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd; j. een opgave van de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de lozing die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn; k. een niet-technische samenvatting van de in dit artikel bedoelde gegevens. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.16 — Artikel 4.16 Registratie externe veiligheid#
Artikel 4.16 Registratie externe veiligheid 1 artikel 3, onderdelen b, e, f, g en h artikel 4, onder b, e en f, van het Registratiebesluit externe veiligheid Indien de aanvraag betrekking heeft op het oprichten of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in, ofvermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de volgende gegevens: a. -5 -6 -8 de ligging van zowel de 10per jaar contour als de 10per jaar contour van het plaatsgebonden risico en, indien beschikbaar, de 10per jaar contour van het plaatsgebonden risico, dan wel de afstanden die overeenkomen met deze waarden voor het plaatsgebonden risico indien deze afstanden door Onze Minister zijn voorgeschreven; b. Besluit risico’s zware ongevallen 2015 de grootte van het groepsrisico, uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers, dan wel voor inrichtingen waarvoor geen veiligheidsrapport verplicht is gesteld op grond van het, indien bekend de op grond van de oriënterende waarde voor het groepsrisico gemiddeld toelaatbare dichtheid van personen binnen het invloedsgebied rond de inrichting. 2 Besluit LPG-tankstations milieubeheer Vuurwerkbesluit Voor inrichtingen waarop hetof hetvan toepassing zijn, blijft het eerste lid buiten toepassing. 3 Bij de berekening van de in de onderdelen a en b van het eerste lid bedoelde gegevens wordt uitgegaan van de in de aanvraag genoemde maximale hoeveelheid gevaarlijke stof. 2016 10468 03-03-2016 29-02-2016 IENM/BSK-2016/39486 2016 10468 03-03-2016 29-02-2016 IENM/BSK-2016/39486 04-03-2016
Artikel 4.17 — Artikel 4.17 Algemene vereisten#
Artikel 4.17 Algemene vereisten 1 In of bij de aanvraag om een vergunning voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, vermeldt de aanvrager: a. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan; b. op welke gegevens en bescheiden die eerder zijn verstrekt in het kader van de aanvraag van de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting is opgericht dan wel in werking is, de verandering van invloed is, met een aanduiding van de door de verandering veroorzaakte wijzigingen daarvan. 2 artikelen 4.1 tot en met 4.15 Dezijn van overeenkomstige toepassing. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.18 — Artikel 4.18 Veranderingen in combinatie met BRZO 2015#
Artikel 4.18 Veranderingen in combinatie met BRZO 2015 1 artikel 1, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en indien sprake is van een hogedrempelinrichting als bedoeld in, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de volgende gegevens en bescheiden: a. artikel 4.13, eerste lid Besluit risico's zware ongevallen 2015 een rapport als bedoeld in, indien hetvoor de eerste maal van toepassing wordt ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking ervan, of b. artikel 4.13, eerste lid een herzien rapport als bedoeld in. 2 artikel 4.13, tweede lid Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is, van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 1, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en indien sprake is van een lagedrempelinrichting als bedoeld in, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens de volgende gegevens en bescheiden: a. artikel 4.13, derde lid Besluit risico's zware ongevallen 2015 de gegevens, bedoeld in, indien hetvoor de eerste maal van toepassing wordt ten gevolge van het veranderen van de inrichting of van de werking daarvan, of b. artikel 4.13, derde lid herziene gegevens als bedoeld in 2016 16200 13-04-2016 30-03-2016 IENM/BSK-2016/68278 2016 139 13-04-2016 01-04-2016 14-04-2016 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 5.3, eerste lid,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, als gewijzigd door de
wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en
handhaving) (Stb. 2016/139) in werking treedt.
