Regeling van de Minister van Economische Zaken van 7 december 2012, nr. WJZ/12346914, houdende regels met betrekking tot dierlijke producten (Regeling dierlijke producten)
- BWB-id
- BWBR0032462
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-04-17
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0032462
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2013/regeling-dierlijke-producten
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2013/regeling-dierlijke-producten/2026-04-17
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0032462&g=2026-04-17
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0032462&z=2026-06-06&g=2026-04-17
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0032462/2026-04-17
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2013/regeling-dierlijke-producten
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1 In deze regeling wordt verstaan onder: – besluit: Besluit dierlijke producten ; – minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; – verordening (EG) nr. 999/2001: verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG 2001 L 147); – verordening (EU) nr. 2018/848: verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150); – verordening (EU) 2015/1375: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1375 van de Commissie van 10 augustus 2015 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees (PB EU 2015, L 212). 2 artikelen 1A1, derde lid 3.6 van het Besluit dierlijke producten Deze regeling berust mede op de, en. 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 01-10-2025
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Minister bevoegde instantie EU-verordeningen#
Artikel 1.2 Minister bevoegde instantie EU-verordeningen 1 artikel 6.3, tweede lid, van de wet artikelen 2.1 2.7 3.1 van het besluit Onverminderdis de minister bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van een EU-verordening als bedoeld in de,ofdat een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit. 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien in deze regeling anders is bepaald. 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 16-12-2015
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: – verordening (EG) nr. 178/2002: verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsvoorschriften (PbEG 2002 L 31); – verordening (EG) nr. 852/2004: verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU 2004 L 139); – verordening (EG) nr. 2073/2005: verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (PbEU 2005 L 338); – verordening (EG) nr. 2074/2005: verordening (EG) nr. 2074/2005 Verordening (EG) nr. 853/2004 Verordeningen (EG) nr. 854/2004 (EG) nr. 882/2004 Verordening (EG) nr. 852/2004 Verordeningen (EG) nr. 853/2004 (EG) nr. 854/2004 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor bepaalde producten die ondervallen en voor de organisatie van officiële controles overeenkomstig deen, tot afwijking vanen tot wijziging vanen(PbEG 2005 L 338); – verordening (EU) nr. 2017/625: Verordeningen (EG) nr. 999/2001 (EG) nr. 396/2005 (EG) nr. 1069/2009 (EG) nr. 1107/2009 nr. 1151/2012 nr. 652/2014 2016/429 2016/2031 (EG) nr. 1/2005 (EG) nr. 1099/2009 98/58/EG 1999/74/EG 2007/43/EG 2008/119/EG 2008/120/EG (EG) nr. 854/2004 (EG) nr. 882/2004 89/608/EEG 89/662/EEG 90/425/EEG 91/496/EEG 96/23/EG 96/93/EG 97/78/EG 92/438/EEG verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoeder-wetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plant-gezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de,,,, (EU), (EU), (EU)en (EU)van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningenenvan de Raad en de Richtlijnen,,,envan de Raad, en tot intrekking van de Verordeningenenvan het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen,,,,,envan de Raad en Besluitvan de Raad (verordening officiële controles) (PbEU 2017 L 95); – gedelegeerde verordening (EU) nr. 2019/624: gedelegeerde verordening (EU) 2019/624 van de Commissie van 8 februari 2019 betreffende specifieke voorschriften voor de uitvoering van officiële controles van de productie van vlees en voor de productie- en de heruitzettingsgebieden van levende tweekleppige weekdieren overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 131); – verordening (EU) 2019/627: Verordening (EG) nr. 2074/2005 uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 van de Commissie van 15 maart 2019 tot vaststelling van eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging vanvan de Commissie wat officiële controles betreft (Pb EU 2019, L 131). 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Toepassingsbereik#
Artikel 2.2 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven als bedoeld in sectie I tot en met IV van bijlage III bij verordening (EG) nr. 853/2004. 2020 35890 06-07-2020 26-06-2020 WJZ/20160301 2020 35890 06-07-2020 26-06-2020 WJZ/20160301 07-07-2020
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Officiële dierenarts#
Artikel 2.3 Officiële dierenarts Vervallen 2019 61285 11-11-2019 02-11-2019 WJZ/19132632 2019 61285 11-11-2019 02-11-2019 WJZ/19132632 14-12-2019
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Verbodsbepalingen EU-verordeningen#
Artikel 2.4 Verbodsbepalingen EU-verordeningen 1 artikel 6.2, eerste lid, van de wet Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld inzijn: a. verordening (EG) nr. 999/2001 artikel 8, derde lid, en bijlage V, punten 7, 8.1 en 11.3, bij; b. verordening (EG) nr. 178/2002 de artikelen 14, 17, eerste lid, 18 en 19 van; c. verordening (EG) nr. 852/2004 de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van; d. verordening (EG) nr. 853/2004 de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van; e. verordening (EG) nr. 2073/2005 de artikelen 3, 4, 5, eerste lid, tweede lid, eerste alinea, en vierde en vijfde lid 7, eerste, tweede en vierde lid, en 9 van; f. verordening 2015/1375 de artikelen 2, 4, en 9; g. de artikelen 12, vierde lid, en 43, zesde lid, tweede alinea, eerste volzin, van verordening (EU) nr. 2019/627. 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien een bepaalde handeling of toestand in deze paragraaf of door middel van een ontheffing is toegestaan en is voldaan aan daarbij gestelde voorwaarden. 2022 11474 29-04-2022 21-04-2022 WJZ/22140354 2022 11474 29-04-2022 21-04-2022 WJZ/22140354 30-04-2022
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Aanvullende verbodsbepaling#
Artikel 2.5 Aanvullende verbodsbepaling Vervallen 2016 55215 20-10-2016 11-10-2016 WJZ/16148718 2016 55215 20-10-2016 11-10-2016 WJZ/16148718 01-01-2017
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Vrijstellingen#
Artikel 2.6 Vrijstellingen Het is toegestaan, met toepassing van: a. verordening (EG) nr. 999/2001 bijlage V, onderdeel 4.3, aanhef en onder a, van, ruggenmerg van schapen en geiten te verwijderen in daarvoor erkende uitsnijderijen; b. verordening (EG) nr. 999/2001 bijlage V, onderdeel 9, van, kopvlees van runderen te verzamelen in daarvoor erkende uitsnijderijen, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in dat onderdeel; c. verordening (EG) nr. 2017/625 artikel 18, derde lid, vanen artikel 14 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 2019/624, dat personeel van een slachthuis bijstand verleent bij de officiële controles. 2019 61285 11-11-2019 02-11-2019 WJZ/19132632 2019 61285 11-11-2019 02-11-2019 WJZ/19132632 14-12-2019
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Gids voor goede praktijken#
Artikel 2.7 Gids voor goede praktijken Vervallen 2019 64181 26-11-2019 16-11-2019 WJZ/19014494 2019 64181 26-11-2019 16-11-2019 WJZ/19014494 27-11-2019
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Keuring vervoermiddel#
Artikel 2.8 Keuring vervoermiddel Vervallen 2018 38015 06-07-2018 30-06-2018 WJZ/17027562 2018 38015 06-07-2018 30-06-2018 WJZ/17027562 07-07-2018
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Herkeuring#
Artikel 2.9 Herkeuring 1 artikel 2.5, eerste lid, van het besluit De minister beslist op een aanvraag tot herkeuring als bedoeld in. 2 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend: a. artikel 2.5, eerste lid, van het besluit binnen 12 uur na afloop van de dag waarop de beslissing met betrekking tot het vlees, bedoeld inis genomen; b. indien op de dag, bedoeld in onderdeel a, een zondag of een of meer erkende feestdagen volgt of volgen, binnen 12 uur na afloop daarvan, of c. artikel 2.5, eerste lid, van het besluit onmiddellijk na de beslissing met betrekking tot het vlees, bedoeld in, indien het organen of delen van organen betreft. 3 Herkeuring wordt verricht door een andere officiële dierenarts dan degene die de oorspronkelijke keuring heeft uitgevoerd. 2016 55215 20-10-2016 11-10-2016 WJZ/16148718 2016 55215 20-10-2016 11-10-2016 WJZ/16148718 01-01-2017
Artikel 2.9a — Artikel 2.9a Regels gekwalificeerde personen#
Artikel 2.9a Regels gekwalificeerde personen 1 artikel 2.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit De in artikel 2.5a, eerste lid, van het besluit bedoelde gegevens worden geregistreerd binnen tien werkdagen na de ontvangst van het bewijs, bedoeld in. 2 artikel 2.5a, derde lid, onderdeel a, van het besluit Een gekwalificeerd persoon als bedoeld inverzoekt de minister, binnen een maand nadat deze voor de eerste keer met de werkzaamheden als gekwalificeerd persoon is aangevangen, tot het registreren van de gegevens, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het besluit. Het verzoek wordt schriftelijk of per e-mail ingediend bij: De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit Team Voedselveiligheid Vleesketens Afdeling Toezichtontwikkeling & Innovatie Postbus 43006 3540 AA Utrecht email: [email protected] 3 artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, gaat zo mogelijk vergezeld van bewijsstukken dat de verzoeker beschikt over de kennis, bedoeld in. 4 artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel a, van het besluit De inbedoelde gegevens worden binnen tien werkdagen na de ontvangst van het bewijs, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel a, van het besluit gemeld in het register. 5 artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, van het besluit Een wijziging in de gegevens, bedoeld in, wordt binnen vijf werkdagen gemeld in het register. 6 artikel 2.5a, eerste tot en met derde lid, van het besluit De gegevens, bedoeld inworden in het register bewaard tot vier jaar nadat de gekwalificeerde persoon deze gegevens in het register heeft geregistreerd, respectievelijk gemeld dan wel tot vier jaar nadat de minister de gegevens op een verzoek als bedoeld in het tweede lid heeft geregistreerd. 7 artikel 2.5a, vierde lid, van het besluit De periode, bedoeld in het zesde lid, wordt met vier jaar verlengd, vanaf het moment dat de registratie van de gekwalificeerde persoon op grond vanis doorgehaald. 2025 6527 20-03-2025 10-03-2025 WJZ/37394856 2025 390 26-11-2025 27-10-2025 27-11-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 18
november 2024, houdende een wijziging van het Besluit dierlijke
producten in verband met nadere regelgeving over gekwalificeerde
personen in werking treedt (Stb. 2024, 405).
