Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
- BWB-id
- BWBR0035474
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-05-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0035474
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2014/regeling-nationale-ezk-en-lnv-subsidies
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2014/regeling-nationale-ezk-en-lnv-subsidies/2026-05-30
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0035474&g=2026-05-30
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0035474&z=2026-06-06&g=2026-05-30
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0035474/2026-05-30
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2014/regeling-nationale-ezk-en-lnv-subsidies
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: afzet van landbouwproducten: afzet van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 8, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 35, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 38, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; algemene de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); besluit: Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies ; daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader; energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 109, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 35, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; energie-efficiëntie: energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 103, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 31, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder k, van het O&O&I-steunkader; fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder n, van het O&O&I-steunkader; groepsvrijstellingsverordening landbouw: verordening (EU) nr. 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327); groepsvrijstellingsverordening visserij: verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327); grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder l, van het O&O&I-steunkader; hernieuwbare energiebronnen: hernieuwbare energie als bedoeld in paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 69 van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; hooggekwalificeerd personeel: hooggekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 93, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder p, van het O&O&I-steunkader; industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder r, van het O&O&I-steunkader; innovatieadviesdiensten: innovatieadviesdiensten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 94, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder s, van het O&O&I-steunkader; IPCEI-steunkader: Mededeling van de Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, PBEU 2021 C 528/02; kleine onderneming: kleine onderneming in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening; klimaat, milieu- en energiesteunkader: Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 nr. 2022/C 80/01 (PbEU 2022, C 80); landbouw de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352); landbouwonderneming: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt; landbouwproduct: Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 (EG) nr. 1224/2009 Verordening (EG) nr. 104/2000 product als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met uitzondering van een visserijproduct of een aquacultuurproduct vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging vanenvan de Raad en tot intrekking vanvan de Raad (PbEU 2013, L 354); landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485); middelgrote onderneming: middelgrote onderneming in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening; minister: a. artikel 2, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f en g, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies Minister van Economische Zaken, voor zover het een subsidie als bedoeld inbetreft; b. artikel 2, eerste lid, onderdelen a en h, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies Minister van Klimaat en Groene Groei, voor zover het een subsidie als bedoeld inbetreft; of c. artikel 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voor zover het een subsidie als bedoeld inbetreft; MKB-ondernemer: ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt; O&O&I-steunkader: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414); organisatie-innovatie: organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; primaire landbouwproductie: primaire landbouwproductie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 44, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw en deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 46, van het landbouwsteunkader; procesinnovatie: procesinnovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 97, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; tijdelijk crisiskader: Tijdelijk crisis- en transitiekader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de economie na de Russische agressie tegen Oekraïne (PbEU 2023, C 101); Unienorm: Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 89, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; universiteit: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bijlage van die wet onder a of b van de bijlage van degenoemde instelling voor hoger onderwijs, alsmede een onder i van degenoemd academisch ziekenhuis; verklaring de-minimissteun: verklaring van de subsidieaanvrager waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening; verklaring landbouw de-minimissteun: verklaring van de subsidieaanvrager waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de landbouw de-minimisverordening; verwerking van landbouwproducten: verwerking van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 45, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 47, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de algemene de-minimisverordening; visserijsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU 2023, C 107). 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Rapport van feitelijke bevindingen#
Artikel 1.2 Rapport van feitelijke bevindingen 1 artikel 12, derde lid, van het besluit bijlage 1.1 Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in. 2 artikel 12, derde lid, van het besluit verordening (EG) nr. 1906/2006 Als rapport als bedoeld in, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader vanvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU 2006, L 391) en, indien de subsidieontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 Steunintensiteit#
Artikel 1.3 Steunintensiteit Vervallen 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 1.4 — Artikel 1.4 Vaste opslag voor indirecte kosten#
Artikel 1.4 Vaste opslag voor indirecte kosten artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het besluit De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in, bedraagt 50 procent van de loonkosten. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 1.5 — Artikel 1.5 Controleprotocol#
Artikel 1.5 Controleprotocol bijlage 1.3 De accountant of accountant-administratiefconsulent controleert en stelt de controleverklaring vast met inachtneming van de voorschriften, gesteld in. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 1.6 — Artikel 1.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 1.6 Afwijzingsgronden Vervallen 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 1.7 — Artikel 1.7 In aanmerking komende kosten#
Artikel 1.7 In aanmerking komende kosten 1 artikel 10, vierde lid, van het besluit In aanvulling op, worden, indien de subsidie valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk het landbouwsteunkader, respectievelijk de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk het visserijsteunkader: a. de in aanmerking komende kosten berekend en gestaafd met bewijsstukken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 87, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 85, van het visserijsteunkader; b. indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd, de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdelen 90 en 91, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 88, van het visserijsteunkader; c. indien de steun wordt toegekend in de vorm van belastingvoordelen, de steuntranches gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, zesde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2.3, onderdeel 92, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 89, van het visserijsteunkader. 2 artikel 10, vierde lid, van het besluit In aanvulling op, worden, indien de subsidie valt onder het O&O&I-steunkader, respectievelijk het klimaat, milieu- en energiesteunkader: a. de in aanmerking komende kosten berekend overeenkomstig paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder c, van het O&O&I-steunkader, respectievelijk paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 2, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; b. indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd, de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder c, van het O&O&I-steunkader, respectievelijk paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 2, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 1.8 — Artikel 1.8 Bekendmaking van gegevens inzake steunverlening#
Artikel 1.8 Bekendmaking van gegevens inzake steunverlening 1 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000, of voor steun vervat in door het InvestEU-fonds krachtens deel 16 van de algemene groepsvrijstellingsverordening ondersteunde financiële producten, meer dan € 500.000, of voor niet onder deel 2 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening vallende begunstigden die in de primaire landbouwproductie of in de visserij en de aquacultuur actief zijn, meer dan € 10.000. 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien het staatssteun betreft die gerechtvaardigd wordt door projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening, of door projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling als bedoeld in artikel 19 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de artikelen 16, 21 bis of 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geacht te zijn bekendgemaakt indien de individuele steunbedragen bekend zijn gemaakt volgens de tranches, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 4 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening landbouw wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, en b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of 2°. € 100.000 voor begunstigden die actief zijn in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector, of die activiteiten uitoefenen die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. 5 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening visserij; en b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000. 6 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het O&O&I-steunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 3.2.4, onderdeel 100, van het O&O&I-steunkader, bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000. 7 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het landbouwsteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het landbouwsteunkader, en b. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of 2°. € 100.000 voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. 8 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het klimaat, milieu- en energiesteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 3.2.1.4, onderdeel 58, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader, bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000. 9 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die wordt gerechtvaardigd door de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I), maakt de minister na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in paragraaf 4, onderdeel 103, van die kaderregeling. 10 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het IPCEI-steunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 4.3, onderdeel 48, van het IPCEI-steunkader bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000. 11 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatsteun bevat die wordt gerechtvaardigd door het tijdelijk crisiskader, maakt de minister na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in paragraaf 3, onderdeel 87, van het tijdelijk crisiskader. 12 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het visserijsteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 105, onder a en b, van het visserijsteunkader, en b. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 105, onder c, van het visserijsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000. 13 De gegevens, bedoeld in het eerste, en derde tot en met twaalfde lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 1.9 — Artikel 1.9 Onderzoeksorganisatie#
Artikel 1.9 Onderzoeksorganisatie 1 Indien een geheel of gedeeltelijk van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie deelneemt aan een project dat wordt uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, sluiten de deelnemers voorafgaand aan het project een overeenkomst over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. 2 Indien een project als bedoeld in het eerste lid gezamenlijk door ondernemingen en van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren wordt uitgevoerd, legt de penvoerder de afspraken voor aan de minister, tenzij: a. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van het project dragen; b. de resultaten van de samenwerking die geen intellectuele eigendomsrechten opleveren, breed kunnen worden verspreid en alle intellectuele eigendomsrechten die de activiteiten van de onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur opleveren, volledig worden toegekend aan die entiteiten; c. uit het project ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten aan de verschillende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen, of d. de van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren een vergoeding ontvangen die gelijkwaardig is aan de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die uit hun activiteiten ontstaan en worden toegewezen aan de deelnemende ondernemingen of waartoe de deelnemende ondernemingen toegangsrechten kregen toegewezen. 3 Op de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, kan het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur die de betrokken intellectuele-eigendomsrechten hebben opgeleverd, in mindering worden gebracht. 4 Indien uit de aan de minister op basis van het tweede lid voorgelegde afspraken blijkt dat sprake is van staatssteun als gevolg van de overdracht van kennis of andere resultaten uit activiteiten, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het in de beschikking tot subsidieverlening aangegeven bedrag dat ten hoogste mag worden verstrekt ingevolge een Europees steunkader. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 1.10 — Artikel 1.10 Openstelling#
Artikel 1.10 Openstelling 1 De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken indien hij de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening heeft opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag. 2 De minister kan de openstelling beperken tot bepaalde activiteiten, categorieën van aanvragers of een bepaald aantal aanvragen. 3 De minister kan verschillende subsidieplafonds vaststellen voor verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 2.1.1 — Artikel 2.1.1 Uurtarief#
Artikel 2.1.1 Uurtarief artikel 13, tweede lid 14 van het besluit Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in, en, € 60. 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2020
Artikel 2.1.2 — Artikel 2.1.2 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.1.2 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: glasopstand: kas en toebehorende installaties; glastuinbouwonderneming: landbouwonderneming met glasopstanden; vervangingsinvestering: investering voor het eenvoudige vervangen van een bestaand gebouw of een bestaande machine, of delen daarvan, door een nieuw modern gebouw of een nieuwe moderne machine, zonder dat daarbij de productiecapaciteit met meer dan 25% wordt verhoogd of de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt gewijzigd. 2016 34782 04-07-2016 30-06-2016 WJZ/16096967 2016 34782 04-07-2016 30-06-2016 WJZ/16096967 22-08-2016
Artikel 2.1.3 — Artikel 2.1.3 Afwijzingsgronden groepsvrijstellingsverordening visserij#
Artikel 2.1.3 Afwijzingsgronden groepsvrijstellingsverordening visserij artikelen 22 23 van het besluit Onverminderd deenbeslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidie die staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd indien: a. sprake is van verrichtingen of activiteiten als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening visserij; of b. de aanvrager activiteiten heeft verricht als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel f, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.1.4 — Artikel 2.1.4 Subsidieverplichtingen groepsvrijstellingsverordening visserij#
Artikel 2.1.4 Subsidieverplichtingen groepsvrijstellingsverordening visserij 1 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, leeft de subsidieontvanger de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid na. 2 Indien een subsidie voor een vissersvaartuig die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, wordt het vissersvaartuig niet binnen vijf jaar na de datum van de laatste betaling naar buiten de Europese Unie overgedragen of omgevlagd. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.1.5 — Artikel 2.1.5 Niet-naleving subsidieverplichting groepsvrijstellingsverordening visserij#
Artikel 2.1.5 Niet-naleving subsidieverplichting groepsvrijstellingsverordening visserij 1 artikel 2.1.4, eerste lid Indien de subsidieontvanger de in, bedoelde regels niet naleeft, wordt de subsidieverlening of de subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd, in verhouding tot de ernst van de inbreuk. 2 artikel 2.1.4, tweede lid Indien de subsidieontvanger de in, bedoelde verplichting niet naleeft, wordt de subsidieverlening of de subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd, naar rato van de periode waarin niet aan die verplichting is voldaan. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.2.1 — Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving#
Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving In deze titel wordt verstaan onder: kennisdelingsactiviteiten: een proces voor het verzamelen en delen van kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten; onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten: een samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling onafhankelijk uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie met het oog op het verwerven van meer kennis en een beter inzicht. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.2 — Artikel 2.2.2 Subsidieverlening#
Artikel 2.2.2 Subsidieverlening bijlage 2.2.1 2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderzoeksinstelling of een deelnemer aan een samenwerkingsverband van onderzoeksinstellingen, voor een project dat past binnen de hoofdthema’s inen bijdraagt aan concrete inzichten, systemen, technieken of een aanpak om glastuinbouwbedrijven in staat te stellen om de CO-doelen te behalen door middel van: a. onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, of b. een combinatie van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en kennisdelingsactiviteiten. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.3 — Artikel 2.2.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.2.3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking: a. de kosten voor onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 38, zevende lid van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of b. de kosten voor kennisdelingsactiviteiten, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a en d, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 art. 2.1.1 artikel 13, tweede lid artikel 14 van het besluit In afwijking vanbedraagt het uurtarief, bedoeld in, en, voor de toepassing van deze titel: a. € 60 voor een gewas- en oogstverzorger of een teeltondersteuner; b. € 95 voor een onderzoeks- of technisch assistent, junior onderzoeker of een technisch onderzoeker; c. € 150 voor een medior wetenschappelijk onderzoeker, teeltmanager of een projectleider; d. € 160 voor senior wetenschappelijk onderzoeker of senior projectleider. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.4 — Artikel 2.2.4 Hoogte subsidie#
Artikel 2.2.4 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat dit percentage wordt verminderd met het daadwerkelijke percentage eigen bijdrage. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.5 — Artikel 2.2.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.2.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.6 — Artikel 2.2.6 Realisatietermijn#
Artikel 2.2.6 Realisatietermijn 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt uiterlijk binnen 6 maanden na de subsidieverlening gestart. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vijf jaar na de datum van subsidieverlening. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.7 — Artikel 2.2.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.2.7 Afwijzingsgronden De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 25.000; c. de subsidiabele kosten van een deelnemer van een samenwerkingsverband minder bedragen dan € 25.000; d. het voorstel niet aantoonbaar aansluit op of niet gebruik maakt van relevante bestaande kennis en activiteiten, tenzij het een geheel nieuw onderzoeksveld is; e. bijlage 2.2.1 het een project betreft dat lager is gerangschikt dan een project met een zelfde techniek en aanpak, met een zelfde gewas en een gelijk doel of vallend binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in; f. bijlage 2.2.1 er eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in; g. de aanvrager niet beschikt over de juiste expertise en ervaring voor de onderzoeksactiviteiten, of in onvoldoende mate derden inhuurt die beschikken over deze expertise en ervaring, of h. artikel 2.2.8, eerste lid het totaal aantal punten voor de onder, genoemde criteria minder bedraagt dan: – artikel 2.2.8, onderdeel a 6 punten voor het criterium, bedoeld in; – artikel 2.2.8 onderdeel b 9 punten voor het criterium, bedoeld in; – artikel 2.2.8 onderdeel c 6 punten voor het criterium, bedoeld in. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.8 — Artikel 2.2.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.2.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe, naarmate: a. 2 de bijdrage aan de realisatie van de CO-doelen groter is, omdat: 1°. 2 de beoogde onderzochte en ontwikkelde technieken en processen van het project naar verwachting een hogere bijdrage kunnen leveren aan de CO-reductie, en 2°. het voorstel: – meer gericht is op nieuwe technieken of processen of op potentiële doorbraak- of grensverleggende oplossingen gericht op de langere termijn, of – op kortere termijn meer bijdraagt aan verdere doorontwikkeling en een bredere toepassing van een techniek of van kennis inclusief demonstraties; b. de kwaliteit van het project hoger is, blijkend uit: 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan; 2°. de omvang van het draagvlak bij de doelgroep, en 3°. de gemotiveerde inschatting van de economische en technische haalbaarheid van de resultaten; c. de kosteneffectiviteit van het project groter is, waarbij meer punten worden toegekend naarmate: 1°. de kosten van de voorgestelde activiteiten en de gevraagde subsidie meer in verhouding zijn, en 2°. bijlage 2.2.2 het percentage van de eigen bijdrage van de sector meer in overeenstemming is met de richtlijn, berekend overeenkomstig en beschreven in. 2 De minister kent per subonderdeel van onderdeel a, b en c van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. 3 Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor het criterium, genoemd in het eerste lid, onderdeel a. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.9 — Artikel 2.2.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.2.9 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. gegevens over de aanvrager, voor zover van toepassing het nummer waaronder de onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer, een uitdraai van de statuten en de SBI-code; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. in geval van een samenwerkingsverband de gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; d. een onderzoeksplan in een door de minister beschikbaar gesteld middel; e. een bijbehorende begroting in een door de minister beschikbaar gesteld middel, en f. een appreciatie van de ondernemersgroep van Glastuinbouw Nederland. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.10 — Artikel 2.2.10 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.2.10 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger, of in het geval van een samenwerkingsverband de penvoerder, dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld, te beginnen uiterlijk zes maanden na aanvang van de subsidiabele activiteiten. 2 Een tussenrapportage en een eindrapport bevatten ten minste de volgende gegevens: a. het verloop en de behaalde (deel)resultaten van het project; b. een planning voor de komende 6 maanden; c. een overzicht van de uitgevoerde activiteiten; d. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers en de gepubliceerde artikelen, en e. een voor een breed tuinbouwpubliek begrijpelijke samenvatting en een internetsamenvatting. De internetsamenvatting beslaat maximaal 300 woorden. 3 De subsidieontvanger verspreidt de resultaten van het project via conferenties, publicaties, openbare websites, of gratis opensource software. 4 De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd. 5 De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. 6 Indien kennisdelingsactiviteiten worden uitgeoefend dan zijn deze voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk. 7 Uitingen omtrent het onderzoek en de resultaten van het onderzoek worden voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in het kader van het programma Kas als Energiebron en de bijbehorende logo’s. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.11 — Artikel 2.2.11 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.2.11 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, van het besluit Een aanvraag voor een subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat, onverminderdten minste: a. het onderzoeksrapport; b. een evaluatie; c. een factsheet; d. een gespecificeerde opgave van alle rechtstreeks aan het project toe te rekenen werkelijk gemaakte kosten, opgesteld conform de begroting; e. het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden, waaronder subsidies; en f. het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.12 — Artikel 2.2.12 Staatssteun#
Artikel 2.2.12 Staatssteun artikel 2.2.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening Landbouw. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.2.13 — Artikel 2.2.13 Vervaltermijn#
Artikel 2.2.13 Vervaltermijn bijlages 2.2.1 2.2.2 Deze titel en deenvervallen met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 2026 3755 12-02-2026 11-02-2026 WJZ/103763693 01-04-2026
Artikel 2.3.1 — Artikel 2.3.1 Begripsomschrijving#
Artikel 2.3.1 Begripsomschrijving Vervallen 2016 34782 04-07-2016 30-06-2016 WJZ/16096967 2016 34782 04-07-2016 30-06-2016 WJZ/16096967 22-08-2016
Artikel 2.3.2 — Artikel 2.3.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.3.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt aan een glastuinbouwonderneming of aan een glastuinbouwonderneming in een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen op aanvraag subsidie voor de hierna opgesomde apparatuur, installaties of machines: a. een tweede energiescherm bij bestaande bouw of een derde energiescherm; b. een fysieke aansluiting op een extern warmtenet of op een doorkoppeling van warmte tussen twee verwarmingsinstallaties van een of meerdere kassen; c. de fysieke aansluiting op een biogas- of kooldioxide-netwerk of -cluster; d. luchtbehandelingssysteem waarmee energiezuinig kaslucht wordt ontvochtigd; e. hogedruk verneveling installatie ten behoeve van kaskoeling; f. energiescherm inclusief ophogen kas en verdekken met diffuus glas met tweezijdige AR-coating; g. vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting in bestaande kassen of installatie van LED-belichting in nieuwbouwkassen en onbelichte bestaande kassen. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor: a. gevelschermen, energieschermen waarvan het gebruik een energiebesparing van minder dan 45% tot gevolg heeft, lichtdoorlatende energieschermen met een lichtafscherming van meer dan 25%, een tweede of derde energiescherm als het eerste en tweede energiescherm elk een energiebesparing van minder dan 35% tot gevolg heeft; b. apparatuur, installaties of machines die al gebruikt zijn; c. vervangingsinvesteringen; d. investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa; e. investeringen met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen in de zin van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140); f. investeringen in installaties voor de productie van hernieuwbare energie; g. investeringen die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving; h. investeringen met betrekking tot irrigatie op nieuwe en bestaande geïrrigeerde arealen; i. SON-T vervanging door LED-belichting: 1°. indien het totale geïnstalleerd vermogen aan LED-belichting in een kas na installatie van de investering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, meer is dan 70 procent van het in bijlage 2.3.1 opgenomen vermogen van SON-T voor het gewas; 2°. waarvan de specifieke lichtstroom minder is dan 3,00 micromol fotonen per seconde per Watt; 3°. indien niet is aangetoond dat de geïnstalleerde LED-belichting voldoet aan: – artikel 6.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de voorwaarden gesteld inen buiten de golflengte van 380–800 nm ligt; – Richtlijn 89/391/EEG de voorwaarden gesteld op grond van de richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico's van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van), alsmede op grond van NEN-EN-IEC 62471:2008 en NEN-EN-IEC 62031:2020; 4°. waarvan het spectrum minder dan 5 procent licht met een golflengte van 500–600 nm bevat; of 5°. indien de installatie van de vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting in bestaande kassen leidt tot een hoger geïnstalleerd lichtvermogen in de desbetreffende kas; 6°. waarbij het LED armatuur geen mogelijkheid tot dimmen van het vermogen heeft. j. artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving subsidieaanvragen die worden ingediend vanaf 1 december 2023 en maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik betreffen waartoe bedrijven verplicht zijn volgensof; k. investeringen door ondernemingen die niet kwalificeren als kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als bedoeld in deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 56, van het landbouwsteunkader, en waarbij voor het aangevraagde subsidiebedrag geldt dat dit hoger is dan het minimum dat nodig is om het project voldoende winstgevend te maken; l. hoge druk vernevelingsinstallatie ten behoeve van kaskoeling, met een druppelgrootte van meer dan 5 micrometer; m. investeringen met betrekking tot de fysieke aansluiting na een warmte-afleverstation in het warmtenet, waarbij de aansluiting per hectare minder is dan 50 kW of meer dan 450 kW. 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel i: a. worden het lichtvermogen, de specifieke lichtstroom en het spectrum van de LED-belichting gemeten overeenkomstig IES LM-79-19 of een gelijkwaardig protocol; b. worden het lichtvermogen, de specifieke lichtstroom en het spectrum van de LED-belichting gemeten door een geaccrediteerde instelling, waarbij elektrische en fotometrische metingen specifiek binnen de reikwijdte van de accreditatie vallen; en c. wordt door een geaccrediteerde instelling vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden, genoemd in het tweede lid, onderdeel i, onder 3°, waarbij het testen en beoordelen van de veiligheid van belichting voor het menselijk oog specifiek binnen de reikwijdte van de accreditatie vallen. 2025 9248 18-03-2025 16-03-2025 WJZ/76699731 2025 9248 18-03-2025 16-03-2025 WJZ/76699731 19-03-2025
Artikel 2.3.3 — Artikel 2.3.3 Subsidievoorwaarden#
Artikel 2.3.3 Subsidievoorwaarden 1 artikel 2.3.2 De minister verstrekt subsidie voor een investering als bedoeld in, indien de investering ten minste gericht is op één van de doelstellingen, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 152, onder a en b, van het landbouwsteunkader. 2 De glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming in een samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien: a. artikel 2.3.2, eerste lid de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voor de aanschaf, de bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in, een overeenkomst heeft gesloten met de bouwer of leverancier, waarin is aangegeven welke apparatuur, installatie of machine zal worden aangeschaft, gebouwd of geleverd, en, indien de overeenkomst betrekking heeft op een installatie, wat de maximale en werkelijke capaciteit van de installatie is; b. artikel 2.3.2, eerste lid de aanschaf, bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in, tegen marktconforme voorwaarden zal plaatsvinden, blijkend uit een duidelijke kostenspecificatie in de overeenkomst waaruit volgt wat de kostenposten zijn voor iedere afzonderlijke investering voor de aanschaf, bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines; c. in de overeenkomst een ontbindende voorwaarde is opgenomen waaruit volgt dat de overeenkomst wordt ontbonden voor zover geen subsidie wordt verleend aan de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voor de desbetreffende investering; d. artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband overeenkomstigin het handelsregister is ingeschreven; e. artikel 24, tweede lid, van de Landbouwwet de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voldaan heeft aan, indien aan hem op grond van artikel 24, eerste lid, van die wet door de minister beschrijvingsbiljetten zijn uitgereikt of gezonden, voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn; f. 2 artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO-emissies glastuinbouw de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband een emissieaangifte als bedoeld inheeft ingediend voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of 2°. het jaar voorafgaand daaraan, indien de gegevens voor de aangifte van het jaar waarin de subsidie is aangevraagd nog niet beschikbaar zijn. 3 artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, b of c De glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband houdt voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in, waarvoor de subsidie wordt verstrekt een ordelijke administratie bij waaruit, indien verzocht, de volgende documenten kunnen worden overgelegd: a. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a een kopie van de laatste jaarafrekening respectievelijk jaarafrekeningen waarop het energieverbruik van de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband staat voor de installatie, bedoeld in, en b. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b of c een kaart met daarop ingetekend de totale oppervlakte van de betrokken opstand en met daarop gearceerd ingetekend de oppervlakte waarop de investering betrekking heeft inclusief opgave van de lengte van de voorziening in meters en de afstand tussen de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband en het netwerk in meters voor investeringen als bedoeld in. 4 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is twee jaar en zes maanden. 5 Binnen de termijn, genoemd in het vierde lid,: a. artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet voldoet de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband aan wie op grond vandoor de minister beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt of gezonden, telkens aan artikel 24, tweede lid, van die wet voor in ieder geval het jaar waarin de gegevens zijn opgevraagd, en b. 2 artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO-emissies dient de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband jaarlijks een emissieaangifte in als bedoeld in. 6 titel 16.2 van de Wet milieubeheer De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, en het vijfde lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming of een glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband waaropvan toepassing is. 7 Binnen 5 jaar na het verlenen van de subsidie wordt het geïnstalleerde lichtvermogen in de desbetreffende kas niet verhoogd. 8 artikel 2.3.2, derde lid Voor de toepassing van het zevende lid is, van overeenkomstige toepassing. 2020 64380 03-12-2020 01-12-2020 2023 11246 19-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.3.3a — Artikel 2.3.3a Eén aanvraag per glastuinbouwonderneming#
Artikel 2.3.3a Eén aanvraag per glastuinbouwonderneming artikel 2.3.2, eerste lid Een glastuinbouwonderneming of een glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband kan per investering als bedoeld in, één aanvraag indienen. 2017 39656 10-07-2017 05-07-2017 WJZ/17055522 2017 39656 10-07-2017 05-07-2017 WJZ/17055522 15-07-2017
Artikel 2.3.4 — Artikel 2.3.4 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.3.4 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.3.2 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld inbevat ten minste de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.1.2, onderdeel 51 van het landbouwsteunkader. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. indien van toepassing de topsector waarbinnen het project wordt uitgevoerd; d. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen. 3 artikel 2.3.3, tweede lid De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een kopie van de door beide partijen getekende overeenkomst, bedoeld in. 4 artikel 5.15a 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.84a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving Met ingang van 1 december 2023 gaat de aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van een kopie van de door de aanvrager bij RVO aangeleverde rapportage in het kader vanofen indien van toepassing ook. 5 Aanvragers die niet kwalificeren als kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als bedoeld in deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 56, van het landbouwsteunkader overleggen een onderbouwing, inclusief bewijsstukken, waarmee aangetoond wordt dat het aangevraagde subsidiebedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de uitvoering van de investering, vergeleken met het nulscenario waarin geen subsidie wordt verleend. Deze onderbouwing wordt desgevraagd overlegd zodra de desbetreffende aanvraag tot subsidieverlening als volledig is beoordeeld. 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 04-04-2024 01-01-2024
Artikel 2.3.5 — Artikel 2.3.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.3.5 Verdeling van het subsidieplafond 1 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2 artikel 2.10.2, eerste lid artikel 2.3.2, eerste lid Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in, toegevoegd. 2021 31115 17-06-2021 12-06-2021 WJZ/20147778 2021 31115 17-06-2021 12-06-2021 WJZ/20147778 01-01-2022
Artikel 2.3.5a — Artikel 2.3.5a Starttermijn#
Artikel 2.3.5a Starttermijn 1 Met de uitvoering van een investering in bestaande bouw wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening. 2 Met de uitvoering van een nieuwbouwinvestering wordt gestart binnen 12 maanden na subsidieverlening. 2026 14591 01-05-2026 28-04-2026 WJZ/105480302 2026 14591 01-05-2026 28-04-2026 WJZ/105480302 01-07-2026
Artikel 2.3.6 — Artikel 2.3.6 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.3.6 Subsidiabele kosten 1 De kosten, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 153, onder a en b, van het landbouwsteunkader, komen in aanmerking voor de subsidie. 2 artikel 2.3.2, eerste lid, onderdelen b en c Onverminderd het eerste lid komen de kosten voor de fysieke aansluiting, bedoeld in, voor subsidie in aanmerking, voor zover deze kosten bestaan uit de werkelijke kosten voor materialen en aanleg van deze aansluiting, zoals de kosten voor buizen, verdeelstukken, pomp- en leidingenwerk, graafwerkzaamheden en overige toebehoren. 3 Bij de kosten voor de verwerving van onroerende zaken zijn inbegrepen de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster. 4 Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de verwerving van onroerende zaken met uitzondering van grond, ten behoeve waarvan subsidie door een bestuursorgaan is verleend in de periode van tien jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot subsidieverlening. 5 Voor de subsidie komen niet in aanmerking de kosten, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 154 van het landbouwsteunkader. 6 De maximale subsidiabele kosten per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak bedragen voor: a. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a een tweede energiescherm als bedoeld in: 1°. € 7; 2°. € 8, voor zover het totaal aantal vierkante meters geïnstalleerd kasoppervlak minder dan 4 hectare bedraagt; b. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d een luchtbehandelingssysteem als bedoeld in, € 30; c. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel e een vernevelingsinstallatie als bedoeld in, € 4; d. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f het plaatsen van een energiescherm inclusief ophogen kas en verdekken met diffuus glas met tweezijdige AR-coating als bedoeld in, € 41. 7 artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel g De maximale subsidiabele kosten voor vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting of installatie van LED-belichting in nieuwbouwkassen en onbelichte bestaande kassen als bedoeld in, bedragen € 0,35 per micromol per seconde per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak. 2023 25569 15-09-2023 13-09-2023 WJZ/35046323 2023 25569 15-09-2023 13-09-2023 WJZ/35046323 16-09-2023
Artikel 2.3.7 — Artikel 2.3.7 Hoogte subsidie#
Artikel 2.3.7 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt 20% van de subsidiabele kosten. 2 De subsidie bedraagt ten minste € 2.500 per aanvraag en voor de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in: a. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a , ten hoogste € 250.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; b. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b , ten hoogste € 150.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; c. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel c , ten hoogste € 50.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; d. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d , ten hoogste € 375.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; e. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel e , ten hoogste € 100.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; f. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f , ten hoogste € 500.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; g. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel g , ten hoogste € 500.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband. 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 04-04-2024 01-01-2024
Artikel 2.3.8 — Artikel 2.3.8 Staatssteun#
Artikel 2.3.8 Staatssteun artikel 2.3.2 De subsidie, bedoeld inbevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregelen SA.50448 (2018/N), SA.59823 (2020/N) en SA.106646 (2023/N) en paragraaf 1.1.1.1. van het landbouwsteunkader. 2023 25569 15-09-2023 13-09-2023 WJZ/35046323 2023 25569 15-09-2023 13-09-2023 WJZ/35046323 16-09-2023
Artikel 2.3.9 — Artikel 2.3.9 Vervaltermijn#
Artikel 2.3.9 Vervaltermijn bijlage 2.3.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 15167 06-06-2023 25-05-2023 WJZ/22429172 2023 15167 06-06-2023 25-05-2023 WJZ/22429172 01-07-2023
Artikel 2.3.10 — Artikel 2.3.10 Standstill#
Artikel 2.3.10 Standstill artikel 2.3.2 De subsidie, bedoeld in., bevat staatssteun en wordt niet eerder verleend dan nadat de Europese Commissie goedkeuring heeft gegeven voor deze regeling in een procedure als bedoeld in artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 2023 25569 15-09-2023 13-09-2023 WJZ/35046323 2023 25569 15-09-2023 13-09-2023 WJZ/35046323 16-09-2023
Artikel 2.4.1 — Artikel 2.4.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.4.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: aanschaf: artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek paragraaf 3.2 van het Besluit heffing omzetbelasting bij leasing verkrijging van de eigendom als bedoeld inkrachtens koop of financial leasing als bedoeld in; agrarisch loonwerkbedrijf: onderneming die in opdracht van een landbouwonderneming werkzaamheden verricht in de primaire landbouwproductie; DC-laadstation: Verordening (EU) 2023/1804 Richtlijn 2014/94/EU laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van, met ingebouwde converter; kentekenregister: artikel 42 Wegenverkeerswet 1994 het register, bedoeld in; landbouwmachine: volledig batterij-elektrisch of via netstroom aangedreven machine, niet zijnde een landbouwtractor, die is ontworpen voor het uitvoeren van taken in de primaire landbouwproductie; landbouwtractor: verordening (EU) 167/2013 volledig batterij-elektrisch aangedreven landbouwvoertuig als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met achtste lid, van. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.2 — Artikel 2.4.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.4.2 Subsidieverstrekking De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf voor de aanschaf van een of meerdere nieuwe: indien deze investering is gericht op het verminderen of het voorkomen van de uitstoot van broeikasgassen. a. landbouwmachines met een continu elektrisch motorvermogen van ten minste anderhalf kW; b. landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van 29 tot en met 74 kW, oftewel 40 tot en met 100 pk, al dan niet inclusief een DC-laadstation; of c. landbouwtractoren met een continu elektrisch motorvermogen van meer dan 74 kW, oftewel 100 pk, al dan niet inclusief een DC-laadstation; 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.3 — Artikel 2.4.3 Maximumaantal aanvragen#
Artikel 2.4.3 Maximumaantal aanvragen Een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf kan per dag ten hoogste: laadstation. a. artikel 2.4.2, onderdeel a één aanvraag indienen voor ten hoogste twee landbouwmachines als bedoeld in; en b. één aanvraag indienen voor ten hoogste: 1°. artikel 2.4.2, onderdeel b of c twee landbouwtractoren als bedoeld in; of 2°. artikel 2.4.2, onderdeel b of c één landbouwtractor als bedoeld inen één DC- 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.4 — Artikel 2.4.4 Hoogte subsidie#
Artikel 2.4.4 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt: a. voor de aanschaf van een landbouwmachine: 25% van de subsidiabele kosten; b. voor de aanschaf van een landbouwtractor met een continu elektrisch motorvermogen van 29 tot en met 74 kW, oftewel 40 tot en met 100 pk: 35% van de subsidiabele kosten; c. voor de aanschaf van een landbouwtractor met een continu elektrisch motorvermogen van meer dan 74 kW, oftewel 100 pk: 55% van de subsidiabele kosten; d. voor de aanschaf van een DC-laadstation: 1°. € 9.760, – voor een DC-laadstation met een vermogen van 50 tot 100 kW; 2°. € 17.700, – voor een DC-laadstation met een vermogen van 100 tot 150 kW; 3°. € 24.400,– voor een DC-laadstation met een vermogen vanaf 150 kW. 2 De subsidie bedraagt ten minste € 3.000, – per aanvraag en ten hoogste € 600.000, – per landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf per kalenderjaar. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.5 — Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten De subsidiabele kosten zijn: a. voor de aanschaf van een landbouwmachine of landbouwtractor: de aanschafkosten, inclusief af-fabriekopties; b. voor de aanschaf van een DC-laadstation: de kosten voor de aanschaf, bouw en installatie van een DC-laadstation. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.6 — Artikel 2.4.6 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.4.6 Verdeling subsidieplafond 1 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen om subsidieverlening. 2 artikel 2.4.2 Indien na afloop van de openstelling blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor een van de investeringen als bedoeld inlager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig toegevoegd aan het subsidieplafond voor andere investeringen als bedoeld in artikel 2.4.2. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.7 — Artikel 2.4.7 Realisatietermijn#
Artikel 2.4.7 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 2 De minister kan op gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot anderhalf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.8 — Artikel 2.4.8 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.4.8 Afwijzingsgronden De minister besluit afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvrager kwalificeert als een grote onderneming. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.9 — Artikel 2.4.9 Subsidieverplichtingen#
Artikel 2.4.9 Subsidieverplichtingen 1 De subsidieontvanger is verplicht: a. een aangeschafte landbouwtractor op zijn naam te stellen in het kentekenregister; b. ervoor zorg te dragen dat een aangeschafte landbouwtractor gedurende een periode van drie jaar na de vaststelling van de subsidie op zijn naam is gesteld in het kentekenregister; en c. een aangeschafte landbouwtractor voor ten minste 70% van de tijd in de landbouw te gebruiken gedurende een periode van drie jaar na de vaststelling van de subsidie. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geldt niet indien de subsidieontvanger de aangeschafte landbouwtractor vervangt door een andere landbouwtractor die ook in aanmerking zou zijn gekomen voor subsidie op grond van deze titel en deze vervangende landbouwtractor gedurende de nog resterende termijn van de periode, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, op zijn naam is gesteld. In dit geval wordt de vaststellingsbeschikking op verzoek van de subsidieontvanger, na verstrekking van het kenteken, de overeenkomst en de factuur van deze andere landbouwtractor, dienovereenkomstig gewijzigd. 3 De uitzondering van het tweede lid geldt niet wanneer de subsidieontvanger voor de vervangende landbouwtractor subsidie aanvraagt. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.10 — Artikel 2.4.10 Terugvordering#
Artikel 2.4.10 Terugvordering 1 artikel 2.4.9, eerste en tweede lid artikelen 4:46 4:49 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht Indien niet is voldaan aan, kan de minister, onverminderd de,en, de subsidievaststelling wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terugvorderen. 2 artikel 2.4.9, eerste lid, onderdeel b Indien niet is voldaan aan de verplichting, genoemd in, wordt het terug te vorderen bedrag bepaald door de subsidie te verminderen met 1/36e van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.11 — Artikel 2.4.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.4.11 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.4.2 Een aanvraag voor subsidie op grond vanbevat ten minste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, de van toepassing zijnde SBI-code of SBI-codes, het rekeningnummer, het telefoonnummer, het e-mailadres en het bezoek- en postadres; b. een mkb-verklaring; c. een offerte en technische specificatie waaruit het merk, het type, de aanschafkosten, eventueel inclusief af-fabriekopties, de accucapaciteit en het continu elektrisch motorvermogen in kW van de aan te schaffen landbouwmachine of landbouwtractor blijken; d. een offerte en technische specificatie waaruit het merk, het type, de aanschaf- en installatiekosten en het vermogen in kW van het aan te schaffen DC-laadstation blijken; en e. een verklaring dat de aanvrager de landbouwtractor voor minstens 70% in de landbouw zal gebruiken gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de vaststelling van de subsidie; f. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert. 3 Een offerte als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is ten hoogste 90 dagen voorafgaand aan de dag van de subsidieaanvraag opgesteld. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.12 — Artikel 2.4.12 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.4.12 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, van het besluit Onverminderdbevat de aanvraag voor subsidievaststelling een afschrift van de factuur en van het betaalbewijs van de aangeschafte landbouwmachine, landbouwtractor of DC-laadstation, het serienummer van de aangeschafte landbouwmachine en het kenteken van de aangeschafte landbouwtractor. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.13 — Artikel 2.4.13 Staatssteun#
Artikel 2.4.13 Staatssteun artikel 2.4.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.4.14 — Artikel 2.4.14 Vervaltermijn#
Artikel 2.4.14 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 2026 4180 05-03-2026 07-02-2026 WJZ/103975578 01-04-2026
Artikel 2.5.1 — Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen 1 In deze titel wordt verstaan onder: LV-borgstellingskrediet: artikel 8 van bijlage 2.5.1 krediet dat overeenkomstigis verleend; LV-ondernemer: MKB-ondernemer die een LV-onderneming in stand houdt; LV-onderneming: Verordening (EU) nr. 1379/2013 Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 (EG) nr. 1224/2009 Verordening (EG) nr. 104/2000 landbouwonderneming of onderneming die actief is in de visserij- of aquacultuursector met activiteiten voor de productie van producten als bedoeld in bijlage I bijvan het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging vanenvan de Raad en tot intrekking vanvan de Raad (PbEU 2013, L 354); overnemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor het eerst voor eigen rekening en risico als MKB-ondernemer een LV-onderneming in stand gaat houden door van een bestaande LV-onderneming: a. zijnde een eenmanszaak, een maatschap of vennootschap onder firma de meerderheidswaarde van de activa in eigendom, pacht of erfpacht te verwerven; b. zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal: 1°. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van die vennootschap direct of indirect te verwerven, en 2°. de overwegende zeggenschap van die vennootschap te verkrijgen zonder op een eerder moment daarvan de enige of overwegende zeggenschap gehad te hebben; starter: LV-ondernemer zijnde: a. een natuurlijke persoon die niet langer dan drie jaar een LV-onderneming in stand houdt; b. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, waarvan de bestuurder een natuurlijke persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt; verordening (EU) 2018/848: Verordening (EU) 2018/848 Verordening (EG) nr. 834/2007 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking vanvan de Raad (PbEU 2018, L 150). 2 Voor de toepassing van deze titel kan de minister een instelling aanwijzen als financier. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 01-01-2026
Artikel 2.5.2 — Artikel 2.5.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.5.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het sluiten van kredietovereenkomsten met LV-ondernemers die betrekking hebben op LV-borgstellingskredieten. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een LV-ondernemer zal verstrekken voor de duur van de kredietovereenkomst. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 01-01-2026
Artikel 2.5.3 — Artikel 2.5.3 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.5.3 Afwijzingsgronden 1 Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een LV-ondernemer: a. die over voldoende financiële middelen beschikt om zijn LV-onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven; b. die een substantieel deel van de activiteiten van de LV-onderneming niet in Nederland uitvoert; of c. die een LV-onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de LV-onderneming nog geen heel jaar in stand is gehouden, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: 1°. de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die direct verband houden met: a. de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; b. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; c. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van uitvoer, of d. investeringen die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 01-01-2026
Artikel 2.5.4 — Artikel 2.5.4 Provisie#
Artikel 2.5.4 Provisie 1 artikel 32, derde lid, van het besluit Het tarief van de provisie, bedoeld inbedraagt eenmalig 3 procent. 2 In afwijking van het eerste lid bedraagt de provisie eenmalig 1 procent indien de overeenkomst van borgtocht een LV-borgstellingskrediet betreft voor een starter of overnemer. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 01-01-2026
Artikel 2.5.5 — Artikel 2.5.5 Subsidiemaximum en verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.5.5 Subsidiemaximum en verdeling van het subsidieplafond 1 De minister verdeelt het subsidieplafond door vaststelling van een maximum subsidiebedrag per financier die zich bij de minister heeft aangemeld. 2 De minister stelt uiterlijk op 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve het maximum subsidiebedrag per financier vast. 3 bijlage 2.5.1 De minister verdeelt het subsidieplafond voor de banken, bedoeld in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de verleningen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het model LV-borgstellingsovereenkomst, zoals opgenomen in. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 01-01-2026
Artikel 2.5.6 — Artikel 2.5.6 Omvang borgstelling#
Artikel 2.5.6 Omvang borgstelling 1 Er wordt borg gestaan voor 70 procent van het kredietbedrag. 2 Onverminderd het eerste lid, bedraagt het krediet waarvoor wordt borg gestaan ten hoogste € 2.500.000. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 01-01-2026
Artikel 2.5.7 — Artikel 2.5.7 LV-borgstellingsovereenkomst#
Artikel 2.5.7 LV-borgstellingsovereenkomst bijlage 2.5.1 Het model voor de LV-borgstellingsovereenkomst is opgenomen in. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 01-01-2026
Artikel 2.5.8 — Artikel 2.5.8 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.5.8 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.5.2 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld inbevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 2.5.2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld inten minste: a. gegevens over de financier, waaronder de statutaire naam, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de financier, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over de financier, waaronder de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer en het uitwinningsbeleid van krediet. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 2.5.9 — Artikel 2.5.9 Staatssteun#
Artikel 2.5.9 Staatssteun artikel 2.5.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2024 35711 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/81944989 2024 35711 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/81944989 30-12-2024
Artikel 2.5.10 — Artikel 2.5.10 Vervaltermijn#
Artikel 2.5.10 Vervaltermijn bijlage 2.5.1 Deze titel envervallen met ingang van 31 december 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 2025 35015 23-10-2025 13-10-2025 WJZ/101215959 30-12-2025
Artikel 2.6.1 — Artikel 2.6.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.6.1 Begripsbepalingen Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.2 — Artikel 2.6.2 Subsidieaanvraag#
Artikel 2.6.2 Subsidieaanvraag Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.3 — Artikel 2.6.3 Omvang en voorwaarden garantstelling#
Artikel 2.6.3 Omvang en voorwaarden garantstelling Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.4 — Artikel 2.6.4 Maximum garantstelling#
Artikel 2.6.4 Maximum garantstelling Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.5 — Artikel 2.6.5 Garantstellingsovereenkomst#
Artikel 2.6.5 Garantstellingsovereenkomst Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.6 — Artikel 2.6.6 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.6.6 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.7 — Artikel 2.6.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.6.7 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.8 — Artikel 2.6.8 Provisie#
Artikel 2.6.8 Provisie Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.9 — Artikel 2.6.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.6.9 Informatieverplichtingen Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.10 — Artikel 2.6.10 Staatssteun#
Artikel 2.6.10 Staatssteun Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.6.11 — Artikel 2.6.11 Vervaltermijn#
Artikel 2.6.11 Vervaltermijn Vervallen 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 2014 36086 17-12-2014 15-12-2014 WJZ/14183877 01-01-2016 Blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend.
Artikel 2.7.1 — Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.7.1 Begripsbepalingen Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.2 — Artikel 2.7.2 Subsidieaanvraag#
Artikel 2.7.2 Subsidieaanvraag Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.3 — Artikel 2.7.3 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.7.3 Informatieverplichtingen Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.4 — Artikel 2.7.4 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.7.4 Afwijzingsgronden Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.5 — Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.6 — Artikel 2.7.6 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.7.6 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.7 — Artikel 2.7.7 Hoogte subsidie#
Artikel 2.7.7 Hoogte subsidie Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.8 — Artikel 2.7.8 Staatssteun#
Artikel 2.7.8 Staatssteun Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.7.9 — Artikel 2.7.9 Vervaltermijn#
Artikel 2.7.9 Vervaltermijn Vervallen 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 2015 30293 16-09-2015 10-09-2015 DGAN-PDJNG/15119206 01-10-2020
Artikel 2.8.1 — Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.8.2 — Artikel 2.8.2 Verstrekking voucher genotypering TSE#
Artikel 2.8.2 Verstrekking voucher genotypering TSE Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.8.3 — Artikel 2.8.3 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.8.3 Afwijzingsgronden Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.8.4 — Artikel 2.8.4 Verdeling vouchers genotypering TSE#
Artikel 2.8.4 Verdeling vouchers genotypering TSE Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.8.5 — Artikel 2.8.5 Verstrekking van subsidie aan erkende laboratoria#
Artikel 2.8.5 Verstrekking van subsidie aan erkende laboratoria Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.8.6 — Artikel 2.8.6 Hoogte subsidie#
Artikel 2.8.6 Hoogte subsidie Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.8.7 — Artikel 2.8.7 Staatssteun#
Artikel 2.8.7 Staatssteun Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.8.8 — Artikel 2.8.8 Vervaltermijn#
Artikel 2.8.8 Vervaltermijn Vervallen 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 2017 24063 26-04-2017 22-04-2017 WJZ/17024320 01-07-2017
Artikel 2.9.1 — Artikel 2.9.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.9.1 Begripsbepalingen Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.2 — Artikel 2.9.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.9.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.3 — Artikel 2.9.3 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.9.3 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.4 — Artikel 2.9.4 Indiening aanvraag tot vaststelling#
Artikel 2.9.4 Indiening aanvraag tot vaststelling Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.5 — Artikel 2.9.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.9.5 Subsidiabele kosten Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.6 — Artikel 2.9.6 Hoogte subsidie#
Artikel 2.9.6 Hoogte subsidie Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.6a — Artikel 2.9.6a Afwijzingsgrond#
Artikel 2.9.6a Afwijzingsgrond Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.7 — Artikel 2.9.7 Staatssteun#
Artikel 2.9.7 Staatssteun Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.9.8 — Artikel 2.9.8 Vervaltermijn#
Artikel 2.9.8 Vervaltermijn Vervallen 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 2016 43926 26-08-2016 25-08-2016 WJZ/16105576 01-02-2021 2019 69551 24-12-2019 23-12-2019 WJZ/19292542 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2019/69551 gesteld op 10
oktober 2025. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2016/43926 gesteld op 10
oktober 2020.
Artikel 2.10.1 — Artikel 2.10.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.10.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: kasenergiesysteem: alle apparatuur, installaties of machines ten behoeve van de energievoorziening van de kas of de beheersing van het kasklimaat; kasteeltsysteem: geheel van maatregelen, technieken en voorzieningen voor de productie, oogst en verwerking van gewassen, niet zijnde een kasenergiesysteem; primaire energie: energie uitgedrukt in hoeveelheid fossiele brandstof berekend op basis van de benodigde productie van de afzonderlijke energiesoorten waaronder in ieder geval elektriciteit en warmte. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.10.2 — Artikel 2.10.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.10.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een glastuinbouwonderneming of een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen voor investeringen in een kas of een kasenergiesysteem: a. die tot energie-efficiëntie leiden binnen de regels die in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gesteld; of b. die de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen van de glastuinbouwonderneming bevorderen binnen de regels die in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gesteld. 2 Per glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverband kan één aanvraag worden ingediend voor een investering als bedoeld in het eerste lid. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.10.3 — Artikel 2.10.3 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.10.3 Afwijzingsgronden 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. voor investeringen in een kas, indien: 1°. de kas geen diffuus kasdek heeft: – met een lichttransmissie voor PAR-licht die minimaal 73 procent hemisferisch op gewashoogte is; en – waarvan het glas een Haze heeft van minimaal 35 procent; 2°. de kas niet is voorzien van: – minimaal 2 tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar te sluiten energieschermen; – minimaal een energiescherm voor overdag met een lichtdoorlatendheid dat minimaal 70 procent hemisferisch is; en – minimaal een hoogisolerend energiescherm voor de nacht; 3°. de kas op grond van de IDT-methode uit het jaar 2007 geen U-waarde heeft van maximaal 3 in een situatie met gesloten schermen; b. voor investeringen in een kasenergiesysteem die niet ten minste leiden tot: 1°. 2 25 procent reductie van CO-emissie uit de glasopstanden van de glastuinbouwonderneming; en 2°. 15 procent primaire energiereductie op nationaal niveau; c. voor investeringen in een kas of kasenergiesysteem die respectievelijk dat zich niet in de beginfase van de marktintroductie bevindt; d. artikel 2.10.4 indien de subsidie aan een glastuinbouwonderneming of per glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen op grond vanlager zou zijn dan € 125.000; e. artikel 2.10.9, derde lid, onderdeel f indien het aannemelijk is dat de activiteiten waar de aanvraag tot subsidieverlening betrekking op heeft in strijd zijn met de toepasselijke wettelijke voorschriften, bedoeld in; f. voor investeringen: 1°. in een ketel of kachel gestookt op biomassa niet zijnde een biowarmtekrachtkoppelinginstallatie, vergasser op basis van niet-houtige biomassa of wervelbed ketel; 2°. in een kasteeltsysteem; 3°. Besluit stimulering duurzame energieproductie in een aardwarmteproject waarvoor eerder op grond van hetsubsidie verstrekt is of subsidie kan worden aangevraagd; of 4°. hoofdstuk 4 waarvoor eerder op grond vanvan deze regeling een subsidie is verstrekt; g. voor investeringen in energie-efficiëntie die betrekking hebben op verbeteringen die worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband voldoet respectievelijk voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen; h. voor investeringen ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen die bestemd zijn voor: 1°. de productie van biobrandstoffen, voor zover de gesteunde investering niet wordt gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen; 2°. biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt; 3°. richtlijn 2000/60/EG waterkrachtinstallaties die niet aanvan het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327) voldoen; 4°. een installatie die niet nieuw is; of 5°. een installatie die al in bedrijf is; i. indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband niet overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is respectievelijk zijn ingeschreven; j. artikel 24, tweede lid, van de Landbouwwet indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband niet voldaan heeft respectievelijk hebben aan, indien aan hem respectievelijk hen op grond van artikel 24, eerste lid, van die wet door de minister beschrijvingsbiljetten zijn uitgereikt of gezonden, voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; of 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn; k. 2 artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO-emissies glastuinbouw indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband geen emissieaangifte als bedoeld inheeft respectievelijk hebben ingediend voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; of 2°. het jaar voorafgaand daaraan, indien de gegevens voor de aangifte van het jaar waarin de subsidie is aangevraagd nog niet beschikbaar zijn. 2 Een kas of kasenergiesysteem bevindt zich niet in de beginfase van de marktintroductie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien: a. de kas of het kasenergiesysteem wordt toegepast: 1°. op meer dan 5 procent van het potentiële toepassingsareaal, of 2°. op meer dan 5 procent van de daarbij behorende ondernemingen, of b. artikel 2.10.2, eerste lid er al op grond van, voor 15 aanvragen voor het desbetreffende type kas of kasenergiesysteem subsidie is verleend. 3 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel h, onder 1°, komt investeringssteun om bestaande installaties voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen om te bouwen tot installaties voor geavanceerde biobrandstoffen wel voor subsidie in aanmerking, indien die op voedingsgewassen gebaseerde productie wordt verminderd naar rato van de nieuwe capaciteit. 4 titel 16.2 van de Wet milieubeheer De afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel k, is niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband waaropvan toepassing is. 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 04-04-2024 01-01-2024 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden
doorgevoerd.
