Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting
- BWB-id
- BWBR0027018
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0027018
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2010/uitvoeringsregeling-schenk-en-erfbelasting
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2010/uitvoeringsregeling-schenk-en-erfbelasting/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0027018&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0027018&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0027018/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2010/uitvoeringsregeling-schenk-en-erfbelasting
Artikel 1 — Artikel 1 Reikwijdte en definities#
Artikel 1 Reikwijdte en definities 1 artikelen 16 17 33 35b 35c 35d 35e 73 van de Successiewet 1956 Deze regeling geeft uitvoering aan de,,,,,,en. 2 Deze regeling verstaat onder: − afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.10 van die wet aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang als bedoeld in, met uitzondering van; − aanmerkelijkbelanghouder: houder van een aanmerkelijk belang; − vermogensbestanddelen: vermogenstitels die bij voldoende omvang een aanmerkelijk belang kunnen vormen; − artikel 35e van de wet voortzettingsperiode: de voortzettingsperiode, bedoeld in; − Successiewet 1956 wet:. 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 01-01-2026
Artikel 2 — Artikel 2 Uitbreiding partnerbegrip#
Artikel 2 Uitbreiding partnerbegrip Vervallen 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 2010 21111 30-12-2010 23-12-2010 DB2010/281M 01-01-2011
Artikel 3 — Artikel 3 Toerekening afgezonderd particulier vermogen#
Artikel 3 Toerekening afgezonderd particulier vermogen Artikel 4a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 16 van de wet artikel 17 van de wet is van overeenkomstige toepassing op de inbedoelde verkrijging en de inbedoelde schenking. 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 01-01-2010
Artikel 4 — Artikel 4 Aangewezen mogendheid#
Artikel 4 Aangewezen mogendheid Vervallen 2016 69005 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223377 2016 69005 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223377 01-01-2017
Artikel 5 — Artikel 5 Schenking ten behoeve van een eigen woning#
Artikel 5 Schenking ten behoeve van een eigen woning Vervallen 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 2023 34571 29-12-2023 15-12-2023 2023-0000275008 01-01-2024 Artikel XII van Stcrt. 2023/34571 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6 — Artikel 6 Schenking voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep#
Artikel 6 Schenking voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep 1 artikel 33, onderdeel 5°, onder b, van de wet Een vrijstelling als bedoeld invoor een schenking die is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind, welke kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk, wordt niet verleend voor de aflossing van schulden die zijn aangegaan voor de financiering van een dergelijke studie of opleiding en wordt voorts slechts verleend indien: a. de schenking is aangegaan bij notariële akte waarin is vermeld voor de betaling van welke studie of opleiding de schenking is bedoeld alsmede het bedrag van de verwachte kosten van die studie of opleiding; b. de schenking is gedaan onder de ontbindende voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het geschonken bedrag niet binnen twee kalenderjaren na het jaar waarin de schenking is gedaan aan de studie of opleiding is besteed, en c. desgevraagd met schriftelijke bescheiden wordt aangetoond dat het bedrag van de schenking daadwerkelijk door de schenker is betaald en, binnen de in onderdeel b bedoelde termijn, door de begunstigde is aangewend voor de in de in onderdeel a bedoelde akte vermelde studie of opleiding. 2 artikel 33, onderdeel 5°, onder b, van de wet Voor de toepassing vanworden kosten voor een studie of de opleiding voor een beroep aangemerkt als aanzienlijk hoger dan gebruikelijk indien deze, exclusief kosten voor levensonderhoud, ten minste € 20 000 per jaar bedragen. 2016 69005 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223377 2016 69005 29-12-2016 29-12-2016 2016-0000223377 01-01-2017
Artikel 7 — Artikel 7 Hetgeen tot een objectieve onderneming wordt gerekend#
Artikel 7 Hetgeen tot een objectieve onderneming wordt gerekend 1 artikel 35b, eerste lid, van de wet Onder een objectieve onderneming als bedoeld inworden mede begrepen: a. buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen, mits dit vermogen bestaat uit onroerende zaken; en b. rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden. 2 artikel 35b, eerste lid, van de wet Tot een objectieve onderneming als bedoeld indie toebehoort aan een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, worden mede gerekend: a. artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 onroerende zaken die op de voet vanter beschikking zijn gesteld aan de vennootschap en dienstbaar zijn aan de onderneming van de vennootschap; en b. rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden. 3 artikel 35c, vijfde lid, van de wet artikel 35b, eerste lid, van de wet Indien ingevolgebezittingen en schulden van een lichaam voor een gedeelte worden toegerekend aan een ander lichaam, worden deze bezittingen en schulden voor de inbedoelde bepaling van de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming, voor het geheel in aanmerking genomen voor zover zij ondernemingsvermogen vormen als bedoeld in artikel 35c van de wet. 4 artikel 3.56 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien de verkrijging aandelen betreft in een lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, op enig moment in het afgelopen jaar, onderscheidenlijk op enig moment in de afgelopen vijf jaren, indirect aandeelhouder was, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de situatie als ware de erflater, onderscheidenlijk de schenker, nog steeds indirect aandeelhouder. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in een situatie waarin de verkrijging aandelen betreft in een lichaam dat is ontstaan bij een juridische splitsing als bedoeld in. 5 artikel 35c, elfde lid, van de wet Voor het eerste en tweede lid isvan overeenkomstige toepassing. 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 01-01-2026
Artikel 8 — Artikel 8 In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven preferente aandelen#
Artikel 8 In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven preferente aandelen 1 artikel 35c, vierde lid, onderdeel a, van de wet artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.56 van die wet artikel 3.57 van die wet Onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld inwordt ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in, een juridische splitsing als bedoeld inof een juridische fusie als bedoeld in. 2 artikel 35c, vierde lid, onderdeel a, van de wet Aan het gestelde inwordt ook geacht te zijn voldaan indien de daar bedoelde preferente aandelen krachtens erfrecht of schenking worden verkregen van een rechtsopvolger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van degene die de aandelen heeft omgezet als bedoeld in genoemd onderdeel. 3 artikel 35c, vijfde lid, laatste volzin, van de wet Indirect gehouden preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht als bedoeld inindien: artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.56 van die wet artikel 3.57 van die wet artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Voor de toepassing van dit lid wordt onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in de eerste volzin ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in, een juridische splitsing als bedoeld inof een juridische fusie als bedoeld in. Voorts wordt daaronder ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in. a. artikel 35c, vijfde lid, onderdelen a en b, van de wet de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater of schenker gehouden indirect belang van gewone aandelen als bedoeld in; b. de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander; c. artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in, of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in artikel 35c, het eerste lid, onderdeel b, van de wet, en d. de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b. 4 artikel 35c, vierde of vijfde lid, van de wet Indien preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht als bedoeld in, dan behouden deze aandelen het karakter dat zij in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de wet voor zover de houder van deze preferente aandelen ook houder is van de gewone aandelen die bij het ontstaan van de preferente aandelen zijn toegekend aan de bedrijfsopvolger. 5 artikel 35c, vierde lid, onderdeel d, van de wet Voor de bepaling of de verkrijger van de preferente aandelen voldoet aan de voorwaarde vanworden de preferente aandelen niet gerekend tot het geplaatste kapitaal. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voor de toepassing van het derde lid, eerste volzin, onderdeel d. 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 01-01-2010
Artikel 9 — Artikel 9 Bezitsperiode#
Artikel 9 Bezitsperiode 1 artikel 35d van de wet Aan de periodes, bedoeld in, is mede voldaan: a. artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker een onderneming drijft die eerder werd gedreven door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, wordt gedreven en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aandeelhouder was van bedoelde naamloze of besloten vennootschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld invormt; b. artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is en het aanmerkelijk belang betrekking heeft op een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een onderneming drijft die eerder voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode van het zijn van aanmerkelijkbelanghouder en de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld invormt; c. artikel 35d, eerste lid, onderdeel b, van de wet ingeval de erflater of schenker medegerechtigde is als bedoeld inen die medegerechtigdheid betrekking heeft op een onderneming die direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet zoals dat artikel luidde op het moment van het worden van medegerechtigde vormde, waarbij die periode wordt berekend als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk schenken, het moment waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd; d. artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker direct of indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat in het kader van een aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, dat in het kader van een bedrijfsfusie bezittingen en schulden heeft verkregen of dat in het kader van een juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel heeft verkregen: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die fusie of splitsing dat aanmerkelijk belang houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor die fusie of splitsing direct of indirect een aanmerkelijk belang hield in het lichaam waarin het verkrijgende lichaam in het kader van die aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, waarvan in het kader van die bedrijfsfusie bezittingen en schulden zijn verkregen, onderscheidenlijk waarvan in het kader van die juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel is verkregen, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld invormt, mits genoemde aanmerkelijk belangen via dezelfde soort vermogensbestanddelen werden gehouden; e. artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat eerder is gekocht van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, of van een lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct of indirect een aanmerkelijk belang hield: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, het indirecte aanmerkelijk belang in het gekochte lichaam houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor de koop direct of indirect een aanmerkelijk belang in dat lichaam hield tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld invormt; f. artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker gedurende de periode, bedoeld in, aanmerkelijkbelanghouder is van aandelen of winstbewijzen en het lichaam waarop die vermogensbestanddelen betrekking hebben in die periode dezelfde soort vermogensbestanddelen aan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, uitgaf: ten aanzien van de uitgegeven vermogensbestanddelen; g. artikel 35c, vierde lid, van de wet artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is van preferente aandelen als bedoeld in: indien de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct voorafgaand aan de omzetting, bedoeld in dat lid, de omgezette gewone aandelen ten minste hield gedurende de aaneengesloten periode, bedoeld in, waarbij die periode berekend wordt als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk van schenken, het moment van die omzetting; h. artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker resultaat uit een werkzaamheid geniet met betrekking tot een onroerende zaak en de onroerende zaak eerder deel uitmaakte van een voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, gedreven onderneming: indien de periode van het genieten van resultaat uit die werkzaamheid en de periode van ondernemerschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld invormt; i. artikel 35d van de wet ingeval de erflater of schenker als gevolg van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of een verdeling van de huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding van die huwelijksgemeenschap een belang heeft verkregen via vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aanmerkelijkbelanghouder is of via een onroerende zaak ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, resultaat uit een werkzaamheid geniet: indien de periode dat de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die overgang, onderscheidenlijk die verdeling, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder is of resultaat uit een werkzaamheid geniet en de periode waarin de echtgenoot, onderscheidenlijk de voormalige echtgenoot, van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder was, onderscheidenlijk resultaat uit een werkzaamheid genoot, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld invormt; j. artikel 12 van de wet artikel 35d van de wet ingeval ondernemingsvermogen door toepassing vangeacht wordt krachtens erfrecht door overlijden van de erflater te zijn verkregen: indien de erflater op het moment van schenking voldoet aan de voor de erflater geldende periode, bedoeld in. 2 artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 35d, van de wet artikel 35d van de wet Ingeval de erflater of schenker of het lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, een aanmerkelijk belang heeft, in geval van overheidsingrijpen als bedoeld inophoudt winst te genieten uit een onderneming en de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen of de waarde van de in het kader van dat overheidsingrijpen verkregen vergoeding voor zover deze vergoeding niet in de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen is begrepen binnen de termijn, bedoeld in artikel 3.54, vijfde lid, van die wet, geheel of gedeeltelijk wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit de erflater, de schenker, onderscheidenlijk dat lichaam, winst geniet, wordt aan de periode, bedoeld in, mede voldaan indien de periode waarin eerstgenoemde onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk van de schenker, onderscheidenlijk door dat lichaam, wordt gedreven en de periode na herinvestering in een andere onderneming die voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk van de schenker, onderscheidenlijk door dat lichaam, wordt gedreven tezamen ten minste een periode als bedoeld invormt. 