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 Begripsbepalingen#
Artikel 2.10 Begripsbepalingen In hoofdstuk 2, paragraaf 2, wordt verstaan onder: – aangewezen instelling: artikel 12, eerste lid, van de Metrologiewet instantie als bedoeld in; – erkende keurder: artikel 11, eerste lid, van de Metrologiewet natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan een erkenning als bedoeld inis verleend; – essentiële wijziging in de vloeistofmeetinstallatie: wijziging die de meetfunctie kan beïnvloeden, waaronder wijziging van: a. de melkpomp, indien dit een verandering in de opzuigcapaciteit tot gevolg heeft; b. de luchtafscheider, indien het een wijziging van het binnenwerk dan wel een vervanging van de gehele luchtafscheider betreft; c. de melkinhoud, indien dit een wijziging van de basishoeveelheid tot gevolg heeft, of d. de melkmeter, indien het een verandering in de meter dan wel een vervanging van de meter betreft; – geslachte kippen: geslachte kippen, met inbegrip van delen daarvan en eetbare bijproducten, alsmede producten op basis van geslachte kippen; – gewijzigde rijdende melkontvangst: rijdende melkontvangst waarbij een essentiële wijziging in de vloeistofmeetinstallatie is aangebracht; – handboek: door Stichting COKZ goedgekeurde gids voor goede praktijken; – herkeuring: artikel 7 van de Metrologiewet overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld invan een afgekeurde rijdende melkontvangst; – in onderzoek nemen: registreren van de ontvangst door een melkcontrolestation; – keuring: artikel 7 van de Metrologiewet overeenstemmingsbeoordeling van in gebruik genomen meetinstrumenten als bedoeld in; – kippen: pluimvee behorend tot de soort Gallus domesticus waarbij de punt van het borstbeen nog buigzaam is; – koemelk: het door het melken van een of meer koeien verkregen product, zonder dat daaraan stoffen zijn toegevoegd of onttrokken; – legkip: legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren; – melkcontrolestation: laboratorium dat onderzoek naar de kwaliteit of de samenstelling van boerderijmelk uitvoert; – rijdende melkontvangst: mobiele installatie met vloeistofmeetinstallatie voor melk die wordt gebruikt voor het ophalen van boerderijmelk; – traaggroeiend pluimveeras: pluimveeras waarvan de daartoe behorende dieren gemiddeld met ten hoogste 40 gram per dag groeien; – verordening (EG) nr. 1760/2000: verordening (EG) nr. 1760/2000 Verordening (EG) nr. 820/97 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking vanvan de Raad (PbEG 2000 L 204); – verordening (EU) nr. 1151/2012 : verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2012, L 343); – verordening (EG) nr. 543/2008: verordening (EG) nr. 543/2008 Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voorvan de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEU 2008 L 157); – verordening (EG) nr. 543/2008: verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (Pb EU 2008, L 157). – verordening (EG) nr. 566/2008: verordening (EG) nr. 566/2008 Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Commissie van 18 juni 2008 tot vaststelling van de uitvoeringsbesluiten voorvan de Raad wat betreft de afzet van vlees van runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden (PbEU 2008 L 160); – verordening (EG) nr. 617/2008: verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie van 27 juni 2008 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor broedeieren en kuikens van pluimvee (PbEU 2008, L 168); – verordening (EU) 2023/2465: verordening (EU) 2023/2465 Verordening (EU) nr. 1308/2013 Verordening (EG) nr. 589/2008 Gedelegeerdevan de Commissie van 17 augustus 2023 tot aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad wat betreft handelsnormen voor eieren, en tot intrekking vanvan de Commissie; – verordening (EU) 2023/2466: Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2466 Verordening (EU) nr. 1308/2013 van de Commissie van 17 augustus 2023 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voorvan het Europees Parlement en de Raad wat betreft handelsnormen voor eieren; – verordening (EU) nr. 1169/2011: Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (Pb EU 2011 L 304); – verordening (EU) nr. 1308/2013: verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); – vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees; – vloeistofmeetinstallatie voor melk: meetinstallatie als bedoeld in bijlage MI-005 bij richtlijn 2004/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten (PbEU 2004 L 135) bedoeld voor de meting van de bij melkveehouders in te nemen hoeveelheid melk; – weegcontrole: vaststelling van het gewicht van ingenomen melk met een weegbrug of weegtank na beëindiging van de melkrit. 2026 14392 16-04-2026 10-04-2026 WJZ/85901789 2026 14392 16-04-2026 10-04-2026 WJZ/85901789 17-04-2026
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 Bevoegdheid Stichting COKZ en Stichting Skal#
Artikel 2.11 Bevoegdheid Stichting COKZ en Stichting Skal artikel 2.10 van het besluit De onderwerpen, bedoeld in, zijn: a. voor Stichting COKZ: de bescherming van kwaliteitsaanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen van dierlijke oorsprong, handelsnormen voor eieren en vlees van pluimvee, zuigelingenvoeding bestemd voor derde landen, boerderijmelk, nationale kwaliteitsvoorschriften voor kaas en nationale voorschriften over de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen; b. voor Stichting Skal: de biologische productiemethode. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 01-01-2015
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 Stichting Skal#
Artikel 2.12 Stichting Skal artikelen 15 16, tweede lid 18 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 verordening (EU) 2017/625 De Stichting Skal is belast met de overeenkomstig de,, enaan Stichting Skal opgedragen taken van verordening (EU) nr. 2018/848 en. 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 2.13 — Artikel 2.13 Verbodsbepaling#
Artikel 2.13 Verbodsbepaling artikel 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 Het is overeenkomstigverboden bij het in de handel brengen of etiketteren van of reclame maken voor producten te verwijzen naar de biologische productiemethode, bedoeld in verordening (EU) nr. 2018/848 en het logo, bedoeld in artikel 33 van die verordening, tenzij is voldaan aan de voorschriften bij of krachtens verordening (EU) nr. 2018/848 en van deze paragraaf. 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 2.14 — Artikel 2.14 Deelname controlesysteem#
Artikel 2.14 Deelname controlesysteem 1 artikel 15, aanhef en onderdeel b, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 De melding, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2018/848 wordt overeenkomstiggedaan bij Stichting Skal. 2 artikel 2, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 verordening (EU) 2018/848 verordening (EU) 2018/848 Overeenkomstigzijn exploitanten die onverpakte biologische producten, met uitzondering van diervoeders, direct aan de eindconsument of eindgebruiker verkopen vrijgesteld van de toepassing van artikel 34, eerste lid, van, mits ze voldoen aan artikel 35, achtste lid, van. 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 2.15 — Artikel 2.15 Aanvragen vergunningen en ontheffingen#
Artikel 2.15 Aanvragen vergunningen en ontheffingen Vervallen 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 16-12-2015
Artikel 2.16 — Artikel 2.16 Ontheffingen#
Artikel 2.16 Ontheffingen 1 verordening (EU) 2018/848 De Stichting Skal kan op aanvraag toestemming geven voor het aanbinden van dieren in bedrijven met ten hoogste tien runderen (inclusief jonge dieren), overeenkomstig bijlage II, deel II, punt 1.7.5, van. 2 verordening (EU) 2018/848 De Stichting Skal kan op aanvraag toestemming geven voor het binnenbrengen van niet-biologische dieren overeenkomstig bijlage II, deel II, punt 1.3.4, vanof andere ingevolge dat punt toegestane beschikkingen nemen. 3 verordening (EU) 2018/848 hoofdstuk 2 van het Besluit diergeneeskundigen verordening (EU) 2018/848 De Stichting Skal kan op aanvraag toestemming geven voor de ingrepen die zijn genoemd in bijlage II, deel II, punt 1.7.8, vanonverminderd het bepaalde inen onder de inopgenomen voorwaarden en beperkingen. 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 2.17 — Artikel 2.17 Veebezetting#
Artikel 2.17 Veebezetting bijlage D, tabel IB, deel 2 bijlage D, tabel IA, kolom B, bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet Het aantal vee-eenheden, bedoeld in bijlage II, deel II, punt 1.6.7, van verordening (EU) nr. 2018/848, bedraagt 170 gedeeld door de hoeveelheid stikstof zoals die voor de desbetreffende diercategorie is opgenomen in, of indien de desbetreffende diercategorie daarin ontbreekt, in. 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 2.18 — Artikel 2.18 Uitlopen pluimvee#
Artikel 2.18 Uitlopen pluimvee De duur van de periode waarin de uitlopen van pluimveestallen leeg moeten blijven, bedoeld in bijlage II, deel II, punt 1.9.4.4, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2018/848 bedraagt telkens na het houden van een koppel 30 dagen. 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 2.19 — Artikel 2.19 Stichting COKZ#
Artikel 2.19 Stichting COKZ De Stichting COKZ is ten aanzien van nationale productdossiers voor zuivelproducten, eieren en vlees van pluimvee verantwoordelijk voor de controles met betrekking tot de in verordening (EU) nr. 1151/2012 gestelde verplichtingen en voor de verificatie inzake de inachtneming van productdossiers voordat een product op de markt wordt gebracht. 2013 55 02-01-2013 21-12-2012 WJZ/12383163 2013 55 02-01-2013 21-12-2012 WJZ/12383163 03-01-2013
Artikel 2.20 — Artikel 2.20 Verbodsbepalingen EU-verordeningen#
Artikel 2.20 Verbodsbepalingen EU-verordeningen artikel 6.2, eerste lid, van de wet Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld inzijn de bij of krachtens de artikelen 12, 13, 14, 15, 23, 24 en 33 van verordening (EU) nr. 1151/2012 gestelde voorschriften. 2013 55 02-01-2013 21-12-2012 WJZ/12383163 2013 55 02-01-2013 21-12-2012 WJZ/12383163 03-01-2013
Artikel 2.21 — Artikel 2.21 In Nederland ingediende aanvraag tot registratie of wijziging productdossier#
Artikel 2.21 In Nederland ingediende aanvraag tot registratie of wijziging productdossier 1 De minister geeft kennis van een aanvraag tot registratie als bedoeld in artikel 49 van verordening (EU) nr. 1151/2012 en een verzoek tot niet-minimale wijziging van een productdossier als bedoeld in artikel 53 van verordening (EU) nr. 1151/2012 in de Staatscourant. 2 Binnen vier weken na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, kan een belanghebbende als bedoeld in artikel 49, derde lid, van verordening (EU) nr. 1151/2012 bedenkingen tegen de aanvraag of het verzoek kenbaar maken bij de minister. 3 Indien de aanvraag tot registratie of het verzoek tot wijziging of annulering aan de voorschriften van verordening (EU) nr. 1151/2012 voldoet, zendt de minister deze door naar de Europese Commissie. 4 Indien de minister besluit tot doorzending van een aanvraag tot registratie of van een verzoek tot niet-minimale wijziging van een productdossier, wordt dit besluit tezamen met de versie van het productdossier waarop het besluit betrekking heeft, gepubliceerd in de Staatscourant. 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 16-12-2015
Artikel 2.22 — Artikel 2.22 Door Europese Commissie voorgenomen registratie, wijziging of annulering#
Artikel 2.22 Door Europese Commissie voorgenomen registratie, wijziging of annulering 1 De Minister geeft kennis van een door de Europese Commissie voorgenomen of ingeschreven registratie, wijziging van een productdossier of annulering van een registratie onmiddellijk na publicatie daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie in de Staatscourant. 2 Binnen 8 weken na de datum van publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie kan een belanghebbende als bedoeld in artikel 51, eerste lid, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 1151/2012 bedenkingen tegen een voorgenomen registratie als bedoeld in artikel 49 van verordening (EU) nr. 1151/2012 of niet-minimale wijziging van een productdossier als bedoeld in artikel 53 van verordening (EU) nr. 1151/2012 kenbaar maken door middel van toezending van een gemotiveerde verklaring aan de minister. 3 De minister betrekt de verklaring, bedoeld in het tweede lid, bij de overweging omtrent het instellen van bezwaar tegen een registratie of niet-minimale wijziging van een productdossier bij de Europese Commissie als bedoeld in artikel 51 van verordening (EU) nr. 1151/2012. 2014 17848 26-06-2014 20-06-2014 WJZ/14076118 2014 17848 26-06-2014 20-06-2014 WJZ/14076118 27-06-2014