Artikel 2.10.4 — Artikel 2.10.4 Hoogte subsidie#
Artikel 2.10.4 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt: a. 30 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor grote ondernemingen die investeren in energie-efficiëntiemaatregelen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of b. 40 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor grote ondernemingen die investeren in de productie van energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of c. 40 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor middelgrote of kleine ondernemingen die investeren in: 1° energie-efficiëntiemaatregelen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of 2° de productie van energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 9248 18-03-2025 16-03-2025 WJZ/76699731 2025 9248 18-03-2025 16-03-2025 WJZ/76699731 19-03-2025
Artikel 2.10.5 — Artikel 2.10.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.10.5 Subsidiabele kosten 1 De subsidiabele kosten zijn uitsluitend: a. de bijkomende investeringskosten ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of b. de investeringskosten ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen, bedoeld in artikel 41, zevende lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, respectievelijk artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: a. kosten voor grondaankoop; b. kosten verbonden aan het verrichten van haalbaarheidsstudies; c. kosten voor een warmtekrachtkoppelingsinstallatie die gebruik maakt van tropische oliën of tropische biomassa, voor zover niet voorzien van duurzaamheidscertificaten; en d. kosten voor in de glastuinbouwsector gangbare investeringen. 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 2024 10672 03-04-2024 28-03-2024 WJZ/48441981 04-04-2024 01-01-2024
Artikel 2.10.6 — Artikel 2.10.6 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.10.6 Verdeling van het subsidieplafond 1 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2 artikel 2.10.2, eerste lid De minister rangschikt aanvragen van subsidie voor kassen en kasenergiesystemen als bedoeld in, hoger naarmate deze investering naar het oordeel van de minister: a. meer bijdraagt aan klimaat-neutrale glastuinbouw door: 1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en 2°. 2 een zo laag mogelijke CO-uitstoot; b. meer bijdraagt aan de kennisontwikkeling in de glastuinbouwsector; c. meer technisch, teelt-technisch en economisch perspectief heeft; en d. gericht is op teelt-technisch of economisch inpasbare systemen die een hoger niveau van ontwikkeling of doorontwikkeling vertegenwoordigen. 3 artikel 2.10.2, eerste lid Onverminderd het tweede lid rangschikt de minister aanvragen van subsidie als bedoeld in, hoger voor zover deze aanvraag een investering in een kas betreft. 4 artikel 2.3.2, eerste lid artikel 2.10.2, eerste lid Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in, toegevoegd. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.10.7 — Artikel 2.10.7 Realisatietermijn#
Artikel 2.10.7 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is drie jaar. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.10.8 — Artikel 2.10.8 Verplichtingen#
Artikel 2.10.8 Verplichtingen 1 artikel 2.10.7 Binnen de termijn, genoemd in: a. artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet voldoet de glastuinbouwonderneming aan wie op grond vandoor de minister beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt of gezonden, telkens aan artikel 24, tweede lid, van die wet voor in ieder geval het jaar waarin de gegevens zijn opgevraagd; en b. 2 Regeling kostenverevening reductie CO-emissies dient de glastuinbouwonderneming jaarlijks een emissieaangifte in als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de. 2 artikel 15.51, tweede lid, onderdeel b, van de Wet milieubeheer De verplichting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming als bedoeld in. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.10.9 — Artikel 2.10.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.10.9 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.10.2, eerste lid Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidieverlening ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; en c. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen. 3 De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: a. een technische beschrijving en onderbouwing van de te subsidiëren activiteiten waaruit blijkt dat: 1°. de investering zal leiden tot energie-efficiëntie of de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen; 2°. artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel a indien de investering op een kas betrekking heeft, de kas voldoet aan de eisen, bedoeld in; en 3°. 2 artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel b de investering, indien deze op een kasenergiesysteem betrekking heeft, zal leiden tot de te bereiken CO-reductie en primaire energiereductie, bedoeld in; b. een nader gespecificeerde begroting van: 1°. artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen a en b de bijkomende investeringskosten, bedoeld in; en 2°. de totale investeringskosten; c. offertes behorend bij de investeringskosten, bedoeld in onderdeel b; d. een jaarafrekening van de energieleverancier aan de betrokken glastuinbouwonderneming over het meest recente jaar; e. een onderbouwing waaruit blijkt hoe de investering, bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, wordt gefinancierd; en f. voor zover van toepassing, de aanvragen voor bescheiden, zoals aanvragen voor vergunningen, waaruit blijkt dat de activiteiten waar de aanvraag tot subsidieverlening betrekking op heeft, uitgevoerd worden met inachtneming van de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn. 4 De aanvraag tot subsidievaststelling bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; en c. de onderbouwing van het vast te stellen subsidiebedrag. 5 artikel 50, tweede lid, van het besluit Onverminderdgaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van: a. een bewijs dat het energiesysteem of de kas waarvoor subsidie is aangevraagd, in gebruik is, respectievelijk zijn genomen; en b. een jaarafrekening van de energieleverancier aan de betrokken glastuinbouwonderneming over het meest recente jaar. 6 De subsidieontvanger verleent tot drie jaar na de subsidievaststelling desgevraagd medewerking aan: a. een door de minister geëntameerd onderzoek; of b. voorlichting in het kader van het energietransitie-programma Kas als Energiebron. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.10.10 — Artikel 2.10.10 Staatssteun#
Artikel 2.10.10 Staatssteun artikel 2.10.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.10.11 — Artikel 2.10.11 Vervaltermijn#
Artikel 2.10.11 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 2022 10445 15-04-2022 13-04-2022 WJZ/21255759 16-04-2022
Artikel 2.11.1 — Artikel 2.11.1 Begripsbepaling#
Artikel 2.11.1 Begripsbepaling In deze titel wordt verstaan onder: visserijactiviteit: het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, vetmesten en aanlanden van vis en visserijproducten; visserijonderneming: onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten. 2019 35465 26-06-2019 25-06-2019 WJZ/19141038 2019 35465 26-06-2019 25-06-2019 WJZ/19141038 01-07-2019
Artikel 2.11.2 — Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteiten#
Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteiten 1 Artikel 3.5.17, eerste lid , is van overeenkomstige toepassing op IPC-projecten die gericht zijn op: a. vangstmethoden of vistuigen om selectiever te vissen; b. vangstmethoden of vistuigen die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige in de visserij gebruikte methoden of tuigen; c. vermindering van de negatieve invloed op klimaat of milieu door visserijactiviteiten; of d. andere vangstmethoden of kweekmethoden, die bijdragen aan een duurzame visserij. 2 Een IPC-verband ten behoeve van een duurzame visserij bestaat, naast de IPC-penvoerder, uit ten minste twee en ten hoogste twintig niet met een andere IPC-deelnemer of de IPC-penvoerder in een groep verbonden MKB-ondernemers, van wie ten minste de helft een visserijonderneming in stand houdt. 3 artikelen 3.1.1 3.5.1 3.5.2 3.5.17, eerste lid 3.5.19 3.5.20 3.5.21 3.5.22, aanhef en onderdelen a, b, d en e 3.5.25, eerste en tweede lid 3.5.26 De,,,,,,,,, enzijn van overeenkomstige toepassing op deze titel. 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 12-03-2020
Artikel 2.11.3 — Artikel 2.11.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.11.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie voor activiteiten van een IPC-deelnemer voor de uitvoering van zijn innovatieplan bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten van de IPC-deelnemer tot een maximum van € 125.000. 2 De subsidie voor de activiteiten van een IPC-penvoerder bedraagt € 4.000 per IPC-deelnemer. 3 De som van subsidies bedraagt voor het gehele IPC-project ten hoogste € 550.000. 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 12-03-2020
Artikel 2.11.4 — Artikel 2.11.4 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.11.4 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening, indien: a. er geen sprake is van daadwerkelijke samenwerking binnen het IPC-project; of b. een IPC-deelnemer binnen het IPC-project waaraan hij deelneemt meer dan 70 procent van het totaal van de voor alle IPC-deelnemers in aanmerking komende subsidiabele kosten voor zijn rekening neemt. 2019 35465 26-06-2019 25-06-2019 WJZ/19141038 2019 35465 26-06-2019 25-06-2019 WJZ/19141038 01-07-2019
Artikel 2.11.5 — Artikel 2.11.5 Subsidievaststelling#
Artikel 2.11.5 Subsidievaststelling De subsidie voor de activiteiten van een IPC-penvoerder wordt ambtshalve vastgesteld. 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 12-03-2020
Artikel 2.11.5a — Artikel 2.11.5a#
Artikel 2.11.5a Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies artikel 2.11.2, eerste lid is niet van toepassing een op een subsidie als bedoeld in. 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 2020 14359 11-03-2020 05-03-2020 WJZ/20018390 12-03-2020
Artikel 2.11.6 — Artikel 2.11.6 Vervaltermijn#
Artikel 2.11.6 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2022 17075 29-06-2022 27-06-2022 WJZ/22268830 2022 17075 29-06-2022 27-06-2022 WJZ/22268830 01-07-2022
Artikel 2.12.1* — Artikel 2.12.1* Begripsbepalingen#
Artikel 2.12.1* Begripsbepalingen Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.2* — Artikel 2.12.2* Subsidieverstrekking#
Artikel 2.12.2* Subsidieverstrekking Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.3* — Artikel 2.12.3* Hoogte subsidie#
Artikel 2.12.3* Hoogte subsidie Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.4* — Artikel 2.12.4* Niet-subsidiabele kosten#
Artikel 2.12.4* Niet-subsidiabele kosten Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.5* — Artikel 2.12.5* Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.12.5* Verdeling subsidieplafond Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.6* — Artikel 2.12.6* Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.12.6* Start- en realisatietermijn Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.7* — Artikel 2.12.7* Afwijzingsgronden#
Artikel 2.12.7* Afwijzingsgronden Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.8* — Artikel 2.12.8* Verplichtingen subsidieontvangers#
Artikel 2.12.8* Verplichtingen subsidieontvangers Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.9* — Artikel 2.12.9* Cumulatie#
Artikel 2.12.9* Cumulatie Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.10* — Artikel 2.12.10* Informatieverplichtingen#
Artikel 2.12.10* Informatieverplichtingen Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.11* — Artikel 2.12.11* Staatssteun#
Artikel 2.12.11* Staatssteun Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.12.12* — Artikel 2.12.12* Vervaltermijn#
Artikel 2.12.12* Vervaltermijn Vervallen 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 2020 28514 02-06-2020 23-05-2020 WJZ/20031950 01-07-2025
Artikel 2.13.1 — Artikel 2.13.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.13.1 Begripsomschrijvingen Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.12.2 — Artikel 2.12.2 Subsidiabele activiteit#
Artikel 2.12.2 Subsidiabele activiteit Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.13.3 — Artikel 2.13.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.13.3 Hoogte subsidie Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.12.4 — Artikel 2.12.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.12.4 Subsidiabele kosten Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.12.5 — Artikel 2.12.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.12.5 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.12.6 — Artikel 2.12.6 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.12.6 Informatieverplichtingen Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.12.7 — Artikel 2.12.7 Staatssteun#
Artikel 2.12.7 Staatssteun Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.12.8 — Artikel 2.12.8 Vervaltermijn#
Artikel 2.12.8 Vervaltermijn Vervallen 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 2020 26441 20-05-2020 19-05-2020 WJZ/20074819 15-08-2025
Artikel 2.14.1 — Artikel 2.14.1 Begripsomschrijving#
Artikel 2.14.1 Begripsomschrijving Vervallen 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 01-07-2023
Artikel 2.14.2 — Artikel 2.14.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.14.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 01-07-2023
Artikel 2.14.3 — Artikel 2.14.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.14.3 Hoogte subsidie Vervallen 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 01-07-2023
Artikel 2.14.4 — Artikel 2.14.4 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.14.4 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 01-07-2023
Artikel 2.14.5 — Artikel 2.14.5 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.14.5 Informatieverplichtingen Vervallen 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 01-07-2023
Artikel 2.14.6 — Artikel 2.14.6 Staatssteun#
Artikel 2.14.6 Staatssteun Vervallen 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 01-07-2023
Artikel 2.14.7 — Artikel 2.14.7 Vervaltermijn#
Artikel 2.14.7 Vervaltermijn Vervallen 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 2020 35749 13-07-2020 26-06-2020 WJZ/20026737 01-07-2023
Artikel 2.15.1 — Artikel 2.15.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.15.1 Begripsbepalingen Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.2 — Artikel 2.15.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.15.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.3 — Artikel 2.15.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.15.3 Hoogte subsidie Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.4 — Artikel 2.15.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.15.4 Subsidiabele kosten Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.5 — Artikel 2.15.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.15.5 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.6 — Artikel 2.15.6 Realisatietermijn#
Artikel 2.15.6 Realisatietermijn Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.7 — Artikel 2.15.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.15.7 Afwijzingsgronden Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.7a — Artikel 2.15.7a Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.15.7a Rangschikkingscriteria Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.8 — Artikel 2.15.8 Adviescommissie#
Artikel 2.15.8 Adviescommissie Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.9 — Artikel 2.15.9 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.15.9 Verplichtingen subsidieontvanger Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.9a — Artikel 2.15.9a Modelovereenkomst#
Artikel 2.15.9a Modelovereenkomst Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.10 — Artikel 2.15.10 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.15.10 Informatieverplichtingen Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.11 — Artikel 2.15.11 Staatssteun#
Artikel 2.15.11 Staatssteun Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.15.12 — Artikel 2.15.12 Vervaltermijn#
Artikel 2.15.12 Vervaltermijn Vervallen 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 2020 62915 30-11-2020 27-11-2020 WJZ/20229527 01-01-2026
Artikel 2.16.1 — Artikel 2.16.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.16.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: algemeen nut beogende instelling: instelling als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; innovatieproject: een project ter ondersteuning van de ontwikkeling of invoering van nieuwe of substantieel verbeterde producten en uitrusting, nieuwe of verbeterde processen en technieken en nieuwe of verbeterde beheer- en organisatiesystemen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij dat bijdraagt aan de verduurzaming van de visserijsector; marktdeelnemer: verordening (EU) nr. 1380/2013 Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 (EG) nr. 1224/2009 Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 (EG) nr. 639/2004 2004/585/EG marktdeelnemer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 30, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging vanenvan de Raad en tot intrekking vanenvan de Raad en Besluitvan de Raad (PbEU 2013, L 354); vispluis: een vorm van netbescherming in de demersale visserij, gemaakt van synthetisch touw dat bestaat uit ineengedraaide polyethyleendraadjes; visserijactiviteit: het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, vetmesten en aanlanden van vis en visserijproducten; visserijonderneming: onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten; visserijorganisatie: organisatie waarvan uit de statuten blijkt dat zij het collectief belang van vissers of visserijondernemingen behartigt. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.2 — Artikel 2.16.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.16.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een samenwerkingsverband voor de uitvoering van een innovatieproject en de verspreiding van de resultaten daarvan. 2 Het innovatieproject richt zich op: a. vangsttechnieken of vistuigen die: 1°. de selectiviteit vergroten; 2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of 3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of b. scheepstechnieken die bijdragen aan: 1°. de flexibilisering van vismethoden; 2°. de vermindering van brandstofverbruik; of 3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of c. het ontwikkelen van een alternatief voor vispluis. 3 Een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een onderzoeksorganisatie en ten minste een van onderstaande partijen: a. een visserijonderneming; b. een visserijorganisatie; c. een algemeen nut beogende instelling; of d. een marktdeelnemer. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.3 — Artikel 2.16.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.16.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt: a. voor de activiteiten van de onderzoeksorganisatie 100% van de subsidiabele kosten; b. voor de activiteiten van andere deelnemers in het samenwerkingsverband 75% van de subsidiabele kosten. 2 De subsidie bedraagt ten hoogste: a. € 124.999,99 per deelnemer per innovatieproject; en b. € 150.000,– per innovatieproject. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.4 — Artikel 2.16.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.16.4 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.5 — Artikel 2.16.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.16.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.6 — Artikel 2.16.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.16.6 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van het innovatieproject wordt uiterlijk gestart binnen twaalf maanden na de subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is minstens dertien maanden en hoogstens twee jaar en zes maanden na subsidieverlening. De subsidieontvanger voert de werkzaamheden binnen deze termijn uit. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.7 — Artikel 2.16.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.16.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de subsidiabele kosten per deelnemer per innovatieproject minder dan € 5.000,– bedragen; b. de subsidiabele kosten per innovatieproject minder dan € 25.000,– bedragen; c. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is, gelet op de uitwerking van: 1°. de planning; 2°. de begroting; 3°. de activiteiten; 4°. het doel; of 5°. de gehanteerde methodiek; of d. uit het projectplan niet blijkt hoe het innovatieproject leidt tot een substantiële vermindering van milieubelastende effecten of verduurzaming, in vergelijking met wat kan worden bereikt door onderhoud of andere activiteiten in het kader van de gangbare bedrijfsvoering. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.8 — Artikel 2.16.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.16.8 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger verspreidt de resultaten van het innovatieproject via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software. 2 De resultaten blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.9 — Artikel 2.16.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.16.9 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.16.2 Een aanvraag voor subsidie op grond vanbevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. 2 artikel 2.16.2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie op grond vanten minste: a. gegevens over de deelnemers aan het samenwerkingsverband, inclusief, voor zover van toepassing, per deelnemer het nummer waarmee de deelnemer is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, evenals de gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; b. een projectplan, inclusief planning en begroting, de activiteiten, het doel, de gehanteerde methodiek, de start- en einddatum, de bijdrage van het innovatieproject aan de vermindering van milieubelastende effecten of verduurzaming, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie; c. een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers; en d. een samenvatting van de projectomschrijving. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.10 — Artikel 2.16.10 Staatssteun#
Artikel 2.16.10 Staatssteun artikel 2.16.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 15 van de groepsvrijstellingsverordening visserij. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.16.11 — Artikel 2.16.11 Vervaltermijn#
Artikel 2.16.11 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.17.1 — Artikel 2.17.1 Begripsomschrijving#
Artikel 2.17.1 Begripsomschrijving In deze titel wordt verstaan onder: – aanvrager: organisatie, gemeente of gemeentelijke gezondheidsdienst met expertise op het raakvlak van natuur en voedseleducatie of op het raakvlak van gezondheid en voedseleducatie; – groene Jong Leren Eten-makelaar: een natuurlijk persoon met aantoonbare expertise op het raakvlak van natuur en voedseleducatie die in het werkplan van de aanvrager wordt genoemd; – Jong Leren Eten-makelaar: een groene of witte Jong Leren Eten-makelaar; – Programma Jong Leren Eten 2022–2024: meerjarig beleidsprogramma waarin de rijksoverheid provincies, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties stimuleert om samen te werken om kinderen en jongeren structureel meer kennis te bieden over zowel de herkomst van voedsel, als het leren maken van verstandige, gezonde, duurzame keuzes op het gebied van voeding; – Programma Jong Leren Eten 2025–2026: tweejarig beleidsprogramma waarin de rijksoverheid provincies, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties stimuleert om samen te werken om kinderen en jongeren structureel meer kennis te bieden over de herkomst van voedsel en hen te leren over verstandige, gezonde, duurzame keuzes op het gebied van voeding; – witte Jong Leren Eten-makelaar: een natuurlijk persoon met aantoonbare expertise op het raakvlak van gezondheid en voedseleducatie die in het werkplan van de aanvrager wordt genoemd. 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 28-11-2024
Artikel 2.17.2 — Artikel 2.17.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.17.2 Subsidieverstrekking 1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aanvrager die een Jong Leren Eten-makelaar, met de benodigde competenties en kennis op minimaal HBO werk- en denkniveau, inzet ter uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 voor de volgende door die makelaar uit te voeren activiteiten: a. het verbinden van de vraag van scholen en kinderopvangcentra in de desbetreffende provincie met het aanbod aan educatief materiaal en activiteiten op het gebied van duurzaam en gezond voedsel; b. het fungeren als aanspreekpunt voor de bij het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 betrokken partijen; c. het organiseren van activiteiten ten behoeve van de samenwerking tussen regionale partijen en de Jong Leren Eten-makelaars in die provincie. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor de volgende activiteiten: a. het door een Jong Leren Eten-makelaar zelf optreden als aanbieder van eigen projecten; b. het uitvoeren van activiteiten door een Jong Leren Eten-makelaar op scholen. 3 De benodigde competenties en kennis, bedoeld in het eerste lid, zijn: a. omgevingsbewustzijn en netwerken; b. bestuurssensitiviteit; c. creativiteit; d. plannen en organiseren; e. initiatiefrijk en analytisch; f. het hebben van visie; g. kennis over de invloed van gezonde voeding op gezondheid, voor zover het een witte Jong Leren Eten-makelaar betreft; h. kennis over duurzame voeding, voor zover het een groene Jong Leren Eten-makelaar betreft. 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 28-11-2024
Artikel 2.17.3 — Artikel 2.17.3#
Artikel 2.17.3 De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste: a. artikel 2.17.4, eerste lid, onderdeel a voor de subsidiabele kosten, bedoeld in: 1°. € 195.000 voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024; 2°. € 170.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026; b. artikel 2.17.4, eerste lid, onderdeel b voor de subsidiabele kosten, bedoeld in: 1°. € 82.500 voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024; 2°. € 55.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026; 3°. € 90.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026, in het geval dat de aanvrager namens de makelaars het gehele werkbudget voor de betreffende provincie beheert. 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 28-11-2024
Artikel 2.17.4 — Artikel 2.17.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.17.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking: a. loonkosten of de kosten van inhuur van de Jong Leren Eten-makelaar; b. artikel 2.17.2, eerste lid, onder a, b, of c aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in, worden gemaakt. 2 artikel 10, tweede lid, van het besluit In afwijking vanzijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024 subsidiabel vanaf 1 januari 2022 en voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026 subsidiabel vanaf 1 januari 2025. 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 28-11-2024
Artikel 2.17.5 — Artikel 2.17.5 Verdeling per provincie#
Artikel 2.17.5 Verdeling per provincie 1 artikel 2.17.2, eerste lid, onder a, b, of c De Minister verstrekt per provincie maximaal drie subsidies, waarvan in elk geval één subsidie voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in, door een groene Jong Leren Eten makelaar en één subsidie voor de uitvoering van die activiteiten door een witte Jong Leren Eten makelaar. 2 De Minister wijst per provincie de subsidies toe op volgorde van rangschikking. 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 03-01-2022
Artikel 2.17.6 — Artikel 2.17.6 Starttermijn#
Artikel 2.17.6 Starttermijn Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen uiterlijk een maand na de subsidieverlening. 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 03-01-2022
Artikel 2.17.7 — Artikel 2.17.7 Afwijzingsgrond#
Artikel 2.17.7 Afwijzingsgrond artikel 2.17.8 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van, aan de criteria, bedoeld in artikel 2.17.8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, in totaal minder dan 15 punten zijn toegekend. 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 03-01-2022
Artikel 2.17.8 — Artikel 2.17.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.17.8 Rangschikkingscriteria 1 De Minister rangschikt de aanvragen hoger naarmate: a. het werkplan meer bijdraagt aan de doelen van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026; b. de kwaliteit van het werkplan en de begroting hoger is; c. de makelaar meer beschikt over een voor het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 relevant netwerk, en de benodigde competenties, kennis, en ervaring. 2 De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe aan een aanvraag. 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 28-11-2024
Artikel 2.17.9 — Artikel 2.17.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.17.9 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de Minister ter beschikking wordt gesteld. 2 De aanvraag voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024 bevat ten minste: a. een werkplan voor 2022 tot en met 2024, inclusief een jaarplan voor 2022; b. een begroting voor 2022 tot en met 2024, inclusief een specifieke begroting voor 2022; c. het curriculum vitae van de Jong Leren Eten-makelaar. 3 De aanvraag voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026 bevat ten minste: a. een werkplan voor 2025 en 2026, inclusief een jaarplan voor 2025; b. een begroting voor 2025 en 2026, inclusief een specifieke begroting voor 2025; c. het curriculum vitae van de Jong Leren Eten-makelaar. 4 Het werkplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. de geplande activiteiten voor 2022–2024 en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024; b. de activiteiten die de Jong Leren Eten-makelaar voornemens is te organiseren ten behoeve van de samenwerking tussen de verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 in de provincie waarin de Jong Leren Eten-makelaar wordt ingezet en de doelstellingen van dat programma die daarmee worden bereikt; c. de kansen en mogelijke risico’s door samenwerking met de verschillende partijen, bedoeld in onderdeel b, voor zover zij activiteiten uitvoeren ten behoeve van kinderopvangcentra of onderwijsinstellingen. 5 Het werkplan, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. de geplande activiteiten voor 2025–2026 en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het Programma Jong Leren Eten 2025–2026; b. de activiteiten die de Jong Leren Eten-makelaar voornemens is te organiseren ten behoeve van de samenwerking tussen de verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 in de provincie waarin de Jong Leren Eten-makelaar wordt ingezet en de doelstellingen van dat programma die daarmee worden bereikt; c. de kansen en mogelijke risico’s door samenwerking met de verschillende partijen, bedoeld in onderdeel b, voor zover zij activiteiten uitvoeren ten behoeve van kinderopvangcentra of onderwijsinstellinge. 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 28-11-2024
Artikel 2.17.10 — Artikel 2.17.10 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.17.10 Verplichtingen subsidieontvanger 1 Uiterlijk op 1 november 2022 respectievelijk 2023 worden een jaarplan en begroting voor 2023 respectievelijk 2024 ingediend. 2 Uiterlijk op 1 april 2023 respectievelijk 2024 wordt de jaarrapportage 2022 respectievelijk 2023 ingediend en uiterlijk bij de aanvraag om subsidievaststelling wordt de jaarrapportage 2024 ingediend. 3 Uiterlijk op 31 januari 2026 worden de jaarrapportage 2025 en een jaarplan en begroting voor 2026 ingediend. 4 In de beschikking tot subsidieverlening wordt opgenomen wanneer de aanvraag om subsidievaststelling en de jaarrapportage 2026 uiterlijk ingediend moeten worden. 5 De subsidieontvanger waarborgt de kwaliteit en inzet van de Jong Leren Eten-makelaar. 6 artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit In afwijking van, behoeft, indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, het verzoek om subsidievaststelling niet vergezeld te gaan van een accountantsverklaring. 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 2024 35573 27-11-2024 22-11-2024 WJZ/63264461 28-11-2024
Artikel 2.17.11 — Artikel 2.17.11 Staatssteun#
Artikel 2.17.11 Staatssteun artikel 2.17.2 De subsidie, bedoeld in, bevat geen staatssteun. 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 03-01-2022
Artikel 2.17.12 — Artikel 2.17.12 Vervaltermijn#
Artikel 2.17.12 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 28 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 2021 49218 16-12-2021 14-12-2021 WJZ/21305345 03-01-2022
Artikel 2.18.1 — Artikel 2.18.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.18.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: bedrijf: artikel 1, eerste lid, onder i, van de Meststoffenwet bedrijf als bedoeld in; concentratiegebied: artikel 1, eerste lid, onder bb, van de Meststoffenwet concentratiegebied als bedoeld in; dierlijke meststoffen: artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet dierlijke meststoffen als bedoeld in; herinrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie: ombouwen van een bestaande mestverwerkingsinstallatie tot hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie of het realiseren van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie op een vaste locatie waar in de daaraan voorafgaande periode van 10 jaar op enig moment mestbewerking heeft plaatsgevonden; hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie: bijlage 2.18.1 systeem voor het hoogwaardig verwerken van dierlijke meststoffen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een proces zoals beschreven in; inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie: realiseren van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie op een vaste locatie waar in een voorafgaande periode van 10 jaar geen mestbewerking heeft plaatsgevonden; intentieverklaring: verklaring waarin een leverancier van meststoffen, zijnde een andere ondernemer dan de intermediaire onderneming, verklaart voornemens te zijn na ingebruikname van de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie dierlijke meststoffen te zullen leveren aan de intermediaire onderneming; intermediaire onderneming: artikel 1, eerste lid, onder o, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet onderneming als bedoeld in; leverancier van meststoffen: artikel 1, eerste lid, onder u, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet leverancier van meststoffen als bedoeld in; mestleveringsovereenkomst: overeenkomst tussen een leverancier van meststoffen, zijnde een andere ondernemer dan de intermediaire onderneming, en een intermediaire onderneming voor de levering van dierlijke meststoffen aan de intermediaire onderneming ten behoeve van bewerking door een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie; mestbewerking: het behandelen van dierlijke meststoffen tot een of meer bemestingsproducten met een andere samenstelling dan die van de dierlijke meststoffen voorafgaand aan de bewerking. 2025 22620 03-07-2025 29-06-2025 WJZ/98210565 2025 22620 03-07-2025 29-06-2025 WJZ/98210565 04-07-2025
Artikel 2.18.2 — Artikel 2.18.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.18.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject betreffende een investering of investeringen die bestemd is respectievelijk zijn voor: a. de inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie; of b. de herinrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie. 2 Een intermediaire onderneming dient per kalenderjaar maximaal één aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een investeringsproject in. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.3 — Artikel 2.18.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.18.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt: a. 35% van de subsidiabele kosten voor een grote onderneming, of b. 40% van de subsidiabele kosten voor een kleine of middelgrote onderneming. 2 Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie minimaal € 125.000,– en maximaal € 2.000.000,– per investeringsproject. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.4 — Artikel 2.18.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.18.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. 2 Onverminderd het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: a. kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen; b. kosten voor het bouwrijp maken van de grond, inclusief de kosten voor de sloop van aanwezige bebouwing; c. advieskosten omtrent bouwtekeningen; en d. kosten voor het transport of anderszins voor de aan- of aanvoer van mestproducten. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.5 — Artikel 2.18.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.18.5 Verdeling van het subsidieplafond 1 artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a De minister verdeelt op volgorde van rangschikking van de desbetreffende aanvragen, het plafond voor investeringsprojecten, bedoeld in, en het plafond voor investeringsprojecten, bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b. 2 artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onder b Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor investeringsprojecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het resterende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond toegevoegd voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onder a. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.6 — Artikel 2.18.6 Start en realisatietermijn#
Artikel 2.18.6 Start en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd investeringsproject wordt gestart binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is drie jaar. 3 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen tot een termijn van maximaal vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.7 — Artikel 2.18.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.18.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien: a. artikel 2.18.2 aan de intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject als bedoeld inin het voorafgaande kalenderjaar op dezelfde locatie reeds subsidie is verstrekt; b. artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet de intermediaire onderneming niet beschikt over een geldige registratie als bedoeld in; c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject; d. de capaciteit van de door het investeringsproject te realiseren hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie minder bedraagt dan een hoeveelheid van 24.000.000 kilogram dierlijke meststoffen per kalenderjaar; e. bijlage 2.18.1 het te realiseren productieproces niet overeenkomt met een proces opgenomen in; f. de intermediaire onderneming niet beschikt over de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject. 2024 23968 23-07-2024 18-07-2024 WJZ/63233298 2024 23968 23-07-2024 18-07-2024 WJZ/63233298 24-07-2024
Artikel 2.18.8 — Artikel 2.18.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.18.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een investeringsproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. de kosteneffectiviteit van het investeringsproject hoger is; b. artikel 2.18.10, vierde lid, onder b de verwachte benutting van de installatie groter is, gegeven het aantal mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen waarin het aanvoerplan, bedoeld in, voorziet, de gemiddelde looptijd van die overeenkomsten en de omvang van de overeengekomen mestaanvoer. 2 artikel 1, eerste lid, onder bb, van de Meststoffenwet De minister kent aan een investeringsproject dat zich bevindt op een locatie in een concentratiegebied, als bedoeld in10 punten toe. 3 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. 4 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 70, en voor het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 25. 5 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het tweede lid, vermenigvuldigd met 5. 6 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het investeringsproject zijn toegekend. 7 Indien onder het desbetreffende subsidieplafond aan twee of meer aanvragen voor een investeringsproject in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend aan onderdeel a van het eerste lid. 2023 26068 28-09-2023 22-09-2023 WJZ/35036503 2023 26068 28-09-2023 22-09-2023 WJZ/35036503 29-09-2023
Artikel 2.18.9 — Artikel 2.18.9 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.18.9 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat hij gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject. 2 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de capaciteit van de door het investeringsproject te realiseren hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie minimaal 24.000.000 kilogram dierlijke meststoffen per kalenderjaar bedraagt. 3 artikel 2.18.2, eerste lid artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet De subsidieontvanger zijnde de intermediaire onderneming, bedoeld in, beschikt gedurende de looptijd van het investeringsproject over een geldige registratie als bedoeld in. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.10 — Artikel 2.18.10 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.18.10 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.18.2 Een aanvraag voor subsidie op grond vanbevat tenminste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de intermediaire onderneming, het nummer waarmee de intermediaire onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. een verklaring dat er sprake is van een kleine, middelgrote of grote onderneming; en c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres. 3 De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: a. artikel 2.18.7, onderdeel f de vergunningen, bedoeld in; b. een omschrijving van het investeringsproject; c. een financieringsplan voor het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd; d. een begroting van het investeringsproject, al dan niet per mijlpaal; e. een beschrijving van het mestverwerkingsproces; en f. de tussen de intermediaire onderneming en leveranciers van dierlijke meststoffen afgesloten mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen. 4 De beschrijving van het mestverwerkingsproces, bedoeld in het derde lid, onder e, dient te bestaan uit: a. een beschrijving van de soorten dierlijke meststoffen die worden verwerkt, de hoeveelheden dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogram en in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar, en de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de eventueel tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen; b. een aanvoerplan voor de aan te leveren dierlijke meststoffen met daarin opgenomen mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen; c. bijlage 2.18.1 een beschrijving van het productieproces, waaronder de keuze voor één van de inbij deze regeling opgenomen processen, de volgorde waarin deze processtappen binnen het gekozen proces worden toegepast, de capaciteit per uur van de desbetreffende apparatuur, een massabalans en de wijze waarop de omvang van de productie wordt gemonitord; d. een beschrijving van de eindproducten van het productieproces, waaronder het gehalte stikstof, de hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram per kalenderjaar, de samenstelling onderscheiden naar de verschillende eindproducten en in welke sectoren de producten zullen worden afgezet. 5 De in het vierde lid genoemde mestleveringsovereenkomsten bevatten in ieder geval: a. gegevens over de leverancier van de dierlijke meststoffen, waaronder het soort bedrijf en het post- en bezoekadres; b. periode waar de mestleveringsovereenkomst voor is gesloten; c. de soort en hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogram stikstof en kilogram fosfaat, die de leverancier per kalenderjaar zal leveren; en d. ondertekening door beide partijen alsmede de datum van ondertekening. 6 De in het vierde lid genoemde intentieverklaringen bevatten in ieder geval: a. gegevens over de leverancier van de dierlijke meststoffen, waaronder het soort bedrijf en het post- en bezoekadres; b. de periode waarop de intentieverklaring ziet; c. de soort en hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogram stikstof en kilogram fosfaat, die de leverancier zal leveren; d. de ondertekening door de leverancier van de dierlijke meststoffen en de datum van ondertekening. 2024 23968 23-07-2024 18-07-2024 WJZ/63233298 2024 23968 23-07-2024 18-07-2024 WJZ/63233298 24-07-2024
Artikel 2.18.11 — Artikel 2.18.11 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.18.11 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject; en b. een document waaruit blijkt dat de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie in gebruik is genomen voorzien van de datum waarop de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie in gebruik is genomen. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.12 — Artikel 2.18.12 Staatssteun#
Artikel 2.18.12 Staatssteun artikel 2.18.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.18.13 — Artikel 2.18.13 Vervaltermijn#
Artikel 2.18.13 Vervaltermijn titel bijlage 2.18.1 Dezeenvervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 2022 31874 25-11-2022 22-11-2022 WJZ/21078774 26-11-2022
Artikel 2.19.1 — Artikel 2.19.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.19.1 Begripsbepalingen Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.2 — Artikel 2.19.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.19.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.3 — Artikel 2.19.3 Aanvrager#
Artikel 2.19.3 Aanvrager Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.4 — Artikel 2.19.4 Hoogte subsidie#
Artikel 2.19.4 Hoogte subsidie Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.5 — Artikel 2.19.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.19.5 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.6 — Artikel 2.19.6 Subsidievoorwaarden/verplichtingen ontvanger#
Artikel 2.19.6 Subsidievoorwaarden/verplichtingen ontvanger Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.7 — Artikel 2.19.7 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.19.7 Informatieverplichtingen Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.8 — Artikel 2.19.8 Bijzondere voorziening ingeval van bedrijfsoverdracht#
Artikel 2.19.8 Bijzondere voorziening ingeval van bedrijfsoverdracht Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.9 — Artikel 2.19.9 Staatssteun#
Artikel 2.19.9 Staatssteun Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.19.10 — Artikel 2.19.10 Vervaltermijn#
Artikel 2.19.10 Vervaltermijn Vervallen 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 2023 6727 28-02-2023 27-02-2023 WJZ/22573857 01-01-2026
Artikel 2.20.1 — Artikel 2.20.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.20.1 Begripsomschrijvingen Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.2 — Artikel 2.20.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.20.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.3 — Artikel 2.20.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.20.3 Hoogte subsidie Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.4 — Artikel 2.20.4 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.20.4 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.5 — Artikel 2.20.5 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.20.5 Afwijzingsgronden Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.6 — Artikel 2.20.6 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.20.6 Informatieverplichtingen Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.7 — Artikel 2.20.7 Subsidievaststelling#
Artikel 2.20.7 Subsidievaststelling Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.8 — Artikel 2.20.8 Staatssteun#
Artikel 2.20.8 Staatssteun Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.20.9 — Artikel 2.20.9 Vervaltermijn#
Artikel 2.20.9 Vervaltermijn Vervallen 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 2023 8218 24-03-2023 22-03-2023 WJZ/22462416 01-01-2025
Artikel 2.21.1 — Artikel 2.21.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.21.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: eigenaar van een vissersvaartuig: artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de groepsvrijstellingsverordening visserij die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het register, bedoeld in, is ingeschreven; vissersvaartuig: verordening (EU) nr. 1380/2013 Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 (EG) nr. 1224/2009 (EG) nr. 2371/2002 (EG) nr. 639/2004 2004/585/EG artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging vanenvan de Raad en tot intrekking van Verordeningenenvan de Raad en Besluitvan de Raad (PbEU 2013, L 354), dat is ingeschreven in het register, bedoeld in. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.2 — Artikel 2.21.2 Subsidieaanvraag#
Artikel 2.21.2 Subsidieaanvraag De minister verleent op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van een vissersvaartuig met de maatregelen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.3 — Artikel 2.21.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.21.3 Hoogte subsidie 1 De hoogte van de subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten. 2 De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 1.250.000 per eigenaar van een vissersvaartuig. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.4 — Artikel 2.21.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.21.4 Subsidiabele kosten De kosten, bedoeld in artikel 27, vierde lid, onder i, ii en iii, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, met uitzondering van de kosten van vistuigen, komen voor een subsidie in aanmerking. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.5 — Artikel 2.21.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.21.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.6 — Artikel 2.21.6 Realisatietermijn#
Artikel 2.21.6 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is twee jaar. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.7 — Artikel 2.21.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.21.7 Afwijzingsgronden artikelen 22 23 van het besluit Onverminderd deenbeslist de minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening indien: a. het vissersvaartuig op het moment van indiening van de aanvraag niet behoort tot segment MFL1 of MFL2, bedoeld in de Uitvoeringsregeling zeevisserij; b. artikel 3.3.2, eerste lid, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 de subsidiabele kosten in aanmerking komen of kwamen voor een subsidie als bedoeld in; c. artikel 2.21.2 er aan de eigenaar van een vissersvaartuig ten behoeve van een vissersvaartuig reeds een subsidie als bedoeld invoor dezelfde soort maatregel is verstrekt. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.21.8 — Artikel 2.21.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.21.8 Verplichtingen subsidieontvanger Vervallen 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.21.9 — Artikel 2.21.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.21.9 Informatieverplichtingen Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat in ieder geval: a. gegevens over de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam van de eigenaar van een vissersvaartuig, of er sprake is van een micro-, kleine en middelgrote onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 het CFR-nummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel l, vanvan de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34), van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd; d. een plan met daarin een beschrijving van de uit te voeren maatregelen en de beoogde planning; e. een begroting van de kosten van de uit te uit te voeren maatregelen, voorzien van een gespecificeerde offerte. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.10 — Artikel 2.21.10 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.21.10 Aanvraag subsidievaststelling 1 artikel 50, tweede lid, van het besluit Onverminderdgaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs van de ten behoeve van de subsidiabele activiteit gemaakte en betaalde kosten. 2 artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit In afwijking vanbehoeft de aanvraag niet vergezeld te gaan van een controleverklaring. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.21.11 — Artikel 2.21.11 Staatssteun#
Artikel 2.21.11 Staatssteun artikel 2.21.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 27 van de groepsvrijstellingsverordening visserij. 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 2025 21854 27-06-2025 20-06-2025 WJZ/99412578 01-07-2025
Artikel 2.21.12 — Artikel 2.21.12 Vervaltermijn#
Artikel 2.21.12 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 2023 18779 10-07-2023 05-07-2023 WJZ/33416874 11-07-2023
Artikel 2.22.1 — Artikel 2.22.1 begripsbepalingen#
Artikel 2.22.1 begripsbepalingen Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.1 — Artikel 2.22.2.1 Subsidieaanvraag#
Artikel 2.22.2.1 Subsidieaanvraag Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.2 — Artikel 2.22.2.2 Hoogte subsidie#
Artikel 2.22.2.2 Hoogte subsidie Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.3 — Artikel 2.22.2.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.22.2.3 Subsidiabele kosten Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.4 — Artikel 2.22.2.4 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.22.2.4 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.5 — Artikel 2.22.2.5 Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.22.2.5 Start- en realisatietermijn Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.6 — Artikel 2.22.2.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.22.2.6 Afwijzingsgronden Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.7 — Artikel 2.22.2.7 Voorschot#
Artikel 2.22.2.7 Voorschot Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.8 — Artikel 2.22.2.8 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.22.2.8 Informatieverplichtingen Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.9 — Artikel 2.22.2.9 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.22.2.9 Aanvraag subsidievaststelling Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.2.10 — Artikel 2.22.2.10 Staatssteun#
Artikel 2.22.2.10 Staatssteun Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.1 — Artikel 2.22.3.1 Subsidieaanvraag#
Artikel 2.22.3.1 Subsidieaanvraag Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.2 — Artikel 2.22.3.2 Hoogte subsidie#
Artikel 2.22.3.2 Hoogte subsidie Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.3 — Artikel 2.22.3.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.22.3.3 Subsidiabele kosten Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.4 — Artikel 2.22.3.4 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.22.3.4 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.5 — Artikel 2.22.3.5 Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.22.3.5 Start- en realisatietermijn Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.6 — Artikel 2.22.3.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.22.3.6 Afwijzingsgronden Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.7 — Artikel 2.22.3.7 Voorschot#
Artikel 2.22.3.7 Voorschot Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.8 — Artikel 2.22.3.8 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.22.3.8 Informatieverplichtingen Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.9 — Artikel 2.22.3.9 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.22.3.9 Aanvraag subsidievaststelling Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.3.10 — Artikel 2.22.3.10 Staatssteun#
Artikel 2.22.3.10 Staatssteun Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.22.4.1 — Artikel 2.22.4.1 Vervaltermijn#
Artikel 2.22.4.1 Vervaltermijn Vervallen 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 2023 19038 11-07-2023 04-07-2023 WJZ/33426336 31-12-2025
Artikel 2.23.1 — Artikel 2.23.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 2.23.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: aansluiting: het deel van het warmtenet dat koppelt aan de afleverset; afleverset voor warmte: de fysieke aansluiting op een warmtenetwerk of -cluster; EED-richtlijn: Richtlijn (EU) 2023/1791 Verordening (EU) 2023/955 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van(PbEU 2023, L 231); energie-efficiënt warmtenet: efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 26, tweede en vierde lid, van de EED-richtlijn; financieringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over een sluitende financiering voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; investeringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager het besluit tot het doen van de investering voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet definitief heeft genomen; koppelleiding: een warmteleiding met als voornaamste functie om warmte naar behoefte tussen twee warmtenetten te transporteren; kostencomponenten: loonkosten, kosten derden, investeringen in gebouwen en gronden, investeringen in leidingdelen per DN-maat van het energie-efficiënte warmtenet, de koppelleiding en de aansluiting, investeringen in warmteoverdrachtstations en overige investeringen; overdimensionering: de aanleg van een energie-efficiënt warmtenet met een dimensionering gericht op een grotere capaciteit dan nodig is om in de vraag te voorzien bij realisatie van het project; projectgebied: geografisch aaneengesloten gebied waarin het energie-efficiënte warmtenet warmte kan leveren; warmte: thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water; warmtebron: installaties voor warmte- of koudeopwekking als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; warmtenet: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet warmtenet als bedoeld in; warmteopslag: thermische opslagoplossingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; warmteoverdrachtstation: een fysieke locatie waarbinnen de overdracht van warmte plaatsvindt tussen twee efficiënte warmtenetten, twee onderdelen van het energie-efficiënte warmtenet of het energie-efficiënte warmtenet en een ander warmtenet. 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 01-01-2026
Artikel 2.23.2 — Artikel 2.23.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.23.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor de investering in een project gericht op: a. de bouw van een energie-efficiënt warmtenet ten behoeve van de levering van warmte aan één of meerdere glastuinbouwondernemingen in een projectgebied; of b. de uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet ten behoeve van de levering van warmte aan één of meerdere glastuinbouwondernemingen in een projectgebied. 2 Onverminderd het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor de bouw of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet met de capaciteit die nodig is om in de verwachte warmtevraag van alle glastuinbouwondernemingen in het betreffende projectgebied in 2040 te voorzien door middel van overdimensionering, warmteopslag of de aanleg van een koppelleiding. 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 01-01-2026
Artikel 2.23.3 — Artikel 2.23.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.23.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt 30 procent van de subsidiabele kosten. 2 De subsidie is niet hoger dan € 30.000.000 per project. 3 artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 6, eerste lid, van het besluit Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en van openbare lichamen als bedoeld in, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing vanbuiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. 2024 41560 20-12-2024 18-12-2024 WJZ/95185795 2024 41560 20-12-2024 18-12-2024 WJZ/95185795 21-12-2024
Artikel 2.23.4 — Artikel 2.23.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.23.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen de investeringskosten, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. 2 Voor zover een energie-efficiënt warmtenet wordt aangelegd of uitgebreid ten behoeve van zowel de aansluiting van glastuinbouwondernemingen als andere aansluitingen worden de subsidiabele kosten per onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet bepaald door de kosten die niet ten behoeve van de aansluiting van de glastuinbouw zijn gemaakt in mindering te brengen op de totale kosten, bedoeld in het eerste lid, voor een onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet. 3 Het tweede lid geldt niet voor de berekening van de subsidiabele loonkosten, kosten derden en kosten voor gebouwen en gronden. 4 Voor zover het energie-efficiënte warmtenet, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de aanleg van een koppelleiding of een warmteopslag bedragen de subsidiabele kosten 50 procent van de totale kosten, bedoeld in het eerste lid. 5 De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: a. kosten ten behoeve van investeringen in: 1°. de warmtebron; 2°. de afleverset voor warmte; en 3°. warmteleidingen of installaties die tussen de afleverset voor warmte en de glastuinbouwonderneming liggen; b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord; c. kosten ten behoeve van investeringen in een warmteopslag, indien deze geen gebruik maakt van bewezen technieken of indien deze geen warmte opslaat afkomstig van een energie-efficiënt warmtenet en warmte levert aan dit warmtenet; d. een koppelleiding die niet twee energie-efficiënte warmtenetten koppelt; e. artikel 2.3.6 kosten, bedoeld in; en f. kosten voor onderdelen van het energie-efficiënte warmtenet die uitsluitend ten behoeve van andere aansluitingen dan die van glastuinbouwondernemingen worden aangelegd. 6 artikel 14 van het besluit Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in, aangewezen. 7 Artikel 10, derde lid, van het besluit is niet van toepassing. 8 artikel 2.23.8 De kosten voordat het financieringsbesluit en het investeringsbesluit, bedoeld in, zijn genomen, zijn subsidiabel tot een opgeteld bedrag van twee procent van de totale subsidiabele kosten. 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 01-01-2026 Abusievelijk is voor het vijfde lid, onderdeel d, een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 2.23.5 — Artikel 2.23.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.23.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2023 33072 01-12-2023 24-11-2023 WJZ/40757653 2023 33072 01-12-2023 24-11-2023 WJZ/40757653 01-01-2024
Artikel 2.23.6 — Artikel 2.23.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.23.6 Afwijzingsgronden De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. de kwaliteit van het project onvoldoende is, gelet op: 1°. de uitwerking van: – het projectplan; – het voorlopig of definitief ontwerp; – de mijlpalenbegroting of; – de exploitatieberekening; 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd; 3°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten van de warmtelevering en stakeholders in het project vertegenwoordigd zijn; 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; of 5°. de juridische haalbaarheid; b. de hoogte van de subsidie minder dan € 125.000,- bedraagt; c. niet aannemelijk is gemaakt dat het project bij subsidievaststelling zal voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED-richtlijn; d. niet aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen energie-efficiënte warmtenet of de uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet bij subsidievaststelling in gebruik zal worden genomen; e. artikel 2.23.8 het niet aannemelijk wordt geacht dat kan worden voldaan aan de termijnen genoemd in. 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 01-01-2026
Artikel 2.23.7 — Artikel 2.23.7 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.23.7 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. 2 De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage met onder andere financiële gegevens over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. 3 De informatie, bedoeld in eerste en tweede lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een elektronisch formulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. 4 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 5 Artikel 38, eerste lid, onderdeel b van het besluit is niet van toepassing. 2024 41560 20-12-2024 18-12-2024 WJZ/95185795 2024 41560 20-12-2024 18-12-2024 WJZ/95185795 21-12-2024 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
het vierde lid (oud) in plaats van het derde lid (nieuw). Abusievelijk is voor het derde lid (nieuw) een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 2.23.8 — Artikel 2.23.8 Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.23.8 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vijf jaar. 3 De subsidieontvanger neemt uiterlijk anderhalf jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en meldt dit onverwijld schriftelijk aan de minister. 4 De subsidieontvanger verstrekt binnen twee jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot de bouw of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet en verstrekt hiervan onverwijld een afschrift aan de minister. 5 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijnen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is. 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 01-01-2026
Artikel 2.23.9 — Artikel 2.23.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.23.9 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.23.2, eerste lid Een aanvraag voor subsidie op grond van, bevat tenminste: a. de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; en c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres. 2 De aanvraag gaat vergezeld van: a. een projectplan, bestaande uit: 1°. een omschrijving van het project gericht op de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; 2°. een overzicht met onderbouwing van: – de capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project en beoogde afname van warmte in GJ van de aan te sluiten glastuinbouwondernemingen in het projectgebied bij realisatie van het project en in 2040; – 3 voor zover het project de aanleg van een koppelleiding of warmteopslag betreft, de capaciteit van deze onderdelen in respectievelijk MW of mbij realisatie van het project; 3°. artikel 2.23.4, tweede lid indien het project de aanleg van een energie-efficiënt warmtenet, bedoeld in, betreft, een onderbouwing van de grotere capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project ten opzichte van de capaciteit die benodigd is om enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied aan te sluiten; 4°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, waaronder een toelichting op het model exploitatieberekening, bedoeld in onderdeel d; 5°. bijlage 2.23.1, onderdeel 4 een omschrijving van de planning van het project inclusief mijlpalen in overeenstemming met; 6°. een onderbouwing van de voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied; 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en warmte overdrachtstations in het projectgebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging; 8°. een beschrijving van juridische en andere risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het energie-efficiënte warmtenet, gescoord op de kans dat deze zich zullen voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor het project; b. een door de aanvrager in een door de minister beschikbaar gesteld model ingevulde mijlpalenbegroting met mijlpalen verdeeld naar kostencomponenten, gebaseerd op kostenramingen, offertes en kostencalculaties en bestaande uit de volgende onderdelen: 1°. per leidingdeel of ander onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet: investeringskosten, subsidiabele kosten en indien van toepassing de DN-maat en een onderbouwing van de grotere capaciteit van het leidingdeel ten opzichte van de situatie waarin enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied zouden worden aangesloten; 2°. andere investeringskosten en subsidiabele kosten; 3°. de opbrengsten uit andere subsidies; c. een financieringsplan, verdeeld naar eigen vermogen en vreemd vermogen, over de wijze waarop de subsidieontvanger het eigen aandeel in de investeringskosten gaat financieren; d. bijlage 2.23.1, onderdeel 1 een model exploitatieberekening met de kostencomponenten uit de mijlpalenbegroting en de opbrengsten met de vaste waarden zoals opgenomen in; e. bijlage 2.23.1, onderdeel 2 een voorlopig ontwerp of definitief ontwerp met daarop aangegeven de afbakening van het projectgebied met de warmteleidingen en het type afnemers die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in; f. een onderbouwing van het financieringsplan, bedoeld in onderdeel c; g. een onderbouwing waarin aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen of uit te breiden energie-efficiënte warmtenet zal voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED; h. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, onderbouwd in een door de Minister ter beschikking gesteld formulier, en een organogram van de groepsstructuur waaruit de onderlinge aandelenverhoudingen blijken, onderbouwd met een enkelvoudig of geconsolideerd jaarrapport die is gebruikt voor de invulling van het formulier. 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 01-01-2026
Artikel 2.23.10 — Artikel 2.23.10 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.23.10 Aanvraag subsidievaststelling 1 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend, bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. een ingevuld, gewaarmerkt en gedateerd kostenoverzicht in een door de minister beschikbaar gesteld model, opgesteld door een accountant, van de gemaakte en betaalde kosten, met ten minste dezelfde kostencomponenten als de mijlpalenbegroting; en c. de omvang van de vast te stellen subsidie. 2 artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. tekeningen van het gerealiseerde energie-efficiënte warmtenet, met een onderbouwing van de capaciteit in MW en een onderbouwing waaruit blijkt welke aansluitingen in het projectgebied gerealiseerd zijn; b. de vervolgstappen die aanvrager na afloop van het project zet om te komen tot volloop van het energie-efficiënte warmtenet; en c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject en de afwijkingen. 3 De aanvraag gaat vergezeld van: a. een document, opgesteld door een derde, deskundige partij, waaruit blijkt dat het energie-efficiënte warmtenet in gebruik is genomen; b. een document gecontroleerd door een derde, deskundige partij waarin aangetoond wordt dat het aangelegde of uitgebreide energie-efficiënte warmtenet voldoet en blijft voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED; c. artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting indien van toepassing, een overzicht van het voordeel dat is genoten op grond van; en d. documenten waaruit blijkt dat glastuinbouwondernemingen die volgens het projectplan aangesloten zouden worden op het energie-efficiënte warmtenet maar nog niet aangesloten zijn een aanbod hebben ontvangen om aangesloten te worden. 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 2025 43879 23-12-2025 22-12-2025 WJZ/102283754 01-01-2026
Artikel 2.23.11 — Artikel 2.23.11 Staatssteun#
Artikel 2.23.11 Staatssteun artikel 2.23.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2023 33072 01-12-2023 24-11-2023 WJZ/40757653 2023 33072 01-12-2023 24-11-2023 WJZ/40757653 01-01-2024
Artikel 2.23.12 — Artikel 2.23.12 Vervaltermijn#
Artikel 2.23.12 Vervaltermijn bijlage 2.23.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 33072 01-12-2023 24-11-2023 WJZ/40757653 2023 33072 01-12-2023 24-11-2023 WJZ/40757653 01-01-2024
Artikel 2.24.1 — Artikel 2.24.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.24.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: Agenda Natuurinclusief: agenda van overheden, burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven, waarin de inzet van betrokken partijen voor de bevordering van een natuurinclusieve samenleving is beschreven; domein: bijlage 2.24 een maatschappelijk domein als bedoeld in; domeintrekker: persoon of organisatie die de samenwerking binnen een domein organiseert, gericht op de bevordering van de transitie naar een natuurinclusieve samenleving in dat domein, die met het oog hierop samenwerkt met het Programmabureau Natuurinclusief en de domeintrekkers van de andere domeinen en die als zodanig is benoemd door het Programmabureau Natuurinclusief; Programmabureau Natuurinclusief: bureau dat de inzet van betrokken partijen in de domeinen coördineert en bevordert. 2024 33842 07-11-2024 05-11-2024 WJZ/88484619 2024 33842 07-11-2024 05-11-2024 WJZ/88484619 08-11-2024 01-01-2024
Artikel 2.24.2 — Artikel 2.24.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.24.2 Subsidieverstrekking 1 De Minister verstrekt jaarlijks op aanvraag subsidie aan een domeintrekker voor de bevordering in 2026 van een natuurinclusieve samenleving in zijn domein overeenkomstig de Agenda Natuurinclusief door uitvoering van niet-economische activiteiten: a. die de werking en organisatie van het domein bevorderen en bijdragen aan het creëren van gunstige omstandigheden voor de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief; b. die de samenwerking met andere domeinen bevorderen; c. voor de samenwerking met het Programmabureau Natuurinclusief. 2 Onder de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, vallen onder meer: a. de organisatie van bijeenkomsten; b. communicatie; c. kennisverspreiding. 3 Geen subsidie wordt verstrekt voor de uitvoering van projecten voor de realisering van een natuurinclusieve samenleving. 4 De Minister houdt bij de subsidieverstrekking rekening met een desgevraagd door het Programmabureau Natuurinclusief gegeven zienswijze. 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 01-01-2026
Artikel 2.24.3 — Artikel 2.24.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.24.3 Hoogte subsidie 1 artikel 2.24.2 De subsidie voor de uitvoering van de inbedoelde activiteiten in 2026 bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 200.000. 2 Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag van € 200.000 wordt verhoogd met de subsidiabele kosten die bestaan uit omzetbelasting die de subsidie-ontvanger niet in aftrek kan brengen. 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 01-01-2026
Artikel 2.24.4 — Artikel 2.24.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.24.4 Subsidiabele kosten 1 art. 2.1.1 artikel 13, tweede lid artikel 14 van het besluit In afwijking vanvan deze regeling bedraagt het uurtarief, bedoeld in, en, voor de toepassing van deze titel € 120. 2 artikel 10, eerste lid, van het besluit De kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen komen in afwijking vanniet in aanmerking voor subsidie. 3 artikel 10, tweede lid, van het besluit artikel 2.24.2, eerste lid In afwijking vanzijn de kosten van de activiteiten, bedoeld in, subsidiabel vanaf 1 januari van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 01-01-2026
Artikel 2.24.5 — Artikel 2.24.5 Verdeling#
Artikel 2.24.5 Verdeling 1 Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2 De Minister verstrekt per domein maximaal één subsidie per jaar. 2024 1639 15-01-2024 18-12-2023 WJZ/41124099 2024 1639 15-01-2024 18-12-2023 WJZ/41124099 01-02-2024 01-01-2024 2024 2846 30-01-2024 29-01-2024 WJZ/44405468 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2024/1639 gesteld op 1
januari 2024.
Artikel 2.24.6 — Artikel 2.24.6 Aanvraag#
Artikel 2.24.6 Aanvraag 1 Een aanvraag bevat ten minste een jaarplan voor het desbetreffende kalenderjaar, inclusief een begroting en een op verzoek van de aanvrager door het Programmabureau Natuurinclusief over het jaarplan gegeven zienswijze. 2 Het jaarplan, bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval een beschrijving van de geplande activiteiten en hoe deze activiteiten bijdragen aan de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief. 3 Als de subsidiabele kosten ook bestaan uit omzetbelasting die de subsidie-ontvanger niet in aftrek kan brengen, wordt bij de subsidieaanvraag een verklaring van de Belastingdienst gevoegd waarmee dit wordt onderbouwd. 2024 33842 07-11-2024 05-11-2024 WJZ/88484619 2024 33842 07-11-2024 05-11-2024 WJZ/88484619 08-11-2024
Artikel 2.24.7 — Artikel 2.24.7 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.24.7 Verplichtingen subsidieontvanger Uiterlijk op 1 augustus 2026 dient de subsidieontvanger bij de Minister een voortgangsrapportage in over de voorafgaande periode van 1 januari tot 1 juli. 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 2025 35342 22-10-2025 20-10-2025 WJZ/101179793 01-01-2026
Artikel 2.24.8 — Artikel 2.24.8 Subsidievaststelling#
Artikel 2.24.8 Subsidievaststelling 1 artikel 50, tweede lid, onderdelen a en b, van het besluit De aanvraag om subsidievaststelling gaat vergezeld van de bescheiden, bedoeld in. Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, is niet van toepassing. 2 artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit In het eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van de activiteiten, bedoeld in, wordt ingegaan op de wijze waarop deze activiteiten hebben bijgedragen aan de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief. 2024 1639 15-01-2024 18-12-2023 WJZ/41124099 2024 1639 15-01-2024 18-12-2023 WJZ/41124099 01-02-2024 01-01-2024 2024 2846 30-01-2024 29-01-2024 WJZ/44405468 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2024/1639 gesteld op 1
januari 2024.
Artikel 2.24.9 — Artikel 2.24.9 Staatssteun#
Artikel 2.24.9 Staatssteun artikel 2.24.2 De subsidie, bedoeld in, bevat geen staatssteun. 2024 1639 15-01-2024 18-12-2023 WJZ/41124099 2024 1639 15-01-2024 18-12-2023 WJZ/41124099 01-02-2024 01-01-2024 2024 2846 30-01-2024 29-01-2024 WJZ/44405468 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2024/1639 gesteld op 1
januari 2024.
Artikel 2.24.10 — Artikel 2.24.10 Vervaltermijn#
Artikel 2.24.10 Vervaltermijn bijlage 2.24 Deze titel envervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 22624 11-07-2025 10-07-2025 WJZ/98185110 2025 22624 11-07-2025 10-07-2025 WJZ/98185110 12-07-2025
Artikel 2.25.1 — Artikel 2.25.1 Begripsomschrijving#
Artikel 2.25.1 Begripsomschrijving In deze titel wordt verstaan onder: bedrijfssysteem: een geheel van samenhangende of elkaar beïnvloedende elementen van een bedrijf om agrarische productie te bewerkstelligen, waaronder managementsystemen, productieprocessen, technologie en toegang tot afzetmarkten; experimenteerlocatie: praktijkomgeving met testlocaties waar een samenwerkingsverband in een gebiedsgerichte benadering samenwerkt aan het testen, experimenteren en valideren van kennis en innovaties voor verduurzaming van de land- of tuinbouw; gebiedsgerichte benadering: benadering waarbij samen met regionale stakeholders wordt gezocht naar probleemoplossingen door specifieke eigenschappen van het gebied als uitgangspunt te nemen, waaronder fysieke kenmerken zoals de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen, de landbouwstructuur en sociaaleconomische gebiedskenmerken; innovatie: vernieuwing die gebruikt wordt in de praktijk; jonge landbouwer: landbouwer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 61, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; kennisdeling: een proces voor het verwerven, verzamelen en delen van expliciete en impliciete kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten; niet-productieve investering: investering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; praktijkproef: een onderzoeksproject op bedrijfsniveau of een realistische simulatie daarvan, waarin de ontwikkeling of demonstratie van een nieuw concept, een nieuw product, een nieuwe praktijk of een nieuwe technologie centraal staat, in een vorm die gemonitord en gevalideerd wordt; toekomstbestendige land- en tuinbouw: productieve vormen van land- en tuinbouw, die een eerlijk inkomen opleveren voor de agrarische ondernemer, die voldoen aan toekomstige ecologische, maatschappelijke en economische doelen en randvoorwaarden, die samengaan met de verbetering van de kwaliteit van bodem, water, lucht en biodiversiteit en die robuust zijn met het oog op klimaatverandering en zo min mogelijk afhankelijk zijn van schaarse en eindige hulpbronnen zoals arbeid, fossiele energie, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.2 — Artikel 2.25.2 Subsidieverlening#
Artikel 2.25.2 Subsidieverlening 1 bijlage 2.25 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband, dat het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten heeft liggen in een of meer ingenoemde postcodegebieden, voor het verrichten van één of meer van de volgende activiteiten ten behoeve van een experimenteerlocatie: a. het oprichten en in stand houden van een samenwerkingsverband als bedoeld in de aanhef, en van clusters, netwerken en samenwerking tussen ondernemingen ten behoeve van de experimenteerlocatie; b. het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van praktijkproeven die zich richten op de realisatie van toekomstbestendige land- en tuinbouw en de bijbehorende kennis- en innovatievraagstukken; c. het doen van investeringen ten behoeve van de experimenteerlocatie en de praktijkproeven; d. kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de praktijkproeven. 2 Het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee deelnemers waarvan tenminste één onderzoeksorganisatie en bestaat niet uitsluitend uit onderzoeksorganisaties. 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 01-04-2026
Artikel 2.25.3 — Artikel 2.25.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.25.3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking: a. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel a voor de activiteiten, bedoeld in: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b voor de activiteiten, bedoeld in: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdeel d, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c voor de activiteiten, bedoeld in: voor zover het een investering op een landbouwonderneming door een landbouwer betreft, de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of voor zover het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft, de kosten, bedoeld in artikel 38, zevende lid, onderdelen b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; d. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel d voor de activiteiten, bedoeld in: de kosten, bedoeld in artikel 21, derde lid, met uitzondering van onderdeel b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 artikel 2.25.2, onderdeel c Voor zover sprake is van investeringskosten als bedoeld in, en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen uitsluitend in aanmerking de kosten van investeringen die verband houden met de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 01-04-2026
Artikel 2.25.4 — Artikel 2.25.4 Hoogte subsidie#
Artikel 2.25.4 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt: a. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdelen a en d voor de activiteiten, bedoeld in, 100 procent van de subsidiabele kosten; b. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b voor de activiteiten, bedoeld in, 80 procent van de subsidiabele kosten; c. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c voor de activiteiten, bedoeld in, voor productieve investeringen 65 procent en voor niet-productieve investeringen 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 1.000.000, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming; d. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c voor de activiteiten, bedoeld in, 100 procent van de subsidiabele kosten, indien het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft. 2 De hoogte van de subsidie bedraagt in totaal maximaal € 5.000.000. 3 Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt voor productieve investeringen verhoogd met 15 procentpunten indien: a. subsidie wordt verstrekt die verband houdt met een of meer specifieke milieu- en klimaat gerelateerde doelstellingen als vermeld in artikel 14, derde lid, onderdelen e, f en g van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of met dierenwelzijn als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 4 artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c De subsidie voor de activiteit, bedoeld in, bedraagt ten hoogste € 600.000 per landbouwonderneming per investering, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.5 — Artikel 2.25.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.25.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.6 — Artikel 2.25.6 Realisatietermijn#
Artikel 2.25.6 Realisatietermijn 1 Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt uiterlijk binnen 6 maanden na de subsidieverlening gestart. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vijf jaar na de datum van subsidieverlening. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.7 — Artikel 2.25.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.25.7 Afwijzingsgronden De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdelen b en d voor de activiteiten, bedoeld in, geen subsidie wordt aangevraagd of louter niet-subsidiabele kosten worden opgevoerd; b. artikel 2.25.8, eerste lid aan een aanvraag in totaal minder dan 50 punten zijn toegekend op grond van; c. artikel 2.25.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d aan een aanvraag 0 punten zijn toegekend op grond van; d. artikel 2.25.8, derde lid aan een aanvraag, na vermenigvuldiging met de desbetreffende wegingsfactor zoals bedoeld in, minder dan 6 punten zijn toegekend op grond van artikel 2.25.8, eerste lid, onderdeel e; e. de verlening van subsidie niet in overeenstemming zou zijn met de artikelen 14, 21, 32 of 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; f. de subsidie wordt verleend aan een grote onderneming, die geen onderzoeksorganisatie is; g. de subsidie minder bedraagt dan € 2.000.000; h. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b niet ten minste 40% van de subsidie ten goede komt aan de activiteit, bedoeld in. 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 01-04-2026
Artikel 2.25.8 — Artikel 2.25.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.25.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate: a. de mate van effectiviteit hoger is; b. de haalbaarheid hoger is; c. de mate van efficiëntie hoger is; d. de mate van innovatie hoger is; en e. de mate waarin land- of tuinbouwondernemingen actief bij de experimenteerlocatie betrokken zijn, hoger is. 2 Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten minste nul en ten hoogste 5. 3 Voor de rangschikking van een aanvraag wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk wegingsfactoren van respectievelijk 5, 4, 3, 3 en 2. 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate daaraan in totaal meer punten zijn toegekend. 5 Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.9 — Artikel 2.25.9 Adviescommissie#
Artikel 2.25.9 Adviescommissie 1 artikel 2.25.8 Er is een Adviescommissie Experimenteerlocaties die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de rangschikkingscriteria en de toekenning van punten, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste twaalf leden. 3 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste vijf jaar benoemd. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.10 — Artikel 2.25.10 Subsidievoorwaarden#
Artikel 2.25.10 Subsidievoorwaarden 1 artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c Indien voor een investering als bedoeld in, de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding nog niet is gedaan ten tijde van de aanvraag, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen één jaar na de beschikking tot subsidieverlening via bescheiden aantoont dat de voor het betrokken investeringsproject benodigde vergunningen zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding is gedaan. 2 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening. 3 De subsidieontvanger verstrekt de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, binnen één maand nadat de benodigde vergunningen zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding is gedaan, aan de minister. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.11 — Artikel 2.25.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.25.11 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; b. een werkplan voor vijf jaren, gerekend vanaf de startdatum en een jaarplan voor komend jaar van realisatie; c. een begroting voor de gehele projectperiode gerekend vanaf de startdatum en een gespecificeerde begroting voor komend jaar van de realisatie; d. een beschrijving van de leden en werkwijze van de programmaraad of soortgelijke organisatiestructuur, die verantwoordelijk is voor de activiteitenplanning. 3 Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van: a. de visie en gebiedsgerichte benadering van de experimenteerlocatie, waaronder een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur, en de toekomstbestendige bedrijfssystemen en bijbehorende verdienmodellen die passend in het gebied kunnen opereren; b. de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit, natuur, concurrentievermogen of leefbaarheid; c. de wijze waarop de effecten van de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode op doelbereik gemonitord zullen worden; d. de wijze waarop resultaten uit praktijkproeven worden verspreid; e. de wijze van betrokkenheid van regionale stakeholders, specifiek land- of tuinbouwers, buiten het samenwerkingsverband bij de planning en uitvoering van beoogde activiteiten; f. de kansen en mogelijke risico’s van deelname aan praktijkproeven door leden van het samenwerkingsverband en derden en de wijze waarop deze risico’s gemitigeerd worden. 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 01-04-2026
Artikel 2.25.12 — Artikel 2.25.12 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.25.12 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De penvoerder dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en een planning voor het komende jaar. 2 Een tussenrapportage en eindverslag bevatten ten minste de volgende gegevens: a. de behaalde (deel)resultaten van uitgevoerde praktijkproeven, de effecten van uitgevoerde praktijkproeven op het beoogde doelbereik en de geleerde lessen met betrekking tot gebiedsvisie op toekomstbestendige land- of tuinbouw; b. het aantal betrokken partijen, specifiek het aantal en type agrarische ondernemers, bij de uitvoering van praktijkproeven; c. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers; d. de wijze waarop invulling is gegeven aan regionale samenwerking en netwerkvorming; e. het aantal en soort investeringen en het gebruik hiervan. 3 De resultaten en tussenresultaten van de praktijkproeven worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform vanaf de einddatum van de subsidie of vanaf de datum waarop informatie over de resultaten wordt gegeven aan leden van een specifieke organisatie. 4 De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van de subsidie. 5 Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform. 6 De subsidieontvanger neemt binnen één jaar na de beschikking tot subsidieverlening deel aan het Nationaal Platform Experimenteerlocaties. 7 artikel 1.9, eerste lid De penvoerder dient voor de start van de activiteiten een ondertekende samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in, tussen de deelnemers in bij de minister. 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 01-04-2026
Artikel 2.25.13 — Artikel 2.25.13 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.25.13 Aanvraag subsidievaststelling Vervallen 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 01-04-2026 2026 3321 11-02-2026 02-02-2026 WJZ/103742987 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2026/33844 gesteld op 2
december 2029.
Artikel 2.25.14 — Artikel 2.25.14 Staatssteun#
Artikel 2.25.14 Staatssteun De subsidie, bedoeld in artikel 2.25.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel a voor de activiteiten, bedoeld in, door artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b voor de activiteiten, bedoeld in, door de artikelen 32 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c voor de activiteiten, bedoeld in, door de artikelen 14 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; d. artikel 2.25.2, eerste lid onderdeel d voor de activiteiten, bedoeld in, door artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.25.15 — Artikel 2.25.15 Vervaltermijn#
Artikel 2.25.15 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 2 december 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 2024 38444 26-11-2024 23-11-2024 WJZ/89932049 27-11-2024
Artikel 2.26.1 — Artikel 2.26.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.26.1 Begripsbepalingen 1 In deze titel wordt verstaan onder: basisverordening: verordening (EU) nr. 1380/2013 Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 (EG) nr. 1224/2009 Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 (EG) nr. 639/2004 2004/585/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging vanenvan de Raad en tot intrekking vanenvan de Raad en Besluitvan de Raad (PbEU 2013, L 354); CFR-nummer: uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 CFR (common fleet register)-nummer als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, vanvan de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34); controleverordening: verordening (EG) nr. 1224/2009 Verordeningen (EG) nr. 847/96 (EG) nr. 2371/2002 (EG) nr. 811/2004 (EG) nr. 768/2005 (EG) nr. 2115/2005 (EG) nr. 2166/2005 (EG) nr. 388/2006 (EG) nr. 509/2007 (EG) nr. 676/2007 (EG) nr. 1098/2007 (EG) nr. 1300/2008 (EG) nr. 1342/2008 Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 (EG) nr. 1627/94 (EG) nr. 1966/2006 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van,,,,,,,,,,,en tot intrekking van,en(PbEU 2009, L 343); eigenaar van een vissersvaartuig: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het visserijregister is ingeschreven; garnaal: artikel 1, onder u, van de Uitvoeringsregeling visserij garnaal als bedoeld in; garnalenvergunning: artikel 70, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij een vergunning als bedoeld in; gemeenschappelijk visserijbeleid: gemeenschappelijk visserijbeleid als bedoeld in de basisverordening; logboekgegevens: de gegevens die overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de controleverordening zijn verstrekt; schriftelijke toestemming: artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Visserijwet 1963 schriftelijke toestemming als bedoeld in; verordening (EU) 2021/1139: verordening (EU) 2021/1139 Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van(PbEU 2021, L 247); vis: artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963 vis als bedoeld in; visserijactiviteit: visserijactiviteit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 28, van de basisverordening; vismachtiging: machtiging als bedoeld in artikel 7 van de controleverordening; visserijregister: artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 register als bedoeld in; vissersvaartuig: vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4 van de basisverordening, dat is ingeschreven in het visserijregister; visvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de controleverordening. zeedag: zeedag als bedoeld in de bijlage bij artikel 1 van gedelegeerd besluit (EU) 2021/1167 van de Commissie van 27 april 2021 tot vaststelling van het meerjarenprogramma van de Unie voor de verzameling en het beheer van biologische, ecologische, technische en socio-economische gegevens in de visserij- en de aquacultuursector vanaf 2022 (PbEU 2021, L 253). 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.2 — Artikel 2.26.2 Subsidieverstrekking sanering garnalenvisserij#
Artikel 2.26.2 Subsidieverstrekking sanering garnalenvisserij 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor de definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig, door sloop van dat vissersvaartuig. 2 De subsidie wordt uitsluitend verleend indien: a. uit de logboekgegevens blijkt dat de totale hoeveelheid vis die met het vissersvaartuig in het kalenderjaar 2022, 2023 of 2024 is gevangen, uitgedrukt in kilogrammen levend gewicht, voor ten minste 70 procent uit garnalen bestaat. b. het vissersvaartuig op 1 januari 2024 stond geregistreerd in het visserijregister; c. het vissersvaartuig op 6 oktober 2025 in eigendom is van de subsidieaanvrager en nadien in zijn eigendom is gebleven; d. uit de logboekgegevens blijkt dat met het vissersvaartuig in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de aanvraag gedurende ten minste 58 dagen per jaar visserijactiviteiten zijn bedreven; e. op 6 oktober 2025 voor het vaartuig een garnalenvergunning geldt en deze garnalenvergunning nadien niet is gewijzigd of overgedragen; f. de op 6 oktober 2025 voor het vissersvaartuig geldende visvergunning, vismachtigingen en schriftelijke toestemmingen nadien niet zijn gewijzigd; g. artikel 2.26.9 verordening (EU) 2021/1139 de eigenaar heeft verklaard dat, ingeval de subsidie wordt verleend, hij voldoet aan de verplichtingen van, dat de subsidie niet wordt besteed aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan artikel 18 van, en dat hij ervan op de hoogte is dat: 1°. artikel 70, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij artikel 96, eerste lid artikel 100, eerste lid van de Uitvoeringsregeling zeevisserij de garnalenvergunning, de visvergunning en de vismachtigingen die ten behoeve van het vissersvaartuig zijn verleend, overeenkomstig, onderscheidenlijk, enworden ingetrokken; en 2°. de schriftelijke toestemmingen die voor het vissen met het vissersvaartuig zijn verleend worden ingetrokken; h. in het geval dat een pandrecht op een garnalenvergunning of vismachtiging is geregistreerd bij de minister, de pandhouder heeft verklaard dat de registratie van het pandrecht wordt beëindigd indien de subsidie verleend wordt. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.3 — Artikel 2.26.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.26.3 Hoogte subsidie 1 bijlage 2.26 De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het subsidiebedrag per zeedag, genoemd in, vermenigvuldigd met het hoogste aantal zeedagen per kalenderjaar dat blijkens de logboekgegevens met het vissersvaartuig in een van de kalenderjaren 2021, 2022, 2023 of 2024 is gemaakt, te verminderen met het bedrag per brutotonnage van het vaartuig, genoemd in bijlage 2.26, vermenigvuldigd met de brutotonnage van het vaartuig. 2 De brutotonnage van het vissersvaartuig, bedoeld in het eerste lid, is de brutotonnage die op 6 oktober 2025 bij het vissersvaartuig was vermeld in het visserijregister. 3 De subsidie wordt verminderd met de vergoeding die de subsidieontvanger, na aftrek van de sloopkosten, ontvangt van het sloopbedrijf voor het vissersvaartuig. 4 Indien het vissersvaartuig verloren gaat op een tijdstip tussen het moment van subsidieverlening en het moment waarop het vissersvaartuig voor sloop wordt overgedragen aan het sloopbedrijf, wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag van de door de verzekering uitgekeerde vergoeding. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.4 — Artikel 2.26.4 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.26.4 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.5 — Artikel 2.26.5 Realisatietermijn#
Artikel 2.26.5 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld inis één jaar na de subsidieverlening. 2 De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de subsidieaanvrager eenmaal met ten hoogste één jaar verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.6 — Artikel 2.26.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.26.6 Afwijzingsgronden artikelen 22 23 van het besluit Onverminderd deenbeslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening indien: a. artikel 2.26.9, eerste tot en met vierde, zevende en negende lid hij het onaannemelijk acht dat de subsidieaanvrager tijdig zal voldoen aan de verplichtingen van; b. het vaartuig op het moment van subsidieverlening niet staat ingeschreven in het visserijregister; c. het vaartuig op het moment van subsidieverlening niet in eigendom is van de subsidieaanvrager; d. de subsidieaanvrager op het moment van de subsidieverlening niet beschikt over een garnalenvergunning die ten behoeve van het vaartuig is verleend; e. toekenning van de subsidie leidt tot een schending van het toepasselijke Unierecht, waaronder situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.7 — Artikel 2.26.7 Informatieverplichtingen bij aanvraag#
Artikel 2.26.7 Informatieverplichtingen bij aanvraag artikel 2.26.2 Een aanvraag voor subsidieverlening op grond vanbevat in ieder geval: a. gegevens over de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam van de eigenaar van een vissersvaartuig, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. het CFR-nummer van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd; d. artikel 2.26.2, tweede lid, onderdeel g de verklaring van de subsidieaanvrager als bedoeld in; e. logboekgegevens over de kalenderjaren 2021, 2022, 2023 en 2024, voor zover het vissersvaartuig gedurende die kalenderjaren of delen daarvan onder buitenlandse vlag heeft gevaren; en f. artikel 2.26.2, tweede lid, onderdeel h indien een pandrecht op een garnalenvergunning of vismachtiging is geregistreerd bij de minister, een verklaring als bedoeld in. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.8 — Artikel 2.26.8 Voorschot#
Artikel 2.26.8 Voorschot 1 artikelen 45 tot en met 47 van het besluit In afwijking van deverstrekt de minister ambtshalve één voorschot. 2 Het voorschot wordt ambtshalve verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 3 Het voorschot bedraagt 10% van het subsidiebedrag. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.9 — Artikel 2.26.9 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.26.9 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger is verplicht om vóór de aanvraag tot subsidievaststelling ervoor zorg te dragen dat: a. het vissersvaartuig is gesloopt; b. afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek artikel 195 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers, bedoeld in, is doorgehaald overeenkomstig; c. het sloopbedrijf een sloopverklaring afgeeft waarvoor door de minister een model ter beschikking wordt gesteld; en d. artikel 7, eerste lid, van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 overeenkomstig, mededeling wordt gedaan dat het vissersvaartuig niet meer gebruikt wordt als vissersvaartuig en is gesloopt. 2 De subsidieontvanger schrijft vanaf de dag dat de subsidie is aangevraagd tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de subsidievaststelling geen vissersvaartuig in het visserijregister in. 3 In de termijn, genoemd in het tweede lid, verhoogt de subsidieontvanger niet de vangstcapaciteit van een ander vaartuig, vraagt hiervoor geen visvergunning aan en vraagt geen garnalenvergunning voor een ander vaartuig aan. 4 Indien de subsidieontvanger deel uitmaakt van een groep, draagt de subsidieontvanger er tevens zorg voor dat de andere ondernemingen die deel uitmaken van die groep, of die binnen vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling deel uitmaken van die groep, tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid. 5 De verplichtingen, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, berusten in het geval van opheffing van de rechtspersoon die de subsidieontvanger is, gedurende de in die leden genoemde periode, bij de uiteindelijk begunstigde of de uiteindelijk begunstigden van de subsidie. 6 artikel 2.26.10, vierde lid De verplichtingen, genoemd in het eerste lid, gelden niet in de situatie, bedoeld in. 7 De subsidieontvanger onthoudt zich tot vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling van gedragingen die leiden tot situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader. 8 artikelen 39 40 van het besluit De verplichtingen van deenzijn niet van toepassing. 9 verordening (EU) 2021/1139 De subsidieontvanger besteedt de subsidie niet aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan de in artikel 18 vangestelde eisen. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.10 — Artikel 2.26.10 Vaststelling subsidie#