Artikel 4.19 — Artikel 4.19 Registratie externe veiligheid#
Artikel 4.19 Registratie externe veiligheid 1 artikel 4.16 artikel 3, onderdelen b, e, f, g en h artikel 4, onderdelen b, e en f, van het Registratiebesluit externe veiligheid Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de gegevens, bedoeld in, indien de aanvraag ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking ervan, voor de eerste maal betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in, of. 2 artikel 4.16 Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de herziene gegevens, bedoeld in. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.20 — Artikel 4.20 Revisievergunning#
Artikel 4.20 Revisievergunning artikel 2.6, eerste lid, van de wet artikelen 4.1 tot en met 4.17 Met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in, zijn devan overeenkomstige toepassing. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.21 — Artikel 4.21 Beperkte verandering inrichting#
Artikel 4.21 Beperkte verandering inrichting artikel 3.10, derde lid, van de wet Bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in, vermeldt de vergunninghouder: a. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting is opgericht dan wel in werking is; b. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan; c. gegevens waaruit blijkt van welke onderdelen en in welke mate van de onder a bedoelde vergunning of vergunningen en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken; d. het tijdstip waarop beoogd wordt de voorgenomen verandering te verwezenlijken; e. gegevens waaruit blijkt dat: 1°. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan; 2°. hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in; 3°. het veranderen niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 4.22 — Artikel 4.22 Mijnbouwwerken#
Artikel 4.22 Mijnbouwwerken 1 artikelen 4.1 tot en met 4.20 Devan deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag om een vergunning met betrekking tot het oprichten of in werking hebben van een mijnbouwwerk of tot het veranderen van een mijnbouwwerk of van de werking daarvan. 2 Indien bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid, een plaats, traject of gebied moet worden vermeld, wordt dit uitgedrukt in: a. bijlage bij de Mijnbouwwet het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting, indien de plaats, het traject of het gebied zich aan de landzijde van de in devastgelegde lijn bevindt, en b. bijlage bij de Mijnbouwwet geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening, indien de plaats, het traject of het gebied zich aan de zeezijde van de in devastgelegde lijn bevindt. 3 2 Van een gebied wordt het oppervlak vermeld, uitgedrukt in km. 4 Een plaats of een traject wordt, onder vermelding van de coördinaten daarvan, aangegeven op een kaart. 5 De ligging van een gebied wordt, onder vermelding van de coördinaten van de hoekpunten daarvan, aangegeven op een kaart. 6 De kaarten, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn getekend op een schaal van 1:50.000. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Slopen rijksmonument#
Artikel 5.1 Slopen rijksmonument In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een rijksmonument verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden: a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument; b. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie of tuinhistorie; c. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop; d. opnametekeningen van de bestaande toestand en slooptekeningen; e. de sloopmethode; f. de aard en hoeveelheid vrijkomend materiaal. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Verstoren rijksmonument#
Artikel 5.2 Verstoren rijksmonument In of bij de aanvraag om een vergunning voor het verstoren van een rijksmonument verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden: a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de toponiem of plaatselijke aanduiding van het monument; b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen verstoring; c. een omschrijving van de activiteit, met per afzonderlijke ingreep een vermelding van: 1°. de plaats en de omvang; 2°. de diepte, uitgedrukt in centimeters ten opzichte van het maaiveld; d. een gemotiveerde opgave of de verstoring is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn; e. artikelen 3.1 7.1 ingeval de verstoring gepaard gaat met het uitvoeren van een werk of werkzaamheid of de aanleg van een weg, niet zijnde een aanlegactiviteit als bedoeld in deof, definitief bestek en bestektekeningen; f. een topografische kaart of GBKN-kaart met per ingreep de exacte plaats en omvang, onder vermelding van de schaal, met een maximum van 1:5000, en voorzien van noordpijl en minimaal twee RD-coördinatenparen. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Verplaatsen rijksmonument#
Artikel 5.3 Verplaatsen rijksmonument In of bij de aanvraag om een vergunning voor het verplaatsen van een rijksmonument verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden: a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument; b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen verplaatsing; c. een gemotiveerde opgave of de verplaatsing is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn; d. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie en tuinhistorie; e. technische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake constructieve en preventieve aspecten; f. een bestek of werkomschrijving van de wijze van verplaatsen en indien van toepassing van de toe te passen constructies, materialen, afwerkingen en kleuren alsmede van de wijze van verwerking daarvan; g. de volgende foto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; 2°. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; 3°. detailfoto’s van de bestaande toestand; h. de volgende tekeningen: 1°. opnametekeningen van de bestaande toestand; 2°. plantekeningen van de nieuwe toestand; 3°. aanvullende tekeningen van de bestaande en de nieuwe toestand, waaronder begrepen detailtekeningen en doorsnedetekeningen; i. ingeval van een molen een rapport inzake de molenbiotoop van de bestaande en van de nieuwe situatie; j. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen verplaatsing een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Wijzigen rijksmonument door bouwactiviteit#
Artikel 5.4 Wijzigen rijksmonument door bouwactiviteit hoofdstuk 2 In of bij de aanvraag om een vergunning voor een wijziging van een rijksmonument, zijnde tevens een bouwactiviteit, verstrekt de aanvrager, naast de ingenoemde gegevens en bescheiden: a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument; b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen wijziging; c. een gemotiveerde opgave of de wijziging is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn; d. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; e. bouwtechnische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; f. een beschrijving van de technische staat van het monument; g. een bestek of werkomschrijving per onderdeel van de toe te passen constructies, materialen, afwerkingen en kleuren alsmede van de wijze van verwerking daarvan; h. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen wijziging zal plaatsvinden; i. de volgende tekeningen: 1°. opnametekeningen van de bestaande toestand en gebrekentekeningen; 2°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, voor zover van toepassing daaronder begrepen de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken; 3°. aanvullende tekeningen van bestaande en nieuwe toestand, waaronder begrepen detailtekeningen en doorsnedetekeningen; j. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 Wijzigen rijksmonument door aanlegactiviteit#