Artikel 2.23 — Artikel 2.23 Stichting COKZ#
Artikel 2.23 Stichting COKZ verordening (EU) 2023/2465 verordening (EU) 2023/2466 De Stichting COKZ is bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van verordening (EG) nr. 543/2008,ofdat een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst. 2026 14392 16-04-2026 10-04-2026 WJZ/85901789 2026 14392 16-04-2026 10-04-2026 WJZ/85901789 17-04-2026
Artikel 2.24 — Artikel 2.24#
Artikel 2.24 1 artikel 6.2, eerste lid, van de wet Voorschriften als bedoeld in, zijn: a. artikel 78, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van verordening (EU) nr. 1308/2013, in samenhang met bijlage VII, deel I, onderdelen II, III, IV en V, bij die verordening, en de artikelen 3, 4 en 5 van verordening (EG) nr. 566/2008; b. artikel 78, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van verordening (EU) nr. 1308/2013, in samenhang met bijlage VII, deel V, onderdeel III, bij die verordening, en de artikelen 3 tot en met 20 van verordening (EG) nr. 543/2008; c. verordening (EU) 2023/2465 verordening (EU) 2023/2466 artikel 78, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van verordening (EU) nr. 1308/2013, in samenhang met bijlage VII, deel VI, onderdelen II en III, bij die verordening, de artikelen 3, 4, eerste en tweede lid, 5 tot en met 7, 8, eerste en vijfde lid, 9, 11, eerste, tweede en vierde lid, 12 tot en met 17, 22, derde en vierde lid, en 23, tweede lid, vanen de artikelen 3, eerste lid, eerste alinea, en derde lid, 4 tot en met 8 en 9, derde lid, tweede alinea, van; d. de artikelen 3, eerste en tweede lid, vierde lid en zesde tot en met achtste lid, 5, 6, onderdelen a en c, 7 en 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008; e. artikel 11, aanhef en tweede streepje, van verordening (EG) nr. 1760/2000. 2 Het is verboden vlees van runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden in niet-voorverpakte vorm in de detailhandel aan te bieden aan de eindverbruiker, tenzij is voldaan aan bijlage VII, deel I, onderdeel IV, eerste lid, bij verordening (EU) nr. 1308/2013. 2026 14392 16-04-2026 10-04-2026 WJZ/85901789 2026 14392 16-04-2026 10-04-2026 WJZ/85901789 17-04-2026
Artikel 2.25 — Artikel 2.25 Temperatuur vers pluimveevlees#
Artikel 2.25 Temperatuur vers pluimveevlees Indien nodig voor het snijden en behandelen van vers vlees van pluimvee mag, in afwijking van de in bijlage VII, deel V, onderdeel II, subonderdeel 2, bij verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde temperatuurvoorschriften, de temperatuur van dat vlees gedurende een periode van ten hoogste 24 uur omlaag worden gebracht tot een temperatuur die niet lager is dan -8°C in de kern, in: a. detailhandelszaken of in aan verkooppunten grenzende lokalen, waar het vlees uitsluitend wordt versneden en behandeld om het ter plaatse rechtsreeks aan de consument te kunnen leveren, en b. de fabriek tijdens de productie van bereidingen op basis van vers vlees van pluimvee. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.25a — Artikel 2.25a Gegevens broederijen#
Artikel 2.25a Gegevens broederijen 1 Een broederij registreert het aantal ingelegde broedeieren, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008, binnen vijf werkdagen na afloop van de betreffende kalendermaand: a. artikel 1.4, derde lid, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren via een elektronisch portaal dat op grond vandoor de minister is aangewezen als elektronisch portaal voor de registratie van die gegevens, of b. bij de minister, voor zover voor de registratie van die gegevens geen aanwijzing als bedoeld in onderdeel a heeft plaatsgevonden. 2 Een broederij als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 617/2008 meldt jaarlijks voor 1 oktober de capaciteit, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de benutting daarvan, voor legpluimvee, vleeskuikens of gemengde productievormen overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b. 3 Het tweede lid is niet van toepassing, indien de gegevens, bedoeld in dat lid, ten opzichte van de vorige melding niet zijn gewijzigd. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 2.26 — Artikel 2.26 Zuigelingenvoeding#
Artikel 2.26 Zuigelingenvoeding Bij de uitvoer van volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding uit Nederland naar een staat die geen lid is van de Europese Unie en geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, wordt, voor zover van toepassing, voldaan aan: a. Warenwetbesluit bijzondere voeding 2016 het; en b. Warenwetbesluit uitvoer van waren het. 2016 35492 08-07-2016 28-06-2016 WJZ/15183699 2016 35492 08-07-2016 28-06-2016 WJZ/15183699 20-07-2016
Artikel 2.27 — Artikel 2.27 Begripsbepaling#
Artikel 2.27 Begripsbepaling In deze paragraaf wordt onder bereiden mede verstaan: het ter rijping in opslag hebben van kaas en het elders dan op de plaats van verkoop aan de verbruiker vermalen, versnijden of raspen en het onmiddellijk verpakken van kaas. 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 01-04-2014
Artikel 2.28 — Artikel 2.28 Goudse kaas#
Artikel 2.28 Goudse kaas 1 Kaas die onder de benaming ‘Goudse kaas’ in de handel gebracht of verhandeld wordt, wordt op zodanige wijze bereid dat is voldaan aan de eigenschappen, bedoeld in het tweede en derde lid. 2 Goudse kaas is: a. halfhard of hard; b. bereid uit koemelk of producten uit koemelk waarbij de verhouding tussen wei-eiwit en caseïne van koemelk niet wordt overstegen; c. ivoor tot geel van kleur; d. platcilindrisch dan wel rechthoekig van vorm; e. bereid uit gepasteuriseerde of hoogverhitte grondstoffen met voor Goudse kaas typische cultures van melkzuur- en aromavormende micro-organismen; f. gezouten door pekelen. 3 Goudse kaas heeft: a. een vetgehalte van ten minste 30% in de droge stof, en b. een vochtgehalte van: 1° ten hoogste 52% bij een vetgehalte van 30% tot 40% in de droge stof; 2°. ten hoogste 48% bij een vetgehalte van 40% tot 48% in de droge stof; 3°. ten hoogste 45% bij een vetgehalte van 48% tot 60% in de droge stof; 4°. ten hoogste 38% bij een vetgehalte van 60% of hoger in de droge stof. 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 01-04-2014
Artikel 2.29 — Artikel 2.29 Edammer kaas#
Artikel 2.29 Edammer kaas 1 Kaas die onder de benaming ‘Edammer kaas’ in de handel gebracht of verhandeld wordt, wordt op zodanige wijze bereid dat is voldaan aan de eigenschappen, bedoeld in het tweede en derde lid. 2 Edammer kaas is: a. halfhard of hard; b. bereid uit koemelk of producten uit koemelk waarbij de verhouding tussen wei-eiwit en caseïne van koemelk niet wordt overstegen; c. ivoor tot geel van kleur; d. afgeplat bolvormig dan wel rechthoekig van vorm; e. bereid uit gepasteuriseerde of hoogverhitte grondstoffen met voor Edammer kaas typische cultures van melkzuur- en aromavormende micro-organismen; f. gezouten door pekelen. 3 Edammer kaas heeft: a. een vetgehalte van ten minste 30% in de droge stof, en b. een vochtgehalte van: 1°. ten hoogste 53% bij een vetgehalte van 30% tot 40% in de droge stof; 2°. ten hoogste 49% bij een vetgehalte van 40% tot 45% in de droge stof; 3°. ten hoogste 45% bij een vetgehalte van 45% tot 50% in de droge stof; 4°. ten hoogste 43% bij een vetgehalte van 50% tot 60% in de droge stof; 5°. ten hoogste 38% bij een vetgehalte van 60% of hoger in de droge stof. 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 01-04-2014
Artikel 2.30 — Artikel 2.30 Commissiekaas#
Artikel 2.30 Commissiekaas 1 Kaas die onder de benaming ‘Commissiekaas’ in de handel gebracht of verhandeld wordt, wordt op zodanige wijze bereid dat is voldaan aan de eigenschappen, bedoeld in het tweede en derde lid. 2 Commissiekaas is: a. halfhard of hard; b. bereid uit koemelk of producten uit koemelk waarbij de verhouding tussen wei-eiwit en caseïne van koemelk niet wordt overstegen; c. oranje tot oranjerood van kleur; d. afgeplat bolvormig dan wel rechthoekig van vorm; e. bereid uit gepasteuriseerde of hoogverhitte grondstoffen met voor Commissiekaas typische cultures van melkzuur- en aromavormende micro-organismen; f. gezouten door pekelen. 3 Commissiekaas heeft: a. een vetgehalte van ten minste 30% in de droge stof, en b. een vochtgehalte van: 1°. ten hoogste 53% bij een vetgehalte van 30% tot 40% in de droge stof; 2°. ten hoogste 49% bij een vetgehalte van 40% tot 45% in de droge stof; 3°. ten hoogste 45% bij een vetgehalte van 45% tot 50% in de droge stof; 4°. ten hoogste 43% bij een vetgehalte van 50% tot 60% in de droge stof; 5°. ten hoogste 38% bij een vetgehalte van 60% of hoger in de droge stof. 4 In plaats van de benaming ‘Commissiekaas’ kan ook de benaming ‘Mimolette’ worden gebruikt. 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 2014 2660 19-02-2014 18-02-2014 WJZ/13011491 01-04-2014
Artikel 2.31 — Artikel 2.31 Vermeldingen van houderijsystemen#
Artikel 2.31 Vermeldingen van houderijsystemen 1 Onverminderd verordening (EG) nr. 543/2008 worden ter aanduiding van het houderijsysteem bij de etikettering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel j, van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van geslachte kippen de vermeldingen: en de overeenkomstige aanduidingen in de andere talen van de Gemeenschap, uitsluitend gebruikt voor zover aan de in deze paragraaf gestelde voorschriften is voldaan. a. ‘Scharrel ... binnengehouden’; b. ‘Scharrel ... met uitloop’; c. ‘Boerenscharrel .... met uitloop’ of ‘Hoeve ... met uitloop’, of d. ‘Boerenscharrel .... met vrije uitloop’ of ‘Hoeve ... met vrije uitloop’, 2 Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing ten aanzien van in Nederland gehouden en geslachte kippen bij de etikettering waarvan de in het eerste lid, genoemde aanduidingen worden gebezigd. 2016 35492 08-07-2016 28-06-2016 WJZ/15183699 2016 35492 08-07-2016 28-06-2016 WJZ/15183699 20-07-2016
Artikel 2.32 — Artikel 2.32 Stallen#
Artikel 2.32 Stallen De kippen worden gehouden in stallen: a. waarin op het grondoppervlak dat de kippen ter beschikking staat ten hoogste twaalf dieren per vierkante meter worden gehouden, met dien verstande dat gedurende de eerste drie levensweken van de kippen ten hoogste vijftien dieren per vierkante meter grondoppervlak worden gehouden; b. waarin het voor de kippen beschikbare grondoppervlak geheel is bedekt met losse blanke houtsnippers, houtkrullen, los stro, los gehakseld stro of ander strooiselmateriaal; c. waarin de voor de kippen bestemde ruimte zodanig is ingericht dat bij een buitensterkte van 1.200 lux minimaal 10 lux aan daglicht beschikbaar is, de totale hoeveelheid licht gemeten op ooghoogte van de dierenoverdag te allen tijde minimaal twintig lux is op ten minste tachtig procent van het oppervlak, een intermitterend verlichtingsschema met perioden korter dan acht uur niet wordt toegepast, geen kunstlicht wordt toegepast gedurende een aaneengesloten periode van acht uur vallende in de avond en in de nacht en het kunstlicht niet afkomstig is van laag frequente TL-verlichting. 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 01-01-2015
Artikel 2.33 — Artikel 2.33 Verzorging#
Artikel 2.33 Verzorging 1 Met ingang van de derde levensweek wordt minimaal twee gram graan per kip per dag toegediend door het dagelijks strooien op het voor de kippen beschikbare grondoppervlak. 2 Met ingang van de tweede levensweek wordt per mestperiode minimaal één stro-, hooi, of luzernebaal verstrekt per duizend kippen, waarbij de balen gelijkmatig over de ruimte worden verdeeld. 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 01-01-2015
Artikel 2.34 — Artikel 2.34 Voeder#
Artikel 2.34 Voeder Vervallen 2022 5044 15-02-2022 08-02-2022 WJZ/21247758 2022 5044 15-02-2022 08-02-2022 WJZ/21247758 01-04-2022
Artikel 2.35 — Artikel 2.35 Uitloop#
Artikel 2.35 Uitloop 1 artikel 2.31, onderdelen b, c en d Bij gebruik van de vermeldingen, genoemd in: a. hebben de kippen ten minste van het einde van de ochtendschemering tot het begin van de avondschemering of ten minste tien uur per dag toegang tot een uitloopruimte in de vrije lucht; b. hebben de toegangsluiken tot de uitloop een minimale lengte per luik van zestig centimeter en een minimale hoogte van dertig centimeter en zijn zij gelijkelijk verdeeld over de kant van de stal waar zich de uitloop bevindt, en c. hebben de kippen toegang tot de uitloop vanaf uiterlijk de 28e levensdag. 2 artikel 2.31, onderdeel b Bij gebruik van de vermelding, genoemd in, mag de bezettingsdichtheid in de stal worden verhoogd tot dertien kippen per vierkante meter. 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 01-01-2015
Artikel 2.36 — Artikel 2.36 Verkoop aan particulieren#