Artikel 2.26.10 Vaststelling subsidie 1 artikel 50, tweede lid, van het besluit Onverminderdgaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van: a. de overeenkomst met het sloopbedrijf, waaruit blijkt welke vergoeding de subsidieontvanger, na aftrek van de sloopkosten, ontvangt van het sloopbedrijf voor het ter sloop overgedragen vissersvaartuig; b. een afschrift waaruit blijkt dat de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers is doorgehaald; en c. artikel 2.26.9, eerste lid, onderdeel c een sloopverklaring als bedoeld in. 2 artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit In afwijking vanbehoeft de aanvraag niet vergezeld te gaan van een controleverklaring. 3 De minister kan ten behoeve van de vaststelling van de subsidie bij de subsidieontvanger aanvullende informatie of bewijsstukken opvragen die nodig zijn om te beoordelen of voldaan is aan de bij deze regeling gestelde eisen. 4 In afwijking van het eerste lid wordt, indien het vissersvaartuig verloren gegaan is op een tijdstip tussen het moment van subsidieverlening en het moment waarop het vissersvaartuig voor sloop wordt aangeboden, bij de aanvraag tot subsidievaststelling meegezonden: a. een bewijs van het verloren gaan van het vissersvaartuig meegezonden; b. een afschrift waaruit blijkt dat de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers is doorgehaald; en c. een verklaring van de verzekeringsmaatschappij omtrent de hoogte van de door de verzekering uitgekeerde vergoeding. 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.11 — Artikel 2.26.11 Staatssteun#
Artikel 2.26.11 Staatssteun artikel 2.26.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de staatssteunmaatregel SA.117742 (2025/N). 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 2025 22112 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/45614553 05-07-2025
Artikel 2.26.12 — Artikel 2.26.12 Vervaltermijn#
Artikel 2.26.12 Vervaltermijn bijlage 2.26 Deze titel envervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 29016 30-09-2025 22-08-2025 WJZ/100568538 2025 29016 30-09-2025 22-08-2025 WJZ/100568538 01-10-2025
Artikel 2.27.1 — Artikel 2.27.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.27.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: afzet van biologische landbouwproducten: Verordening (EU) 2018/848 afzet van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 35, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw die van biologische productie afkomstig zijn zoals bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van; biologisch samenwerkingsverband: artikel 5.6.1. van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, niet zijnde een operationele groep als bedoeld in, dat: a. gericht is op het bevorderen van de biologische landbouw en van de afzet van biologische landbouwproducten; b. bestaat uit ten minste twee niet in een groep verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. is opgericht ten behoeve van de samenwerking als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; en d. voldoet aan artikel 32, zevende lid van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; verordening (EU) 2018/848: verordening (EU) 2018/848 Verordening (EG) nr. 834/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van(PbEU 2018, L 150); verordening (EU) 2021/2115: verordening (EU) 2021/2115 Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking vanen(PbEU 2021, L 435); verordening (EU) 1308/2013: verordening (EU) 1308/2013 Verordeningen (EEG) nr. 922/72 (EEG) nr. 234/79 (EG) nr. 1037/2001 (EG) nr. 1234/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de,,envan de Raad (PbEU 2013, L 347). 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.2 — Artikel 2.27.2 Subsidieverlening#
Artikel 2.27.2 Subsidieverlening 1 De Minister verleent op aanvraag van een penvoerder subsidie aan een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband voor de uitvoering van een project, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw dat gericht is op het vergroten van de afzet van biologische landbouwproducten. 2 Een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie als bedoeld in het eerste lid in aanmerking, indien: a. de deelnemer een kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 de deelnemer overeenkomstigin het handelsregister is ingeschreven; c. de deelnemer gedurende de looptijd van de module aan ten hoogste twee projecten als bedoeld in het eerste lid deelneemt; d. aan de deelnemer ten hoogste twee maal subsidie op grond van het eerste lid is verstrekt. 3 De penvoerder is deelnemer van het biologisch samenwerkingsverband. 4 Verordening (EU) 2018/848 Verordening (EU) 2018/848 Indien in een biologisch samenwerkingsverband een landbouwer deelneemt, dient deze biologisch gecertificeerd te zijn als bedoeld in hoofdstuk V vandan wel in omschakeling naar biologische productie als bedoeld in artikel 10 van. 5 Verordening (EU) 2021/2115 Het project, bedoeld in het eerste lid draagt bij aan ten minste één van de doelstellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a, b, e of i, en aan de doelstelling bedoeld in artikel 6, tweede lid, van. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.3 — Artikel 2.27.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.27.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten per project doch ten minste € 100.000 en ten hoogste € 500.000 per project. 2 Een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband dat in aanmerking komt voor subsidie ontvangt van de Minister ten minste € 25.000 per project. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.4 — Artikel 2.27.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.27.4 Subsidiabele kosten 1 artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid Voor subsidie komen uitsluitend kosten ten behoeve van het project, bedoeld in, in aanmerking voor zover deze zien op: a. uitvoeringskosten, voor zover het de volgende activiteiten betreft: 1°. coördinatie van het biologisch samenwerkingsverband; 2°. operationele activiteiten die direct verbonden zijn aan de uitvoering van het project; 3°. projectmanagement en projectadministratie; b. kosten voor de organisatie van promotie- en voorlichtingsacties die direct verbonden zijn aan de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, inhoudende: 1°. workshops, conferenties, of voorlichtingsacties gericht op vaardigheden van ondernemingen als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid onderdeel a, en 21, derde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; 2°. het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; of 3°. publicaties om biologische landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 De kosten voor symbolische prijzen, als bedoeld in artikel 24, vierde lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen voor subsidie slechts in aanmerking indien de prijs werkelijk is uitgereikt en na voorlegging van een bewijs van die uitreiking. 3 Voor subsidie komen niet in aanmerking: a. voorbereidingskosten, betreffende de oprichting van een biologisch samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan; b. Verordening (EU) 2018/848 certificeringskosten als bedoeld in artikel 34, zevende lid, van. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.5 — Artikel 2.27.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.27.5 Verdeling subsidieplafond De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.6 — Artikel 2.27.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.27.6 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverstrekking. 2 Het project is uiterlijk 3 jaar na subsidieverlening afgerond. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.7 — Artikel 2.27.7 Subsidieaanvraag#
Artikel 2.27.7 Subsidieaanvraag 1 Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld middel. 2 artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid Door een biologisch samenwerkingsverband kan maximaal één aanvraag worden ingediend voor een project, bedoeld in. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.8 — Artikel 2.27.8 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.27.8 Afwijzingsgronden artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in, indien: a. de subsidie minder bedraagt dan € 100.000 per project; b. in de aanvraag onvoldoende is onderbouwd hoe het project bijdraagt aan het realiseren van verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten; c. op grond van: 1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid , minder dan zeven punten zijn toegekend; 2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid , minder dan zes punten zijn toegekend; 3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid , minder dan zes punten zijn toegekend; 4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid , minder dan vier punten zijn toegekend; d. titel 5.6 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 voor het project op grond vanreeds subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan; e. in het biologisch samenwerkingsverband een onderzoeksorganisatie deelneemt; f. artikel 2.27.4 indien de subsidie aan een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband op grond vanminder bedraagt dan € 25.000 per project; g. met de uitvoering van het project is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend; h. het project betrekking heeft op de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder d en e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw waarbij er tussen de landbouwer en de consument meer dan één intermediair is; i. Verordening (EU) nr. 1308/2013 de verlening van subsidie in strijd zou zijn met de artikelen 206 tot en met 210 bis van; j. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; k. artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° de in, bedoelde publicatie verwijst naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; l. de subsidie gebruikt wordt om de prijs van biologische landbouwproducten te verlagen. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.9 — Artikel 2.27.9 Beoordelingscriteria#
Artikel 2.27.9 Beoordelingscriteria 1 De Minister kent aan een aanvraag, op basis van het bijbehorende projectplan, een aantal punten toe en dat is hoger naarmate: a. de impact op de afzet van biologische landbouwproducten door het project is onderbouwd; b. met het projectplan is onderbouwd hoe verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten wordt gerealiseerd; c. aan het samenwerkingsverband deelnemers deelnemen met expertise, kennis of ervaring met biologische landbouwproducten; d. is onderbouwd dat het project vernieuwend is. 2 De Minister kent per criterium als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, ten minste één en ten hoogste tien punten toe. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.10 — Artikel 2.27.10 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.27.10 Informatieverplichtingen 1 artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 Onverminderd het eerste lid, bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. gegevens van de ondernemingen die geen aanvrager zijn en deelnemen in het samenwerkingsverband; d. een projectplan, inclusief beschrijving van het project, de beoogde activiteiten en activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de wijze van uitvoering daarvan, de rol en de taken van de bij de uitvoering van de betrokken partijen, een planning, de start- en einddatum, en een begroting; e. de samenwerkingsovereenkomst; f. een onderbouwing van hoe verbetering van de afzet van biologische producten met het project wordt beoogd en de te verwachten resultaten; g. een beschrijving van de expertise, kennis en ervaring van de deelnemers aan het biologisch samenwerkingsverband en hoe dit bijdraagt aan de te verwachten resultaten als bedoeld in onderdeel f; h. een beschrijving in hoeverre het project vernieuwend is ten opzichte van al bestaande initiatieven; i. artikel 2.27.4, onderdeel b bewijsstukken waarmee wordt aangetoond dat de activiteit als bedoeld in, daadwerkelijk zal plaatsvinden. 3 De projectbegroting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, bevat ten minste: a. de omvang van de gevraagde subsidie per deelnemer in het biologisch samenwerkingsverband met, indien van toepassing, een overzicht van de uren die de deelnemer gaat besteden aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd: b. de totale kosten van het project: c. onderbouwde informatie over de wijze waarop de deelnemers van het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren. 4 De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, bevat ten minste een overzicht van de aan het biologisch samenwerkingsverband deelnemende partijen en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemers, alsmede een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is om namens de deelnemers aan het biologisch samenwerkingsverband te handelen. 5 Bij een aanvraag om subsidie wordt mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt gefinancierd. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.11 — Artikel 2.27.11 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.27.11 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° In de in, bedoelde publicatie mag niet worden verwezen naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; 2 artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b Als de activiteit als bedoeld in, door producentengroeperingen en -organisaties wordt uitgevoerd, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde voor deelname zijn. 3 artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° Bijdragen van niet-leden in de administratiekosten van de betrokken producentengroepering of -organisatie als bedoeld in het derde lid, zijn beperkt tot de kosten van de uitvoering van de betreffende activiteit als bedoeld in. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.12 — Artikel 2.27.12 Staatssteun#
Artikel 2.27.12 Staatssteun artikel 2.27.2 De subsidie bedoeld inbevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.27.13 — Artikel 2.27.13 Vervaltermijn#
Artikel 2.27.13 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 2025 33484 17-10-2025 08-10-2025 WJZ/101179769 01-01-2026
Artikel 2.28.1 — Artikel 2.28.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.28.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: benchmark: bijlage 2.28.1 het energiegebruik uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product per basistechniek zoals beschreven in; dierlijke meststoffen: artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet dierlijke meststoffen als bedoeld in; drooginstallatie: bijlage 2.28.1, tabel 2 een systeem voor mestbewerking, waarbij gebruik wordt gemaakt van een werkingsprincipe en basistechniek zoals beschreven in; definitieve erkenning: Verordening nr. 1069/2009 definitieve erkenning bedoeld in artikel 44, tweede lid, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009; energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 109, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; hygiënisatie-installatie: bijlage 2.28.1, tabel 1 een systeem voor mestbewerking, waarbij gebruik wordt gemaakt van een werkingsprincipe en basistechniek zoals beschreven in; intermediaire onderneming: artikel 1, eerste lid, onder o, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet onderneming als bedoeld in; leverancier van meststoffen: artikel 1, eerste lid, onder u, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet leverancier van meststoffen als bedoeld in; mestbewerking: het behandelen van dierlijke meststoffen waardoor de eigenschappen veranderen, maar het eindproduct een dierlijke meststof blijft; pluimveemest: dierlijke mest van kalkoenen en kippen; voorwaardelijke erkenning: Verordening nr. 1069/2009 voorwaardelijke erkenning bedoeld in artikel 44, tweede lid, vanvan het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.2 — Artikel 2.28.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.28.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject betreffende een investering of combinatie van investeringen die bestemd is respectievelijk zijn voor: a. de inrichting van een hygiënisatie-installatie; of b. de inrichting van een drooginstallatie. 2 artikel 2.28.15 Een intermediaire onderneming dient maximaal één aanvraag gedurende de termijn als bedoeld invoor subsidie voor de uitvoering van een investeringsproject in. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.3 — Artikel 2.28.3 Hoogte subsidie#
Artikel 2.28.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten. 2 Onverminderd het eerste lid bedraagt het subsidiebedrag minimaal € 60.000 en maximaal € 1.000.000 per investeringsproject. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.4 — Artikel 2.28.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.28.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. 2 Onverminderd het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: a. kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen; b. kosten voor het bouwrijp maken van de grond, inclusief de kosten voor de sloop van aanwezige bebouwing; c. advieskosten omtrent bouwtekeningen; en d. kosten voor het transport of anderszins voor de aan- of aanvoer van mestproducten. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.5 — Artikel 2.28.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 2.28.5 Verdeling van het subsidieplafond 1 artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a De minister verdeelt het plafond voor investeringsprojecten als bedoeld in, en het plafond voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel b, op volgorde van rangschikking van de desbetreffende aanvragen. 2 artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, of artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel b, lager is dan het subsidieplafond dat voor de desbetreffende soort projecten is vastgesteld, wordt het voor het ene soort projecten overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor het andere soort projecten toegevoegd. 3 artikel 2.28.2 eerste lid, onderdeel b Bij onderuitputting van beide subsidieplafonds wordt het overblijvende bedrag van het andere subsidieplafond toegevoegd aan het subsidieplafond van het project dat bezien over beide rangschikkingen de meeste punten heeft van de nog niet voor subsidie in aanmerking gekomen projecten. Bij een gelijk aantal punten van de hoogstgenoteerde projecten in elk van beide rangschikkingen, wordt het voor projecten als bedoeld in, overblijvende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor projecten, als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.6 — Artikel 2.28.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.28.6 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd investeringsproject wordt gestart binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is één jaar. 3 In uitzonderlijke gevallen kan de minister op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen tot een termijn van maximaal twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.7 — Artikel 2.28.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.28.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien: a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject; b. de intermediaire onderneming niet beschikt over: 1°. artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet een geldige registratie als bedoeld in; 2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject; c. bijlage 2.28.1 het investeringsproject niet een werkingsprincipe of basistechniek betreft, zoals opgenomen in; d. de bewerkingscapaciteit door het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet toeneemt; e. de voor subsidie in aanmerking komende kosten lager zijn dan € 150.000; of f. uit de beschrijving van het mestbewerkingsproces blijkt dat de massa van te bewerken mest voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.8 — Artikel 2.28.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.28.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een investeringsproject een hoger aantal punten toe, naarmate: a. de kosteneffectiviteit van het investeringsproject hoger is; b. het energieverbruik van het investeringsproject lager is dan de benchmark; en. c. meer energie uit hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 15, voor het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 4 en voor het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 1. 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het investeringsproject zijn toegekend. 5 Indien onder het desbetreffende subsidieplafond aan twee of meer aanvragen voor een investeringsproject in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor onderdeel c van het eerste lid. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.9 — Artikel 2.28.9 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.28.9 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat hij gedurende de gehele looptijd van het investeringsproject: a. volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject; en b. met de door het investeringsproject te realiseren hygiënisatie- of drooginstallatie de massa van te bewerken mest niet voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat. 2 De subsidieontvanger beschikt gedurende de gehele looptijd van het investeringsproject over: a. artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet een geldige registratie als bedoeld in; en b. artikel 2.28.7, onderdeel b, onder 2° de vergunningen, als bedoeld in. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.10 — Artikel 2.28.10 Aanvraag subsidieverlening#
Artikel 2.28.10 Aanvraag subsidieverlening 1 artikel 2.28.2 Een aanvraag voor subsidie op grond vanbevat tenminste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie tenminste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de intermediaire onderneming, het nummer waarmee de intermediaire onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het IBAN nummer; en b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres. 3 De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: a. artikel 2.28.7, onderdeel b, onder 2° een kopie van de vergunningen, bedoeld in.; b. een omschrijving van het investeringsproject; c. een beschrijving van het mestbewerkingsproces; d. een financieringsplan voor het investeringsproject; e. een begroting van het investeringsproject; en f. een beschrijving van de hoeveelheid ton bewerkt eindproduct per jaar vóór de aanvang van het investeringsproject. 4 De beschrijving van het mestbewerkingsproces, bedoeld in het derde lid, onder c, dient te bestaan uit: a. een beschrijving van de soorten dierlijke meststoffen die worden bewerkt, waarbij de hoeveelheden dierlijke meststoffen in kilogram en in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar worden uitgedrukt, en indien van toepassing een beschrijving van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen; b. een beschrijving van het productieproces, waaronder: 1°. bijlage 2.28.1 een toelichting op het gekozen werkingsprincipe en de gekozen basistechniek, die inbij deze regeling zijn opgenomen; 2°. de volgorde waarin deze processtappen binnen het gekozen proces worden toegepast; 3°. een beschrijving van de hoeveelheid ton bewerkt eindproduct per jaar gedurende de realisatie van het investeringsproject; 4°. een massabalans betreffende water, droge stof, stikstof en fosfaat van de in- en uitvoerstromen voor het totale proces en voor elke processtap; en 5°. het energieverbruik uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product en een onderbouwing daarvan, inclusief documenten van de leverancier van de hygiënisatie- of drooginstallatie en documenten waarin wordt ingegaan op het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen en het verbruik daarvan door de intermediaire onderneming. c. een beschrijving van de eindproducten van het productieproces, waarbij per eindproduct: 1°. een inschatting wordt gegeven van de hoeveelheden uitgedrukt in kilogram per kalenderjaar; en 2°. de samenstelling wordt uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar. 5 Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid verklaart de intermediaire onderneming dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.11 — Artikel 2.28.11 Bevoorschotting#
Artikel 2.28.11 Bevoorschotting Indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, verstrekt de minister de subsidieontvanger: a. een voorschot tot 50% van het subsidiebedrag na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening; b. een voorschot tot 75% van het subsidiebedrag na ontvangst van een document waaruit blijkt dat de hygiënisatie- of drooginstallatie in gerealiseerd, voorzien van de datum waarop de hygiënisatie- of drooginstallatie is gerealiseerd; en c. indien van toepassing, een voorschot tot 90% van het subsidiebedrag na ontvangst van de verkregen voorwaardelijk erkenning, als geen sprake is van een al bestaande definitieve erkenning waaronder de hygiënisatie- of drooginstallatie past. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.12 — Artikel 2.28.12 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.28.12 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, van het besluit Onverminderdbevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval: a. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject; b. een document waaruit blijkt dat de hygiënisatie- of drooginstallatie in gebruik is genomen voorzien van de datum waarop de hygiënisatie- of drooginstallatie in gebruik is genomen; en c. de verkregen definitieve erkenning of een al bestaande definitieve erkenning. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.13 — Artikel 2.28.13 Vergoeding voor vermogensvorming#
Artikel 2.28.13 Vergoeding voor vermogensvorming 1 artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht In de gevallen, bedoeld in, is de subsidieontvanger aan de minister een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd. 2 Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de waarde van de met de subsidie verkregen eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de financiële vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat, in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen, wordt uitgegaan van het bedrag dat de instelling als schadevergoeding ontvangt. 3 Toepassing van het eerste lid blijft achterwege, als het investeringsproject, na toestemming van de minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa om niet aan die rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.14 — Artikel 2.28.14 Staatssteun#
Artikel 2.28.14 Staatssteun artikel 2.28.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.28.15 — Artikel 2.28.15 Vervaltermijn#
Artikel 2.28.15 Vervaltermijn titel bijlage 2.28.1 Dezeenvervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 2025 39580 25-11-2025 23-11-2025 WJZ/95895732 26-11-2025
Artikel 2.29.1 — Artikel 2.29.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.29.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: agrarisch natuurbeheer: beheer van het Nederlandse cultuurlandschap om een bijdrage te leveren aan het behalen van doelstellingen voor natuur, water en klimaat; beekdalen: zones rond lijnvormige langzaam en snelstromende smalle natuurlijke waterlopen; gecertificeerd agrarisch collectief: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen; Gemeenschappelijk Landbouwbeleid: Verordening (EU) 2021/2115 Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 (EU) nr. 1307/2013 Verordening (EU) 2021/2116 Verordening (EU) nr. 1306/2013 Verordening (EU) 2021/2117 Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 (EU) nr. 1151/2012 (EU) nr. 251/2014 (EU) nr. 228/2013 Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor de periode 2023–2027, bestaande uitvan het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking vanen(PbEU 2021, L 435),van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van(PbEU 2021, L 435), envan het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot wijziging van detot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten,inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen,inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten enhoudende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (PbEU 2021, L 435); grondwaterbeschermingsgebied: artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet gebied als bedoeld in; kennisdeling: een proces voor het verwerven, verzamelen en delen van expliciete en impliciete kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten; leefgebied voor soorten die onderdeel uitmaken van het agrarisch- natuur en landschapsbeheer: een samenhangend landschapstype waarin doelsoorten of soortgroepen, zoals de grutto, duurzaam kunnen voorkomen omdat noodzakelijke ecologische voorwaarden aanwezig zijn; Natura 2000-gebied: Omgevingswet Natura 2000-gebied als bedoeld in de; niet-productieve investering: investering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; nieuwe GLB: landbouwbeleid voor de periode 2028 tot en met 2034, volgend op de huidige periode 2023 tot en met 2027 van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, zoals is voorgesteld in het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–2034 (COM/2025/560 final); onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; prioritair gebied: beekdalen, leefgebied voor soorten die onderdeel uitmaken van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer, gebied in en rondom Natura 2000-gebied, grondwaterbeschermingsgebied of veenweidegebied; proefproject: proefproject als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, dat gericht is op het versterken van agrarisch natuurbeheer; samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van ten minste vier deelnemers waarvan tenminste één deelnemer een gecertificeerd agrarisch collectief is en tenminste één deelnemer een landbouwonderneming; veenweidegebied: artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet veengrond als bedoeld inin de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en in de provincie Groningen in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier en in de provincie Overijssel in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle; zwaar agrarisch natuurbeheer: beheer, niet zijnde legselbeheer, dat een grote invloed heeft op doelsoorten, habitattypen of ten behoeve van doelen voor omliggende natuur, water en klimaat, én relatief veel inspanning, ruimte en opbrengstverlies voor agrariërs in een gebied met zich meebrengen. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.2 — Artikel 2.29.2 Subsidieverlening#
Artikel 2.29.2 Subsidieverlening 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het verrichten van één of meer van de volgende activiteiten: a. het oprichten en gedurende het proefproject in stand houden van een samenwerkingsverband als bedoeld in de aanhef; b. het doen van niet-productieve investeringen ten behoeve van de proefprojecten; c. bijlage 2.29 gezamenlijk uitvoeren van proefprojecten, bestaande uit beheermaatregelen op of aanpalend aan landbouwgrond als bedoeld in; d. het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van proefprojecten die zich richten op het versterken van agrarisch natuurbeheer en de bijbehorende kennis- en innovatievraagstukken; e. kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de proefprojecten. 2 De activiteiten ten behoeve van het proefproject, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd op één van de volgende twee onderdelen: a. het uitproberen van nieuwe maatregelen of het verder ontwikkelen van bestaande maatregelen, en het onderzoeken van de effecten van die maatregelen gericht op het versterken van het agrarisch natuurbeheer, en waar mogelijk het nieuwe GLB, en waarbij het proefproject bijdraagt aan zwaar agrarisch natuurbeheer op bedrijfsniveau in of nabij een prioritair gebied, in lijn met de doelstellingen voor natuur, water en klimaat in het betreffende prioritaire gebied; b. het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe individuele maatregelen in het veld, of het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe beleidsinstrumenten, binnen het agrarisch natuurbeheer, en het onderzoeken van de effecten van die maatregelen of instrumenten, met als doel om te komen tot instrumentarium of maatregelen die in de toekomst breed inzetbaar zijn binnen het agrarisch natuurbeheer. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.3 — Artikel 2.29.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.29.3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking: a. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel a voor de activiteiten, bedoeld in: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b voor de activiteiten, bedoeld in: voor zover het een investering op een landbouwonderneming betreft, de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c voor de activiteiten, bedoeld in: de kosten, bedoeld in artikel 34, twaalfde lid, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; d. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel d voor de activiteiten, bedoeld in: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdeel d, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; e. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel e voor de activiteiten, bedoeld in: de kosten, bedoeld in artikel 21, derde lid, met uitzondering van onderdeel b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b Voor zover sprake is van investeringskosten als bedoeld in, en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen uitsluitend in aanmerking de kosten van investeringen: a. die verband houden met de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen e, f of g, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; en b. die betrekking hebben op niet-productieve investeringen. 3 artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c Voor zover sprake is van kosten voor beheermaatregelen als bedoeld in, komen uitsluitend in aanmerking de kosten voor beheermaatregelen, indien zij verder gaan dan: a. artikel 3 van de Uitvoeringsregeling GLB het inopgenomen criterium waaraan de landbouwer dient te voldoen om een landbouwareaal in een staat te houden die begrazing of teelt mogelijk maakt; b. artikel 32, aanhef en onderdelen a en b bijlagen 3 4 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 de in, enenopgenomen conditionaliteiten. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.4 — Artikel 2.29.4 Hoogte subsidie#
Artikel 2.29.4 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt: a. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdelen a, d en e voor de activiteiten, bedoeld in, 100 procent van de subsidiabele kosten; b. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b voor de activiteiten, bedoeld in, voor niet-productieve investeringen 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 500.000, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming; c. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b voor de activiteiten, bedoeld in, 100 procent van de subsidiabele kosten, indien het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft. d. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c bijlage 2.29 de kosten voor de beheermaatregelen, bedoeld in, worden bepaald op basis van de vergoedingen opgenomen in. 2 De hoogte van de subsidie bedraagt in totaal maximaal € 5.000.000 aan het samenwerkingsverband. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.5 — Artikel 2.29.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 2.29.5 Verdeling subsidieplafond 1 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2 artikel 2.29.2, tweede lid, onder b Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder a, toegevoegd. 3 artikel 2.29.2, tweede lid, onder a Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder b, toegevoegd. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.6 — Artikel 2.29.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 2.29.6 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening. 2 Het project is uiterlijk drie jaar na subsidieverlening afgerond. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.7 — Artikel 2.29.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.29.7 Afwijzingsgronden artikel 2.29.2, eerste lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in, indien: a. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdelen a en e voor de activiteiten, bedoeld in, geen subsidie wordt aangevraagd of uitsluitend niet-subsidiabele kosten worden opgevoerd; b. artikel 2.29.9, eerste lid na toepassing van, aan een aanvraag in totaal minder dan 30 punten zijn toegekend; c. artikel 2.29.9, eerste lid na toepassing van, voor één of meer criteria als bedoeld in artikel 2.29.9, eerste lid, onderdelen a tot en met d, 0 punten is toegekend; d. de verlening van subsidie niet in overeenstemming zou zijn met de artikelen 14, 21, 32, 34 of 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; e. een grote onderneming, die geen onderzoeksorganisatie is, deelnemer is in een samenwerkingsverband; f. de subsidie minder bedraagt dan € 1.000.000; g. artikel 2.29.2 ten behoeve van het samenwerkingsverband, voor wat betreft dezelfde openstellingsperiode, reeds een aanvraag is ingediend voor subsidie als bedoeld inof reeds subsidie is verstrekt op grond van artikel 2.29.2. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.8 — Artikel 2.29.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.29.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate: a. de mate van effectiviteit hoger is; b. de haalbaarheid hoger is; c. de mate van efficiëntie hoger is; en d. de mate van innovatie hoger is. 2 Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten minste 0 en ten hoogste 5. 3 Voor de rangschikking van een aanvraag wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk wegingsfactoren van respectievelijk 4, 3, 2 en 1. 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate daaraan in totaal meer punten zijn toegekend. 5 Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.9 — Artikel 2.29.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 2.29.9 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; b. een projectplan voor de volledige projectduur tot maximaal drie jaren, gerekend vanaf de startdatum; c. een begroting voor de gehele projectperiode gerekend vanaf de startdatum; d. titel 2.29.2, tweede lid een beschrijving van de geplande activiteiten en hoe deze activiteiten bijdragen aan doelstellingen van, van deze regeling; e. een intekening door de aanvrager op een omgevingskaart met daarin aangegeven het werkgebied waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren; f. artikel 1.9 onverminderd, een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers; g. indien de deelnemer aan het samenwerkingsverband een onderneming betreft: 1°. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 59, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw verkeert; 2°. een verklaring waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw vastgestelde criteria; h. indien van toepassing, een verklaring van de subsidieaanvrager over de subsidiabele kosten die bestaan uit omzetbelasting die de subsidieontvanger niet in aftrek kan brengen. 3 Het projectplan bevat in ieder geval een beschrijving van: a. artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a indien het een project als bedoeld in, betreft, de visie en gebiedsgerichte benadering van het project, een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, de in het betreffende gebied voorkomende uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur, en de wijze waarop het project via het experimenteren met verschillende maatregelen en instrumenten kan bijdragen aan het behalen van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur; b. artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b indien het een project als bedoeld in, betreft, een uiteenzetting van de probleemstelling en de wijze waarop de experimentele maatregel of het bestaande of te ontwikkelen instrument bij kan dragen aan het oplossen van de uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur; c. de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur; d. de wijze waarop de effecten van de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode op doelbereik gemonitord zullen worden; e. de wijze waarop resultaten uit de proefprojecten worden verspreid; f. de kansen en mogelijke risico’s van deelname aan proefprojecten door leden van het samenwerkingsverband en derden en de wijze waarop deze risico’s gemitigeerd worden. 4 De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, bevat ten minste een omschrijving van de wijze waarop ten aanzien van de deelnemers in het samenwerkingsverband wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. 5 Bij een aanvraag om subsidie wordt mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt gefinancierd. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.10 — Artikel 2.29.10 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.29.10 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De penvoerder dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten. De eerste tussenrapportage wordt uiterlijk een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ingediend. 2 Een tussenrapportage en eindverslag bevatten ten minste de volgende gegevens: a. de behaalde (deel)resultaten van uitgevoerde proefprojecten, de effecten van uitgevoerde proefprojecten op het beoogde doelbereik en de geleerde lessen met betrekking tot toekomstbestendig agrarisch natuurbeheer; b. het aantal betrokken partijen, specifiek het aantal en type agrarische ondernemers, bij de uitvoering van proefprojecten; c. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers; d. het aantal en soort investeringen en het gebruik hiervan; e. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c indien de activiteiten, bedoeld in, door het samenwerkingsverband worden verricht, een kaart waarop van beheermaatregelen op perceelsniveau wordt aangegeven waar de beheermaatregelen uitgevoerd gaan worden of uitgevoerd zijn. 3 De resultaten en tussenresultaten van de proefprojecten worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform vanaf de einddatum van de subsidie of vanaf de datum waarop informatie over de resultaten wordt gegeven aan leden van een specifieke organisatie. 4 De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van de subsidie. 5 Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform. 6 Indien de subsidieontvanger mede actief is in de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten, maar als terreinbeheerder hoofdzakelijk activiteiten verricht die betrekking hebben op natuurbeheer of natuurherstel, voert de subsidieontvanger een zodanige administratie dat met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten aantoonbaar is dat de subsidie niet ten goede komt aan de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.11 — Artikel 2.29.11 Staatssteun#
Artikel 2.29.11 Staatssteun artikel 2.29.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd: a. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel a voor de activiteiten, bedoeld in, door artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b voor de activiteiten, bedoeld in, door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c voor de activiteiten, bedoeld in, door de artikelen 34 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; d. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel d voor de activiteiten, bedoeld in, door de artikelen 32 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; e. artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel e voor de activiteiten, bedoeld in, door artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 2.29.12 — Artikel 2.29.12 Vervaltermijn#
Artikel 2.29.12 Vervaltermijn bijlage 2.29 Deze titel envervallen met ingang van 15 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 2026 14457 24-04-2026 23-04-2026 WJZ/105620811 25-04-2026
Artikel 3.1.1 — Artikel 3.1.1 Uurtarief#
Artikel 3.1.1 Uurtarief artikel 13, tweede lid 14 van het besluit Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in, en, € 60. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.2.1 — Artikel 3.2.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.2.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: innovatieactiviteiten: ondersteunende activiteiten, gericht op het betrekken van MKB-ondernemers bij een samenwerkingsproject of het stimuleren van de valorisatie van de kennis op het terrein van een PPS-programma, bestaande uit: a. netwerkactiviteiten, bestaande uit voor ieder openstaande masterclasses, workshops, conferenties of het delen of uitwisselen van informatie via een website om kennisdeling en het netwerken tussen MKB-ondernemers te bevorderen, of b. innovatieadviesdiensten, uitgezonderd opleiding, verstrekt aan een MKB-ondernemer door een innovatiemakelaar; innovatiemakelaar: een verstrekker van innovatieadviesdiensten; private inzet in natura: op geld waardeerbare inbreng in een samenwerkingsproject die: a. niet direct of indirect afkomstig is van een onderzoeksorganisatie of een openbaar lichaam als bedoeld in de definitie van private bijdrage; en b. wordt berekend op basis van een voor de deelnemers aan een samenwerkingsproject gebruikelijke en controleerbare methode, die gebaseerd is op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de deelnemers aan een samenwerkingsproject stelselmatig toepassen; KIA: meerjarige kennis- en innovatieagenda waarin de ambities en doelen binnen het veld van publiek-private samenwerkingen op een specifiek terrein zijn beschreven, en die het vertrekpunt vormt voor verdere uitwerking van onderzoeksprogrammering en innovatieontwikkeling met onder andere onderzoeksorganisaties en ondernemingen; PPS-programmasubsidie: subsidie aan een TKI ter uitvoering van een PPS-programma door middel van aanwending door het TKI van de ontvangen subsidie voor uitsluitend samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten die passen binnen het PPS-programma; private bijdrage: geldmiddelen, die niet direct of indirect afkomstig zijn van: a. een onderzoeksorganisatie met inbegrip van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, b. een openbaar lichaam; samenwerkingsproject: project dat: a. in daadwerkelijke samenwerking plaatsvindt; b. door minimaal twee deelnemers waaronder een onderzoeksorganisatie en een ondernemer wordt uitgevoerd; en c. bestaat uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan; TKI: artikel 3.2.2 Topconsortium voor Kennis en Innovatie, zijnde een rechtspersoon die als zodanig is genoemd in de wet houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van het kalenderjaar waarin de aanvraag, bedoeld in, wordt ingediend; PPS-programma: op onderzoek en innovatie gericht meerjarig programma van een TKI dat van start gaat met ingang van de eerste januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag voor PPS-programmasubsidie betrekking heeft: a. dat weergeeft welke inhoudelijke koers het TKI wil voeren voor kennisontwikkeling en -toepassing in het kader van een KIA op het specifieke terrein waarop het TKI primair actief is en in voorkomend geval ook in het kader van een of meer andere KIA’s; en b. houdende de samenwerkingsprojecten en, in voorkomend geval, innovatieactiviteiten van het TKI die binnen dit programma passen. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.2 — Artikel 3.2.2 Aanvraag#
Artikel 3.2.2 Aanvraag De minister verstrekt op aanvraag PPS-programmasubsidie aan een TKI. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.3 — Artikel 3.2.3 Verdeling van subsidieplafonds#
Artikel 3.2.3 Verdeling van subsidieplafonds De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.4 — Artikel 3.2.4 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.2.4 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor PPS-programmasubsidie indien: a. artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d, onder 1° het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister onvoldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de KIA of KIA’s die het TKI ingevolge, in het PPS-programma heeft aangewezen; b. artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d Het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister kwalitatief onvoldoende is, gelet op de wijze van de uitwerking in het PPS-programma van de onderwerpen, bedoeld in. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.5 — Artikel 3.2.5 Steunintensiteit en aanwending#
Artikel 3.2.5 Steunintensiteit en aanwending 1 Het TKI wendt de PPS-programmasubsidie voor samenwerkingsprojecten zodanig aan dat: a. er geen overschrijding plaatsvindt van de aanmeldingsdrempel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor fundamenteel of industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; b. het samenwerkingsproject of een onderdeel hiervan waarvoor het TKI de aangevraagde PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden, niet reeds is gestart of niet zal starten voorafgaand aan die aanwending van de PPS-programmasubsidie door het TKI; c. wordt voldaan aan de voorwaarden in paragraaf 2.2.2, onderdeel 29, onder b, c of d, in samenhang met onderdeel 30, van de O&O&I-kaderregeling; d. het totale bedrag aan steun dat voor een deelnemer in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan: 1°. 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; 3°. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; e. het totale bedrag dat voor een onderzoeksorganisatie in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van de onderzoeksorganisatie in de vorm van onafhankelijk uitgevoerd fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van die vormen van onderzoek, en deze niet-economische activiteiten in de boekhouding van deze onderzoeksorganisatie ook als zodanig zijn opgenomen; f. verzekerd is dat ondernemers en onderzoeksorganisaties onder transparante en redelijke voorwaarden in aanmerking komen voor deelname aan samenwerkingsprojecten die bijdragen aan het PPS-programma; g. de subsidie uitsluitend wordt aangewend indien het bestaan van het samenwerkingsproject, en de verschuldigdheid van private bijdragen en private inzet in natura daaraan, kan worden aangetoond aan de hand van een schriftelijke ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin tevens de wijze is beschreven waarop deelnemers aan het samenwerkingsproject zullen omgaan met de intellectuele eigendomsrechten die voortkomen uit dit project; en h. de subsidie uitsluitend wordt ingezet indien het samenwerkingsproject bijdraagt aan de Nederlandse kennisinfrastructuur. 2 De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 Het percentage, genoemd in eerste lid, onderdeel d, onder 2°, wordt verhoogd met tien procentpunten, respectievelijk het percentage, genoemd in eerste lid, onderdeel d, onder 3°, wordt verhoogd met vijftien procentpunten, indien voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 4 Het TKI wendt de PPS-programmasubsidie voor innovatieactiviteiten zodanig aan dat: a. bij netwerkactiviteiten: 1°. slechts aan derden verschuldigde kosten met betrekking tot de netwerkactiviteiten met PPS-programmasubsidie betaald worden; 2°. de opdrachtverlening door het TKI aan derden plaatsvindt op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven; en 3°. netwerkactiviteiten en hieruit voortkomende resultaten voor iedere MKB-ondernemer zonder onderscheid toegankelijk zijn, ofwel, indien de netwerkactiviteiten niet voortdurend en voor een ieder vrij toegankelijk zijn, per € 1.000 PPS-programmasubsidie minstens één MKB-ondernemer deelneemt aan de netwerkactiviteiten. b. bij innovatieadviesdiensten: 1°. de door het TKI in te zetten innovatiemakelaars op basis van transparante en redelijke criteria geselecteerd worden; 2°. het totale bedrag aan PPS-programmasubsidie maximaal 100% bedraagt van de subsidiabele kosten verbonden aan een innovatieadviesdienst, uitgezonderd opleiding, met een maximum van € 10.000 per MKB-ondernemer over een periode van één jaar; 3°. het TKI van de in een kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie maximaal een bedrag van € 300.000 aanwendt voor innovatieadviesdiensten, of, indien 0,5% van de door het TKI in dat kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie een bedrag vertegenwoordigt van € 100.000 of meer, maximaal € 200.000 + 0,5% van die PPS-programmasubsidie; 4°. aan een MKB-ondernemer gedurende maximaal drie jaar innovatieadviesdiensten worden geleverd. 5 De subsidiabele kosten, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, onder 2°, zijn kosten als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 6 Het TKI dat PPS-programmasubsidie ontvangt, neemt bij de aanwending van de PPS-programmasubsidie, indien van toepassing, de gemeenschappelijke ordening van de landbouwproducten in acht, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 7 De PPS-programmasubsidie wordt aangewend binnen zes jaar na verlening. 2025 24074 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99674611 2025 24074 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99674611 15-07-2025 01-11-2024
Artikel 3.2.6 — Artikel 3.2.6 Informatieverplichtingen bij subsidieaanvraag#
Artikel 3.2.6 Informatieverplichtingen bij subsidieaanvraag 1 Een aanvraag voor PPS-programmasubsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor PPS-programmasubsidie ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. het bedrag aan PPS-programmasubsidie dat wordt aangevraagd; d. het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie wordt aangevraagd, waarin in ieder geval is beschreven: 1°. aan de verwezenlijking van welke KIA of KIA’s het PPS-programma bijdraagt en op welke wijze het PPS-programma daaraan bijdraagt; 2°. op welke wijze het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die passen binnen het PPS-programma en waarvoor het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie wil aanwenden; 3°. op welke wijze het TKI zich zal inspannen om de omvang van private bijdragen en private inzet in natura aan samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden, zo groot mogelijk te doen zijn; 4°. artikel 3.2.10, eerste lid, onderdeel b op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan de verplichting, bedoeld in, in samenhang met het tweede lid van dat artikel; 5°. indien het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die niet alleen de kennisontwikkeling en -toepassing op het specifieke terrein van het TKI zelf raken, maar ook op het terrein van een of meer andere TKI’s en binnen andere KIA’s: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven; 6°. indien het TKI voornemens is om zich in te spannen om mkb-ondernemers aan te doen sluiten bij samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven; en 7°. indien het TKI voornemens is om PPS-programmasubsidie aan te wenden voor innovatieactiviteiten: welk deel van de totale programmasubsidie het TKI hiervoor wil aanwenden en voor welk type innovatieactiviteiten. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.7 — Artikel 3.2.7 Bepaling beoogde aanwending PPS-programmasubsidie en informatieverplichting#
Artikel 3.2.7 Bepaling beoogde aanwending PPS-programmasubsidie en informatieverplichting artikel 3.2.2 Uiterlijk 18 maanden na de startdatum van het PPS-programma waarvoor op grond vanPPS-programmasubsidie is verleend, bepaalt het TKI voor welke samenwerkingsprojecten het de ontvangen PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden en verstrekt het TKI aan de minister, met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld, ten minste de volgende gegevens over elk van deze samenwerkingsprojecten: a. gegevens over elk van de deelnemers van het samenwerkingsverband dat het samenwerkingsproject uitvoert, waaronder de naam van de deelnemer, het nummer waarmee de deelnemer is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en een duiding van de rol van de deelnemer binnen het samenwerkingsproject; b. een samenvatting van de aard en strekking van het samenwerkingsproject, waaronder een korte beschrijving van het doel van het samenwerkingsproject, de wijze waarop dit bijdraagt aan de uitwerking van het PPS-programma, en de binnen het samenwerkingsproject te verrichten onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten; c. de beoogde startdatum en looptijd van het samenwerkingsproject; d. de omvang van de private bijdragen en private inzet in natura voor het samenwerkingsproject; e. een verklaring dat er een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst beschikbaar is of beschikbaar zal zijn, uiterlijk op het moment dat het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie daadwerkelijk aanwendt voor het desbetreffende samenwerkingsproject, uit welke samenwerkingsovereenkomst blijkt: 1°. op welk samenwerkingsproject de samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft; 2°. de omvang van private bijdragen en private inzet in natura per deelnemer aan dat samenwerkingsproject; en 3°. de wijze waarop deelnemers aan dat samenwerkingsproject zullen omgaan met intellectueel eigendom dat voorkomt uit dit project; f. een overzicht van de subsidiabele kosten per deelnemer van het samenwerkingsverband dat het samenwerkingsproject uitvoert, waarbij wordt aangegeven of de betreffende kosten betrekking hebben op fundamenteel onderscheidenlijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; g. de omvang van de PPS-programmasubsidie die het TKI aanwendt per deelnemer van het samenwerkingsverband dat het betreffende samenwerkingsproject uitvoert. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.8 — Artikel 3.2.8 Administratie#
Artikel 3.2.8 Administratie artikel 38 van het besluit Onverminderd, draagt het TKI zorg voor een administratie: a. waaruit op eenvoudige en duidelijke wijze kan worden afgeleid of en hoe de PPS-programmasubsidie wordt aangewend voor het uitvoeren van de in het PPS-programma opgenomen samenwerkingsprojecten en voor innovatieactiviteiten; en b. artikel 3.2.7, onderdeel e waaruit op eenvoudige wijze kennis genomen kan worden van de samenwerkingsovereenkomsten, bedoeld in. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.9 — Artikel 3.2.9 Rapportage#
Artikel 3.2.9 Rapportage artikel 39, eerste lid, van het besluit De rapportage, bedoeld in, wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat ten minste actuele informatie over de voortgang van de uitvoering van het PPS-programma door het TKI, die ten minste een overzicht omvat van: 1°. de mate waarin de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie is of wordt aangewend, zijn gerealiseerd; 2°. de private bijdragen aan en de private inzet in natura voor deze projecten; en 3°. ingeval de PPS-programmasubsidie ook wordt aangewend voor innovatieactiviteiten: welke innovatieactiviteiten op het moment van rapportage gaande of gerealiseerd zijn en in welke mate, de aanleiding voor de desbetreffende innovatieactiviteit, alsmede de wijze waarop de desbetreffende innovatieactiviteit past binnen en een uitwerking vormt van de doelstellingen van het PPS-programma, zoals die in het PPS-programma verwoord zijn. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.10 — Artikel 3.2.10 Transparantie#
Artikel 3.2.10 Transparantie 1 Het TKI zorgt dat op eenvoudige wijze voor het algemene publiek kenbaar is: a. het PPS-programma waarvoor PPS-programmasubsidie is verleend, uiterlijk twee weken na verlening van de programmasubsidie; b. actuele informatie over de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie wordt aangewend; en c. actuele informatie over de voorwaarden waaronder deelname door ondernemers en onderzoeksorganisaties aan samenwerkingsprojecten van het PPS-programma openstaat. 2 De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, omvat ten minste een beschrijving van het onderzoek, de deelnemende ondernemers en onderzoeksorganisaties, de planning en voortgang, alsook de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de samenwerkingsprojecten worden opgedaan. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.11 — Artikel 3.2.11 Informatieverplichting bij aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 3.2.11 Informatieverplichting bij aanvraag tot subsidievaststelling 1 De aanvraag tot subsidievaststelling van PPS-programmasubsidie bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. gegevens over: 1°. de totale subsidiabele kosten, uitgesplitst per specifiek samenwerkingsproject, specifieke netwerkactiviteit of specifieke innovatieadviesdienst waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangewend; 2°. de omvang van de aanwending van de PPS-programmasubsidie per deelnemer in een samenwerkingsproject. 2 artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit bijlage 3.2.1 Indien de aan een TKI verleende PPS-programmasubsidie € 125.000 of meer bedraagt, kan de aanvraag tot vaststelling van deze subsidie voor het deel van de subsidie dat is aangewend voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten, in afwijking van, vergezeld gaan van een rapport van feitelijke bevindingen als bedoeld in artikel 50, zesde lid, van het besluit, dat met inachtneming van de voorschriften, gesteld in, is opgesteld. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.12 — Artikel 3.2.12 Staatssteun#
Artikel 3.2.12 Staatssteun artikel 3.2.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun met uitzondering van de subsidie die betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties en op netwerkactiviteiten, en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.2.13 — Artikel 3.2.13 Vervaltermijn#
Artikel 3.2.13 Vervaltermijn bijlage 3.2.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 november 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 2023 28651 20-10-2023 17-10-2023 WJZ/38036389 21-10-2023
Artikel 3.4.1 — Artikel 3.4.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.4.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: Adviesorganisatie: organisatie, niet zijnde een kennisinstelling, die deskundigheid heeft op het gebied van de op grond van deze regeling te subsidiëren activiteiten, en die als bedrijfsactiviteit adviesopdrachten uitvoert; kennisinstelling: a. bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek onder a, b, c, g of h van degenoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit; b. andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde: 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a, 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; d. rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b of c direct of indirect: 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft, 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of 3°. overwegende zeggenschap heeft; e. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met d; MIT-haalbaarheidsproject: een project dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie, of uit een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek; MIT-R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband; MIT-R&D-samenwerkingsproject groot: een MIT-R&D-samenwerkingsproject waarvan de subsidiabele kosten meer dan € 571.428 bedragen; MIT-R&D-samenwerkingsproject klein: een MIT-R&D-samenwerkingsproject waarvan de subsidiabele kosten niet meer bedragen dan € 571.428; MIT-R&D-samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, welk verband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een MIT-R&D-samenwerkingsproject. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.2 — Artikel 3.4.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.4.2 Subsidieverstrekking 1 bijlage 3.4.1 De minister verstrekt op grond van deze titel op aanvraag subsidie voor activiteiten die passen binnen de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, die zijn opgenomen in. 2 paragraaf 3.4.2 paragraaf 3.4.5 De minister verdeelt de aan deze activiteiten verbonden subsidieplafonds voorop volgorde van binnenkomst van de aanvragen en voorop volgorde van rangschikking van de aanvragen. 3 Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor MIT-R&D-samenwerkingsprojecten klein lager is dan het maximaal beschikbare bedrag voor MIT-R&D-samenwerkingsprojecten klein, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het maximaal beschikbare bedrag voor MIT-R&D-samenwerkingsprojecten groot toegevoegd. 4 Indien een aanvraag voor een subsidie voor een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject is ingediend bij een provinciebestuur en indien dat bestuur de aanvraag niet in behandeling kan nemen, neemt de minister de aanvraag in behandeling waarbij als datum van indiening de datum van indiening bij het provinciebestuur wordt gehanteerd. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.3 — Artikel 3.4.3 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.4.3 Afwijzingsgronden 1 Een aanvraag van een MKB-ondernemer voor een MIT-haalbaarheidsproject wordt afgewezen indien aan hem in hetzelfde kalenderjaar al subsidie is verstrekt op grond van deze titel voor een MIT-haalbaarheidsproject. 2 Een aanvraag van een MKB-ondernemer voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt afgewezen indien aan hem in hetzelfde kalenderjaar al subsidie is verstrekt op grond van deze titel voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject. 3 Een aanvraag voor een subsidie op grond van deze titel voor een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt afgewezen indien in hetzelfde kalenderjaar door een provincie of een samenwerkingsverband van provincies een subsidie voor een van de genoemde soorten projecten, waarop de aanvraag betrekking heeft, kan worden verstrekt of is verstrekt voor respectievelijk een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject. 4 bijlage 3.4.1 In afwijking van het derde lid wordt een aanvraag voor een subsidie voor een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject dat past binnen het subthema duurzame visserij en aquacultuur, dat is opgenomen in paragraaf 3.f van, afgewezen indien in hetzelfde kalenderjaar door een provincie of een samenwerkingsverband van provincies een subsidie is verstrekt voor een MIT-haalbaarheidsproject. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.3a — Artikel 3.4.3a Informatieverplichting#
Artikel 3.4.3a Informatieverplichting De aanvrager voegt bij de aanvraag een samenvatting van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd die door de minister kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.4.4 — Artikel 3.4.4 Doelgroep#
Artikel 3.4.4 Doelgroep Subsidie voor een haalbaarheidsproject wordt verleend aan een MKB-ondernemer. 2015 10567 16-04-2015 15-04-2015 WJZ/15047601 2015 10567 16-04-2015 15-04-2015 WJZ/15047601 17-04-2015
Artikel 3.4.5 — Artikel 3.4.5 Steunintensiteit#
Artikel 3.4.5 Steunintensiteit 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een MIT-haalbaarheidsproject uitvoert dat voor ten minste 60% bestaat uit een haalbaarheidsstudie en voor ten hoogste 40% uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. 2 Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste € 20.000,–. 3 De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten. 4 De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor zover het kosten betreft voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, en de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor zover het kosten betreft voor een haalbaarheidsstudie. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.6 — Artikel 3.4.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.4.6 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van het haalbaarheidsproject wordt gestart binnen vier maanden na indiening van de subsidieaanvraag. 2 Het haalbaarheidsproject wordt uitgevoerd binnen twaalf maanden na de start van het haalbaarheidsproject. 2015 10567 16-04-2015 15-04-2015 WJZ/15047601 2015 10567 16-04-2015 15-04-2015 WJZ/15047601 17-04-2015
Artikel 3.4.7 — Artikel 3.4.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.4.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen; b. het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft. 2015 10567 16-04-2015 15-04-2015 WJZ/15047601 2015 10567 16-04-2015 15-04-2015 WJZ/15047601 17-04-2015
Artikel 3.4.8 — Artikel 3.4.8 Subsidie MIT-kennisvoucher#
Artikel 3.4.8 Subsidie MIT-kennisvoucher Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.9 — Artikel 3.4.9 Kennisvraag#
Artikel 3.4.9 Kennisvraag Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.10 — Artikel 3.4.10 Besteding MIT-kennisvoucher#
Artikel 3.4.10 Besteding MIT-kennisvoucher Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.11 — Artikel 3.4.11 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.4.11 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.12 — Artikel 3.4.12 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.4.12 Afwijzingsgronden Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.13 — Artikel 3.4.13 Verzilvering MIT-kennisvoucher door kennisinstellingen#
Artikel 3.4.13 Verzilvering MIT-kennisvoucher door kennisinstellingen Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.14 — Artikel 3.4.14 Steunintensiteit#
Artikel 3.4.14 Steunintensiteit Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.15 — Artikel 3.4.15 Aanvraag verzilvering MIT-kennisvoucher#
Artikel 3.4.15 Aanvraag verzilvering MIT-kennisvoucher Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.15a — Artikel 3.4.15a Doelgroep#
Artikel 3.4.15a Doelgroep Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.15b — Artikel 3.4.15b Steunintensiteit#
Artikel 3.4.15b Steunintensiteit Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.15c — Artikel 3.4.15c#
Artikel 3.4.15c Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.15d — Artikel 3.4.15d#
Artikel 3.4.15d Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.16 — Artikel 3.4.16 Subsidie hooggekwalificeerd personeel#
Artikel 3.4.16 Subsidie hooggekwalificeerd personeel Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.17 — Artikel 3.4.17 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.4.17 Subsidiabele kosten Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.18 — Artikel 3.4.18 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3.4.18 Subsidievoorwaarden Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.19 — Artikel 3.4.19 Subsidieomvang#
Artikel 3.4.19 Subsidieomvang Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.20 — Artikel 3.4.20 MIT-R&D-samenwerkingsverband#
Artikel 3.4.20 MIT-R&D-samenwerkingsverband De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een MIT-R&D-samenwerkingsverband dat een MIT-R&D-samenwerkingsproject uitvoert. 2015 12062 01-05-2015 30-04-2015 WJZ/15036263 2015 12062 01-05-2015 30-04-2015 WJZ/15036263 02-05-2015
Artikel 3.4.21 — Artikel 3.4.21 Penvoerder#
Artikel 3.4.21 Penvoerder De penvoerder is een onderneming die deelneemt aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.4.22 — Artikel 3.4.22 Steunintensiteit#
Artikel 3.4.22 Steunintensiteit 1 De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 De subsidie bedraagt voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject 35 procent van de subsidiabele kosten. 3 Elke individuele deelnemer aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband neemt niet meer dan 70 procent van de voor subsidie in aanmerking komende kosten van het MIT-R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening. 4 Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste € 350.000,–. 5 Het subsidiebedrag bedraagt ten minste € 25.000 en ten hoogste € 100.000 per deelnemer aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband. 6 In afwijking van het vijfde lid bedraagt het subsidiebedrag per deelnemer ten hoogste € 175.000, indien de subsidiabele kosten voor het MIT-R&D-samenwerkingsproject meer dan € 571.428 bedragen. 2018 11732 28-02-2018 25-02-2018 WJZ/17178435 2018 11732 28-02-2018 25-02-2018 WJZ/17178435 01-03-2018
Artikel 3.4.23 — Artikel 3.4.23 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.4.23 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van het MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieaanvraag. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is twee jaar. 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 3.4.24 — Artikel 3.4.24 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.4.24 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject indien: a. het niet voldoende bijdraagt aan de vernieuwing van producten, processen of diensten of wezenlijke nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten; b. het niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband of de daarmee samenhangende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie; c. bijlage 3.4.1 het niet voldoende positieve impact realiseert binnen een of meer van de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, genoemd in; d. de kwaliteit van het MIT-R&D-samenwerkingsverband ontoereikend is om het MIT-R&D-samenwerkingsproject uit te voeren; e. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is; f. het subsidiebedrag lager zou zijn dan € 50.000; g. artikel 3.4.25, eerste lid na toepassing van, minder dan tien punten voor één of meer criteria zijn toegekend; h. artikel 3.4.25, eerste lid na toepassing van, voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject minder dan vijftig punten zijn toegekend. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.25 — Artikel 3.4.25 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.4.25 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate: a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht; b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie; c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie; d. bijlage 3.4.1 er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, genoemd in. 2 bijlage 3.4.1 Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de uitwerkingen van de Kennis en Innovatieagenda’s, genoemd in. 3 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe. 4 voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 2, indien het project valt binnen: a. bijlage 3.4.1, onderdeel 6 , sleuteltechnologieën 1.1, 2.2, 2.3, 2.7, 3.2, 4.1, 5 of 6.1; b. bijlage 3.4.1, onderdeel 7 , sleuteltechnologieën 1, 2 en 3; of c. bijlage 3.4.1, onderdeel 7.a . 5 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. 6 De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.26 — Artikel 3.4.26 Overeenkomstige toepassing#
Artikel 3.4.26 Overeenkomstige toepassing Vervallen 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.27 — Artikel 3.4.27 Evaluatie#
Artikel 3.4.27 Evaluatie 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van dit hoofdstuk uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.4.28 — Artikel 3.4.28 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.4.28 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie; d. een projectplan; e. een projectbegroting; f. een aanmelding en machtiging per deelnemer bij een haalbaarheidsstudie of R&D-samenwerkingsproject. 3 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.29 — Artikel 3.4.29 Staatssteun#
Artikel 3.4.29 Staatssteun Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 2025 11338 07-04-2025 03-04-2025 WJZ/97790503 08-04-2025
Artikel 3.4.30 — Artikel 3.4.30 Vervaltermijn#
Artikel 3.4.30 Vervaltermijn bijlage 3.4.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 21-11-2024
Artikel 3.5.1 — Artikel 3.5.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.5.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: CEF: Connecting Europe Facility; CEF-verordening: Verordening (EU) 2021/1153 Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking vanen(PBEU 2021, L 249); backbonenetwerk: backbonenetwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 137 ter, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; Europees goedkeuringsbesluit: besluit van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de CEF-verordening, waarin is bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van de Europese Commissie; Europees CEF-project: artikel 3.5.2, eerste lid project dat is gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen op de deelgebieden, bedoeld in, en dat wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband, dat partij is bij een Europese subsidieovereenkomst; Europees samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van juridische entiteiten; Europese subsidieaanvraag: aanvraag voor een Europees goedkeuringsbesluit bij de Europese Commissie door de deelnemers in een Europees of Nederlands samenwerkingsverband; Europese oproep: open competitieve oproep tot het indienen van Europese subsidieaanvragen betreffende voorstellen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de CEF-verordening; Europese subsidieovereenkomst: subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de CEF-verordening, gesloten tussen de Europese Commissie en deelnemers uit een Europees of Nederlands samenwerkingsverband; juridische entiteit: juridische entiteit die voor subsidie in aanmerking zou kunnen komen op grond van artikel 11 van de CEF-verordening; Nederlands samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde juridische entiteiten; onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel gg, van het O&O&I-steunkader; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel ff, van het O&O&I-steunkader; werkprogramma: werkprogramma als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de CEF-verordening. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.2 — Artikel 3.5.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.5.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een in Nederland gevestigde juridische entiteit voor het uitvoeren van een Nederlands CEF-project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van de CEF-verordening op het deelgebied Quantum Communication Infrastructure uit het toepasselijke werkprogramma en de bijhorende Europese oproep betreffende CEF. 2 Het Nederlandse CEF-project is een zelfstandig project dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit dan wel een deelproject of -projectonderdeel van een Europees CEF-project dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en omvat een samenhangend geheel van één of meer van de volgende activiteiten, voor zover deze zijn opgenomen in de Europese subsidieovereenkomst: a. economische activiteiten ten behoeve van de acties als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel d, van de CEF-verordening, die kunnen bestaan uit: 1°. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van economische onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert; 2°. de bouw of het upgraden van economische onderzoeksinfrastructuur, voor zover deze bestaat uit de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend kabelnetwerk of optische verbinding, ten behoeve van andere economische onderzoeksactiviteiten dan bedoeld onder 1°, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert, waaronder mede begrepen het door een onderneming uitvoeren van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie; 3°. investeringsactiviteiten betreffende een investering of combinatie van investeringen die betrekking hebben op de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk ten behoeve van de verbinding van Cloudinfrastructuren van bepaalde sociaal economische actoren of een onderzees kabelnetwerk, verricht door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert; b. niet-economische activiteiten ten behoeve van de acties als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel d, van de CEF-verordening, die kunnen bestaan uit: 1°. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van niet-economische onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert; 2°. de bouw of het upgraden van niet-economische onderzoeksinfrastructuur, voor zover deze bestaat uit de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend kabelnetwerk of optische verbinding ten behoeve van andere niet-economische onderzoeksactiviteiten dan bedoeld onder 1°, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert, waaronder mede begrepen het onafhankelijk uitvoeren van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. 3 De subsidieontvanger, bedoeld in het tweede lid, is, overeenkomstig de voorwaarden uit het toepasselijke werkprogramma of de bijhorende Europese oproep: a. een in Nederland gevestigde juridische entiteit die de activiteiten van een Nederlands zelfstandig CEF-project, bedoeld in het tweede lid, uitvoert in een Nederlands samenwerkingsverband, dat partij is bij de Europese subsidieovereenkomst; b. een in Nederland gevestigde juridische entiteit die de activiteiten van een Nederlands CEF-deelproject of -projectonderdeel, bedoeld in het tweede lid, uitvoert in: 1°. een Europees samenwerkingsverband, dat partij is bij de Europese subsidieovereenkomst; of 2°. een Europees samenwerkingsverband en onderliggend Nederlands samenwerkingsverband, die partij zijn bij de Europese subsidieovereenkomst. 4 artikel 3, tweede lid, van het besluit Wet gemeenschappelijke regelingen Het derde lid is, in afwijking van, tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.3 — Artikel 3.5.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.5.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie voor een Nederlands CEF-project bedraagt: a. artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a voor economische activiteiten als bedoeld in: 1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek; 2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur; 4°. het deel van de subsidiabele kosten dat niet gefinancierd wordt door de Europese Commissie op grond van de Europese subsidieovereenkomst of door andere derden, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk; b. artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b voor niet-economische activiteiten als bedoeld in: 100% van de subsidiabele kosten. 2 De subsidie bedraagt ten hoogste € 5.000.000 per Nederlands CEF-project. 3 artikel 6, eerste lid, van het besluit Bij de toepassing vanworden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel de financiële bijdragen van de Europese Commissie of andere bestuursorganen aangemerkt als publieke cofinanciering en buiten beschouwing gelaten: a. indien de totale som van de door de minister, de Europese Commissie of andere bestuursorganen verstrekte subsidie voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet hoger ligt dan 100% van de subsidiabele kosten of, voor zover van toepassing, het maximum percentage of het bedrag dat is opgenomen in het toepasselijke werkprogramma; en b. indien het economische activiteiten bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft, en het deel van de door de minister of andere bestuursorganen verstrekte subsidie niet meer bedraagt dan de toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten en, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan de aan de ophoging verbonden voorwaarden, die zijn opgenomen in de volgende bepalingen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening: 1°. voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder II, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder III, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 3°. voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 4°. voor investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel y ter, en 52 ter, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.4 — Artikel 3.5.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.5.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking: a. artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, 26, vijfde lid, of 52 ter, tweede lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze zijn vermeld in de Europese subsidieovereenkomst en betrekking hebben op de economische activiteiten, bedoeld in; en b. artikel 10, eerste lid, van het besluit artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b de redelijk gemaakte kosten die, onverminderd, direct verbonden zijn met de uit te voeren activiteiten, voor zover deze zijn vermeld in de Europese subsidieovereenkomst en betrekking hebben op niet-economische activiteiten als bedoeld in. 2 artikel 10, tweede lid, van het besluit artikel 3.5.2, eerste lid In afwijking van, kunnen onder de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, mede worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in, voor zover de Europese Commissie hiermee heeft ingestemd in de subsidieovereenkomst. 3 artikel 11, eerste lid, van het besluit In afwijking vanberekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese subsidieaanvraag en wordt voldaan aan artikelen 16, 17, 18 en 19, van de CEF-verordening. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.5 — Artikel 3.5.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.5.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.6 — Artikel 3.5.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.5.6 Realisatietermijn 1 Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd Nederlands CEF-project wordt niet eerder gestart dan het tijdstip waarop de Europese subsidieaanvraag is ingediend bij de Europese Commissie. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is 42 maanden na subsidieverlening. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.7 — Artikel 3.5.7 Rangschikkingscriterium#
Artikel 3.5.7 Rangschikkingscriterium artikel 3.5.2, eerste lid De minister rangschikt de aanvragen om subsidie betreffende een Nederlands CEF-project als bedoeld in, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese of het betreffende zelfstandige Nederlandse CEF-project, na toepassing van de artikelen 8, vierde lid, en 14, eerste en zesde lid, van de CEF-verordening, hoger is gerangschikt door de Europese Commissie. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.8 — Artikel 3.5.8 Opschortende voorwaarde#
Artikel 3.5.8 Opschortende voorwaarde 1 artikel 3.5.2, eerste lid De subsidie voor een Nederlands CEF-project als bedoeld in, wordt uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen één jaar na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening een ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst verstrekt is aan de minister door de betrokken subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in artikel 3.5.2, derde en vierde lid. 2 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.9 — Artikel 3.5.9 Verplichtingen betreffende economisch gebruik van onderzoeksinfrastructuur#
Artikel 3.5.9 Verplichtingen betreffende economisch gebruik van onderzoeksinfrastructuur 1 artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a, onder 1° of 2° Indien in het Nederlandse CEF-project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur worden verricht ten behoeve van het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat, overeenkomstig artikel 26, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening: a. de toegang tot deze onderzoeksinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt; b. de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs. 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kunnen ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur hebben gefinancierd preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, indien deze toegang evenredig is aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en deze gunstigere voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.10 — Artikel 3.5.10 Verplichtingen betreffende economische investeringsactiviteiten#
Artikel 3.5.10 Verplichtingen betreffende economische investeringsactiviteiten 1 artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a, onder 3° Indien in het Nederlandse CEF-project economische investeringsactiviteiten betreffende een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk worden verricht als bedoeld in, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat: a. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project betreffende deze investeringsactiviteiten connectiviteitscapaciteiten mogelijk maakt die, overeenkomstig artikel 52 ter, derde lid, onderdeel d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, verder gaan dan de vereisten ten gevolge van bestaande wettelijke verplichtingen; b. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project betreffende deze investeringen, overeenkomstig artikel 52 ter, derde lid, onderdeel e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, leidt tot open wholesaletoegang voor derden, inclusief ontbundeling, onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, die in overeenstemming zijn met de artikelen 52, zevende en achtste lid, of 52 bis, achtste en negende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project, voor zover dit investeringen in het in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk betreft, overeenkomstig artikel 52 ter, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, betrekking heeft op: 1°. de interconnectie van cloudinfrastructuren van sociaal-economische actoren die als overheidsdiensten of openbare of particuliere entiteiten belast zijn met de exploitatie van diensten van algemeen belang of van diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; 2°. een grensoverschrijdend traject in de uitrol van nieuwe grensoverschrijdende backbonenetwerken of een aanzienlijke upgrade van bestaande netwerken, waarbij de grens tussen twee of meer lidstaten van de Europese Unie wordt overschreden, of de grens tussen ten minste één lidstaat en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte wordt overschreden; 3°. ten minste twee in aanmerking komende sociaal-economische actoren als bedoeld onder 1° die elk in een andere lidstaat van de Europese Unie of in één lidstaat en één land van de Europese Economische Ruimte actief zijn; 4°. een aanzienlijke nieuwe investering in het backbonenetwerk die verder gaat dan marginale investeringen, waaronder mede begrepen marginale investeringen die louter verband houden met software upgrades of licenties; 5°. het aanbieden van symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste veelvouden van 10 Gbps; en 6°. het ondersteunen van de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur, uitsluitend indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt; d. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project, voor zover dit investeringen in het in Nederland uit te rollen deel van een onderzees kabelnetwerk betreft, overeenkomstig artikel 52 ter, vierde lid, onderdeel d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, betrekking heeft op: 1°. een grensoverschrijdend traject van een onderzees kabelnetwerk waarbij de grens wordt overschreden tussen ten minste twee lidstaten van de Europese Unie dan wel tussen ten minste één lidstaat van de Europese Unie en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte; 2°. routes die niet reeds worden bediend door ten minste twee bestaande of geloofwaardig geplande backbone-infrastructuren; 3°. een aanzienlijke nieuwe investering in het onderzees kabelnetwerk door de aanleg van een nieuwe onderzeese kabel of een aansluiting op een bestaande onderzeese kabel, waarbij redundantiekwesties worden aangepakt en verder wordt gegaan dan marginale investeringen; 4°. het op betrouwbare wijze aanbieden van symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste 1 Gbps; en 5°. het ondersteunen van de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur, uitsluitend indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt; en e. het Nederlandse CEF-project kwalificeert als deelproject of projectonderdeel van een bijhorend Europees CEF-project indien dit nodig is om te voldoen aan één of meer voorwaarden als bedoeld in onderdelen a, b, c of d. 2 De subsidieontvanger is niet verplicht te voldoen aan de voorwaarde, bedoeld, in het eerste lid, onderdeel d, onder 1°, indien de investering in een onderzees kabelnetwerk, overeenkomstig artikel 52 ter, vierde lid, onderdeel d, onder I, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, betrekking heeft op het aanbieden van wholesalediensten en het verbeteren van ondersteunende infrastructuur ten behoeve van de connectiviteit van Europese ultraperifere gebieden, overzeese gebieden of insulaire regio’s binnen ten minste één lidstaat van de Europese Unie. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.11 — Artikel 3.5.11 Verplichtingen betreffende samenwerking bij niet-economische onderzoeksactiviteiten door onderzoeksorganisaties#
Artikel 3.5.11 Verplichtingen betreffende samenwerking bij niet-economische onderzoeksactiviteiten door onderzoeksorganisaties 1 artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b Indien in het Nederlandse CEF-project niet-economische onderzoeksactiviteiten, bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in, door een subsidieontvanger die kwalificeert als onderzoeksorganisatie worden uitgevoerd binnen een Europees of Nederlands samenwerkingsverband waaraan één of meer ondernemingen deelnemen: a. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met deze ondernemingen; b. wordt voorafgaand aan de start van het Europese of Nederlandse CEF-project, doch uiterlijk zes maanden na subsidieverlening, een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het desbetreffende Europese of Nederlandse samenwerkingsverband over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat: 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. 2 Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, in mindering worden gebracht. 3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, stemt overeen met de marktprijs indien: a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen. 4 De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. 5 Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.12 — Artikel 3.5.12 Verplichtingen betreffende niet-economisch gebruik van onderzoeksinfrastructuur#
Artikel 3.5.12 Verplichtingen betreffende niet-economisch gebruik van onderzoeksinfrastructuur artikel 3.5.2, onderdeel b artikel 3.5.9 Indien in het Nederlandse CEF-project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur worden verricht ten behoeve van het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in, door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert, zijn de verplichtingen uitvan overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het geval waarin deze onderzoeksorganisatie er zorg voor draagt dat van het aantal uren dat deze onderzoeksinfrastructuur jaarlijks in werking is: a. 100 procent wordt gebruikt voor het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten; of b. voor meer dan 80 procent wordt gebruikt voor het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten en, aanvullend, voor ten hoogste 20 procent voor het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten, met dien verstande dat deze economische onderzoeksactiviteiten zuiver ondersteunend zijn en blijven aan de niet-economische onderzoeksactiviteiten door hiervoor precies dezelfde input te gebruiken als voor de niet-economische onderzoeksactiviteiten. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.13 — Artikel 3.5.13 Verplichtingen betreffende administratie, rapportage en kennisverspreiding#
Artikel 3.5.13 Verplichtingen betreffende administratie, rapportage en kennisverspreiding 1 artikel 38 van het besluit Onverminderdwordt in de administratie van de subsidieontvanger een onderscheid gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten, die deze subsidieontvanger binnen het CEF-project uitvoert en de kosten en de financiering hiervan. 2 artikel 39 van het besluit In afwijking van, brengt de subsidieontvanger aan de minister schriftelijk verslag uit over de voortgang of resultaten van het Europese CEF-project, overeenkomstig de wijze en frequentie waarop de subsidieontvanger daartoe jegens de Europese Commissie verplicht is op grond van artikel 21, derde lid, en 22, eerste lid, van de CEF-verordening. 3 Gedurende de looptijd van het project tot en met vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling geven de subsidieontvangers, overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van de CEF-verordening, zichtbaarheid aan de financiering door de Europese Commissie en de minister. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.14 — Artikel 3.5.14 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.5.14 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidieverlening ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, indien van toepassing het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een verwijzing naar de passages uit de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover deze onvoldoende informatie bevat, een aanvullende omschrijving, waarin zich informatie bevindt over de werkzaamheden die door de subsidieaanvrager binnen het Europese en Nederlandse CEF-project worden uitgevoerd. 3 De aanvraag gaat vergezeld van: a. een voor openbare publicatie geschikte Nederlandse samenvatting van de projectomschrijving, inclusief de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden binnen het Nederlandse CEF-project; b. een financieringsplan en begroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. artikel 3.5.2, tweede lid een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in; en 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse CEF-project financiert; en c. een kopie van het Europese goedkeuringsbesluit. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.15 — Artikel 3.5.15 Aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 3.5.15 Aanvraag tot subsidievaststelling 1 artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, omvat: a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse CEF-project; b. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten. 2 artikel 50, zesde lid, van het besluit artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht Met toepassing vanwordt de controleverklaring, bedoeld in artikel 50, tweede lid onderdeel c, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat vervangen door een kopie van een aan de Europese Commissie verstrekt exemplaar van een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de inbedoelde voorschriften. 3 artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit bijlage 1.3 Indien het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in het tweede lid, niet aan de Europese Commissie verstrekt is voordat de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse CEF-project is ingediend of onvoldoende informatie bevat om de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse CEF-project te kunnen beoordelen, is het tweede lid niet van toepassing, met dien verstande dat in dat geval de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse CEF-project, overeenkomstig, vergezeld gaat van een controleverklaring als bedoeld in. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.16 — Artikel 3.5.16 Staatssteun#
Artikel 3.5.16 Staatssteun artikel 3.5.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat, met uitzondering van de subsidie die bestemd is voor niet-economische activiteiten, bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid, onderdeel b, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 3.5.3, tweede lid, onderdeel a, onder 1° artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling als bedoeld in; b. artikel 3.5.3, tweede lid, onderdeel a, onder 1° of 2° artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in; c. artikel 3.5.3, tweede lid, onderdeel a, onder 3° artikel 52 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor investeringsactiviteiten als bedoeld in. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.5.17 — Artikel 3.5.17 Vervaltermijn#
Artikel 3.5.17 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 3.6.1 — Artikel 3.6.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.6.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: maritieme maakindustrie: sector waarin natuurlijke personen of rechtspersonen zich actief bezighouden met het ontwikkelen, ontwerpen, bouwen, verbouwen, onderhouden of repareren van schepen, drijvende structuren, scheepscomponenten of scheepssystemen, die geschikt zijn voor gebruik bij de scheepvaart, marine, havens, offshore, natte waterbouw of de toeleveranciers hiervan; maritieme onderneming: artikel 1 van het besluit artikel 3.6.2, eerste en tweede lid, onderdeel a onderneming als bedoeld in, die een bijdrage kan leveren aan de doelstellingen en economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in, met uitzondering van onderzoeksorganisaties die economische activiteiten uitvoeren; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel ff, van het O&O&I-steunkader. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.2 — Artikel 3.6.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.6.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een maritieme onderneming of onderzoeksorganisatie voor het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een maritiem innovatieproject, gericht op onderzoek of ontwikkeling ten behoeve van de maritieme maakindustrie, dat een bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van één of meer van de volgende doelen: a. het ontwikkelen van methoden, technieken of toepassingen dan wel het verwerven van kennis wat zou kunnen leiden tot het verminderen van emissies van gassen, stoffen, geur en onderwatergeluid en het verbeteren van de energie-efficiëntie, om uitstoot te verminderen respectievelijk energie te besparen bij het gebruik van een schip dan wel activiteiten die hiermee verband houden; b. het ontwikkelen van methoden, technieken of toepassingen dan wel het verwerven van kennis wat zou kunnen leiden tot het verbeteren van het veilig delen of slim gebruiken van maritieme data bij het gebruik van een schip dan wel activiteiten die hiermee verband houden gedurende de hele levenscyclus van het desbetreffende schip, waaronder mede begrepen het ontwikkelen van vernieuwende methoden of technieken op basis van Artificiële Intelligentie (AI); c. het ontwikkelen van methoden, technieken of toepassingen dan wel het verwerven van kennis wat zou kunnen leiden tot een veiliger en slimmer schip of drijvend object dan wel activiteiten die hiermee verband houden; d. het ontwikkelen van nieuwe of het doorontwikkelen van bestaande methoden, technieken of toepassingen voor het meer duurzaam, slim of circulair bouwen van schepen; of e. het ontwikkelen van vernieuwende maritieme methoden of technieken ter ondersteuning van het uitvoeren van duurzame economische activiteiten op zee, om duurzame economische groei op zee te vergroten. 2 Een maritiem innovatieproject bevat een samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, waarbij deze activiteiten kunnen worden onderverdeeld in: a. ten minste economische onderzoeksactiviteiten, uitgevoerd door een maritieme onderneming of een onderzoeksorganisatie met het oog op de ontwikkeling of doorontwikkeling van methoden of technieken ten behoeve van het aanbieden van die methoden of technieken op de markt door de maritieme maakindustrie; en b. eventueel, niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie met het oog op het verwerven van meer kennis en een beter inzicht. 3 Het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste twee maritieme ondernemingen die subsidie ontvangen. 4 Er wordt slechts één aanvraag om subsidieverlening ingediend per maritiem innovatieproject. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.3 — Artikel 3.6.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.6.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie voor een maritiem innovatieproject bedraagt: a. voor economische onderzoeksactiviteiten: 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 65% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; of 3°. 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; of b. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten: 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. 2 De percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3° worden opgehoogd met: a. 10 procentpunten, indien de kosten worden gemaakt en betaald door een middelgrote onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, respectievelijk 3°; b. 15 procentpunten, indien de kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°; c. 20 procentpunten, indien de kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming voor het uitvoeren van experimentele ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°. 3 De subsidie bedraagt niet meer dan 50% van de totale subsidiabele kosten van het maritiem innovatieproject, doch ten hoogste € 2.000.000 per maritiem innovatieproject. 4 Onverminderd het eerste, tweede en derde lid kan ten hoogste 80% van de totale subsidie bestemd zijn voor één deelnemer in het samenwerkingsverband dat het maritiem innovatieproject uitvoert. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.4 — Artikel 3.6.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.6.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. 2 artikel 13, tweede lid 14 van het besluit Voor de toepassing van deze titel bedraagt het uurtarief, bedoeld in, en, € 80. 3 Artikel 3.1.1 is niet van toepassing op deze titel. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.5 — Artikel 3.6.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.6.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.6 — Artikel 3.6.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.6.6 Start- en realisatietermijn 1 artikel 3.6.12, eerste lid Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd maritiem innovatieproject wordt gestart binnen uiterlijk zes maanden na de subsidieverlening, doch niet eerder dan het tijdstip waarop de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in, aan de minister verstrekt is. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.7 — Artikel 3.6.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.6.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie betreffende een maritiem innovatieproject: a. artikel 3.6.8, eerste en tweede lid indien na toepassing van, voor een criterium minder dan dertien punten zijn toegekend; b. indien de subsidiabele kosten van een maritiem innovatieproject minder dan € 250.000 bedragen; c. indien de te verlenen subsidie voor een deelnemer in het samenwerkingsverband minder dan € 50.000 zou bedragen; d. artikel 3.6.2, tweede lid voor zover voor het uitvoeren van dezelfde activiteiten, bedoeld in, ten behoeve van dezelfde doelen, bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid: 1°. eerder subsidie verstrekt is aan een deelnemer uit het samenwerkingsverband op grond van deze titel; 2°. Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan subsidie is of zou kunnen worden verstrekt op grond van de. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.8 — Artikel 3.6.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.6.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een aanvraag om subsidie betreffende een maritiem innovatieproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. artikel 3.6.2, eerste lid het project meer bijdraagt aan de doelen, bedoeld in; b. de kwaliteit van het projectplan en begroting van het maritiem innovatieproject beter is, blijkend uit: 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan; 2°. de wijze waarop zal worden omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het project; 3°. de mate van uitvoerbaarheid; 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; c. het samenwerkingsverband dat het maritiem innovatieproject uitvoert meer geschikt is om een innovatieproject uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen het samenwerkingsverband; 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling; 3°. een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten; d. de commerciële haalbaarheid van in dit maritiem innovatieproject behaalde resultaten naar verwachting groter is, blijkend uit ten minste de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen producten of diensten op de Nederlandse en internationale markt voor de maritieme maakindustrie. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijfentwintig punten toe. 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.9 — Artikel 3.6.9 Adviescommissie#