Artikel 5.5 Wijzigen rijksmonument door aanlegactiviteit artikelen 3.1 7.1 In of bij de aanvraag om een vergunning voor een wijziging van een rijksmonument, zijnde tevens een aanlegactiviteit als bedoeld in deof, verstrekt de aanvrager, naast de in die artikelen genoemde gegevens en bescheiden: a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument; b. een tuinhistorisch rapport of een beheerplan; c. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen wijziging; d. de volgende tekeningen: 1°. opnametekeningen van de bestaande toestand; 2°. plantekeningen van de nieuwe toestand; e. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 5.6 — Artikel 5.6 Overige wijzigingen rijksmonument of herstellen rijksmonument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht#
Artikel 5.6 Overige wijzigingen rijksmonument of herstellen rijksmonument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht artikelen 5.1 tot en met 5.5 In of bij de aanvraag om een vergunning voor het wijzigen van een rijksmonument, anders dan door een activiteit als bedoeld in de, of voor het herstellen van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden: a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument; b. het huidige gebruik van het monument en het gebruik van het monument na voltooiing van de voorgenomen wijziging of het voorgenomen herstel; c. een gemotiveerde opgave of de wijziging of het herstel is afgestemd op kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften die op het monument van toepassing zijn; d. cultuurhistorische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie en tuinhistorie; e. technische rapporten, daaronder begrepen rapporten inzake bouwfysische, materiaaltechnische en preventieve aspecten; f. in geval van een tuin- of parkaanleg, een beheerplan; g. een beschrijving van de technische staat van het monument; h. een bestek of werkomschrijving; i. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen wijziging of het voorgenomen herstel zal plaatsvinden; j. de volgende tekeningen: 1°. opnametekeningen van de bestaande toestand en gebrekentekeningen; 2°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden; 3°. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, waaronder begrepen detailtekeningen en doorsnedetekeningen; k. voor zover daarvan sprake is, een opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging of het voorgenomen herstel een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 5.7 — Artikel 5.7 Gebruiken of laten gebruiken rijksmonument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht#
Artikel 5.7 Gebruiken of laten gebruiken rijksmonument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht In of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden: a. het monumentnummer en, voor zover daarvan sprake is, de naam van het monument; b. het huidige gebruik en indien daarvan afwijkend het voorgenomen gebruik van het monument; c. een motivering van het gebruik of indien daarvan afwijkend het voorgenomen gebruik; d. een opgave van de effecten van het gebruik of indien daarvan afwijkend het voorgenomen gebruik voor het monument. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 1 Voor de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit met betrekking tot een rijksmonument is de maximaal toe te passen schaal: a. situatietekeningen: 1:1000; b. geveltekeningen: 1°. algemeen: 1:100; 2°. bij ingrijpende wijzigingen: 1:20 of 1:50; c. plattegronden, doorsneden en dakaanzichten: 1:100; d. detailtekeningen 1:2 of 1:5. 2 Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl). 3 Plattegronden en doorsneden bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen: 1°. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; 2°. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde (stuc)plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de desbetreffende ruimten; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsnedetekeningen van de bestaande toestand; d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Slopen in geval van een planologisch verbod#
Artikel 6.1 Slopen in geval van een planologisch verbod artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een bouwwerk als bedoeld in, maakt de aanvrager aannemelijk dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht#
Artikel 6.2 Slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht 1 artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor het slopen van een bouwwerk als bedoeld inmaakt de aanvrager aannemelijk dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 2 artikel 41 van de Monumentenwet 1988 Erfgoedwet Indien dat met toepassing van, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de, is verplicht door het bevoegd gezag verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld. 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 2016 1220 14-01-2016 05-01-2016 WJZ/717829(10547) 01-07-2016
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 artikel 2.2a van het besluit Activiteiten als bedoeld in#
Artikel 6.3 artikel 2.2a van het besluit Activiteiten als bedoeld in 1 artikel 2.2a, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van het besluit artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer artikelen 1.11, vijfde lid 1.16 1.18 1.19 1.21b, van dat besluit In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld inverstrekt de aanvrager de gegevens, bedoeld inalsmede in de gevallen, bedoeld in de,,,, en, de in de betrokken bepalingen bedoelde gegevens. 2 artikel 2.2a, zesde lid, van het besluit In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens: a. artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer artikel 1.10 1.21a van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingeval sprake is van het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem binnen een inrichting als bedoeld in: de gegevens, bedoeld in deen; b. artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer artikel 1.10a, derde lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen ingeval sprake is van het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem buiten een inrichting als bedoeld in: de gegevens, bedoeld in. 2015 29035 02-10-2015 30-09-2015 IENM/BSK-2015/174195 2015 450 30-11-2015 21-11-2015 01-01-2016 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A
tot en met X, Z tot en met IIIIII, en de artikelen II tot en met VII
van het Wijzigingsbesluit Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit
omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten) in
werking treden.