Artikel 2.36 Verkoop aan particulieren Bij verkoop van geslachte kippen aan particulieren: a. worden onverpakte geslachte kippen gescheiden aangeboden, en b. houdt de verkoper een administratie bij waarin tenminste is opgenomen: 1°. het aantal stuks en het nettogewicht van de aangevoerde kippen; 2°. het aantal stuks en het nettogewicht van de verkochte geslachte kippen; 3°. het aantal delen, het soort delen en het nettogewicht van de verkochte delen van geslachte kippen. 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 01-01-2015
Artikel 2.37 — Artikel 2.37 Registratie#
Artikel 2.37 Registratie Een ontvanger van boerderijmelk meldt zich ter registratie aan bij Stichting COKZ onder vermelding van naam, adres, vestigingsplaats, contactpersoon, telefoonnummer, e-mailadres en de hoeveelheid op jaarbasis ontvangen boerderijmelk naar soort boerderijmelk in het afgelopen kalenderjaar. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.38 — Artikel 2.38 Melkkoeltanks#
Artikel 2.38 Melkkoeltanks Een ontvanger van boerderijmelk ontvangt uitsluitend boerderijmelk die is bewaard in een deugdelijke melkkoeltank die is voorzien van een intermitterend roerwerk dat telkens, met een onderbreking van ten hoogste een half uur, de inhoud van de tank tenminste twee minuten roert en waarvan het op adequate wijze functioneren wordt geborgd door middel van een tankwacht voorzien van een visueel waarneembare alarmfunctie. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.39 — Artikel 2.39 Monstername#
Artikel 2.39 Monstername 1 Een ontvanger van boerderijmelk zorgt ervoor dat van elke leverantie boerderijmelk een representatief monster wordt genomen door een ter zake kundig persoon die beschikt over een verklaring van deskundigheid van Stichting COKZ. 2 Een melkveehouder verleent op verzoek van de ontvanger van boerderijmelk medewerking aan de bemonstering van de boerderijmelk. 3 Een ontvanger van boerderijmelk neemt ten aanzien van het nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk de volgende bepalingen in acht: a. de monsterneming heeft plaats uit de melkkoeltank waarin de boerderijmelk wordt bewaard. Voor het te nemen monstervolume worden de aanwijzingen van het melkcontrolestation opgevolgd; b. de monsters zijn duidelijk gekenmerkt; c. de naam van de monsternemer, de herkomst van het monster en de datum en het tijdstip van de bemonstering worden ordelijk geregistreerd; d. voorafgaand aan de monsterneming verifieert de monsternemer de tankwacht op het adequaat functioneren van het roerwerk; wanneer het roerwerk niet aantoonbaar goed heeft gefunctioneerd, wordt de melk voorafgaand aan de monsterneming twee minuten geroerd; e. er worden uitsluitend monsterflessen gebruikt die door het melkcontrolestation ter beschikking worden gesteld; f. een monsterfles en de sluiting daarvan, die gebruikt wordt voor de monsterneming uit de melkkoeltank is schoon, droog en inwendig nagenoeg vrij van kweekbare kiemen; na spoelen van de monsterfles met 5 ml gesteriliseerde melk is het kiemgetal van die melk ten hoogste 10 kiemen per ml; g. de lege monsterflessen worden na ontvangst door de ontvanger van boerderijmelk ordelijk bewaard in een speciaal daarvoor bestemde, niet voor onbevoegden toegankelijke, koele, droge en schone ruimte; h. de monsters boerderijmelk worden nadat ze zijn genomen direct gekoeld en bereiken uiterlijk na één uur een temperatuur van ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C; i. de monsters worden zo snel mogelijk nadat zij zijn genomen geplaatst in een speciaal daarvoor bestemde, niet voor onbevoegden toegankelijke, schone en gekoelde ruimte; j. de monsters boerderijmelk worden bewaard bij een temperatuur van ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C totdat de monsters in onderzoek worden genomen. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.40 — Artikel 2.40 Hoeveelheidsbepaling#
Artikel 2.40 Hoeveelheidsbepaling Een ontvanger van boerderijmelk stelt van iedere leverantie van boerderijmelk de hoeveelheid boerderijmelk vast met een vloeistofmeetinstallatie voor melk. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.41 — Artikel 2.41 Bepaling vet- en eiwitgehalte#
Artikel 2.41 Bepaling vet- en eiwitgehalte 1 Indien een ontvanger van boerderijmelk een melkveehouder uitbetaalt op basis van het vetgehalte of het eiwitgehalte, wordt dit gehalte per leverantie bepaald. 2 artikel 2.39, onderdelen h en j Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor de bepaling van vetgehalte of eiwitgehalte worden, in afwijking van, bewaard bij ten minste 0,0 °C en ten hoogste 8,0 °C en worden binnen 96 uur na de monsterneming in onderzoek genomen. 3 De bepaling van het vetgehalte geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 1211:2010 of een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig die referentiemethode. 4 De bepaling van het eiwitgehalte geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 8968-1:2014 of een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig die referentiemethode. 5 Per kalendermaand neemt Stichting COKZ ten minste twee series monsters voor de uitvoering van heronderzoek naar het vetgehalte en het eiwitgehalte. Per serie worden zes willekeurig gekozen monsters onderzocht. 6 Het gemiddelde verschil en de standaardafwijking bedragen per serie als bedoeld in het vijfde lid voor het door de ontvanger van boerderijmelk bepaalde vetgehalte elk ten hoogste 0,04 procentpunt ten opzichte van de resultaten van door Stichting COKZ uitgevoerd heronderzoek. 7 Het gemiddelde verschil en de standaardafwijking bedragen per serie als bedoeld in het vijfde lid voor het door de ontvanger van boerderijmelk bepaalde eiwitgehalte elk ten hoogste 0,045 procentpunt ten opzichte van de resultaten van door Stichting COKZ uitgevoerd heronderzoek. 8 Het door de ontvanger van boerderijmelk bepaalde vetgehalte of eiwitgehalte verschilt over een periode van een jaar gemiddeld ten hoogste 0,01 procentpunt van de resultaten van door Stichting COKZ uitgevoerd heronderzoek. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.42 — Artikel 2.42 Aantonen van de aanwezigheid van residuen van antibiotica#
Artikel 2.42 Aantonen van de aanwezigheid van residuen van antibiotica 1 Een ontvanger van boerderijmelk onderzoekt iedere leverantie van boerderijmelk op de aanwezigheid van residuen van antibiotica. 2 artikel 2.39, onderdelen h en j Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor onderzoek op residuen van antibiotica worden, in afwijking van, bewaard bij een temperatuur van ten hoogste 8,0°C en worden binnen 96 uur na de monsterneming in onderzoek genomen. Gedurende een periode van ten hoogste 24 uur kan de temperatuur ten hoogste 20°C bedragen. 3 Het onderzoek op residuen van antibiotica geschiedt met een screeningsmethode en één of meerdere bevestigingsmethoden ter kwantificering en confirmatie van de identiteit. 4 De gebruikte screeningsmethode en bevestigingsmethoden worden zodanig gekozen en gevalideerd dat op basis van periodieke risicoanalyse de gebruikte antibiotica afdoende worden gedetecteerd. 5 De in het vierde lid bedoelde antibiotica worden minimaal op de voor de betreffende stof vastgelegde EU-maximum residulimiet aangetoond. 6 In geval residuen van antibiotica worden aangetoond wordt ten minste 2 ml van het betreffende monsterrestant tot ten minste drie maanden na de datum van monsterneming bij –20°C of lager bewaard. Dit monsterrestant wordt voorzien van een adequate identificatie. 2021 20211 22-04-2021 12-04-2021 WJZ/21078027 2021 20211 22-04-2021 12-04-2021 WJZ/21078027 01-07-2021
Artikel 2.43 — Artikel 2.43 Bepaling van het kiemgetal#
Artikel 2.43 Bepaling van het kiemgetal 1 De bepaling van het kiemgetal van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 4833-1:2013. 2 Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien: a. de verkregen resultaten worden omgerekend naar een plaatkiemgetal; b. de daartoe benodigde conversievergelijking wordt vastgesteld en onderhouden overeenkomstig NEN-EN-ISO 21187:2005. 3 Het kiemgetal wordt uitgedrukt in kolonievormende eenheden per ml. Voor kiemgetallen boven 999.000 per ml wordt 999.000 per ml vermeld als uitslag. 4 Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor de bepaling van het kiemgetal worden binnen 36 uur na de monsterneming in onderzoek genomen. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.44 — Artikel 2.44 Bepaling van het celgetal van koemelk#
Artikel 2.44 Bepaling van het celgetal van koemelk 1 De bepaling van het celgetal van een leverantie koemelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 13366-1:2008. 2 Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien: a. de herhaalbaarheid van de meting bij 400.000 cellen per ml kleiner is dan 40.000 cellen per ml; b. de standaardafwijking van de verschillen ten opzichte van resultaten met de referentiemethode bij 400.000 cellen per ml kleiner is dan 40.000 cellen per ml. 3 Het celgetal wordt uitgedrukt in cellen per ml. Voor celgetallen boven 9.999.000 per ml wordt 9.999.000 per ml vermeld als uitslag. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.45 — Artikel 2.45 Bepaling van het celgetal van geitenmelk#
Artikel 2.45 Bepaling van het celgetal van geitenmelk 1 De bepaling van het celgetal van een leverantie geitenmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 13366-1:2008. 2 Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien de herhaalbaarheid van de meting bij 1.000.000 cellen per ml kleiner is dan 80.000 cellen per ml. 3 Het celgetal wordt uitgedrukt in cellen per ml. Voor celgetallen boven 9.999.000 per ml wordt 9.999.000 per ml vermeld als uitslag. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.46 — Artikel 2.46 Bepaling van de verontreinigingsgraad#
Artikel 2.46 Bepaling van de verontreinigingsgraad 1 De bepaling van de verontreinigingsgraad van een leverantie boerderijmelk door een ontvanger van boerderijmelk geschiedt met een methode die berust op het filtreren van ten minste 22 en ten hoogste 28 ml melk met een temperatuur van ten minste 35 °C en ten hoogste 39 °C bij een drukverschil van ten minste 25 kPa en ten hoogste 30 kPa. 2 De verontreinigingsgraad wordt vastgesteld na droging van het filter, waarbij een gradatiecijfer wordt toegekend op grond van vergelijking met een periodiek door Stichting COKZ verstrekte grensstandaard. Indien de door een monster veroorzaakte verontreinigingsgraad van het filter groter is dan die van de grensstandaard wordt een gradatiecijfer II toegekend. In andere gevallen wordt een gradatiecijfer I toegekend. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.47 — Artikel 2.47 Bepaling van het vriespunt#
Artikel 2.47 Bepaling van het vriespunt 1 De bepaling van het vriespunt van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 5764:2009. 2 Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien: a. de herhaalbaarheid van de meting kleiner is dan 0,004 °C; b. de standaardafwijking van de verschillen ten opzichte van de resultaten met de referentiemethode kleiner is dan 0,004 °C. 3 Het vriespunt wordt uitgedrukt in °C. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.48 — Artikel 2.48 Bepaling van de aanwezigheid van sporen van boterzuurbacteriën#
Artikel 2.48 Bepaling van de aanwezigheid van sporen van boterzuurbacteriën 1 Het onderzoek van een leverantie boerderijmelk op de aanwezigheid van sporen van boterzuurbacteriën door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig een methode die berust op het doseren van 0,1 ml van de te onderzoeken melk in een testbuis met paraffine en het toevoegen van een medium met gesteriliseerde melk, glucose en melkzuur met een pH van ten minste 5,42 en ten hoogste 5,48. Vervolgens wordt nagegaan of na bebroeding gedurende ten minste 92 en ten hoogste 100 uur zonder luchttoetreding gasvorming is opgetreden in de testbuis. 2 Gasvorming in de testbuis wordt aangeduid met een +, indien geen sprake is van gasvorming wordt dit aangeduid met een –. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.49 — Artikel 2.49 Bepaling van de zuurtegraad van het vet#
Artikel 2.49 Bepaling van de zuurtegraad van het vet 1 De bepaling van de zuurtegraad van het vet van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig een referentiemethode die berust op het doseren van ten minste 29 ml en ten hoogste 33 ml van de te onderzoeken melk in een vetafscheidingsbuis en het mengen met een oplossing die natriumpolyfosfaat en een oppervlakteactieve stof bevat. Het mengsel wordt verwarmd in een kokendwaterbad om het vet vrij te maken. Een afgemeten hoeveelheid van het vet wordt opgelost in een organisch oplosmiddel en vervolgens getitreerd. 2 Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien: a. de herhaalbaarheid van de meting bij een zuurtegraad van ten hoogste 1,5 mmol per 100 g vet kleiner is dan 0,15 mmol per 100 g vet; b. 2 de beoordeling plaatsvindt op basis van het rekenkundig gemiddelde van ten minste n meetresultaten, waarbij n > (de herhaalbaarheid van de meting/0,07). 3 De zuurtegraad van het vet wordt uitgedrukt in mmol per 100 g vet. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.50 — Artikel 2.50 Bepaling van het chloroformgehalte#