Artikel 3.6.9 Adviescommissie 1 artikel 3.6.8, eerste lid Er is een Adviescommissie Maritieme Innovatie, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de toekenning van punten aan maritieme innovatieprojecten op basis van de rangschikkingscriteria, genoemd in. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. 3 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste één jaar benoemd. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.10 — Artikel 3.6.10 Verplichtingen betreffende samenwerking bij economische activiteiten door maritieme ondernemingen of onderzoeksorganisaties#
Artikel 3.6.10 Verplichtingen betreffende samenwerking bij economische activiteiten door maritieme ondernemingen of onderzoeksorganisaties artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel a Bij het uitvoeren van de economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in, in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid, worden: a. artikel 3.6.12, eerste lid deze economische onderzoeksactiviteiten uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, overeenkomstig de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld inen wordt voldaan aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of b. de projectresultaten ruim verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.11 — Artikel 3.6.11 Verplichtingen betreffende samenwerking bij niet-economische activiteiten door onderzoeksorganisaties#
Artikel 3.6.11 Verplichtingen betreffende samenwerking bij niet-economische activiteiten door onderzoeksorganisaties 1 artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel b Bij het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in, door een onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid: a. artikel 3.6.12, eerste lid worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen, overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in; en b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat: 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. 2 Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, in mindering worden gebracht. 3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, stemt overeen met de marktprijs indien: a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen. 4 De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. 5 Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.12 — Artikel 3.6.12 Verplichtingen betreffende verstrekking van een samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding#
Artikel 3.6.12 Verplichtingen betreffende verstrekking van een samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding 1 artikel 3.6.2, derde lid Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening wordt een samenwerkingsovereenkomst verstrekt aan de minister, die is gesloten tussen de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in, ten behoeve van de uitvoering van het maritiem innovatieproject waarin: a. wordt bepaald op welke wijze wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; b. artikel 3.6.10 artikel 3.6.11 wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan ten minste de voorwaarden, bedoeld in, en, voor zover van toepassing, de voorwaarden, bedoeld in. 2 artikel 39 van het besluit Onverminderdverstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het maritiem innovatieproject op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het maritiem innovatieproject, die gebruikt kunnen worden voor het monitoren van de voortgang van het project. 3 Binnen één jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling maakt de subsidieontvanger de niet bedrijfsgevoelige kennis en de resultaten die met het maritiem innovatieproject zijn opgedaan, inclusief de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie over de eventueel ontwikkelde producten of diensten en mogelijke bijhorende vervolgstappen voor de doorontwikkeling hiervan, ten minste éénmalig openbaar via een daarvoor geschikte conferentie, publicatie, open access-repositories dan wel gratis of opensource-software. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.13 — Artikel 3.6.13 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.6.13 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een samenvatting van de projectomschrijving en een lijst met deelnemers in het samenwerkingsverband dat het maritiem innovatieproject zal uitvoeren; d. artikel 3.6.3, tweede lid, onderdelen a, b en c gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in. 3 De aanvraag om subsidie gaat vergezeld van: a. een projectomschrijving van het doel of doelen, deelgebieden en de activiteiten van het maritiem innovatieproject; b. een onderbouwde projectbegroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. artikel 3.6.2, tweede lid de totaal te maken kosten bij de uitvoering van het maritiem innovatieproject, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten, bedoeld in; 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren, voor zover deze kosten betrekking hebben op materialen of prototypes; c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van een maritiem innovatieproject betrokken organisaties; d. artikel 3.6.12, derde lid een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding, bedoeld in, zal plaatsvinden. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.14 — Artikel 3.6.14 Aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 3.6.14 Aanvraag tot subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. een omschrijving van de projectresultaten van het maritiem innovatieproject; b. artikel 3.6.2, tweede lid indien de omvang van de verleende subsidie per subsidieontvanger € 125.000 of meer bedraagt, een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten en een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in; c. indien de omvang van de verleende subsidie per subsidieontvanger € 50.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring betreffende werkelijke kosten en opbrengsten waarin wordt aangegeven: 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.15 — Artikel 3.6.15 Staatssteun#
Artikel 3.6.15 Staatssteun artikel 3.6.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat, met uitzondering van de niet-economische onderzoeksactiviteiten, staatsteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.6.16 — Artikel 3.6.16 Vervaltermijn#
Artikel 3.6.16 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 24 oktober 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 2024 33784 22-10-2024 21-10-2024 WJZ/88699910 24-10-2024
Artikel 3.7.1 — Artikel 3.7.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.7.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: Eurostars High Level Group: door de lidstaten die deelnemen aan het Eurostars Programma opgerichte samenwerkingsorgaan dat de rangschikking van internationale samenwerkingsprojecten door het Internationaal Evaluatie Panel goedkeurt; Eurostars Programma: gezamenlijke Eurostars Programma van EUREKA en de Europese Unie, inhoudend een internationaal Europees stimuleringsprogramma voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader; Eurostarsproject: internationaal samenwerkingsproject voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader dat voldoet aan de criteria van het Eurostars Programma, waarvan de rangschikking door de Eurostars High Level Group is goedgekeurd, bestaande uit een samenhangend geheel van activiteiten van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan; Internationaal Evaluatie Panel: panel van onafhankelijke deskundigen dat binnen het Eurostars Programma de ingediende voorstellen voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling beoordeelt en rangschikt; niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten. 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 24-09-2021
Artikel 3.7.2 — Artikel 3.7.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.7.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan: a. een ondernemer die bijdraagt aan een Eurostarsproject; b. een onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan een Eurostarsproject in een samenwerkingsverband; of c. indien twee of meer binnen Nederland gevestigde partijen bijdragen aan hetzelfde Eurostarsproject, een deelnemer in het door deze partijen gevormde samenwerkingsverband, die bijdraagt aan een Eurostarsproject. 2 Een samenwerkingsverband bevat ten minste een ondernemer die bijdraagt aan een Eurostarsproject. 3 De penvoerder van een samenwerkingsverband is een ondernemer die bijdraagt aan het Eurostarproject. 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 24-09-2021
Artikel 3.7.2a — Artikel 3.7.2a Subsidiabele kosten#
Artikel 3.7.2a Subsidiabele kosten 1 artikel 3.7.2 Het gesubsidieerde deel van het Eurostarsproject, bedoeld in, valt volledig binnen de categorie industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, bedoeld in artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de in het eerste lid genoemde verordening. 3 De voor subsidie in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid ingedeeld. 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 3.7.3 — Artikel 3.7.3 Steunintensiteit#
Artikel 3.7.3 Steunintensiteit 1 De subsidie bedraagt: a. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; b. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties. 2 Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt verhoogd met tien procentpunten, indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer. 3 Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt verhoogd met vijftien procentpunten, indien het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 24-09-2021
Artikel 3.7.4 — Artikel 3.7.4 Verdeling van subsidieplafond#
Artikel 3.7.4 Verdeling van subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.7.5 — Artikel 3.7.5 Realisatietermijn#
Artikel 3.7.5 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is drie jaar. 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 3.7.6 — Artikel 3.7.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.7.6 Afwijzingsgronden 1 De minister beschikt afwijzend op een aanvraag indien: a. het Eurostarsproject een onvoldoende totaalscore heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel; b. het Eurostarsproject een onvoldoende score voor een criterium heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel; c. aannemelijk is dat het Eurostarsproject, voor zover het door een in Nederland gevestigde ondernemer of onderzoeksorganisatie wordt uitgevoerd, ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd; d. aannemelijk is dat het Eurostarsproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Eurostarsproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende parttijen in een ander deelnemend land. 2 De minister beslist tevens afwijzend op een aanvraag voor zover het gevraagde subsidiebedrag hoger is als € 500.000. 3 artikel 23, onderdelen c tot en met e en g, van het besluit De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 3.7.7 — Artikel 3.7.7 Rangschikking#
Artikel 3.7.7 Rangschikking De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Eurostars High Level Group vastgestelde rangschikking. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.7.8 — Artikel 3.7.8 Schriftelijk verslag#
Artikel 3.7.8 Schriftelijk verslag artikel 39 van het besluit In afwijking vanbrengt de subsidieontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het Eurostarsproject. 2021 35005 08-07-2021 01-07-2021 WJZ/21165290 2021 35005 08-07-2021 01-07-2021 WJZ/21165290 09-07-2021
Artikel 3.7.9 — Artikel 3.7.9 Subsidievoorwaarde#
Artikel 3.7.9 Subsidievoorwaarde 1 De subsidieontvanger voert het Eurostarsproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland. 2 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.7.10 — Artikel 3.7.10 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.7.10 Informatieverplichtingen 1 artikel 3.7.2 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld inbevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 3.7.2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld inten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, de grootte van de onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de gegevens over het project, waaronder de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de locatie van het project, de start- en einddatum, een overzicht van de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie. 3 artikel 3.7.2 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld inbevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.7.11 — Artikel 3.7.11 Staatssteun#
Artikel 3.7.11 Staatssteun artikel 3.7.2 De subsidie, bedoeld in, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 2021 41982 23-09-2021 21-09-2021 WJZ/21085728 24-09-2021
Artikel 3.7.12 — Artikel 3.7.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.7.12 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 43629 17-12-2025 11-12-2025 WJZ/101651481 2025 43629 17-12-2025 11-12-2025 WJZ/101651481 18-12-2025
Artikel 3.8.1 — Artikel 3.8.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.8.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: AI-innovatieproject: Artificial Intelligence (AI) innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een land dat deelneemt aan het EUREKA-netwerk; EUREKA-netwerkproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; Global Stars-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een internationaal innovatiesamenwerkingsverband en dat voorzien is van een EUREKA-label; internationaal innovatiesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een land dat niet deelneemt aan het EUREKA-netwerk; ITEA4-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een label van het EUREKA cluster ITEA4; Quantum-innovatieproject: innovatieproject op het gebied van toegepaste quantum-technologieën dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; TechBridge-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband en ziet op een van de volgende technologieën: a. optical systems and integrated photonics; b. quantum technologies; c. process technology, including process intensification; d. biomolecular and cell technologies; e. imaging technologies; f. mechatronics and optomechatronics; g. artificial intelligence and data; h. energy materials; i. semiconductor technologies; of j. cybersecurity technologies; TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd buiten Nederland; waterstof-innovatieproject: innovatieproject dat zich richt op de infrastructuur voor het transport van waterstof dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; XECS-innovatieproject: innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een label van het EUREKA cluster XECS. 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 12-09-2025
Artikel 3.8.2 — Artikel 3.8.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.8.2 Subsidieverstrekking De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer: a. in een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een XECS-innovatieproject, een EUREKA-netwerkproject, een ITEA4-innovatieproject, AI-innovatieproject, Quantum-innovatieproject of een waterstof-innovatieproject; b. in een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Global Stars-innovatieproject; of c. in een Techbridge-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TechBridge-innovatieproject. 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 12-09-2025
Artikel 3.8.3 — Artikel 3.8.3 Penvoerder#
Artikel 3.8.3 Penvoerder De penvoerder is een ondernemer. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.8.4 — Artikel 3.8.4 Steunintensiteit#
Artikel 3.8.4 Steunintensiteit 1 De subsidie bedraagt: a. 50 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. 35 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een ondernemer; c. 25 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling. 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onder b en c, worden verhoogd met 10 procentpunten indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer. 3 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EUREKA-netwerkproject meer bedraagt dan € 750.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 4 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers in een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een XECS-innovatieproject, een ITEA4-innovatieproject of een AI-innovatieproject, meer bedraagt dan € 4.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 5 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Global Stars-innovatieproject meer bedraagt dan € 350.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 6 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een waterstof-innovatieproject meer bedraagt dan € 500.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 7 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van Quantum-innovatieproject meer bedraagt dan € 400.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 8 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TechBridge-innovatieproject meer bedraagt dan: wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. a. € 300.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Verenigd Koninkrijk 2025; b. € 250.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall China, Next-Generation Battery Technologies; c. € 350.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall China, Circular Chemistry and Materials; d. € 700.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Photonics Integrated Circuits; e. € 1.000.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Duitsland, Quantum Technologies in Aerospace; 2026 6863 20-02-2026 18-02-2026 WJZ/104033638 2026 6863 20-02-2026 18-02-2026 WJZ/104033638 21-02-2026
Artikel 3.8.4a — Artikel 3.8.4a In aanmerking komende kosten#
Artikel 3.8.4a In aanmerking komende kosten Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 01-01-2015
Artikel 3.8.5 — Artikel 3.8.5 Afwijzingsgrond#
Artikel 3.8.5 Afwijzingsgrond artikel 3.8.2 Geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager vóór indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in, reeds gestart is met zijn deel van het XECS-innovatieproject, het EUREKA-netwerkproject, het Global Stars-innovatieproject, het ITEA4-innovatieproject, AI-innovatieproject, Quantum-innovatieproject, TechBridge-innovatieproject of een waterstof-innovatieproject. 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 12-09-2025
Artikel 3.8.6 — Artikel 3.8.6 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.8.6 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.8.7 — Artikel 3.8.7 Adviescommissie#
Artikel 3.8.7 Adviescommissie 1 artikelen 22 23, onderdelen d tot en met g, van het besluit artikel 3.8.9 artikel 3.8.10 Er is een Adviescommissie Internationaal Innoveren die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de afwijzingsgronden, bedoeld in deenen inen de rangschikkingscriteria, bedoeld in, voor aanvragen om subsidie voor AI-innovatieprojecten, ITEA4-innovatieprojecten en XECS-innovatieprojecten. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijftien leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar. 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 12-09-2025
Artikel 3.8.8 — Artikel 3.8.8 Realisatietermijn#
Artikel 3.8.8 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld inis drie jaar. 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 3.8.9 — Artikel 3.8.9 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.8.9 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien van het innovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn; b. afkomstig van een overheid of overheidsinstelling, tenzij het een onderzoeksorganisatie betreft; c. indien, in het geval van een Global Stars-innovatieproject, aannemelijk is dat het Global Stars-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Global Stars-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land; d. indien, in het geval van een waterstof-innovatieproject, aannemelijk is dat het waterstof-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het waterstof-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land; e. indien, in het geval van een TechBridge-innovatieproject, aannemelijk is dat het TechBridge-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het TechBridge-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land. 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 12-09-2025
Artikel 3.8.10 — Artikel 3.8.10 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.8.10 Rangschikkingscriteria 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. een innovatieproject meer bijdraagt aan technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie; b. de bijdrage aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van een innovatieproject, de nieuwheid van een samenwerkingsverband en de betrokkenheid van onderzoeksorganisaties groter zijn; c. de projectresultaten meer economische waarde creëren voor Nederland; d. meer wordt aangesloten bij de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.8.11 — Artikel 3.8.11 Schriftelijk verslag#
Artikel 3.8.11 Schriftelijk verslag artikel 39 van het besluit Voor EUREKA-netwerkprojecten brengen de subsidieontvangers, in afwijking vangezamenlijk steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van EUREKA-netwerkprojecten met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten. 2018 48575 28-08-2018 27-08-2018 WJZ/18210669 2018 48575 28-08-2018 27-08-2018 WJZ/18210669 29-08-2018
Artikel 3.8.12 — Artikel 3.8.12 Evaluatie#
Artikel 3.8.12 Evaluatie 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatieonderzoek van de effecten van het door hem uitgevoerde innovatieproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de dag waarop subsidie wordt vastgesteld. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.8.13 — Artikel 3.8.13 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.8.13 Informatieverplichtingen 1 artikel 3.8.2 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld inbevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 3.8.2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld inten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie. 3 artikel 3.8.2 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld inbevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie. 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 2025 31069 11-09-2025 10-09-2025 WJZ/100959621 12-09-2025
Artikel 3.8.14 — Artikel 3.8.14 Staatssteun#
Artikel 3.8.14 Staatssteun artikel 3.8.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 01-01-2015
Artikel 3.8.15 — Artikel 3.8.15 Vervaltermijn#
Artikel 3.8.15 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 43629 17-12-2025 11-12-2025 WJZ/101651481 2025 43629 17-12-2025 11-12-2025 WJZ/101651481 18-12-2025
Artikel 3.9.1 — Artikel 3.9.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.9.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: certificeringstraject: certificering op basis van de resultaten van uitvoerige beproevingen en berekeningen; klinisch ontwikkelingsproject: planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten of processen, die nieuw zijn voor Nederland, en a. aan de ontwikkeling van welke producten en processen klinische risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. welke producten of processen door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; klinisch risico: risico voor het welslagen van het product of proces dat voortvloeit uit de noodzaak dat het nieuwe product of proces een testfase in de mens doorloopt; ontwikkelingsproject: een technisch ontwikkelingsproject of een klinisch ontwikkelingsproject; opslag: artikel 3.9.8, vierde lid artikel 3.9.9 eenmalige en niet rentedragende opslag als bedoeld in, in de vorm van een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig, bepaald percentage van het bedrag dat in totaal is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet op het moment van subsidievaststelling; technisch ontwikkelingsproject: een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, die nieuw zijn voor Nederland, en a. waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; uitstaand saldo: artikel 3.9.8, tweede en derde lid totaalbedrag dat aan de subsidieontvanger is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet, verhoogd met de verschenen rente, bedoeld in, en, voor zover reeds van toepassing, met de opslag en verminderd met de betalingen, gedaan overeenkomstig artikel 3.9.8, vijfde lid. 2021 46004 09-11-2021 03-11-2021 WJZ/21209137 2021 46004 09-11-2021 03-11-2021 WJZ/21209137 01-01-2022
Artikel 3.9.2 — Artikel 3.9.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.9.2 Subsidieverstrekking 1 artikel 42 van het besluit De minister verstrekt op aanvraag ten behoeve van de financiering van een ontwikkelingsproject subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld inaan een ondernemer, die: a. een klinisch ontwikkelingsproject uitvoert, of b. een technisch ontwikkelingsproject uitvoert. 2 artikel 3, eerste lid, van het besluit In aanvulling opkan ook subsidie worden verstrekt aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.9.3 — Artikel 3.9.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.9.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie heeft betrekking op experimentele ontwikkeling en bedraagt 25% van de subsidiabele kosten. 2 Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met: a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. 3 Indien het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het percentage verhoogd met: a. 5 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; of b. 15 procentpunten, indien de aanvrager een andere onderneming is. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.9.4 — Artikel 3.9.4 Subsidiemaximum#
Artikel 3.9.4 Subsidiemaximum 1 Het maximum subsidiebedrag bedraagt: a. € 5.000.000 per subsidieontvanger die een klinisch ontwikkelingsproject uitvoert, of b. € 10.000.000 per subsidieontvanger die een technisch ontwikkelingsproject uitvoert. 2 Indien door een ondernemer, dan wel door ondernemers die behoren tot eenzelfde groep, meer dan één ontwikkelingsproject wordt uitgevoerd en daarvoor subsidieaanvragen in het kader van deze titel zijn ingediend, wordt in een kalenderjaar aan die ondernemer, dan wel aan die ondernemers die tot eenzelfde groep behoren gezamenlijk, ten hoogste € 10.000.000 aan subsidie verleend. 2017 70215 06-12-2017 04-12-2017 WJZ/ 17190193 2017 70215 06-12-2017 04-12-2017 WJZ/ 17190193 01-01-2018
Artikel 3.9.4a — Artikel 3.9.4a In aanmerking komende kosten#
Artikel 3.9.4a In aanmerking komende kosten Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 01-01-2015
Artikel 3.9.5 — Artikel 3.9.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.9.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.9.6 — Artikel 3.9.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.9.6 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld inis vijf jaar. 2 De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek met ten hoogste twee jaar verlengen indien sprake is van een technisch ontwikkelingsproject met een certificeringstraject. 2016 57593 28-10-2016 24-10-2016 WJZ/16152792 2016 57593 28-10-2016 24-10-2016 WJZ/16152792 01-01-2017
Artikel 3.9.7 — Artikel 3.9.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.9.7 Afwijzingsgronden 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. hij de subsidiabele kosten raamt op minder dan € 150.000; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger het ontwikkelingsproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren; c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken; d. artikel 3.9.8, vijfde lid onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger de subsidie terug kan betalen binnen de in, genoemde periode; e. van het ontwikkelingsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. 2 artikel 23, onderdeel a, van het besluit De afwijzingsgrond, genoemd inis niet van toepassing. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.9.8 — Artikel 3.9.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.9.8 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger is verplicht de verstrekte subsidie volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terug te betalen aan de minister. 2 artikel 3.9.9 De subsidieontvanger is verplicht over het uitstaande saldo, met uitzondering van de opslag, aan de minister jaarlijks een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig, bepaald rentepercentage te betalen, dat op een ontwikkelingsproject van toepassing blijft tot aan de betalingsverplichtingen geheel is voldaan. 3 De rente wordt aan het eind van elk kalenderjaar rentedragend bij het uitstaande saldo bijgeschreven. 4 artikel 3.9.9 Onverminderd het tweede lid, is de subsidieontvanger eenmalig verplicht om aan de minister een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig, bepaald opslagpercentage te betalen over het bedrag dat is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet. De opslag wordt aan het eind van het kalenderjaar waarin de subsidie is vastgesteld, bij het uitstaand saldo bijgeschreven. 5 De subsidieontvanger is verplicht het uitstaande saldo binnen 10 jaar na vaststelling van de subsidie aan de minister te betalen. 2021 46004 09-11-2021 03-11-2021 WJZ/21209137 2021 46004 09-11-2021 03-11-2021 WJZ/21209137 01-01-2022
Artikel 3.9.9 — Artikel 3.9.9 Rente en opslag#
Artikel 3.9.9 Rente en opslag artikel 3.9.8, tweede lid Het rentepercentage, bedoeld in, en het percentage van de opslag, worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld, waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen technische ontwikkelingsprojecten en klinische ontwikkelingsprojecten. 2021 46004 09-11-2021 03-11-2021 WJZ/21209137 2021 46004 09-11-2021 03-11-2021 WJZ/21209137 01-01-2022
Artikel 3.9.10 — Artikel 3.9.10 Versnelde aflossing#
Artikel 3.9.10 Versnelde aflossing De minister kan besluiten dat de verstrekte subsidie in de vorm van krediet versneld of in een keer terugbetaald wordt, indien: a. de aandelen van de subsidieontvanger worden vervreemd; b. de resultaten van het project geheel of gedeeltelijk worden vervreemd. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.9.11 — Artikel 3.9.11 Verhoging subsidie#
Artikel 3.9.11 Verhoging subsidie 1 artikel 37, derde lid, van het besluit Indien ontheffing is verleend op basis van, kan de minister op aanvraag van de subsidieontvanger het bedrag van een eerder voor een ontwikkelingsproject verleende subsidie verhogen tot maximaal het bedrag dat voor dat ontwikkelingsproject kan worden verkregen. 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt volgens eenzelfde procedure en volgens dezelfde criteria behandeld als een eerste aanvraag om subsidie voor een ontwikkelingsproject. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.9.11a — Artikel 3.9.11a Cumulatie#
Artikel 3.9.11a Cumulatie artikel 6, eerste lid, van het besluit Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Bij de toepassing vanworden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van de, de, de, de, de, de, de Zevende tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid en de Achtste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid. 2022 16518 27-06-2022 23-06-2022 WJZ/22203827 2022 16518 27-06-2022 23-06-2022 WJZ/22203827 28-06-2022
Artikel 3.9.12 — Artikel 3.9.12 Evaluatieverplichting#
Artikel 3.9.12 Evaluatieverplichting 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde ontwikkelingsproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.9.13 — Artikel 3.9.13 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.9.13 Informatieverplichtingen 1 artikel 3.9.2 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld inbevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 3.9.2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld inten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie; d. een businessplan, een projectplan en een financieel plan; e. de meest recente jaarrekening en openingsbalans. 3 artikel 3.9.2 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld inbevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.9.14 — Artikel 3.9.14 Staatssteun#
Artikel 3.9.14 Staatssteun artikel 3.9.2 De subsidie, bedoeld inbevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 01-01-2015
Artikel 3.9.15 — Artikel 3.9.15 Vervaltermijn#
Artikel 3.9.15 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 21-11-2024
Artikel 3.10.1 — Artikel 3.10.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.10.1 Begripsomschrijvingen 1 In deze titel wordt verstaan onder: achtergestelde vordering: vordering van een startersfonds ten laste van een technostartersvennootschap: a. die het startersfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de technostartersvennootschap geld ter leen te verstrekken; b. artikel 277, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in; c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan; d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; beheerskosten: alle kosten die een startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartersvennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingprijs van de participaties; converteerbare lening: geldlening, steeds resulterend in een achtergestelde vordering, van het startersfonds aan een technostartersvennootschap die door het startersfonds geconverteerd kan worden in aandelen in het kapitaal van de technostartersvennootschap; desinvesteringsperiode: periode waarbinnen het startersfonds de participaties vervreemdt of overdraagt; dual-use technostarter: technostarter wiens onderneming producten, processen of diensten ontwikkelt en levert, die voor militaire toepassingen kunnen worden ingezet, ook indien de technologie primair voor civiele toepassingen wordt ontwikkeld, en die zijn gebaseerd op een onderscheidende technische vinding met: a. civiele toepassingsmogelijkheden en, naar redelijke verwachting in de toekomst, militaire toepassingsmogelijkheden; of b. enkel militaire toepassingsmogelijkheden; eerste commerciële verkoop: eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen; eHealth technostarter: technostarter wiens onderneming producten, processen of diensten verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische of creatieve vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie onderscheidenlijk van een bestaande creatieve vinding onder meer op het gebied van ICT om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen of te verbeteren, en die bijdragen aan zelfregie, zelfredzaamheid of zelfzorg van de patiënt; eigen bijdragen: particuliere geldelijke middelen die direct of indirect door de fondspartijen in een startersfonds zijn ingebracht en die door het startersfonds daadwerkelijk zijn of worden gebruikt voor het verkrijgen van participaties; fondsbeheerder: feitelijke uitvoerder van een fondsplan, zijnde het startersfonds of een door het startersfonds daartoe gecontracteerde derde; fondspartij: investeerder die eigen bijdragen inbrengt in een startersfonds en die tevens samen met de andere fondspartijen als direct of indirect aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het startersfonds; fondsperiode: de periode bestaande uit de investeringsperiode en de desinvesteringsperiode, welke periodes gezamenlijk gelijk staan aan de looptijd van de lening van de Staat aan het startersfonds; fondsplan: plan van een startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartersvennootschappen; informal investor: een particulier die, al dan niet via een kapitaalvennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen; inkomsten: alle op geld waardeerbare voordelen die een startersfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de technostartersvennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering; investeringsbudget: artikel 3.10.2, vierde lid geldelijke middelen die een startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen, bestaande uit de optelsom van de eigen bijdragen en het maximale bedrag van de geldlening, bedoeld in; investeringsperiode: periode gedurende welke een startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van nieuwe participaties; participatie: risicokapitaal in de vorm van: a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening, b. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering, of c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering; referentierente: referentiepercentage als bedoeld in de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C14), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met 4 procentpunt; risicokapitaal: risicofinancieringsinvestering als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; startersfonds: a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie; b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld, uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en c. waarin ten minste drie fondspartijen deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft; technostarter : rechtspersoon die een onderneming drijft die: a. ten tijde van de eerste participatie op grond van deze titel minder dan zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt; b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en c. hetzij voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, d. hetzij deel uitmaakt van één van de creatieve sectoren en voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe creatieve vinding of op een nieuwe toepassing van een bestaande creatieve vinding; technostartersvennootschap: een technostarter die behoudens voor zover de onderneming behoort tot de economische sectoren van landbouw, visserij, aquacultuur of scheepsbouw of tot de EGKS-sectoren; a. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap of in de vorm van een vennootschap met een afgescheiden vermogen waarin door een startersfonds een participatie verkregen kan worden, en b. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert, verkrijgingprijs: deel van het investeringsbudget waarvoor een startersfonds een participatie heeft verkregen. 2 Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een startersfonds. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.10.2 — Artikel 3.10.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.10.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan. 2 Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor eHealth technostarters, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan, waarbij minimaal 50 procent van het investeringsbudget bestemd is voor het verkrijgen van participaties in eHealth technostarters. 3 Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor dual-use technostarters, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan, waarbij minimaal 75 procent van het investeringsbudget bestemd is voor het verkrijgen van participaties in dual-use technostarters. 4 De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening. 5 De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, verbonden kunnen zijn. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.10.3 — Artikel 3.10.3 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3.10.3 Subsidievoorwaarden 1 In de overeenkomst van geldlening wordt bepaald dat: a. de financier een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister; b. de financier geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan. 2 In de overeenkomst van geldlening kunnen bepalingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.10.4 — Artikel 3.10.4 Hoogte subsidie#
Artikel 3.10.4 Hoogte subsidie De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt 50 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 12.000.000 per subsidieontvanger. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.10.5 — Artikel 3.10.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.10.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.10.6 — Artikel 3.10.6 Adviescommissie#
Artikel 3.10.6 Adviescommissie 1 artikelen 22 24 van het besluit artikel 3.10.7 artikel 3.10.8 Er is een Adviescommissie seed capital technostarters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in deenen in, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste negen leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.10.7 — Artikel 3.10.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.10.7 Afwijzingsgronden 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt of over de middelen ter dekking van de beheerskosten; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is; c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2°. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 5.000.000 bedraagt; 3°. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 2.500.000 bedraagt; 4°. de middelen die door een financier over een periode van twaalf maanden aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 2.500.000 bedragen; 5°. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget; 6°. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie; 7°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het einde van de fondsperiode ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 8°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 9°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 10°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 11°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien: – deze participatiemaatschappij een financier is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle financiers gezamenlijk in de technostartersvennootschap investeren, niet boven € 5.000.000 uitkomt; – deze participatiemaatschappij naar het oordeel van de Minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen, voor zover als gevolg van de nieuwe participatie door het startersfonds het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de technostartersvennootschap door alle participatiemaatschappijen en de financier gezamenlijk, niet boven € 5.000.000 uitkomt, of – deze participatiemaatschappij een informal investor is; 12°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd; e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd; f. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. 2 Artikel 23, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing. 3 Indien een startersfonds een aanvraag die betrekking heeft op het uitvoeren van een fondsplan voor eHealth technostarters dan wel dual-use technostarters, onder zowel een generieke openstelling voor fondsplannen voor technostarters als onder een gelijktijdige specifieke openstelling voor fondsplannen voor eHealth technostarters respectievelijk dual-use technostarters heeft ingediend, en dit fondsplan op basis van de rangschikking en hoogte van het subsidieplafond bij beide openstellingen in aanmerking komt voor subsidiëring, beslist de minister afwijzend op de aanvraag onder de generieke openstelling. 4 Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor dual-use technostarters, beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien de aanvraag, bedoeld in artikel 3.10.2, derde lid, niet aantoonbaar betrekking heeft op ten minste een van de volgende: a. technologiegebieden: 1°. intelligente systemen; 2°. sensoren; 3°. slimme materialen; 4°. ruimtetechnologie; 5°. quantum; of b. Defensie-basisgebieden: 1°. cyber en elektronische oorlogsvoering; 2°. sensorsystemen; 3°. wapensystemen; 4°. platformsystemen; 5°. C3I en Digitalisering; 6°. bescherming; 7°. menselijk Presteren en Medicijnen; 8°. autonome en onbemande systemen; 9°. logistiek; 10°. Defensie-toepasbare sleuteltechnologieën en -methodologieën. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.10.8 — Artikel 3.10.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.10.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate: a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid. Dit blijkt uit: 1°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen op financieel gebied; 2°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen met betrekking tot business aspecten van technostarters; 3°. de omvang en toegevoegde waarde van relatienetwerk; 4°. de diversiteit in de samenstelling van het fondsmanagement; b. het fondsplan doelmatiger is ingericht en meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartervennootschappen. Dit blijkt uit: 1°. de kwaliteit van het plan en de mate van zekerheid dat het plan ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd; 2°. de prijskwaliteitsverhouding en efficiency; 3°. het financieel-economisch rendement; c. het fondsplan effectiever is in relatie tot de doelstelling van de regeling. Dit blijkt uit: 1°. de mate van maatschappelijk rendement; 2°. de mate waarin het fondsplan vernieuwend is. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. 2023 35092 22-12-2023 21-12-2023 WJZ/38316548 2023 35092 22-12-2023 21-12-2023 WJZ/38316548 01-11-2024 Abusievelijk is voor het eerste lid, onderdeel c, een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 3.10.9 — Artikel 3.10.9 Termijn voor sluiten overeenkomst#
Artikel 3.10.9 Termijn voor sluiten overeenkomst artikel 30, eerste lid, van het besluit De ingenoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden. 2019 68296 12-12-2019 08-12-2019 WJZ/19228331 2019 68296 12-12-2019 08-12-2019 WJZ/19228331 01-01-2020
Artikel 3.10.10 — Artikel 3.10.10 Vergoeding#
Artikel 3.10.10 Vergoeding 1 artikel 33, tweede lid, van het besluit De vergoeding, bedoeld in, verschilt al naar gelang de inkomsten door de financier worden ontvangen in één van de volgende perioden: a. periode A: vanaf het tot stand komen van deze overeenkomst van geldlening totdat het totaal van de door de financier uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdragen voor de verkregen participaties, gemeten aan het einde van de fondsperiode; b. periode B: vanaf het einde van periode A totdat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag, gemeten aan het einde van de fondsperiode; c. periode C: vanaf het einde van periode B tot het einde van de fondsperiode. 2 artikel 33, tweede lid, van het besluit De vergoeding, bedoeld in, bedraagt: De percentages, bedoeld in de onderdelen a, b en c, worden naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan de helft van het investeringsbudget uitmaakt. a. in periode A: 20 procent van de inkomsten; b. in periode B: 50 procent van de inkomsten; c. in periode C: 20 procent van de inkomsten. 3 artikel 3.10.3 De minister kan de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, per periode A, B en C, afwijkend vaststellen, indien de financier in strijd heeft gehandeld met hetgeen in deze regeling of in de overeenkomst tot geldlening, bedoeld in, is bepaald. 2017 70884 13-12-2017 10-12-2017 WJZ/17165515 2017 70884 13-12-2017 10-12-2017 WJZ/17165515 01-01-2018
Artikel 3.10.11 — Artikel 3.10.11 Modelovereenkomst#
Artikel 3.10.11 Modelovereenkomst bijlage 3.10.1 Het model voor een overeenkomst van geldlening is opgenomen in. 2020 28907 03-06-2020 28-05-2020 WJZ/20148118 2020 28907 03-06-2020 28-05-2020 WJZ/20148118 01-01-2021
Artikel 3.10.12 — Artikel 3.10.12 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.10.12 Informatieverplichtingen 1 artikel 3.10.2, eerste, tweede of derde lid Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 3.10.2, eerste, tweede of derde lid Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in, ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een fondsplan, inclusief de start- en einddatum en de omvang van de gevraagde subsidie; d. een financieel plan, waaronder de investeringsbegroting en een begroting van de beheerskosten; e. bewijsstukken, waaruit blijkt dat de aanvrager financiële toezeggingen heeft verkregen ter hoogte van minimaal vijftig procent van de som van de eigen bijdragen en de beheerskosten; en f. de juridische documentatie van het startersfonds. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.10.12a — Artikel 3.10.12a Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.10.12a Begripsomschrijvingen 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: eigen bijdragen: geldelijke middelen, met een minimum van € 100.000 per fondspartij, die door de fondspartijen in een seed business angel fonds zijn ingebracht en die door het seed business angels fonds daadwerkelijk zijn of worden gebruikt voor het verkrijgen van participaties; fondspartij: investeerder die eigen bijdragen inbrengt in een seed business angel fonds en die tevens samen met ten minste één andere fondspartij als aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het seed business angel fonds; seed business angel fonds: a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en c. waarin ten minste twee fondspartijen die informal investor zijn deelnemen respectievelijk samenwerken, zonder dat zij tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder startersfonds: seed business angel fonds. 3 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen een seed business angel fonds. 2021 33305 30-06-2021 22-06-2021 WJZ/21155377 2021 33305 30-06-2021 22-06-2021 WJZ/21155377 01-07-2021
Artikel 3.10.12b — Artikel 3.10.12b Subsidieverstrekking#
Artikel 3.10.12b Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een seed business angel fonds voor het uitvoeren van een fondsplan. 2 De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening. 3 De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, verbonden kunnen zijn. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.10.12c — Artikel 3.10.12c Subsidievoorwaarden en zekerheidsstelling#
Artikel 3.10.12c Subsidievoorwaarden en zekerheidsstelling artikel 3.10.3 De subsidievoorwaarden uitzijn van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.10.12d — Artikel 3.10.12d Subsidievoorwaarde#
Artikel 3.10.12d Subsidievoorwaarde De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt maximaal 50 procent van het investeringsbudget. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.12e — Artikel 3.10.12e Maximum subsidiebedrag#
Artikel 3.10.12e Maximum subsidiebedrag Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 1.000.000 per subsidieontvanger. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.12f — Artikel 3.10.12f Adviescommissie#
Artikel 3.10.12f Adviescommissie 1 artikel 3.10.6 artikel 3.10.12g artikel 22 24 van het besluit In aanvulling opheeft een afvaardiging van de Adviescommissie seed capital technostarters tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld inenen in. 2 De afvaardiging, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit drie leden. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.12g — Artikel 3.10.12g Afwijzingsgronden#
Artikel 3.10.12g Afwijzingsgronden 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt of over de middelen ter dekking van de beheerskosten; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is; c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1.° een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2.° de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 50.000 en ten hoogste € 500.000 bedraagt; 3.° de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 350.000 bedraagt; 4.° de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het eind van de fondsperiode ten hoogste 25 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 5.° voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 6.° de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 7.° de participaties verkregen worden in meerdere, van elkaar onafhankelijke technostartersvennootschappen; 8.° bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van participaties rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 9.° de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een andere participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien: – deze participatiemaatschappij een ander seed business angel fonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die de seed business angel fondsen gezamenlijk in de technostarter investeren niet boven de € 500.000 uitkomt; – deze participatiemaatschappij, niet zijnde een financier, risicokapitaal voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt; of – deze participatiemaatschappij een informal investor is; 10°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd; e. het fondsplan onvoldoende bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartersvennootschappen; f. het fondsplan onvoldoende doelmatig is ingericht; g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd; h. de aanvrager onvoldoende relevante ervaring of deskundigheid heeft; i. artikel 3.10.12k, tweede lid de gedragslijn, bedoeld in, onvoldoende vertrouwen geeft dat hiermee belangenverstrengeling voorkomen kan worden; j. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. 2 Artikel 23, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing. 2023 35092 22-12-2023 21-12-2023 WJZ/38316548 2023 35092 22-12-2023 21-12-2023 WJZ/38316548 01-01-2024 Treedt op 1 januari 2024 in werking onmiddellijk na het tijdstip
waarop de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2024 in
werking is getreden.
Artikel 3.10.12h — Artikel 3.10.12h Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.10.12h Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.12ha — Artikel 3.10.12ha Termijn voor sluiten overeenkomst#
Artikel 3.10.12ha Termijn voor sluiten overeenkomst artikel 30, eerste lid, van het besluit De ingenoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden. 2019 68296 12-12-2019 08-12-2019 WJZ/19228331 2019 68296 12-12-2019 08-12-2019 WJZ/19228331 01-01-2020
Artikel 3.10.12i — Artikel 3.10.12i Vergoeding#
Artikel 3.10.12i Vergoeding Artikel 3.10.10 is van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.12j — Artikel 3.10.12j Modelovereenkomst#
Artikel 3.10.12j Modelovereenkomst bijlage 3.10.2 Het model voor een overeenkomst is opgenomen in. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.12k — Artikel 3.10.12k Informatieverplichtingen#
Artikel 3.10.12k Informatieverplichtingen 1 artikel 3.10.12b, eerste lid artikel 3.10.12 Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in, bevat de gegevens, bedoeld in. 2 In aanvulling op het eerste lid gaat de aanvraag voor subsidie vergezeld van een op schrift gestelde gedragslijn van het seed business angel fonds, waarin is opgenomen hoe het ontstaan van belangenverstrengeling wordt voorkomen en welke maatregelen in dit verband getroffen worden. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.12l — 3.10.12l Evaluatieverplichting#
3.10.12l Evaluatieverplichting 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en effecten van de door hem op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de dag, waarop subsidie wordt vastgesteld. 2019 68296 12-12-2019 08-12-2019 WJZ/19228331 2019 68296 12-12-2019 08-12-2019 WJZ/19228331 01-01-2020
Artikel 3.10.13 — Artikel 3.10.13#
Artikel 3.10.13 artikel 3.10.2 artikel 3.10.12b De subsidie, bedoeld inen, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 2017 36700 27-06-2017 23-06-2017 WJZ/17030990 01-07-2017
Artikel 3.10.13a — Artikel 3.10.13a Overgangsrecht#
Artikel 3.10.13a Overgangsrecht artikel 3.10.7 bijlage 3.10.1 artikel 3.10.2 De wijzigingen vanen de artikelen 3 en 5 vaningevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen voor subsidie die in de periode 1 januari 2024 tot en met 1 april 2024 zijn ingediend op grond van. 2025 12241 17-04-2025 15-04-2025 WJZ/97768797 2025 12241 17-04-2025 15-04-2025 WJZ/97768797 18-04-2025 17-12-2024
Artikel 3.10.13b — Artikel 3.10.13b Vervalbepaling deep tech technostarter#
Artikel 3.10.13b Vervalbepaling deep tech technostarter Vervallen 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 01-05-2025
Artikel 3.10.14 — Artikel 3.10.14 Vervaltermijn#
Artikel 3.10.14 Vervaltermijn bijlage 3.10.1 bijlage 3.10.2 Deze titel,envervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 21-11-2024
Artikel 3.11.1 — Artikel 3.11.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.11.1 Begripsomschrijvingen 1 Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een bank en een door de minister aangewezen kredietverstrekker. 2 artikel 3.11.2, derde lid Wet financiële markten BES Voor de toepassing van, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van dedie op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen en een door de minister aangewezen, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde, kredietverstrekker. 3 In deze titel wordt verstaan onder: innovatieve MKB-ondernemer: MKB-ondernemer ten aanzien van wie de financier beschikt over: a. artikel 23, eerste lid artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in, of, waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of b. een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer; 2024 20569 28-06-2024 21-06-2024 WJZ/59159044 2024 20569 28-06-2024 21-06-2024 WJZ/59159044 29-06-2024
Artikel 3.11.2 — Artikel 3.11.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.11.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan: a. een bank voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten; b. artikel 3.11.1, eerste lid een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst. 3 In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan: a. artikel 3.11.1, tweede lid een kredietinstelling als bedoeld in, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten; b. artikel 3.11.1, tweede lid Artikel 3.11.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1 een door de minister aangewezen kredietverstrekker als bedoeld in, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten., is niet van toepassing op de in dit lid bedoelde MKB-ondernemers. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.11.3 — Artikel 3.11.3 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.11.3 Afwijzingsgronden 1 Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die: a. een onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: 1°. de uitoefening van het bank, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen of 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; b. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg een aanbieder is als bedoeld in; c. een onderneming in stand houdt die actief is in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten, of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; d. een onderneming in stand houdt: 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt, of 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. 2 In afwijking van het eerste lid kan een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die actief is in een van het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening uitgesloten sector, bedoeld in het eerste lid, onder c, wel voor subsidie in aanmerking komen, indien: a. de MKB-ondernemer ook actief is in één of meer van de sectoren of andere activiteiten verricht die onder de algemene de-minimisverordening vallen, en b. de financier aan de MKB-ondernemer door middel van de kredietovereenkomst de verplichting oplegt dat: 1°. de MKB-ondernemer de verleende subsidie uitsluitend zal gebruiken voor de financiering van activiteiten die zullen plaatsvinden binnen de sectoren die binnen het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen; 2°. de inrichting van de administratie van de MKB-ondernemer zodanig zal zijn dat voor zover de MKB-ondernemer activiteiten verricht die buiten het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen, deze activiteiten zowel financieel als administratief gescheiden worden uitgevoerd van de activiteiten dat met deze subsidie wordt ondersteund. 3 Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer, of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer. 2024 20569 28-06-2024 21-06-2024 WJZ/59159044 2024 20569 28-06-2024 21-06-2024 WJZ/59159044 29-06-2024
Artikel 3.11.4 — Artikel 3.11.4 Provisie#
Artikel 3.11.4 Provisie 1 artikel 32, derde lid, van het besluit Voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer dan wel een innovatieve MKB-ondernemer bedraagt het tarief, bedoeld in, eenmalig: a. 3,90 procent respectievelijk 5,55 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar; b. 4,25 procent respectievelijk 6,10 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan zes jaar, en c. 5,85 procent respectievelijk 8,35 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. 2 artikel 3.11.2 In afwijking van het eerste lid, kan in een kredietovereenkomst waarvoor op of na 1 januari 2017 een aanvraag als bedoeld inwordt ingediend, worden gekozen voor een gespreide provisiebetaling, indien deze keuze betrekking heeft op alle bedrijfsborgstellingskredieten die onder de overeenkomst van borgtocht vallen. 3 In afwijking van het eerste lid, bedraagt het tarief voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer die een groene investering doet, eenmalig: a. 2 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan zes jaar; en b. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. 4 Voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer dan wel een innovatieve MKB-ondernemer bestaat de gespreide provisie, bedoeld in het tweede lid, uit: a. een afsluitprovisie van 2,35 procent respectievelijk 3,35 procent voor de afsluiting van de kredietovereenkomst, en b. een jaarlijkse provisie van 0,68 procent respectievelijk 1,03 procent van de door de minister actueel geregistreerde borgstellingsstand op 1 januari van ieder kalenderjaar na de afsluiting van de kredietovereenkomst. 5 Indien het bedrijfsborgstellingskrediet waar de overeenkomst van borgtocht betrekking op heeft voor het einde van de bij de afsluiting van de kredietovereenkomst overeengekomen looptijd is afgelost, bedraagt de hoogte van de te betalen resterende provisie de som van de gespreide provisie die voor de resterende looptijd betaald had moeten worden. 2022 28713 08-11-2022 04-11-2022 WJZ/22522465 2022 28713 08-11-2022 04-11-2022 WJZ/22522465 09-11-2022
Artikel 3.11.5 — Artikel 3.11.5 Adviescommissie#
Artikel 3.11.5 Adviescommissie 1 artikelen 22 24 van het besluit Er is een Adviescommissie Borgstelling MKB-kredieten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een bedrijfsborgstellingsovereenkomst, bedoeld in deen. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zeven leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014 Voorheen art. 3.13.5.
Artikel 3.11.6 — Artikel 3.11.6 Subsidiemaximum en verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.11.6 Subsidiemaximum en verdeling van het subsidieplafond 1 Wet financiële markten BES De minister verdeelt het subsidieplafond voor banken en kredietinstellingen in de zin van dedoor vaststelling van een maximumbedrag per bank respectievelijk kredietinstelling die zich bij de minister hebben aangemeld. 2 De minister stelt het maximumbedrag per financier, als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve vast voor het voorgaande kalenderjaar. 3 artikel 3.11.1, eerste en tweede lid bijlage 3.11.3 De minister verdeelt het subsidieplafond voor de door de minister aangewezen kredietverstrekkers, als bedoeld in, op volgorde van binnenkomst van de meldingen, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van het model bedrijfsborgstellingsovereenkomst, zoals opgenomen in 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.11.7 — Artikel 3.11.7 Omvang borgstelling#
Artikel 3.11.7 Omvang borgstelling Er wordt borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.11.8 — Artikel 3.11.8 Bedrijfsborgstellingsovereenkomst#
Artikel 3.11.8 Bedrijfsborgstellingsovereenkomst 1 Wet financiële markten BES bijlage 3.11.1 Het model voor de bedriijfsborgstellingsovereenkomst (één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van deis opgenomen in 2 Wet financiële markten BES bijlage 3.11.2 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (meer dan één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van deis opgenomen in 3 artikel 3.2.2, eerste en tweede lid bijlage 3.11.3 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst met een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in, is opgenomen in. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.11.9 — Artikel 3.11.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.11.9 Informatieverplichtingen artikel 3.11.2, eerste en derde lid Een aanvraag voor een borgstelling als bedoeld in, bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet; d. een brief van DNB en AFM aan uw organisatie waaruit blijkt dat u aan de door hen gestelde eisen voldoet, dan wel dat deze eisen op u niet van toepassing zijn; e. een ondernemersplan; f. een uittreksel uit het Handelsregister; g. een volledige C.V. van steutelfunctionarissen. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.11.10 — Artikel 3.11.10 Overgangsrecht#
Artikel 3.11.10 Overgangsrecht 1 bijlagen 3.11.1 3.11.2 3.11.3 Op aanvragen om subsidie die voor 1 januari 2015 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de,en, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. 2 bijlagen 3.11.1 3.11.2 3.11.3 Op aanvragen om subsidie die voor 1 juli 2023 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de,en, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. 2023 18158 30-06-2023 21-06-2023 WJZ/27969995 2023 18158 30-06-2023 21-06-2023 WJZ/27969995 01-07-2023
Artikel 3.11.11 — Artikel 3.11.11 Staatssteun#
Artikel 3.11.11 Staatssteun artikel 3.11.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 3.11.12 — Artikel 3.11.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.11.12 Vervaltermijn bijlagen 3.11.1 3.11.2 3.11.3 Deze titel en de,envervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 18158 30-06-2023 21-06-2023 WJZ/27969995 2023 18158 30-06-2023 21-06-2023 WJZ/27969995 01-07-2023
Artikel 3.13.1 — Artikel 3.13.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.13.1 Begripsbepalingen 1 In deze titel wordt verstaan onder: fundingkosten: kosten die de bank maakt om geld aan te trekken op de kapitaalmarkt; lening: een al dan niet achtergestelde lening van geld door een financier aan een ondernemer, welke lening: liquiditeitsopslag: door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld. a. al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, b. niet converteerbaar is en c. is afgesloten met de afspraak dat de rente vast is, of een gedeelte van de rente vast is en een gedeelte van de rente flexibel is en gekoppeld is aan Euribor, met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten; 2 Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een bank. 3 artikel 3.13.2, tweede lid Wet financiële markten BES Voor de toepassing van, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van dedie op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen. 2018 24020 01-05-2018 30-04-2018 WJZ/17193314 2018 24020 01-05-2018 30-04-2018 WJZ/17193314 01-07-2018
Artikel 3.13.2 — Artikel 3.13.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.13.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van acht jaar. 2 De minister kan ook subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft verstrekt. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.13.3 — Artikel 3.13.3 Uitsluitingen#
Artikel 3.13.3 Uitsluitingen 1 De financier verstrekt geen lening aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in. 2 artikel 70 van de Woningwet De financier verstrekt geen lening aan een instelling als bedoeld in. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.13.4 — Artikel 3.13.4 Omvang garantstelling#
Artikel 3.13.4 Omvang garantstelling 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van het nog niet afgeloste deel van de lening. 2 Indien de financier bij het verkrijgen van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze titel slechts van toepassing op het gedeelte van de verkregen lening dat onder de garantstelling is gebracht. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.13.5 — Artikel 3.13.5 Minimum hoogte lening voor garantstelling#
Artikel 3.13.5 Minimum hoogte lening voor garantstelling 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer verstrekte lening niet minder bedraagt dan € 1.500.000. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte lening tezamen met die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000. a. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen of b. artikel 3.14.2 een of meer bankgarantiefaciliteiten als bedoeld in 2020 18697 27-03-2020 25-03-2020 WJZ/20079638 2020 18697 27-03-2020 25-03-2020 WJZ/20079638 28-03-2020
Artikel 3.13.6 — Artikel 3.13.6 Adviescommissie#
Artikel 3.13.6 Adviescommissie 1 artikelen 22 24 van het besluit Er is een Adviescommissie Kredietcommissie die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in deen. 2 artikel 3.13.9 De commissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in. 3 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vier leden. 4 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaar. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.13.7 — Artikel 3.13.7 Garantstellingsovereenkomst#
Artikel 3.13.7 Garantstellingsovereenkomst bijlage 3.13.1 Inis een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.13.8 — Artikel 3.13.8 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.13.8 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.13.9 — Artikel 3.13.9 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.13.9 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. bijlage 3.13.1 er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst zoals opgenomen in; c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.13.10 — Artikel 3.13.10 Provisie#
Artikel 3.13.10 Provisie 1 artikel 32, derde lid, van het besluit Het tarief van de provisie, bedoeld in, wordt voor de garantie op de verstrekte lening, berekend door alle door de financier over het gegarandeerde deel van de lening ontvangen inkomsten te verminderen met: a. een kwart procent per jaar voor beheerskosten, b. fundingkosten, vermeerderd met een liquiditeitsopslag en c. de afsluitprovisie. 2 Indien de financier een hogere rating heeft dan A, wordt de liquiditeitsopslag vermeerderd met het verschil tussen het percentage uit de regeling voor staatsgaranties voor de uitgifte van schuldpapier van banken voor banken met een rating A en de werkelijke rating van de financier. 3 Indien de afsluitprovisie meer bedraagt dan 0,5 procent van de lening, wordt het meerdere toegevoegd aan de in het eerste lid, aanhef, genoemde inkomsten. 4 De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 2018 24020 01-05-2018 30-04-2018 WJZ/17193314 2018 24020 01-05-2018 30-04-2018 WJZ/17193314 01-07-2018
Artikel 3.13.11 — Artikel 3.13.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.13.11 Informatieverplichtingen Een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van deze titel, bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.13.12 — Artikel 3.13.12 Staatssteun#
Artikel 3.13.12 Staatssteun artikel 3.13.2 De subsidie, bedoeld inbevat geen staatssteun. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.13.12a — Artikel 3.13.12a Overgangsrecht#
Artikel 3.13.12a Overgangsrecht 1 bijlage 3.13.1 artikel 3.13.7 Met schriftelijke instemming van een financier zijn de wijzigingen van de artikelen 5, 8, 9, 12, 12a en 13 vaningevolge de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 februari 2021, nr. WJZ/ 20257211, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met aanpassing van de garant- en borgstellingsmodules aan Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) (Stcrt. 2021, 6766) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. 2 bijlage 3.13.1 artikel 3.13.7 Met schriftelijke instemming van een financier is de wijzigingen van artikel 6, vierde lid, vaningevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 juni 2022, nr. WJZ/ 22203827, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de actualisatie van enkele subsidiemodules en de openstelling van subsidiemodule Eurostarsprojecten (Stcrt. 2022, 16518) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. 2022 16518 27-06-2022 23-06-2022 WJZ/22203827 2022 16518 27-06-2022 23-06-2022 WJZ/22203827 28-06-2022
Artikel 3.13.13 — Artikel 3.13.13 Vervaltermijn#
Artikel 3.13.13 Vervaltermijn bijlage 3.13.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 juli 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 20506 18-06-2025 15-06-2025 WJZ/99076841 2025 20506 18-06-2025 15-06-2025 WJZ/99076841 19-06-2025
Artikel 3.13a.1 — Artikel 3.13a.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.13a.1 Begripsbepalingen Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.2 — Artikel 3.13a.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.13a.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.3 — Artikel 3.13a.3 Uitsluitingen#
Artikel 3.13a.3 Uitsluitingen Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.4 — Artikel 3.13a.4 Omvang garantstelling#
Artikel 3.13a.4 Omvang garantstelling Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.5 — Artikel 3.13a.5 Maximum lening voor garantstelling#
Artikel 3.13a.5 Maximum lening voor garantstelling Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.6 — Artikel 3.13a.6 Adviescommissie#
Artikel 3.13a.6 Adviescommissie Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.7 — Artikel 3.13a.7 Garantstellingsovereenkomst#
Artikel 3.13a.7 Garantstellingsovereenkomst Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.8 — Artikel 3.13a.8 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.13a.8 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.9 — Artikel 3.13a.9 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.13a.9 Afwijzingsgronden Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.10 — Artikel 3.13a.10 Provisie#
Artikel 3.13a.10 Provisie Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.11 — Artikel 3.13a.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.13a.11 Informatieverplichtingen Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.12 — Artikel 3.13a.12 Staatssteun#
Artikel 3.13a.12 Staatssteun Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13a.13 — Artikel 3.13a.13 Vervaltermijn#
Artikel 3.13a.13 Vervaltermijn Vervallen 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 2017 43287 31-07-2017 28-07-2017 WJZ/17064624 01-07-2020
Artikel 3.13b.1 — Artikel 3.13b.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.13b.1 Begripsbepalingen Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.2 — Artikel 3.13b.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.13b.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.3 — Artikel 3.13b.3 Uitsluitingen#
Artikel 3.13b.3 Uitsluitingen Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.4 — Artikel 3.13b.4 Omvang garantstelling#
Artikel 3.13b.4 Omvang garantstelling Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.5 — Artikel 3.13b.5 Hoogte lening voor garantstelling#
Artikel 3.13b.5 Hoogte lening voor garantstelling Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.6 — Artikel 3.13b.6 Adviescommissie#
Artikel 3.13b.6 Adviescommissie Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.7 — Artikel 3.13b.7 Garantstellingsovereenkomst#
Artikel 3.13b.7 Garantstellingsovereenkomst Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.8 — Artikel 3.13b.8 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.13b.8 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.9 — Artikel 3.13b.9 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.13b.9 Afwijzingsgronden Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.10 — Artikel 3.13b.10 Provisie#
Artikel 3.13b.10 Provisie Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.11 — Artikel 3.13b.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.13b.11 Informatieverplichtingen Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.12 — Artikel 3.13b.12 Staatssteun#
Artikel 3.13b.12 Staatssteun Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.12a — Artikel 3.13b.12a Overgangsrecht#
Artikel 3.13b.12a Overgangsrecht Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.13b.13 — Artikel 3.13b.13 Vervaltermijn#
Artikel 3.13b.13 Vervaltermijn Vervallen 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 2022 8437 25-03-2022 23-03-2022 WJZ/21315158 01-07-2022
Artikel 3.14.1 — Artikel 3.14.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.14.1 Begripsomschrijvingen 1 In deze titel wordt verstaan onder: bankgarantie: verplichting van een financier om aan een begunstigde, ten laste van een ondernemer, te behoeve van eigen activiteiten van die ondernemer, een bedrag te betalen, indien de begunstigde aanspraak maakt, uitgezonderd kredietgaranties; bankgarantiefaciliteit: bedrag waarvoor een financier aan een begunstigde ten laste van een ondernemer bankgaranties kan afnemen die onder de garantstelling van de staat kunnen vallen; waarde van een bankgarantie: hoogte van het bedrag waarop maximaal aanspraak kan worden gemaakt onder een afgegeven bankgarantie. 2 Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen: a. een bank; b. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een schadeverzekeraar als bedoeld in. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.14.2 — Artikel 3.14.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.14.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het afgeven van een bankgarantie. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een vordering die een financier op een ondernemer krijgt uit hoofde van een betaling onder een bankgarantie die een financier op grond van een overeenkomst ten laste van een ondernemer heeft afgegeven voor de duur van minimaal zes maanden en maximaal 8 jaar. 3 Wet gemeenschappelijke regelingen In afwijking van het tweede lid kan, indien een bankgarantie geen vaste looptijd heeft en het inroepen daarvan afhankelijk is van het zich voordoen van een bepaalde gebeurtenis, een financier een bankgarantie onder de garantstelling brengen onder de voorwaarde dat de gebeurtenis bij het aangaan van de bankgarantie zich naar verwachting niet meer dan 7 jaar na het afsluiten van de bankgarantiefaciliteit voordoet en dat de begunstigde een provincie, gemeente, openbaar lichaam als bedoeld in deof een dienst, instelling of bedrijf van de rijksoverheid is. 4 De garantstelling heeft slechts betrekking op bankgaranties die worden afgegeven nadat de minister desgevraagd een bankgarantiefaciliteit heeft goedgekeurd en voor zover deze faciliteit toereikend en geldig is. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.14.3 — Artikel 3.14.3 Uitsluitingen#
Artikel 3.14.3 Uitsluitingen 1 De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in. 2 artikel 70 van de Woningwet De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een instelling als bedoeld in. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.14.4 — Artikel 3.14.4 Omvang garantstelling#
Artikel 3.14.4 Omvang garantstelling 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van een bankgarantie. 2 Indien de financier bij het afgeven van een bankgarantie een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze titel slechts van toepassing op het gedeelte van de afgegeven bankgarantie dat onder de garantstelling is gebracht. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.14.5 — Artikel 3.14.5 Maximum garantstelling#
Artikel 3.14.5 Maximum garantstelling 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de door een financier ten laste van een ondernemer afgegeven bankgarantie niet minder bedraagt dan € 250.000. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte bankgarantiefaciliteit tezamen met die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000. a. een of meer bankgarantiefaciliteiten, of b. artikelen 3.13.2 3.13a.2 3.13b.2 het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen als bedoeld in de,en 2020 23929 28-04-2020 23-04-2020 WJZ/20095811 2020 23929 28-04-2020 23-04-2020 WJZ/20095811 29-04-2020
Artikel 3.14.6 — Artikel 3.14.6 Adviescommissie#
Artikel 3.14.6 Adviescommissie artikel 3.13.6, eerste lid titels 3.12 3.13 artikel 3.14.9 artikelen 22 24 van het besluit De in, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in deenindien met de financier nog geen garantstellingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in deofen de afwijzingsgronden voor aanvragen om een bankgarantiefaciliteit, bedoeld in. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014
Artikel 3.14.7 — Artikel 3.14.7 Garantstellingsovereenkomst#
Artikel 3.14.7 Garantstellingsovereenkomst bijlage 3.14.1 Inis een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van bankgaranties. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.14.8 — Artikel 3.14.8 Verdeling van subsidieplafond#
Artikel 3.14.8 Verdeling van subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond voor bankgarantiefaciliteiten op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.14.9 — Artikel 3.14.9 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.14.9 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. bijlage 3.14.1 er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst, met uitzondering van onderdelen f, h en i, zoals opgenomen in; c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst; d. het bedrag van een bankgarantiefaciliteit minder bedraagt dan € 1.500.000. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.14.10 — Artikel 3.14.10 Provisie#
Artikel 3.14.10 Provisie 1 De financier is voor het verstrekken van een bankgarantiefaciliteit een eenmalige provisie van 0,25 procent van 50 procent van de bankgarantiefaciliteit verschuldigd. 2 Voor zover de opbrengsten uit de provisie, bedoeld in het eerste lid, die de financier bij de onderneming in rekening brengt voor het verstrekken van de bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 0,5 procent van de bankgarantiefaciliteit, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. 3 Voor zover de opbrengsten uit een eventuele bereidstellingsprovisie die een financier bij een onderneming in rekening brengt over het onbenutte deel van een bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 25 procent van een door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie op bankgaranties, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. 4 artikel 32, derde lid, van het besluit Het tarief van de periodieke provisie, bedoeld in, wordt voor de garantstelling op een afgegeven bankgarantie berekend over de waarde van de afgegeven bankgaranties op de eerste dag van het kwartaal en is gelijk aan de door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie over het door de staat gegarandeerde deel van de afgegeven bankgaranties met aftrek van 0,15 procent op jaarbasis als vergoeding voor de financier voor het beheer van de bankgarantiefaciliteit en met een minimum van 0,5 procent op jaarbasis. 5 In afwijking van het vierde lid kan een financier eenmalig en vooraf aangeven de provisie per kwartaal te willen verrekenen op basis van een controleerbare opgave van de provisieberekening op dagbasis. 6 De minister kan een hoger tarief voor de provisie, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.14.11 — Artikel 3.14.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.14.11 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van deze titel, bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet. 2 Een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit op grond van deze titel, bevat in ieder geval: a. kerngegevens over de financier; b. kerngegevens over de ondernemer; c. een verklaring van de financier dat is voldaan aan de garantstellingsovereenkomst. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.14.12 — Artikel 3.14.12 Staatssteun#
Artikel 3.14.12 Staatssteun artikel 3.14.2 De subsidie, bedoeld inbevat geen staatssteun. 2017 25359 08-05-2017 26-04-2017 WJZ/17038299 2017 25359 08-05-2017 26-04-2017 WJZ/17038299 01-07-2017
Artikel 3.14.12a — Artikel 3.14.12a Overgangsrecht#
Artikel 3.14.12a Overgangsrecht 1 bijlage 3.14.1 artikel 3.14.7 Met schriftelijke instemming van een financier zijn de wijzigingen van de artikelen 12, 13, 15, 15a en 16 vaningevolge de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 februari 2021, nr. WJZ/ 20257211, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met aanpassing van de garant- en borgstellingsmodules aan Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) (Stcrt. 2021, 6766) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. 2 bijlage 3.14.1 artikel 3.14.7 Met schriftelijke instemming van een financier is de wijzigingen van artikel 10, tweede lid, vaningevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 juni 2022, nr. WJZ/ 22203827, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de actualisatie van enkele subsidiemodules en de openstelling van subsidiemodule Eurostarsprojecten (Stcrt. 2022, 16518) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. 2022 16518 27-06-2022 23-06-2022 WJZ/22203827 2022 16518 27-06-2022 23-06-2022 WJZ/22203827 28-06-2022
Artikel 3.14.13 — Artikel 3.14.13 Vervaltermijn#
Artikel 3.14.13 Vervaltermijn bijlage 3.14.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 juli 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 20506 18-06-2025 15-06-2025 WJZ/99076841 2025 20506 18-06-2025 15-06-2025 WJZ/99076841 19-06-2025
Artikel 3.15.1 — Artikel 3.15.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.15.1 Begripsbepalingen Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.2 — Artikel 3.15.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.15.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.3 — Artikel 3.15.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.15.3 Hoogte subsidie Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.4 — Artikel 3.15.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.15.4 Subsidiabele kosten Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.5 — Artikel 3.15.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.15.5 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.6 — Artikel 3.15.6 Starttermijn en realisatietermijn#
Artikel 3.15.6 Starttermijn en realisatietermijn Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.7 — Artikel 3.15.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.15.7 Afwijzingsgronden Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.8 — Artikel 3.15.8 Verplichting subsidieontvanger#
Artikel 3.15.8 Verplichting subsidieontvanger Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.9 — Artikel 3.15.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.15.9 Informatieverplichtingen Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.10 — Artikel 3.15.10 Subsidievaststelling#
Artikel 3.15.10 Subsidievaststelling Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.11 — Artikel 3.15.11 Staatssteun#
Artikel 3.15.11 Staatssteun Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.15.12 — Artikel 3.15.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.15.12 Vervaltermijn Vervallen 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 2022 11884 03-05-2022 25-04-2022 WJZ/21265253 31-12-2024
Artikel 3.16.1 — Artikel 3.16.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.16.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: academische innovatieve starter: artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 4.1 van het Reglement NWO 2002 innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een universiteit als bedoeld in, een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de, een onderzoeksorganisatie als bedoeld in, een onderzoeksinstituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, het Nederlands Kanker Instituut, het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen, onderzoekers van de Dubble-bundellijn bij de European Synchrotron Radiation Facility te Grenoble, Frankrijk, het Naturalis Biodiversity Center, of het Advanced Research Centre for NanoLithography, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende universiteit, het desbetreffende academisch ziekenhuis, de desbetreffende onderzoeksorganisatie of het desbetreffende onderzoeksinstituut; financier: een (onderdeel met een afgescheiden boekhouding van een) kapitaalvennootschap, een vennootschap met een afgescheiden vermogen of een rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die, blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld, tot doel heeft het op provinciaal niveau verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; financieringsbudget: artikel 3.16.1h artikel 3.16.1c geldelijke middelen die een financier beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor verrekening van de kosten, bedoeld in, bestaande uit de provinciale bijdrage en het bedrag van de geldlening, bedoeld in; financieringsplan: een plan van een financier tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter: samenstel van activiteiten dat leidt tot een schriftelijk rapport met een inschatting van de commerciële en technische mogelijkheden van de door een TO2-starter voorgenomen activiteiten en de kansen voor de haalbaarheid van een vroegefasetraject; hbo-innovatieve starter: artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een hogeschool als bedoeld in, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende hogeschool; innovatieve starter: innovatieve onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 80, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, die tevens starter is, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van die verordening; kosten: door een financier in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten te maken kosten, waaronder doch niet beperkt tot kosten voor door een financier in te zetten medewerkers en kosten voor door een financier in te schakelen externe deskundigen, welke kosten marktconform dienen te zijn; rekening: rekening ten name van een financier welke uitsluitend wordt gebruikt voor alle betalingsverkeer dat op welke wijze dan ook verband houdt met het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; TO2-innovatieve starter: innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, de Stichting Deltares, de Stichting Wageningen Research, de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland, de Stichting Maritiem Research Instituut Nederland of de Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende onderzoeksinstelling; toekomstige investeerder: artikelen 3.16.3 3.16.8 3.16.13 persoon die in het kader van een vernieuwingsfasetraject of een vroegefasetraject van plan is na uitvoering van het vernieuwingsfaseplan of het vroegefaseplan aan de aanvrager van de subsidie financiering te verstrekken voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan het bedrag van de maximale hoofdsom, bedoeld in de,en, voor de fase na de vernieuwingsfase of de vroegefase; vernieuwingsfaseplan: document waarin wordt uiteengezet op welke wijze en op welke termijn de MKB-ondernemer door experimentele ontwikkeling komt tot de ontwikkeling of de verdere ontwikkeling van een product, proces of dienst op basis waarvan de toekomstige investeerder definitief kan besluiten tot financiering van het vervolgtraject; vernieuwingsfasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vernieuwingsfaseplan; vroegefaseplan: document waarin: a. de aanvrager van de subsidie uiteenzet op welke wijze en op welke termijn een uitvinding, een resultaat van een onderzoek, een idee of een concept zo kan worden ontwikkeld dat de toekomstige investeerder in staat is te besluiten tot de voorgenomen financiering, of; b. indien het gaat om een uiteenzetting van een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter, de vragen van toekomstige financiers omtrent de ontwikkeling worden beantwoord zodat de toekomstige financiers over financiering kunnen besluiten; vroegefasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vroegefaseplan. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.1a — Artikel 3.16.1a Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters#
Artikel 3.16.1a Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters 1 artikelen 22 tot en met 24 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies artikelen 3.16.1e 3.16.4 3.16.9 Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in de, en de,en. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste twintig leden. 3 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.1b — Artikel 3.16.1b Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters, hbo-innovatieve starters en TO2-innovatieve starters#
Artikel 3.16.1b Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters, hbo-innovatieve starters en TO2-innovatieve starters 1 artikelen 22 23 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies 3.16.11d 3.16.14 artikelen 3.16.11f 3.16.17 Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters, hbo-innovatieve starters en TO2-innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in deenenen, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in deen. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste twintig leden. 3 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.1c — Artikel 3.16.1c Subsidieverstrekking#
Artikel 3.16.1c Subsidieverstrekking 1 artikel 3.16.1h De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een financier voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers, uitgezonderd MKB-ondernemers die werkzaam zijn in de visserij- en aquacultuursector, of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor verrekening van de kosten, bedoeld in. 2 Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt gedurende een periode van ten hoogste drie jaar. Deze periode kan worden verlengd met maximaal drie jaar indien hier goed gemotiveerde redenen voor zijn. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025 01-05-2025
Artikel 3.16.1d — Artikel 3.16.1d Subsidieomvang#
Artikel 3.16.1d Subsidieomvang 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van het financieringsbudget, doch ten minste € 1.000.000 en ten hoogste € 5.000.000 per subsidieontvanger. 2 Het resterende financieringsbudget van ten minste 50 procent wordt door provinciale overheden ingebracht. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.1e — Artikel 3.16.1e Afwijzingsgronden#
Artikel 3.16.1e Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat provinciale overheden het resterende financieringsbudget van ten minste 50 procent daadwerkelijk inbrengen; b. indien een financieringsplan zich onvoldoende aantoonbaar richt op het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat een financier de capaciteiten heeft voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor het beheer hiervan; d. indien door een financier onvoldoende de term ‘vroegefasefinanciering’ wordt gehanteerd; e. indien een financieringsplan onvoldoende aandacht besteedt aan het converteren van geldleningen gericht op het mogelijk maken van vervolgfinanciering; f. indien een financieringsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers, gelijk zijn aan: i. 35 procent van de door een MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 122.500, ii. 45 procent van de door een MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 157.500; 2°. geldleningen die worden verstrekt aan innovatieve starters, gelijk zijn aan het totaal van de door een innovatieve starter voorziene kosten voor een vroegefasetraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 450.000; 3°. ten aanzien van geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, een rentevoet wordt gehanteerd van 5 procent plus referentierente; 4°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, worden terugbetaald in zes jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste termijn in principe wordt afgelost drie jaar na ingang van de geldlening; 5°. aan MKB-ondernemers eenmaal of aan innovatieve starters tweemaal een jaar uitstel van de verplichting tot aflossing kan worden gegeven; 6°. bij beslissingen inzake het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters rekening wordt gehouden met het advies van een nader in te stellen onafhankelijk comité; 7°. geldleningen slechts worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 8°. geldleningen slechts worden verstrekt ten behoeve van financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten waarvan aannemelijk is dat een traject binnen 24 maanden is afgerond; 9°. de totale kosten die een financier maakt in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, ten hoogste 17 procent bedragen van het financieringsbudget; g. indien aan een financier voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten minder dan drie jaar geleden al subsidie is verstrekt; uitgezonderd is een aanvraag voor een tussentijdse ophoging van het financieringsbudget; h. indien met de uitvoering van het financieringsplan is begonnen voor de datum van de aanvraag. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025 01-05-2025
Artikel 3.16.1f — Artikel 3.16.1f Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.16.1f Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.1g — Artikel 3.16.1g Rente of vergoeding#
Artikel 3.16.1g Rente of vergoeding 1 De financier is aan de Staat uitsluitend verschuldigd: a. 50 procent van de rente die op de rekening is aangewassen en te eniger tijd is bijgeschreven, en van de lopende rente bij beëindiging van de rekening; en b. 50 procent van alle opbrengsten die hij ontvangt uit de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters. 2 Het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 50 procent van het financieringsbudget uitmaakt. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.1h — Artikel 3.16.1h Kosten#
Artikel 3.16.1h Kosten 1 De door de financier te maken kosten in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters komen voor 50 procent voor rekening van de Staat en kunnen worden verrekend met de geldlening. 2 Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 50 procent van het financieringsbudget uitmaakt. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.1i — Artikel 3.16.1i Subsidievoorwaarden#
Artikel 3.16.1i Subsidievoorwaarden De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt, binnen acht weken na die beschikking is ondertekend door de financier. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.2 — Artikel 3.16.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.16.2 Subsidieverstrekking 1 artikel 42 van het besluit De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld inaan een MKB-ondernemer, niet zijnde een MKB-ondernemer die werkzaam is in de visserij- en aquacultuursector, ten behoeve van de financiering van een vernieuwingsfasetraject. 2 bijlage 3.16.1 Bij zijn aanvraag legt de MKB-ondernemer een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat inis opgenomen. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.16.3 — Artikel 3.16.3 Subsidieomvang#
Artikel 3.16.3 Subsidieomvang 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan: a. 35 procent van de door de MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 122.500; b. 45 procent van de door de MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 157.500. 2 De kosten gemaakt door de MKB-ondernemer als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vernieuwingstraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.16.3a — Artikel 3.16.3a Realisatietermijn#
Artikel 3.16.3a Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld inbedraagt 24 maanden. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.16.4 — Artikel 3.16.4 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.16.4 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien het vernieuwingsfasetraject geen experimentele ontwikkeling vormt; b. indien aannemelijk is dat de MKB-ondernemer de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; c. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vernieuwingsfaseplan het plan heeft opgevat de MKB-ondernemer te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; d. voor zover de begrote kosten van het vernieuwingsfasetraject hoger zijn dan € 450.000 of 1°. lager zijn dan € 142.000 indien de MKB-ondernemer een middelgrote onderneming in stand houdt, of 2°. lager zijn dan € 110.000 indien de MKB-ondernemer een kleine onderneming in stand houdt; e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer een vernieuwingsfasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vernieuwingsfasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; f. artikel 3.16.2, eerste lid indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer de geldlening bedoeld in, kan terugbetalen; g. indien voor het vernieuwingsfasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; h. indien voor het vernieuwingsfasetraject een geldlening bij een financier kan worden aangevraagd; i. indien met de uitvoering van het vernieuwingsfasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.16.5 — Artikel 3.16.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.16.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.16.6 — Artikel 3.16.6 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3.16.6 Subsidievoorwaarden 1 De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de MKB-ondernemer. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.16.7 — Artikel 3.16.7 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.16.7 Subsidieverstrekking 1 artikel 42 van het besluit De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld inaan een innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. 2 bijlage 3.16.1 Bij zijn aanvraag legt de innovatieve starter een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat inis opgenomen. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.16.8 — Artikel 3.16.8 Subsidieomvang#
Artikel 3.16.8 Subsidieomvang 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 450.000. 2 De kosten gemaakt door de innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.16.8a — Artikel 3.16.8a Realisatietermijn#
Artikel 3.16.8a Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld inbedraagt 24 maanden. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.16.9 — Artikel 3.16.9 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.16.9 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien aannemelijk is dat de innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vroegefaseplan het plan heeft opgevat de innovatieve starter te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; c. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 450.000 of lager zijn dan € 50.000; d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; e. artikel 3.16.7, eerste lid indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter de geldlening bedoeld in, kan terugbetalen; f. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; g. indien voor het vroegefasetraject een geldlening bij een financier kan worden aangevraagd; h. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.16.10 — Artikel 3.16.10 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.16.10 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.16.11 — Artikel 3.16.11 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3.16.11 Subsidievoorwaarden 1 De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de innovatieve starter. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.16.11a — Artikel 3.16.11a Subsidieverstrekking#
Artikel 3.16.11a Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een TO2-innovatieve starter voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter. 2 artikel 3.16.1 Bij zijn aanvraag legt de TO2-innovatieve starter een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van TO2-innovatieve starter in. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.16.11b — Artikel 3.16.11b Subsidieomvang#