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Activiteit met betrekking tot een monument, slopen in een aangewezen stads- of dorpsgezicht en aanlegactiviteit#
Artikel 7.1 Activiteit met betrekking tot een monument, slopen in een aangewezen stads- of dorpsgezicht en aanlegactiviteit artikel 2.2, eerste lid, onder b, c of d, van de wet hoofdstuk 5 artikel 6.2 artikel 3.1 Met betrekking tot de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld inzijn respectievelijk,envan overeenkomstige toepassing. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Slopen bouwwerk#
Artikel 7.2 Slopen bouwwerk Vervallen 2011 21436 06-12-2011 25-11-2011 IENM/BSK-2011/157723 2012 6383 29-03-2012 27-03-2012 2012-0000194326 2012 125 27-03-2012 20-03-2012 01-04-2012 Treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011/416).
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Uitweg#
Artikel 7.3 Uitweg artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in, verstrekt de aanvrager gegevens met betrekking tot; a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- dan wel achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg, dan wel van de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of voor het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 Alarminstallatie#
Artikel 7.4 Alarminstallatie artikel 2.2, eerste lid, onder f, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in, verstrekt de aanvrager gegevens over: a. de aard en de werking van de signalering; b. twee waarschuwingsadressen, inclusief telefoonnummers en namen van contactpersonen. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 7.5 — Artikel 7.5 Vellen van houtopstand#
Artikel 7.5 Vellen van houtopstand 1 artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de wet artikel 1.3, tweede lid In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer. 2 In of bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager per genummerde houtopstand: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf; c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; d. de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 7.6 — Artikel 7.6 Handelsreclame#
Artikel 7.6 Handelsreclame 1 artikel 2.2, eerste lid, onder h en i, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in, verstrekt de aanvrager gegevens over: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; d. de tekst van de reclame. 2 Indien een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 7.7 — Artikel 7.7 Opslaan roerende zaken#
Artikel 7.7 Opslaan roerende zaken 1 artikel 2.2, eerste lid, onder j en k, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in, verstrekt de aanvrager gegevens over: a. de aard van de roerende zaken; b. de omvang van de opslag van de roerende zaken. 2 Indien een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 7.8 — Artikel 7.8 Gebieden ter bescherming van grondwater#
Artikel 7.8 Gebieden ter bescherming van grondwater artikel 1.3a, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens: a. een beschrijving van de activiteit, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken alsmede de reden van de activiteit; b. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden; c. een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies; d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de nadelige gevolgen voor bodem en grondwater tegen te gaan. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 7.9 — Artikel 7.9 Gesloten stortplaats#
Artikel 7.9 Gesloten stortplaats artikel 3.4 van het besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens: a. het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin de nazorgvoorzieningen zijn gelegen; b. een kadastrale kaart, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder a is aangegeven; c. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder b; d. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; e. de maatregelen die worden getroffen om: 1°. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; 2°. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; 3°. anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; f. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Natura 2000-activiteiten#