Artikel 2.50 Bepaling van het chloroformgehalte 1 artikel 2.35 De bepaling van het chloroformgehalte van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt met een methode die berust op het verwarmen van een hoeveelheid monster in een afgesloten flesje met een septum. Aansluitend wordt een deel van de bovenstaande gasfase in een gaschromatograaf geïnjecteerd. Na scheiding van de gehalogeneerde koolwaterstoffen vindt detectie plaats middels een EC-detector en wordt het chloroformgehalte met behulp van een kalibratiecurve gekwantificeerd. Het gemeten gehalte wordt vervolgens gecombineerd met het overeenkomstigvastgestelde vetgehalte van het monster. 2 Het chloroformgehalte wordt uitgedrukt in milligram chloroform per kilogram vet. 3 Bij een vetgehalte van 4,5% en een chloroformgehalte van 0,2 mg per kg vet is de herhaalbaarheid van de meting kleiner dan 0,02 mg per kg vet. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.51 — Artikel 2.51 Bewaartemperatuur#
Artikel 2.51 Bewaartemperatuur artikelen 2.44 tot en met 2.50 artikel 2.39, onderdelen h en j Monsters boerderijmelk bestemd voor de onderzoeken, bedoeld in de, worden in afwijking van het bepaalde in: a. bewaard bij ten minste 0,0 °C en ten hoogste 8,0 °C en binnen 36 uur na monsterneming in onderzoek genomen of b. bewaard bij ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C en binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek genomen. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.52 — Artikel 2.52 Melkcontrolestation#
Artikel 2.52 Melkcontrolestation 1 artikelen 2.41 tot en met 2.50 Een ontvanger van boerderijmelk draagt er zorg voor dat de onderzoeken, bedoeld in de, worden verricht door een melkcontrolestation dat beschikt over een ter zake deskundige leiding en over een voor het te verrichten onderzoek voldoende outillage en dat voor alle in dit kader relevante onderzoekmethoden geaccrediteerd is volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005. 2 Een melkcontrolestation beschikt over een gedocumenteerd en adequaat functionerend systeem waarmee de kwaliteit van de werkzaamheden wordt geborgd en over een gedetailleerde en actuele beschrijving van de methoden die worden toegepast voor het onderzoek van de samenstelling en kwaliteit van boerderijmelk. 3 De uitslagen van het onderzoek naar samenstelling en kwaliteit worden door het melkcontrolestation vastgelegd op een toegankelijke en overzichtelijke wijze en gedurende ten minste een jaar bewaard. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.53 — Artikel 2.53 Kwaliteitsborging#
Artikel 2.53 Kwaliteitsborging 1 artikelen 2.39 2.40 De ontvanger van boerderijmelk beschikt over een door Stichting COKZ goedgekeurd handboek waarin wordt beschreven op welke wijze het gestelde in deenwordt gerealiseerd, beheerst en geborgd. 2 artikelen 2.41 tot en met 2.50 De ontvanger van boerderijmelk legt het systeem van de uitvoering en beoordeling van de resultaten van de onderzoeken, bedoeld in de, vast. Dit systeem wordt aan de betrokken melkveehouders bekendgemaakt. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.54 — Artikel 2.54 Administratie#
Artikel 2.54 Administratie 1 De ontvanger van boerderijmelk beschikt over een administratie waarin per melkveehouder wordt vastgelegd: a. de hoeveelheid ontvangen boerderijmelk; b. de samenstelling en de kwaliteit van de ontvangen boerderijmelk. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden op overzichtelijke wijze geadministreerd en worden gedurende ten minste één jaar bewaard. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.55 — Artikel 2.55 Gebruik van rijdende melkontvangsten#
Artikel 2.55 Gebruik van rijdende melkontvangsten 1 artikel 2.40 artikelen 2.56 tot en met 2.59 De ontvanger van boerderijmelk die bij de bepaling van de geleverde hoeveelheid boerderijmelk, bedoeld in, gebruik maakt van een rijdende melkontvangst neemt het bepaalde in dein acht. 2 artikelen 2.56 tot en met 2.59 De ontvanger van boerderijmelk, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een handboek waarin wordt beschreven op welke wijze het gestelde in dewordt gerealiseerd, beheerst en geborgd. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.56 — Artikel 2.56 Eisen aan rijdende melkontvangsten#
Artikel 2.56 Eisen aan rijdende melkontvangsten 1 Rijdende melkontvangsten: a. zijn voorzien van een ruimte waarin de monsters diepgekoelde boerderijmelk kunnen worden gekoeld en bewaard op een temperatuur van ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C en b. hebben een ontvangstcapaciteit van ten minste 900 liter. 2 Essentiële wijzigingen in de vloeistofmeetinstallatie voor melk van een rijdende melkontvangst worden geadministreerd. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.57 — Artikel 2.57 Keuring van rijdende melkontvangsten#
Artikel 2.57 Keuring van rijdende melkontvangsten 1 Een ontvanger van boerderijmelk laat de vloeistofmeetinstallatie voor melk van een rijdende melkontvangst ten minste één keer per jaar keuren door een aangewezen instelling of een erkende keurder. 2 Metrologiewet Indien bij een keuring wordt geconstateerd dat de vloeistofmeetinstallatie voor melk niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de, wordt de rijdende melkontvangst binnen acht weken aan een herkeuring onderworpen. 3 Metrologiewet Indien de vloeistofmeetinstallatie voor melk bij herkeuring blijkt te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dewordt de rijdende melkontvangst binnen een periode van zes maanden opnieuw voor keuring aangeboden. Indien de vloeistofmeetinstallatie voor melk bij de herkeuring niet blijkt te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de Metrologiewet, wordt de rijdende melkontvangst pas weer gebruikt voor het vaststellen van de geleverde hoeveelheid boerderijmelk nadat door een aangewezen instelling of een erkende keurder is vastgesteld dat de vloeistofmeetinstallatie voor melk voldoet aan die eisen. De ontvanger van boerderijmelk meldt de afkeuring bij herkeuring onverwijld aan Stichting COKZ. 4 Metrologiewet De resultaten van het keuren, bedoeld in het eerste lid, en de herkeuring, bedoeld in het tweede en derde lid, en de genomen maatregelen om de rijdende melkontvangst na afkeuring in overeenstemming te brengen met het bepaalde bij of krachtens de, worden door de ontvanger van boerderijmelk geregistreerd en gedurende een jaar bewaard. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.58 — Artikel 2.58 Hoeveelheidsbepaling#
Artikel 2.58 Hoeveelheidsbepaling 1 De vaststelling en de notering van het volume van elke melkleverantie vinden plaats in liters. 2 In de data-apparatuur op een rijdende melkontvangst kan het volume van de geleverde boerderijmelk worden omgerekend van liters naar kilogrammen melk, mits op de plaats van inname van de melk het geregistreerde aantal liters en de omrekeningsfactor inzichtelijk zijn. 3 bijlage 3 Indien het volume van de geleverde boerderijmelk wordt omgerekend van liters naar kilogrammen melk geschiedt dit door het aantal liters overeenkomstig een door de ontvanger van boerderijmelk overeenkomstigvast te stellen omrekeningsfactor om te rekenen in kilogrammen, waarbij hoeveelheden tot een halve kg worden afgerond naar beneden en hoeveelheden van een halve tot één kg worden afgerond naar boven. De omrekeningsfactor wordt éénmaal per kalendermaand bepaald en is van toepassing op de daaropvolgende kalendermaand. De ontvanger van boerderijmelk legt vast op welke wijze de objectieve vaststelling van de omrekeningsfactor wordt geborgd. 4 bijlage 3, onderdeel B De gegevens waaruit de omrekeningsfactor wordt afgeleid, worden gedurende ten minste één jaar op het bedrijf van een ontvanger van boerderijmelk bewaard onder vermelding van de datum van bepaling van de omrekeningsfactor en de gemiddelde temperatuur van de melk bij aankomst op de zuivelfabriek. In geval van een uniforme omrekeningsfactor als bedoeld in, omvatten deze gegevens de datum, het aantal liters en kilogrammen en de gevonden omrekeningsfactor voor iedere in gebruik zijnde rijdende melkontvangst. 5 Indien de omrekeningsfactor voor een rijdende melkontvangst kleiner is dan 1,028 of groter is dan 1,035, wordt binnen één week na vaststelling van deze omrekeningsfactor opnieuw de omrekeningsfactor van deze rijdende melkontvangst vastgesteld. Indien de omrekeningsfactor wederom kleiner is dan 1,028 of groter is dan 1,035, wordt de rijdende melkontvangst binnen 10 werkdagen na de tweede weegcontrole voor een keuring bij de erkende keurder aangeboden en wordt hiervan binnen één week na aanbieding melding gemaakt aan Stichting COKZ. 6 bijlage 3, onderdeel A Een gewijzigde rijdende melkontvangst wordt door de ontvanger van boerderijmelk direct aan een weegcontrole onderworpen. Deze weegcontrole wordt uitgevoerd overeenkomstig de in, beschreven werkwijze. Het derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 2.59 — Artikel 2.59 Deskundigheid#
Artikel 2.59 Deskundigheid Degene die door de ontvanger van boerderijmelk wordt belast met het ontvangen en vervoeren van boerderijmelk door middel van een rijdende melkontvangst, is terzake kundig en voert de te verrichten handelingen uit overeenkomstig een door de ontvanger van boerderijmelk opgestelde en door Stichting COKZ goedgekeurde instructie. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – aangewezen dierlijke bijproducten: artikel 3.20 dierlijke bijproducten als bedoeld in; – dierenarts van het centrum: dierenarts als bedoeld in artikel 2, onderdeel 20, van verordening (EU) nr. 2020/686; – kinderboerderij: een voorziening met landbouwhuisdieren waar, met een educatief doel, onder toezicht direct contact van de bezoekers met dieren mogelijk is; – ondernemer: artikel 3.3, eerste lid, van de wet de ondernemer, bedoeld in; – URL: uniform resource locator; – verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr. 1069/2009 Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van(PbEU 2009 L 300); – verordening (EU) nr. 142/2011: Verordening (EG) nr. 1069/2009 Richtlijn 97/78/EG verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering vanvan het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering vanvan de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PbEU 2011 L 54); – verordening (EG) nr. 1523/2007: verordening (EG) nr. 1523/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 houdende een verbod op het in de handel brengen, de invoer naar en de uitvoer uit de Gemeenschap van katten- en hondenbont en van producten die dergelijk bont bevatten (PbEG 2007 L 343); – verordening (EU) nr. 2017/625: Verordeningen (EG) nr. 999/2001 (EG) nr. 396/2005 (EG) nr. 1069/2009 (EG) nr. 1107/2009 nr. 1151/2012 nr. 652/2014 2016/429 2016/2031 (EG) nr. 1/2005 (EG) nr. 1099/2009 98/58/EG 1999/74/EG 2007/43/EG 2008/119/EG 2008/120/EG (EG) nr. 854/2004 (EG) nr. 882/2004 89/608/EEG 89/662/EEG 90/425/EEG 91/496/EEG 96/23/EG 96/93/EG 97/78/EG 92/438/EEG verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoeder-wetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plant-gezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de,,,, (EU), (EU), (EU)en (EU)van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningenenvan de Raad en de Richtlijnen,,,envan de Raad, en tot intrekking van de Verordeningenenvan het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen,,,,,envan de Raad en Besluitvan de Raad (verordening officiële controles) (PbEU 2017, L 95); – verordening (EU) nr. 2019/2035: gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314); – verordening (EU) nr. 2020/686: gedelegeerde verordening (EU) 2020/686 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de erkenning van inrichtingen voor levende producten en de traceerbaarheids- en diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van levende producten van bepaalde gehouden landdieren (PbEU 2020, L 174); – verordening (EU) nr. 2020/999: uitvoeringsverordening (EU) 2020/999 van de Commissie van 9 juli 2020 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de erkenning van inrichtingen voor levende producten en de traceerbaarheid van levende producten van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen (PbEU 2020, L 221). 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 01-10-2023
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Meldingen en afgifte gezondheidsverklaring#