Artikel 3.16.11b Subsidieomvang De subsidie bedraagt 100% van de kosten van de haalbaarheidsstudie doch ten hoogste € 40.000. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.11c — Artikel 3.16.11c Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.16.11c Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van de haalbaarheidsstudie wordt gestart binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend. 2 De haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd binnen zes maanden na de start van de haalbaarheidsstudie. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.11d — Artikel 3.16.11d Afwijzingsgronden#
Artikel 3.16.11d Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen; b. de haalbaarheidsstudie naar verwachting onvoldoende inzicht zal geven in het commercieel perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft; c. er op voorhand onvoldoende vertrouwen bestaat in het commercieel perspectief of de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.11e — Artikel 3.16.11e Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.16.11e Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.11f — Artikel 3.16.11f Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.16.11f Rangschikkingscriteria 1 artikel 3.16.11d De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing vanafwijzend is beslist, zodanig dat een aanvraag voor een haalbaarheidsstudie hoger gerangschikt wordt naarmate op voorhand: a. het commercieel perspectief van het voorgenomen vroegefasetraject groter wordt geacht; b. de kennisbasis en innovativiteit van het voorgenomen vroegefasetraject groter wordt geacht; c. de kwaliteit van de TO2-innovatieve starter en het team dat betrokken is bij het voorgenomen vroegefasetraject hoger wordt geacht; d. de kwaliteit van het voorgenomen vroegefasetraject hoger wordt geacht. 2 Voor de rangschikking tellen de criteria, genoemd in het eerste lid, ieder voor 25 procent. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.12 — Artikel 3.16.12 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.16.12 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. 2 Bij zijn aanvraag legt de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter: a. een rapport van een haalbaarheidsstudie over; b. artikel 3.16.1 een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter in. 3 artikel 23, onderdeel b, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies De termijn, bedoeld inbedraagt 24 maanden. 4 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.16.13 — Artikel 3.16.13 Subsidieomvang#
Artikel 3.16.13 Subsidieomvang 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 450.000. 2 De kosten gemaakt door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.16.14 — Artikel 3.16.14 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.16.14 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien aannemelijk is dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 450.000 of lager dan zijn € 50.000; c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen; d. artikel 3.16.12, eerste lid indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter de geldlening, bedoeld in, kan terugbetalen. 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 2024 40486 16-12-2024 08-12-2024 WJZ/89466783 17-12-2024
Artikel 3.16.15 — Artikel 3.16.15 Adviescommissie#
Artikel 3.16.15 Adviescommissie Vervallen 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.16 — Artikel 3.16.16 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.16.16 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 3.16.17 — Artikel 3.16.17 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.16.17 Rangschikkingscriteria 1 artikel 3.16.14 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing vanafwijzend is beslist, zodanig dat een vroegefasetraject hoger gerangschikt wordt naarmate: a. het commercieel perspectief van het vroegefasetraject groter is; b. de kennisbasis en innovativiteit van het vroegefasetraject groter is; c. de kwaliteit van de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter en het team dat betrokken is bij het vroegefasetraject hoger is; d. de kwaliteit van het vroegefasetraject hoger is. 2 Voor de rangschikking telt het criterium, genoemd in onderdeel a, voor 40 procent en de criteria, genoemd in de onderdelen b tot en met d, elk voor 20 procent. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.18 — Artikel 3.16.18 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3.16.18 Subsidievoorwaarden 1 De subsidieverlening aan een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen acht weken na die beschikking is ondertekend door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 2017 30743 06-06-2017 01-06-2017 WJZ/16102768 15-06-2017
Artikel 3.16.19 — Artikel 3.16.19 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.16.19 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de kerngegevens en onderbouwing van het financieringsplan, vroegefaseplan of vernieuwingsfaseplan. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.20 — Artikel 3.16.20 Uitvoeringsovereenkomst#
Artikel 3.16.20 Uitvoeringsovereenkomst 1 artikel 3.16.1i bijlage 3.16.1a De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in, bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen inen andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel. 2 artikel 3.16.6 bijlage 3.16.2 De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld inbestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen inen andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel. 3 artikelen 3.16.11 3.16.18 bijlage 3.16.3 De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in deenbestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen inen andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.21 — Artikel 3.16.21 Staatssteun#
Artikel 3.16.21 Staatssteun artikelen 3.16.1c 3.16.2 3.16.7 3.16.11a 3.16.12 De subsidie, bedoeld in de,,,enbevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 22 en 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 2021 4566 29-01-2021 22-01-2021 WJZ/20282487 01-02-2021
Artikel 3.16.21a — Artikel 3.16.21a Overgangsrecht#
Artikel 3.16.21a Overgangsrecht artikel 3.16.1e bijlage 3.16.1a artikel 3.16.1c De wijzigingen vanen artikel 3 iningevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen die in de periode 1 september 2024 tot en met 1 december 2024 zijn ingediend op grond van. 2025 12241 17-04-2025 15-04-2025 WJZ/97768797 2025 12241 17-04-2025 15-04-2025 WJZ/97768797 18-04-2025 17-12-2024
Artikel 3.16.22 — Artikel 3.16.22 Vervaltermijn#
Artikel 3.16.22 Vervaltermijn bijlagen 3.16.1 3.16.1a 3.16.2 3.16.3 Deze titel en de,,envervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 21-11-2024
Artikel 3.17.1 — Artikel 3.17.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.17.1 Begripsbepalingen Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.2 — Artikel 3.17.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.17.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.3 — Artikel 3.17.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.17.3 Hoogte subsidie Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.3a — Artikel 3.17.3a Subsidiabele kosten voor de exploitatie van een innovatiecluster#
Artikel 3.17.3a Subsidiabele kosten voor de exploitatie van een innovatiecluster Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.4 — Artikel 3.17.4 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.17.4 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.5 — Artikel 3.17.5 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.17.5 Start- en realisatietermijn Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.6 — Artikel 3.17.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.17.6 Afwijzingsgronden Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.7 — Artikel 3.17.7 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.17.7 Rangschikkingscriteria Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.8 — Artikel 3.17.8 Adviescommissie#
Artikel 3.17.8 Adviescommissie Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.8a — Artikel 3.17.8a Verplichtingen voor de beheerder van een innovatiecluster#
Artikel 3.17.8a Verplichtingen voor de beheerder van een innovatiecluster Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.9 — Artikel 3.17.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.17.9 Informatieverplichtingen Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.10 — Artikel 3.17.10 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 3.17.10 Aanvraag subsidievaststelling Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.11 — Artikel 3.17.11 Staatssteun#
Artikel 3.17.11 Staatssteun Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.17.12 — Artikel 3.17.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.17.12 Vervaltermijn Vervallen 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 2020 45956 01-09-2020 31-08-2020 WJZ/20215778 01-09-2025
Artikel 3.18.1 — Artikel 3.18.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.18.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: digitaliseringsscan: www.mijndigitalezaak.nl vragenlijst, beschikbaar op de website, waarmee de ondernemer inzicht krijgt in hoe ver zijn of haar onderneming is in de toepassing van productiviteitsverhogende technologieën, en op grond waarvan de ondernemer persoonlijk digitaliseringsadvies krijgt; leverancier: ondernemer, geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, die productiviteitsverhogende technologie levert; routekaart niveau 1: bijlage 3.18.1 inopgenomen overzicht van alle digitaliseringsmogelijkheden voor aanvragers. 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 17-05-2023
Artikel 3.18.2 — Artikel 3.18.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.18.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer, die een kleine onderneming in stand houdt, voor het afnemen en implementeren van de in de routekaart niveau 1 opgenomen productiviteitsverhogende technologie, en het inwinnen van advies hierover, met als doel de productiviteit van de onderneming van de aanvrager te vergroten. 2 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden aangevraagd voor een onderneming als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met d, van de algemene de-minimisverordening. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op een bedrijfsonderdeel van de in dat lid bedoelde onderneming, wanneer de economische activiteiten van dat bedrijfsonderdeel: a. voornamelijk zien op de verkoop van goederen aan particulieren; en b. vergeleken met de overige economische activiteiten van de onderneming van ondergeschikt belang zijn. 2024 20569 28-06-2024 21-06-2024 WJZ/59159044 2024 20569 28-06-2024 21-06-2024 WJZ/59159044 29-06-2024
Artikel 3.18.3 — Artikel 3.18.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.18.3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvrager. 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 22-06-2022
Artikel 3.18.4 — Artikel 3.18.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.18.4 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten ten behoeve van: a. het bij een leverancier aanschaffen van producten en diensten die zijn opgenomen in de routekaart niveau 1; b. het inwinnen van aankoopadvies met betrekking tot de producten en diensten, bedoeld in onderdeel a, tot een maximum van € 500. 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 17-05-2023
Artikel 3.18.5 — Artikel 3.18.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.18.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 22-06-2022
Artikel 3.18.6 — Artikel 3.18.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.18.6 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is drie maanden. 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 22-06-2022
Artikel 3.18.7 — Artikel 3.18.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.18.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. reeds op grond van deze titel subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager; b. de subsidieaanvrager nog geen inzicht heeft verkregen, door middel van een digitaliseringsscan, in hoe ver zijn of haar bedrijf is in de toepassing van productiviteitsverhogende technologieën; c. de ingediende offerte niet aansluit op de in de routekaart opgenomen digitaliseringsmogelijkheden; d. in de aanvraag kosten zijn opgenomen voor: 1°. aanschaf van hardware die geen verband houden met aangeschafte software opgenomen in de routekaart niveau 1; 2°. aankoopadvies dat door dezelfde partij wordt geleverd als waar een product wordt aangeschaft; 3°. social media abonnementen waarvoor betaald moet worden; e. de dienst die, of het product dat, vermeld wordt op de ingediende offerte, niet aansluit bij de diensten of producten die de leverancier normaliter levert; f. artikel 3.18.2, tweede lid de subsidieaanvrager, die een onderneming in stand houdt als bedoeld in, subsidie aanvraagt voor een economische activiteit, als bedoeld in artikel 3.18.2, derde lid, en deze subsidieaanvrager: 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of 2°. artikel 3.18.2, derde lid, onderdeel b het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in, bedoelde overige economische activiteiten. g. de subsidiabele kosten minder dan € 1.000 bedragen. 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 17-05-2023 Abusievelijk is voor onderdeel e, subonderdeel 1° (nieuw) een
wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 3.18.8 — Artikel 3.18.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.18.8 Verplichtingen subsidieontvanger artikel 3.18.2 De subsidieontvanger verleent gedurende twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de activiteiten, bedoeld in, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 22-06-2022
Artikel 3.18.9 — Artikel 3.18.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.18.9 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. 2 De aanvraag gaat vergezeld van: a. het resultaat van de voorgeschreven digitaliseringsscan in pdf formaat; b. een ingevulde vragenlijst ten behoeve van het doen van een nulmeting; c. een of meerdere op de datum van de subsidieaanvraag geldige offertes, behorende bij de afname van een product of een dienst opgenomen in de routekaart niveau 1, of het inwinnen van advies hierover. 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 2023 13816 16-05-2023 12-05-2023 WJZ/26312096 17-05-2023
Artikel 3.18.10 — Artikel 3.18.10 Subsidievaststelling#
Artikel 3.18.10 Subsidievaststelling 1 artikel 3.18.2 De subsidie, bedoeld in, wordt ambtshalve vastgesteld. 2 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht en de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 22-06-2022
Artikel 3.18.11 — Artikel 3.18.11 Staatssteun#
Artikel 3.18.11 Staatssteun artikel 3.18.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 22-06-2022
Artikel 3.18.12 — Artikel 3.18.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.18.12 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2026 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd. 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 2022 16196 21-06-2022 17-06-2022 WJZ/21229120 22-06-2022
Artikel 3.18a.1 — Artikel 3.18a.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.18a.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: CyberVeilig Check tool: www.digitaltrustcenter.nl vragenlijst, beschikbaar op de website, waarmee de ondernemer inzicht krijgt in welke maatregelen genomen kunnen worden om de cyberweerbaarheid van zijn onderneming te verhogen en op grond waarvan de ondernemer daaromtrent persoonlijk advies krijgt; leverancier: ondernemer, geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, die producten of diensten levert om de cyberweerbaarheidsmaatregelen te kunnen nemen; tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen: bijlage 3.18a.1 inopgenomen overzicht van alle cyberweerbaarheidsmaatregelen voor aanvragers. 2024 28335 30-08-2024 28-08-2024 WJZ/85905851 2024 28335 30-08-2024 28-08-2024 WJZ/85905851 31-08-2024
Artikel 3.18a.2 — Artikel 3.18a.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.18a.2 Subsidieverstrekking 1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer, die een kleine onderneming in stand houdt, voor het afnemen en implementeren van in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen, met als doel de cyberweerbaarheid van de onderneming van de aanvrager te vergroten. 2 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden aangevraagd voor een onderneming als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met d, van de algemene de-minimisverordening. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op een bedrijfsonderdeel van de in dat lid bedoelde onderneming, wanneer de economische activiteiten van dat bedrijfsonderdeel: a. voornamelijk zien op de verkoop van goederen aan particulieren; b. vergeleken met de overige economische activiteiten van de onderneming van ondergeschikt belang zijn. 4 De kosten voor persoonsgebonden producten of diensten stemmen overeen met het aantal werkzame personen bij de onderneming ten behoeve waarvan de aanvraag is ingediend. 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 15-07-2025
Artikel 3.18a.3 — Artikel 3.18a.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.18a.3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.250 per aanvrager. 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 23-09-2023
Artikel 3.18a.4 — Artikel 3.18a.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.18a.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten ten behoeve van het bij een leverancier afnemen en implementeren van producten en diensten die zijn opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen. 2 Onverminderd het eerste lid, komen de kosten voor betaalde abonnementen en licenties behorend bij producten en diensten met een looptijd van meer dan één jaar met betrekking tot de in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen, uitsluitend voor een periode van één jaar voor subsidie in aanmerking. 3 Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor: a. handmatige updates zonder structurele aanpak; b. algemene IT-beheercontracten zonder specifieke patchingsactiviteit; c. updates voor end-of-life software; d. cyberweerbaarheidsmaatregelen ten behoeve van websites, webshops, online platformen, betaalsystemen en cloudwerkplekken. 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 15-07-2025
Artikel 3.18a.5 — Artikel 3.18a.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.18a.5 Verdeling van het subsidieplafond De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 23-09-2023
Artikel 3.18a.6 — Artikel 3.18a.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.18a.6 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is drie maanden. 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 23-09-2023
Artikel 3.18a.7 — Artikel 3.18a.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.18a.7 Afwijzingsgronden De Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. reeds op grond van deze titel subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager; b. de subsidieaanvrager nog geen inzicht heeft verkregen in welke maatregelen genomen kunnen worden om de cyberweerbaarheid van zijn onderneming te verhogen; c. de ingediende factuur en het ingediende betaalbewijs geen betrekking hebben op het afnemen of implementeren van een product of een dienst opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen; d. de subsidieaanvrager bij de aanvraag niet heeft ingestemd met het verlenen van medewerking aan een evaluatie van de effecten van deze titel; e. artikel 3.18a.2, tweede lid de subsidieaanvrager, die een onderneming in stand houdt als bedoeld in, subsidie aanvraagt voor een economische activiteit, als bedoeld in artikel 3.18a.2, derde lid, en deze subsidieaanvrager: 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert ten opzichte van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of 2°. artikel 3.18a.2, derde lid, onderdeel b het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in, bedoelde overige economische activiteiten; f. de subsidiabele kosten minder dan € 400 bedragen; g. het een aanvraag voor subsidie betreft voor in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen die voor 18 juli 2025 zijn afgenomen en geïmplementeerd; h. de dienst die, of het product dat, vermeld wordt op de ingediende factuur en het betaalbewijs, niet aansluit bij de diensten of producten die de leverancier normaliter levert; i. eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een dienst of product van dezelfde categorie cyberweerbaarheidsmaatregel. 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 15-07-2025 Abusievelijk is voor onderdeel g een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 3.18a.8 — Artikel 3.18a.8 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.18a.8 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. 2 De aanvraag gaat vergezeld van: a. het resultaat van de ingevulde CyberVeilig Check tool in pdf formaat; b. een factuur met daarin ten minste de naam en het adres van de ondernemer en de leverancier van de producten en diensten die zijn opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen, een omschrijving van de afgenomen producten en diensten die te herleiden is naar de maatregelen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen, het bedrag, inclusief en exclusief BTW en de datum van betaling van het bedrag; c. een betaalbewijs in de vorm van een bankafschrift met daarin ten minste de tenaamstelling van de rekening, het rekeningnummer, het betaalde bedrag, betaaldatum en het rekeningnummer van de leverancier. 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 2025 23785 14-07-2025 10-07-2025 WJZ/99760924 15-07-2025
Artikel 3.18a.9 — Artikel 3.18a.9 Subsidievaststelling#
Artikel 3.18a.9 Subsidievaststelling artikel 3.18a.2, eerste lid De beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in, houdt tevens de beschikking tot subsidievaststelling in. 2024 28335 30-08-2024 28-08-2024 WJZ/85905851 2024 28335 30-08-2024 28-08-2024 WJZ/85905851 31-08-2024
Artikel 3.18a.10 — Artikel 3.18a.10 Staatssteun#
Artikel 3.18a.10 Staatssteun artikel 3.18a.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 23-09-2023
Artikel 3.18a.11 — Artikel 3.18a.11 Vervaltermijn#
Artikel 3.18a.11 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 september 2028 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 2023 26170 22-09-2023 18-09-2023 WJZ/27173256 23-09-2023
Artikel 3.19.1 — Artikel 3.19.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.19.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: drijvende en bewegende offshore-constructie: 2 constructie voor de exploratie, exploitatie of productie van hernieuwbare energie of winning van grond- en voedingsstoffen op zee of opslag van COin de zeebodem die: a. niet beschikt over eigen voortstuwing; en b. bedoeld is om meermaals op eigen drijfvermogen te worden verplaatst terwijl zij in bedrijf is; scheepsbouwinnovatieproject: een project dat bestaat uit de experimentele ontwikkeling van nieuwe of verbeterde onderdelen bij de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie in vergelijking met die welke in de scheepsbouwsector gewoonlijk binnen de Europese Unie worden gebruikt of beschikbaar zijn en waarvan de implementatie of toepassing een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt; scheepswerf: onderneming die schepen of drijvende en bewegende offshore-constructies ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust; schip: zichzelf voortstuwend zeeschip of binnenvaartschip dat is bestemd om voor commerciële doeleinden te worden gebruikt en tot één van de volgende categorieën behoort: a. zeeschepen of binnenvaartschepen, niet zijnde vissersvaartuigen, met een minimaal tonnage van 100 bruto ton, bestemd voor het vervoer van passagiers of goederen of voor het verrichten van een speciale dienst; b. sleepboten of veerponten met een minimaal vermogen van 365 kW. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.2 — Artikel 3.19.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.19.2 Subsidieverstrekking bijlage 3.19.1 De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een scheepswerf voor een scheepsbouwinnovatieproject dat een bijdrage levert aan duurzame ontwikkeling op de gebieden, beschreven in, en gericht is op: a. de ontwikkeling en het ontwerp van een nieuwe scheepsklasse of een nieuwe klasse drijvende en bewegende offshore-constructies; b. de ontwikkeling van een nieuw onderdeel van een schip of drijvende en bewegende offshore-constructie dat als afzonderlijk element van het schip of de drijvende en bewegende offshore-constructie kan worden onderscheiden. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.3 — Artikel 3.19.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.19.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt 25% van de subsidiabele kosten en bedraagt maximaal € 750.000. 2 Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met: a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.4 — Artikel 3.19.4 Subsidiabele kosten en uurtarief#
Artikel 3.19.4 Subsidiabele kosten en uurtarief 1 Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 3.1.1 artikelen 13, tweede lid 14, van het besluit In afwijking vanbedraagt het uurtarief, bedoeld in de, en, voor deze titel € 80. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.5 — Artikel 3.19.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.19.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.6 — Artikel 3.19.6 Subsidievoorwaarden, start- en realisatietermijn#
Artikel 3.19.6 Subsidievoorwaarden, start- en realisatietermijn 1 De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen 13 weken na de beschikking tot subsidieverlening aantoont dat: a. de opdrachtgever en de subsidieontvanger de overeenkomst tot de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waarvoor een scheepsbouwinnovatieproject wordt uitgevoerd hebben gesloten; b. de opdrachtgever ter uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, een of meer betalingen heeft gedaan, en c. de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, een volledige weergave vormt van de tussen subsidieontvanger en opdrachtgever gemaakte afspraken. 2 Met de uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject wordt gestart op het moment dat aan de opschortende voorwaarde, genoemd in het eerste lid, is voldaan. 3 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening. 4 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn bedoeld inis drie jaar na de subsidieverlening. 5 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het vierde lid, verlengen met een periode van maximaal twee jaar. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.7 — Artikel 3.19.7 Adviescommissie#
Artikel 3.19.7 Adviescommissie 1 artikelen 22 23 van het besluit artikel 3.19.8 artikel 3.19.9 Er is een Adviescommissie duurzame scheepsbouw die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld inenen, alsmede de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.8 — Artikel 3.19.8 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.19.8 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien: a. tussen de subsidieontvanger en de opdrachtgever voor indiening van de aanvraag om subsidie een overeenkomst tot de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waarbij een scheepsbouwinnovatieproject wordt uitgevoerd is gesloten; b. van het scheepsbouwinnovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn; c. het scheepsbouwinnovatieproject niet leidt tot een voldoende mate van vernieuwing van een product; d. bijlage 3.19.1 het scheepsbouwinnovatieproject onvoldoende bijdraagt aan duurzame ontwikkeling op de gebieden, beschreven in; e. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is; f. het scheepsbouwinnovatieproject een niveau van milieubescherming beoogt te bereiken dat niet verder gaat dan verplicht op grond van EU-rechtshandelingen; g. artikel 3.19.9, eerste lid na toepassing van, minder dan tien punten voor één of meer criteria zijn toegekend; h. artikel 3.19.9, eerste lid na toepassing van, minder dan zestig punten zijn toegekend. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.9 — Artikel 3.19.9 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.19.9 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate: a. het innovatiegehalte van het scheepsbouwinnovatieproject hoger is; b. de bijdrage van het scheepsbouwinnovatieproject aan de verduurzaming van de scheepvaart groter is; c. de economische potentie en toepassingsmogelijkheden van het scheepsbouwinnovatieproject groter zijn; d. de kwaliteit van de aanvraag beter is. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe. 3 Indien de minister in één kalenderjaar meer aanvragen van een aanvrager of aanvragers behorende tot één groep heeft ontvangen, wordt bij de tweede aanvraag vijf punten in mindering gebracht, bij de derde aanvraag tien punten en elke volgende aanvraag vijftien punten. 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het scheepsbouwinnovatieproject zijn toegekend. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.10 — Artikel 3.19.10 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.19.10 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. gegevens over de bouw of verbouw van het schip of de bouw van de drijvende en bewegende offshore-constructie; d. een projectplan voor uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject; e. een verklaring van de scheepswerf en de opdrachtgever voor de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waaruit de intentie tot uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject blijkt; en f. artikel 3.19.3, tweede lid, onderdelen a en b gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.11 — Artikel 3.19.11 Verplichting subsidieontvanger#
Artikel 3.19.11 Verplichting subsidieontvanger De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten worden opgedaan na afloop van het scheepsbouwinnovatieproject openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.12 — Artikel 3.19.12 Staatssteun#
Artikel 3.19.12 Staatssteun artikel 3.19.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.19.13 — Artikel 3.19.13 Vervaltermijn#
Artikel 3.19.13 Vervaltermijn bijlage 3.19.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 2025 22921 04-07-2025 02-07-2025 WJZ/99554637 05-07-2025
Artikel 3.20.1 — Artikel 3.20.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.20.1 Begripsbepalingen 1 In deze titel wordt verstaan onder: arbeidsovereenkomst: artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een arbeidsovereenkomst als bedoeld in; brancheorganisatie: een vereniging, opgericht voor 1 januari 2020, die belangen behartigt van haar leden, bestaande uit ondernemingen die tot eenzelfde bedrijfstak behoren; ICT- en techniek-kansrijk beroep: bijlage 3.20 een beroep dat past binnen de inopgenomen lijst met kansrijke beroepen, dat valt binnen de beroepssegmenten techniek-industrie, techniek-bouw, techniek-auto en voertuigtechniek, techniek-installatietechniek of ICT; opleider: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich bij de uitoefening van zijn beroep of bedrijf bezighoudt met het geven van scholing; praktijkbegeleider: een werknemer die zich bij de uitoefening van zijn beroep namens zijn werkgever bezighoudt met het geven van praktijkondersteuning; werknemer: artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werknemer als bedoeld in; werkgever: artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkgever als bedoeld in. 2 In aanvulling op het eerste lid wordt mede verstaan onder: a. werknemer: een natuurlijke persoon die voornemens is om in de hoedanigheid van werknemer een arbeidsovereenkomst te sluiten; b. werkgever: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is om in de hoedanigheid van werkgever een arbeidsovereenkomst te sluiten. 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 16-07-2021
Artikel 3.20.2 — Artikel 3.20.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.20.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een werkgever voor het faciliteren van een of meer omscholingstrajecten die zijn gericht op het verwerven van de benodigde competenties, kennis en ervaring door een of meer werknemers ten behoeve van de uitoefening van een ICT- en techniek-kansrijk beroep. 2 Een omscholingstraject bevat een samenhangend geheel van activiteiten dat relevant is voor de adequate uitoefening van een ICT- en techniek-kansrijk beroep, bestaande uit: a. scholing via een opleiding, cursus, training, of andere vorm van kennisverwerving die door een opleider namens de werkgever wordt aangeboden aan de werknemer; en b. praktijkondersteuning via het inwerken, coachen, geven van feedback of andere vorm van ondersteuning door een praktijkbegeleider namens de werkgever aan de werknemer. 3 Een subsidieaanvrager als bedoeld in het eerste lid dient per omscholingstraject een aanvraag voor subsidie in. 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 16-07-2021
Artikel 3.20.3 — Artikel 3.20.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.20.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt € 3.750 per omscholingstraject. 2 Het totale bedrag aan de-minimissteun bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening. 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 16-07-2021
Artikel 3.20.4 — Artikel 3.20.4 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.20.4 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 16-07-2021
Artikel 3.20.5 — Artikel 3.20.5 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.20.5 Start- en realisatietermijn 1 Met een op grond van deze titel gesubsidieerd omscholingstraject wordt uiterlijk gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vijf jaar. 2022 25148 23-09-2022 22-09-2022 WJZ/22348301 2022 25148 23-09-2022 22-09-2022 WJZ/22348301 24-09-2022
Artikel 3.20.6 — Artikel 3.20.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.20.6 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie indien: a. de werknemer: 1°. artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs in een periode van minder dan twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor subsidie bij een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld inhet eindexamen heeft afgelegd; 2°. bijlage 3.20 voor 1 juli 2022 werkzaam was in een ICT- en techniek-kansrijk beroep binnen een zelfde beroepsgroep, als bedoeld in; of 3°. voor 1 juli 2022 gestart is met het omscholingstraject waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft; b. niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager voornemens is met de werknemer een arbeidsovereenkomst te sluiten of heeft gesloten voor ten minste: 1°. de looptijd van het omscholingstraject; en 2°. een periode van zes maanden na afronding van het omscholingstraject, in het geval de werknemer het omscholingstraject met een voldoende resultaat afrondt; c. de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing niet: 1°. artikel 21 van de Subsidieregeling STAP-budget is opgenomen in het scholingsregister, bedoeld in; of 2°. leidt tot een door de overheid, branche of sector erkend certificaat; d. niet aannemelijk is dat de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning wordt aangeboden door een praktijkbegeleider die beschikt over de benodigde kennis en ervaring; e. op grond van deze titel voor hetzelfde omscholingstraject voor dezelfde werknemer, of in totaal voor ten minste zes omscholingstrajecten eerder subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager; f. Subsidieregeling praktijkleren Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector aan de subsidieaanvrager voor hetzelfde omscholingstraject voor dezelfde werknemer subsidie is verleend op grond van deof de; of g. de subsidiabele kosten niet ten minste: 1°. € 1.000 zouden bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing; 2°. € 1.000 zouden bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning; of 3°. € 7.500 zouden bedragen voor het gehele omscholingstraject. 2022 25148 23-09-2022 22-09-2022 WJZ/22348301 2022 25148 23-09-2022 22-09-2022 WJZ/22348301 24-09-2022
Artikel 3.20.7 — Artikel 3.20.7 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.20.7 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de praktijkbegeleider en de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de desbetreffende persoon; c. een beknopte omschrijving en informatie betreffende: 1°. bijlage 3.20 de inhoud van het omscholingstraject en het ICT- en techniek-kansrijke beroep waarop het omscholingstraject betrekking heeft, inclusief de functietitel van het ICT- en techniek-kansrijke beroep en de beroepsgroep, bedoeld in, waartoe dit ICT- en techniek-kansrijke beroep behoort; 2°. artikel 3.20.6, onderdeel a het opleidings- en arbeidsverleden van de werknemer, voor zover relevant in verband met; 3°. artikel 3.20.6, onderdeel b het perspectief van de werknemer op een of meer arbeidsovereenkomsten bij de werkgever, voor zover relevant in verband met; 4°. artikel 3.20.6, eerste lid, onderdeel c de in het kader van het omscholingstraject te volgen scholing, voor zover relevant in verband met; en 5°. artikel 3.20.6, onderdeel d de aanwezigheid van de benodigde kennis en ervaring van de praktijkbegeleider, voor zover relevant in verband met; d. een verklaring waaruit volgt dat de subsidiabele kosten ten minste: 1°. € 1.000 bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing; 2°. € 1.000 bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning; en 3°. € 7.500 bedragen voor het gehele omscholingstraject; e. Subsidieregeling praktijkleren Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector een verklaring waaruit volgt dat voor hetzelfde omscholingstraject voor dezelfde werknemer geen subsidie is verleend op grond van deof de; en f. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. 2 Een aanvraag voor subsidie, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van: a. een verklaring van de werknemer waaruit volgt: 1°. wat de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de werknemer is; 2°. artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs dat de werknemer niet in een periode van minder dan twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om subsidie bij een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld inhet eindexamen heeft afgelegd; 3°. bijlage 3.20 dat de werknemer niet voor 1 juli 2022 werkzaam was in een ICT- en techniek-kansrijk beroep binnen een zelfde beroepsgroep als bedoeld in; 4°. dat de werknemer voornemens is om met de werkgever een arbeidsovereenkomst te sluiten respectievelijk dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor ten minste de looptijd van het omscholingstraject en een periode van zes maanden na afronding van het omscholingstraject, in het geval de werknemer het omscholingstraject met een voldoende resultaat afrondt; en b. een verklaring van een opleider, waaruit volgt: 1°. wat de gegevens van de opleider zijn, waaronder het post- en bezoekadres van de opleider en de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon bij de opleider; 2°. dat hij bekend is met de inschrijving van de desbetreffende medewerker voor de desbetreffende scholing; 3°. wat de subsidiabele kosten voor de desbetreffende scholing ten minste bedragen; en 4°. dat de werknemer niet voor 1 juli 2022 gestart is met het omscholingstraject waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft; c. artikel 3.20.6, onderdeel c, subonderdeel 2° voor zover van toepassing, een verklaring van een brancheorganisatie waaruit volgt dat de desbetreffende scholing leidt tot een overheids-, branche- of sector-erkend certificaat als bedoeld in. 2022 25148 23-09-2022 22-09-2022 WJZ/22348301 2022 25148 23-09-2022 22-09-2022 WJZ/22348301 24-09-2022
Artikel 3.20.8 — Artikel 3.20.8 Staatssteun#
Artikel 3.20.8 Staatssteun artikel 3.20.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 16-07-2021
Artikel 3.20.9 — Artikel 3.20.9 Vervaltermijn#
Artikel 3.20.9 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 2021 35043 15-07-2021 02-07-2021 WJZ/21149215 16-07-2021
Artikel 3.21.1 — Artikel 3.21.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.21.1 Begripsomschrijvingen Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.2 — Artikel 3.21.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.21.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.3 — Artikel 3.21.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.21.3 Hoogte subsidie Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.4 — Artikel 3.21.4 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.21.4 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.5 — Artikel 3.21.5 Realisatietermijn#
Artikel 3.21.5 Realisatietermijn Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.6 — Artikel 3.21.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.21.6 Afwijzingsgronden Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.7 — Artikel 3.21.7 Adviescommissie#
Artikel 3.21.7 Adviescommissie Vervallen 2020 36646 08-07-2020 28-06-2020 WJZ/20044214 2020 36646 08-07-2020 28-06-2020 WJZ/20044214 09-07-2020
Artikel 3.21.8 — Artikel 3.21.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.21.8 Rangschikkingscriteria Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.9 — Artikel 3.21.9 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.21.9 Verplichtingen subsidieontvanger Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.10 — Artikel 3.21.10 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.21.10 Informatieverplichtingen Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.11 — Artikel 3.21.11 Staatssteun#
Artikel 3.21.11 Staatssteun Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.21.12 — Artikel 3.21.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.21.12 Vervaltermijn Vervallen 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 2018 40633 16-07-2018 11-07-2018 WJZ/18109209 01-01-2023 2020 54778 23-10-2020 15-10-2020 WJZ/20201177 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2018/40633 gesteld op 1
januari 2021.
Artikel 3.22.1 — Artikel 3.22.1 Algemene begripsomschrijvingen#
Artikel 3.22.1 Algemene begripsomschrijvingen 1 In deze titel wordt verstaan onder: achtergestelde vordering: vordering van een thematisch technology transferfonds ten laste van een kennisstarter: a. die het thematisch technology transferfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de kennisstarter geld ter leen te verstrekken; b. artikel 277, tweede lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in; c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan; d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; begeleidingskosten: kosten die een thematisch technology transferfonds maakt voor de inhoudelijke begeleiding van kennisstarters; converteerbare lening: geldlening, steeds resulterend in een achtergestelde vordering, van een thematisch technology transferfonds aan een kennisstarter die door het thematisch technology transferfonds geconverteerd kan worden in aandelen in het kapitaal van de kennisstarter; desinvesteringsperiode: periode waarbinnen een thematisch technology transferfonds de participaties vervreemdt of overdraagt; eerste commerciële verkoop: eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen; fondsbeheerder: feitelijke uitvoerder van een fondsplan, zijnde een door het thematisch technology transferfonds daartoe gecontracteerde derde; fondspartij: onafhankelijke particuliere investeerder die direct of indirect particuliere geldelijke middelen inbrengt in een thematisch technology transferfonds en die tevens direct of indirect als aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het thematisch technology transferfonds; fondsperiode: periode bestaande uit de investeringsperiode en de desinvesteringsperiode; fondsplan: artikel 3.22.7, vierde lid fondsplan als bedoeld in; informal investor: particulier die, al dan niet via een kapitaalvennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen; inkomsten: op geld waardeerbare voordelen die een thematisch technology transferfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de desbetreffende kennisstarter is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering; investeringsbudget: financiële middelen die een thematisch technology transferfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen; investeringsperiode: periode gedurende welke een thematisch technology transferfonds activiteiten verricht ter verkrijging van nieuwe participaties; kennisoverdracht: kennisoverdracht als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder w, van het O&O&I-steunkader; kennisoverdrachtplan: artikel 3.22.7, derde lid kennisoverdrachtplan als bedoeld in; kennisstarter: rechtspersoon die een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap en die: a. een substantieel deel van zijn activiteiten in Nederland uitvoert; b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en ten tijde van de eerste verstrekking van risicokapitaal door een thematisch technology transferfonds op grond van deze titel niet actief is en is geweest op een markt; en c. voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten, niet zijnde adviezen, verkoopt en levert of gaat verkopen en leveren, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, voortkomend uit onderzoek van een onderzoeksorganisatie; managementkosten: kosten die een thematisch technology transferfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met uitzondering van de begeleidingskosten en de verkrijgingprijs van de participaties; micro-organisme: bacterie, schimmel of virus; netto-inkomsten: inkomsten van een thematisch technology transferfonds minus de eventuele marktconforme prestatieafhankelijke beloning voor de fondsbeheerder; onafhankelijke particuliere investeerder: onafhankelijke particuliere investeerder als bedoeld in artikel 2, onderdeel 72, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; participatie: risicokapitaal in de vorm van: a. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter die een thematisch technology transferfonds rechtstreeks van de kennisstarter heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening; b. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering; of c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering; referentierente: referentiepercentage als bedoeld in de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met vier procentpunten; starter: natuurlijke persoon die voorbereidingen treft voor de oprichting van een kennisstarter; thematisch consortium: onderzoeksorganisatie met rechtspersoonlijkheid opgericht door ten minste drie onderzoeksorganisaties die niet tot dezelfde groep behoren ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtplan; thematisch technology transferfonds: kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan kennisstarters die actief zijn binnen één thema teneinde winst te behalen; thematisch technology transferplan: artikel 3.22.7, eerste lid, onderdeel d thematisch technology transferplan als bedoeld in; TTT-samenwerkingsverband: artikel 3.22.2, tweede lid TTT-samenwerkingsverband als bedoeld in; validatieproject: artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e validatieproject als bedoeld in; ziekteverwekker: micro-organisme dat of parasiet die een infectieziekte kan veroorzaken; ziekteverwekkers met pandemisch potentieel: ziekteverwekkers die wereldwijd een groot aantal mensen kunnen treffen en een grote bedreiging voor de volksgezondheid kunnen zijn. 2 Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een thematisch technology transferfonds. 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 10-12-2024
Artikel 3.22.2 — Artikel 3.22.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.22.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan. 2 Een TTT-samenwerkingsverband is een samenwerkingsverband dat bestaat uit: a. ten minste drie onderzoeksorganisaties of een thematisch consortium; en b. een thematisch technology transferfonds. 3 De subsidie voor een onderzoeksorganisatie is bestemd voor het uitvoeren van de volgende activiteiten uit een kennisoverdrachtplan: a. activiteiten ter bevordering van aanwending van kennis binnen het thema waarover de betreffende onderzoeksorganisatie beschikt, met betrekking tot: 1°. het beoordelen in hoeverre deze kennis geschikt is voor economische of maatschappelijke benutting; 2°. het zoeken naar starters, kennisstarters, andere ondernemingen en maatschappelijke organisaties om de onder 1° bedoelde kennis toe te passen en het stimuleren van het gebruik van deze kennis, voor zover deze activiteiten niet bestaan uit advisering op individuele basis; b. het verwerven van rechten van intellectueel eigendom met het oog op het verlenen van gebruiksrechten of latere overdracht daarvan; c. activiteiten ten behoeve van het creëren van spin-offs; d. activiteiten gericht op: 1°. samenwerking en informatiedeling binnen het thematisch consortium of tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband; 2°. openbare bekendheid geven aan het thematisch consortium of aan de samenwerking tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband; 3°. brede verspreiding van de resultaten en tussenresultaten van de gesubsidieerde activiteiten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; e. het onfhankelijk uitvoeren van validatieprojecten die bestaan uit activiteiten gericht op het technisch of klinisch verbeteren van een product, procedé of dienst om de resultaten van deze activiteiten over te dragen voor bedrijfsmatige toepassing. 4 De subsidie voor een thematisch technology transferfonds is bestemd voor: a. het verkrijgen van participaties in het kader van het uitvoeren van een fondsplan; en b. de in het kader van het fondsplan, bedoeld onder a, gemaakte managementkosten. 5 De subsidie, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstrekt in de vorm van een geldlening op basis van een overeenkomst. 6 De subsidie aan een onderzoeksorganisatie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking de overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen tussen de Staat en het thematisch technology transferfonds dat deelneemt aan het TTT-samenwerkingsverband. 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 2019 58476 25-10-2019 18-10-2019 WJZ/19234952 26-10-2019
Artikel 3.22.2a — Artikel 3.22.2a Thematisch technology transferplan pandemische paraatheid#
Artikel 3.22.2a Thematisch technology transferplan pandemische paraatheid 1 Indien sprake is van een specifieke openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van dat thematisch technology transferplan. 2 Een thematisch technology transferplan wordt geacht op pandemische paraatheid te zijn gericht als bedoeld in het eerste lid, indien dit plan gericht is op ontwikkelingen die bijdragen aan het bestrijden van infectieziekten die worden veroorzaakt door ziekteverwekkers met een pandemisch potentieel. 3 Tot de in het tweede lid bedoelde ontwikkelingen waarop een thematisch technology transferplan voor pandemische paraatheid gericht dient te zijn, worden voor de toepassing van dit artikel uitsluitend de volgende ontwikkelingen gerekend: a. de ontwikkeling van nieuwe, respectievelijk doorontwikkeling van bestaande therapieën die inzetbaar zijn bij mensen en die zich richten op het verkleinen van de medische schade veroorzaakt door de in het tweede lid bedoelde infectieziekten; b. de ontwikkeling van nieuwe, respectievelijk doorontwikkeling van bestaande, breed inzetbare technologieën die kunnen bijdragen aan, ondersteuning geven aan of leiden tot een snelle, duurzame en flexibele ontwikkeling van de onder a bedoelde therapieën. 4 De in het derde lid bedoelde therapieën kunnen onder meer bestaan uit geneesmiddelen en vaccins die profylactisch of therapeutisch kunnen worden ingezet. 5 In het in het eerste lid bedoelde thematisch technology transferplan, gericht op pandemische paraatheid, wordt rekening gehouden met de opschaalbaarheid van de te ontwikkelen therapieën, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, alsook met de beschikbaarheid voor de Europese Unie van de grondstoffen die benodigd zijn voor deze therapieën en voor de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde technologieën. 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 10-12-2024
Artikel 3.22.2b — Artikel 3.22.2b Thematisch Technology transferplan gericht op dual-use en defensiethema’s#
Artikel 3.22.2b Thematisch Technology transferplan gericht op dual-use en defensiethema’s 1 Indien sprake is van een specifieke openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van dat thematisch technology transferplan. 2 De minister verstrekt subsidie aan maximaal één TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat aantoonbaar gericht is op dual-use en defensiethema’s. 3 Een thematisch technology transferplan wordt geacht op dual-use en defensiethema’s te zijn gericht als bedoeld in het eerste lid, indien dit plan aantoonbaar gericht is op ontwikkelingen binnen uitsluitend de vijf door het Ministerie van Defensie vastgestelde Nationale Langetermijn Defensiethema’s en bovendien ten minste twee van de volgende thema’s omvat: a. slimme materialen; b. ruimtevaarttechnologie; c. quantumtechnologie; d. intelligente systemen; e. sensoren. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.22.3 — Artikel 3.22.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.22.3 Hoogte subsidie 1 artikel 3.22.2, derde lid De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 3.125.000 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid. 2 artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, bedraagt ten hoogste € 32.500 per octrooiaanvraag. 3 artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, bedraagt ten hoogste € 25.000 per validatieproject. 4 artikel 3.22.2, vijfde lid De geldlening, bedoeld in, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, bedraagt maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 6.625.000. 5 artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, bedraagt 100 procent van de managementkosten, doch ten hoogste € 250.000. 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 10-12-2024
Artikel 3.22.3a — Artikel 3.22.3a Hoogte subsidie Thematisch technology transferplan pandemische paraatheid#
Artikel 3.22.3a Hoogte subsidie Thematisch technology transferplan pandemische paraatheid 1 artikel 3.22.3, eerste tot en met derde lid en vijfde lid artikel 3.22.2a In afwijking van, bedraagt de subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid als bedoeld in: a. artikel 3.22.2, derde lid 100 procent van de subsidiabele kosten voor de activiteiten, bedoeld in, doch ten hoogste € 2.500.000 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid; b. artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b ten hoogste € 32.000 per octrooiaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in; c. artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e ten hoogste € 25.000 per validatieproject voor de activiteiten, bedoeld in; d. artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b 100 procent van de managementkosten voor de activiteiten, bedoeld in, doch ten hoogste € 200.000. 2 artikel 3.22.3, vierde lid artikel 3.22.2, vijfde lid artikel 3.22.2a In afwijking van, bedraagt de geldlening, bedoeld in, voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid als bedoeld in, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 5.300.000. 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 10-12-2024
Artikel 3.22.3b — Artikel 3.22.3b Hoogte subsidie Thematisch technology transferplan gericht op dual-use en defensiethema’s#
Artikel 3.22.3b Hoogte subsidie Thematisch technology transferplan gericht op dual-use en defensiethema’s 1 artikel 3.22.3, eerste tot en met derde lid en vijfde lid artikel 3.22.2b In afwijking van, bedraagt de subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s als bedoeld in: a. artikel 3.22.2, derde lid 100 procent van de subsidiabele kosten voor de activiteiten, bedoeld in, doch ten hoogste € 4.312.500 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid; b. artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b ten hoogste € 32.500 per octrooiaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in; c. artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e ten hoogste € 25.000 per validatieproject voor de activiteiten, bedoeld in; d. artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b 100 procent van de managementkosten voor de activiteiten, bedoeld in, doch ten hoogste € 300.000. 2 artikel 3.22.3, vierde lid artikel 3.22.2, vijfde lid artikel 3.22.2b In afwijking van, bedraagt de geldlening, bedoeld in, voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s als bedoeld in, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 9.187.500. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.22.4 — Artikel 3.22.4 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.22.4 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 01-04-2019
Artikel 3.22.5 — Artikel 3.22.5 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.22.5 Afwijzingsgronden 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. het thema waarop het thematisch technology transferplan gericht is, onvoldoende aantoonbaar sterk potentieel heeft, vanuit een excellente wetenschappelijke basis, voor innovaties van processen, producten of diensten met een hoge economisch en maatschappelijk toegevoegde waarde; b. het thematisch technology transferplan onvoldoende is onderbouwd; c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het thematisch technology transferplan naar behoren wordt uitgevoerd; d. artikelen 3.22.8 3.22.9 uit de aanvraag niet of onvoldoende blijkt hoe de subsidieaanvragers zullen voldoen aan de toepasselijke subsidieverplichtingen, bedoeld in deen; e. onvoldoende aannemelijk is dat het thematisch technology transferfonds gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de fondspartij of fondspartijen aan het investeringsbudget bijdraagt of bijdragen; f. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen bij het thematisch technology transferfonds de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiemaatschappijen gebruikelijk is; g. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad bij de uitvoering van het fondsplan; h. artikelen 3.22.2, eerste lid 3.22.2a, eerste lid er sprake is van een gelijktijdige openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie als bedoeld in, en, en de aanvrager voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid hiervoor een aanvraag doet op grond van artikel 3.22.2, eerste lid; i. artikelen 3.22.2, eerste lid 3.22.2a, eerste lid artikel 3.22.2b, eerste lid er sprake is van een gelijktijdige openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie als bedoeld in,, en, en de aanvrager voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s hiervoor een aanvraag doet op grond van artikel 3.22.2, eerste lid of artikel 3.22.2a, eerste lid. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit artikel 3.22.2, derde lid De termijn, bedoeld in, voor het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in, is zes jaar. 3 artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b Onverminderd het eerste en tweede lid beslist de minister afwijzend op het deel van een aanvraag dat ziet op subsidie voor activiteiten als bedoeld in, indien de subsidie voor deze activiteiten niet op grond van de algemene de-minimisverordening verstrekt kan worden. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.22.6 — Artikel 3.22.6 Rangschikking#
Artikel 3.22.6 Rangschikking 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. het kennisoverdrachtplan beter aansluit op één of meer van de volgende prioriteiten: 1°. optical systems and integrated photonics; 2°. kwantum technologies; 3°. process technology, including process intensification; 4°. biomolecular and cell technologies; 5°. imaging technologies; 6°. mechatronics and optomechatronics; 7°. artificial intelligence and data science; 8°. energy materials; 9°. semiconductor technologies; 10°. cybersecurity technologies; b. het kennisoverdrachtplan meer gebaseerd is op een helder afgebakend thema, waar de meest relevante en excellente onderzoeksgroepen van de onderzoeksorganisaties binnen het thema aan verbonden zijn en het plan meer bijdraagt aan het realiseren van oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken en het creëren van economische impact; c. het thematisch consortium respectievelijk de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband meer in verbinding staat of staan met andere onderzoeksorganisaties of kennisinstellingen, kennisstarters, andere ondernemingen, investeerders en maatschappelijke organisaties rondom het thema; d. het aannemelijker is dat de in het kennisoverdrachtplan beschreven activiteiten bijdragen aan kennisoverdracht en met name het ontstaan van kennisstarters waarin onder andere door het thematisch technology transferfonds in het TTT-samenwerkingsverband met risicokapitaal geïnvesteerd kan worden; e. de kwaliteit van de uitvoering van het kennisoverdrachtplan hoger is, mede gelet op de samenstelling, competenties en het netwerk van het team dat het plan feitelijk uitvoert; f. het thematisch technology transferfonds meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid; g. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle kennisstarters; en h. het fondsplan doelmatiger is ingericht. 2 Voor de rangschikking kent de Minister aan het in het eerste lid, onderdeel a, vermelde criterium maximaal twintig punten toe en aan de criteria genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met h, elk maximaal tien punten. 3 artikel 3.22.2a In afwijking van het eerste en tweede lid is het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld inen kent de Minister aan de overige criteria maximaal tien punten toe. 4 artikel 3.22.2b, eerste lid Wanneer er sprake is van een aanvraag als bedoeld in, geldt voor het eerste lid, onderdeel a, de volgende inhoud: a. 3.22.2b, derde lid het thematisch technology transferplan beter aansluit op één of meer van de door het Ministerie van Defensie vastgestelde Nationale Langetermijn Defensiethema’s als bedoeld in. 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 2025 41979 10-12-2025 09-12-2025 WJZ/101068297 11-12-2025
Artikel 3.22.7 — Artikel 3.22.7 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.22.7 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel bevat ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvragers, waaronder de namen van de organisaties, de nummers waarmee de ondernemingen zijn geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, de post- en bezoekadressen en de rekeningnummers; b. gegevens over het thematisch technology transferfonds als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; d. een thematisch technology transferplan, bestaande uit een kennisoverdrachtplan en een fondsplan met dezelfde thematische focus, en een omschrijving van de samenhang tussen deze twee plannen; e. de gegevens en onderbouwing van het thematisch technology transferplan, waaronder de start- en einddata, de begrotingen en de omvang van de gevraagde subsidie; f. artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b de de-minimisverklaring(en) van de fondspartij(en), ten behoeve van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in; g. een visie van het consortium op de principes die het consortium hanteert voor de omgang met intellectueel eigendom. Deze visie omvat in ieder geval een toelichting op hoe het consortium omgaat met de overdracht van intellectueel eigendom aan spin-offs. 2 Indien een subsidieaanvrager een thematisch consortium is, bevat de aanvraag voor subsidie tevens: a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van de onderzoeksorganisaties die het thematisch consortium hebben opgericht; en b. de statuten van het thematisch consortium. 3 Een kennisoverdrachtplan is een plan van het thematisch consortium respectievelijk de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband, dat bestaat uit een samenhangend geheel van activiteiten die kennisoverdracht bevorderen rondom een thema en dat een looptijd heeft van ten minste vijf jaar. In het kennisoverdrachtplan is tevens opgenomen: a. hoe wordt omgegaan met het verwerven en overdragen van rechten van intellectueel eigendom en het verlenen van gebruiksrechten en, in geval het TTT-samenwerkingsverband bestaat uit een thematisch technology transferfonds en drie of meer onderzoeksorganisaties, hoe de onderzoeksorganisaties de daadwerkelijke samenwerking zullen inrichten; en b. artikel 3.22.3, eerste lid artikel 3.22.2, derde lid, onderdelen c en e dat ten minste een derde van het subsidiebedrag als bedoeld in, wordt gebruikt voor activiteiten als bedoeld in. 4 Een fondsplan is een plan van het thematisch technology transferfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten, die bestaan uit het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties en het begeleiden van de kennisstarters. 5 artikel 3.22.2, derde lid De ontvangers van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, dienen uiterlijk 12 weken voorafgaand aan een nieuwe projectjaar een jaarplan in, dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten die gedurende het daarop volgende jaar worden verricht ter uitvoering van het kennisoverdrachtplan, inclusief een jaarbegroting. 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 10-12-2024
Artikel 3.22.8 — Artikel 3.22.8 Subsidieverplichtingen onderzoeksorganisaties#
Artikel 3.22.8 Subsidieverplichtingen onderzoeksorganisaties 1 artikel 3.22.2, derde lid Een onderzoeksorganisatie investeert alle winst uit de activiteiten, bedoeld in, opnieuw in de primaire activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.1.1, onderdeel 20, onder a, van het O&O&I-steunkader, van de onderzoeksorganisatie. 2 Een onderzoeksorganisatie voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding. 3 artikel 3.22.2, derde lid De activiteiten, bedoeld in, bevoordelen geen individuele bedrijven. 4 artikel 3.22.2, derde lid Opdrachtverlening aan een derde voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in, of een deel daarvan, vindt plaats op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven. 5 artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel a, onder 2° De activiteiten, bedoeld in, zijn voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk. 6 artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel c De activiteiten, bedoeld in, worden alleen binnen de onderzoeksorganisatie zelf uitgevoerd. 7 artikel 3.22.2, derde lid De overdracht van of de verlening van gebruiksrechten voor de resultaten van de activiteiten, bedoeld in, gebeurt tegen transparante voorwaarden en marktconforme tarieven, overeenkomstig paragraaf 2.2.2, onderdeel 30, van het O&O&I-steunkader. 8 artikel 3.22.2, derde lid Indien uit de activiteiten, bedoeld in, een kennisstarter ontstaat, informeert de onderzoeksorganisatie het thematisch technology transferfonds uit het TTT-samenwerkingsverband daarover uiterlijk bij oprichting van deze kennisstarter. 9 artikel 3.22.3, eerste lid artikel 3.22.2, derde lid, onderdelen c en e De samenwerkende onderzoeksorganisaties, of het thematisch consortium, besteden ten minste een derde van het subsidiebedrag, bedoeld in, aan activiteiten als bedoeld in. 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 10-12-2024
Artikel 3.22.9 — Artikel 3.22.9 Subsidieverplichtingen thematisch technology transferfonds#
Artikel 3.22.9 Subsidieverplichtingen thematisch technology transferfonds 1 artikel 3.22.10 Het thematisch technology transferfonds boekt een deel van de inkomsten uit participaties over aan de minister, overeenkomstig het bepaalde in. 2 Het thematisch technology transferfonds verricht geen andere activiteiten dan de uitvoering van het fondsplan. 3 Het thematisch technology transferfonds doet uitsluitend vervolginvesteringen in een kennisstarter indien: a. het totale bedrag aan risicofinanciering, bedoeld in artikel 21, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden voor de desbetreffende kennisstarter; b. in de mogelijkheid van vervolginvesteringen is voorzien in het oorspronkelijke ondernemingsplan van de desbetreffende kennisstarter; c. de desbetreffende kennisstarter niet verbonden is geraakt in de zin van artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening, met een andere onderneming dan het thematisch technology transferfonds of een onafhankelijke particuliere investeerder die in het kader van artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening risicofinanciering verschaft, tenzij de nieuwe entiteit voldoet aan de definitie van kmo, bedoeld in artikel 2, onderdeel 2 en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en d. de desbetreffende kennisstarter: 1°. nog steeds niet actief is of is geweest op een markt; 2°. minder dan zeven jaar na zijn eerste commerciële verkoop actief is op een markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 40 procent bedraagt; of 3°. zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op de markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 60 procent bedraagt. 4 Het thematisch technology transferfonds stelt zeker dat het geld dat de kennisstarter verkrijgt als gevolg van een participatie niet wordt gebruikt om bestaande financiële verplichtingen te herfinancieren. 5 artikel 3.22.2, vijfde lid In de overeenkomst van geldlening, bedoeld in, kunnen verplichtingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 6 Een fondsplan van een thematisch technology transferfonds is gebaseerd op de uitgangspunten dat: a. het thematisch technology transferfonds participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk negen jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; b. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één kennisstarter wordt geïnvesteerd, ten minste € 25.000 en ten hoogste € 1.500.000 bedraagt; c. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die het thematisch technology transferfonds gedurende de investeringsperiode per kennisstarter investeert, over alle kennisstarters genomen ten hoogste € 750.000 bedraagt; d. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; e. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het eind van de fondsperiode ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijs van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; f. de participaties verkregen worden in kennisstarters waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; g. bij de beslissing van het thematisch technology transferfonds inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende kennisstarter; h. de participaties verkregen worden in kennisstarters waaraan niet eerder door een participatiemaatschappij risicokapitaal in de vorm van aandelen of een aan eigen vermogen gelijk te stellen lening is verstrekt, behoudens indien: 1°. deze participatiemaatschappij een ander thematisch technology transferfonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle thematisch technology transferfondsen gezamenlijk in de kennisstarter investeren, niet boven € 1.500.000 uitkomt; 2°. deze participatiemaatschappij, niet zijnde een thematisch technology transferfonds, een aan eigen vermogen gelijk te stellen lening voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt, voor zover het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de kennisstarter door alle participatiemaatschappijen en het thematisch technology transferfonds gezamenlijk het totale bedrag aan risicofinanciering, bedoeld in artikel 21, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet overschrijdt; 3°. deze participatiemaatschappij een informal investor is; i. de begeleidingskosten in totaal ten hoogste 10 procent bedragen van het investeringsbudget; j. artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 de fondsbeheerder geen vergoeding voor de begeleiding van kennisstarters bedingt die hoger is dan hetgeen in de markt gebruikelijk is, waarbij de betrekking in ieder geval tijdelijk is en de vergoeding berekend is op basis van een uurtarief dat gebaseerd is op het gebruikelijk loon, bedoeld in; k. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een marktconforme prestatieafhankelijke beloning verkrijgt. 7 Een thematisch technology transferfonds dient op verzoek van de Minister aan het einde van een projectjaar een overzicht in van kennisstarters waaraan risicokapitaal is verstrekt. Dit overzicht bevat ten minste de namen, KvK-nummers en postcodes van de betreffende kennisstarters. 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 2024 40277 09-12-2024 05-12-2024 WJZ/89899622 10-12-2024
Artikel 3.22.10 — Artikel 3.22.10 Vergoeding#
Artikel 3.22.10 Vergoeding 1 artikel 33, tweede lid, van het besluit De vergoeding, bedoeld in, van het thematisch technology transferfonds aan de Staat bedraagt 90 procent van de netto-inkomsten. 2 Dit percentage wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 90 procent van het investeringsbudget uitmaakt. 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 01-04-2019
Artikel 3.22.11 — Artikel 3.22.11 Modelovereenkomst#
Artikel 3.22.11 Modelovereenkomst artikel 3.22.2, vijfde lid bijlage 3.22.1 Het model voor de overeenkomst van geldlening, bedoeld in, is opgenomen in. 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 01-04-2019
Artikel 3.22.12 — Artikel 3.22.12 Staatssteun#
Artikel 3.22.12 Staatssteun 1 artikel 3.22.2, derde lid De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, bevat geen staatssteun. 2 artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel a De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 01-04-2019
Artikel 3.22.13 — Artikel 3.22.13 Voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen#
Artikel 3.22.13 Voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen 1 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat bij alle op het publiek gerichte voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen die betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteiten, duidelijk wordt gemaakt dat voor de desbetreffende activiteiten subsidie is verkregen van de minister. 2 De subsidieontvanger verleent medewerking aan voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen met betrekking tot de gesubsidieerde activiteiten door de minister of een door de minister aangewezen derde. 3 De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden tot één jaar na de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 2019 5087 01-02-2019 25-01-2019 WJZ/18203642 01-04-2019
Artikel 3.22.14 — Artikel 3.22.14 Vervaltermijn#
Artikel 3.22.14 Vervaltermijn bijlage 3.22.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 2024 37847 20-11-2024 18-11-2024 WJZ/76699956 21-11-2024
Artikel 3.23.1 — Artikel 3.23.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.23.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: eigen bijdrage: artikel 3.23.5 eigen bijdrage van de subsidieontvanger of subsidieontvangers in de subsidiabele kosten als bedoeld in; innovatieadviesdienstverklaring: verklaring van een deelnemer aan een Venture Challenge samenwerkingsverband of van een Venture Challenge startup waaruit blijkt dat subsidieverlening niet zal leiden tot overschrijding van het plafond voor innovatiediensten en diensten inzake innovatieondersteuning, bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; Venture Challenge programma: in opdracht van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek georganiseerde innovatieadviesdienst als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel 94, en 28, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bestaande uit Venture Challenge bijeenkomsten waarin de deelnemende Venture Challenge teams onder begeleiding van ervaren business coaches, andere experts en ondernemers uit de sector werken aan het opzetten of aanscherpen van het venture plan van hun al dan niet toekomstige Venture Challenge startup en dit venture plan leren presenteren; Venture Challenge samenwerkingsverband: samenwerkingsverband, bestaande uit ten minste drie natuurlijke personen, waaronder in ieder geval de persoon die die de nieuwe technische vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie heeft ontdekt, en die voornemens zijn gezamenlijk een Venture Challenge startup op te richten; Venture Challenge startup: kleine onderneming of middelgrote onderneming die: a. ten tijde van de verstrekking van de subsidie op grond van deze titel niet actief is of is geweest op een markt; en b. erop gericht is een nieuw product of proces, of nieuwe dienst op de markt te brengen, gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie, voortkomend uit wetenschappelijk onderzoek; Venture Challenge team: team van minimaal drie en maximaal vier natuurlijke personen, bestaande uit: a. de oprichter of oprichters en eventuele medewerkers of adviseurs van een Venture Challenge startup, waaronder in ieder geval de persoon die de nieuwe technische vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie heeft ontdekt; of b. de deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband; venture plan: beschrijving van de commerciële potentie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup met het oog op exploitatie van de nieuwe technische vinding of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie en het aantrekken van financiers, inhoudend in ieder geval een beschrijving van: a. het probleem; b. de unieke oplossing die het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst biedt; c. het stadium van het ontwikkelingstraject van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst; d. de financieringsbehoefte en verwachte opbrengsten van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup; e. de belangrijkste risico’s en een plan van aanpak om deze risico’s te mitigeren. 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 08-12-2021
Artikel 3.23.2 — Artikel 3.23.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.23.2 Subsidieverstrekking 1 Op aanvraag verstrekt de minister subsidie voor deelname van een Venture Challenge team aan het Venture Challenge programma aan de deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband of aan een Venture Challenge startup, dat of die erop gericht is een nieuw product of proces of een nieuwe dienst op de markt te brengen dat of die past binnen de doelstellingen van de topsector Life Sciences & Health. 2 Een nieuw product of proces of een nieuwe dienst als bedoeld in het eerste lid, is een nieuw medicijn of nieuwe therapie, een nieuw diagnosticum, een nieuw medisch hulpmiddel, dan wel een nieuwe technologie die het ontdekken, ontwikkelen of het gebruik van medicijnen, therapieën, diagnostica of medische hulpmiddelen verbetert of mogelijk maakt. 3 artikelen 22 23 van het besluit artikel 16 van het besluit artikel 3.23.7 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt, indien, na toepassing van de afwijzingsgronden, bedoeld in deenen, ten minste vijf subsidieaanvragen in aanmerking komen voor subsidie en deze aanvragen zijn ingediend gedurende de openstellingsperiode, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in. 2020 29025 03-06-2020 27-05-2020 WJZ/20145513 2020 29025 03-06-2020 27-05-2020 WJZ/20145513 09-06-2020
Artikel 3.23.3 — Artikel 3.23.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.23.3 Hoogte subsidie artikel 3.23.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bedraagt de subsidiabele kosten verminderd met de eigen bijdrage. 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 01-01-2020
Artikel 3.23.4 — Artikel 3.23.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.23.4 Subsidiabele kosten artikel 10 van het besluit In afwijking vanzijn de subsidiabele kosten alle kosten voor deelname van het Venture Challenge team aan het Venture Challenge programma, die verschuldigd zijn aan de derde die het Venture Challenge programma uitvoert. 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 01-01-2020
Artikel 3.23.5 — Artikel 3.23.5 Eigen bijdrage#
Artikel 3.23.5 Eigen bijdrage artikel 3.23.10, tweede lid, onderdeel c De eigen bijdrage wordt bepaald aan de hand van de opgave, bedoeld in, van het aantal leden van het Venture Challenge team dat deelneemt aan het Venture Challenge programma, en is vastgesteld op: a. € 2000, bij deelname van drie leden; b. € 2500, bij deelname van vier leden. 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 08-12-2021
Artikel 3.23.6 — Artikel 3.23.6 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.23.6 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 01-01-2020
Artikel 3.23.7 — Artikel 3.23.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.23.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie, indien: a. de werking van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd is middels concrete, experimentele data; b. een duidelijk concurrentievoordeel voor de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup ontbreekt; c. de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup of het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst onvoldoende commerciële potentie heeft; d. er onvoldoende vertrouwen is dat bij elke Venture Challenge bijeenkomst minimaal twee leden van het Venture Challenge team aanwezig zijn; e. een of meerdere leden van het Venture Challenge team reeds eerder met dezelfde nieuwe technologische vinding of nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie mee hebben gedaan aan het Venture Challenge programma of een voorloper daarvan, zonder dat deze technologie of nieuwe toepassing sterk verbeterd is; f. er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de leden van het Venture Challenge team de capaciteiten hebben om een succesvolle Venture Challenge startup op te bouwen. 2020 59348 11-11-2020 06-11-2020 WJZ/20268022 2020 59348 11-11-2020 06-11-2020 WJZ/20268022 03-12-2020
Artikel 3.23.8 — Artikel 3.23.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.23.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate: a. het commerciële perspectief van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst groter is; b. het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst meer vernieuwend is; c. de concurrentiepositie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup een beter perspectief heeft; d. de financieringspotentie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup groter is; e. de kwaliteit van het Venture Challenge team hoger is, gelet op de mate van complementariteit van de leden, de capaciteiten van de leden en de rolverdeling binnen het team; f. de toegevoegde waarde van deelname aan het Venture Challenge Programma voor de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup groter is. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid genoemde criteria even zwaar. 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 01-01-2020
Artikel 3.23.9 — Artikel 3.23.9 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.23.9 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidie wordt slechts aangewend ter dekking van de subsidiabele kosten van het Venture Challenge programma dat start op de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde datum. 2 Aan iedere Venture Challenge bijeenkomst nemen minimaal twee en maximaal vier leden van het Venture Challenge team deel, doch nooit meer dan opgegeven bij de subsidieaanvraag. 3 De leden van het Venture Challenge team houden de niet-openbare kennis van de andere deelnemende Venture Challenge teams, die gedeeld wordt tijdens het Venture Challenge programma, geheim. 4 Indien de subsidieontvanger een Venture Challenge startup is, zorgt deze ervoor dat het Venture Challenge team voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid. 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 08-12-2021
Artikel 3.23.10 — Artikel 3.23.10 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.23.10 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. indien een subsidieaanvraag wordt gedaan door een Venture Challenge startup: 1°. gegevens over de Venture Challenge startup, waaronder de naam van de Venture Challenge startup, de grootte van de onderneming, het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres; 2°. gegevens van de leden van het Venture Challenge team en de contactpersoon, waaronder de namen, telefoonnummers en e-mailadressen; b. indien een subsidieaanvraag wordt gedaan door deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband: 1°. gegevens over de deelnemers en de contactpersoon van de penvoerder, waaronder de namen, de namen van de organisaties waar zij werkzaam zijn, de post- en bezoekadressen, telefoonnummers en e-mailadressen; 2°. de werktitel van de toekomstige Venture Challenge startup; c. een opgave van het aantal leden van het Venture Challenge team dat zal deelnemen aan de Venture Challenge bijeenkomsten, met een minimum van drie en een maximum van vier leden; d. een applicatieformulier, inhoudende: 1°. een korte beschrijving van de verbetering die het product, proces of de nieuwe dienst beoogd te bewerkstelligen; 2°. een korte beschrijving van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst en de achterliggende wetenschap of technologie en de mate waarin de werking van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst gevalideerd is middels concrete, experimentele data; 3°. een inschatting van de markt; 4°. een beschrijving van de uniciteit van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst; 5°. een beschrijving van het Venture Challenge team, waaruit in ieder geval de achtergrond van, de motivatie van en de rolverdeling binnen het team blijkt; e. een opgave van beschikbaarheid voor een interview als bedoeld in het derde lid; f. de innovatieadviesdienstverklaring of, in geval van een Venture Challenge samenwerkingsverband, de innovatieadviesdienstverklaringen. 3 Indien dit wenselijk wordt geacht voor de beoordeling van de aanvraag, kan een interview deel uitmaken van de aanvraagprocedure. 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 2021 48629 07-12-2021 02-12-2021 WJZ/21274243 08-12-2021
Artikel 3.23.11 — Artikel 3.23.11 Staatssteun#
Artikel 3.23.11 Staatssteun artikel 3.23.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 2019 69548 18-12-2019 13-12-2019 WJZ/19097734 01-01-2020
Artikel 3.23.12 — Artikel 3.23.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.23.12 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 19235 17-06-2024 13-06-2024 WJZ/59153744 2024 19235 17-06-2024 13-06-2024 WJZ/59153744 01-01-2025
Artikel 3.24.1 — Artikel 3.24.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.24.1 Begripsbepalingen Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.2 — Artikel 3.24.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.24.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.3 — Artikel 3.24.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.24.3 Hoogte subsidie Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.3a — Artikel 3.24.3a Uurtarief#
Artikel 3.24.3a Uurtarief Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.4 — Artikel 3.24.4 Niet-subsidiabele kosten#
Artikel 3.24.4 Niet-subsidiabele kosten Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.5 — Artikel 3.24.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.24.5 Verdeling subsidieplafond Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.6 — Artikel 3.24.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.24.6 Realisatietermijn Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.7 — Artikel 3.24.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.24.7 Afwijzingsgronden Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.8 — Artikel 3.24.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.24.8 Rangschikkingscriteria Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.9 — Artikel 3.24.9 Adviescommissie#
Artikel 3.24.9 Adviescommissie Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.10 — Artikel 3.24.10 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.24.10 Verplichtingen subsidieontvanger Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.11 — Artikel 3.24.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.24.11 Informatieverplichtingen Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.12 — Artikel 3.24.12 Staatssteun#
Artikel 3.24.12 Staatssteun Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.24.13 — Artikel 3.24.13 Vervaltermijn#
Artikel 3.24.13 Vervaltermijn Vervallen 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 2020 11733 26-02-2020 20-02-2020 WJZ/19298665 01-04-2025
Artikel 3.25.1 — Artikel 3.25.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.25.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: Europees goedkeuringsbesluit: besluit van de raad van bestuur van het financieringsorgaan waarin is bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van het financieringsorgaan; Europees HPC-project: artikel 3.25.2, eerste lid project gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen op de deelgebieden betreffende HPC, bedoeld in, dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband; Europese subsidieaanvraag: aanvraag voor een Europees goedkeuringsbesluit bij het financieringsorgaan door de deelnemers in een Europees samenwerkingsverband; Europese subsidieovereenkomst: verordening (EU) 2021/695 subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 33 van, gesloten tussen het financieringsorgaan en deelnemers uit een Europees samenwerkingsverband ten behoeve van de uitvoering van een Europees HPC-project; Europees samenwerkingsverband: verordening (EU) 2021/695 een samenwerkingsverband van onafhankelijke juridische entiteiten, dat voldoet aan artikel 22, tweede lid, van; financieringsorgaan: verordening (EU) 2021/1173 verordening (EU) 2021/695 de gemeenschappelijke onderneming HPC, in de gevallen dat deze op grond van artikel 33, eerste lid, vankwalificeert als financieringsorgaan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 14, van; gemeenschappelijke onderneming HPC: verordening (EU) 2021/1173 de Gemeenschappelijke onderneming Europese high-performance computing, bedoeld in artikel 1 van; HPC: high-performance computing; juridische entiteit: verordening (EU) 2021/695 juridische entiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van; Nederlands samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde onafhankelijke juridische entiteiten, dat onderdeel uitmaakt van een Europees samenwerkingsverband; verordening (EU) 2021/695: verordening (EU) 2021/695 verordeningen (EU) nr. 1290/2013 (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking vanen(PbEU 2021, L 170); verordening (EU) 2021/1173: verordening (EU) 2021/1173 verordening (EU) 2018/1488 van de Raad van 13 juli 2021 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing en tot intrekking van(PbEU 2021, L 256; werkprogramma: verordening (EU) 2021/695 werkprogramma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 25, van. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.2 — Artikel 3.25.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.25.2 Subsidieverstrekking 1 verordening (EU) 2021/1173 De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van, op een deelgebied, opgenomen in het toepasselijke werkprogramma betreffende HPC. 2 Een Nederlands HPC-project is een deelproject of projectonderdeel van een Europees HPC-project en omvat een samenhangend geheel van activiteiten, opgenomen in een Europese subsidieovereenkomst, dat kan bestaan uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. 3 De subsidieontvanger is een in Nederland gevestigde juridische entiteit uit een Europees samenwerkingsverband, die de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, zelfstandig of in een Nederlands samenwerkingsverband uitvoert en voor het uitvoeren van deze activiteiten partij is bij een Europese subsidieovereenkomst. 4 Wet gemeenschappelijke regelingen Het derde lid is tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.3 — Artikel 3.25.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.25.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie voor een Nederlands HPC-project is gelijk aan de subsidie die door het financieringsorgaan verstrekt wordt op grond van de Europese subsidieovereenkomst. 2 De som van de totale subsidie die door de minister en het financieringsorgaan aan een Nederlands HPC-project verstrekt wordt bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.4 — Artikel 3.25.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.25.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van het Nederlandse HPC-project zoals vermeld in de Europese subsidieovereenkomst. 2 artikel 10, tweede lid, van het besluit artikel 3.25.2, eerste lid In afwijking van, kunnen onder de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, mede worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in, voor zover het financieringsorgaan hiermee heeft ingestemd in de subsidieovereenkomst. 3 artikel 11, eerste lid, van het besluit verordening (EU) 2021/695 In afwijking vanberekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese aanvraag, voor zover wordt voldaan aan de artikelen 35 en 36 van. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.5 — Artikel 3.25.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.25.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.6 — Artikel 3.25.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.25.6 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is zeven jaar na subsidieverlening. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.7 — Artikel 3.25.7 Afwijzingsgrond#
Artikel 3.25.7 Afwijzingsgrond artikel 3.25.2, eerste lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, bedoeld in, indien er geen Europese subsidieovereenkomst is gesloten. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.8 — Artikel 3.25.8 Rangschikkingscriterium#
Artikel 3.25.8 Rangschikkingscriterium artikel 3.25.2, eerste lid verordening (EU) 2021/695 verordening (EU) 2021/695 De minister rangschikt de aanvragen om subsidie betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese HPC-project, na toepassing van artikelen 28, eerste lid, en 29, tweede lid, van, hoger is gerangschikt door het evaluatiecomité, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.9 — Artikel 3.25.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.25.9 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidieverlening ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, indien van toepassing het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een verwijzing naar de passages uit de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover deze onvoldoende informatie bevat, een aanvullende omschrijving, waarin zich informatie bevindt over de werkzaamheden die door de subsidieaanvrager binnen het Europese en Nederlandse HPC-project worden uitgevoerd. 3 De aanvraag gaat vergezeld van: a. een voor openbare publicatie geschikte Nederlandse samenvatting van de projectomschrijving, inclusief de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse HPC-project; b. een financieringsplan en begroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. artikel 3.25.2, tweede lid een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in; en 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse HPC-project financiert; en c. een kopie van: 1°. het Europese goedkeuringsbesluit; en 2°. de ondertekende Europese subsidieovereenkomst. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.10 — Artikel 3.25.10 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 3.25.10 Aanvraag subsidievaststelling 1 artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse HPC-project; b. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten. 2 artikel 50, tweede lid van het besluit Onverminderd, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van de afschriften van alle tussenrapportages en het eindverslag betreffende het Europeese HPC-project, die door het Europese samenwerkingsverband verstrekt zijn aan het financieringsorgaan. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.11 — Artikel 3.25.11 Staatssteun#
Artikel 3.25.11 Staatssteun artikel 3.25.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.25.12 — Artikel 3.25.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.25.12 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 2023 20496 24-07-2023 07-07-2023 WJZ/33404344 01-10-2023
Artikel 3.26.1 — Artikel 3.26.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.26.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: geneeskundig leverancier: een in de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt die een bijdrage levert aan de ontwikkeling van producten of diensten op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden; regeneratief geneeskundige behandelmethode: behandelmethode waarbij gebruik wordt gemaakt van het vermogen van het menselijk lichaam om geheel of gedeeltelijk van een bepaald soort ziekte of letsel te genezen door het herstellen, repareren of vervangen van cellen, weefsels of organen die beschadigd zijn door de desbetreffende ziekte of het desbetreffende letsel, waaronder mede begrepen het repareren van DNA en RNA; rentemededeling: Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14/02); uitstaand saldo: artikel 3.26.11, eerste lid de som van de verschuldigde nog niet betaalde aflossing van de hoofdsom van de geldlening, eenmalige rente, de jaarlijkse basisrente en, voor zover van toepassing, de wettelijke rente, bedoeld in; wetenschappelijke instelling: een in de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die zich op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie al ten minste voor een aaneengesloten periode van vijf jaar actief bezighoudt met het uitvoeren van onderzoeksprojecten op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden, waaronder tenminste worden begrepen: a. bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek universiteiten, genoemd in onderdelen a en b van de; b. bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek academisch ziekenhuizen, genoemd in onderdeel j van de; en c. artikel 1.2, onderdeel d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd in. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.2 — Artikel 3.26.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.26.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een wetenschappelijke instelling of een geneeskundig leverancier voor het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject dat gericht is op het vergroten van de innovatiekracht van geneeskundig leveranciers en wetenschappelijke instellingen via het ontwikkelen van producten of diensten die vernieuwend zijn ten opzichte van de internationale stand van techniek op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden. 2 Een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject als bedoeld in het eerste lid omvat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. 3 Het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste: a. een wetenschappelijke instelling; en b. artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e een geneeskundig leverancier, die als penvoerder van dit samenwerkingsverband optreedt en, voor zover deze een verklaring de-minimissteun als bedoeld in, heeft overgelegd, ten behoeve van de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, geen onderneming in stand houdt die actief is in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de algemene de-minimisverordening. 4 bijlage 3.26 De subsidie aan de geneeskundig leverancier wordt verstrekt in de vorm van een geldlening, waarbij gebruik wordt gemaakt van de modelovereenkomst van geldlening, opgenomen in. 5 Er wordt slechts één aanvraag om subsidie ingediend per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.3 — Artikel 3.26.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.26.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject bedraagt: a. voor de activiteiten van een wetenschappelijke instelling: 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek; 3°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; b. voor de activiteiten van een geneeskundig leverancier: 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. 2 De subsidie bedraagt: a. artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e indien geen verklaring de-minimissteun als bedoeld in, is overgelegd door een geneeskundig leverancier uit het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert: ten hoogste € 3.000.000 per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject; b. artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e indien een verklaring de-minimissteun als bedoeld in, is overgelegd door een geneeskundig leverancier uit het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert: ten hoogste € 2.400.000 per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject of, in het geval dit bedrag zou leiden tot een bruto-subsidie-equivalent als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de algemene de-minimisverordening, die het toepasselijke de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, zou overschrijden ten hoogste een bedrag per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject dat niet zou leiden tot deze overschrijding. 3 Onverminderd het eerste en tweede lid is ten minste 50% van de totale subsidie bestemd voor de activiteiten van één of meer geneeskundig leveranciers binnen het samenwerkingsverband, dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.4 — Artikel 3.26.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.26.4 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject betrekking heeft op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 01-07-2024
Artikel 3.26.5 — Artikel 3.26.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.26.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidie. 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 01-07-2024
Artikel 3.26.6 — Artikel 3.26.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.26.6 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde regeneratief geneeskundig onderzoeksproject wordt gestart binnen uiterlijk 12 weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 01-07-2024
Artikel 3.26.7 — Artikel 3.26.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.26.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. artikel 3.26.8, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid na toepassing van, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend; b. de subsidiabele kosten minder dan € 500.000 bedragen; c. artikel 3.26.2, derde lid de te verlenen subsidie voor een subsidieaanvrager binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in, minder dan € 125.000 zou bedragen; d. artikel 3.26.2, derde lid aan het samenwerkingsverband, bedoeld in, een geneeskundig leverancier deelneemt: 1°. waaraan eerder subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject verstrekt is op grond van deze titel; of 2°. die al eerder tijdens de desbetreffende openstellingsperiode een subsidieaanvraag voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject heeft ingediend op grond van deze titel; e. de activiteiten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject niet voor ten minste 10 procent bestaan uit fundamenteel onderzoek; f. de aanvraag, voor zover de subsidieaanvraag betrekking heeft op de activiteiten van een geneeskundig leverancier, activiteiten bevat die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; of 4°. het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen en diensten; g. artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e de geneeskundig leverancier, in het geval het een geneeskundig leverancier betreft die een verklaring de-minimissteun als bedoeld in, heeft overgelegd, een onderneming in stand houdt: 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt; of 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; 3°. die zich naar het op de rentemededeling gebaseerde oordeel van de minister bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van lager dan B. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.8 — Artikel 3.26.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.26.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een aanvraag om subsidie betreffende een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. artikel 3.26.2, eerste lid het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject meer bijdraagt aan het doel, bedoeld in; b. de kwaliteit van het projectplan van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject beter is, blijkend uit: 1°. de uitwerking van de aanpak en methodiek; 2°. de wijze waarop wordt omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject; 3°. de mate van uitvoerbaarheid; c. het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert meer geschikt is om een onderzoeksproject uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen het samenwerkingsverband; 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling; 3°. de mate van samenwerking van wetenschappelijke instellingen en geneeskundig leveranciers binnen het samenwerkingsverband; d. uit een quickscan op het te ontwikkelen product of te ontwikkelen dienst, bestaande uit een vroege Health Technology Assessment, volgt dat de impact van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject op een betere beheersing van de zorgkosten groter is, blijkend uit: 1°. de bijdrage aan het publieke belang van adequate, effectieve en efficiënte gezondheidzorg op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden; en 2°. de mate waarin er extern draagvlak bestaat voor het desbetreffende onderzoeksproject bij behandelend artsen of andere relevante potentiële gebruikers van het product of de dienst; e. de commerciële haalbaarheid van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject naar verwachting groter is, blijkend uit ten minste: 1°. artikel 3.26.2, eerste lid de omstandigheid dat de geneeskundig leverancier eerder actief is geweest op het gebied van de ontwikkeling van producten of diensten die een bijdrage leveren aan, dan wel kwalificeren als, een regeneratief geneeskundige behandelmethode, in het geval deze producten of diensten op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in, ten minste klinisch getest zijn of worden op natuurlijke personen of toegepast worden bij de behandeling van patiënten; 2°. de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen producten of diensten op de Nederlandse en internationale markt; en 3°. de uitwerking en onderbouwing van de financieringsstructuur, waaronder mede begrepen de mate van zekerheid, kwaliteit en omvang van de financiering van het eigen aandeel in de kosten van het geneeskundig onderzoeksproject; f. het project zich meer richt op regeneratief geneeskundige behandelmethoden op het gebied van orgaandonatie en transplantatie. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. 3 De minister rangschikt de aanvragen om subsidie waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.9 — Artikel 3.26.9 Opschortende voorwaarde#