Artikel 8.1 Natura 2000-activiteiten 1 artikel 2.2aa, onderdeel a, van het besluit In of bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, vermeldt de aanvrager voor welk Natura 2000-gebied de activiteit gevolgen kan hebben. Als de activiteit gevolgen kan hebben voor meer dan één gebied, worden alle gebieden vermeld. Daarbij vermeldt de aanvrager wat de precieze afstand van de activiteit tot het gebied is en voegt deze op kaartbeeld de locatie van de activiteit in relatie tot de betreffende gebieden bij. 2 In of bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager naast de omschrijving van de aard en de omvang van de activiteit tevens de periodes waarbinnen de activiteit plaatsvindt. 3 artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, van de Wet natuurbescherming artikel 1.3 Ingeval de activiteit een andere handeling is als bedoeld inis, dient de aanvrager bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, naast de gegevens, bedoeld invan deze regeling, een verslag van een onderzoek en de uitkomsten daarvan naar de mogelijkheid dat de andere handeling, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. 4 artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming artikel 2.8, eerste lid, van die wet artikel 1.3 Ingeval de activiteit een project is als bedoeld in, dient de aanvrager bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, naast de gegevens, bedoeld invan deze regeling, een passende beoordeling als bedoeld inin. De passende beoordeling bevat in elk geval de volgende gegevens: a. artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming een gebiedsbeschrijving met inbegrip van de instandhoudingsdoelstellingen voor de desbetreffende gebieden, bedoeld in; b. voor welke specifieke instandhoudingsdoelstellingen het project een mogelijk negatief of positief gevolg heeft en voor welke specifieke instandhoudingsdoelstellingen het project geen gevolg heeft; c. een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de gevolgen per individuele instandhoudingsdoelstelling; d. een beschrijving van de concrete maatregelen die genomen kunnen worden om de negatieve gevolgen te verzachten of te voorkomen (mitigerende maatregelen); e. of, en zo ja in welke mate de gevolgen van het project op de instandhoudingsdoelstellingen de gevolgen van andere projecten of plannen op diezelfde instandhoudingsdoelstellingen versterken. 5 artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming artikel 2.8, vierde lid, van die wet Ingeval de activiteit een project is als bedoeld inwaaropvan toepassing is, dient de aanvrager bij de aanvraag tevens de uitkomsten van de ‘adc-toets’ in. Deze adc-toets bevat in elk geval de volgende gegevens: a. een omschrijving van alternatieve oplossingen voor hetgeen beoogd wordt met het project, waarbij voldoende aannemelijk wordt gemaakt waarom het toch beter is dat de door de aanvrager voorgestelde uitvoering wordt gekozen; b. artikel 2.8, vierde lid, onderdeel b, van de Wet natuurbescherming een omschrijving van een dwingende reden van groot openbaar belang als bedoeld indie met het project wordt gediend; c. artikel 2.8, vierde lid, onderdeel c, van de Wet natuurbescherming een omschrijving van de compenserende maatregelen als bedoeld in. 6 artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming Voor zover een aanvraag betrekking heeft op het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat of habitat van voor stikstof gevoelige soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt in een Natura 2000-gebied dat in het programma aanpak stikstof, bedoeld inis opgenomen: a. artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag een afschrift van een berekening van de stikstofdepositie die het project of de handeling op een Natura 2000-gebied veroorzaakt met gebruikmaking van AERIUS Calculator als bedoeld inen de gegevens waarop die berekening is gebaseerd; b. bestaat het onderzoek, bedoeld in het derde lid, dan wel de passende beoordeling, bedoeld in het vierde lid, slechts uit een verwijzing naar dat programma aanpak stikstof. 2016 55791 28-10-2016 16-10-2016 WJZ/16153443 2016 55791 28-10-2016 16-10-2016 WJZ/16153443 01-01-2017
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Flora- en fauna-activiteiten#
Artikel 8.2 Flora- en fauna-activiteiten 1 artikel 2.2aa, onderdeel b, van het besluit In of bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, vermeldt de aanvrager: a. een beschrijving van de handelingen die uitgevoerd zullen worden; b. het doel en belang van de handelingen die zullen plaatsvinden; c. voor welke beschermde soorten een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, zowel met de Nederlandse naam als de wetenschappelijke naam van de beschermde soorten; d. artikel 3.1 3.5 3.10 van de Wet natuurbescherming voor welke handelingen, bedoeld in,ofde vergunning wordt aangevraagd. 2 In of bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, dient de aanvrager een activiteitenplan in, dat bestaat uit de volgende onderdelen en gegevens: a. een beschrijving van het gebied waarin de locatie van de handelingen is gelegen; b. artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming artikel 3.5, eerste lid, van die wet artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van die wet een beschrijving van de staat van instandhouding en de verspreiding op en nabij het gebied van vogels als bedoeld in, dieren en planten van soorten als bedoeld inen dieren en planten van soorten als bedoeld in; c. artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming artikel 3.5, eerste lid, van die wet artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van die wet in voorkomend geval