Artikel 3.2 Meldingen en afgifte gezondheidsverklaring 1 Aan de minister wordt melding gedaan van: a. verzending van producten als bedoeld in artikel 48, derde lid, onderdelen a en b, van verordening (EG) nr. 1069/2009 vanuit Nederland naar een lidstaat van de Europese Unie; b. de ontvangst van een zending producten als bedoeld in artikel 48, derde lid, onderdelen a en b, van verordening (EG) nr. 1069/2009 uit een lidstaat van de Europese Unie. 2 De melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt op elektronische wijze gedaan. 3 De afgifte van een gezondheidsverklaring als bedoeld in bijlage XI, hoofdstuk I, afdeling I, punt 2, onderdeel c, en punt 3, van verordening (EU) nr. 142/2011 geldt als instemming als bedoeld in punt 1, onderdeel b, onder ii, van die bijlage. 2016 55215 20-10-2016 11-10-2016 WJZ/16148718 2016 55215 20-10-2016 11-10-2016 WJZ/16148718 01-01-2017
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Verbodsbepalingen EU-verordeningen#
Artikel 3.3 Verbodsbepalingen EU-verordeningen 1 artikel 6.2, eerste lid, van de wet Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld inzijn: a. verordening (EG) nr. 1069/2009 de artikelen 4, eerste en tweede lid, 6, eerste lid, 11, eerste lid, 12, 13 en 14, 21, eerste tot en met derde lid, 22, eerste en tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 24, 25, 26, eerste en tweede lid, 28, 29, eerste tot en met derde lid, 31, eerste lid, 32, eerste lid, 35, 36, 41, eerste en tweede lid, onderdelen c en d, 43, eerste tot en met derde lid, 44, derde lid, en 48, eerste, vierde en vijfde lid van; b. de artikelen 3, 5, tweede lid, 6, derde tot en met zesde lid en achtste lid, 8, eerste lid, 9, 10, eerste lid, 11, tweede en derde lid, 12, tweede en derde lid, 13,,15, 17, 19, 20, eerste en tweede lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 23, 24, 25, eerste en derde lid, 27, derde lid 28, tweede en vierde lid en 31 van verordening (EU) nr. 142/2011; c. verordening (EG) nr. 999/2001 artikel 8, eerste lid, bijlage IV, hoofdstuk V, onderdeel E, bijlage V, punt 3, en bijlage IX, hoofdstuk D, afdeling A en B, van. 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien een bepaalde handeling of toestand in deze paragraaf of door middel van een ontheffing is toegestaan en is voldaan aan daarbij gestelde voorwaarden. 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 01-10-2023
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Aanvullende verbodsbepalingen#
Artikel 3.4 Aanvullende verbodsbepalingen 1 verordening (EG) nr. 1069/2009 Het is de houder van landbouwhuisdieren, met uitzondering van pelsdieren, verboden keukenafval, etensresten of voedermiddelen die keukenafval bevatten of daarvan afkomstig zijn als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, vanvoorhanden te hebben, tenzij het keukenafval of etensresten betreft dat is ontstaan in de huishouding van de houder en buiten het bereik van die dieren en uitsluitend verpakt voorhanden wordt gehouden in afwachting van afvoer. 2 Het is verboden keukenafval, etensresten of voedermiddelen die keukenafval of etensresten bevatten of daarvan afkomstig zijn als bedoeld in het eerste lid te vervoeren naar plaatsen waar landbouwhuisdieren, met uitzondering van pelsdieren, worden gehouden of af te leveren aan die houders. 3 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het voorhanden hebben van gebruikte frituuroliën en -vetten, afkomstig van particuliere huishoudens, op kinderboerderijen indien de kinderboerderij de nodige maatregelen heeft genomen om te verzekeren dat de ingezamelde gebruikte frituuroliën en -vetten niet in aanraking komen met de gehouden landbouwhuisdieren dan wel terechtkomen in diervoeder voor landbouwhuisdieren. 4 Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op het rechtstreekse, niet-beroepsmatige vervoer van gebruikte frituuroliën en -vetten afkomstig van particuliere huishoudens naar, en de aflevering van deze producten aan, kinderboerderijen. 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 01-10-2023
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Uitzondering verplichte kennisgeving#
Artikel 3.5 Uitzondering verplichte kennisgeving verordening (EG) nr. 1069/2009 De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van, is niet van toepassing op exploitanten die: a. jachttrofeeën of andere preparaten als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van verordening (EU) nr. 142/2011 hanteren of vervaardigen; b. voor onderzoek en diagnose bestemde monsters voor educatieve doeleinden hanteren of verwijderen; c. organische meststoffen of bodemverbeteraars gebruiken op bedrijven waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden; d. organische meststoffen of bodemverbeteraars hanteren en verhandelen, uitsluitend in kleinhandelsverpakkingen met een gewicht van maximaal 50 kg voor toepassingen buiten de voeder- en voedselketen. 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 01-10-2025
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 Vervoer dierlijke bijproducten in Nederland#
Artikel 3.6 Vervoer dierlijke bijproducten in Nederland 1 verordening (EG) nr. 1069/2009 Met toepassing van artikel 21, derde lid, vanen bijlage VIII, hoofdstuk III, onderdeel 4, onder a, bij verordening (EU) nr. 142/2011 is het toegestaan bij vervoer van dierlijke bijproducten in Nederland een ander handelsdocument als bedoeld in dat onderdeel te gebruiken. 2 verordening (EG) nr. 1069/2009 Met toepassing van artikel 21, tweede lid, vanis het toegestaan mest zonder handelsdocument of gezondheidscertificaat te vervoeren, indien die mest in Nederland: a. rechtstreeks wordt vervoerd tussen twee locaties van hetzelfde agrarische bedrijf, of b. Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt vervoerd tussen agrarische bedrijven en gebruikers die de mest op het land uitrijden overeenkomstig de bij of krachtens hetgestelde regels. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 Biodynamische preparaten#
Artikel 3.7 Biodynamische preparaten verordening (EG) nr. 1069/2009 verordening (EU) nr. 2018/848 Met toepassing van artikel 16, onderdeel f, vanis het toegestaan om voor het maken van biodynamische preparaten als bedoeld in bijlage II, deel I, punt 1.9.9, vangebruik te maken van: a. mest, niet gemineraliseerde guano en de inhoud van het maag-darmkanaal; b. verordening (EG) nr. 1069/2009 horens, hoorn en hoeven als bedoeld in artikel 10, onderdelen b, onder iii, en n, van; c. verordening (EG) nr. 999/2001 de blaas, alsmede van de schedel en darmen voor zover dit niet gespecificeerd risicomateriaal als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel g, vanbetreft. 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 2022 11426 04-05-2022 21-04-2022 WJZ/22023341 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 3.8 — Artikel 3.8 Onderzoek en andere specifieke doeleinden#
Artikel 3.8 Onderzoek en andere specifieke doeleinden 1 verordening (EG) nr. 1069/2009 Met toepassing van artikel 17, eerste lid, vanis het toegestaan: a. verordening (EG) nr. 1069/2009 artikel 1.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10 vante gebruiken voor onderzoek en onderwijs in het voortgezet onderwijs als bedoeld in; b. dat een dierenarts sectie verricht op kadavers of delen daarvan in de praktijkruimte van de dierenarts; c. dierlijke bijproducten en afgeleide producten te gebruiken voor diagnose en onderzoek in een laboratorium bedoeld om informatie te verschaffen over een bepaalde eigenschap van de bemonsterde partij en een basis te vormen voor een besluit betreffende die partij dan wel het proces waarmee die partij is geproduceerd. 2 verordening (EG) nr. 1069/2009 Met toepassing van bijlage VI, hoofdstuk I, afdeling 1, punt zes, van verordening (EU) nr. 142/2011 zijn de punten 1, 4 en 5 van die afdeling niet van toepassing op het gebruik, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en vindt verwijdering van die bijproducten plaats overeenkomstig artikel 14, onderdeel a, b of f van. 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 01-10-2025
Artikel 3.9 — Artikel 3.9 Bijzondere vervoederingsdoeleinden#
Artikel 3.9 Bijzondere vervoederingsdoeleinden 1 verordening (EG) nr. 1069/2009 Met toepassing van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, vanis het een exploitant van een dierentuin toegestaan het materiaal, bedoeld in die bepaling, dat is verkregen van dieren uit de eigen dierentuin te vervoederen aan dieren in die dierentuin. 2 verordening (EG) nr. 1069/2009 verordening (EG) nr. 1069/2009 Met toepassing van artikel 18, eerste lid, onderdeel d, vanis het toegestaan keukenafval en etensresten als bedoeld in artikel 10, onderdeel p, vante vervoederen aan pelsdieren. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.10 — Artikel 3.10 Verwijdering#
Artikel 3.10 Verwijdering verordening (EG) nr. 1069/2009 Met toepassing van artikel 19, eerste lid, onderdelen a en f, vanis het toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 15, onderdeel a, en bijlage VI, hoofdstuk III, van verordening (EU) nr. 142/2011: a. dode gezelschapsdieren te verwijderen door begraving op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van dat dode dier of op een plaats die daarvoor is toegelaten ingevolge een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente; b. bijproducten van bijen en bijenteelt te verwijderen door verbranding of begraving ter plaatse. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.11 — Artikel 3.11 Pasteurisatie- of ontsmettingstoestel voor biogasinstallaties#
Artikel 3.11 Pasteurisatie- of ontsmettingstoestel voor biogasinstallaties Met toepassing van bijlage V, hoofdstuk I, afdeling 1, punt 2, onderdeel f, van verordening (EU) nr. 142/2011 is een pasteurisatie- of ontsmettingstoestel niet verplicht voor biogasinstallaties die alleen worden gebruikt voor de omzetting van de dierlijke bijproducten, bedoeld in de subonderdelen ii en iii van dat onderdeel. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.12 — Artikel 3.12 Grondstoffen in biogas- en composteerinstallaties#
Artikel 3.12 Grondstoffen in biogas- en composteerinstallaties 1 verordening (EG) nr. 1069/2009 Wanneer de in bijlage V, hoofdstuk III, afdeling 2, punt 2, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 142/2011 of in artikel 10, onderdeel g, vangenoemde producten de enige grondstoffen van dierlijke oorsprong zijn die in een biogas- of composteerinstallatie worden behandeld, is het met toepassing van bijlage V, hoofdstuk III, afdeling 2, punt 3, van verordening (EU) nr. 142/2011 toegestaan om die producten te verwerken, indien is voldaan aan de voorschriften, bedoeld in bijlage V, hoofdstuk II en hoofdstuk I, afdeling 1, punt 3, respectievelijk afdeling 2, punt 3, van die verordening. 2 verordening (EG) nr. 1069/2009 De vergistingsresiduen en de compost die het resultaat zijn van de behandeling, bedoeld in het eerste lid, worden beschouwd als niet-verwerkt materiaal, dat overeenkomstigen verordening (EU) nr. 142/2011 wordt behandeld. 3 Het is met toepassing van Bijlage V, hoofdstuk III, afdeling 2, punt 2, van verordening (EU) nr. 142/2011 toegestaan de hierin genoemde dierlijke bijproducten om te zetten in biogas of compost als wordt voldaan aan de volgende parameters: a. bij thermofiele vergisting: 1° bedraagt de temperatuur van het materiaal in de vergister ten minste 55°C, bij een minimale verblijftijd in de vergister van 6 opeenvolgende uren; 2° bedraagt de temperatuur van het materiaal in de vergister ten minste 53,5°C, bij een minimale verblijftijd in de vergister van 8 opeenvolgende uren, of 3° bedraagt de temperatuur van het materiaal in de vergister ten minste 52°C, bij een minimale verblijftijd in de vergister van 10 opeenvolgende uren; b. bij compostering bedraagt de temperatuur van het materiaal ten minste 50°C tijdens een aaneengesloten periode, waarbinnen de temperatuur ten minste 55°C bedraagt voor ten minste 72 uren. 2014 31149 30-10-2014 27-10-2014 WJZ/14165339 2014 31149 30-10-2014 27-10-2014 WJZ/14165339 31-10-2014
Artikel 3.13 — Artikel 3.13 Hergebruik van recipiënten voor dierlijke bijproducten#
Artikel 3.13 Hergebruik van recipiënten voor dierlijke bijproducten Met toepassing van bijlage VIII, hoofdstuk I, afdeling 1, punt 3, van verordening (EU nr. 142/2011, is het gebruik van recipiënten die opnieuw kunnen worden gebruikt toegestaan voor het vervoer, bedoeld in de onderdelen a en b, van dat punt. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.14 — Artikel 3.14 Levering biest#
Artikel 3.14 Levering biest Met toepassing van bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 4, deel II, punt 4, van verordening (EU) nr. 142/2011 is het toegestaan dat biest als bedoeld in dat punt aan een andere landbouwer binnen Nederland wordt geleverd voor vervoederingsdoeleinden, indien is voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarde. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.15 — Artikel 3.15 Gebruik huiden#