Artikel 3.26.9 Opschortende voorwaarde artikel 3.26.2, eerste lid De subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, bedoeld in, wordt uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, een ondertekend exemplaar van de hierbij gevoegde overeenkomst van geldlening verstrekt is aan de minister door de betrokken geneeskundig leverancier of geneeskundig leveranciers uit het samenwerkingsverband. 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 01-07-2024
Artikel 3.26.10 — Artikel 3.26.10 Verplichtingen betreffende verstrekking samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding#
Artikel 3.26.10 Verplichtingen betreffende verstrekking samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding 1 artikel 3.26.2, derde lid Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening wordt een samenwerkingsovereenkomst verstrekt aan de minister, die is gesloten tussen de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in, ten behoeve van de uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject waarin: 1°. wordt bepaald op welke wijze wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; 2°. wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden betreffende daadwerkelijke samenwerking, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en 3°. wordt gewaarborgd dat binnen het samenwerkingsverband voldaan wordt aan de Principes voor Maatschappelijk Verantwoord Licentiëren (MVL). 2 artikel 39 van het besluit Onverminderdverstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, die gebruikt kunnen worden voor het monitoren van de voortgang van het project. 3 Binnen twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling maakt de wetenschappelijke instelling de niet bedrijfsgevoelige kennis en de resultaten die met het project zijn opgedaan, inclusief de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie over de eventueel ontwikkelde producten of diensten en mogelijke bijhorende vervolgstappen voor de doorontwikkeling hiervan, ten minste éénmalig openbaar via een daarvoor geschikte conferentie, publicatie, open access-repositories dan wel gratis of opensource-software als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 01-07-2024
Artikel 3.26.11 — Artikel 3.26.11 Verplichtingen betreffende de aflossing en rentebetaling bij een geldlening#
Artikel 3.26.11 Verplichtingen betreffende de aflossing en rentebetaling bij een geldlening 1 Gedurende de looptijd van de lening is Leningnemer verplicht het volgende aan Leninggever te betalen: a. de aflossing van de hoofdsom van de geldlening; b. artikel 50 van het besluit een eenmalige rente van 15 procent over de hoofdsom van de geldlening, die niet-rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin subsidievaststelling heeft plaatsgevonden op grond van; c. bijlage 3.26 een jaarlijkse basisrente van 3 procent per jaar over de som van het verschuldigde nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de geldlening, die rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin niet voldaan is aan de bij deze rente horende betalingsverplichting uit de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van; en d. voor zover van toepassing, de bij te late betaling verschuldigde wettelijke rente. 2 bijlage 3.26 De betalingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats volgens een in de overeenkomst van geldlening vastgelegd schema, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van, doch uiterlijk binnen 14 jaar nadat de lening verstrekt is. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.12 — Artikel 3.26.12 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.26.12 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over het project, die bestaan uit een samenvatting van de projectomschrijving en een lijst met deelnemers in het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject zal uitvoeren; d. gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager een geneeskundig leverancier is; e. een verklaring de-minimissteun van een geneeskundig leverancier, indien de geneeskundig leverancier de staatssteun, die met de subsidie verleend wordt, wil rechtvaardigen op grond van de algemene de-minimisverordening. 3 De aanvraag om subsidie, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaat vergezeld van ten minste: a. een projectplan met projectomschrijving van de doelstellingen, beoogde tussenresultaten en de werkzaamheden binnen het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject; b. een financieringsplan, inclusief mijlpalenbegroting, waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. artikel 3.26.2, tweede lid de totale kosten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, inclusief een beschrijving welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in; 3°. informatie over de wijze waarop elke deelnemer in het samenwerkingsverband zijn eigen aandeel in de projectkosten financiert; c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject betrokken organisaties of personen; d. artikel 3.26.8, eerste lid, onderdeel d een quickscan op het te ontwikkelen product of te ontwikkelen dienst als bedoeld in; e. een businessplan van de desbetreffende geneeskundig leverancier dat de strategie en ontwikkelprioriteiten van de geneeskundig leverancier beschrijft en op welke termijn het met het project te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben; f. artikel 3.26.10, derde lid een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding, bedoeld in, zal plaatsvinden. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.13 — Artikel 3.26.13 Aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 3.26.13 Aanvraag tot subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. een omschrijving van de projectresultaten van het project; b. artikel 3.26.2, eerste lid een omschrijving op welke wijze het project heeft bijgedragen aan de doelen, bedoeld in; c. artikel 3.26.2, tweede lid een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten en een beschrijving welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in. 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 01-07-2024
Artikel 3.26.14 — Artikel 3.26.14 Staatssteun#
Artikel 3.26.14 Staatssteun artikel 3.26.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 3.26.2, tweede lid artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidie verstrekt is voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in, door: 1°. een wetenschappelijke instelling; of 2°. artikel 3.26,12, tweede lid, onderdeel e een geneeskundig leverancier, in het geval deze geen verklaring de-minimissteun als bedoeld in, heeft overgelegd; of b. artikel 3.26.2, tweede lid artikel 3.26,12, tweede lid, onderdeel e de Algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie verstrekt is voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in, door een geneeskundig leverancier, in het geval deze een verklaring de-minimissteun als bedoeld in, heeft overgelegd. 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 2025 39821 21-11-2025 19-11-2025 WJZ/102460654 22-11-2025
Artikel 3.26.15 — Artikel 3.26.15 Vervaltermijn#
Artikel 3.26.15 Vervaltermijn bijlage 3.26 Deze titel envervallen met ingang van 1 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 2024 15266 15-05-2024 06-05-2024 WJZ/53021640 01-07-2024
Artikel 3.27.1 — Artikel 3.27.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.27.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: Europees belangrijk project: project als bedoeld in paragraaf 3.1 van het IPCEI-steunkader dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband; Europees goedkeuringsbesluit: besluit waarin de Europese Commissie een project heeft gekwalificeerd als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang en overheidssteun voor één of meer ondernemingen die deelnemen aan het desbetreffende Europese samenwerkingsverband verenigbaar heeft verklaard met de interne markt, in de zin van artikel 107, derde lid, onderdeel b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Europees samenwerkingsverband: samenwerkingsverband dat bestaat uit ondernemingen of onderzoeksorganisaties die overeenkomstig paragraaf 3.2.1, onderdeel 16, van het IPCEI-steunkader gevestigd zijn in ten minste vier landen die lid zijn van de Europese Unie of Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens gevallen waarin de aard van een Europees belangrijk project vestiging in een kleiner aantal lidstaten rechtvaardigt; Europees matchmakingsproces: interactief multilateraal en publiek-privaat proces: a. dat door een of meerdere lidstaten van de Europese Unie geïnitieerd is en plaatsvindt tussen lidstaten van de Europese Unie, eventueel met een of meer lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie, en op vrijwillige basis participerende ondernemingen; b. dat gericht is op het tot stand brengen van een Europees belangrijk project; Europese notificatiefase: fase waarin een Nederlands belangrijk project formeel bij de Europese Commissie wordt aangemeld om een Europees goedkeuringsbesluit te krijgen; Europese pre-notificatiefase: fase waarin de Minister bij de Europese Commissie informeel een Nederlands belangrijk project onder de aandacht brengt om, voorafgaand aan een eventuele Europese notificatiefase, te verkennen of dit project in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit; financieringskloof: financieringskloof als bedoeld in paragraaf 4.1, onderdeel 33, van het IPCEI-steunkader; Nederlands belangrijk project: deelproject of projectonderdeel van een Europees belangrijk project; nul-scenario: nul-scenario als bedoeld in paragraaf 4.1, onderdeel 31, van het IPCEI-steunkader; onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader; waterstofproductie door elektrolyse: productie van waterstof door middel van elektrolyse van water op basis van hernieuwbare elektriciteit. 2023 24885 12-09-2023 01-09-2023 WJZ/34688808 2023 24885 12-09-2023 01-09-2023 WJZ/34688808 01-10-2023
Artikel 3.27.2 — Artikel 3.27.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.27.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit een Europees samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, op het gebied van: a. cloud infrastructuur en services; b. micro-elektronica en halfgeleiders; c. waterstoftechnologie; d. waterstofproductie door elektrolyse; e. waterstofimport- en opslag; of f. waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport. 2 Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, omvat een samenhangend geheel van activiteiten dat kan bestaan uit: a. onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit; b. industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderneming; c. niet-economisch industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht; d. investeringen door een middelgrote of kleine onderneming voor de aanschaf of het gebruiksklaar maken van materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging van deze onderneming, waarbij bij het gebruik van immateriële activa wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 17, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming; f. proces- en organisatie-innovatie door een onderneming. 3 Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, omvat een samenhangend geheel van activiteiten dat kan bestaan uit onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten, of infrastructuurprojecten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. 4 Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, omvat een samenhangend geheel van infrastructuurprojectactiviteiten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. 5 Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, omvat een samenhangend geheel van activiteiten dat kan bestaan uit onderzoek en ontwikkeling en de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. 6 Voor zover dit uit het Europees goedkeuringsbesluit volgt of naar het oordeel van de minister passend is, kan de subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, aan een onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, e of f, aan een onderneming, bedoeld in het derde, vierde respectievelijk vijfde lid, worden verstrekt in de vorm van: a. een subsidie met terugbetalingsverplichting; of b. een geldlening. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.3 — Artikel 3.27.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.27.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt voor een Nederlands belangrijk project: a. het in het Europees goedkeuringsbesluit opgenomen percentage van de nominale financieringskloof: 1°. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a voor zover de kosten betrekking hebben op onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in; 2°. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft; b. 100% van de subsidiabele kosten of de contante waarde van de financieringskloof, afhankelijk van welke van deze bedragen het laagst is, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e respectievelijk f, betreft; c. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming als bedoeld in; d. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming als bedoeld in; e. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming als bedoeld in; f. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel c 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economisch industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie als bedoeld in; g. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d 10% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op investeringen door een middelgrote onderneming als bedoeld in; h. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op investeringen door een kleine onderneming als bedoeld in; i. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in; j. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f 15% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming als bedoeld in; k. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op proces- en organisatie-innovatie door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in. 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen c, d en e, worden verhoogd met: a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door deze middelgrote onderneming; b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door deze kleine onderneming. 3 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, worden verhoogd met 10 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje, of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 4 De subsidie bedraagt per Nederlands belangrijk project ten hoogste het bedrag dat beschikbaar is op grond van het toepasselijke subsidieplafond en niet meer dan: a. het in het Europees goedkeuringsbesluit opgenomen maximum subsidiebedrag per subsidieaanvrager die het Nederlandse belangrijke project uitvoert: 1°. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a indien de activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in; 2°. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in, betreft; b. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c € 15.000.000 per subsidieaanvrager, voor zover de activiteiten bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming of onderzoeksorganisatie als bedoeld in; c. € 7.500.000 per subsidieaanvrager, voor zover de activiteiten bestaan uit: 1°. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c een haalbaarheidsstudie door een onderneming of onderzoeksorganisatie als bedoeld in; 2°. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d het verrichten van investeringen door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in; of 3°. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f proces- en organisatie-innovatie door een onderneming als bedoeld in; d. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e € 20.000.000 per onderzoeksinfrastructuur van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband, voor zover de activiteiten bestaan uit de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.4 — Artikel 3.27.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.27.4 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking: a. de kosten, bedoeld in de bijlage bij het IPCEI-steunkader, voor zover deze zijn opgenomen in het Europees goedkeuringsbesluit en betrekking hebben op: 1°. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in; of 2°. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in; b. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling door een onderneming als bedoeld in; c. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming als bedoeld in; d. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d de kosten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op investeringen door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in; e. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in; f. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f de kosten, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op proces- en organisatie-innovatie door een onderneming als bedoeld in. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.5 — Artikel 3.27.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.27.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 23-12-2021
Artikel 3.27.6 — Artikel 3.27.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.27.6 Start- en realisatietermijn 1 artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde Nederlands belangrijk project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening en, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie of waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in, betreft, voor 1 januari 2024. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is: a. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e respectievelijk f zeven jaar voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van cloud infrastructuur en services, micro-elektronica en halfgeleiders, waterstoftechnologie, waterstofimport en -opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport als bedoeld in; b. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d zes jaar voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in. 3 artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e respectievelijk f De minister kan de termijn, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport en -opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in, betreft, of onderdeel b, op verzoek verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend is. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.7 — Artikel 3.27.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.27.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie indien: a. artikel 3.27.2, eerste lid het project in onvoldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen, bedoeld in, blijkend uit de omstandigheid dat: 1°. het aannemelijk is dat in onvoldoende mate invulling wordt gegeven aan de doelstellingen en criteria, bedoeld in paragrafen 3.2.1, onderdelen 14, 15, 16, 18, 19 en 20, 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, en 3.3, onderdeel 26, van het IPCEI-steunkader; of 2°. artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en tweede lid na toepassing van, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend; b. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project: 1°. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, b, c, d, e respectievelijk f waarvoor niet op uiterlijk 11 juli 2021 om 18:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van cloud infrastructuur en services, 21 mei 2021 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van micro-elektronica en halfgeleiders of 22 september 2020 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van waterstoftechnologie, waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport als bedoeld in, een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de Minister op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2021, 30783, Stcrt. 2021, 20378 respectievelijk Stcrt. 2020, 40723; of 2°. dat geen onderdeel uit heeft gemaakt van een Europees matchmakingsproces; c. de subsidiabele kosten per Nederlands belangrijk project minder zouden bedragen dan € 5.000.000; d. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie of waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in: 1°. dat tijdens het toepasselijke Europees matchmakingsproces niet is ingedeeld binnen het thema technologie respectievelijk het thema decarbonisatie industrie; 2°. waarvoor de pre-notificatiefase nog niet gestart was op 31 augustus 2021; of 3°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; e. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e respectievelijk f de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in: 1°. dat tijdens het toepasselijke Europees matchmakingsproces niet is ingedeeld binnen het thema opslag en infrastructuur respectievelijk het thema mobiliteit en transport; 2°. waarvoor de Europese pre-notificatiefase nog niet gestart was op 29 april 2022 respectievelijk 1 december 2022; of 3°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; f. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in, waarvoor het door middel van een mededeling van de Europese Commissie in de pre-notificatiefase duidelijk is geworden dat het desbetreffende project niet in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit; g. de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager zou bedragen; h. in onvoldoende mate is gewaarborgd dat de uitvoering van het Europese of Nederlandse belangrijke project door de betrokken partijen in overeenstemming zal zijn met: 1°. internationale en Europese verdragen, waaronder in ieder geval de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; of 2°. Verordening (EU) 608/2013 Verordening (EU) 2016/679 Richtlijn 95/46/EG Verordening (EU) 2019/452 Richtlijn (EU) 2016/943 Richtlijn 2016/1148 het recht van de Europese Unie, waaronder in ieder geval het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PbEU 2013, L 181),van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van(algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119),van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79 I),van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PbEU 2016, L 157) envan het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PbEU 2016, L 194); i. in het geval er sprake is van een Nederlands samenwerkingsverband waaraan een onderzoeksorganisatie deelneemt, de samenwerking tussen die onderzoeksorganisatie en de overige deelnemers in het samenwerkingsverband onvoldoende evenwichtig is, blijkend uit de omstandigheid dat de onderzoeksorganisatie meer dan 65 procent van de subsidiabele kosten maakt. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.8 — Artikel 3.27.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.27.8 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een aanvraag om subsidie voor een Nederlands belangrijk project een hoger aantal punten toe naarmate: a. de kwaliteit van het projectplan van het Nederlandse belangrijke project beter is, blijkend uit: 1°. artikel 3.27.2, eerste lid een onderbouwing waaruit volgt op welke wijze de doelstellingen uit het Europese belangrijke project en bijbehorende doelstellingen van het Nederlandse belangrijke project, bedoeld in, gerealiseerd zullen worden; 2°. een beschrijving van aanpak en methodiek van het Nederlandse belangrijke project, de projectactiviteiten, de uitvoerbaarheid van het project en de omgang met risico’s en intellectuele eigendomsrechten; 3°. een overzicht van de wijze waarop monitoring plaatsvindt en welke prestatie-indicatoren hierbij gehanteerd worden; 4°. de uitwerking van het financieringsplan en de begroting, waaronder begrepen de onderbouwing van de noodzakelijkheid van de benodigde subsidie per subsidieaanvrager, de mate waarin er een financieringskloof aanwezig is en uitwerking van het nul-scenario; b. de subsidieaanvrager die het Nederlandse belangrijke project zelfstandig uitvoert dan wel het Nederlandse samenwerkingsverband dat het Nederlandse belangrijke project uitvoert meer geschikt is om een Nederlands belangrijk project uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties aanwezig zijn; 2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het Nederlands belangrijke project binnen het Nederlands en Europees samenwerkingsverband en bij andere relevante partijen; 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager of deelnemers aan het samenwerkingsverband succesvolle ervaring hebben met de uitvoering van soortgelijke projecten dan wel samen met de deelnemers in het Europese en Nederlandse samenwerkingsverband een innovatieve samenstelling vormen en kleine en middelgrote ondernemingen en startups betrekken bij de uitvoering van het project; 4°. de kwaliteit van de projectorganisaties die aanwezig zijn bij de subsidieaanvrager dan wel in het Nederlands samenwerkingsverband; 5°. de binnen het Nederlands samenwerkingsverband gemaakte afspraken en overeengekomen werkwijze; 6°. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d de mate waarin de subsidieaanvrager de financiële draagkracht heeft om bij overschrijding van de in het financieringsplan begrote kosten het Nederlandse belangrijke project voor te zetten, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in, betreft; c. het Nederlandse belangrijke project technologisch meer vooruitstrevend is en een grotere impact heeft op de economie en samenleving blijkend uit de omstandigheid dat: 1°. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek; 2°. het project naar verwachting een grotere bijdrage zal leveren aan de doelstelling van het overkoepelende Europese belangrijk project; 3°. het project naar verwachting zal zorgen voor grotere positieve overloopeffecten en toepassingsmogelijkheden voor de Europese en Nederlandse markt en samenleving, waaronder mede begrepen de verwachte bijdrage aan brede welvaart, de productiviteit en het verdienvermogen van Nederlandse ondernemingen en overige publieke belangen; 4°. het project een grotere slagingskans heeft en een blijvend effect zal hebben; d. de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, blijkend uit de hoogte van de gevraagde subsidie ten opzichte van andere financiële bijdragen aan het Nederlandse belangrijke project en de verhouding van de inzet van deze financiële middelen tot het beoogde resultaat, mede gelet op het nul-scenario van het Nederlandse belangrijke project; e. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d de hoogte van de gevraagde subsidie per megawatt waterstof output vermogen lager is, indien de aanvraag een Nederlandse belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in, betreft. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. 3 Voor de rangschikking van aanvragen om subsidie voor: a. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, b, c, e respectievelijk f een Nederlands belangrijk project op het gebied van cloud infrastructuur en services, micro-elektronica en halfgeleiders, waterstoftechnologie, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport als bedoeld inwordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen c en d, vermenigvuldigd met 2, waarna alle punten worden opgeteld; b. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in, wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a en c, vermenigvuldigd met 2 en voor het eerste lid, onderdelen d en e, vermenigvuldigd met 2,5, waarna alle punten worden opgeteld. 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.9 — Artikel 3.27.9 Verplichtingen voor onderzoeksorganisaties#
Artikel 3.27.9 Verplichtingen voor onderzoeksorganisaties 1 Indien in het Nederlandse belangrijke project niet-economisch onafhankelijk industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie wordt verricht in een Europees of Nederlands samenwerkingsverband: a. wordt voorafgaand aan de start van het Nederlandse belangrijke project een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie: 1°. uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen; en 2°. in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat: 1°. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van de activiteiten dragen; 2°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 3°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 4°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. 2 Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, in mindering worden gebracht. 3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, stemt overeen met de marktprijs indien: a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen. 4 De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. 5 Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel. 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 23-12-2021
Artikel 3.27.10 — Artikel 3.27.10 Verplichtingen betreffende de subsidiabele activiteiten van ondernemingen#
Artikel 3.27.10 Verplichtingen betreffende de subsidiabele activiteiten van ondernemingen 1 Activiteiten in het Nederlandse belangrijke project worden overeenkomstig de in het Europese goedkeuringsbesluit opgenomen verplichtingen uitgevoerd: a. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a indien de activiteiten onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering betreffen en door een onderneming als bedoeld in, worden verricht; b. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in, betreft. 2 artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f Indien in het Nederlandse belangrijke project activiteiten betreffende proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming als bedoeld in, worden verricht, worden deze projectactiviteiten door de grote onderneming uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met middelgrote en kleine ondernemingen, die ten minste 30% van de totale subsidiabele kosten dragen. 3 artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e Indien in het Nederlandse belangrijke project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in, worden verricht: a. worden deze projectactiviteiten door deze onderneming in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en b. draagt deze onderneming er zorg voor dat: 1°. de toegang tot deze onderzoeksinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt; 2°. de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel b, subonderdeel 1°, kunnen ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur hebben gefinancierd preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, indien deze toegang evenredig is aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en deze gunstigere voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.11 — Artikel 3.27.11 Verplichtingen betreffende voortgangsrapportages en kennisverspreiding#
Artikel 3.27.11 Verplichtingen betreffende voortgangsrapportages en kennisverspreiding 1 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. 2 De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het Nederlandse belangrijke project jaarlijks een voortgangsrapportage over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. 3 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 4 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 5 De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. 6 In afwijking van het tweede en derde lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde en de openbare veiligheid: a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden; of b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het tweede of derde lid. 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 23-12-2021
Artikel 3.27.12 — Artikel 3.27.12 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.27.12 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over het Nederlandse belangrijke project, die bestaan uit een samenvatting van de projectomschrijving en, voor zover van toepassing, een lijst met deelnemers aan het samenwerkingsverband dat het Nederlandse belangrijke project zal uitvoeren en de activiteiten die iedere deelnemer in het samenwerkingsverband zal verrichten; d. artikel 3.27.3, tweede lid, onderdelen a en b gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in. 2 De aanvraag gaat vergezeld van: a. een projectomschrijving van de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse belangrijke project; b. een financieringsplan en begroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. artikel 3.27.2, tweede lid de totale kosten van het Nederlandse belangrijke project, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in; 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het Europees of Nederlands samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse belangrijke project financieren; 4°. voor zover van toepassing, het nul-scenario, waaronder mede begrepen een beschrijving van de wijze van financiering voor de situatie waarin geen subsidie op grond van deze titel verstrekt zou worden; 5°. voor zover van toepassing, de aanwezige financieringskloof, waaronder, voor zover van toepassing, mede begrepen informatie over de verwachte opbrengsten gedurende de levensduur van een investering; c. artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het Nederlandse belangrijke project betrokken organisaties of personen, voor zover deze relevant zijn voor de toepassing van; d. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt. 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 23-12-2021
Artikel 3.27.13 — Artikel 3.27.13 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 3.27.13 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse belangrijke project; b. artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel a op welke wijze het Nederlandse belangrijke project heeft bijgedragen aan de doelen op de gebieden, bedoeld in; c. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten; d. artikelen 3.27.9 3.27.10 een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in deen. 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 23-12-2021
Artikel 3.27.14 — Artikel 3.27.14 Staatssteun#
Artikel 3.27.14 Staatssteun artikel 3.27.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat, met uitzondering van niet-economisch industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, van het IPCEI-steunkader: 1°. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuuractiviteiten op het gebied van milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in; 2°. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in, betreft. b. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e paragraaf 3.2.3, onderdeel 25, van het IPCEI-steunkader, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport- en opslag, bedoeld in, betreft; c. artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel f paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23 en 24, van het IPCEI-steunkader, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in, betreft; d. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderneming als bedoeld in; e. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d artikel 17 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op investeringen door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in; f. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op de bouw of upgrading van onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in; g. artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op proces- en organisatie innovatie als bedoeld in. 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 2022 30242 11-11-2022 08-11-2022 WJZ/22495674 12-11-2022
Artikel 3.27.15 — Artikel 3.27.15 Vervaltermijn#
Artikel 3.27.15 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 23 december 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 2021 50262 17-12-2021 16-12-2021 WJZ/21303634 23-12-2021
Artikel 3.28.1 — Artikel 3.28.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.28.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: alliantie voor taaltechnologieën: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake een alliantie voor taaltechnologieën zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake het beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; cybersecurity vaardigheden academie: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake het opzetten van een vaardigheden-academie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Advanced Digital Skills bestrijkt; dataruimte voor de energie-industrie: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de EU-markt voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; dataruimte voor de Green Deal: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de implementatie van een dataruimte voor de Green Deal zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; dataruimte voor de maakindustrie: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de dataruimte voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; dataruimte voor de maakindustrie (implementatie): verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de implementatie van een dataruimte voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; digitaal product-paspoort: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake ontwikkeling van een digitaal product-paspoort zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; Europese digitale-innovatiehub: verordening (EU) nr. 2021/694 Europese digitale-innovatiehub als bedoeld in artikel 2, punt 5, van, voor zover in Nederland gevestigd; gespecialiseerde Opleidingsprogramma's in Sleutelcapaciteitsgebieden: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake het ontwikkelen van gespecialiseerde Opleidingsprogramma's in Sleutelcapaciteitsgebieden zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Advanced Digital Skills bestrijkt; grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de ontwikkeling van hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; markt voor cloud-to-edge-diensten: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de EU-markt voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten, inclusief European Digital Infrastructure Consortiums, zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Deployment and Best use bestrijkt; ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid: (richtlijn (EU) 2022/2555 Verordening (EU) nr. 910/2014 Richtlijn (EU) 2018/1972 Richtlijn (EU) 2016/1148 verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de ondersteuning bij de implementatie van de NIS 2-richtlijnvan het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging vanenen tot intrekking van(PbEU 2022, L 333)) en nationale cybersecurity strategieën zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; ontwikkeling van een Citiverse; verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de ontwikkeling van een Citiverse zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; programma Digitaal Europa: verordening (EU) nr. 2021/694 programma zoals vastgesteld bij; referentie-implementaties van Europese cloud edge-diensten: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de referentie-implementaties van Europese cloud edge-diensten voor industriële Internet of Things Edge en Telecommunicatie edge zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de ingebruikname van innovatieve cybersecurity oplossingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake de Europese Cybersecurity Veerkracht, Coördinatie en Cybersecurity Ranges zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; verordening (EU) nr. 2021/694: verordening (EU) 2021/694 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PbEU 2021, L 166); versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen: verordening (EU) nr. 2021/694 project inzake het versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 vanvastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt. 2024 13826 01-05-2024 27-04-2024 WJZ/45849829 2024 13826 01-05-2024 27-04-2024 WJZ/45849829 02-05-2024
Artikel 3.28.2 — Artikel 3.28.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.28.2 Subsidieverstrekking 1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een project binnen het programma Digitaal Europa aan een in Nederland gevestigde aanvrager die voor dat project een bijdrage ontvangt van de Europese Commissie, inzake: a. de markt voor cloud-to-edge-diensten; b. een Europese digitale-innovatiehub; c. een test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie; d. een dataruimte voor de maakindustrie; e. een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten; f. de ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid; g. het toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid; h. de veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid; i. een digitaal product-paspoort; j. de ontwikkeling van een Citiverse; k. hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen; l. de implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren; m. het versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen; n. gespecialiseerde opleidingsprogramma's in sleutelcapaciteitsgebieden; o. een cybersecurity vaardigheden academie; p. ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten; q. referentie-implementaties van Europese cloud edge diensten; r. een dataruimte voor de energie-industrie; s. een dataruimte voor de maakindustrie (implementatie); t. een dataruimte voor de Green Deal; u. een alliantie voor taaltechnologieën; of v. het beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming. 2 Wet gemeenschappelijke regelingen Het eerste lid is tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de. 3 Indien de aanvrager samenwerkt in een samenwerkingsverband dat een bijdrage van de Europese Commissie ontvangt, verstrekt de Minister uitsluitend subsidie indien de aanvrager het project, waarvoor overeenkomstig het eerste lid subsidie wordt gevraagd, zal uitvoeren met deelnemers in dat samenwerkingsverband. 4 De Minister verstrekt geen subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub, indien het project dienstverlening aan overheden betreft. 2024 13826 01-05-2024 27-04-2024 WJZ/45849829 2024 13826 01-05-2024 27-04-2024 WJZ/45849829 02-05-2024
Artikel 3.28.3 — Artikel 3.28.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.28.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie voor het uitvoeren van een project, niet zijnde een project inzake een Europese digitale-innovatiehub, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. 2 De subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten. 3 artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b In afwijking van het eerste en tweede lid, bedraagt de subsidie voor een project, bedoeld in, ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekkingen hebben op experimentele ontwikkeling. 4 De subsidie bedraagt ten hoogste: a. € 200.000 voor een aanvraag inzake de markt voor cloud-to-edge-diensten; b. € 1.636.418,80 voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub; c. € 5.000.000 voor een aanvraag inzake een test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie; d. € 200.000 voor een aanvraag inzake een dataruimte voor de maakindustrie; e. € 200.000 voor een aanvraag inzake een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten; f. € 200.000 voor een aanvraag inzake de ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid; g. € 200.000 voor een aanvraag inzake het toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid; h. € 200.000 voor een aanvraag inzake de veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid; i. € 750.000 voor een aanvraag inzake een digitaal product-paspoort. 5 artikel 3.28.2, eerste lid onderdeel b In aanvulling op het derde lid bedraagt de subsidie, niet zijnde een subsidie aan een Europese digitale-innovatiehub als bedoeld in, niet meer dan de bijdrage die de Europese Commissie reeds heeft verstrekt als onderdeel van het programma Digitaal Europa. 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 30-01-2026 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
onderdeel b van het vierde lid (nieuw) van artikel 3.28.4, in
plaats van onderdeel b van het vierde lid (nieuw) van artikel 3.28.3.
Artikel 3.28.4 — Artikel 3.28.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.28.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking de subsidiabele kosten waarvoor de Europese Commissie reeds een bijdrage heeft verstrekt als onderdeel van het programma Digitaal Europa. 2 artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b Voor subsidie, bedoeld in, komen uitsluitend in aanmerking: a. de kosten, die betrekking hebben op een niet-economische activiteit; b. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel of industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; c. de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie; d. de kosten, bedoeld in artikel 27, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en e. de kosten bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 artikel 10, tweede lid, van het besluit In afwijking vankomen kosten in aanmerking voor subsidie die door de subsidieontvanger zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag voor subsidie, doch na indiening van de aanvraag voor de bijdrage van de Europese Commissie, indien de Europese Commissie de subsidieontvanger toestemming heeft verleend om het project te starten voordat de bijdrage van de Europese Commissie is vastgesteld. 4 artikel 11, eerste lid, van het besluit In afwijking vanberekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt bij de aanvraag van de bijdrage van de Europese Commissie. 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 30-01-2026 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht
vooronderdeel b van het vierde lid (nieuw) van artikel 3.28.4,
inplaats van onderdeel b van het vierde lid (nieuw) van artikel 3.28.3.
Artikel 3.28.5 — Artikel 3.28.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.28.5 Verdeling subsidieplafond 1 De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2 De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Europese Commissie vastgestelde rangschikking. 3 Indien de Europese Commissie uitsluitend samenwerkingsverbanden heeft gerangschikt, verdeelt de Minister het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de samenwerkingsverbanden, waarbij de aanvragen van de deelnemers van een samenwerkingsverband worden gerangschikt overeenkomstig de rangschikking van dat betreffende samenwerkingsverband. Indien bij deze verdeling een bedrag resteert, wordt dit verdeeld door het te verdelen over de deelnemers in het eerstvolgende gerangschikte samenwerkingsverband via een procentuele verlaging. 2022 17157 29-06-2022 23-06-2022 WJZ/22011523 2022 17157 29-06-2022 23-06-2022 WJZ/22011523 01-07-2022
Artikel 3.28.6 — Artikel 3.28.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.28.6 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is zeven jaar. 2022 26289 12-10-2022 09-10-2022 WJZ/22253634 2022 26289 12-10-2022 09-10-2022 WJZ/22253634 13-10-2022
Artikel 3.28.7 — Artikel 3.28.7 Subsidievoorwaarden#
Artikel 3.28.7 Subsidievoorwaarden 1 De subsidieverlening vindt plaats onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn verbonden aan de bijdrage van de Europese Commissie. 2 artikel 3.28.9, tweede lid De subsidieverlening voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub vindt plaats onder de voorwaarde dat de Europese digitale-innovatiehub de samenwerkingsplan, bedoeld in, naleeft. 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 30-01-2026
Artikel 3.28.7a — Artikel 3.28.7a Europese verplichtingen#
Artikel 3.28.7a Europese verplichtingen artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b De ontvanger van de subsidie, bedoeld in, draagt er zorg voor dat bij de levering van diensten aan ondernemingen de voorwaarden van hoofdstuk I en artikelen 25 en 28, van de algemene groepsvrijstellingsverordening worden nageleefd door deze ondernemingen. 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 30-01-2026
Artikel 3.28.7b — Artikel 3.28.7b Europese informatieverplichtingen#
Artikel 3.28.7b Europese informatieverplichtingen artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b De ontvanger van de subsidie, bedoeld in, verleent, op verzoek van de minister, medewerking in verband met de verplichtingen die zijn opgenomen in hoofdstuk I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en draagt er zorg voor dat hij alle maatregelen neemt om die medewerking te kunnen verlenen. 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 30-01-2026
Artikel 3.28.8 — Artikel 3.28.8 Cumulatie#
Artikel 3.28.8 Cumulatie 1 artikel 6, eerste lid, van het besluit Bijdragen van de Europese Commissie op grond van het programma Digitaal Europa blijven buiten beschouwing bij de toepassing van. 2 artikel 6, eerste lid, van het besluit Onverminderd het eerste lid blijven subsidies van bestuursorganen voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub buiten beschouwing bij de toepassing van. 2022 17157 29-06-2022 23-06-2022 WJZ/22011523 2022 17157 29-06-2022 23-06-2022 WJZ/22011523 01-07-2022
Artikel 3.28.9 — Artikel 3.28.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.28.9 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de gegevens over het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaronder: 1°. de start- en einddatum; 2°. de totale kosten; 3°. de omvang van de gevraagde subsidie en het samenwerkingsverband; 4°. een omschrijving van de subsidiabele activiteiten; en 5°. artikel 3.28.10, derde lid indien van toepassing: een voorlopige inschatting op welke wijze de staatssteun wordt gerechtvaardigd door een van de artikelen, bedoeld in; d. gegevens over de door de Europese Commissie verstrekte bijdrage voor het project, waaronder de subsidieovereenkomst; e. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Een aanvraag voor subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub bevat, onverminderd het eerste lid, ten minste een samenwerkingsplan tussen de Europese digitale-innovatiehubs die is gericht op effectieve samenwerking voor het bereiken van de doelstellingen van de subsidie en die ten minste: a. een samenwerkingsverband tussen de Europese digitale-innovatiehubs opricht; b. concrete gezamenlijke doelstellingen bevat; c. de afspraak bevat dat uitsluitend een in de overeenkomst aangewezen digitaal administratiesysteem wordt gebruikt voor het beheren van de gegevens over de diensten en van de afnemers van de diensten en voor het bijhouden van de financiële en organisatorische administratie; d. afspraken bevat over de uitwisseling van kennis en goede praktijken; e. afspraken bevat over hoe de Europese digitale-innovatiehubs elkaars diensten aanprijzen; f. de afspraak bevat om meerdere keren per jaar overleg te voeren over de samenwerking; g. afspraken bevat over de organisatie van activiteiten met meerdere Europese digitale-innovatiehubs samen. 3 De aanvraag voor subsidievaststelling bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de Minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie. 4 artikel 50, zesde lid, van het besluit artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht Met toepassing vanwordt de controleverklaring bij de aanvraag voor subsidievaststelling vervangen door een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de inbedoelde voorschriften. 5 artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag dat de aanvraag voor subsidievaststelling vergezelt als bedoeld in, is gelijk aan het eindverslag dat de subsidieontvanger voor het project heeft ingediend bij de Europese Commissie. 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 2026 2324 29-01-2026 27-01-2026 WJZ/103616749 30-01-2026
Artikel 3.28.10 — Artikel 3.28.10 Staatssteun#
Artikel 3.28.10 Staatssteun 1 artikel 3.28.2, onderdelen a, d en e tot en met h De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2 artikel 3.28.2, onderdelen b en c De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25, 27 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 artikel 3.28.2, eerste lid, onderdelen i tot en met v De subsidie, bedoeld in, voor zover deze wordt verstrekt aan een onderneming, bevat staatssteun die wordt gerechtvaardigd door de artikelen 17, 18, 25, 26, 26 bis, 27, 28, 29 of 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, of de algemene de-minimisverordening. 2024 13826 01-05-2024 27-04-2024 WJZ/45849829 2024 13826 01-05-2024 27-04-2024 WJZ/45849829 02-05-2024
Artikel 3.28.11 — Artikel 3.28.11 Vervaltermijn#
Artikel 3.28.11 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2022 17157 29-06-2022 23-06-2022 WJZ/22011523 2022 17157 29-06-2022 23-06-2022 WJZ/22011523 01-07-2022
Artikel 3.29.1 — Artikel 3.29.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 3.29.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: adviescommissie: artikel 3.29.11 commissie als bedoeld in; contextrijke infrastructuur: inspirerende leer- en werkomgeving om in te leren aangeboden vanuit de verduurzaamde PPS; innovatie van de beroepspraktijk: praktijk waarbij studenten projecten uitvoeren voor en met het bedrijfsleven en die bijdragen aan innovatievraagstukken met als doel om oplossingen aan te dragen die bij ondernemingen kunnen worden geïmplementeerd; loonverletkosten: loonkosten voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever; ondernemersvereniging: vereniging van ondernemers die krachtens haar statuten de gemeenschappelijke belangen behartigt van de aangesloten ondernemers; onderwijsinstelling: artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek instelling als bedoeld inof als bedoeld in, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; project: artikel 3.29.2 project als bedoeld in, waarvoor op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt; verduurzaamde PPS: artikel 3.29.3 verduurzaamde publiek-private samenwerking als bedoeld in. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.2 — Artikel 3.29.2 Subsidieverstrekking en voorschot#
Artikel 3.29.2 Subsidieverstrekking en voorschot 1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderwijsinstelling die verbonden is aan een verduurzaamde PPS of aan deelnemers van een verduurzaamde PPS voor een project, dat bestaat uit activiteiten die bijdragen aan een betere aansluiting van het onderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt door middel van of door in te zetten op: a. versterking van ketens en ecosystemen; b. talentontwikkeling van aankomende en huidige werknemers; c. een leven lang leren voor werknemers en werkzoekenden; d. innovatie van de beroepspraktijk; of e. een contextrijke infrastructuur. 2 Het project is ten minste gericht op klimaat- en energietransitie of digitale transitie. 3 De Minister verstrekt ambtshalve jaarlijks een voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 4 De hoogte van het voorschot bedraagt in het eerste en tweede jaar 27 procent van de maximale hoogte van de subsidie en in het derde en vierde jaar 23 procent. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.3 — Artikel 3.29.3 Verduurzaamde PPS#
Artikel 3.29.3 Verduurzaamde PPS 1 Bij de uitvoering van het project werken onderwijsinstellingen en ondernemingen samen in een verduurzaamde PPS, die ten minste bestaat uit: a. Wet voortgezet onderwijs 2020 een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de; b. artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in; c. Wet educatie en beroepsonderwijs een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de; d. twee ondernemersverenigingen die elk ten minste 25 ondernemingen vertegenwoordigen. 2 De partijen in de verduurzaamde PPS hebben een stevig trackrecord en gezamenlijk een jaarlijks bereik van ten minste: a. 100 werknemers; b. 500 studenten; en c. 30 docenten of onderzoekers. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.4 — Artikel 3.29.4 Hoogte subsidie#
Artikel 3.29.4 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten en is per aanvraag minimaal € 4 miljoen en maximaal € 9 miljoen. 2 De verhouding subsidie ten opzichte van de totale kosten van het project bedraagt maximaal 42 procent. 3 Ten minste 33 procent van de totale kosten van het project wordt gedragen door private partijen in de verduurzaamde PPS, niet zijnde de onderwijsinstellingen. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.5 — Artikel 3.29.5 Uurtarief#
Artikel 3.29.5 Uurtarief 1 artikel 3.1.1 artikelen 13, tweede lid 14, van het besluit In afwijking vanbedraagt het uurtarief, bedoeld in de, en, voor deze titel € 80. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de urenbijdrage van alle deelnemers aan het project. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.6 — Artikel 3.29.6 Niet-subsidiabele kosten#
Artikel 3.29.6 Niet-subsidiabele kosten Voor subsidie komen niet in aanmerking: a. Wet educatie en beroepsonderwijs Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kosten van reguliere activiteiten van de onderwijsinstelling die op grond van deof degefinancierd worden; b. kosten voor economische activiteiten; c. kosten van een onderneming voor de begeleiding van studenten of werknemers gedurende de beroepspraktijkvorming, beroepsbegeleidende leerweg, duale leerroute of stage en daarbij verstrekte vergoedingen aan studenten; d. kosten die een onderneming betaalt aan een onderwijsinstelling voor het afnemen van opleidingsactiviteiten of contractonderzoek; e. loonverletkosten. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.7 — Artikel 3.29.7 Informatieverplichting#
Artikel 3.29.7 Informatieverplichting 1 De aanvraag om subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager of aanvragers, waaronder het post- en bezoekadres en het rekeningnummer van de aanvrager of aanvragers; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager of aanvragers, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. indien van toepassing: gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; d. een regiovisie; e. een nulmeting; f. een plan van aanpak; g. een begroting; h. een samenwerkingsovereenkomst; i. artikel 3.29.12 een faseplan als bedoeld in; j. een schriftelijke adhesiebetuiging van een provincie; en k. een publieksvriendelijke samenvatting van het plan van aanpak. 2 De regiovisie bevat: a. een beschrijving van de regio waarop de subsidiabele activiteit is gericht; b. een analyse van de kwalitatieve en kwantitatieve vraag van de arbeidsmarkt naar gediplomeerden waar de activiteiten van de verduurzaamde PPS zich op richten; c. een overzicht van de relevante partijen in de regio en in de betreffende sector; d. een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op de regionale en sectorale agenda’s ten aanzien van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt die relevant zijn voor de verduurzaamde PPS; en e. een beschrijving van de afstemming met andere relevante partijen in de regio en in de betreffende sector die niet deelnemen aan de publiek private samenwerking. 3 De nulmeting bevat een beschrijving van de situatie bij de startdatum van de uitvoering van de het project. 4 Het plan van aanpak bevat: a. een beschrijving van het project en de daarmee beoogde doelstellingen in relatie tot de analyse uit de regiovisie; b. een planning over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd; c. de wijze waarop de aanvrager de partijen uit de verduurzaamde PPS betrekt bij de uitvoering van het project; en d. de wijze waarop de aanvrager of aanvragers het project na de subsidieperiode structureel inbedt en continueert binnen de verduurzaamde PPS. 5 De begroting bevat: a. een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting; b. een overzicht van de financiële bijdrage en overige bijdragen in natura van de partijen uit de verduurzaamde PPS, waarbij voor de gehele projectperiode is aangegeven waaruit die bestaat en hoe deze verdeeld is over de partijen uit het samenwerkingsverband. 6 De samenwerkingsovereenkomst is door de deelnemende partijen ondertekend en bevat ten minste afspraken over: a. de aard en de omvang van de verduurzaamde PPS en de verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden van de deelnemende partijen; b. de organisatie van periodiek overleg over de voortgang, financiering, monitoring en evaluatie van het project en de verslaglegging ervan; c. een analyse van de risico’s van de verduurzaamde PPS en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risico’s worden aangepakt; d. de wijze waarop de voortgang van de verduurzaamde PPS door het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd; e. de voortzetting van het samenwerkingsverband na afloop van het project; f. dat de partijen op verzoek van de subsidieontvanger meewerken aan rapportages en gegevens aanleveren die daarvoor noodzakelijk zijn. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.8 — Artikel 3.29.8 Realisatietermijn#
Artikel 3.29.8 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2 Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk bij aanvang van het school-, leer- of studiejaar 2023–2024 gestart. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.9 — Artikel 3.29.9 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.29.9 Verdeling subsidieplafond De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.10 — Artikel 3.29.10 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.29.10 Rangschikkingscriteria 1 De Minister kent een aanvraag om subsidie een hoger aantal punten toe naarmate: a. de regionale impact, uitgedrukt in procenten, groter is ten opzichte van de bestaande situatie, blijkend uit: 1°. artikel 3.29.7, tweede lid de kwaliteit van de regiovisie, bedoeld in; 2°. de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik voor ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten ten opzichte van de nulmeting; b. de samenwerking en het draagvlak geschikter is om de doelen van het project te kunnen behalen, blijkend uit: 1°. de samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld; 2°. het draagvlak voor het project bij interne en externe stakeholders; c. artikel 3.29.7, vierde lid de kwaliteit van het plan van aanpak, bedoeld in, groter is, door de inzichtelijkheid van de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het project, blijkend uit: 1°. het trackrecord van de verduurzaamde PPS; 2°. de wijze waarop de projectorganisatie is vormgegeven; 3°. de realiteitszin van doelstellingen en activiteitenplanning; 4°. dat op het niveau van het project aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie; d. artikel 3.29.7, vijfde lid de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, waarbij uit de begroting, bedoeld in, blijkt dat het project op een zo kostenefficiënt mogelijke manier wordt uitgevoerd; e. artikel 3.29.7, vierde lid er voldoende aandacht is voor de verduurzaming van de activiteiten, blijkend uit de wijze waarop invulling is gegeven aan, onderdeel d, en zesde lid, onderdeel e. 2 De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. De Minister wijst een aanvraag af als niet elk onderdeel ten minste zes punten toegekend heeft gekregen. 3 De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend. 4 bijlage 3.29.1 De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgewerkt in een beoordelingskader, dat alsbij deze regeling is gevoegd. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.11 — Artikel 3.29.11 Adviescommissie#
Artikel 3.29.11 Adviescommissie 1 artikelen 22 23 van het besluit artikel 3.29.10 Er is een adviescommissie die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in deenen de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden. 3 Als de commissie uit een even aantal leden bestaat, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem. 4 De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar. 5 De adviescommissie beoordeelt alleen aanvragen die volledig zijn. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.12 — Artikel 3.29.12 Faseplan#
Artikel 3.29.12 Faseplan 1 De subsidieontvanger stelt voor elke twee jaar van de looptijd van het plan van aanpak een faseplan op dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten, inclusief het bereik van die activiteiten, die gedurende de desbetreffende jaren worden verricht ter uitvoering van het plan van aanpak, onder vermelding van de desbetreffende kosten. 2 Het faseplan wordt uiterlijk in mei voor de start van het desbetreffende school-, leer- of studiejaar ingediend. Het faseplan voor de eerste twee jaar wordt bij de aanvraag ingediend. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.13 — Artikel 3.29.13 Voortgangsrapportage#
Artikel 3.29.13 Voortgangsrapportage 1 De subsidieontvanger dient op een in de beschikking vastgelegde datum een voortgangsrapportage in. 2 De voortgangsrapportage bevat in ieder geval: a. artikel 3.29.2 een overzicht van de mate waarin de activiteiten, bedoeld in, zijn gerealiseerd; b. een overzicht van het bereikte aantal ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten; c. artikel 3.29.10, eerste lid, onderdeel a een beschrijving van de mate waarin de activiteiten tot dusver hebben bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen van het project, bedoeld in, en de voortgang daarvan; d. een actualisatie van de wijze waarop de verduurzaamde publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.14 — Artikel 3.29.14 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.29.14 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de subsidieontvanger naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verricht. 2 De activiteiten bevoordelen geen individuele ondernemingen. 3 De subsidieontvanger maakt alle resultaten van activiteiten voor een ieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk. 4 De administratie wordt ten minste tien jaar na de datum van de betaling van de Minister aan de subsidieontvanger bewaard. 5 De verduurzaamde PPS is een open netwerk, inhoudende in ieder geval dat geïnteresseerde partijen in de regio zich, onder transparante en redelijke voorwaarden, bij de verduurzaamde PPS kunnen aansluiten. 6 De subsidieontvanger verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven. 7 De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de effecten en resultaten van de subsidiabele activiteit. 8 De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.15 — Artikel 3.29.15 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 3.29.15 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. een omschrijving van de resultaten van het project; b. artikel 3.29.10, eerste lid, onderdeel a een beschrijving op welke wijze de doelstellingen van het project, bedoeld in, zijn behaald; c. artikel 3.29.2, eerste lid een beschrijving op welke wijze het project heeft bijgedragen aan de doelen op de gebieden, bedoeld in; d. een overzicht van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten; e. artikel 3.29.14 een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.16 — Artikel 3.29.16 Staatssteun#
Artikel 3.29.16 Staatssteun Deze regeling bevat geen staatssteun. 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 2023 8430 15-03-2023 13-03-2023 WJZ/25789824 20-03-2023
Artikel 3.29.17 — Artikel 3.29.17 Vervaltermijn#
Artikel 3.29.17 Vervaltermijn bijlage 3.29.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 september 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2023 8793 21-03-2023 17-03-2023 WJZ/26659443 2023 8793 21-03-2023 17-03-2023 WJZ/26659443 22-03-2023 20-03-2023
Artikel 3.30.1 — Artikel 3.30.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.30.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: Circular Plastics NL-project: bijlage 3.30.1 samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden en passen binnen een inopgenomen onderwerp, waarbij die activiteiten gericht zijn op het bevorderen van recycling van plastic afval dat anders verbrand of gestort zou worden of op een minder milieuvriendelijke wijze verwerkt zou worden; Circular Plastics NL-onderzoeksproject: Circular Plastics NL-project dat gericht is op onderzoek naar of ontwikkeling van processen, methodieken of technieken gericht op het verbeteren van ontwerp van materialen of producten; of gericht op het karakteriseren, sorteren en wassen van plasticafvalstromen of gericht op processen voor omzetting van plasticafvalstromen tot nieuwe grondstoffen om de efficiëntie van de recycling en de kwaliteit van het recyclaat te verhogen; Circular Plastics NL-showcase: Circular Plastics NL-project gericht op het signaleren en wegnemen van knelpunten in een waardeketen van een materiaalstroom in een bepaalde (product)keten; CPNL-demonstratieproject: een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland, eventueel gecombineerd met experimentele ontwikkeling in een andere vorm dan een pilot; demonstratieproject: project als bedoeld in artikel 2, onderdeel 114 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten; overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties: overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; overige projectactiviteiten: activiteiten die bijdragen aan het doel van een Circular Plastics NL-project, bestaande uit brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; waardeketen: opeenvolging van activiteiten waarbij in elke schakel van het proces een waardetoevoegende activiteit plaatsvindt. 2025 6110 18-02-2025 15-02-2025 WJZ/96615303 2025 6110 18-02-2025 15-02-2025 WJZ/96615303 19-02-2025
Artikel 3.30.2 — Artikel 3.30.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.30.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag aan een deelnemer in een samenwerkingsverband een subsidie voor het uitvoeren van een Circular Plastics NL-project. 2 Een samenwerkingsverband bevat ten minste één onderneming. 2024 41457 18-12-2024 13-12-2024 WJZ/87191350 2024 41457 18-12-2024 13-12-2024 WJZ/87191350 19-12-2024
Artikel 3.30.3 — Artikel 3.30.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.30.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt voor een Circular Plastics NL-project: a. 50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. 25% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groesvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; c. 40% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een investering ten behoeve van hulpbronnenefficiëntie en een circulaire economie; d. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties; e. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisatie met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject; f. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten, met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject. 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, worden verhoogd met: a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. 3 bijlage 3.30.1 De subsidie voor een Circular Plastics NL-project opgenomen inbedraagt ten hoogste: a. € 1.500.000,– voor een onderzoeksproject; b. € 7.500.000,– voor een showcase. 4 Onverminderd het derde en vierde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening. 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 04-04-2026
Artikel 3.30.4 — Artikel 3.30.4 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.30.4 Verdeling van het subsidieplafond 1 De Minister verdeelt het subsidieplafond: a. voor de groep Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten op volgorde van rangschikking van de aanvragen binnen de hiervoor bedoelde groep; b. voor de groep Circular Plastics NL-showcase projecten op volgorde van rangschikking van de aanvragen binnen de hiervoor bedoelde groep. 2 Per groep als bedoeld in het eerste lid wordt per onderwerp uit de desbetreffende groep subsidie verstrekt aan de hoogst gerangschikte aanvraag van het betreffende onderwerp. 3 Indien na de toepassing van het tweede lid er binnen de groep Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten of binnen de groep Circular Plastics NL-showcase projecten bedragen overblijven, worden die verdeeld op volgorde van rangschikking van de resterende aanvragen binnen de desbetreffende groep ongeacht het onderwerp. 4 Indien na de toepassing van het derde lid bedragen overblijven in één of in beide groepen, worden die, indien van toepassing na optelling van die bedragen, verdeeld op volgorde van rangschikking over de resterende aanvragen ongeacht uit welke groep en ongeacht het onderwerp. 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 04-04-2026
Artikel 3.30.5 — Artikel 3.30.5 Realisatietermijn#
Artikel 3.30.5 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is 4 jaar voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject en 5 jaar voor een Circular Plastics NL-showcase. 2023 27218 10-10-2023 09-10-2023 WJZ/36803965 2023 27218 10-10-2023 09-10-2023 WJZ/36803965 11-10-2023
Artikel 3.30.6 — Artikel 3.30.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.30.6 Afwijzingsgronden artikel 3.30.7, eerste en tweede lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van, niet aan elk criterium ten minste drie punten is toegekend. 2023 27218 10-10-2023 09-10-2023 WJZ/36803965 2023 27218 10-10-2023 09-10-2023 WJZ/36803965 11-10-2023
Artikel 3.30.7 — Artikel 3.30.7 Rangschikkingscriteria#
Artikel 3.30.7 Rangschikkingscriteria 1 De Minister kent een Circular Plastics NL-project een hoger aantal punten toe, naarmate: a. bijlage 3.30.1. het Circular Plastics NL-project meer bijdraagt aan de doelstellingen van de subsidie, opgenomen in; b. het Circular Plastics NL-onderzoeksproject of de Circular Plastics NL-showcase zonder onderdeel investering vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en het de Nederlandse kennispositie meer versterkt en het CPNL-demonstratieproject vernieuwender is ten opzichte van de Nederlandse stand van onderzoek of techniek en het de Nederlandse kennispositie meer versterkt; c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is; d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, het plan voor kennisverspreiding en de projectorganisatie; e. de kwaliteit van het samenwerkingsverband beter is. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, d en e vermenigvuldigd met 20, voor het onderdeel b voor een Circular Plastics NL-showcase vermenigvuldigd met 10 en voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject vermenigvuldigd met 30, voor het onderdeel c voor een Circular Plastics NL-showcase vermenigvuldigd met 30 en voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject vermenigvuldigd met 10, en vervolgens opgeteld. 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 04-04-2026
Artikel 3.30.8 — Artikel 3.30.8 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.30.8 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidieverlening: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres, c. een projectomschrijving die de kerngegevens over het Circular Plastics NL-project bevat; d. een begroting en financieringsplan waaruit in ieder geval de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren blijkt; e. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding en kennisdeling met de Stichting Circular Plastics NL en met partners in het Nationaal Groeifonds programma Circular Plastics NL plaatsvindt; f. een formulier waarin de deelnemers de penvoerder machtigen voor het indienen van de aanvraag; g. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert; h. voor zover het een aanvraag betreft van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze subsidiabele activiteiten uitvoert; i. voor zover het project investeringen voor een demonstratieproject bevat, een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van de Circular Plastics NL-showcase; j. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema. 3 De subsidieontvanger verstrekt de minister gedurende de looptijd van het Circular Plastics NL-project jaarlijks een voortgangsrapportage. 4 artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in, bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling. 5 Tegelijk met de aanvraag tot subsidievaststelling voor een Circular Plastics NL-project geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag ten minste inzicht in de vervolgstappen die na afloop van het project worden gezet om te komen tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht of ontwikkeld is. 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 04-04-2026
Artikel 3.30.8a — Artikel 3.30.8a verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.30.8a verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 3.30.2, eerste lid De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie in het kader van het NGF-programma CPNL van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 3 artikel 3.30.8., derde lid De voortgangsrapportage, bedoeld in, kan de minister gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het Circular Plastics NL-project worden opgedaan. 4 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het Circular Plastics NL-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 5 Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het Circular Plastics NL-project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 04-04-2026
Artikel 3.30.9 — Artikel 3.30.9 Staatssteun#
Artikel 3.30.9 Staatssteun artikel 3.30.2 De subsidie, bedoeld in, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. de artikelen 25 en 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen; c. de algemene de-minimisverordening, voor zover het een aanvraag betreft van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 2026 13042 03-04-2026 28-03-2026 WJZ/103913630 04-04-2026
Artikel 3.30.10 — Artikel 3.30.10 Horizonbepaling#
Artikel 3.30.10 Horizonbepaling bijlage 3.30.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 september 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2023 27218 10-10-2023 09-10-2023 WJZ/36803965 2023 27218 10-10-2023 09-10-2023 WJZ/36803965 11-10-2023
Artikel 3.31.1 — Artikel 3.31.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.31.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: batterij: een elektrochemisch systeem dat energie opslaat en kan terug leveren als elektrische energie; het betreft alleen secundaire – opnieuw oplaadbare – batterijen, zonder verdere afbakening van hun chemische samenstelling; Circular Batteries-project: bijlage 3.31.1 samenhangend geheel van activiteiten behorende bij een onderwerp, omschreven in, waarbij partijen die onderdeel zijn van eenzelfde Circular Batteries-project tezamen de rollen vervullen die benoemd zijn in bijlage 3.31.1; NGF-programma MICB: het Nationaal Groeifondsprogramma Material Independence and Circular Batteries, waaraan door het kabinet op 30 juni 2023 budget is toegekend, dan wel waarvoor budget is gereserveerd, zoals opgenomen in Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 812; niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten; overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties: overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit de brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; overige projectactiviteiten: activiteiten die bijdragen aan het doel van een Circular Batteries-project, niet zijnde fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.2 — Artikel 3.31.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 3.31.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag aan een deelnemer in een samenwerkingsverband een subsidie voor het uitvoeren van een Circular Batteries-project. 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit: a. subsidieontvangers die activiteiten voor een project uitvoeren; of b. een subsidieontvanger of subsidieontvangers als bedoeld in onderdeel a, en partijen: 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico, activiteiten voor een project uitvoeren; of 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project. 3 Een samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat ten minste: a. één onderzoeksorganisatie en één onderneming; of b. twee ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.3 — Artikel 3.31.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.31.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt voor een Circular Batteries-project: a. voor zover de activiteiten worden uitgevoerd door een onderneming: 1°. 50 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; 2°. 25 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 3°. 100 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten; b. 80 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties; c. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten of op overige projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties. 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, worden verhoogd met: met dien verstande dat de percentages niet meer bedragen dan 80 procent van de subsidiabele kosten. a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; c. 15 procentpunten, indien het Circular Batteries-project daadwerkelijke samenwerking behelst tussen een onderneming en één of meer onderzoeksorganisaties, waarbij deze organisaties ten minste 10 procent van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; 3 De subsidie voor een Circular Batteries-project bedraagt ten hoogste het bedrag van het subsidieplafond dat geldt voor het onderwerp waaronder het project valt. 4 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband per Circular Batteries-project meer bedraagt dan het maximum subsidiebedrag, bedoeld in het derde lid, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 5 De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten minste € 125.000. 6 De subsidie voor overige projectactiviteiten bedraagt ten hoogste 5 procent van de totale subsidiabele kosten van het Circular Batteries-project, en niet meer dan € 300.000 per deelnemer van een samenwerkingsverband. 7 Onverminderd het zesde lid, bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.4 — Artikel 3.31.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.31.4 Subsidiabele kosten 1 Voor projectactiviteiten die bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor subsidie in aanmerking, voor zover de activiteiten nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten. 2 Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten voor activiteiten, voor zover eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor soortgelijke activiteiten. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.5 — Artikel 3.31.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 3.31.5 Verdeling van het subsidieplafond bijlage 3.31.1 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen per onderwerp opgenomen in. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.6 — Artikel 3.31.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 3.31.6 Start- en realisatietermijn 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.7 — Artikel 3.31.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.31.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. artikel 3.1.1 de aanvrager voornemens is het eigen aandeel in de projectkosten te financieren uit het deel van de aangevraagde subsidie voor subsidiabele kosten, waarvoor het uurtarief, bedoeld in, wordt gehanteerd; b. de kwaliteit van Circular Batteries-project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij onvoldoende is, waarbij onder de Nederlandse markt en maatschappij ook wordt verstaan de markt en maatschappij van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; d. sprake is van activiteiten die vallen onder artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en er onvoldoende sprake is van vernieuwing, blijkende uit een vernieuwende technologie of een vernieuwende toepassing van een bestaande technologie; e. het plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, van onvoldoende kwaliteit is. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.8 — Artikel 3.31.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.31.8 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 3.31.2, eerste lid De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie in het kader van het NGF-programma MICB van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 3 De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het Circular Batteries-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het Circular Batteries-project worden opgedaan. 4 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het Circular Batteries-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 5 Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het Circular Batteries-project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken. 6 artikel 3.31.2, tweede lid Voor elk samenwerkingsverband als bedoeld in, dient een samenwerkingsovereenkomst te worden overlegd aan de minister. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.9 — Artikel 3.31.9 Informatieverplichtingen subsidieaanvraag#
Artikel 3.31.9 Informatieverplichtingen subsidieaanvraag 1 Een aanvraag om subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een projectplan met de kerngegevens over het Circular Batteries-project; d. een begroting en een mijlpalenbegroting, waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie, de verwachte kosten en opbrengsten van de activiteiten per mijlpaal; 2°. de kosten en de financiële bijdrage per deelnemer; 3°. andere inkomsten, waaronder subsidies uit anderen hoofde, waarmee de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, worden gefinancierd en waarin een financieringsplan is opgenomen waaruit in ieder geval de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren blijkt; e. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt; f. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming van het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert. 2 Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. een omschrijving van de activiteiten en een mijlpalenplanning en een omschrijving van de activiteiten en een mijlpalenplanning per deelnemer; b. een beschrijving van de deelnemers, waaronder de kennis, ervaring en capaciteiten van henzelf en van andere bij de uitvoering van de activiteiten betrokken partijen, voor zover die relevant is om de kwaliteit van de deelnemers te kunnen beoordelen. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.10 — Artikel 3.31.10 Staatssteun#
Artikel 3.31.10 Staatssteun artikel 3.31.2 De subsidie, bedoeld in, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.31.11 — Artikel 3.31.11 Vervaltermijn#
Artikel 3.31.11 Vervaltermijn titel bijlage 3.31.1 Dezeenvervallen met ingang van 8 november 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 2024 36826 13-11-2024 09-11-2024 WJZ/89707893 14-11-2024
Artikel 3.32.1 — Artikel 3.32.1 Begripsbepalingen#
Artikel 3.32.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: BioBased Circular-testproject: een project, dat bestaat uit het voorbereiden en uitvoeren van een praktijktest gericht op het onderzoeken van: a. de bioraffinage van suikers uit een of meerdere biogrondstoffen, voor omzetting in bouwstenen voor bestaande of nieuwe biogebaseerde polyesters; b. processen voor de productie van biogebaseerde polyesters uit bouwstenen als bedoeld in onderdeel a; c. de eigenschappen en prestaties van de biogebaseerde polyesters voor een beoogde verwerkingsmethode of toepassing in producten; d. de functionele, technische aspecten of de marktacceptatie van een eigen product gemaakt van biogebaseerde polyesters; of e. de mate waarin producten gemaakt van biogebaseerde polyesters recyclebaar of bioafbreekbaar zijn; biogebaseerde polyesters: polyester kunststoffen gemaakt uit biogrondstoffen, waaronder bioPET, PEF, PLA, PHA en polyesterharsen en coatings; biogrondstoffen: grondstoffen van plantaardige, dierlijke of microbiologische herkomst. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.2 — Artikel 3.32.2 Aanvrager#
Artikel 3.32.2 Aanvrager Subsidie op grond van deze titel kan worden aangevraagd door een onderneming actief in een circulaire waardeketen voor het uitvoeren van een BioBased Circular-testproject. 2026 6969 18-02-2026 13-02-2026 WJZ/104113298 2026 6969 18-02-2026 13-02-2026 WJZ/104113298 19-02-2026
Artikel 3.32.3 — Artikel 3.32.3 Hoogte subsidie#
Artikel 3.32.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten. 2 De subsidie bedraagt ten hoogste € 25.000. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.4 — Artikel 3.32.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 3.32.4 Subsidiabele kosten 1 Voor de subsidie komen in aanmerking de kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van een BioBased Circular-testproject. 2 Voor de subsidie komen niet in aanmerking: a. kosten voor marketing- en salesactiviteiten; b. kosten van opleidingen. 3 artikel 11, eerste lid, van het besluit artikel 14 van het besluit artikel 3.32.2 In afwijking vanworden de kosten voor activiteiten als bedoeld in, berekend overeenkomstig. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.5 — Artikel 3.32.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 3.32.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.6 — Artikel 3.32.6 Realisatietermijn#
Artikel 3.32.6 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld inis één jaar. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.7 — Artikel 3.32.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 3.32.7 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. het BioBased Circular-testproject voor meer dan 50% van de subsidiabele kosten betrekking heeft op bureauonderzoek; b. op grond van deze titel in dezelfde openstellingsperiode reeds tweemaal subsidie is verleend aan de subsidieaanvrager; c. Tijdelijke subsidieregeling omschakeling naar verwerking circulaire plastics aan de subsidieaanvrager voor hetzelfde project subsidie is verleend op grond van de; d. aan de subsidieaanvrager of aan een onderneming in dezelfde groep voor hetzelfde project subsidie is verleend op grond van deze titel. 2026 6969 18-02-2026 13-02-2026 WJZ/104113298 2026 6969 18-02-2026 13-02-2026 WJZ/104113298 19-02-2026
Artikel 3.32.8 — Artikel 3.32.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 3.32.8 Verplichtingen subsidieontvanger 1 Indien de subsidieontvanger opdrachten verleent aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, vindt dit plaats op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven. 2 De subsidieontvanger neemt de resultaten van het BioBased Circular-testproject op in een testverslag. 3 Het testverslag bevat ten minste de volgende gegevens: a. projecttitel en projectperiode; b. datum uitvoering van de praktijktest; c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde praktijktest inclusief resultaten, inzichten en conclusie; d. beeldmateriaal waaruit blijkt dat de praktijktest is uitgevoerd. 3 Het testverslag bedoeld in het tweede lid, blijft beschikbaar gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.9 — Artikel 3.32.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 3.32.9 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager en het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de functie, de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. 2 De aanvraag gaat vergezeld van: a. een projectplan; b. een begroting; c. een of meerdere op de datum van de subsidieaanvraag geldige offertes die betrekking hebben op de kosten van het BioBased Circular-testproject, indien de subsidieontvanger opdrachten verleent aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan. 3 Het projectplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in ieder geval de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de doelstellingen van het project, de start- en einddatum van het project en een beschrijving van de projectorganisatie. 4 De begroting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat ten minste een overzicht van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten en de omvang van de gevraagde subsidie. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.10 — Artikel 3.32.10 Subsidievaststelling#
Artikel 3.32.10 Subsidievaststelling 1 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. 2 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht en de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.11 — Artikel 3.32.11 Staatssteun#
Artikel 3.32.11 Staatssteun Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 3.32.12 — Artikel 3.32.12 Vervaltermijn#
Artikel 3.32.12 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 15 februari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 2025 7026 24-02-2025 21-02-2025 WJZ/97153202 25-02-2025
Artikel 4.1.1 — Artikel 4.1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.1.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: milieubescherming: milieubescherming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 101, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties: fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten; ondernemer in de landbouwsector: ondernemer die activiteiten verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de bosbouwsector; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader, bestaande uit: a. a, b, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ondergenoemde instelling voor hoger onderwijs; b. andere dan onder subonderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk meerjarig door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; c. geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel a; of d. geheel of gedeeltelijk door een andere staat meerjarig gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel b. 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 01-01-2025
Artikel 4.1.2 — Artikel 4.1.2 Berekening van de kosten#
Artikel 4.1.2 Berekening van de kosten Vervallen 2016 22170 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16051719 2016 22170 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16051719 01-07-2016
Artikel 4.1.3 — Artikel 4.1.3 Uurtarief#
Artikel 4.1.3 Uurtarief artikel 13, tweede lid 14 van het besluit Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in, en, € 60. 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 2014 36156 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14186157 19-12-2014 Voorheen art. 4.13.
Artikel 4.2.1 — Artikel 4.2.1 Cumulatie#
Artikel 4.2.1 Cumulatie 1 artikel 6, eerste lid, van het besluit Bij de toepassing vanworden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten: a. subsidies op grond van: 1°. Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie het; 2°. Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid de, deof de; b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van: 1°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347); 2°. Richtlijn 2003/87/EG verordening (EU) 2019/856 van de Europese commissie van 26 februari 2019 houdende aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds (PbEU 2019, L 140/6); 3°. verordening (EU) 2021/695 Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking vanen; c. artikel 1.1 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies Verordening (EG) nr. 1083/2006 bijdragen van een managementautoriteit als bedoeld indie worden gefinancierd door de Europese Unie overeenkomstig de artikelen 92 bis en 92 ter van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking vanvan de Raad (PbEU 2013, L347). 2 artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 6, eerste lid, van het besluit Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing vanbuiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.1a — Artikel 4.2.1a Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.1a Afwijzingsgronden artikel 4.2.6 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie op grond van deze titel, indien de aanvrager voornemens is het eigen aandeel in de projectkosten te financieren uit het deel van de aangevraagde subsidie voor subsidiabele kosten, waarvoor het uurtarief, bedoeld in, wordt gehanteerd. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.2 — Artikel 4.2.2 Starttermijn, evaluatie en transparantie#
Artikel 4.2.2 Starttermijn, evaluatie en transparantie 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening. 2 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. 3 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 4 Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, en voor zover van toepassing het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. 2020 18002 24-03-2020 20-03-2020 WJZ/20067838 2020 18002 24-03-2020 20-03-2020 WJZ/20067838 01-04-2020
Artikel 4.2.3 — Artikel 4.2.3 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.3 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidie op grond van deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie op grond van deze titel ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over het project; d. informatie over de wijze waarop de aanvrager en indien van toepassing de deelnemers van een samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren; e. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is, inclusief een ingevuld door de minister beschikbaar gesteld beslisschema, tenzij de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is. 3 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling; d. indien de omvang van de vast te stellen subsidie € 25.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, waarin de subsidieontvanger aangeeft: 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.4 — Artikel 4.2.4 Investeringssubsidie#
Artikel 4.2.4 Investeringssubsidie artikelen 10, derde lid 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d De, en, van het besluit zijn niet van toepassing op de subsidiabele kosten voor investeringen als bedoeld in de artikelen 26bis, 36, 38, 38bis, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarvoor op grond van deze titel subsidie wordt verleend. 2023 31665 20-11-2023 14-11-2023 WJZ/35027054 2023 31665 20-11-2023 14-11-2023 WJZ/35027054 21-11-2023
Artikel 4.2.5 — Artikel 4.2.5 Subsidie aan een samenwerkingsverband#
Artikel 4.2.5 Subsidie aan een samenwerkingsverband 1 Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het in de relevante paragraaf van deze titel genoemde maximum subsidiebedrag per project, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. 2 Een samenwerkingsverband bestaat uit: a. subsidieontvangers die activiteiten voor een project uitvoeren, of b. een subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in onderdeel a, en partijen: 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico activiteiten voor een project uitvoeren, of 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project. 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 2016 33018 22-06-2016 17-06-2016 WJZ/16084705 01-07-2016
Artikel 4.2.6 — Artikel 4.2.6 Uurtarief#
Artikel 4.2.6 Uurtarief artikel 4.1.3 artikelen 13, tweede lid 14 van het besluit In afwijking vanbedraagt het uurtarief, bedoeld in de, en, voor de toepassing van deze titel € 80. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.7 — Artikel 4.2.7 Vervaltermijn#
Artikel 4.2.7 Vervaltermijn 1 paragrafen 4.2.2 4.2.7 4.2.10 4.2.17 4.2.18 bijlagen 4.2.1 4.2.6 4.2.9 4.2.16 De,,,en, en de,,en, vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2 Paragraaf 4.2.19 bijlage 4.2.18 envervallen met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die tijd zijn verleend. 2026 12326 31-03-2026 30-03-2026 WJZ/104835207 2026 12326 31-03-2026 30-03-2026 WJZ/104835207 01-04-2026
Artikel 4.2.8 — Artikel 4.2.8 Begripsbepaling#
Artikel 4.2.8 Begripsbepaling In deze paragraaf wordt verstaan onder EKOO-project: project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, en niet primair uit een pilot of demonstratie. 2024 6013 29-02-2024 23-02-2024 WJZ/45570775 2024 6013 29-02-2024 23-02-2024 WJZ/45570775 01-03-2024
Artikel 4.2.9 — Artikel 4.2.9 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.9 Subsidieverstrekking 1 bijlage 4.2.1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EKOO-project dat past binnen één of meer innovatiethema’s van de onderdelen, opgenomen in. 2 Een samenwerkingsverband bevat ten minste één onderneming. 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 01-01-2025
Artikel 4.2.10 — Artikel 4.2.10 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.10 Steunintensiteit 1 De subsidie bedraagt voor een EKOO-project: a. voor zover dit betrekking heeft op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming: 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming; 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; b. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties. 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden verlaagd met 15 procentpunten indien niet voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 De subsidie bedraagt ten hoogste: a. € 500.000 per EKOO-project dat past binnen onderdeel B of D, opgenomen in bijlage 4.2.1; b. € 750.000 per EKOO-project dat past binnen onderdeel A of C, opgenomen in bijlage 4.2.1. 4 Onverminderd het derde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening maximaal € 300.000 over een periode van drie jaar. 5 Onverminderd artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn de kosten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel, voor zover die betrekking hebben op activiteiten die nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.11 — Artikel 4.2.11 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.11 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2021 19264 20-04-2021 17-04-2021 WJZ/21068810 2021 19264 20-04-2021 17-04-2021 WJZ/21068810 21-04-2021
Artikel 4.2.12 — Artikel 4.2.12 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.12 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit bijlage 4.2.1 In afwijking van het eerste lid is de termijn, bedoeld intwee jaar voor EKOO-projecten die passen binnen Onderdeel D. Circulaire Economie, Innovatiethema 1. Circulaire economie anders dan circulaire plastics of biobased circular of Innovatiethema 2. Circulaire Plastics, opgenomen in. 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 01-01-2025
Artikel 4.2.13 — Artikel 4.2.13 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.13 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. artikel 4.2.14, eerste lid na toepassing van, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend; b. eerder op grond van deze titel een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project. 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 01-01-2025
Artikel 4.2.14 — Artikel 4.2.14 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.14 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een EKOO-project een hoger aantal punten toe naarmate: a. bijlage 4.2.1 het EKOO-project meer bijdraagt aan de doelstelling van de subsidie, opgenomen in; b. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is; c. het EKOO-project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. de kwaliteit van het EKOO-project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het EKOO-project zijn toegekend. 4 Geen subsidie wordt verleend voor een EKOO-project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk EKOO-project. 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 01-01-2024
Artikel 4.2.14a — Artikel 4.2.14a Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.14a Informatieverplichtingen artikel 4.2.3, eerste en tweede lid Onverminderd, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.14b — Artikel 4.2.14b Staatssteun#
Artikel 4.2.14b Staatssteun artikel 4.2.9 De subsidie, bedoeld in, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Voorheen art. 4.2.14a. Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.15 — Artikel 4.2.15 Begripsomschrijving#
Artikel 4.2.15 Begripsomschrijving Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 31-12-2024 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2020 32280 17-06-2020 12-06-2020 WJZ/20155053 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10693 gesteld op 31
december 2020. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2020/32280 gesteld op 31
december 2023.