een beschrijving van de functies van in dat gebied voorkomende nesten of rustplaatsen voor vogels als bedoeld in, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van soorten als bedoeld inof vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van soorten als bedoeld inen hoe essentieel deze zijn voor de staat van instandhouding van de desbetreffende soorten; d. een beschrijving van de manier waarop de aanvrager de handelingen wil uitvoeren; e. de periode waarin de handelingen uitgevoerd zullen worden; f. de planning van de handelingen en de onderbouwing daarvan; g. een beschrijving van alternatieven met een gemotiveerde toelichting waarom een eventuele andere mogelijke bevredigende oplossing niet is gekozen; h. een beschrijving van de effecten van de voorgenomen handelingen op de staat van instandhouding van de onder b genoemde soorten, voor dieren mede aan de hand van de onder c genoemde aanwezige essentiële functies voor die beschermde soorten. i. een verantwoording van het onderzoek dat naar de effecten van de voorgenomen handelingen is gedaan; j. een verantwoording van het onderzoek dat naar de verspreiding van de beschermde soorten is gedaan; k. een beschrijving van de eventuele maatregelen om schade aan de beschermde soort te voorkomen (mitigerende maatregelen); l. een beschrijving van de eventuele maatregelen om onvermijdelijke schade aan de beschermde soort te herstellen (compenserende maatregelen); m. een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen, de verspreiding van de beschermde soorten en de locatie van de mitigerende of compenserende maatregelen; n. artikel 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming artikel 3.10, eerste lid, van die wet artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b artikel 3.10, tweede lid artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, van die wet al naar gelang de handeling gevolgen heeft voor vogels, voor dieren of planten van soorten als bedoeld inof voor dieren of planten van soorten als bedoeld in, een onderbouwing vanwege welk belang de handeling nodig is, genoemd in, onderscheidenlijk, onderscheidenlijk, al dan niet in samenhang met. 2016 55791 28-10-2016 16-10-2016 WJZ/16153443 2016 55791 28-10-2016 16-10-2016 WJZ/16153443 01-01-2017
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Gegevensverstrekking aan inspectoraat-generaal VROM#
Artikel 9.1 Gegevensverstrekking aan inspectoraat-generaal VROM 1 Het bevoegd gezag verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk na het tijdstip waarop het de beschikking daarover heeft gekregen, aan de inspecteur ten aanzien van inrichtingen of inrichtingen behorende tot een categorie waarvan de inspecteur schriftelijk heeft aangegeven gegevens te willen ontvangen. De inspecteur geeft het tijdstip aan tot wanneer hij de gegevens wil ontvangen. 2 Onder gegevens worden verstaan: a. hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een afschrift van het milieueffectrapport, bedoeld in, en de gegevens die daarop betrekking hebben; b. een afschrift van een vergunning en de gegevens die betrekking hebben op het verlenen, wijzigen en intrekken van een vergunning; c. artikel 3.10, derde lid, van de wet afschriften van vergunningen als bedoeld in; d. artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer afschriften van meldingen als bedoeld in, met betrekking tot het oprichten of het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan; e. artikel 8.42 van de Wet milieubeheer afschriften van besluiten met betrekking tot voorschriftenals bedoeld in; f. afschriften van toezichtrapporten; g. wet afschriften van correspondentie met de houder van een inrichting over de naleving van het bij of krachtens degestelde; h. afschriften van gedoogbeschikkingen en ontwerpen daarvan; i. afschriften van handhavingsbeschikkingen en ontwerpen daarvan. 3 In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur schriftelijk aangeven dat hij met betrekking tot de daarbij aangegeven inrichtingen of een categorie van inrichtingen slechts een daarbij aangegeven deel van de gegevens, genoemd in het tweede lid, wil ontvangen. 4 Eenmaal per kwartaal zendt het bevoegd gezag een overzicht van de bij hem binnengekomen klachten over de inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2#
Artikel 9.2 artikel 6.2 van de Waterwet bijlage Het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning krachtensis aangevraagd, het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, houdt bij de bepaling van de voor de inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken en monitoringeisen rekening met de relevante BBT-conclusies en Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende. 2012 21373 14-11-2012 31-10-2012 IENM/BSK-2012/196587 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Activiteitenbesluit milieubeheer, enz. (omzetting van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies)(Stb. 2012/552) in werking treedt.
