Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2012, nr. Minbuza-2012.7941, houdende beperkende maatregelen jegens Iran (Sanctieregeling Iran 2012)
- BWB-id
- BWBR0031496
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-03-06
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0031496
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2012/sanctieregeling-iran-2012
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2012/sanctieregeling-iran-2012/2026-03-06
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0031496&g=2026-03-06
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0031496&z=2026-06-06&g=2026-03-06
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0031496/2026-03-06
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2012/sanctieregeling-iran-2012
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Verordening (EU) nr. 267/2012 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 4, artikel 4 bis, eerste lid, artikel 4 ter, artikel 4 quater, artikel 5, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 10 bis, eerste lid, artikel 10 ter, artikel 10 quinquies, eerste lid, artikel 10 sexties, artikel 11, eerste lid, artikel 13, eerste lid, artikel 14 bis, eerste lid, artikel 15, eerste lid, artikel 15 bis, eerste lid, artikel 15 ter, eerste lid, artikel 16, artikel 17, eerste, tweede en vierde lid, artikel 18, eerst lid, artikel 22, artikel 23, eerste tot en met vierde lid, artikel 29, eerste lid, tweede volzin, artikel 30, eerste, derde, vijfde en zesde lid, artikel 30 bis, eerste en derde lid, artikel 30 ter, tweede lid, artikel 31, eerste lid, artikel 33, eerste en tweede lid, artikel 34, artikel 35, eerste en vierde lid, artikel 36, eerste en tweede lid, artikel 37, eerste, tweede en derde lid, artikel 37 bis, artikel 37 ter, eerste lid, artikel 40, eerste lid, en artikel 41 vanvan de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 (Pb L 88). 2 Verordening (EU) nr. 267/2012 Het verbod als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 3, tweede lid, artikel 5, tweede lid, artikel 6, artikel 7, eerste lid, artikel 10, eerste of tweede lid, artikel 10 quater, eerste of tweede lid, artikel 10 septies, artikel 12, eerste of tweede lid, artikel 14, eerste of tweede lid, artikel 14 bis, tweede lid, artikel 15 bis, derde lid, artikel 15 ter, tweede lid, artikel 15 quater, artikel 19, eerste lid, artikel 20, artikel 21, artikel 23, zevende lid, artikel 24 tot en met artikel 28 bis, artikel 29, tweede lid, artikel 30, tweede lid, artikel 30 ter, eerste of derde lid, artikel 35, tweede of derde lid, artikel 37 ter, tweede lid, artikel 39, of artikel 43 bis, eerste of tweede lid, vanvan toepassing is. 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 06-03-2026
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 1 ter, eerste lid, artikel 1 quater, eerste lid, artikel 2 en artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011 van de Raad van de Europese Unie van 12 april 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen, in verband met de situatie in Iran (Pb L 100). 2 Verordening (EU) nr. 359/2011 Een verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, artikel 7 of artikel 7 bis, eerste of tweede lid, vanvan toepassing is. 2024 31223 27-09-2024 19-09-2024 BZ2403602 2024 31223 27-09-2024 19-09-2024 BZ2403602 28-09-2024
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 Verordening (EU) nr. 2023/1529 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, artikel 3, artikel 3 septies, tweede lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, vanvan de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne (PbEU 2023, L 186). 2 Verordening (EU) nr. 2023/1529 Een verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien artikel 2, derde lid, vierde of zevende lid, artikel 2 bis, derde lid, artikel 3 bis, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 quater bis, eerste of tweede lid, artikel 3 quinquies, artikel 3 sexies, eerste en tweede lid, of artikel 3 septies, eerste lid, vanvan toepassing is. 2025 18591 03-06-2025 23-05-2025 BZ2516433 2025 18591 03-06-2025 23-05-2025 BZ2516433 04-06-2025
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Verordening (EU) nr. 267/2012 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede, vijfde en zesde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, artikel 37, derde lid, en artikel 37 ter, tweede lid, van, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. 2 Verordening (EU) nr. 267/2012 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de Minister van Financiën, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. 2a Verordening (EU) nr. 267/2012 Verordening (EU) nr. 267/2012 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 14, eerste lid, van, is de Minister van Economische Zaken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 43 bis, eerste en tweede lid, van, is de Minister van Klimaat en Groene Groei. 2b Verordening (EU) nr. 267/2012 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, artikel 20 en artikel 21 van, is de Minister van Financiën of de Minister van Economische Zaken, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. 2c Verordening (EU) nr. 267/2012 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 19, eerste lid, en artikel 39 van, is de Minister van Financiën, de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Zaken of de Minister of de Minister van Economische Zaken, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. 3 Verordening (EU) nr. 267/2012 Verordening (EU) nr. 267/2012 Verordening (EU) nr. 267/2012 De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 24 tot en met 28 bis, van, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen en de Minister van Financiën wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 29, eerste lid, artikel 30, derde en vijfde lid, artikel 30 bis, eerste en derde lid, artikel 30 ter, eerste en derde lid, en artikel 31, eerste lid, van, is de Minister van Financiën. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 30, zesde lid, van, is de Financial Intelligence Unit – Nederland. 4 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën. 5 artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, derde lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de inspecteur, bedoeld in, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. 