Artikel 4.2.16 — Artikel 4.2.16 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.16 Subsidieverstrekking Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 31-12-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2020 32280 17-06-2020 12-06-2020 WJZ/20155053 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10693 gesteld op 31
december 2020. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2020/32280 gesteld op 31
december 2023.
Artikel 4.2.17 — Artikel 4.2.17 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.17 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 31-12-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2020 32280 17-06-2020 12-06-2020 WJZ/20155053 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10693 gesteld op 31
december 2020. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2020/32280 gesteld op 31
december 2023.
Artikel 4.2.18 — Artikel 4.2.18 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.18 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 31-12-2024 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2020 32280 17-06-2020 12-06-2020 WJZ/20155053 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10693 gesteld op 31
december 2020. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2020/32280 gesteld op 31
december 2023.
Artikel 4.2.19 — Artikel 4.2.19 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.19 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 31-12-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2020 32280 17-06-2020 12-06-2020 WJZ/20155053 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10693 gesteld op 31
december 2020. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2020/32280 gesteld op 31
december 2023.
Artikel 4.2.20 — Artikel 4.2.20 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.20 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 31-12-2024 2020 32280 17-06-2020 12-06-2020 WJZ/20155053 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10693 gesteld op 31
december 2020. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2020/32280 gesteld op 31
december 2023.
Artikel 4.2.21 — Artikel 4.2.21 Staatssteun#
Artikel 4.2.21 Staatssteun Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 31-12-2024 2020 32280 17-06-2020 12-06-2020 WJZ/20155053 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10693 gesteld op 31
december 2020. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2020/32280 gesteld op 31
december 2023.
Artikel 4.2.22 — Artikel 4.2.22 Begripsomschrijving#
Artikel 4.2.22 Begripsomschrijving Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.23 — Artikel 4.2.23 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.23 Subsidieaanvraag Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.24 — Artikel 4.2.24 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.24 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.25 — Artikel 4.2.25 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.25 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.26 — Artikel 4.2.26 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.26 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.27 — Artikel 4.2.27 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.27 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.28 — Artikel 4.2.28 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.28 Rangschikkingscriteria Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.28a — Artikel 4.2.28a Staatssteun#
Artikel 4.2.28a Staatssteun Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.29 — Artikel 4.2.29 Begripsomschrijving#
Artikel 4.2.29 Begripsomschrijving Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.30 — Artikel 4.2.30 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.30 Subsidieaanvraag Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.31 — Artikel 4.2.31 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.31 Steunintensiteit Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.32 — Artikel 4.2.32 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.32 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.33 — Artikel 4.2.33 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.33 Realisatietermijn Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.34 — Artikel 4.2.34 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.34 Afwijzingsgronden Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.35 — Artikel 4.2.35 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.35 Rangschikkingscriteria Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.35a — Artikel 4.2.35a Staatssteun#
Artikel 4.2.35a Staatssteun Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.36 — Artikel 4.2.36 Begripsomschrijving#
Artikel 4.2.36 Begripsomschrijving Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.37 — Artikel 4.2.37 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.37 Subsidieaanvraag Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.38 — Artikel 4.2.38 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.38 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.39 — Artikel 4.2.39 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.39 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.40 — Artikel 4.2.40 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.40 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.41 — Artikel 4.2.41 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.41 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.42 — Artikel 4.2.42 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.42 Rangschikkingscriteria Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.42a — Artikel 4.2.42a Staatssteun#
Artikel 4.2.42a Staatssteun Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.43 — Artikel 4.2.43 Begripsbepalingen#
Artikel 4.2.43 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: MOOI-missie: bijlage 4.2.6 MOOI-missie Elektriciteit, MOOI-missie Gebouwde omgeving, MOOI-missie Industrie of MOOI-missie Systeemintegratie, opgenomen in; MOOI-project: samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit: a. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, niet primair een pilot zijnde; of b. overige projectactiviteiten; overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties: overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit de brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; overige projectactiviteiten: activiteiten die bijdragen aan het doel van een MOOI-project, niet zijnde fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie; vooraanmelding: artikel 21 van het besluit vooraanmelding als bedoeld in, die betrekking heeft op ten hoogste één subsidieaanvraag. 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 01-01-2025
Artikel 4.2.44 — Artikel 4.2.44 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.44 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een MOOI-project dat past binnen in elk geval één van de innovatiethema’s behorende bij één van de MOOI-missies. 2 Een samenwerkingsverband bevat ten minste drie ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn, en die voor zover het gaat om overige projectactiviteiten niet actief zijn in: a. de sector visserij en aquacultuur; b. de primaire productie van landbouwproducten; of c. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening. 3 In afwijking van het tweede lid, bevat een samenwerkingsverband ten minste twee ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn, indien het een MOOI-project binnen de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5, betreft. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.45 — Artikel 4.2.45 Hoogte subsidie#
Artikel 4.2.45 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt voor een MOOI-project: a. voor zover deze betrekking heeft op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of overige projectactiviteiten die uitgevoerd worden door een onderneming: 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming; 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; b. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten of op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties. 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden verlaagd met 15 procentpunten indien niet voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 De subsidie bedraagt: a. ten minste € 25.000 per deelnemer in het samenwerkingsverband; en b. ten hoogste € 4.000.000 per MOOI-project. 4 Onverminderd het derde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar. 5 De subsidie voor overige projectactiviteiten bedraagt ten hoogste 5% van de totale subsidiabele kosten van het MOOI-project, en niet meer dan € 350.000 per MOOI-project. 6 Onverminderd het vijfde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.46 — Artikel 4.2.46 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.2.46 Subsidiabele kosten 1 Voor projectactiviteiten die bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor subsidie in aanmerking, voor zover de activiteiten nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten. 2 Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten voor activiteiten, voor zover eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor soortgelijke activiteiten. 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 01-01-2024
Artikel 4.2.47 — Artikel 4.2.47 Verdeling van de subsidieplafonds#
Artikel 4.2.47 Verdeling van de subsidieplafonds 1 De minister verdeelt de subsidieplafonds van de MOOI-missies, op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2 De resterende bedragen van de subsidieplafonds van de MOOI-missies, met uitzondering van de MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5, en MOOI-missie Koolstofverwijdering, die onvoldoende zijn om subsidie te verlenen aan het eerstvolgende MOOI-project in de rangschikking binnen de betreffende MOOI-missie, worden bij elkaar opgeteld. Het totale resterende bedrag wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van alle resterende MOOI-projecten binnen de MOOI-missies waarvan de resterende bedragen zijn opgeteld, waarbij per MOOI-missie voor maximaal één MOOI-project subsidie wordt verleend. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.48 — Artikel 4.2.48 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.48 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2020 8625 14-02-2020 07-02-2020 WJZ/20017376 2020 8625 14-02-2020 07-02-2020 WJZ/20017376 01-04-2020
Artikel 4.2.49 — Artikel 4.2.49 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.49 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. een vooraanmelding niet uiterlijk is ingediend op: 1°. 17 april 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Systeemintegratie; 2°. 1 oktober 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5; of 3°. 16 april 2026 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 1, 2, 3 of 4, MOOI-missie Gebouwde Omgeving, MOOI-missie Industrie, innovatiethema 1 of 2, of MOOI-missie Koolstofverwijdering; b. artikel 4.2.49a, eerste en tweede lid na toepassing van, minder dan 6 punten per criterium zijn toegekend; c. in geval aan een samenwerkingsverband één of meer onderzoeksorganisaties deelnemen, de subsidiabele kosten voor meer dan 50 procent door de onderzoeksorganisatie of de onderzoeksorganisaties gezamenlijk worden gemaakt; d. de subsidiabele kosten minder dan € 2.000.000 bedragen; e. de aanvraag voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, activiteiten bevat die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; f. bijlage 4.2.6 het MOOI-project betrekking heeft op MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, opgenomen in, en slechts binnen één van de subthema’s daarvan past; g. bijlage 4.2.6 het MOOI-project betrekking heeft op eerste generatie biogrondstoffen uit bestaande gewassen, passend binnen MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, subthema 3c, opgenomen in, en lager is gerangschikt dan een ander MOOI-project dat hier ook betrekking op heeft. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.49a — Artikel 4.2.49a Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.49a Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een MOOI-project een hoger aantal punten toe naarmate: a. bijlage 4.2.6 het MOOI-project meer bijdraagt aan de doelstellingen van de subsidie, opgenomen in; b. het MOOI-project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is; d. de kwaliteit van het MOOI-project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; e. de kwaliteit van het samenwerkingsverband beter is, blijkend uit de samenstelling en de projectorganisatie. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. 3 Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en e, per criterium vermenigvuldigd met 22,5, voor de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, per criterium vermenigvuldigd met 16,25, en vervolgens opgeteld. 4 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het MOOI-project zijn toegekend. 5 Geen subsidie wordt verleend voor een MOOI-project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk MOOI-project. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.49b — Artikel 4.2.49b Adviescommissie#
Artikel 4.2.49b Adviescommissie 1 artikel 23, aanhef en onderdelen d en e, van het besluit artikel 4.2.49a Er is een Adviescommissie MOOI die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de vooraanmelding en de aanvraag om subsidie ten aanzien van de afwijzingsgronden, bedoeld in, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste veertig leden. 3 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 01-01-2024
Artikel 4.2.49c — Artikel 4.2.49c Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.49c Informatieverplichtingen 1 artikel 4.2.49, onderdeel a De vooraanmelding, bedoeld in, bevat ten minste een beknopte omschrijving van het beoogde MOOI-project waarin de volgende informatie wordt verstrekt: a. bijlage 4.2.6 het innovatiethema of de innovatiethema’s behorende bij de MOOI-missie of MOOI-missies, opgenomen in, waaraan het MOOI-project invulling beoogt te geven en de wijze waarop deze invulling wordt gegeven; b. de met het MOOI-project beoogde resultaten; c. de beoogde uitvoerende partijen van het MOOI-project; d. de verwachte totale kosten van het MOOI-project; e. het subsidiebedrag dat naar verwachting nodig is om het MOOI-project te kunnen uitvoeren. 2 artikel 4.2.3, eerste en tweede lid Onverminderd, bevat een aanvraag om subsidie: a. artikel 4.2.45, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° of 3° gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op het percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in; b. een verklaring de-minimissteun: 1°. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert; 2°. indien de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema; c. het advies dat de adviescommissie MOOI op basis van de vooraanmelding heeft uitgebracht; d. een projectomschrijving van het MOOI-project dat ten minste de mijlpalen en beslismomenten over de doorgang van het MOOI-project bevat, inclusief meetbare indicatoren; e. een financieringsplan; f. een beknopte beschrijving van de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het MOOI-project betrokken personen, die relevant is om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen; g. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt; h. bewijsstukken waaruit de inbreng van alle afzonderlijke deelnemers in een samenwerkingsverband voor de uitvoering van het desbetreffende MOOI-project volgt; i. bijlage 4.2.6 indien het een aanvraag om subsidie voor een MOOI-project binnen MOOI-missie Systeemintegratie, opgenomen in, betreft dat geen betrekking heeft op alle innovatiethema’s van die missie, een onderbouwing dat het project in elk geval geen nadelige gevolgen heeft voor het andere innovatiethema of de andere innovatiethema’s van die missie waarop het project geen betrekking heeft. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.49d — Artikel 4.2.49d Kennisverspreiding#
Artikel 4.2.49d Kennisverspreiding artikel 4.2.2, tweede en derde lid Onverminderd, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het MOOI-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het MOOI-project worden opgedaan. 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 01-01-2024
Artikel 4.2.49e — Artikel 4.2.49e Staatssteun#
Artikel 4.2.49e Staatssteun artikel 4.2.44, eerste lid De subsidie, bedoeld in, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling; b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen of indien de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.50 — Artikel 4.2.50 Begripsomschrijving#
Artikel 4.2.50 Begripsomschrijving Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.51 — Artikel 4.2.51 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.51 Subsidieaanvraag Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.52 — Artikel 4.2.52 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.52 Steunintensiteit Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.53 — Artikel 4.2.53 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.53 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.54 — Artikel 4.2.54 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.54 Realisatietermijn Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.55 — Artikel 4.2.55 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.55 Afwijzingsgronden Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.56 — Artikel 4.2.56 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.56 Rangschikkingscriteria Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.56a — Artikel 4.2.56a Staatssteun#
Artikel 4.2.56a Staatssteun Vervallen 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 2017 24067 28-04-2017 26-04-2017 WJZ/17056189 01-07-2022
Artikel 4.2.57 — Artikel 4.2.57 Begripsomschrijving#
Artikel 4.2.57 Begripsomschrijving Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.58 — Artikel 4.2.58 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.58 Subsidieverstrekking Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.59 — Artikel 4.2.59 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.59 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.60 — Artikel 4.2.60 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.60 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.61 — Artikel 4.2.61 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.61 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.62 — Artikel 4.2.62 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.62 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.63 — Artikel 4.2.63 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.63 Rangschikkingscriteria Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.63a — Artikel 4.2.63a Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.63a Informatieverplichtingen Vervallen 2019 9113 20-02-2019 13-02-2019 WJZ/18280730 2019 9113 20-02-2019 13-02-2019 WJZ/18280730 21-02-2019
Artikel 4.2.63b — Artikel 4.2.63b Staatssteun#
Artikel 4.2.63b Staatssteun Vervallen 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.64 — Artikel 4.2.64 Begripsbepalingen#
Artikel 4.2.64 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: afval: afval als bedoeld in artikel 2, onderdeel 128 ter, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; andere producten, materialen of stoffen: andere producten, materialen of stoffen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 128 octies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; biogene grondstoffen: artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b grondstoffen als bedoeld in; 2 CO: 2 2 COof COequivalent; 2 CO-equivalent: 4 2 2 bijlage 4.2.9, onderdeel A de hoeveelheid CHen NO die overeenkomstig de factoren in, of andere broeikasgassen die eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO; DEI+-pilot: een project bestaande uit experimentele ontwikkeling waarbij een experimenteel prototype product, procedé of dienst wordt getest in een omgeving die representatief is voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan; DEI+-project: a. een DEI+-demonstratieproject; b. een DEI+-pilot; of c. een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject; DEI+-demonstratieproject: bijlage 4.2.9, onderdeel B een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland, eventueel gecombineerd met experimentele ontwikkeling in een andere vorm dan een pilot of met demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties als bedoeld in thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in; DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject: een project dat is gericht op het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; elektrolyser: een installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse van water; hernieuwbare waterstof: waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; meetprotocol: document waarin de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden waterstof die een elektrolyser opwekt en de hoeveelheid elektriciteit die een elektrolyser verbruikt, beschreven zijn; meetrapport: rapport dat alle meetgegevens van het desbetreffende kalenderjaar bevat; meetverantwoordelijke partij: artikel 1.1 van de Energiewet meetverantwoordelijke partij als bedoeld in; NTA 8003:2017: de Nederlands Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassingen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017; productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit: een of meerdere productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie: a. waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit ten behoeve van een op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit aangesloten elektrolyser; b. van een andere producent dan de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten en waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit; of c. van de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten; Richtlijn hernieuwbare energie: Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L328); transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit: artikel 1.1 van de Energiewet transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.65 — Artikel 4.2.65 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.65 Subsidieverstrekking 1 bijlage 4.2.9 De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een DEI+-project dat past binnen in elk geval één van de in, onderdeel B, opgenomen thema’s, en dat betrekking heeft op: a. experimentele ontwikkeling in overeenstemming met artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, die vernieuwend is en gericht op een experimenteel prototype product, procedé of dienst die of dat met de bestaande kennis en methoden niet kan worden ontwikkeld, waarvoor risico’s en onzekerheden bestaan over het te behalen resultaat en de daarvoor benodigde kosten of tijd, waarvan de uitvoering systematisch is en de opgedane kennis en resultaten overdraagbaar en reproduceerbaar zijn; b. het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur in overeenstemming met artikel 26bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. milieubescherming in overeenstemming met artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, in overeenstemming met artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; g. energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling in overeenstemming met artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; h. circulaire economie in overeenstemming met artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of i. lokale infrastructuur in overeenstemming met artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Subsidie voor het uitvoeren van een DEI+-project kan worden verstrekt aan: a. een onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren; b. een deelnemer in een samenwerkingsverband. 3 Een samenwerkingsverband dat een DEI+-project uitvoert, bevat ten minste één onderneming. 4 artikel 3, eerste lid, van het besluit In aanvulling opkan ook subsidie worden verstrekt aan: die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. a. een onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren; b. een deelnemer in een samenwerkingsverband; 2023 31665 20-11-2023 14-11-2023 WJZ/35027054 2023 31665 20-11-2023 14-11-2023 WJZ/35027054 21-11-2023
Artikel 4.2.66 — Artikel 4.2.66 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.66 Steunintensiteit 1 De subsidie voor een DEI+-demonstratieproject bedraagt: a. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op experimentele ontwikkeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, tenzij deze niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, dan bedraagt de subsidie 80% van de subsidiabele kosten; b. 2 ten aanzien van een investering voor milieubescherming, niet zijnde een investering met betrekking tot afvang, transport, hergebruik of opslag van CO: 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft; 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. 2 ten aanzien van een investering voor milieubescherming met betrekking tot afvang, transport, hergebruik of opslag van CO: 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. ten aanzien van een investering in energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen: 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 38bis, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. 45% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in de productie van hernieuwbare energiebronnen of hernieuwbare waterstof, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; g. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, niet zijnde een investering als bedoeld in onderdeel f, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; h. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; i. 40% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ten behoeve van een circulaire economie, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; j. 50% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in lokale infrastructuurvoorziening, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, maar niet meer dan het verschil tussen de subsidiabele kosten en de exploitatiewinst van de investering of maximaal € 11.000.000 indien dat lager is dan het verschil; k. bijlage 4.2.9 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op randvoorwaardelijke innovaties als bedoeld in thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in, onderdeel B, tot maximaal € 300.000 voor een onderneming die deze innovaties zelfstandig uitvoert of per deelnemer in een samenwerkingsverband over een periode van drie jaar. 2 De subsidie voor een DEI+-pilotproject bedraagt 25% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, tenzij deze niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, dan bedraagt de subsidie 80% van de subsidiabele kosten. 3 De subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject bedraagt 25% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 26bis, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 4 De in het eerste lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1°, c, subonderdeel 1°, d subonderdeel 1°, e tot en met k, tweede en derde lid genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, en de in het eerste lid, onderdelen b, subonderdeel 2°, c, subonderdeel 2°, d, subonderdeel 2°, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. 5 De in het eerste lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1°, c, subonderdeel 1°, d, subonderdeel 1°, e tot en met k, tweede en derde lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, en de in het eerste lid, onderdelen b, subonderdeel 2°, c, subonderdeel 2°, d, subonderdeel 2°, genoemde percentages worden met 5 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming. 6 bijlage 4.2.9 In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, betreffen de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in een productie-installatie ten behoeve van uitsluitend de productie van hernieuwbare energiebronnen, die past binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in, onderdeel B: a. de totale investeringskosten, indien ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen; b. het deel van de totale investeringskosten dat gelijk staat aan het deel van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen dat afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen, indien minder dan 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen. 7 bijlage 4.2.9 In afwijking van het eerste lid, onderdelen f en i, bedraagt de subsidie voor een DEI+-demonstratieproject dat betrekking heeft op een investering in een productie-installatie ten behoeve van zowel de productie van hernieuwbare energiebronnen als een circulaire economie, dat past binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in, onderdeel B, 40% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 8 De subsidie bedraagt maximaal: a. € 30.000.000 per DEI+-demonstratieproject; b. € 25.000.000 per DEI+-pilot; c. € 25.000.000 per DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject. 9 In afwijking van het achtste lid, bedraagt de subsidie maximaal: a. € 10.000.000 per DEI+-demonstratieproject dat past binnen subthema 2.5.2 Biobased Circular, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B; b. € 1.000.000 per DEI+-pilot die past binnen subthema 2.5.2 Biobased Circular, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B; c. € 1.000.000 per DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B. 10 bijlage 4.2.9 De aanvraag voor een subsidie bedraagt ten minste € 10.000.001 voor een DEI+-demonstratieproject en € 1.000.001 voor een DEI+-pilotproject dat past binnen subthema 2.5.3 Biobased Circular grote projecten, opgenomen in, onderdeel B. 2026 19339 29-05-2026 27-05-2026 WJZ/105597887 2026 19339 29-05-2026 27-05-2026 WJZ/105597887 30-05-2026
Artikel 4.2.67 — Artikel 4.2.67 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.67 Verdeling van het subsidieplafond bijlage 4.2.9 De minister verdeelt het subsidieplafond per thema, zoals beschreven in, onderdeel B, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2019 69550 18-12-2019 16-12-2019 WJZ/19289420 2019 69550 18-12-2019 16-12-2019 WJZ/19289420 15-01-2020
Artikel 4.2.68 — Artikel 4.2.68 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.68 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 22-03-2022
Artikel 4.2.69 — Artikel 4.2.69 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.69 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de kwaliteit van het DEI+-project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; b. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij onvoldoende is, waarbij onder de Nederlandse markt en maatschappij ook wordt verstaan de markt en maatschappij van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, tenzij het een aanvraag om subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject betreft; c. er onvoldoende sprake is van vernieuwing, blijkende uit een vernieuwende technologie of een vernieuwende toepassing van een bestaande technologie, tenzij het een aanvraag om subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject betreft; d. 2 onvoldoende aannemelijk is dat een DEI+-project dat hergebruik van CObetreft zonder subsidie niet tot stand zou komen, blijkend uit een beschrijving van de globale kosten en baten van het DEI+-project; e. in geval aan een samenwerkingsverband één of meer onderzoeksorganisaties deelnemen, de subsidiabele kosten voor meer dan 50 procent door de onderzoeksorganisatie of de onderzoeksorganisaties gezamenlijk worden gemaakt; f. het plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, van onvoldoende kwaliteit is; g. artikel 4.2.65, eerste lid, onderdeel e de aanvraag een DEI+-project betreft met betrekking tot energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen als bedoeld in, om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn en het project niet minimaal achttien maanden voor de inwerkingtreding van de betreffende norm is voltooid; h. bijlage 4.2.9 de aanvraag een DEI+-project betreft dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in, onderdeel B, en betrekking heeft op randvoorwaardelijke innovaties en deze is gedaan door een onderneming die dit DEI+-project zelfstandig uitvoert of één of meerdere deelnemers in een samenwerkingsverband die een onderneming in stand houdt dan wel houden, die actief is respectievelijk zijn in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; i. artikel 4.2.65, eerste lid, onderdeel i de aanvraag een DEI+-project betreft met betrekking tot lokale infrastructuur als bedoeld in, en de subsidiabele kosten daarvoor meer dan € 22.000.000 bedragen; j. bijlage 4.2.9 de aanvraag een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in, onderdeel B, betreft, waarvoor: 1°. het nominaal thermisch ingangsvermogen van de productie-installatie minder dan 5 MW is; 2°. onvoldoende aannemelijk is dat alle in de productie-installatie te verwerken grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; 3°. artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b onvoldoende aannemelijk is dat de in de productie-installatie te verwerken biogene grondstoffen voldoen aan; of 4°. onvoldoende aannemelijk is dat ten minste 40% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.70 — Artikel 4.2.70 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.70 Informatieverplichtingen 1 artikel 4.2.3 Onverminderdbevat een aanvraag om subsidie: a. 2 hoofdstuk 1 van bijlage 4.2.9 een projectomschrijving waaruit de CO-reductie in kilogrammen, berekend aan de hand van de referentieparkmethode, bedoeld in, onderdeel B, die het DEI+-project realiseert ten opzichte van het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek, blijkt; b. een financieringsplan; c. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt; d. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het DEI+-project, indien het DEI+-project geen experimentele ontwikkeling betreft of het een DEI+-project betreft waarbij beoogd wordt dat een experimenteel prototype product, procedé of dienst ook na afloop van het DEI+-project in gebruik blijft; e. bijlage 4.2.9 indien subsidie wordt aangevraagd voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in, onderdeel B: 1°. een beschrijving van de wijze waarop bij de ontwikkeling van de beoogde producten, processen of diensten rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van grondstoffen en de effecten van grootschalige toepassing van die producten, processen of diensten op het milieu en de natuur; 2°. een verklaring de-minimissteun van de onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren of van elke onderneming in het samenwerkingsverband, als het DEI+-project betrekking heeft op randvoorwaardelijke innovaties; f. een mijlpalenbegroting, indien het aangevraagde subsidiebedrag € 2.000.000 of meer is; g. bijlage 4.2.9 indien subsidie wordt aangevraagd voor een DEI+-pilot gericht op circulair ontwerpen dat past binnen thema 2.5 Circulaire economie, opgenomen in, onderdeel B, een onderbouwing dat er partijen zijn die het product waarop het project is gericht, aan het einde van de technische levensduur daarvan kunnen repareren, hergebruiken of recyclen; h. een juridische organisatiestructuur van de groep waartoe de subsidieaanvrager behoort waaruit de aandelenverhouding of de afwijkende overwegende zeggenschap blijkt en de enkelvoudige jaarrapporten of geconsolideerde jaarrapporten van de in die groep verbonden ondernemingen die gebruikt zijn voor de invulling van het beslisschema, tenzij de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is. 2 Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. een algemene en technische omschrijving van de onderzochte en gebruikte installaties en infrastructuur; b. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het DEI+-project; c. een overzicht van de gemaakte kosten voor het DEI+-project, uitgesplitst conform de laatst door de minister goedgekeurde begroting. 3 bijlage 4.2.9 Tegelijkertijd met de aanvraag tot subsidievaststelling voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in, onderdeel B geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag ten minste inzicht in: a. de vervolgstappen die het samenwerkingsverband na afloop van het DEI+-project zet om te komen tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is; b. de verwachte kosten en prijsreductie ten opzichte van de referentie van het aardgasloos maken van een woning, wijk, of gebouw op basis van dit DEI+-project. 4 bijlage 4.2.9 2 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.2 Bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, 2.3 Flexibilisering van het energiesysteem, 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving of 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in, onderdeel B, en dat uitsluitend indirect een bijdrage aan de CO-reductie levert, een beschrijving van hoe het DEI+-project bijdraagt aan de CO-reductie in Nederland tien jaar na de start van het project. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.70a — Artikel 4.2.70a bijlage 4.2.9 Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidie voor DEI+-projecten binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in, onderdeel B#
Artikel 4.2.70a bijlage 4.2.9 Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidie voor DEI+-projecten binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in, onderdeel B 1 artikel 4.2.70 bijlage 4.2.9 Onverminderdbevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project binnen subthema 2.9.4 Productie van waterstof, opgenomen in, onderdeel B, waarbij wordt beoogd dat de elektrolyser na de subsidievaststelling in gebruik blijft: a. een gedetailleerd plan over de beoogde draaiuren en de hoeveelheid waterstofproductie per jaar gedurende de economische levensduur van de elektrolyser; b. een verklaring dat waterstof gedurende de economische levensduur van de elektrolyser enkel zal worden geproduceerd overeenkomstig artikel 36 of 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. een onderbouwing dat de elektrolyser alleen hernieuwbare waterstof zal produceren in dezelfde kalendermaand dat elektriciteit zal worden geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit en de elektrolyser daarbij in die kalendermaand niet meer elektriciteit zal verbruiken dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand zal produceren en een onderbouwing hoe deze temporele correlatie technisch wordt gewaarborgd; d. 2 2 2 een onderbouwing dat de waterstof die wordt geproduceerd, gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g COeq/MJ (2,256 tCOeq/tH), indien het productie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof of uitsluitend niet-hernieuwbare waterstof betreft; e. een verklaring dat de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarvoor een of meerdere afnameovereenkomsten voor hernieuwbare elektriciteit worden gesloten ten behoeve van de productie van hernieuwbare waterstof door een elektrolyser die op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit wordt aangesloten, zich in Nederland bevindt; f. een beschrijving van de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit, het vermogen daarvan en de voorziene datum van ingebruikname, indien het gaat om een elektrolyser die met een directe lijn wordt aangesloten. 2 Indien een opslagfaciliteit deel zal uit maken van de elektrolyser, geldt het eerste lid, onderdeel c, niet voor de momenten dat de elektrolyser elektriciteit die afkomstig is van de opslagfaciliteit, zal verbruiken, indien de opslagfaciliteit: a. enkel zal worden geladen met elektriciteit in dezelfde kalendermaand dat er elektriciteit zal worden geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit; en b. met niet meer elektriciteit zal worden geladen in die kalendermaand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand zal produceren. 3 In het geval van het tweede lid bevat een aanvraag om subsidie een onderbouwing van de wijze waarop technisch wordt gewaarborgd dat wordt voldaan het tweede lid, onderdelen a en b. 2025 43782 23-12-2025 14-12-2025 WJZ/99470189 2025 43782 23-12-2025 14-12-2025 WJZ/99470189 01-01-2026
Artikel 4.2.70b — Artikel 4.2.70b bijlage 4.2.9 Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidievaststelling en tot vijf jaar na subsidievaststelling voor DEI+-projecten binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in, onderdeel B#
Artikel 4.2.70b bijlage 4.2.9 Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidievaststelling en tot vijf jaar na subsidievaststelling voor DEI+-projecten binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in, onderdeel B 1 artikel 4.2.3, derde lid bijlage 4.2.9 Onverminderd, verstrekt de subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen subthema 2.9.4 Productie van waterstof, opgenomen in, onderdeel B, bij de aanvraag voor de subsidievaststelling per kalenderjaar voor de periode vanaf ingebruikname van de elektrolyser tot de aanvraag voor de subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister: a. de registratie van de draaiuren van de elektrolyser; b. de hoeveelheid elektriciteit die de elektrolyser heeft verbruikt ten behoeve van de waterstofproductie en de hoeveelheid waterstof die daarmee is geproduceerd aan de hand van meetgegevens die zijn gebaseerd op een meetprotocol en meetrapport die zijn goedgekeurd door een meetverantwoordelijke partij; c. een onderbouwing dat de elektrolyser alleen hernieuwbare waterstof heeft geproduceerd in dezelfde kalendermaand waarin elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit en de elektrolyser in die kalendermaand niet meer elektriciteit heeft verbruikt dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd; d. een of meerdere overeenkomsten voor de afname van elektriciteit van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit door de elektrolyser voor de productie van hernieuwbare waterstof, tenzij het gaat om een elektrolyser die met een directe lijn is aangesloten op een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit van de subsidieontvanger; e. 2 2 2 een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g COeq/MJ (2,256 tCOeq/tH), indien het productie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof of uitsluitend niet-hernieuwbare waterstof betreft; f. 2 2 een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 100% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g COeq/MJ (2,256 tCOeq/tH2), indien het productie van uitsluitend hernieuwbare waterstof betreft. 2 In afwijking van het eerste lid, kan de subsidieontvanger een certificaat verstrekken dat is opgesteld met een door de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie erkend vrijwillig nationaal of internationaal systeem waarmee wordt bewezen dat: a. de waterstofproductie-installatie zodanig is ontworpen en de elektriciteits- en waterstofstromen zodanig worden gemeten en geadministreerd dat aantoonbaar volledig hernieuwbare waterstof kan worden geproduceerd; b. de te produceren waterstof als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt; en c. 2 2 indien met de waterstofproductie-installatie ook niet-hernieuwbare waterstof zal worden geproduceerd, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan te produceren volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen tenminste 70% is ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g COeq/MJ (2,256 tCOeq/tH2). 3 bijlage 4.2.9 Indien de minister een subsidie voor de exploitatie van een DEI+-project binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in, onderdeel B, verstrekt, is het eerste lid niet van toepassing vanaf de datum van het verstrekken van de exploitatiesubsidie. 4 Het eerste lid is niet van toepassing indien de elektrolyser niet in gebruik is genomen. 5 Indien de elektrolyser van een pilotproject bij de aanvraag voor subsidievaststelling definitief buiten gebruik is gesteld, geldt het eerste lid niet. In dat geval verstrekt de aanvrager bij de aanvraag om subsidievaststelling een bewijs dat de elektrolyser definitief buiten gebruik is gesteld. 6 Indien een opslagfaciliteit deel uitmaakt van de elektrolyser, geldt het eerste lid, onderdeel c, niet voor de momenten dat de elektrolyser elektriciteit die afkomstig is van de opslagfaciliteit, heeft verbruikt, indien de opslagfaciliteit: a. enkel is geladen met elektriciteit in dezelfde kalendermaand dat er elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit; en b. met niet meer elektriciteit is geladen in die kalendermaand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd. 7 In het geval van het zesde lid verstrekt de subsidieontvanger bij een aanvraag voor subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister een onderbouwing van de wijze waarop technisch is gewaarborgd dat is voldaan het zesde lid, onderdelen a en b. 2025 43782 23-12-2025 14-12-2025 WJZ/99470189 2025 43782 23-12-2025 14-12-2025 WJZ/99470189 01-01-2026 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.70c — Artikel 4.2.70c bijlage 4.2.9, onderdeel B Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidie voor DEI+-projecten binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in#
Artikel 4.2.70c bijlage 4.2.9, onderdeel B Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidie voor DEI+-projecten binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in artikel 4.2.70 bijlage 4.2.9 Onverminderdbevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in, onderdeel B: a. vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie; b. een verklaring dat alle in de productie-installatie te verwerken grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; c. artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b een verklaring dat de in de productie-installatie te verwerken biogene grondstoffen voldoen aan; d. een verklaring dat ten minste 40% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen. 2025 14408 29-04-2025 26-04-2025 WJZ/97352794 2025 14408 29-04-2025 26-04-2025 WJZ/97352794 30-04-2025 28-01-2025
Artikel 4.2.70d — Artikel 4.2.70d bijlage 4.2.9, onderdeel B Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidievaststelling en tot vijf jaar na subsidievaststelling voor DEI+-projecten binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in#
Artikel 4.2.70d bijlage 4.2.9, onderdeel B Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidievaststelling en tot vijf jaar na subsidievaststelling voor DEI+-projecten binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in 1 artikel 4.2.3, derde lid bijlage 4.2.9, onderdeel B Onverminderd, verstrekt de subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in, bij de aanvraag voor de subsidievaststelling per kalenderjaar voor de periode vanaf ingebruikname van de productie-installatie tot de aanvraag voor de subsidievaststelling: a. de hoeveelheid, aard, verhouding en energetische waarde van de in de productie-installatie verwerkte grondstoffen en het percentage van de energetische waarde dat afkomstig is van biogene grondstoffen; b. een onderbouwing dat alle in de productie-installatie verwerkte grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; c. artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b een onderbouwing dat de in de productie-installatie verwerkte biogene grondstoffen voldoen aan; d. een onderbouwing dat ten minste 40% van de energetische waarde van de in de productie-installatie verwerkte grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen; e. artikel 63a, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie artikel 2 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen een jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring met betrekking tot de gegevens, bedoeld in de onderdelen a, c en d, en conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen afgegeven door een conformiteitsbeoordelingsinstantie die is erkend op grond vanof; f. een onderbouwing van de toepassing van de productie-installatie waaruit blijkt in welke verhouding die is gebruikt voor de productie van hernieuwbare energiebronnen en voor een circulaire economie. 2 bijlage 4.2.9, onderdeel B De subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in, verstrekt per kalenderjaar gedurende vijf jaar na de subsidievaststelling jaarlijks voor 1 mei aan de minister de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e. 3 De in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring wordt afgegeven op grond van een door de minister aangewezen verificatieprotocol dat op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is geplaatst. 4 De in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen worden afgegeven op grond van een certificatieschema waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie heeft besloten dat deze accurate gegevens verschaft met het oog op de toepassing van artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie of op grond van een nationaal systeem, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, zesde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie heeft besloten dat dit voldoet aan de in die richtlijn bepaalde voorwaarden, afhankelijk van de van toepassing zijnde criteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie. 5 In afwijking van het vierde lid kunnen de conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen tevens worden afgegeven op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in het derde lid, indien het biogene grondstoffen als bedoeld in de nummers 170 tot en met 179, 300 tot en met 329 en 410 van NTA 8003:2017 betreft. 6 Artikel 14 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen is van toepassing op het verificatieprotocol, bedoeld in het derde lid. 2025 14408 29-04-2025 26-04-2025 WJZ/97352794 2025 14408 29-04-2025 26-04-2025 WJZ/97352794 30-04-2025
Artikel 4.2.70e — Artikel 4.2.70e Subsidieverplichtingen#
Artikel 4.2.70e Subsidieverplichtingen 1 artikel 4.2.2, tweede en derde lid Onverminderd, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het DEI+-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het DEI+-project worden opgedaan. 2 De subsidieontvanger doet tijdens de looptijd van het DEI+-project onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister van een wijziging in de wijze waarop de subsidieontvanger en indien van toepassing de deelnemers van een samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren, ten opzichte van de informatie waarop de subsidieverlening is gebaseerd. 3 bijlage 4.2.9 De productie-installatie waarop een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in, onderdeel B, betrekking heeft, wordt vanaf ingebruikname tot vijf jaar na de subsidievaststelling uitsluitend gebruikt voor verwerking van: a. grondstoffen die kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; b. voor zover het biogene grondstoffen betreft, grondstoffen die voldoen aan: 1°. bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie; 2°. de duurzaamheidscriteria bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan; en 3°. de broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan, indien de biogene grondstoffen worden gebruikt ten behoeve van de productie van hernieuwbare energiebronnen; c. grondstoffen waarvan de energetische waarde jaarlijks voor ten minste 40% afkomstig is uit biogene grondstoffen. 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 2024 41849 20-12-2024 16-12-2024 WJZ/89565704 01-01-2025
Artikel 4.2.70f — Artikel 4.2.70f Staatssteun#
Artikel 4.2.70f Staatssteun artikel 4.2.65 De subsidie, bedoeld in, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. de artikelen 25, 26bis, 36, 38, 38bis, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. bijlage 4.2.9 artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor randvoorwaardelijke innovaties voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in, onderdeel B. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.71 — Artikel 4.2.71 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.2.71 Begripsomschrijvingen Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.72 — Artikel 4.2.72 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.72 Subsidieverstrekking Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.73 — Artikel 4.2.73 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.73 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.73a — Artikel 4.2.73a Subsidiabele kosten#
Artikel 4.2.73a Subsidiabele kosten Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.74 — Artikel 4.2.74 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.74 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.75 — Artikel 4.2.75 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.75 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.76 — Artikel 4.2.76 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.76 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.77 — Artikel 4.2.77 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.77 Rangschikkingscriteria Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.77a — Artikel 4.2.77a Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.77a Informatieverplichtingen Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.77b — Artikel 4.2.77b Kennisverspreiding#
Artikel 4.2.77b Kennisverspreiding Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.77c — Artikel 4.2.77c Staatssteun#
Artikel 4.2.77c Staatssteun Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.78 — Artikel 4.2.78 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.2.78 Begripsomschrijvingen Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.79 — Artikel 4.2.79 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.79 Subsidieaanvraag Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.80 — Artikel 4.2.80 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.80 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.81 — Artikel 4.2.81 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.81 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.82 — Artikel 4.2.82 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.82 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.83 — Artikel 4.2.83 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.83 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.84 — Artikel 4.2.84 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.84 Rangschikkingscriteria Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.84a — Artikel 4.2.84a Staatssteun#
Artikel 4.2.84a Staatssteun Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.85 — Artikel 4.2.85 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.2.85 Begripsomschrijvingen Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.86 — Artikel 4.2.86 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.86 Subsidieverstrekking Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.87 — Artikel 4.2.87 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.87 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.88 — Artikel 4.2.88 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.88 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.89 — Artikel 4.2.89 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.89 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.90 — Artikel 4.2.90 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.90 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.91 — Artikel 4.2.91 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.91 Rangschikkingscriteria Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.91a — Artikel 4.2.91a Staatssteun#
Artikel 4.2.91a Staatssteun Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-01-2024 2023 35473 29-12-2023 20-12-2023 WJZ/39146654 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 Abusievelijk geeft de Staatscourant een wijzigingsopdracht voor
paragraaf 4.2.12 in plaats van paragraaf 4.2.13. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2017/10639 gesteld op 1 juli 2022. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/8113 gesteld op 1 juli 2027.
Artikel 4.2.92 — Artikel 4.2.92 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.2.92 Begripsomschrijvingen Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.93 — Artikel 4.2.93 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.93 Subsidieaanvraag Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.94 — Artikel 4.2.94 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.94 Steunintensiteit Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.95 — Artikel 4.2.95 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.95 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.96 — Artikel 4.2.96 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.96 Realisatietermijn Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.97 — Artikel 4.2.97 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.97 Afwijzingsgronden Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.98 — Artikel 4.2.98 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.98 Rangschikkingscriteria Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.98a — Artikel 4.2.98a Staatssteun#
Artikel 4.2.98a Staatssteun Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.99 — Artikel 4.2.99 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.2.99 Begripsomschrijvingen Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.100 — Artikel 4.2.100 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.100 Subsidieaanvraag Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.101 — Artikel 4.2.101 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.101 Steunintensiteit Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.102 — Artikel 4.2.102 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.102 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.103 — Artikel 4.2.103 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.103 Realisatietermijn Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.104 — Artikel 4.2.104 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.104 Afwijzingsgronden Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.105 — Artikel 4.2.105 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.105 Rangschikkingscriteria Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.105a — Artikel 4.2.105a Staatssteun#
Artikel 4.2.105a Staatssteun Vervallen 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 2015 3781 16-02-2015 13-02-2015 WJZ/15012098 01-04-2015
Artikel 4.2.106 — Artikel 4.2.106 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.2.106 Begripsomschrijvingen Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.107 — Artikel 4.2.107 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.107 Subsidieaanvraag Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.108 — Artikel 4.2.108 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.108 Steunintensiteit Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.109 — Artikel 4.2.109 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.109 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.110 — Artikel 4.2.110 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.110 Realisatietermijn Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.111 — Artikel 4.2.111 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.111 Afwijzingsgronden Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.111a — Artikel 4.2.111a Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 4.2.111a Aanvraag subsidievaststelling Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.111b — Artikel 4.2.111b Staatssteun#
Artikel 4.2.111b Staatssteun Vervallen 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 01-07-2022 2017 10693 24-02-2017 22-02-2017 WJZ/16184159 Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2014/20679 gesteld op 1 juli 2017.
Artikel 4.2.112 — Artikel 4.2.112 Begripsbepalingen#
Artikel 4.2.112 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: 2 CO: 2 2 COof CO-equivalent; 2 CO-equivalent: 4 2 6 2 de hoeveelheid CH, NO, HFK’s, PFK’s en SFdie eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO; demonstratieproject: een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland; haalbaarheidsstudie: onderzoek en analyse van het potentieel van een pilotproject met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; milieustudie: onderzoek en analyse van het potentieel van een demonstratieproject of een project met uitontwikkelde technologie met betrekking tot investeringen die nodig zijn om een hoger niveau van milieubescherming te bereiken en die binnen de reikwijdte van deel 7 van de algemene groepsvrijstellingsverordening passen, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; pilotproject: een project bestaande uit experimentele ontwikkeling waarbij een experimenteel prototype product, procedé of dienst wordt getest in een omgeving die representatief is voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan; studie voor duurzame industrie: a. haalbaarheidsstudie; b. milieustudie; of c. vergelijkbare studie; project met uitontwikkelde technologie: een project bestaande uit een investering in technologie waarvan de werking reeds in één of meer demonstratieprojecten is bewezen; vergelijkbare studie: onderzoek en analyse van het potentieel van een demonstratieproject of een project met uitontwikkelde technologie met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen, niet zijnde een milieustudie. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.113 — Artikel 4.2.113 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.113 Subsidieverstrekking bijlage 4.2.16 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een studie voor duurzame industrie die past binnen één van de inopgenomen programmalijnen, aan: a. een onderneming die zelfstandig een studie voor duurzame industrie zal uitvoeren ten behoeve van de eventuele uitvoering van en investering in het project waar de studie op is gericht, door die onderneming zelf of een onderneming die deel uitmaakt van diens groep; b. een deelnemer in een samenwerkingsverband dat ten minste één onderneming bevat, die een studie voor duurzame industrie zal uitvoeren ten behoeve van de eventuele uitvoering van en investering in het project waar de studie op is gericht, door ten minste één van de ondernemingen van het samenwerkingsverband of een onderneming die deel uitmaakt van de groep van één van de ondernemingen. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.114 — Artikel 4.2.114 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.114 Steunintensiteit 1 De subsidie bedraagt voor een studie voor duurzame industrie 50% van de subsidiabele kosten. 2 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. 3 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming. 4 De subsidie bedraagt maximaal: a. bijlage 4.2.16 € 4.000.000 voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie die past binnen programmalijn 1 of 2, opgenomen in; b. bijlage 4.2.16 € 3.000.000 voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie die past binnen programmalijn 3, opgenomen in; c. € 300.000 voor een vergelijkbare studie per onderneming die deze zelfstandig uitvoert of per deelnemer in een samenwerkingsverband over een periode van drie jaar. 5 In afwijking van het vierde lid, onderdelen a en b, bedraagt de subsidie maximaal € 300.000 per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening over een periode van drie jaar. 6 bijlage 4.2.16 Onverminderd het vierde en vijfde lid, bedraagt het totale bedrag aan subsidie voor studies voor duurzame industrie die betrekking hebben op hetzelfde pilotproject, demonstratieproject dan wel project naar uitontwikkelde technologie, maximaal € 4.000.000 per openstellingsperiode, tenzij de studies voor duurzame industrie binnen programmalijn 3, opgenomen in, passen, dan bedraagt het totale bedrag aan subsidie voor studies voor duurzame industrie die betrekking hebben op hetzelfde pilotproject, demonstratieproject dan wel project naar uitontwikkelde technologie maximaal € 3.000.000 per openstellingsperiode. 7 De subsidie bedraagt ten aanzien van de subsidiabele kosten die zijn gemaakt door een onderneming die met de subsidieaanvrager in een groep is verbonden en beschikt over een vaste inrichting in Nederland, maximaal € 25.000. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.114a — Artikel 4.2.114a Subsidiabele kosten#
Artikel 4.2.114a Subsidiabele kosten 1 In geval van een haalbaarheidsstudie komen de kosten als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking. 2 In geval van een milieustudie komen de kosten als bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking. 3 In geval van een vergelijkbare studie komen de kosten van de studie in aanmerking voor subsidie. 4 In geval van een milieustudie of een vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie komen de kosten, bedoeld in het tweede respectievelijk het derde lid, alleen voor subsidie in aanmerking, voor zover het gaat om subsidiabele kosten die zijn gemaakt door een onderneming die niet met de subsidieaanvrager in een groep is verbonden. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.115 — Artikel 4.2.115 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.115 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 2022 8113 21-03-2022 15-03-2022 WJZ/22094645 22-03-2022
Artikel 4.2.116 — Artikel 4.2.116 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.116 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is: a. één jaar voor studies voor duurzame industrie waarvoor de subsidie maximaal € 1.000.000 bedraagt; b. twee jaar voor studies voor duurzame industrie waarvoor de subsidie meer dan € 1.000.000 bedraagt. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.117 — Artikel 4.2.117 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.117 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de kwaliteit van het project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met de risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; b. in onvoldoende mate is voorzien in een kwalitatief goede kennisverspreiding; c. in geval van een samenwerkingsverband, de samenwerking onvoldoende evenwichtig is, blijkend uit: 1°. de verdeling van de kosten tussen de deelnemers, of 2°. de verhouding tussen private en publieke financiering van het project; d. het projectplan niet in voldoende mate de vervolgstappen beschrijft die na afloop van het project bij een positief resultaat gezet zullen gaan worden om tot uitvoering en implementatie van hetgeen onderzocht is te komen; e. de aanvraag betrekking heeft op een vergelijkbare studie en deze is gedaan door een onderneming die deze studie zelfstandig uitvoert of één of meerdere deelnemers in een samenwerkingsverband die een onderneming in stand houdt dan wel houden, die actief is respectievelijk zijn in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; f. de aanvraag betrekking heeft op een vergelijkbare studie en deze ziet op activiteiten die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; g. de aanvraag betrekking heeft op een milieustudie of een vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie waarvoor de te verlenen subsidie minder dan € 25.000 zou bedragen; h. de subsidiabele kosten voor meer dan 50% bestaan uit kosten voor testwerkzaamheden ter beantwoording van haalbaarheidsvragen; i. de aanvraag betrekking heeft op een milieustudie of vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie en onvoldoende aannemelijk is dat de terugverdientijd van de te onderzoeken investering meer dan vijf jaar zou zijn. 2025 14408 29-04-2025 26-04-2025 WJZ/97352794 2025 14408 29-04-2025 26-04-2025 WJZ/97352794 30-04-2025
Artikel 4.2.117a — Artikel 4.2.117a Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.117a Informatieverplichtingen 1 artikel 4.2.3, eerste en tweede lid Onverminderd, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun: a. van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien het een aanvraag betreft voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie; b. van een onderneming die een vergelijkbare studie zelfstandig uitvoert of van elke deelnemer in het samenwerkingsverband, indien het een aanvraag betreft voor een vergelijkbare studie. 2 Tegelijkertijd met de aanvraag tot subsidievaststelling, geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag tenminste inzicht in: a. de vervolgstappen die het samenwerkingsverband gaat zetten na afloop van het project om tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is te komen; b. 2 de verwachte CO-reductie die zou ontstaan bij uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.118 — Artikel 4.2.118 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 4.2.118 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a van het besluit Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in, geeft in ieder geval inzicht in: a. de financiële of economische kansen, inclusief een of meer mogelijke verdienmodellen die noodzakelijk zijn om het concept of de technologie succesvol toe te kunnen passen; b. de niet-technologische factoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het concept of de technologie in de markt en de wijze waarop daarmee wordt omgegaan; c. de opschalingsmogelijkheden en het herhaalpotentieel van wat onderzocht is; d. bijlage 4.2.16 2 indien het een haalbaarheidsstudie binnen programmalijn 1, opgenomen in, met betrekking tot afvang, transport, hergebruik en opslag van CObetreft, voor zover van toepassing, een algemene en technische omschrijving van de onderzochte installaties en infrastructuur, een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het onderzochte project, de investeringskosten per component van het onderzochte project, de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, inclusief risico-opslag, en een overzicht van alle kosten en baten. 2024 6013 29-02-2024 23-02-2024 WJZ/45570775 2024 6013 29-02-2024 23-02-2024 WJZ/45570775 01-04-2024
Artikel 4.2.119 — Artikel 4.2.119 Staatssteun#
Artikel 4.2.119 Staatssteun 1 De subsidie voor een milieustudie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening. 2 De subsidie voor de haalbaarheidsstudies bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 3 van de algemene de-minimisverordening. 3 De subsidie voor een vergelijkbare studie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 3 van de algemene de-minimisverordening. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.2.120 — Artikel 4.2.120 Begripsbepalingen#
Artikel 4.2.120 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: HEP-call: artikel 16 van het besluit gezamenlijke oproep van deelnemende lidstaten voor aanvragen voor HEP-projecten, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in, gedurende de daarin genoemde openstellingsperiode; HEP-project: internationaal project bestaande uit fundamenteel onderzoek voor zover het niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat is ingediend op grond van een HEP-call; internationale expert-panel: panel als bedoeld in de HEP-call, dat de HEP-projecten beoordeelt; internationale rangschikking: rangschikking van de aanvragen voor een HEP-project door het internationale expert-panel; internationale voorselectie: voorselectie van de conceptaanvragen voor een HEP-project door de lidstaten als bedoeld in de HEP-call. 2024 6013 29-02-2024 23-02-2024 WJZ/45570775 2024 6013 29-02-2024 23-02-2024 WJZ/45570775 01-03-2024
Artikel 4.2.121 — Artikel 4.2.121 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.2.121 Subsidieaanvraag De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van activiteiten in een HEP-project aan: a. een in Nederland gevestigde deelnemer aan een HEP-project, of b. een deelnemer in een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde deelnemers aan een HEP-project. 2023 16810 21-06-2023 16-06-2023 WJZ/26957986 2023 16810 21-06-2023 16-06-2023 WJZ/26957986 01-07-2023
Artikel 4.2.122 — Artikel 4.2.122 Hoogte subsidie#
Artikel 4.2.122 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt: a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; c. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten door onderzoeksorganisaties. 2 De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. 3 De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming. 4 Onverminderd het tweede en derde lid, worden de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages voor ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd, indien het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek. 5 Het maximale subsidiebedrag is het maximale subsidiebedrag, bedoeld in de HEP-call. 6 Onverminderd het vijfde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening maximaal € 300.000 over een periode van drie jaar. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.123 — Artikel 4.2.123 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.123 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond per HEP-call op volgorde van de internationale rangschikking. 2023 16810 21-06-2023 16-06-2023 WJZ/26957986 2023 16810 21-06-2023 16-06-2023 WJZ/26957986 01-07-2023
Artikel 4.2.124 — Artikel 4.2.124 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.124 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is de termijn, genoemd in de HEP-call. 2023 6239 27-02-2023 21-02-2023 WJZ/26368237 2023 6239 27-02-2023 21-02-2023 WJZ/26368237 28-02-2023
Artikel 4.2.125 — Artikel 4.2.125 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.125 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. het HEP-project in de internationale voorselectie wordt afgewezen; b. het HEP-project in de internationale rangschikking een lager aantal punten krijgt toegekend dan het minimaal aantal punten, genoemd in de HEP-call; c. het HEP-project in de internationale rangschikking niet aanbevolen wordt voor financiering; d. het HEP-project niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de HEP-call. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.126 — Artikel 4.2.126 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.2.126 Informatieverplichtingen artikel 4.2.3, eerste en tweede lid Onverminderd, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.127 — Artikel 4.2.127 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 4.2.127 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger voldoet aan voorwaarden en verplichtingen die zijn opgenomen in de HEP-call. 2 artikel 4.2.2, vierde lid In afwijking van, wordt iedere publicatie door of met medewerking van de in Nederland gevestigde deelnemers in het project of diens medewerkers voorzien van de vermelding dat het een HEP-project betreft en van de naam van de HEP-call. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Voorheen art. 4.2.126. Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.128 — Artikel 4.2.128#
Artikel 4.2.128 artikel 4.2.121 De subsidie, bedoeld in, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 2025 43110 18-12-2025 15-12-2025 WJZ/101744474 01-01-2026 Voorheen art. 4.2.127. Deze wijziging is niet van toepassing op aanvragen die in de
periode van 1 mei 2025 tot en met 31 maart 2026 zijn ingediend op
grond van artikel 4.2.113 en aanvragen die in de periode van 5
januari tot en met 12 februari 2026 zijn ingediend op grond van
artikel 4.2.44 en passen binnen MOOI-missie Elektriciteit,
innovatiethema 5.