Artikel 9.3 — Artikel 9.3#
Artikel 9.3 1 Indien het bevoegd gezag vergunningvoorschriften vaststelt op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven: a. artikel 5.4, derde lid, van het besluit zorgt hij ervoor dat de techniek wordt bepaald rekening houdend met, en b. artikel 5.5, zesde en zevende lid, van het besluit isvan overeenkomstige toepassing. 2 Indien de in het eerste lid genoemde BBT-conclusies geen met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus bevatten, zorgt het bevoegd gezag ervoor dat de in het eerste lid bedoelde methode een niveau van milieubescherming garandeert dat gelijkwaardig is aan dat van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies. 2012 21373 14-11-2012 31-10-2012 IENM/BSK-2012/196587 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Activiteitenbesluit milieubeheer, enz. (omzetting van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies)(Stb. 2012/552) in werking treedt.
Artikel 9.4 — Artikel 9.4#
Artikel 9.4 1 Door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als die welke gelden voor met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus van de relevante BBT-conclusies. 2 Indien het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid emissiegrenswaarden vaststelt met andere waarden, perioden of referentieomstandigheden: a. verbindt het bevoegd gezag aan de vergunning als eisen voor de monitoring van de desbetreffende emissies de verplichting dat de resultaten van de monitoring: 1°. beschikbaar zijn voor dezelfde termijn en referentieomstandigheden als voor de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus; 2°. regelmatig of ten minste jaarlijks worden gemeld aan het bevoegd gezag in een overzicht dat een vergelijking mogelijk maakt met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus; 3°. worden weergegeven in een zodanig overzicht dat een vergelijking mogelijk is met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus; b. beoordeelt het bevoegd gezag ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van deze emissies, teneinde na te gaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zouden zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus. 2012 21373 14-11-2012 31-10-2012 IENM/BSK-2012/196587 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Activiteitenbesluit milieubeheer, enz. (omzetting van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies)(Stb. 2012/552) in werking treedt.
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 10.1 Begripsomschrijvingen 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuursorgaan: artikel 7.2, eerste en tweede lid, van het besluit bestuursorgaan als bedoeld in; bepaalde bij of krachtens de wet: wet bepaalde bij of krachtens demet betrekking tot activiteiten met betrekking tot een inrichting. 2 wet In deze paragraaf wordt, behoudens voor zover wordt gesproken van strafrechtelijke handhaving, onder ‘handhaving’ verstaan: bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deof het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde. 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 01-07-2017
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 Reikwijdte#
Artikel 10.2 Reikwijdte wet Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering en handhaving van het bepaalde bij of krachtens deof de betrokken wetten. 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 01-07-2017
Artikel 10.3 — Artikel 10.3 Handhavingsbeleid#
Artikel 10.3 Handhavingsbeleid 1 artikel 7.2, vierde lid, van het besluit De analyse van inzichten, bedoeld inen de analyse van de problemen, bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid, van het besluit geven in ieder geval inzicht in: a. wet de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deof het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde; b. de kansen dat overtredingen als bedoeld onder a zullen plaatsvinden. 2 artikel 7.2, zevende lid, onderdeel a, van het besluit Tot de afspraken, bedoeld in, behoren in ieder geval de afspraken die zijn gemaakt over: a. artikelen 18.2a, eerste lid 18.2b, eerste lid, van de Wet milieubeheer artikel 95, derde lid, van de Wet bodembescherming de uitvoering van, enen; b. de handhaving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde omtrent handelingen met betrekking tot stoffen, preparaten of andere producten; c. de uitwisseling van gegevens betreffende de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. 3 artikel 7.2, vierde lid, van het besluit Tot de onderwerpen met betrekking waartoe de strategie, bedoeld in, inzicht geeft, behoren voorts: a. wet de wijze waarop de naleving van het bepaalde bij of krachtens deof het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt bevorderd; b. wet de voorlichting aan personen die een inrichting drijven, inzake de voor hen krachtens het bepaalde bij of krachtens deof de betrokken wetten geldende voorschriften. 