Artikel 3.15 Gebruik huiden Met toepassing van bijlage XIII, hoofdstuk V, onderdeel A, van verordening (EU nr. 142/2011 is het bedrijven die huiden hanteren toegestaan om afgesneden en gesplitste stukken van die huiden te leveren voor de productie van gelatine voor diervoeders, organische meststoffen of bodemverbeteraars, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in dat onderdeel. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.15a — Artikel 3.15a Behandelingen voeder gezelschapsdieren#
Artikel 3.15a Behandelingen voeder gezelschapsdieren verordening (EU) nr. 142/2011 Met toepassing van artikel 24, derde lid, in samenhang met bijlage XIII, hoofdstuk II, van, is het de producent van voeder voor gezelschapsdieren toegestaan om de dierlijke bijproducten, bedoeld in punt 3, onder v, van voornoemd hoofdstuk II, de in voornoemd onderdeel genoemde behandelingen te laten ondergaan. 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 01-10-2025
Artikel 3.16 — Artikel 3.16 Onbehandelde veren en dons#
Artikel 3.16 Onbehandelde veren en dons Met toepassing van bijlage XIII, hoofdstuk VII, onderdeel A, punt 1, van verordening (EU nr. 142/2011, is het toegestaan onbehandelde veren en delen van veren die niet droog zijn en onbehandeld dons dat niet droog is rechtstreeks van een slachthuis naar een verwerkingsbedrijf te brengen, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in dat punt. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.17 — Artikel 3.17 Uitvoer verwerkte dierlijke eiwitten#
Artikel 3.17 Uitvoer verwerkte dierlijke eiwitten Vervallen 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 2023 18772 07-07-2023 30-06-2023 WJZ/30672823 01-10-2023
Artikel 3.18 — Artikel 3.18 Kleurstof en mengstof#
Artikel 3.18 Kleurstof en mengstof 1 verordening (EG) nr. 999/2001 Het kleuren, bedoeld in bijlage V, punt 3, bij, gebeurt met de kleurstoffen methyleen blauw, patentblauw E131, briljantblauw E133. 2 Organische meststoffen en bodemverbeteraars als bedoeld in bijlage XI, hoofdstuk II, afdeling 1, punt 2, bij verordening (EU) nr. 142/2011 worden gemengd met een hoeveelheid van de hierna te noemen stoffen die voldoende is om het mengsel voor vervoederingsdoeleinden uit te sluiten: a. vaste of droge mest; b. kalk; c. houtsnippers, of d. anorganische meststoffen. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.19 — Artikel 3.19 Gids voor goede praktijken#
Artikel 3.19 Gids voor goede praktijken Vervallen 2019 64181 26-11-2019 16-11-2019 WJZ/19014494 2019 64181 26-11-2019 16-11-2019 WJZ/19014494 27-11-2019
Artikel 3.19a — Artikel 3.19a Maximumniveau voor fipronil en amitraz in pluimveemest#
Artikel 3.19a Maximumniveau voor fipronil en amitraz in pluimveemest Het maximumniveau, bedoeld in artikel 8, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 1069/2009, is, per kilogram pluimveemest: a. 0,005 milligram fipronil; b. 0,010 milligram amitraz. 2018 38015 06-07-2018 30-06-2018 WJZ/17027562 2018 38015 06-07-2018 30-06-2018 WJZ/17027562 07-07-2018
Artikel 3.20 — Artikel 3.20 Aanwijzing dierlijke bijproducten#
Artikel 3.20 Aanwijzing dierlijke bijproducten artikel 3.3, eerste lid, van de wet verordening (EG) nr. 1069/2009 Dierlijke bijproducten als bedoeld inzijn kadavers en delen daarvan als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van, met uitzondering van: a. dode gezelschapsdieren die worden: 1°. artikel 3.10, eerste lid begraven overeenkomstig; 2°. verordening (EG) nr. 1069/2009 verbrand of meeverbrand overeenkomstig artikel 12, onderdeel a, subonderdeel i, of onderdeel b, subonderdeel i, vanin een erkend dierencrematorium; of 3°. verordening (EG) nr. 1069/2009 verordening (EU) nr. 142/2011 verwijderd of gebruikt volgens een toegelaten alternatieve methode als bedoeld in artikel 16, onderdeel e, vanen genoemd in bijlage IV, hoofdstuk IV, afdeling 2, van, in een daartoe erkend of geregistreerd bedrijf dat geen andere dierlijke bijproducten of afgeleide producten verbrandt, verwijdert of gebruikt dan dode gezelschapsdieren; b. verordening (EG) nr. 1069/2009 dode paarden, indien deze overeenkomstig artikel 13, onderdeel a, subonderdeel i of onderdeel b, subonderdeel i, vanworden verbrand of meeverbrand in een erkend dierencrematorium; c. verordening 1069/2009 kadavers van pelsdieren die nog niet zijn onthuid, indien ze worden onthuid in een daarvoor op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel h, vanerkende inrichting of erkend bedrijf; d. verordening (EG) nr. 1069/2009 kadavers of delen daarvan die worden gebruikt voor activiteiten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en artikel 18, eerste en tweede lid, van, waarvan het gebruik is toegestaan; e. artikel 3.10, aanhef en onderdeel b producten van bijen en bijenteelt die overeenkomstigworden verwijderd; f. Op een broederij in de schaal gestorven pluimvee en kadavers van pluimvee die zijn ontstaan op een broederij. 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 2025 20431 17-06-2025 15-06-2025 WJZ/99229379 01-10-2025
Artikel 3.21 — Artikel 3.21 Werkgebied#
Artikel 3.21 Werkgebied 1 artikel 3.3, eerste lid, van de wet Het werkgebied, bedoeld in, omvat Nederland. 2 De ondernemer is Rendac Son B.V. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.22 — Artikel 3.22 Aangifte- en ophaalplicht#
Artikel 3.22 Aangifte- en ophaalplicht 1 De houder van aangewezen dierlijke bijproducten doet zo spoedig mogelijk na het ontstaan daarvan aangifte bij de ondernemer, maar uiterlijk op de eerste werkdag, volgend op de dag waarop die bijproducten zijn ontstaan. 2 De ondernemer haalt de bijproducten, bedoeld in het eerste lid, op uiterlijk op de werkdag die volgt op de dag waarop de aangifte heeft plaatsgevonden. 3 In afwijking van het tweede lid kunnen de ondernemer en de aanbieder van aangewezen dierlijke bijproducten overeenkomen dat kadavers: a. met een gewicht tot 25 kilo en kadavers van varkens met een gewicht tot 200 kilo ten minste één keer in de twee weken op een vaste werkdag worden opgehaald; b. van pluimvee ten minste één keer in de vier weken op een vaste werkdag worden opgehaald. 4 De aangifte van dierlijke bijproducten als bedoeld in het derde lid, onderdeel a en b vindt uiterlijk plaats op de laatste werkdag voorafgaand aan de werkdag, bedoeld in die onderdelen. 5 De aangifte gebeurt telefonisch of elektronisch, onder opgave van: a. de soort en de hoeveelheid van het materiaal; b. de plaats waar het materiaal zich bevindt. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.23 — Artikel 3.23 Bewaarvoorschriften#
Artikel 3.23 Bewaarvoorschriften 1 De houder van aangewezen dierlijke bijproducten zorgt ervoor dat die bijproducten tot ze zijn opgehaald: a. niet vrij toegankelijk zijn voor anderen dan de houder en de ondernemer; b. niet bereikbaar zijn voor vogels, knaagdieren, honden en katten; c. door afdekking, die door de ondernemer eenvoudig kan worden verwijderd, niet zichtbaar zijn voor voorbijgangers; d. van elkaar gescheiden worden gehouden en van ander materiaal te onderscheiden zijn. 2 verordening (EG) nr. 1069/2009 De houder van aangewezen dierlijke bijproducten zorgt ervoor dat categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 8 vanrespectievelijk categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 9 van die verordening door de ondernemer apart kan worden geladen. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.24 — Artikel 3.24 Nadere bewaarvoorschriften bij vaste ophaaldag#
Artikel 3.24 Nadere bewaarvoorschriften bij vaste ophaaldag 1 artikel 3.22, derde lid De houder van aangewezen dierlijke bijproducten zorgt ervoor dat dierlijke bijproducten als bedoeld in, worden aangeboden in vaten of containers die passen in de laadinrichting van het vervoermiddel waarmee die bijproducten worden opgehaald en waarop de categorie van het materiaal is aangegeven dat zij bevatten. 2 artikel 3.22, derde lid, aanhef en onderdeel a verordening (EG) nr. 1069/2009 Dierlijke bijproducten die overeenkomstig, ten minste een keer in de twee weken worden opgehaald, worden tot ze worden opgehaald bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10 °C, indien het kadavers van landbouwhuisdieren als bedoeld in artikel 3, onderdeel 6, vanbetreft. 3 artikel 3.22, derde lid, aanhef en onderdeel b Dierlijke bijproducten die overeenkomstig, ten minste een keer in de vier weken worden opgehaald, worden tot ze worden opgehaald bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 5 °C. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.25 — Artikel 3.25 Plaats van aanbieden#
Artikel 3.25 Plaats van aanbieden 1 artikel 3.22 De houder van dierlijke bijproducten die bij de ondernemer zijn aangegeven op grond vanzorgt ervoor dat deze bijproducten op de dag dat ze worden opgehaald worden aangeboden op een plaats die vanaf een wagenlengte van de openbare weg binnen het bereik van de laadkraan van het vervoermiddel ligt waarmee die bijproducten worden opgehaald. 2 In afwijking van het eerste lid kunnen de houder en de ondernemer overeenkomen dat de dierlijke bijproducten op een andere plaats worden aangeboden. 3 Bij een geschil over de plaats van aanbieding van de dierlijke bijproducten stelt de Minister die plaats op aanvraag van de houder of de ondernemer vast op basis van de criteria, bedoeld in het eerste lid. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3.26 — Artikel 3.26 Registratie kadavers runderen door ondernemer#
Artikel 3.26 Registratie kadavers runderen door ondernemer 1 De ondernemer registreert de identificatiecode van het merk, bedoeld in artikel 38 van verordening (EU) nr. 2019/2035, van een door hem opgehaalde kadaver van een rund. 2 Binnen drie werkdagen nadat het kadaver is opgehaald meldt de ondernemer de identificatiecode van het merk aan de Minister. 3 De ondernemer bewaart de registratie, bedoeld in het eerste lid, ten minste twee jaar. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3.27 — Artikel 3.27 Handel in honden- en kattenbont#
Artikel 3.27 Handel in honden- en kattenbont artikel 6.2, eerste lid, van de wet Artikel 3 van verordening (EG) nr. 1523/2007 is een voorschrift als bedoeld in. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 3a.1 — Artikel 3a.1 Middel registratie inrichting levende producten#
Artikel 3a.1 Middel registratie inrichting levende producten De inkennisstelling van en de verstrekking van de gegevens over een inrichting waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen, bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdelen a en b, van verordening (EU) nr. 2016/429, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.2 — Artikel 3a.2 Aanvullende gegevens registratie inrichting levende producten#
Artikel 3a.2 Aanvullende gegevens registratie inrichting levende producten In aanvulling op artikel 84, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 verstrekt de exploitant van een inrichting waar sperma van runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen met het oog op de registratie daarvan, de volgende gegevens: a. indien beschikbaar, de URL van de website van de inrichting; en b. de naam van de dierenarts van het centrum. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.3 — Artikel 3a.3 Termijn inkennisstelling wijziging gegevens registratie#
Artikel 3a.3 Termijn inkennisstelling wijziging gegevens registratie 1 Een exploitant van een inrichting waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen doet de inkennisstelling, bedoeld in artikel 84, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, binnen zeven werkdagen, te rekenen vanaf de dag dat de desbetreffende wijziging of stopzetting heeft plaatsgevonden. 2 artikel 3A.2 Indien de gegevens, bedoeld in, wijzigen, verstrekt de exploitant binnen zeven werkdagen de gewijzigde gegevens. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.4 — Artikel 3a.4 Uitzondering registratieplicht bepaalde inrichtingen#
Artikel 3a.4 Uitzondering registratieplicht bepaalde inrichtingen (gereserveerd) 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.5 — Artikel 3a.5 Middel erkenning inrichting levende producten#
Artikel 3a.5 Middel erkenning inrichting levende producten Een aanvraag tot erkenning van een inrichting als bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 of van een broederij van waaruit broedeieren worden verplaatst als bedoeld in onderdeel c van dat artikellid, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.6 — Artikel 3a.6 Termijn inkennisstelling gegevens erkenning#