6 Verordening (EU) nr. 267/2012 artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 Verordening (EU) nr. 267/2012 Verordening (EU) nr. 267/2012 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van, is, afhankelijk van de aard van de informatie, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de inspecteur, bedoeld in, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel de Minister van Financiën, met dien verstande dat instellingen als bedoeld inde informatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, vanverstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, vanverstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 40 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken. 7 artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 1 bis, tweede lid, en artikel 1 ter, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 1 quater, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de inspecteur, bedoeld in, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. 8 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, tweede lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden de Minister van Financiën. 9 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van economische middelen de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. 10 Verordening (EU) nr. 359/2011 De bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 7 bis, tweede en derde lid, en artikel 9, eerste lid, vanzijn, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekt: – de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; – de Minister van Financiën. 11 Verordening (EU) nr. 2023/1529 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, artikel 3 bis, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 sexies, tweede en derde lid, en artikel 5, eerste lid, van, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft een goederentransactie, een transactie met betrekking tot technische bijstand of tussenhandeldiensten, informatie of kennisgevingen over deze onderwerpen. 12 Verordening (EU) nr. 2023/1529 artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 Verordening (EU) nr. 2023/1529 Verordening (EU) nr. 2023/1529 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid, artikel 3 bis, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 quinquies, eerste lid, artikel 3 sexies, tweede en derde lid, en artikel 5, eerste lid, van, is de Minister van Financiën voor zover het betreft financieringen, financiële bijstand, financiële diensten of transacties en informatie of kennisgevingen over deze onderwerpen, met dien verstande dat instellingen als bedoeld inde informatie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, vanverstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, vanverstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 5 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken. 12a De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater bis, eerste lid, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater bis, tweede lid, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 septies, tweede lid, is, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp of de Minister van Financiën. 13 Verordening (EU) nr. 2023/1529 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van, is de Minister van Financiën voor zover het betreft tegoeden, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor zover het betreft vastgoed, inclusief bedrijfspanden, de Minister van Economische Zaken en Klimaat voor zover het betreft niet-beursgenoteerde ondernemingen, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft kunst- en cultuurobjecten en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor zover het betreft vaar- en luchtvaartuigen. 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 06-03-2026
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 06-03-2026
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Het is verboden om gespecialiseerde kennis die rechtstreeks of middellijk bijdraagt of kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Iran aan te bieden aan personen die niet beschikken over een ontheffing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft onderwijs en onderzoek aan een rechtspersoon die een in deopgenomen instelling of academisch ziekenhuis in stand houdt of is. 2 artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Het verbod, bedoeld in het eerste lid, strekt zich niet uit tot de verstrekking van kennis in het kader van bacheloropleidingen en associate degree-opleidingen als bedoeld in. 3 bijlage In de bij deze regeling behorendewordt vermeld op welke gebieden van onderwijs en onderzoek het verbod, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft. 4 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleent de gevraagde ontheffing tenzij hij het risico onaanvaardbaar groot acht dat het aanbieden van de bedoelde kennis aan de persoon voor wie de ontheffing is gevraagd, zal bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Iran. 5 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid. 6 Voor zover deze noodzakelijk zijn voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kunnen bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt. 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 06-03-2026 Artikel II van Stcrt. 2026/8587 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 5 Een rechtspersoon die een in deopgenomen instelling of academisch ziekenhuis in stand houdt of is, verstrekt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen over wijzigingen in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek die van belang kunnen zijn voor de toepassing van. 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 2026 8587 05-03-2026 26-02-2026 BZ2625435 06-03-2026
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Sanctieregeling Iran 2010 Dewordt ingetrokken. 2012 8001 25-04-2012 17-04-2012 Minbuza-2012.7941 2012 8001 25-04-2012 17-04-2012 Minbuza-2012.7941 26-04-2012
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Iran 2012. 2023 28312 31-10-2023 02-06-2023 Min-Buza.2023.15336-25 2023 28312 31-10-2023 02-06-2023 Min-Buza.2023.15336-25 01-11-2023
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2012 8001 25-04-2012 17-04-2012 Minbuza-2012.7941 2012 8001 25-04-2012 17-04-2012 Minbuza-2012.7941 26-04-2012
Artikel 5#
artikel 5, derde lid