4 artikel 7.2, zevende lid, onderdeel b, van het besluit wet Tot de inbedoelde wijze waarop het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deof het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, wordt uitgeoefend, behoort in ieder geval: a. de wijze waarop de controle ter plaatse wordt voorbereid, uitgaande van een register van inrichtingen waarin in ieder geval de IPPC-installaties zijn opgenomen; b. de wijze waarop de controle ter plaatse wordt uitgeoefend; c. de frequentie waarmee routinematige controlebezoeken worden afgelegd, waarbij die frequentie voor IPPC-installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem, ten minste één controlebezoek per drie jaar bij beperkte milieurisico’s en ten minste één controlebezoek per jaar bij grote milieurisico’s is; d. de wijze waarop zakelijke gegevens en bescheiden worden gecontroleerd; e. de wijze waarop het toezicht wordt uitgeoefend op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet of het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde ten aanzien van stoffen, trillingen, en warmte die of geluid dat, direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem, worden onderscheidenlijk wordt gebracht; f. de wijze waarop de controle en verificatie plaatsvinden van de resultaten van de controles die zijn uitgevoerd door personen die een inrichting drijven. 5 Onverminderd de frequentie, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, worden bij IPPC-installaties niet-routinematige controlebezoeken uitgevoerd: a. vóór de verlening of verandering van een vergunning; b. om zo spoedig mogelijk ernstige klachten, ernstige ongewone voorvallen of overtredingen te onderzoeken; c. indien bij een controle een ernstige overtreding is vastgesteld, binnen zes maanden na de vaststelling. 6 Na elk controlebezoek bij een IPPC-installatie: a. stelt het bevoegd gezag een verslag op waarin de relevante bevindingen over de naleving en de conclusies over de eventuele noodzaak van verdere maatregelen worden neergelegd; b. zendt het bevoegd gezag het verslag, bedoeld onder a, binnen twee maanden aan de vergunninghouder; c. artikelen 19.3 tot en met 19.5 van de Wet milieubeheer stelt het bevoegd gezag het verslag binnen vier maanden voor eenieder op verzoek beschikbaar, waarbij devan overeenkomstige toepassing zijn. 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 01-07-2017
Artikel 10.4 — Artikel 10.4 Uitvoeringsprogramma#
Artikel 10.4 Uitvoeringsprogramma artikel 7.3, eerste lid, van het besluit Het bestuursorgaan werkt het uitvoeringsprogramma, bedoeld in, uit in werkplannen voor de betrokken onderdelen van zijn organisatie. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 10.5 — Artikel 10.5 Uitvoeringsorganisatie#
Artikel 10.5 Uitvoeringsorganisatie artikel 7.4, eerste en tweede lid, van het besluit Ter waarborging van een adequate en objectieve uitvoering van het uitvoerings- en handhavingsbeleid, bedoeld in, draagt het bestuursorgaan er zorg voor dat: a. adequate technische, juridische en administratieve voorzieningen beschikbaar zijn; b. instrumenten en apparaten die bij de handhaving worden gebruikt in een goede staat van onderhoud verkeren en deze zonodig worden gekalibreerd. 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 01-07-2017
Artikel 10.6 — Artikel 10.6 Monitoring#
Artikel 10.6 Monitoring artikel 7.6, tweede lid, van het besluit Tot de inbedoelde gegevens ten behoeve van de uitvoering en handhaving behoren in ieder geval gegevens betreffende het aantal: a. uitgevoerde controles; b. geconstateerde overtredingen; c. opgelegde bestuurlijke sancties; d. processen-verbaal; e. over mogelijke overtredingen ontvangen klachten. 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 01-07-2017
Artikel 10.7 — Artikel 10.7 Kringen van gemeenten#
Artikel 10.7 Kringen van gemeenten artikel 5.3, eerste lid, van de wet De gemeenten in de volgende onderdelen die deelnemen aan de in die onderdelen genoemde omgevingsdienst worden aangewezen als een kring van gemeenten als bedoeld in: a. Noord-Veluwe: Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten; b. Veluwe IJssel: Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst; c. Achterhoek: Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen; d. de Vallei: Barneveld, Ede, Nijkerk, Scherpenzeel en Wageningen; e. Regio Arnhem: Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar; f. Rivierenland: Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel, West Maas en Waal en Zaltbommel; g. Regio Nijmegen: Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen; h. Regio Utrecht: Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, IJsselstein en Zeist; i. RUD Utrecht: Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Houten, Leusden, Lopik, Nieuwegein, Soest, Utrecht en Woudenberg; j. IJmond: Beemster, Beverwijk, Haarlem, Heemskerk, Purmerend, Uitgeest en Velsen; k. Noordzeekanaalgebied: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad; l. Midden-Holland: Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Zuidplas en Waddinxveen; m. West-Holland: Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude; n. Midden-West Brabant: Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze-Rijen, Goirle, Halderberge, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Moerdijk, Oisterwijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert. 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 2017 33543 23-06-2017 21-06-2017 IENM/BSK-2017/140015 01-07-2017
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 Inwerkingtreding#
Artikel 11.1 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 Citeertitel#
Artikel 11.2 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling omgevingsrecht. 2010 5162 01-04-2010 30-03-2010 BJZ2010008979 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit omgevingsrecht in werking treedt.
Artikel 9.2#
artikel 9.2