Artikel 3a.6 Termijn inkennisstelling gegevens erkenning 1 De termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, verordening (EU) nr. 2020/999, bedraagt ten hoogste 90 dagen voorafgaand aan de dag waarop een exploitant als bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 voornemens is de inrichting voor levende producten te exploiteren. 2 Een exploitant van een inrichting waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, behandeld of opgeslagen, of van een broederij van waaruit broedeieren worden verplaatst, doet de inkennisstelling, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, binnen zeven werkdagen nadat een gebeurtenis als bedoeld in dat artikel heeft plaatsgevonden. 3 Indien de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder ii, van verordening (EU) nr. 2020/999, of het derde lid, wijzigen, verstrekt de exploitant binnen zeven werkdagen de gewijzigde gegevens. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.7 — Artikel 3a.7 Aanvullende gegevens erkenning inrichting levende producten#
Artikel 3a.7 Aanvullende gegevens erkenning inrichting levende producten artikel 3A.6, eerste lid In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/999 verstrekt de exploitant, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/686, indien beschikbaar, de URL van de website van de inrichting binnen de termijn, bedoeld in. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.8 — Artikel 3a.8 Documentatieplicht exploitant inrichting levende producten#
Artikel 3a.8 Documentatieplicht exploitant inrichting levende producten 1 Een exploitant als bedoeld in artikel 103, eerste lid, aanhef, van verordening (EU) nr. 2016/429 legt de gegevens, bedoeld in dat artikellid en voor zover van toepassing, artikel 8, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/686, vast binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. 2 De minimumduur, bedoeld in artikel 103, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429, bedraagt drie jaar. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.9 — Artikel 3a.9 Uitvoeren tests quarantainevoorziening inrichting levende producten#
Artikel 3a.9 Uitvoeren tests quarantainevoorziening inrichting levende producten Het is toegestaan om de tests, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/686, uit te voeren op de in dat lid bedoelde monsters. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.10 — Artikel 3a.10 Voorschriften inrichting voor Nederlandse markt#
Artikel 3a.10 Voorschriften inrichting voor Nederlandse markt 1 De artikelen 4, eerste lid, 8, eerste lid, 10, 15, 19, 24, 26, 28 en 29 van verordening (EU) nr. 2020/686 en artikel 5, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/999 zijn van overeenkomstige toepassing op inrichtingen waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen dat is bestemd voor een inrichting in Nederland, met dien verstande dat: a. in afwijking van de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, onder ii, en 24, eerste lid, onderdeel a, onder ii, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van het abortus blauw-virus bij donorvarkens; en b. in afwijking van de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, onder iv, en 24, eerste lid, onderdeel a, onder iv, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van infectieuze anemie bij donorhengsten en paardensperma. 2 De artikelen 16, 18, 20, 21, 23 en 27 van verordening (EU) nr. 2020/686 zijn van overeenkomstige toepassing op de dierenarts van het centrum waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen dat bestemd is voor een inrichting in Nederland, met dien verstande dat: a. in afwijking van de artikelen 16, onderdeel f, onder ii, en 21, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van het abortus blauw-virus bij donorvarkens; b. in afwijking van artikel 18, onderdeel c, onder i, van verordening (EU) nr. 2020/686, de aanwezigheid van het abortus blauw-virus bij donorvarkens niet hoeft te worden gemeld; c. artikel 21, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EU) nr. 2020/686, niet van toepassing is op donorvarkens; d. in afwijking van de artikelen 16, onderdeel f, onder iv, en 23, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van infectieuze anemie bij donorhengsten en paardensperma; en e. voor de toepassing van artikel 23, eerste lid, donorhengsten ieder jaar vóór het begin van het dekseizoen aan de in dat lid gestelde voorschriften voldoen, in plaats van de in dat lid gestelde termijnen vóór de winning. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.11 — Artikel 3a.11 Erkend laboratorium#
Artikel 3a.11 Erkend laboratorium artikel 3A.10 De onderzoeken die op grond vanplaatsvinden, worden verricht door een laboratorium dat daarvoor is erkend op grond van artikel 3 van de Regeling erkenning veterinaire laboratoria. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.12 — Artikel 3a.12 Vervoer sperma begeleidende documenten#
Artikel 3a.12 Vervoer sperma begeleidende documenten Sperma dat afkomstig is van een inrichting waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen en dat wordt verplaatst naar een andere inrichting in Nederland, gaat vergezeld van een geleidebiljet waarop de volgende gegevens zijn vermeld: a. de inrichting van oorsprong en het unieke registratienummer van die inrichting, bedoeld in artikel 93 van verordening (EU) nr. 2016/429; b. de datum van verplaatsing; c. het merkteken van het betrokken sperma; d. de identificatiecode van de donordieren; en e. de naam, het adres en, indien van toepassing, het unieke registratienummer van de inrichting van bestemming, bedoeld in artikel 93 van verordening (EU) nr. 2016/429. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3a.13 — Artikel 3a.13 Gegevens vervoerder en handelaar sperma#
Artikel 3a.13 Gegevens vervoerder en handelaar sperma 1 Degene die sperma vervoert of verhandelt dat afkomstig is van een inrichting waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen of varkens wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen en dat wordt verplaatst naar een andere inrichting in Nederland, houdt over dat sperma de volgende gegevens bij, onverwijld nadat zij bekend zijn: a. de datum van iedere verplaatsing van sperma; b. het merkteken van het betrokken sperma; c. het ontvangen of afgeleverde aantal doses sperma; d. de naam en het adres van degene die het sperma vervoert of verhandelt; en e. het unieke registratienummer van de inrichting van oorsprong en bestemming, bedoeld in artikel 93 van verordening (EU) nr. 2016/429. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste drie jaar bewaard. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 3b.1 — Artikel 3b.1 Uitvoeren vereiste test zonder erkend laboratorium#
Artikel 3b.1 Uitvoeren vereiste test zonder erkend laboratorium artikel 4.10, tweede lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren Ingeval er op grond van, geen laboratorium is erkend voor een onderzoek naar de vereiste diergezondheidsstatus van een naar een derde land uit te voeren dierlijk product, verricht Wageningen Bioveterinary Research dat onderzoek. 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 2021 17794 16-04-2021 12-04-2021 WJZ/21072840 21-04-2021
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Overeenkomstige toepassing nadere regels over tarieven#
Artikel 4.1 Overeenkomstige toepassing nadere regels over tarieven Hoofdstuk 8 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 artikel 2.11 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van tarieven door de Stichting COKZ en de Stichting Skal voor de onderwerpen, bedoeld in. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Overgangsrecht biologische productiemethode#
Artikel 4.2 Overgangsrecht biologische productiemethode Vervallen 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 2015 45457 15-12-2015 09-12-2015 WJZ/15082184 16-12-2015
Artikel 4.2a — Artikel 4.2a Overgangsrecht kwaliteitsaanduidingen#
Artikel 4.2a Overgangsrecht kwaliteitsaanduidingen De op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bij het Hoofdproductschap Akkerbouw aanhangige aanvragen en verzoeken, bedoeld in artikel 17, eerste lid, worden met ingang van 1 januari 2014 overeenkomstig deze regeling behandeld door de daartoe bevoegde autoriteit met inachtneming van de termijn die op dat tijdstip is verstreken sinds het tijdstip van indiening van de aanvraag of het verzoek. 2013 34135 10-12-2013 02-12-2013 WJZ/13161483 2013 34135 10-12-2013 02-12-2013 WJZ/13161483 01-01-2014
Artikel 4.2b — Artikel 4.2b Overgangsrecht aanduiding bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen#
Artikel 4.2b Overgangsrecht aanduiding bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen artikel 10.1 van de wet Vrijstellingen en ontheffingen verleend door het Productschap Pluimvee en Eieren die golden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, worden met ingang van de inwerkingtreding van dit artikel geacht te zijn verleend door de minister op grond van, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden. 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 2014 33720 21-11-2014 19-11-2014 WJZ/14074918 01-01-2015
Artikel 4.2c — Artikel 4.2c Overgangsrecht boerderijmelk#
Artikel 4.2c Overgangsrecht boerderijmelk 1 Zuivelverordening 2003, Eisen methoden van onderzoek Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk Zuivelverordening 2008, Gewichtsbepaling bij gebruik van rijdende melkontvangsten met vloeistofmeetinstallatie Zuivelverordening 2011, Nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk Besluiten genomen door Stichting COKZ bij of krachtens de, de, deof dedie gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht te zijn genomen op grond van deze regeling, voor zover Stichting COKZ daartoe op grond van deze regeling bevoegd is. 2 Meldingen, gedaan ter voldoening aan verplichtingen bij of krachtens de in het eerste lid genoemde verordeningen worden geacht te zijn gedaan op grond van deze regeling. 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 2014 35166 29-12-2014 10-12-2014 WJZ/14139630 01-01-2015
Artikel 4.2d — Artikel 4.2d Overgangsrecht register van gekwalificeerde personen#
Artikel 4.2d Overgangsrecht register van gekwalificeerde personen 1 artikel 2.9a, eerste en vierde lid artikel 2.5a, eerste lid, onderdeel f, of tweede lid, onderdeel a, van het besluit In afwijking van, registreert, respectievelijk meldt, een gekwalificeerde persoon de betreffende gegevens binnen zes maanden na inwerkintreding van het Besluit van 18 november 2024, houdende een wijziging van het Besluit dierlijke producten in verband met nadere regelgeving over gekwalificeerde personen (Stb. 2024, 405), indien de bewijsstukken, bedoeld in, zijn verkregen voor de inwerkingtreding van het besluit van 18 november 2024. 2 artikel 2.9a, tweede lid artikel 2.5a, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het besluit In afwijking van, verzoekt een gekwalificeerde persoon als bedoeld in dat lid de minister om binnen zes maanden na inwerkingtreding van het Besluit van 18 november 2024, houdende een wijziging van het Besluit dierlijke producten in verband met nadere regelgeving over gekwalificeerde personen (Stb. 2024, 405), de gegevens, bedoeld inte registreren, indien deze gekwalificeerde persoon al voor de inwerkingtreding van het besluit van 18 november 2024 werkzaamheden heeft verricht als gekwalificeerd persoon. 2025 6527 20-03-2025 10-03-2025 WJZ/37394856 2025 390 26-11-2025 27-10-2025 27-11-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 18
november 2024, houdende een wijziging van het Besluit dierlijke
producten in verband met nadere regelgeving over gekwalificeerde
personen in werking treedt (Stb. 2024, 405).
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Landbouwkwaliteitsregeling 2007 Wijziging#
Artikel 4.3 Landbouwkwaliteitsregeling 2007 Wijziging Wijzigt de Landbouwkwaliteitsregeling 2007. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014 Onderdelen 1 en 3. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2.6, onderdeel a,
van het Besluit dierlijke producten in werking treedt.
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Inwerkingtreding#
Artikel 4.4 Inwerkingtreding artikelen 2.11, onderdeel b 2.12 tot en met 2.18 4.2 4.3, eerste en derde lid artikel 2.6, onderdeel a, van het Besluit dierlijke producten Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013, met uitzondering van de, en,en, die inwerking treden op het tijdstip datin werking treedt. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Citeertitel#
Artikel 4.5 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling dierlijke producten. 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 2012 25949 17-12-2012 07-12-2012 WJZ/12346914 01-01-2013
Artikel 2.17#
artikel 2.17
Artikel 2.42#
artikel 2.42, vierde lid
Artikel 2.58#
artikel 2.58, derde lid