3 Indien de waarde van de onderneming direct na het moment van de laatste herinvestering hoger is dan de waarde van de totale herinvestering, is het tweede lid uitsluitend op een deel van de waarde van de onderneming van toepassing. Dit deel wordt berekend door de waarde van de onderneming op het moment dat het tweede lid wordt toegepast te vermenigvuldigen met het quotiënt van het bedrag of de waarde van de totale herinvestering en de waarde van de onderneming direct na het moment van de laatste herinvestering. 4 hoofdstuk IIIA van de wet artikel 35d van de wet Met betrekking tot ondernemingsvermogen dat de erflater krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen en waaropten aanzien van de erflater van toepassing is geweest of toegepast had kunnen worden, wordt de erflater steeds geacht te voldoen aan de voorwaarde van de periode, bedoeld in. 5 artikel 35d van de wet Bij verkrijging door vervulling van een opschortende voorwaarde die aansluit bij een ontbindende voorwaarde ten aanzien van een eerdere verkrijging door een bezwaarde, kan voor de toepassing vandie bezwaarde als erflater of schenker worden aangemerkt. 6 artikel 35d, eerste lid, van de wet Het slot vanis niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater of schenker die voortvloeit uit een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover het belang van de echtgenoot tussen de start van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, en die overgang niet is toegenomen. 7 artikel 35d, eerste lid, van de wet Het slot vanis niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater of schenker die voortvloeit uit een verdeling van een huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding van die huwelijksgemeenschap, voor zover het belang dat direct voorafgaand aan die verdeling tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap behoorde tussen de start van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, en die verdeling niet is toegenomen. artikel 35d van de wet De eerste zin vindt geen toepassing indien de overgang krachtens huwelijksvermogensrecht plaatsvond binnen de periode, bedoeld in, behalve voor zover het belang wordt toegedeeld aan degene van wiens zijde het belang in de huwelijksgemeenschap is gevallen. 8 artikel 35d, eerste lid, van de wet Het slot vanis niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater door de verkrijging van het ondernemingsvermogen, bedoeld in het vierde lid. 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 01-01-2026 Artikel VII van Stcrt. 2025/42873 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10 — Artikel 10 Voortzettingsperiode#
Artikel 10 Voortzettingsperiode 1 artikel 35e, eerste lid, onderdelen a en c, onder 1° en 3°, van de wet Op verzoek van de verkrijger wordt een gebeurtenis niet als een gebeurtenis als bedoeld inaangemerkt voor zover door die gebeurtenis het belang van de verkrijger in de oorspronkelijk verkregen onderneming niet afneemt, mits: a. die onderneming wordt voortgezet; b. die gebeurtenis niet plaatsvindt onder een last of tegen een tegenprestatie aan de verkrijger anders dan de uitgifte van vermogensbestanddelen van dezelfde soort als de verkregen vermogensbestanddelen; en c. die gebeurtenis er niet toe leidt dat de verkrijger als medegerechtigde winst gaat genieten uit die onderneming. 2 artikel 35e, eerste lid, van de wet Op verzoek van de verkrijger wordt niet als een gebeurtenis als bedoeld inaangemerkt: a. artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 het in geval van overheidsingrijpen als bedoeld indoor de verkrijger ophouden winst te genieten uit de oorspronkelijk verkregen onderneming of door het lichaam waarvan hij de vermogensbestanddelen heeft verkregen ophouden de oorspronkelijk verkregen onderneming te drijven, voor zover de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen en de waarde van de in het kader van dat overheidsingrijpen verkregen vergoeding voor zover deze vergoeding niet in de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen is begrepen binnen de termijn, bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit die verkrijger, onderscheidenlijk dat lichaam, winst geniet; b. het door een lichaam uitgeven van vermogensbestanddelen van dezelfde soort als de verkregen vermogensbestanddelen, voor zover het door de verkrijger verkregen belang in de door dat lichaam gedreven onderneming niet afneemt; c. artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet de vervreemding van een onroerende zaak als bedoeld invoor zover: 1°. artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet de verkrijger de bij de vervreemding verkregen middelen binnen zes maanden na die vervreemding gebruikt voor de verwerving van een andere onroerende zaak en deze ter beschikking stelt aan dezelfde vennootschap en deze wordt gebruikt binnen de onderneming, bedoeld in; of 2°. artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet de vervreemding plaatsvindt door een inbreng tegen vermogensbestanddelen in het lichaam waarvan de verkrijger vermogensbestanddelen als bedoeld inheeft verkregen, mits de onroerende zaak na die vervreemding wordt gebruikt binnen de onderneming, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet. 3 artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet artikel 35e, eerste lid, van de wet Indien tot de verkrijging een onroerende zaak behoort als bedoeld inen als gevolg van een gebeurtenis het ter beschikking stellen van dat vermogensbestanddeel eindigt of wijzigt, is op verzoek geen sprake van een gebeurtenis als bedoeld invoor zover de onroerende zaak in de nieuw ontstane situatie binnen de oorspronkelijk verkregen onderneming wordt gebruikt, onderscheidenlijk het ter beschikking stellen aan die onderneming wordt voortgezet. 4 artikel 35e van de wet artikel 35c, vijfde lid, van de wet Na toepassing van het eerste, tweede of derde lid vindt voor de resterende duur van de voortzettingsperiodevolledig toepassing op de alsdan ontstane situatie en wordt voor de toepassing vande verkrijger aangemerkt als erflater of schenker. Indien het tweede lid, onderdeel a, toepassing heeft gevonden, wordt de voortzettingsperiode geschorst gedurende de periode dat nog niet is geherinvesteerd. 5 De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. 6 artikel 35e, eerste lid, van de wet Een gebeurtenis is geen gebeurtenis als bedoeld inindien deze zich voordoet ten gevolge van het overlijden van de verkrijger of als gevolg van de verdeling van de huwelijksgemeenschap of de nalatenschap van deze verkrijger binnen twee jaar na zijn overlijden. Voor de toepassing van artikel 35e van de wet wordt of worden voor de resterende duur van de voortzettingsperiode de verwachter, onderscheidenlijk de rechtsopvolgers, krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van de verkrijger, geacht in de plaats te treden van de oorspronkelijke verkrijger. 7 artikel 35e, eerste lid, van de wet hoofdstuk IIIA van de wet Van een gebeurtenis als bedoeld inis evenmin sprake indien deze zich voordoet als gevolg van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht. Voor de toepassing van artikel 35e, eerste lid, van de wet wordt in dat geval voor de resterende duur van de voortzettingsperiode de rechtsopvolger krachtens huwelijksvermogensrecht geacht in de plaats te treden van de oorspronkelijke verkrijger. Van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de wet is evenmin sprake indien gedurende de resterende duur van de voortzettingsperiode de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden en binnen twee jaar na de ontbinding wordt verdeeld waarbij het ondernemingsvermogen, bedoeld in, wordt toegedeeld aan de oorspronkelijke verkrijger. Voor de toepassing van artikel 35e, eerste lid, van de wet treedt de oorspronkelijke verkrijger in dat geval voor de resterende duur van de voortzettingsperiode in de plaats van de rechtsopvolger krachtens huwelijksvermogensrecht. 8 artikel 35c, dertiende lid, van de wet Indien binnen de voortzettingsperiode door de verkrijger een door toepassing vanmet een aandeel of winstbewijs gelijkgestelde koopoptie wordt uitgeoefend, treden de daardoor verworven aandelen of winstbewijzen voor de resterende duur van de voortzettingsperiode in de plaats van die koopoptie. 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 2025 42873 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000592934 01-01-2026 01-01-2025 Abusievelijk is voor het achtste lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 11 — Artikel 11 Uitbreiding aangifteplicht#
Artikel 11 Uitbreiding aangifteplicht artikel 73 van de wet De inbedoelde aangifte wordt ingediend bij de inspecteur en houdt in: a. de naam, voornamen, laatste woonplaats en de dagtekening van het overlijden van de erflater; b. een omschrijving van de goederen of bewijsstukken, de rechtsverhouding krachtens welke de aangever deze onder zich heeft, en de aanwijzing van hun bestemming. 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 01-01-2010
Artikel 12 — Artikel 12 Opgave verzekeraar en uitvoerder derdebeding#
Artikel 12 Opgave verzekeraar en uitvoerder derdebeding Vervallen 2014 36880 30-12-2014 30-12-2014 IZV2014/715M 2014 36880 30-12-2014 30-12-2014 IZV2014/715M 01-01-2015
Artikel 13 — Artikel 13 Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 Intrekking#
Artikel 13 Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 Intrekking 1 Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 Dewordt ingetrokken. 2 Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 Deblijft van toepassing op belastbare feiten in de zin van de wet, zoals die op 31 december 2009 luidde, die zich hebben voorgedaan voor 1 januari 2010. 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 01-01-2010
Artikel 14 — Artikel 14 Inwerkingtreding#
Artikel 14 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 01-01-2010
Artikel 15 — Artikel 15 Citeertitel#
Artikel 15 Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting. 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 2009 20619 31-12-2009 17-12-2009 DB2009-175 01-01-2010