Artikel 4.2.129 — Artikel 4.2.129 Begripsomschrijving#
Artikel 4.2.129 Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: – internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband: bijlage 4.2.18 samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een strategisch partnerland en bijdraagt aan de doelstellingen passend binnen de inopgenomen beschrijving; – klimaatakkoord: klimaatakkoord van 28 juni 2019, zoals opgenomen in de Kamerstukken II 2018/19, 32 813, nr. 342; – strategisch partnerland: landen waarmee Nederland een strategische samenwerking heeft op het gebied van duurzame luchtvaart: a. Brazilië; b. Canada; c. de landen van de Europese Unie; d. het Verenigd Koninkrijk; en e. de Verenigde Staten van Amerika; – TSH Vliegtuigmaakindustrieproject: bijlage 4.2.18 project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in(TSH Vliegtuigmaakindustrieproject) opgenomen beschrijving. 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 06-07-2023
Artikel 4.2.130 — Artikel 4.2.130 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.2.130 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband of een internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TSH Vliegtuigmaakindustrieproject. 2 Een samenwerkingsverband bevat tenminste één onderneming. 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 06-07-2023
Artikel 4.2.131 — Artikel 4.2.131 Steunintensiteit#
Artikel 4.2.131 Steunintensiteit 1 De subsidie bedraagt voor een TSH Vliegtuigmaakindustrieproject: a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c, worden verhoogd met: a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. 3 De subsidie bedraagt: a. ten minste: i. € 125.000 per deelnemer aan het samenwerkingsverband; of ii. € 125.000 per in Nederland gevestigde deelnemer aan het internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband; en b. ten minste € 500.000 en maximaal € 4.000.000 per TSH Vliegtuigmaakindustrieproject. 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 06-07-2023
Artikel 4.2.132 — Artikel 4.2.132 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.2.132 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2021 22637 04-05-2021 27-04-2021 WJZ/20305904 2021 22637 04-05-2021 27-04-2021 WJZ/20305904 15-05-2021
Artikel 4.2.133 — Artikel 4.2.133 Realisatietermijn#
Artikel 4.2.133 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b De termijn, bedoeld in, van het besluit, is 5 jaar. 2021 22637 04-05-2021 27-04-2021 WJZ/20305904 2021 22637 04-05-2021 27-04-2021 WJZ/20305904 15-05-2021
Artikel 4.2.134 — Artikel 4.2.134 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.2.134 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. artikel 4.2.135, eerste lid na toepassing van, minder dan 3 punten aan één van de criteria is toegekend; b. eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; c. er geen afspraken zijn gemaakt over het intellectueel eigendom van het TSH Vliegtuigmaakindustrieproject. 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 06-07-2023
Artikel 4.2.135 — Artikel 4.2.135 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.2.135 Rangschikkingscriteria 1 De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate: a. bijlage 4.2.18 het project meer bijdraagt aan de doelstelling van de subsidie, opgenomen in; b. de slaagkans van de innovatie in de internationale markt groter is; c. de bijdrage aan de Nederlandse economie groter is; d. het project meer bijdraagt aan versterking van de positie van Nederlandse partijen in samenwerking met strategische partnerlanden; e. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, het samenwerkingsverband en de deelnemende partijen; f. het project meer bijdraagt aan de realisatie van de klimaatdoelstellingen voor 2030 zoals vastgelegd in het klimaatakkoord. 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. 3 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project. 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 2023 18086 05-07-2023 30-06-2023 WJZ/32384309 06-07-2023
Artikel 4.2.136 — Artikel 4.2.136 Staatssteun#
Artikel 4.2.136 Staatssteun artikel 4.2.130 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2021 22637 04-05-2021 27-04-2021 WJZ/20305904 2021 22637 04-05-2021 27-04-2021 WJZ/20305904 15-05-2021
Artikel 4.3.1 — Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: aardwarmte: artikel 1, onderdeel b, van de Mijnbouwwet aardwarmte in de zin van; aardwarmteproject: mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte met een diepte van de top van de aquifer van ten minste 500 meter tot ten hoogste 3.500 meter, door het boren van een doublet of een half doublet; alternatiefwerkzaamheden: activiteiten om het alternatief gebruik van een put met een lager dan verwacht gerealiseerd vermogen in MW mogelijk te maken; alternatief gebruik: gebruik van een aardwarmteput voor andere doeleinden dan het overeenkomstig de aanvraag winnen en toepassen van aardwarmte; diep aardwarmteproject: mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte vanaf ten minste 3.500 meter diepte van de top van de aquifer door het boren van een doublet of een half doublet; doublet: productieput en injectieput; droge exploratieput: put voor olie- of gasexploratie waar geen koolwaterstoffen in vrije fase zijn aangetroffen in de aquifer die gebruikt gaat worden voor de winning van aardwarmte; geologisch onderzoek: bijlage 4.3.1 geologisch onderzoek, inclusief het rapport opgesteld overeenkomstig het model in; geologisch risico: risico op een te laag gerealiseerd vermogen voor zover dit te wijten is aan specifieke aquifer parameters bestaande uit: a. de bruto aquiferdikte; b. de netto-bruto verhouding van de aquifer; c. de aquifer permeabiliteit; d. de diepte van de top van de aquifer; e. de saliniteit van het formatiewater; of f. de geothermische gradient; gerealiseerde subsidiabele kosten: rechtstreeks aan het aardwarmteproject toe te rekenen, door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde subsidiabele kosten; gerealiseerd vermogen: uit de puttest gebleken werkelijke vermogen in MW, met een correctie op skin = 0; half-doublet: eerste of tweede put van een doublet, of vervolgput; maximale subsidiebedrag: in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, bestaande uit 85 procent van de verwachte subsidiabele kosten met een maximum van € 7.225.000 voor een aardwarmteproject en € 12.750.000 voor een diep aardwarmteproject; niet-geologische parameters: niet-geologische parameters, genoemd in de tabel in hoofdstuk 1, paragraaf 1.1, van het geologisch onderzoek; puttest: bijlage 4.3.2 test van het vermogen van de put of putten met als resultaat meetreeksen plus interpretatie, uitgevoerd en geïnterpreteerd overeenkomstig; putstimulatie: uitvoeren van technieken die leiden tot een verlaagde weerstand voor het toestromen van vloeistof van het reservoir naar de put of vice versa, zodat de productiviteit of injectiviteit van de put wordt verhoogd; restwaarde: opbrengst van het project bij de economisch meest rendabele alternatieve toepassing gedurende 15 jaar; verbeterwerkzaamheden: werkzaamheden aan de productieput, injectieput of pompinstallatie om het gerealiseerde vermogen van het doublet in MW te verhogen; vervolgput: nieuwe put vanuit of naast een productie- of injectieput van een beëindigd of bestaand aardwarmteproject of diep aardwarmteproject die gebruikt wordt voor een bestaand of nieuw aardwarmteproject of diep aardwarmteproject; verwachte subsidiabele kosten: in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiabele kosten; verwacht vermogen: n de beschikking tot subsidieverlening vermelde verwacht vermogen in MW. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.2 — Artikel 4.3.2 Subsidieverstrekking en verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.3.2 Subsidieverstrekking en verdeling van het subsidieplafond 1 De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland uitvoert: a. een aardwarmteproject; b. een diep aardwarmteproject. 2 De Minister verdeelt het subsidieplafond voor aardwarmteprojecten, respectievelijk het subsidieplafond voor diep aardwarmteprojecten, in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 3 Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, respectievelijk het eerste lid onderdeel b, lager is dan het subsidieplafond dat voor de desbetreffende soort projecten is vastgesteld, wordt het voor de ene soort project overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de andere soort project toegevoegd. 4 De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat door het geologische risico op het beoogde stratigrafische niveau op de beoogde locatie en bij de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde niet-geologische parameters, het gerealiseerd vermogen lager is dan het verwacht vermogen. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.3 — Artikel 4.3.3 Realisatietermijn en afwijzingsgronden#
Artikel 4.3.3 Realisatietermijn en afwijzingsgronden 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld inis twee jaar. 2 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. uit het geologisch onderzoek blijkt dat de geschatte kans op het realiseren van het verwachte vermogen kleiner is dan 90 procent; b. artikel 6 van de Mijnbouwwet op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie geen vergunning als bedoeld inis afgegeven voor het betreffende gebied; c. in het projectplan niet aannemelijk is gemaakt dat het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject binnen twee jaar na voltooiing van de boringen zal leiden tot de start van toepassing van aardwarmte in Nederland; d. het verwacht vermogen lager is dan 0,5 MW zonder putstimulatie bij aardwarmteprojecten met een diepte van de top van de aquifer van ten minste 500 meter tot ten hoogste 1.500 meter; e. het verwacht vermogen lager is dan 2 MW zonder putstimulatie voor de andere aardwarmteprojecten; f. bij een half doublet, als de gegarandeerde put de tweede put van een doublet of een vervolgput betreft, de resultaten van de eerste put aardwarmtewinning niet aannemelijk maken; g. bij een half doublet, als de gegarandeerde put de tweede put van een doublet betreft, de eerste put van een doublet geen droge exploratieput of geen bestaande aardwarmteput is. 3 Bij de beoordeling van de aanvragen wint de Minister advies in van TNO. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.4 — Artikel 4.3.4 Subsidiemaximum#
Artikel 4.3.4 Subsidiemaximum 1 De subsidie bedraagt maximaal € 11.050.000 per aardwarmteproject. 2 De subsidie bedraagt maximaal € 18.700.000 per diep aardwarmteproject. 3 Het subsidiebedrag wordt zodanig verminderd, dat de som van de volgende bedragen niet meer dan 95 procent van de gerealiseerde subsidiabele kosten bedraagt: – het subsidiebedrag, – het bedrag aan overige voor het betreffende project aan de subsidieontvanger verleende dan wel vastgestelde subsidies, en – het bedrag waarop de subsidieontvanger voor het desbetreffende project op grond van een verzekering of garantstelling aanspraak kan doen. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.5 — Artikel 4.3.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.3.5 Subsidiabele kosten 1 artikelen 10 tot en met 14 van het besluit Dezijn niet van toepassing. 2 Bij een doublet komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: a. kosten boring productie- en injectieput; b. artikel 4.3.10 premie die door de subsidieontvanger krachtenswordt betaald; c. kosten op- en afbouwen boorinstallatie; d. kosten boormanagement en -toezicht; e. kosten locatie boorgereed maken; f. cuttings/spoeling afvoeren; g. kosten puttest en rapportage; h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat; i. additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar; j. additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar; k. onvoorziene kosten tot en met de realisatie van het doublet met inbegrip van de puttesten van het doublet. 3 Bij een half-doublet komen de volgende kosten voor de subsidie in aanmerking: a. kosten boring gegarandeerde put; b. artikel 4.3.10 premie die door de subsidieontvanger krachtenswordt betaald; c. kosten op- of afbouwen boorinstallatie voor de gegarandeerde put; d. kosten boormanagement en -toezicht voor de realisatie van de gegarandeerde put met inbegrip van de puttest van deze put; e. kosten locatie boorgereed maken voor de gegarandeerde put; f. kosten cuttings/spoeling afvoeren van de gegarandeerde put; g. kosten puttest en rapportage van de gegarandeerde put; h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat van de gegarandeerde put; i. de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor de gegarandeerde put voor ten hoogste 15 jaar; j. de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor de gegarandeerde put voor ten hoogste 15 jaar; k. onvoorziene kosten bij de realisatie van de gegarandeerde put van het half doublet met inbegrip van de puttest van deze put. 4 Indien subsidie wordt verstrekt voor een doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 500.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie of het dichten van de put of putten. 5 Indien subsidie wordt verstrekt voor een half-doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 250.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie voor de gegarandeerde put of het dichten van deze put. 6 Voor zover kosten uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd van overheidswege komen zij niet in aanmerking voor subsidie. 7 artikel 6, eerste lid, van het besluit Bij de toepassing vanblijven buiten beschouwing: a. de subsidies op grond van: 1°. hoofdstuk 2 van bijlage 2 Marktintroductie energie-innovaties van de Regeling LNV-subsidies , 2°. Unieke kansen regeling de, 3°. de Subsidieregeling internationaal innoveren, 4°. hoofdstuk 3 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie , 5°. Besluit stimulering duurzame energieproductie het, 6°. paragraaf 4.2.10, Demonstratie energie-innovatie (DEI), 7°. paragraaf 4.2.3, Hernieuwbare energie, 8°. titel 2.3, Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw; en b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van: 1°. het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, 2°. het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, 3°. het meerjarenprogramma voor acties op energiegebied: ‘Intelligente energie- Europa’, 4°. het financieringsinstrument voor het Milieu: ‘Life’, 5°. Richtlijn 2003/87/EG Richtlijn 96/61/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging vanvan de Raad (Pb EG 2003/L275), 6° Verordening (EU) nr. 1308/2013 Verordeningen (EEG) nr. 922/72 (EEG) nr. 234/79 (EG) nr. 1037/2001 (EG) nr. 1234/2007 Verordening (EG) nr. 1234 /2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) envan het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de,,envan de Raad (PbEU 2013, L 347), 7°. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, 8°. INTERREG, 9°. de Europese Structuur- en Cohesiefondsen, en 10°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347). 8 artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 6, eerste lid, van het besluit deze titel Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in, worden aangemerkt als publieke cofinanciering en blijven bij de toepassing vanbuiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtensper project kan worden verstrekt. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.6 — Artikel 4.3.6 Subsidieomvang doublet#
Artikel 4.3.6 Subsidieomvang doublet 1 Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een doublet geldt dat: a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste boring gelijk aan of meer dan 75% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project staakt, de subsidie op nihil wordt vastgesteld; b. artikel 4.3.9 indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project voltooit,van toepassing is; c. artikel 4.3.8 indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50%, maar minder dan 75% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project na de eerste boring staakt,van toepassing is; d. artikel 4.3.8 indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring 50% of minder van het verwacht vermogen is,van toepassing is. 2 De subsidieontvanger staakt het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject door eigen aangifte dan wel wordt geacht dit project te staken door niet binnen een jaar na voltooiing van de eerste boring het doublet te voltooien. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.7 — Artikel 4.3.7 Subsidieomvang half-doublet#
Artikel 4.3.7 Subsidieomvang half-doublet 1 Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet en de gegarandeerde put de eerste put van het doublet is, geldt dat: a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put gelijk aan of meer dan 75% van het verwacht vermogen is, de subsidie op nihil wordt vastgesteld indien de subsidieontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie; b. artikel 4.3.9 indien de subsidieontvanger na het boren van de eerste put overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie,van toepassing is op de eerste put; c. artikel 4.3.8 indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put minder dan 75% van het verwacht vermogen is,van toepassing is wanneer de subsidieontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet. 2 artikel 4.3.9 Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een half doublet, en de gegarandeerde put de tweede put van het doublet, of een vervolgput is, isvan toepassing op deze put. 3 Artikel 4.3.6, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing op een aardwarmteproject en een diep aardwarmteproject waarbij de subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.8 — Artikel 4.3.8 Berekening subsidie-omvang#
Artikel 4.3.8 Berekening subsidie-omvang 1 De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule: Subsidiebedrag = e/f * (a – c + d) en maximaal: Subsidiebedrag = e/f * (a – b) In deze formules betekent: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten van de eerste boring, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, b: de restwaarde bij alternatief gebruik zonder alternatiefwerkzaamheden, c: de restwaarde bij alternatief gebruik na alternatiefwerkzaamheden, d: de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar, e: het maximale subsidiebedrag, f: de verwachte subsidiabele kosten. 2 Indien de put definitief wordt afgedicht is de restwaarde nul. Indien de restwaarde negatief is wordt de restwaarde op nul gesteld. 3 Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan bedraagt de subsidie ten hoogste 60 procent van het maximale subsidiebedrag. Indien subsidie is verstrekt voor een half-doublet dan bedraagt het subsidiebedrag ten hoogste het maximale subsidiebedrag. 4 Indien de formule in het eerste lid een negatieve uitkomst oplevert wordt de subsidie op nul gesteld. 5 Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan wordt de betaalde premie minus 5,95 procent van de tot en met de eerste boring gerealiseerde subsidiabele kosten gerestitueerd. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.9 — Artikel 4.3.9 Berekening subsidie-omvang#
Artikel 4.3.9 Berekening subsidie-omvang 1 De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule: Subsidiebedrag = f/g * a * (1 – d / c) + f/g * e en maximaal: Subsidiebedrag = f/g * a * (1 – b / c) In deze formules betekent: a: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, b: het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden, c: het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking, d: het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden, e: de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar, f: het maximale subsidiebedrag, g: de verwachte subsidiabele kosten. 2 De subsidie wordt op nul gesteld indien het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking. 3 Indien het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking, wordt de term f/g * a (1 – d / c) in het eerste lid op nul gesteld. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.10 — Artikel 4.3.10 Premie#
Artikel 4.3.10 Premie 1 De subsidieontvanger betaalt voorafgaand aan de start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject een premie van 7 procent van het maximale subsidiebedrag. 2 Bij verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 8.500.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 505.750. 3 Bij een diep aardwarmteproject en verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 15.000.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 892.500. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.11 — Artikel 4.3.11 Aanvangstermijn#
Artikel 4.3.11 Aanvangstermijn 1 De subsidieontvanger start binnen twaalf maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject en meldt de datum van aanvang binnen twee dagen na aanvang aan de Minister. De Minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger uitstel verlenen. 2 Het boorgereed maken van de locatie wordt aangemerkt als start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.12 — Artikel 4.3.12 Verbeter- of alternatiefwerkzaamheden en alternatief gebruik#
Artikel 4.3.12 Verbeter- of alternatiefwerkzaamheden en alternatief gebruik 1 Een subsidieontvanger doet na de puttest of puttesten mededeling aan de Minister over: a. het al dan niet uitvoeren van op toename van het gerealiseerde vermogen respectievelijk verhoging van de restwaarde gerichte verbeter- of alternatiefwerkzaamheden; b. het al dan niet toepassen van een beter renderend alternatief gebruik van de put of putten. 2 Aan vaststelling van de subsidie is de verplichting verbonden gedurende vijf jaar na vaststelling af te zien van werkzaamheden en van alternatief gebruik als bedoeld in het eerste lid. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.13 — Artikel 4.3.13 Puttest#
Artikel 4.3.13 Puttest 1 De subsidieontvanger verstrekt binnen acht weken na de boring van een put, de resultaten van deze puttest aan de Minister. 2 De subsidieontvanger verstrekt binnen acht weken na verbeterwerkzaamheden, de resultaten van deze puttest aan de Minister. 3 Het geologisch onderzoek en de puttest worden uitgevoerd door een ISO 9001 gecertificeerde instelling. 4 artikel 4.3.11, eerste lid De subsidieontvanger maakt de resultaten van het geologische onderzoek en het advies van TNO binnen acht weken na de start, bedoeld in, openbaar. 5 artikel 4.3.5 De subsidieontvanger maakt binnen vier weken na datum van de beschikking tot subsidievaststelling de resultaten openbaar van de puttest of puttesten, voor zover van toepassing het advies van TNO over de puttest of de puttesten, en overige onderzoeksresultaten die door de subsidieontvanger als subsidiabele kosten als bedoeld inworden aangemerkt. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.14 — Artikel 4.3.14 Realisatietermijn#
Artikel 4.3.14 Realisatietermijn 1 artikel 4.3.11, eerste lid De subsidieontvanger voltooit het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject uiterlijk twaalf maanden na de datum van aanvang van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject, bedoeld in. 2 artikel 4.3.12, eerste lid De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt met twaalf maanden verlengd indien uit de mededeling, bedoeld in, blijkt dat de subsidieontvanger verbeterwerkzaamheden of alternatiefwerkzaamheden wil uitvoeren. 3 De Minister kan voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.15 — Artikel 4.3.15 Voorschot#
Artikel 4.3.15 Voorschot artikelen 45 tot en met 47 van het besluit Dezijn niet van toepassing. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.16 — Artikel 4.3.16 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.3.16 Informatieverplichtingen 1 artikel 4.2.3 Een aanvraag om subsidie op grond vanbevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 4.2.3 Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie op grond vanten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over het project. 3 deze titel De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtensis verleend bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de Minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.17 — Artikel 4.3.17 Staatssteun#
Artikel 4.3.17 Staatssteun artikel 4.3.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.3.18 — Artikel 4.3.18 Vervaltermijn#
Artikel 4.3.18 Vervaltermijn Deze titel bijlagen 4.3.1 4.3.2 en deenvervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 2023 10298 24-04-2023 20-04-2023 WJZ/22291436 25-04-2023
Artikel 4.4.1 — Artikel 4.4.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.4.1 Begripsomschrijvingen In deze titel wordt verstaan onder: aanvraagjaar: kalenderjaar waarin de aanvraag voor subsidie wordt ingediend; CO2: 2 2 COof CO-equivalent; CO2-emissiefactor: 2 0,45 tCO/MWh; CO2-equivalent: 4 2 2 bijlage 4.4.3 hoeveelheid CH, NO, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren ineenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO; CO2-reductieplan: artikel 4.4.8 plan, bedoeld in; efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik: Verordening (EU) 2019/331 Richtlijn 2003/87/EG bijlage 4.4.1 bijlage 4.4.2 op Prodcom 8-niveau gedefinieerd productspecifiek elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh/ton output, dat wordt bereikt met de meest elektriciteitsefficiënte productiemethoden voor het beschouwde product. Voor producten in de in aanmerking komende bedrijfstakken waarvoor de uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit werd vastgesteld in punt 2 van bijlage I bij Gedelegeerdevan de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis vanvan het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59), worden de efficiëntiebenchmarks voor elektriciteitsverbruik binnen dezelfde systeemgrenzen vastgesteld, uitsluitend rekening houdend met het aandeel van elektriciteit voor de bepaling van het steunbedrag. De overeenkomstige elektriciteitsverbruikbenchmarks voor producten die vallen onder de in aanmerking komende bedrijfstakken, bedoeld in, zijn opgenomen in; EUA-termijnkoers: gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse 1-jaarstermijnkoersen van EUA’s (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar t, zoals waargenomen op een Europese EUA koolstofbeurs van 1 januari tot en met 31 december in het kalenderjaar voorafgaand aan jaar t; fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik: 80 procent van het werkelijke elektriciteitsverbruik. De fallback-efficiëntiebenchmark wordt vanaf aanvraagjaar 2023 jaarlijks met 1,09 procent verlaagd en wordt toegepast voor alle producten die onder de in aanmerking komende bedrijfstakken vallen, maar waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is gedefinieerd. indirecte emissiekosten ETS: 2 Richtlijn 2003/87/EG Richtlijn 96/61/EG door elektriciteitsbedrijven doorberekende CO-kosten in de elektriciteitsprijzen als gevolg van deelname aan het Europese emissiehandelssysteem als bedoeld invan het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging vanvan de Raad (PbEU 2003, L275); inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht; jaar t: kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt verstrekt; KvK-nummer: artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 nummer waarmee de subsidieaanvrager is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in; scope 1-emissie: emissie door installaties die in eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de inrichting; monitoringsrapportage: artikel 4.4.9 rapportage, bedoeld in; scope 2-emissie: emissie die ontstaat door de opwekking van elektriciteit, warmte en koeling, en stoom in installaties die niet tot de inrichting behoren, maar wel door de inrichting worden gebruikt; werkelijk elektriciteitsverbruik: werkelijke elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh, in de installatie in jaar t, bepaald ex post in jaar t+1; werkelijke output: werkelijke productie van de installatie in jaar t, uitgedrukt in ton per jaar, bepaald ex post in jaar t+1. 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 03-07-2024
Artikel 4.4.2 — Artikel 4.4.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.4.2 Subsidieverstrekking 1 bijlage 4.4.1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de indirecte emissiekosten aan een ondernemer die een inrichting drijft waar producten worden vervaardigd in bedrijfstakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een reëel koolstoflekkagerisico als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen doordat broeikasgasemissiekosten in de elektriciteitsprijzen worden doorberekend, bedoeld in. 2 2 Het CO-reductieplan maakt vanaf aanvraagjaar 2023 deel uit van de aanvraag. 3 De minister verstrekt ambtshalve een voorschot binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. 4 De hoogte van het voorschot bedraagt 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 03-07-2024
Artikel 4.4.3 — Artikel 4.4.3 Hoogte subsidie#
Artikel 4.4.3 Hoogte subsidie 1 De hoogte van de subsidie wordt bepaald door de kosten die in jaar t zijn gemaakt: a. voor elk product waarvoor een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, afzonderlijk berekend overeenkomstig de volgende formule: t t–1 t Ai * C* P* E * AO In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een breuk; t 2 C: de CO-emissiefactor; t–1 2 P: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO); bijlage 4.4.2 E: de toepasselijke productspecifieke efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik als omschreven in; t AO: de werkelijke output in jaar t. b. voor producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, berekend overeenkomstig de volgende formule: t t–1 t Ai * C* P* EF * AEC. In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een breuk; t 2 C: de CO-emissiefactor; t–1 2 P: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO); EF: de fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik in jaar t; t AEC: het werkelijke elektriciteitsverbruik (MWh) in jaar t. 2 De hoogte van het subsidiebedrag wordt verminderd met het bedrag in euro dat overeenkomt met de indirecte emissiekosten ETS van 1.000 MWh, berekend overeenkomstig de volgende formule: t t–1 Ai *C*P* EF *AEC. In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een percentage; t 2 C: de CO-emissiefactor; t–1 2 P: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO); EF: de fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik in jaar t; AEC: 1.000 (MWh). 3 De steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt 75 procent van de opgelopen indirecte kosten gemaakt in 2021 tot en met 2030. 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 01-09-2022
Artikel 4.4.4 — Artikel 4.4.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.4.4 Subsidiabele kosten artikelen 10, eerste tot en met vijfde en zevende lid 11 tot en met 14 van het besluit In afwijking van de, enkomen de indirecte emissiekosten ETS in aanmerking voor subsidie voor zover deze indirecte emissiekosten: a. bijlage 4.4.1 betrekking hebben op de vervaardiging van producten in bedrijfstakken, bedoeld in; b. niet het gevolg zijn van productieprocessen waarbinnen energiedragers worden verwerkt en worden geproduceerd met als doel meer dan 50 procent van de energiedragers te produceren met een fossiele oorsprong. 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 01-09-2022
Artikel 4.4.5 — Artikel 4.4.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.4.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen. 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 01-09-2022
Artikel 4.4.6 — Artikel 4.4.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.4.6 Afwijzingsgronden 1 artikel 23, onderdelen a tot met h, van het besluit De afwijzingsgronden, genoemd inzijn niet van toepassing. 2 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. artikel 18 van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie de subsidieaanvrager, indien van toepassing, niet voldoet aan zijn verplichting een energie-audit uit te voeren op grond van; b. 2 artikel 4.4.2, tweede lid de subsidieaanvrager geen CO-reductieplan als bedoeld in, heeft overgelegd; c. 2 artikel 4.4.8, eerste en tweede lid de subsidieaanvrager een CO-reductieplan heeft overgelegd dat niet voldoet aan de eisen, genoemd in; d. 2 2 de subsidieaanvrager een of meer in het CO-reductieplan vastgestelde investeringen, die overeenkomstig het CO-reductieplan gepland stonden voor jaar t, niet of gedeeltelijk niet heeft gerealiseerd en geen argument hiervoor heeft aangeleverd dat de minister als valide aanmerkt; e. de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op productieprocessen waarbinnen energiedragers worden verwerkt en worden geproduceerd met als doel meer dan 50 procent van de energiedragers te produceren met een fossiele oorsprong. 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 03-07-2024
Artikel 4.4.7 — Artikel 4.4.7 Subsidieverplichtingen#
Artikel 4.4.7 Subsidieverplichtingen 1 artikelen 37 tot en met 42 van het besluit Op een subsidie voor de indirecte emissiekosten ETS zijn deniet van toepassing. 2 artikel 4.4.9 De subsidieontvanger verstrekt, totdat een verzoek tot vaststelling is ingediend, jaarlijks een monitoringsrapportage, als bedoeld in. 3 2 2 artikel 4.4.8 De subsidieontvanger voert de CO-reducerende maatregelen uit overeenkomstig het inopgenomen CO-reductieplan. 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 03-07-2024
Artikel 4.4.8 — Artikel 4.4.8 2 Co-reductieplan#
Artikel 4.4.8 2 Co-reductieplan 1 2 2 Het CO-reductieplan bestaat uit een verkenning van de mogelijkheden om de absolute CO-emissie van de bestaande inrichting te reduceren en bevat een pakket aan technische voorzieningen waarmee tot en met 2030 de totale scope 1-emissie en scope-2 emissie van de inrichting met ten minste 3 procent per jaar wordt gereduceerd ten opzichte van de scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020. 2 2 Het CO-reductieplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld standaardformulier en bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de bedrijfsprocessen; b. een overzicht van de totale scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020 als gevolg van de bedrijfsprocessen; c. 2 een CO-emissie onderverdeling naar de relevante onderdelen van het bestaande bedrijfsproces, die voor minimaal 90 procent dekkend is; d. 2 een toelichting op de rekenmethodieken waarmee de CO-emissie is bepaald; e. 2 een overzicht van de mogelijkheden tot en de kwantificering van CO-reductie; f. een raming van de te verwachten investeringskosten per technische voorziening, waarbij in totaal ten minste 50 procent van het subsidiebedrag wordt geïnvesteerd in projecten die leiden tot ten minste 3 procent reductie per jaar van de broeikasgasemissies van de inrichting; g. 2 een plan van aanpak voor de planning en uitvoering van de in het plan benoemde technische voorzieningen waaruit blijkt dat voor de periode 2021–2025 ten minste 3 procent COemissiereductie per jaar waarvoor subsidie is verleend behaald wordt ten opzichte van het kalenderjaar 2020 met dien verstande dat de technische voorzieningen uiterlijk op 31 december 2030 zijn gerealiseerd. 3 2 - 2 Indien uit het COreductieplan blijkt dat het voldoen aan het tweede lid, onderdeel f, gedeeltelijk niet haalbaar is, kan de minister de mogelijkheid bieden om, onverminderd de uitvoering van de in het CO-reductieplan benoemde technische voorzieningen, een aanvullend plan op te stellen waarmee wordt zeker gesteld dat uiterlijk binnen twee jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de onderneming subsidie als bedoeld in artikel 4.4. aanvraagt ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik wordt ingevuld met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen die: a. wordt opgewekt binnen de inrichting of binnen een straal van 50 kilometer van de inrichting; of b. wordt ingekocht op basis van een contract dat specificeert dat de elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron afkomstig is. 4 De minister biedt de mogelijkheid, genoemd in het derde lid, indien: a. de subsidieaanvrager beperkt financieel draagkrachtig is doordat de subsidieaanvrager de drie jaar voorafgaand aan het jaar van aanvraag verliesgevend was; b. 2 de kosten voor het reduceren van één ton COgemiddeld meer dan 300 euro bedragen; of c. 2 de subsidieaanvrager met zijn inrichting reeds een zeer efficiënt productieproces kent dat bij een jaarlijkse investering van minder dan 50 procent van het ontvangen subsidiebedrag in CO-reductiemaatregelen lager uitkomt dan 15 procent onder de toepasselijke benchmark voor kosteloze toewijzing in het EU-ETS. 2025 23428 04-07-2025 03-07-2025 WJZ/99127279 2025 23428 04-07-2025 03-07-2025 WJZ/99127279 05-07-2025
Artikel 4.4.9 — Artikel 4.4.9 Monitoringsrapportage#
Artikel 4.4.9 Monitoringsrapportage 1 2 De monitoringsrapportage bestaat uit een beschrijving van de uitvoering van het CO-reductieplan. 2 De monitoringsrapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld standaardformulier en bevat in ieder geval: a. 2 de in jaar t uitgevoerde maatregelen en de daarbij behaalde CO-emissiereductie uitgedrukt in: 1°. 2 tonnen CO; en 2°. 2 een percentage van de vastgestelde totale CO-emissie in het kalenderjaar 2020; b. een overzicht van de gedane investeringen ten aanzien van de in jaar t uitgevoerde maatregelen; c. 2 2 een overzicht van de totaal behaalde CO-emissiereductie vanaf de start van de uitvoering van het CO-reductieplan; d. een overzicht van de totaal uitgekeerde subsidiebedragen voor de indirecte emissiekosten ETS; en e. 2 een overzicht van het totaal aan gedane investeringen vanaf de start van de uitvoering van het CO-reductieplan. 3 artikel 4.4.8, derde lid Indien, van toepassing is, bevat de monitoringsrapportage ook informatie over de voortgang of realisatie van het verminderen van het totaalgebruik van fossiele brandstoffen in de toeleveringsketen door ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik in te vullen met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen. 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 01-09-2022
Artikel 4.4.10 — Artikel 4.4.10 Overgangsrecht#
Artikel 4.4.10 Overgangsrecht artikel 4.4.2, eerste lid 2 Indien de subsidieaanvrager na 2020 aanvangt met de vervaardiging van producten, bedoeld in, wordt in deze regeling voor ‘het kalenderjaar 2020’ telkens gelezen ‘het eerste jaar waarin de installatie onder ontwerpomstandigheden in bedrijf is geweest’. Indien de installatie slechts een deel van het jaar in bedrijf is geweest wordt de totale CO-emissie geëxtrapoleerd naar een volledig jaar. 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 01-09-2022
Artikel 4.4.11 — Artikel 4.4.11 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.4.11 Informatieverplichtingen 1 artikel 4.4.2 Een aanvraag om subsidie op grond van, bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het KvK-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over het project; d. een onderbouwing van de werkelijke output en het werkelijke elektriciteitsverbruik. 2 Indien het subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en minder bedraagt dan € 125.000 overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag ten behoeve van de onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel een door een onafhankelijke deskundige derde, zijnde accountant, accountant-administratieconsulent of fiscaal adviseur, afgegeven verklaring hierover. Indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt overlegt de aanvrager hierover een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent. 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 2024 21293 02-07-2024 25-06-2024 WJZ/59258258 03-07-2024
Artikel 4.4.12 — Artikel 4.4.12 Subsidievaststelling#
Artikel 4.4.12 Subsidievaststelling 1 De subsidieontvanger kan bij het indienen van de monitoringsrapportage, of uiterlijk 13 weken na 31 december 2030, een aanvraag doen tot vaststelling van de subsidie over een bepaald jaar. 2 artikel 4.4.8, derde lid Indien de subsidieontvanger blijkens de monitoringsrapportage in een bepaald jaar met het pakket aan technische voorzieningen de totale scope 1-emissie en scope 2-emissie van de inrichting met ten minste 3 procent per jaar heeft gereduceerd ten opzichte van de scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020 en ten minste 50 procent van het subsidiebedrag in dat jaar heeft geïnvesteerd in projecten die hebben geleid tot deze reductie, danwel ingevolge, heeft aangetoond dat ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik is ingevuld met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen, stelt de minister de subsidie vast. 3 artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit In afwijking van, gaat de aanvraag niet vergezeld van een controleverklaring. 2025 23428 04-07-2025 03-07-2025 WJZ/99127279 2025 23428 04-07-2025 03-07-2025 WJZ/99127279 05-07-2025
Artikel 4.4.13 — Artikel 4.4.13 Staatssteun#
Artikel 4.4.13 Staatssteun artikel 4.4.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.102626 (2022/N). 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 01-09-2022
Artikel 4.4.14 — Artikel 4.4.14 Vervaltermijn#
Artikel 4.4.14 Vervaltermijn bijlagen 4.4.1 4.4.2 4.4.3 Deze titel en de,en, vervallen met ingang van 31 december 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 2022 23127 31-08-2022 30-08-2022 WJZ/21185084 01-09-2022
Artikel 4.5.1 — Artikel 4.5.1 Begripsomschrijving#
Artikel 4.5.1 Begripsomschrijving In deze titel wordt verstaan onder: aansluiting op een warmtenet: individuele aansluiting op een warmtenet; appartement: a. deel van een gebouw waarop een appartementsrecht rust en waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht; b. woning in een gebouw, waarvoor een wooncoöperatie is opgericht; of c. woning in een gebouw van een woonvereniging; biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal: 2 isolatiemateriaal waarvan ten minste 70% van de massa bestaat uit biobased materiaal als bedoeld in de EN16575:2014, genoemd in de environmental product declaration van de fabrikant en met een maximale milieukostenindicator van 1,9 bepaald bij de norm EN 15804+A2, genoemd in de categorie 1-kaart als bedoeld in de Nationale Milieudatabase van het betreffende product, bij een Rd-waarde van 3,5 mK/W; blokaansluiting voor warmte: a. voorziening voor de levering van warmte aan wooneenheden waarvan de bewoners niet individueel beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier of waarvan de bewoners beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier die de verhuurder is van wooneenheden die op de blokaansluiting zijn aangesloten, en tevens lid is van een vereniging van eigenaars, en warmte levert aan zijn eigen huurders en aan de andere leden van die vereniging; of b. artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Gaswet aansluiting als bedoeld indie is geregistreerd in het centraal aansluitingenregister, die in bedrijf is, en bestemd is voor de levering van gas aan twee of meer zelfstandige of onzelfstandige wooneenheden die niet individueel beschikken over een dergelijke aansluiting, ten behoeve van de productie van warmte met behulp van een individuele warmteproductie-installatie voor één wooneenheid waarvan de bewoner niet individueel beschikt over een overeenkomst met een warmteleverancier; bouwbedrijf: bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie; bouwinstallatiebedrijf: bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie; eigenaar-bewoner: natuurlijke persoon die: a. een woning in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd; of b. gerechtigde is in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd; EPREL: verordening (EU) nr. 2017/1369 productendatabank als bedoeld in artikel 12 van; etiket: verordening (EU) nr. 1254/2014 gedrukt etiket als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 811/2013, artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 812/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van gedelegeerde; gebouw: artikel 1 van de Woningwet gebouw als bedoeld inof een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen; gedelegeerde verordening (EU) nr. 1254/2014: verordening (EU) nr. 1254/2014 Richtlijn 2010/30/EU van de Commissie van 11 juli 2014 houdende aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van residentiële ventilatie-eenheden; GWP: verordening (EU) nr. 2024/573 aardopwarmingsvermogen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1 van; HR++ glas: glas met een maximale U-waarde van 1,2 W/m2K; individuele aansluiting op een warmtenet: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet individuele aansluiting als bedoeld in; isolerende kozijnpanelen: kozijnpanelen met maximaal dezelfde U-waarde als de glassoort waarmee deze worden gecombineerd in kozijnen, met uitzondering van kozijnpanelen bij monumenten waarvoor in deze titel een U-waarde wordt vastgesteld; koopwoning: woning van een eigenaar-bewoner; meldcode: code beschikbaar gesteld door de minister: a. per type en merk installatie voor de productie van duurzame energie; b. per soort isolatiemateriaal voor energiebesparende isolatiemaatregelen; c. per type en merk installatie voor ventilatie; monument: woning die zelfstandig of als onderdeel van een gebouw deel uitmaakt van cultureel erfgoed dat is ingeschreven als: a. artikel 3.3 van de Erfgoedwet rijksmonument in het rijksmonumentenregister, bedoeld in; b. artikel 3.16 van de Erfgoedwet gemeentelijk monument in een gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in; of c. artikel 3.17 van de Erfgoedwet provinciaal monument in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in; prestatieverklaring: artikel 1.8 van het Bouwbesluit 2012 artikel 2.14 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving prestatieverklaring of kwaliteitsverklaring als bedoeld inof; productkaart: productkaart als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 811/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 812/2013; raamoppervlakte: de binnenwerkse maat, die wordt verkregen door het van binnenuit meten van de totale oppervlakte van kozijn en glas; ruimteverwarmingstoestel: verordening (EU) nr 811/2013 Verordening (EU) nr. 813/2013 ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, vanof artikel 2, leden 17 of 18, van, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp; technische documentatie: verordening (EU) nr. 811/2013 verordening (EU) nr. 812/2013 verordening (EU) nr. 1254/2014 Verordening (EU) nr. 813/2013 technische documentatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van, artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van, artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van gedelegeerdeof productinformatie als bedoeld in bijlage II, vijfde lid, van; thermisch vermogen bij bivalente temperatuur: Verordening (EU) nr. 813/2013 thermisch vermogen bij bivalente temperatuur als bedoeld in tabel 8 van bijlage V van verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 2 van bijlage II van; thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur: Verordening (EU) nr. 813/2013 thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur als bedoeld in tabel 10 van bijlage VII van verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 4 van bijlage III van; thermische schil: thermische schil als beschreven in ISSO 82.1, zesde druk; triple-glas: glas met een maximale U-waarde van 0,7 W/m2K; UF-schuim: ureumformaldehydeschuim, hetgeen een tweecomponentenschuim is op basis van ureumformaldehyde; vereniging van eigenaars: artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek vereniging van eigenaars als bedoeld in; verordening (EU) nr. 305/2011: Richtlijn 89/106/EEG verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking vanvan de Raad van de Europese Unie (PbEU 2011, L 88/5); verordening (EU) nr. 811/2013: Richtlijn 2010/30 verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van/EU van het Europees parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239); verordening (EU) nr. 812/2013: Richtlijn 2010/30 verordening (EU) nr. 812/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van/EU van het Europees parlement en de Raad wat de energie-etikettering van waterverwarmingstoestellen, warmwatertanks en pakketten van waterverwarmingstoestellen en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239); verordening (EU) nr. 813/2013: verordening (EU) nr. 813/2013 Richtlijn 2009/125/EG van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering vanvan het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PbEU 2013, L 239); verordening (EU) nr. 2017/1369: verordening (EU) nr. 2017/1369 Richtlijn (EU) nr. 2010/30 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van; verordening (EU) nr. 2024/573: verordening (EU) nr. 2024/573 Richtlijn (EU) 2019/1937 Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2024 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, tot wijziging vanen tot intrekking van; warmteleverancier: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet leverancier als bedoeld in; warmtenet: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet warmtenet als bedoeld in; waterverwarmingstoestel: waterverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in artikel 2, onderdeel zeventien, van verordening (EU) nr. 812/2013; woning: a. artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen gebouwde onroerende zaak die, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt, en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in, dient hiervoor bedoelde onroerende zaak met een woonfunctie te zijn geregistreerd; of b. artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen bestaand appartement dat, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in, dient hiervoor bedoeld appartement met een woonfunctie te zijn geregistreerd; wooncoöperatie: artikel 18a van de Woningwet wooncoöperatie als bedoeld in; woonvereniging: vereniging die eigenaar is van één of meer gebouwen en waarvan de leden het recht hebben om in een bepaalde woning die onderdeel uitmaakt van dat gebouw of die gebouwen te wonen. 2026 12632 31-03-2026 28-03-2026 WJZ/104645223 2026 12632 31-03-2026 28-03-2026 WJZ/104645223 01-04-2026
Artikel 4.5.2 — Artikel 4.5.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.5.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor een investering of combinatie van investeringen die bestemd is voor: a. de productie van duurzame energie; b. energiebesparende isolatiemaatregelen, of energiebesparende isolatiemaatregelen in combinatie met één ventilatiemaatregel; c. de aansluiting op een warmtenet; of d. de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken. 2 artikel 19 van de Woningwet Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt deze verstrekt aan een ondernemer, vereniging, stichting, verhuurder van een woning, zijnde een toegelaten instelling als bedoeld in, eigenaar-bewoner dan wel andere rechtspersoon of natuurlijke persoon ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van één of meer van de volgende installaties: a. een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat: 1°. is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp; 2°. een thermisch vermogen heeft van ten hoogste 400kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp; 3°. is voorzien van een etiket, een productkaart en de bijbehorende technische documentatie en is geregistreerd in EPREL indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen tot en met 70kW; 4°. is voorzien van technische documentatie, indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen van 71 kW tot ten hoogste 400kW; 5°. geen gezamenlijk thermisch vermogen heeft dat meer is dan 500kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp, indien sprake is van meerdere warmtepompen aangesloten op hetzelfde verwarmings- of afgiftesysteem; en 6°. verordening (EU) nr. 2024/573 een koudemiddel met een GWP kleiner dan 750 bevat, in geval van een split-warmtepomp als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 9, subonderdeel a vanmet een installatiedatum op of na 1 januari 2026; b. een zonneboiler, waaronder begrepen een zonneboilercombi, bestaande uit een zonne-energie-installatie die: 1°. is bedoeld voor het maken van warm tapwater of voor het leveren van ruimteverwarming in combinatie met het maken van warm tapwater; 2°. een totale apertuuroppervlakte van ten hoogste 200 vierkante meter per verwarmings- of afgiftesysteem heeft; 3°. is voorzien van een productkaart en de bijbehorende technische documentatie; en 4°. is voorzien van een etiket, indien sprake is van een zonneboilercombi; c. een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines in een daarvoor bestemd gebied: 1°. die wordt aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A; en 2°. 2 waarvan het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 mis. 3 Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een koopwoning laten aanbrengen van isolatiemateriaal, dat is voorzien van een prestatieverklaring, voor één of meer van de typen energiebesparende isolatiemaatregelen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e, eventueel in combinatie met één van de typen ventilatiemaatregelen bedoeld in onderdeel f: a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie, waarbij: 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van het bestaande dak in de bestaande thermische schil dan wel, indien de zolder of vliering onverwarmd is, van ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande zolder- of vlieringvloer, wordt geïsoleerd; 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; en 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; b. gevelisolatie, waarbij: 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van de binnen- of buitengevel van de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; en 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil door: 1°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K; 2°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K; 3°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K; 4°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K; 5°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2026, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K; 6°. 2 het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/mK of nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K, of triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn; of 7°. 2 2 2 het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/mK, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/mK of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/mK; d. spouwmuurisolatie, waarbij: 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van bestaande spouwmuren in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 1,1 m2K/W heeft; en 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; e. vloer- dan wel bodemisolatie, waarbij: 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande vloer of de bestaande bodem in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; 2°. het isolatiemateriaal een Rd- of Rbf-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft; en 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; f. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a één ventilatiemaatregel geïnstalleerd op of na 1 januari 2026, niet zijnde een ruimteverwarmingstoestel of waterverwarmingstoestel als bedoeld in, in combinatie met een aanvraag voor één of meer isolatiemaatregelen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e van dit lid, of in combinatie met één of meer isolatiemaatregelen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e van dit lid die niet meer dan 24 maanden eerder zijn aangebracht en waarvoor subsidie is verstrekt, bestaande uit: 1°. 2 2 3 een centrale COgestuurde mechanische luchtafvoer-unit, met een minimale capaciteit van 125 m/h, zoals geregistreerd in EPREL, aangestuurd met minimaal twee COsensoren en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie; 2°. 3 een centrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning en een minimaal rendement van 85%, getest conform EN13141-7:2021, een minimale capaciteit van 125 m/h, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie; of 3°. 3 een decentrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning door middel van een recuperatieve warmtewisselaar, een minimaal rendement van 80% getest conform EN13141-8:2022, een minimale capaciteit van 80 m/h, met gelijktijdige luchttoevoer en afvoer in de unit, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie. 4 Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van het door een warmteleverancier aansluiten van een bestaande koopwoning op een individuele aansluiting op een warmtenet. 5 Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering die bestemd is voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van het eenmalig aanschaffen van een nieuwe volledig elektrische kookvoorziening voor een woning die op een warmtenet is aangesloten. 6 Wet gemeenschappelijke regelingen Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag van een provincie of gemeente die, of openbaar lichaam als bedoeld in dedat, optreedt als marktpartij of als eigenaar of huurder van een roerende of onroerende zaak, onder dezelfde voorwaarden als natuurlijke personen en rechtspersonen niet zijnde medeoverheden. 7 Subsidie voor een installatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt aan natuurlijke personen uitsluitend verstrekt voor een installatie die bestemd is voor gebruik ten behoeve van een onderneming die door de desbetreffende natuurlijke persoon in stand wordt gehouden. 8 Het rotoroppervlak per windturbine, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2°, wordt berekend door: a. het kwadraat van de diameter van de rotor in meters te delen door vier en vervolgens te vermenigvuldigen met pi (π), indien het een windturbine met een horizontale as betreft; of b. de diameter van de rotor in meters te vermenigvuldigen met de hoogte van de rotor in meters, indien het een windturbine met een verticale as betreft. 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 01-01-2026
Artikel 4.5.3 — Artikel 4.5.3 Hoogte subsidie investeringen voor de productie van duurzame energie#
Artikel 4.5.3 Hoogte subsidie investeringen voor de productie van duurzame energie 1 artikel 4.5.2, tweede lid De subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in, bedraagt voor: a. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd voor 1 januari 2025 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur: 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 2.100, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW; 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW; b. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2025 en voor 1 januari 2026 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur: 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.250, vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW; 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW; c. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2026 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur: 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.025 vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 0 kW; 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.500, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 0 kW; d. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2025 en waarvoor kan worden aangetoond dat deze is aangeschaft tussen 1 januari en 31 december 2024 de in onderdeel a genoemde bedragen; e. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2024 en is uitgerust met een grond-waterwarmtepomp of met een water-waterwarmtepomp als bedoeld in, bij een thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur: 1°. tot 1 kW grond-waterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. van 1 kW tot en met 10 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200; 3°. van meer dan 10 kW tot en met 70 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW; 4°. van 71 kW of meer: € 3.750, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW; f. artikel 4.5.2., tweede lid, onderdeel b een zonneboiler als bedoeld in: 1°. € 1,02 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van de zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 vierkante meter; 2°. € 0,55 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van meer dan 5 tot ten hoogste 10 vierkante meter; 3°. € 0,28 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter; g. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c 2 een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines als bedoeld in, € 140 per mrotoroppervlak. 2 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 1°, onderdeel c, subonderdeel 1° en onderdeel e, subonderdeel 1°, wordt verhoogd met: a. € 225, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van (tap)waterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+; b. € 450, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van (tap)waterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A++. 3 Indien de warmtepomp tot en met 70 kW blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+++ of hoger, wordt de subsidie: a. bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, en onderdeel e, subonderdelen 2° en 3°, verhoogd met € 225; b. o bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2en onderdeel c, subonderdeel 2°, verhoogd met € 200. 4 De jaarlijkse zonne-energiebijdrage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt voor zonneboilers vastgesteld op: a. 2.799 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel L, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 vierkante meter; b. 4.427 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel XL, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 5 en ten hoogste 10 vierkante meter; c. het product van 1.293 kWh, het totale collectoroppervlak van alle collectoren volgens de productkaart, het collectorrendement volgens de productkaart, de instralingshoekmodifier volgens de productkaart en de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het vierde of vijfde lid, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter. 5 Afhankelijk van de energie-efficiëntieklasse vermeld op het etiket of de energie-efficiëntieklasse vastgesteld volgens de methode, bedoeld in bijlage II, onderdeel 2, van verordening (EU) nr. 812/2013, bedraagt de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het derde lid, onderdeel c: a. 0,95 bij energie-efficiëntieklasse A+; b. 0,91 bij energie-efficiëntieklasse A; c. 0,86 bij energie-efficiëntieklasse B; d. 0,83 bij energie-efficiëntieklasse C; e. 0,81 bij energie-efficiëntieklasse D tot en met G. 6 In afwijking van het zesde lid bedraagt de verliesfactor voor een warmwatertank met een volume van 2000 liter en meer 0,81. 7 artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a artikel 4.5.12, eerste lid, onderdeel b Voor zover de aanvraag voor subsidie betrekking of mede betrekking heeft op een tweede of volgende investering in een lucht-waterwarmtepomp met een vermogen > 1 kW als bedoeld in, met een installatiedatum op of na 1 januari 2026 wordt per aanvrager als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef, per locatie als bedoeld in, het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d en de verhoging, bedoeld in het tweede en derde lid, slechts éénmaal verstrekt of niet nogmaals verstrekt indien dit reeds op eerdere aanvraag is verstrekt. 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 01-01-2026
Artikel 4.5.4 — Artikel 4.5.4 Hoogte subsidie investeringen voor energiebesparende isolatiemaatregelen en ventilatiemaatregelen#
Artikel 4.5.4 Hoogte subsidie investeringen voor energiebesparende isolatiemaatregelen en ventilatiemaatregelen 1 artikel 4.5.2, derde lid Indien een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in, is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025 bedraagt de subsidie voor: a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie: 1°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in, € 15 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; b. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel b gevelisolatie als bedoeld in, € 19 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil, voor zover de totale subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 45 vierkante meter te isoleren raamoppervlakte, door het vervangen van, of in geval van monumenten toevoegen, van: 1°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 1° glas, kozijnpanelen of deuren door HR ++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in, € 23 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°; 3°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 3° glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in, € 65,50 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°; 5°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5° glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in, € 23 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°; 7°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6° glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in, € 42,50 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°; 9°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5° triple-glas voor monumenten als bedoeld in, € 65,50 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°; d. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel d spouwmuurisolatie als bedoeld in, € 4 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; e. vloer- dan wel bodemisolatie via: 1°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte. 2 artikel 4.5.2, derde lid, onderdelen a tot en met e Indien een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f, is aangebracht op of na 1 januari 2025 bedraagt de subsidie voor: a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie: 1°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in, € 16,25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 3°. voor het isoleren van het bestaande dak in combinatie met het isoleren van bestaande zolder- of vlieringvloer binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; b. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel b gevelisolatie als bedoeld in, € 20,25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil, voor zover de totale subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 45 vierkante meter te isoleren raamoppervlakte, door het vervangen van, of in geval van monumenten toevoegen, van: 1°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 2° glas, kozijnpanelen of deuren door HR ++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in, € 25 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°; 3°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 4° glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in, € 111 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°; 5°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5° glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°; 7°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6° glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in, € 46 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°; 9°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 4° triple-glas voor monumenten als bedoeld in, € 111 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°; 11°. 2 2 2 artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 7° glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/mK, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/mK of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/mK als bedoeld in, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 12°. 2 2 glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/mK, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/mK, bedoeld in subonderdeel 11°; d. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel d spouwmuurisolatie als bedoeld in, € 5,25 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; e. vloer- dan wel bodemisolatie via: 1°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 3°. het isoleren van de bestaande vloer in combinatie met het isoleren van de bestaande bodem binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte. 3 De in het eerste en tweede lid genoemde subsidiebedragen worden verdubbeld indien: a. artikel 4.5.2, derde lid de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op investeringen in ten minste twee typen energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in; b. artikel 4.5.2, derde lid de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op investeringen in tenminste één type energiebesparende isolatiemaatregel als bedoeld in, in combinatie met een investering in ten minste één installatie voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, dan wel in combinatie met een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in het vierde lid van dat artikel; c. aan de subsidieaanvrager reeds subsidie is verstrekt waarbij de bedragen zijn betrokken, bedoeld in het eerste en tweede lid, en hij daaropvolgend een subsidieaanvraag indient waardoor de combinatie van investeringen ontstaat als bedoeld in onderdelen a of b. De verdubbeling van de reeds vastgestelde subsidiebedragen maken in dit geval onderdeel uit van de vaststelling van laatstbedoelde aanvraag voor subsidie. 4 Het derde lid is niet van toepassing indien er meer dan 24 maanden zijn verstreken tussen de installatie of het aanbrengen van de voorgaande investering waarvoor subsidie is verstrekt en de installatie of het aanbrengen van de daaropvolgende investering of investeringen waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft. 5 Indien is geïnvesteerd in biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal wordt de op basis van het eerste en tweede lid berekende subsidie voor maatregelen die zijn aangebracht op of na 1 januari 2024 per vierkante meter vermeerderd met: a. € 5,– in geval van een investering in dakisolatie; b. € 1,50 in geval van een investering in zolder- of vlieringvloerisolatie; c. € 6,– in geval van een investering in gevelisolatie; d. € 1,50 in geval van een investering in spouwmuurisolatie; e. € 2,– in geval van een investering in vloerisolatie; f. € 1,– in geval van een investering in bodemisolatie. 6 De in het vijfde lid genoemde bedragen worden niet meegenomen bij de in het derde lid genoemde verdubbeling van de subsidiebedragen. 7 artikel 4.5.2. derde lid, onderdeel f De subsidie voor een ventilatiemaatregel als bedoeld in, bedraagt € 400. 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 01-01-2026 02-01-2023
Artikel 4.5.5 — Artikel 4.5.5 Hoogte subsidie investeringen voor de aansluiting op een warmtenet#
Artikel 4.5.5 Hoogte subsidie investeringen voor de aansluiting op een warmtenet artikel 4.5.2, vierde lid De subsidie voor een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in, bedraagt voor een individuele aansluiting als bedoeld in dat artikellid € 3.775. 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 01-01-2026
Artikel 4.5.5a — Artikel 4.5.5a Hoogte subsidie investering bestemd voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken#
Artikel 4.5.5a Hoogte subsidie investering bestemd voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken artikel 4.5.2, vijfde lid De subsidie, bedoeld in, bedraagt € 400. 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 02-01-2023
Artikel 4.5.6 — Artikel 4.5.6 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.5.6 Subsidiabele kosten 1 artikel 4.5.2, tweede lid Voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in, die niet bestemd is voor een koopwoning van een eigenaar-bewoner, komen voor subsidie in aanmerking de bijkomende investeringskosten, bedoeld in artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, derde lid, vierde lid of vijfde lid artikel 10, tweede lid, van het besluit Voor een investering voor de productie van duurzame energie, energiebesparende isolatiemaatregelen, de individuele aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in, die bestemd is voor een koopwoning van een eigenaar-bewoner, komen, in afwijking van, voor subsidie in aanmerking de kosten in verband met investeringen die vóór indiening van de aanvraag zijn gemaakt. 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 02-01-2023
Artikel 4.5.7 — Artikel 4.5.7 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.5.7 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2020 65131 14-12-2020 09-12-2020 WJZ/20265125 2020 65131 14-12-2020 09-12-2020 WJZ/20265125 01-01-2021
Artikel 4.5.8 — Artikel 4.5.8 Realisatietermijn#
Artikel 4.5.8 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit artikel 4.5.2, tweede lid Indien de aanvraag voor subsidie is ingediend door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon, niet zijnde eigenaar-bewoner, is de termijn, bedoeld in, 24 maanden indien het een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in, betreft. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor een investering van een eigenaar-bewoner, indien de investering nog niet is geïnstalleerd, aangebracht of aangesloten op het moment van indiening van de subsidieaanvraag. 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 02-01-2023
Artikel 4.5.9 — Artikel 4.5.9 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.5.9 Afwijzingsgronden 1 artikel 4.5.2, tweede, derde, vierde of vijfde lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie, energiebesparende isolatiemaatregelen, de aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in, indien: a. ten aanzien van dezelfde investering dan wel een investering in een zelfde type energiebesparende isolatiemaatregel dan wel een ventilatiemaatregel eerder subsidie is verstrekt; b. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een bouwwerk met een bouwjaar na 1 januari 2019, tenzij een omgevingsvergunning voor dit bouwwerk kan worden overlegd die voor 1 juli 2018 is aangevraagd; c. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, derde, vierde en vijfde lid een aanvraag voor subsidie van een eigenaar-bewoner later is ingediend dan 24 maanden na het installeren van een installatie voor de productie van duurzame energie, het aanbrengen van isolatiemateriaal, de aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in; d. artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de aanvrager voor dezelfde investering op grond vaneen verzoek heeft ingediend bij de minister om een verklaring dat sprake is van een energie-investering als bedoeld in dat artikel; e. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een koopwoning met een blokaansluiting voor warmte. 2 artikel 4.5.2, tweede lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in, indien: a. hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit 2012 afdeling 4.4 in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving de installatie waar de investering betrekking op heeft is of wordt geïnstalleerd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften, bedoeld inof; b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een gebruikte installatie; c. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Omgevingswet artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c er geen aanvraag voor een vergunning krachtens deof deis ingediend, indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines als bedoeld in, betreft; d. artikel 19 van de Woningwet artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b het een aanvraag voor subsidie betreft van een vereniging van eigenaars, verhuurder van een woning, niet zijnde een toegelaten instelling als bedoeld in, wooncoöperatie of woonvereniging voor de aanschaf en het laten installeren van installaties, bedoeld in; e. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a 3 artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet het een aanvraag van een ondernemer betreft voor een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in, en het totale netto energieverbruik via de aansluiting waarop de installatie wordt aangesloten, zoals dat blijkt uit de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier, 50.000 KWh of 25.000 maardgasequivalent of hoger bedraagt en de locatie waarin de lucht-waterwarmtepomp is geïnstalleerd, aangesloten blijft op het gastransportnet, bedoeld in; f. artikel 4.5.2., tweede lid, onderdeel a het een aanvraag voor subsidie betreft voor een lucht-waterwarmtepomp, grondwaterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp als bedoeld in, met een thermisch vermogen tussen 1 kW en 70 kW behorend tot een energie-efficiëntieklasse lager dan A++ en is aangebracht op of na 1 januari 2024. 3 artikel 4.5.2, derde lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, of energiebesparende isolatiemaatregelen in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in, indien: a. Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars het een aanvraag betreft voor een koopwoning indien de koopwoning een appartement is waarvoor de vereniging van eigenaars al een subsidie heeft verkregen op grond van de; b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering ten behoeve van het realiseren van een vergroting van het woonoppervlakte of wooninhoud, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1°. het realiseren van een nieuwe aanbouw; 2°. het realiseren van een nieuwe dakkapel; 3°. het betrekken van een aan- of inpandige garage bij de woning; of 4°. het vergroten van het bestaande dak, gevel, vloer of glasoppervlakte; c. Subsidieregeling isolatie en ventilatie gebouwen, woonboten en woonwagens provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo het een aanvraag betreft waarvoor subsidie verkregen is of verkregen kan worden op grond van de; d. het een aanvraag betreft voor UF-schuim dat is aangebracht op of na 1 april 2026, tenzij aangetoond kan worden dat het UF-schuim voor 1 april 2026 is aangeschaft. 4 artikel 4.5.2, vierde lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in, indien: a. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering voor: 1°. artikel 4.5.2, vierde lid een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in, en niet kan worden aangetoond dat de gasaansluiting van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd is of wordt afgekoppeld; 2°. artikel 4.5.2, vierde lid een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in, van een appartement van een eigenaar-bewoner in een appartementencomplex en er voor dit appartementencomplex eerder subsidie is aangevraagd door een vereniging van eigenaars voor een investering voor een centrale aansluiting op een warmtenet; b. Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen voor een investering op grond van deeen aanvraag voor subsidie ingediend kan worden door: 1°. de subsidieaanvrager; 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging; c. artikel 4.5.2, vierde lid de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in, voor 1 januari 2022 heeft plaatsgevonden; d. het niet aannemelijk is dat de bestaande koopwoning, waarop de investering betrekking heeft, geen aansluiting op een warmtenet had voordat deze investering plaatsvond. 5 artikel 4.5.2, vijfde lid De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in, indien: a. niet kan worden aangetoond dat de woning op het moment van de aanvraag op een warmtenet aangesloten is; b. niet kan worden aangetoond dat de gasaansluiting van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd is verwijderd of er geen bevestiging van de netbeheerder kan worden verstrekt waaruit blijkt dat voor de bestaande koopwoning waarin de voorziening voor elektrisch koken wordt geïnstalleerd een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting; c. het niet gaat om de eenmalige aanschaf van een nieuwe volledig elektrische kookvoorziening; d. Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen op grond van deeen aanvraag voor subsidie ingediend kan worden door: 1°. de subsidieaanvrager; 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging; e. er reeds subsidie is verkregen op grond van deze titel voor de aansluiting op een warmtenet. 6 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op: a. artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan eigenaar-bewoners verstrekte subsidies door gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in; b. een tweede aanvraag voor de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een koopwoning laten aanbrengen van glasisolatie die door de eigenaar-bewoner is ingediend binnen 24 maanden nadat een bouwbedrijf de eerste glasisolatie in een koopwoning heeft aangebracht waarvoor subsidie op grond van deze titel is toegekend. 7 Indien een aanvraag voor subsidie, die is ingediend binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is afgewezen in verband met de uitputting van het subsidieplafond, is de afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op een hernieuwde aanvraag voor subsidie voor dezelfde investering die binnen twaalf maanden na afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag wordt ingediend. 8 artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c De afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op een aanvraag die betrekking heeft op een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in. 9 Het netto elektriciteitsverbruik, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt berekend door de hoeveelheid elektriciteit die volgens de in dat onderdeel genoemde jaarafrekening aan het net wordt onttrokken, indien van toepassing te verminderen met de hoeveelheid elektriciteit die volgens de in dat onderdeel genoemde jaarafrekening op het net wordt ingevoed. 2026 12632 31-03-2026 28-03-2026 WJZ/104645223 2026 12632 31-03-2026 28-03-2026 WJZ/104645223 01-04-2026
Artikel 4.5.9a — Artikel 4.5.9a Cumulatie#
Artikel 4.5.9a Cumulatie artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 6, eerste lid, van het besluit Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in, aan eigenaar-bewoners worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing vanbuiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per investering kan worden verstrekt. 2021 19264 20-04-2021 17-04-2021 WJZ/21068810 2021 19264 20-04-2021 17-04-2021 WJZ/21068810 21-04-2021
Artikel 4.5.10 — Artikel 4.5.10 Subsidieverlening onder opschortende voorwaarde#
Artikel 4.5.10 Subsidieverlening onder opschortende voorwaarde artikel 4.5.2, tweede lid Voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in, wordt de subsidie aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, verleend onder de opschortende voorwaarde dat: a. een overeenkomst wordt gesloten met een bouwinstallatiebedrijf of warmteleverancier in verband met de aanschaf van de installatie of installaties; b. de installatie of installaties waarop de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft, zijn geïnstalleerd. 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 2022 32911 13-12-2022 30-11-2022 WJZ/22505012 02-01-2023
Artikel 4.5.11 — Artikel 4.5.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger#
Artikel 4.5.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger 1 artikel 4.5.2, tweede lid Een installatie, waarop de investering voor de productie van duurzame energie, bedoeld in, betrekking heeft, en waarvoor op grond van deze titel een subsidie is verleend, wordt niet binnen een jaar na de datum van de subsidievaststelling vervreemd. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de vervreemding van een installatie tezamen met de woning, het bedrijf of de grond waarin respectievelijk waarop de investering voor de productie van duurzame energie is geïnstalleerd. 2020 65131 14-12-2020 09-12-2020 WJZ/20265125 2020 65131 14-12-2020 09-12-2020 WJZ/20265125 01-01-2021
Artikel 4.5.12 — Artikel 4.5.12 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.5.12 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, en voor zover van toepassing het Burgerservicenummer en de geboortedatum of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager; b. een vermelding van het adres van de locatie of locaties waarvoor een investering bestemd is en het soort locatie of locaties; c. de meldcode van de investering, en indien er geen meldcode beschikbaar is gesteld, een omschrijving van de investering; d. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a indien het een investering voor een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel als bedoeld in, betreft, het thermische vermogen bij bivalente of referentieontwerptemperatuur van deze installatie; e. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel b indien het een investering voor een zonneboiler als bedoeld in, betreft, de gegevens ten aanzien van de energetische opbrengst van deze installatie; f. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een investering voor dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie in een koopwoning via het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer als bedoeld in, een verklaring van de eigenaar-bewoner dat de zolder of vliering onverwarmd is; g. artikel 4.5.2, vierde lid indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in, voor zover van toepassing, een verklaring van de eigenaar-bewoner of van de vereniging van eigenaars dat de bestaande koopwoning of het bestaande appartementencomplex, waarop de desbetreffende investering betrekking heeft, geen aansluiting op een warmtenet had voordat deze investering plaatsvond. 2 De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een investering door een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, bevat, onverminderd het eerste lid, de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een investering door een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, gaat: a. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a verordening (EU) 811/2013 verordening (EU) 813/2013 indien het een investering voor een ruimteverwarmingstoestel als bedoeld in, betreft, vergezeld van de volledige berekening volgens tabel 8 vanof tabel 2 vanen het type en vulgewicht van het koudemiddel; b. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a 3 indien het een investering van een ondernemer in een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in, betreft, en de aansluiting waarop de lucht-waterwarmtepomp is aangesloten een lager netto energieverbruik heeft dan 50.000 KWh en 25.000 maardgasequivalent, vergezeld van de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier; c. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit via één of meer windturbines als bedoeld in, betreft, vergezeld van: 1°. een aanvraag van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2°. 2 een document waarin aannemelijk wordt gemaakt dat het verwachte rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 mzal bedragen; 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie zal worden aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager. 4 De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een koopwoning van een eigenaar-bewoner, gaat vergezeld van de volgende documenten of gegevens: a. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a of b een factuur en betaalbewijs van de aanschaf en de installatie of het aanbrengen van de investering voor een ruimteverwarmingstoestel, een waterverwarmingstoestel of een zonneboiler, als bedoeld in, waaronder begrepen de door het bouwinstallatiebedrijf of bouwbedrijf getekende factuur in geval van contante betaling van de investeringen, waarop ten minste het betaalde bedrag, de begunstigde en betaaldatum vermeld wordt; b. artikel 4.5.2, derde lid, onderdelen a tot en met e indien het een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f, betreft: 1°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de investering of investeringen heeft uitgevoerd, een omschrijving van het soort energiebesparende isolatiemaatregel en aanverwante werkzaamheden die door het bouwbedrijf uitgevoerd zijn, de naam, het type, het merk, de dikte en indien beschikbaar de meldcode, van het isolatiemateriaal dat gebruikt is en de plaats en bijhorende oppervlakte die in de desbetreffende koopwoning geïsoleerd is; 2°. ten minste één foto per energiebesparende isolatiemaatregel, genomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door het bouwbedrijf, met daarop zichtbaar de koopwoning; 3°. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de ventilatiemaatregel heeft uitgevoerd, waaruit blijkt dat er is geïnvesteerd in een ventilatiemaatregel als bedoeld in; c. artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c indien het een investering voor glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie als bedoeld in, betreft een kozijnstaat met daarin merk en type van het kozijn en het daarbij behorende frame, glas en binnenwerkse maten van het glas of de kozijnpanelen per kozijn; d. artikel 4.5.2, vierde lid indien het een investering in een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in, betreft: 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet; 2°. een bevestiging van de netbeheerder dat voor de woning een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting; e. artikel 4.5.2, vijfde lid indien het gaat om een subsidie voor een investering die is bestemd voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in: 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet; 2°. een document waarmee kan worden aangetoond dat de gasmeter van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voor 2 april 2022 is verwijderd; 3°. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken. 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 01-01-2026
Artikel 4.5.13 — Artikel 4.5.13 Aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 4.5.13 Aanvraag tot subsidievaststelling 1 Een aanvraag tot subsidievaststelling van een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager en voor zover van toepassing het Burgerservicenummer of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. artikel 4.5.2, tweede lid de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling, waaronder de locatie of locaties waar het project is uitgevoerd, en voor zover de investering betrekking heeft op de productie van duurzame energie, bedoeld in, de omschrijving van de aard van de installaties die zijn geïnstalleerd. 2 artikel 50, tweede lid, van het besluit Onverminderdgaat de aanvraag tot subsidievaststelling van een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, vergezeld van: a. artikel 4.5.2, tweede lid een factuur en betaalbewijs van de aanschaf en installatie van de investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in, waaronder begrepen de door het bouwinstallatiebedrijf getekende factuur in geval van contante betaling van deze investeringen, waarop ten minste het betaalde bedrag, de begunstigde en betaaldatum vermeld wordt; b. artikel 4.5.2, tweede lid indien het een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in, betreft, een document waaruit blijkt dat een investering: 1°. in gebruik is genomen; 2°. voldoet aan de technische eisen; en 3°. is geïnstalleerd of aangebracht door een bouwinstallatiebedrijf; c. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a artikel 4.5.12, derde lid, onderdeel c 3 indien het een investering van een ondernemer in een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in, betreft en de aansluiting waarop de lucht-waterwarmtepomp is aangesloten een netto energieverbruik heeft van 50.000 KWh of 25.000 maardgasequivalent of hoger en de in, bedoelde meest recente jaarafrekening niet bij de aanvraag tot subsidieverlening verstrekt is, een bevestiging van de netbeheerder dat voor de locatie waarin de luchtwaterwarmtepomp wordt geïnstalleerd een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting; d. artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines als bedoeld in, betreft: 1°. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning op grond van de; 2°. 2 een document waaruit blijkt dat het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 mbedraagt; 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie is aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager. 3 artikel 4.5.12, eerste en vierde lid In het geval de subsidieontvanger een eigenaar-bewoner is, wordt op grond van de aanvraag voor subsidie en de documenten waardoor deze vergezeld gaat, bedoeld in, de subsidie vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening. 4 In het geval de subsidieontvanger geen eigenaar-bewoner is, wordt de subsidie niet ambtshalve vastgesteld. 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 2025 39259 20-11-2025 17-11-2025 WJZ/98955979 01-01-2026
Artikel 4.5.14 — Artikel 4.5.14 Staatssteun#
Artikel 4.5.14 Staatssteun 1 artikel 4.5.2, tweede lid De subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie, bedoeld in, bevat: a. mogelijk staatssteun die wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet zijnde eigenaar-bewoner; b. geen staatsteun, indien deze subsidie verstrekt wordt aan een eigenaar-bewoner. 2 artikel 4.5.2, derde, vierde en vijfde lid De subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, aansluiting op een warmtenet en aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in, bevat geen staatssteun. 2024 35080 12-11-2024 28-10-2024 WJZ/88821863 2024 35080 12-11-2024 28-10-2024 WJZ/88821863 01-01-2025
Artikel 4.5.15 — Artikel 4.5.15 Horizonbepaling#
Artikel 4.5.15 Horizonbepaling Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2025 42053 08-12-2025 04-12-2025 WJZ/100257243 2025 42053 08-12-2025 04-12-2025 WJZ/100257243 09-12-2025
Artikel 4.6.1 — Artikel 4.6.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.6.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: 2 CO: 2 2 COof CO-equivalent; 2 CO-equivalent: bijlage 4.6.1 2 de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren ineenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO; Referentie-investering: investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met een in Nederland uit te voeren project, maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project. 2019 37424 08-07-2019 29-06-2019 WJZ/19151750 2019 37424 08-07-2019 29-06-2019 WJZ/19151750 01-08-2019
Artikel 4.6.2 — Artikel 4.6.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.6.2 Subsidieverstrekking 1 bijlage 4.6.2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor investeringen in een project dat past binnen één of meer thema’s inen dat betrekking heeft op: a. milieubescherming in overeenstemming met artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, in overeenstemming met artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling in overeenstemming met artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. circulaire economie in overeenstemming met artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. lokale infrastructuur in overeenstemming met artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 De onderneming, bedoeld in het eerste lid, is een onderneming die: a. materiële goederen produceert waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep C; b. energie distribueert, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep D; of c. afval en afvalwater verwerkt, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E. 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 06-09-2025
Artikel 4.6.3 — Artikel 4.6.3 Steunintensiteit#
Artikel 4.6.3 Steunintensiteit 1 De subsidie bedraagt: a. ten aanzien van een investering voor milieubescherming: 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft; 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. ten aanzien van een investering in energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen: 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. 40% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ten behoeve van een circulaire economie, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. 50% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in lokale infrastructuurvoorziening, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, maar niet meer dan het verschil tussen de subsidiabele kosten en de exploitatiewinst van de investering of maximaal € 11.000.000 indien dat lager is dan het verschil. 2 Indien de aanvrager een middelgrote onderneming is, worden: a. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 1°, b, subonderdeel 1°, c, d, e en f, verhoogd met 10 procentpunten; b. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 2°, b, subonderdeel 2°, verhoogd met 5 procentpunten. 3 Indien de aanvrager een kleine onderneming is, worden: a. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 1°, b, subonderdeel 1°, c, d, e en f, verhoogd met 20 procentpunten; b. worden de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 2°, b, subonderdeel 2°, verhoogd met 10 procentpunten. 4 artikel 10, derde lid, van het besluit Op de subsidiabele kosten isniet van toepassing. 5 artikel 10, eerste lid, van het besluit In aanvulling opkomen niet in aanmerking de kosten die niet geactiveerd worden en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord. 6 De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000.000 per project. 2025 35154 14-10-2025 09-10-2025 WJZ/101129700 2025 35154 14-10-2025 09-10-2025 WJZ/101129700 15-10-2025
Artikel 4.6.4 — Artikel 4.6.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.6.4 Subsidiabele kosten Vervallen 2024 12503 19-04-2024 16-04-2024 WJZ/46098517 2024 12503 19-04-2024 16-04-2024 WJZ/46098517 20-04-2024
Artikel 4.6.5 — Artikel 4.6.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.6.5 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2019 37424 08-07-2019 29-06-2019 WJZ/19151750 2019 37424 08-07-2019 29-06-2019 WJZ/19151750 01-08-2019
Artikel 4.6.6 — Artikel 4.6.6 Realisatietermijn#
Artikel 4.6.6 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vier jaar. 2 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening, overeenkomstig artikel 2, onder 23, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 06-09-2025
Artikel 4.6.7 — Artikel 4.6.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.6.7 Afwijzingsgronden 1 De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving er onvoldoende vertrouwen is dat de terugverdientijd, bedoeld inof, van de investering meer dan vijf jaar zou zijn in het geval geen subsidie op grond van deze titel verleend zou worden; b. 2 2 de te verlenen subsidie meer dan € 80 per ton CO-reductie van de totale hoeveelheid CO-reductie die het project in Nederland realiseert ten opzichte van de referentie-investering, zou bedragen gedurende vijftien jaar vanaf ingebruikname van de installatie of gedurende de levensduur van de installatie, indien deze korter is dan vijftien jaar; c. de kwaliteit van het project onvoldoende is, gelet op: 1°. de uitwerking van: – het projectplan; – de (mijlpalen)begroting; of – de exploitatieberekening; 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd; 3°. de uitvoerbaarheid; 4°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten en stakeholders die in het project vertegenwoordigd zijn; 5°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; d. de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 voor een grote onderneming of minder dan € 30.000 voor een kleine of middelgrote onderneming zou bedragen; e. de aanvrager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het een project betreft ten behoeve van een investering in technologie die zich in soortgelijke projecten in de industrie bewezen heeft; f. artikel 4.2.65 voor het project op grond vaneen aanvraag om subsidie ingediend kan worden; g. artikel 4.6.2, eerste lid, onderdeel f de aanvraag een project betreft met betrekking tot lokale infrastructuur als bedoeld in, en de subsidiabele kosten daarvoor meer dan € 22.000.000 bedragen. 2 bijlage XV van de Omgevingsregeling Bij de berekening van de terugverdientijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gebruikgemaakt van de methode die is opgenomen in. 3 bijlage XV van de Omgevingsregeling In afwijking van het tweede lid kunnen bij de berekening van de terugverdientijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedrijfsspecifieke energieprijzen gehanteerd worden die afwijken van de standaardwaarden in, indien de aanvrager aantoont dat hij deze bedrijfsspecifieke energieprijzen betaalt. 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 06-09-2025
Artikel 4.6.8 — Artikel 4.6.8 Cumulatie#
Artikel 4.6.8 Cumulatie 1 artikel 6, eerste lid, van het besluit Bij de toepassing vanworden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten: a. Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie subsidies op grond van het; b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014–2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347). 2 artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 6, eerste lid, van het besluit Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing vanbuiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. 2023 6239 27-02-2023 21-02-2023 WJZ/26368237 2023 6239 27-02-2023 21-02-2023 WJZ/26368237 28-02-2023
Artikel 4.6.9 — Artikel 4.6.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.6.9 Informatieverplichtingen Een aanvraag om subsidie bevat tenminste: a. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; d. een projectomschrijving die in ieder geval bevat: 1°. 2 de CO-reductie in kilogrammen die het project in Nederland realiseert ten opzichte van de referentie-investering; 2°. een beschrijving van de referentie-investering; 3°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, inclusief een toelichting op het model exploitatieberekening, indien de aanvraag is gebaseerd op lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. een financieringsplan, inclusief onderbouwing voor het investeringsproject, daaronder begrepen informatie over de wijze waarop de onderneming het eigen aandeel, uitgesplitst in vreemd vermogen en eigen vermogen, in de totale projectkosten financiert; f. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het project, zoals de terugverdientijd; g. een door de aanvrager in een door de minister beschikbaar gesteld model ingevulde begroting, bestaande uit: 1°. het overzicht van de werkelijke investeringskosten; 2°. een mijlpalenbegroting, indien het aangevraagde subsidiebedrag € 2.000.000 of meer is; h. bijlage VII XIV van de Omgevingsregeling een verklaring dat de aanvrager niet op grond vanofverplicht is de investering of onderdelen van de investering waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, uit te voeren; i. 2 een beschrijving van de betekenis van de verwachte CO-reductie voor de uitstoot van stikstof in Nederland; j. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema. 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 2026 15135 24-04-2026 18-04-2026 WJZ/103744709 25-04-2026
Artikel 4.6.10 — Artikel 4.6.10 Voorlichting en administratie#
Artikel 4.6.10 Voorlichting en administratie 1 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten. 2 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 3 Artikel 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit is niet van toepassing. 2019 37424 08-07-2019 29-06-2019 WJZ/19151750 2019 37424 08-07-2019 29-06-2019 WJZ/19151750 01-08-2019
Artikel 4.6.11 — Artikel 4.6.11 Aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 4.6.11 Aanvraag tot subsidievaststelling De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval: a. artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit het eindverslag, bedoeld in, waarmee de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, dat in ieder geval, voor zover van toepassing, bevat: 1°. een algemene en technische omschrijving van de investeringen en aangeschafte en gebruikte installaties of infrastructuur; 2°. 2 een berekening van de daadwerkelijk gerealiseerde CO-reductie in Nederland ten opzichte van de referentie-investering; 3°. een ingevuld, gewaarmerkt en gedateerd kostenoverzicht opgesteld door een accountant, inclusief dezelfde kostencomponenten als de (mijlpalen)begroting; 4°. indien het een investering voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling als bedoeld in artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een document waarin de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte in GJ is aangetoond; 5°. indien het een investering in lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een exploitatieberekening; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. indien de omvang van de vast te stellen subsidie € 30.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, die bevat: 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting, 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 2025 30380 05-09-2025 30-08-2025 WJZ/99481450 06-09-2025
Artikel 4.6.12 — Artikel 4.6.12 Staatssteun#
Artikel 4.6.12 Staatssteun artikel 4.6.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 36, 38, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2024 12503 19-04-2024 16-04-2024 WJZ/46098517 2024 12503 19-04-2024 16-04-2024 WJZ/46098517 20-04-2024
Artikel 4.6.13 — Artikel 4.6.13 Horizonbepaling#
Artikel 4.6.13 Horizonbepaling bijlagen 4.6.1 4.6.2 Deze titel enenvervallen met ingang van 1 augustus 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2025 24116 11-07-2025 01-07-2025 WJZ/98443382 2025 24116 11-07-2025 01-07-2025 WJZ/98443382 12-07-2025
Artikel 4.7.1 — Artikel 4.7.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.7.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: BIPV-zonnepaneel: zonnepaneel dat is geïntegreerd in een gebouw; elektrolyse-installatie: een installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse van water; essentiële onderdelen: onderdelen die zijn ontworpen en voornamelijk worden gebruikt als directe input voor de productie van batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen; investeringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de subsidieontvanger het besluit tot het doen van de investering in de productielijn definitief heeft genomen; productielijn: een samenhangend geheel van installaties die bestemd zijn voor de productie van een specifiek product of specifieke producten of voor de terugwinning van grondstoffen; VIPV-zonnepaneel: zonnepaneel dat is geïntegreerd in een voertuig. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.2 — Artikel 4.7.2 Doelstelling#
Artikel 4.7.2 Doelstelling Het doel van deze module is het stimuleren van investeringen in sectoren die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, voor de opschaling van de productie van relevante uitrusting daarvoor naar productie op commerciële schaal, en om te voorkomen dat nieuwe investeringen in deze sectoren worden verlegd naar derde landen buiten de Economische Europese Ruimte. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.3 — Artikel 4.7.3 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.7.3 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor een project voor de realisatie van productielijnen voor batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen, bestaande uit een investering in: a. een nieuwe productielijn; b. de uitbreiding van de productiecapaciteit van een bestaande productielijn; c. de ombouw van een bestaande productielijn. 2 Een productielijn voor batterijen als bedoeld in het eerste lid betreft: a. de productie van: 1°. bulkbatterijen, lithium-ion batterijen, natrium-ion batterijen, redox-flow batterijen of solid-state batterijen; 2°. essentiële onderdelen voor de batterijen, genoemd in subonderdeel 1°, namelijk anodes, cellen, coatingmaterialen, elektrolytmaterialen, kathodes, packs of stacks; b. de productie of terugwinning van gerelateerde kritieke grondstoffen als bedoeld in Bijlage IV van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die nodig zijn voor de productie van de batterijen, genoemd in onderdeel a, subonderdeel 1°, of voor de productie van de essentiële onderdelen, genoemd in onderdeel a, subonderdeel 2°. 3 Een productielijn voor elektrolyse-installaties als bedoeld in het eerste lid betreft de productie van: a. elektrolyse-installaties; b. essentiële onderdelen voor elektrolyse-installaties, namelijk anodes, bipolaire platen, diafragma’s, drukregulatoren, kathodes, kleinschalige waterstofopslag, membranen, temperatuurregulatoren, vermogenelektronica, warmtewisselaars, waterpompsystemen, waterstofcompressoren, waterstofdetectiesystemen, waterstofzuiveringssystemen of waterzuiveringssystemen. 4 Een productielijn voor zonnepanelen als bedoeld in het eerste lid betreft de productie van: a. BIPV-zonnepanelen of VIPV-zonnepanelen op basis van heterojunctionzonnecellen of perovskietzonnecellen; b. zonnepanelen die circulair, lichtgewicht of flexibel, en PFAS-vrij zijn; c. essentiële onderdelen voor de zonnepanelen, genoemd in onderdeel a of b, namelijk heterojunctionzonnecellen, perovskietfolies, perovskietzonnecellen of tandemzonnecellen. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.4 — Artikel 4.7.4 Hoogte subsidie#
Artikel 4.7.4 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt 15 procent van de subsidiabele kosten. Indien het project een investering in een productielijn betreft in een steungebied dat overeenkomstig artikel 107, derde lid, onderdeel c, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de regionale steunkaart van Nederland is aangewezen, bedraagt de subsidie 20 procent van de subsidiabele kosten. 2 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt verhoogd met: a. 20 procentpunten, indien de investering wordt gedaan door een kleine onderneming; b. 10 procentpunten, indien de investering wordt gedaan door een middelgrote onderneming. 3 De subsidie bedraagt ten hoogste: a. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor batterijen € 20.000.000 per onderneming; b. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor elektrolyse-installaties € 50.000.000 per onderneming; c. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor zonnepanelen € 25.000.000 per onderneming. 4 De totale maximale subsidie op grond van deze titel voor één onderneming bedraagt € 150.000.000. Indien het investeringen in een steungebied als bedoeld in het eerste lid betreft, bedraagt de totale maximale subsidie op grond van deze titel voor één onderneming € 200.000.000. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.5 — Artikel 4.7.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.7.5 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking alle investeringskosten in materiële en immateriële activa die strikt noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. 2 Investeringskosten in immateriële activa zijn subsidiabel, indien die activa: a. verbonden blijven met het betrokken gebied waar het project wordt uitgevoerd, en niet naar andere gebieden worden overgebracht; b. voornamelijk worden gebruikt in de vestiging van de subsidieontvanger waar de realisatie van de productielijn plaatsvindt; c. afschrijfbaar zijn; d. op marktvoorwaarden worden aangekocht van derden zonder banden met de koper; e. worden opgenomen in de activa van de subsidieontvanger; en f. gedurende ten minste vijf jaar voor grote ondernemingen en drie jaar voor kleine of middelgrote ondernemingen na de voltooiing van het project verbonden blijven met het project waarvoor de subsidie wordt verleend. 3 Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor: a. het vervangen van installaties van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, tijdens de periode vanaf de start van het project tot: 1°. vijf jaar na de voltooiing van het project in het geval het een grote onderneming betreft; of 2°. drie jaar na de voltooiing van het project in het geval het een kleine of middelgrote onderneming betreft; b. de vergemakkelijking van de verplaatsing van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte. 4 Artikel 10, derde lid, van het besluit is niet van toepassing op de subsidiabele kosten. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.6 — Artikel 4.7.6 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.7.6 Verdeling van het subsidieplafond De minister verdeelt de afzonderlijke subsidieplafonds voor de productielijnen voor batterijen, elektrolyse-installaties en zonnepanelen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.7 — Artikel 4.7.7 Start- en realisatietermijn#
Artikel 4.7.7 Start- en realisatietermijn 1 De subsidieontvanger start met de uitvoering van het project binnen zes maanden na de subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is vijf jaar. 3 De minister kan de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, op verzoek van de subsidieontvanger verlengen. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.8 — Artikel 4.7.8 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.7.8 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; b. onomkeerbare investeringsverplichtingen voor de productielijn zijn aangegaan voor de datum waarop de aanvraag is ingediend; c. met de in het projectplan opgenomen activiteiten is gestart voor de datum waarop de aanvraag is ingediend; d. er een concreet risico bestaat dat het project niet binnen de Europese Economische Ruimte wordt uitgevoerd; e. de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een daarmee vergelijkbare productielijn, in de twee jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag heeft verplaatst tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte naar de vestiging waar de realisatie van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, moet plaatsvinden; f. er een concreet risico bestaat dat de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een daarmee vergelijkbare productielijn zal verplaatsen tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte binnen twee jaar na de voltooiing van het project; g. het plan voor kennisverspreiding van onvoldoende kwaliteit is. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.9 — Artikel 4.7.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.7.9 Informatieverplichtingen 1 bijlage 4.7.1 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens opgenomen in. 2 Een aanvraag om subsidievaststelling bevat: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling; d. een verklaring dat de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie is verleend, of een daarmee vergelijkbare productielijn niet zal verplaatsen tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte binnen twee jaar na de voltooiing van het project. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.10 — Artikel 4.7.10 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 4.7.10 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger verstrekt onverwijld na het nemen van het investeringsbesluit een afschrift hiervan aan de minister. 2 De subsidieontvanger handhaaft de investering in de productielijn in het betrokken gebied gedurende ten minste vijf jaar na de voltooiing van het project in het geval het een grote onderneming betreft, en drie jaar na de voltooiing van het project in het geval het een kleine of middelgrote onderneming betreft. 3 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. 4 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 5 Iedere publicatie door of met medewerking van de subsidieontvanger of diens medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. 6 Onverminderd het derde en vierde lid verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. 7 Artikel 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit zijn niet van toepassing op de administratie van de subsidieontvanger. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.11 — Artikel 4.7.11 Cumulatie#
Artikel 4.7.11 Cumulatie 1 artikel 6, eerste lid, van het besluit Bij de toepassing vanworden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten: a. artikel 4.2.113 subsidie voor een TSE Industrie studie op grond van; b. subsidie van de Europese Commissie. 2 artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 6, eerste lid, van het besluit Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld inworden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing vanbuiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.12 — Artikel 4.7.12 Staatssteun#
Artikel 4.7.12 Staatssteun artikel 4.7.3 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door paragraaf 2.8, onderdeel 85, van het tijdelijk crisiskader. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.7.13 — Artikel 4.7.13 Vervaltermijn#
Artikel 4.7.13 Vervaltermijn titel bijlage 4.7.1 Dezeenvervallen met ingang van 19 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 2024 23690 31-07-2024 18-07-2024 WJZ/63189320 01-08-2024
Artikel 4.8.1 — Artikel 4.8.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4.8.1 Begripsomschrijvingen Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.2 — Artikel 4.8.2 Subsidieaanvraag#
Artikel 4.8.2 Subsidieaanvraag Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.3 — Artikel 4.8.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.8.3 Subsidiabele kosten Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.4 — Artikel 4.8.4 Hoogte subsidie en steunintensiteit#
Artikel 4.8.4 Hoogte subsidie en steunintensiteit Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.5 — Artikel 4.8.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.8.5 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.6 — Artikel 4.8.6 Realisatietermijn#
Artikel 4.8.6 Realisatietermijn Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.7 — Artikel 4.8.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.8.7 Afwijzingsgronden Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.8 — Artikel 4.8.8 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.8.8 Informatieverplichtingen Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.9 — Artikel 4.8.9 Staatssteun#
Artikel 4.8.9 Staatssteun Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.8.10 — Artikel 4.8.10 Vervaltermijn#
Artikel 4.8.10 Vervaltermijn Vervallen 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 2016 3835 01-02-2016 28-01-2016 WJZ/15175466 01-01-2019
Artikel 4.9.1 — Artikel 4.9.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.9.1 Begripsbepalingen Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.2 — Artikel 4.9.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.9.2 Subsidieverstrekking Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.3 — Artikel 4.9.3 Aanvrager#
Artikel 4.9.3 Aanvrager Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.4 — Artikel 4.9.4 Hoogte subsidie#
Artikel 4.9.4 Hoogte subsidie Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.5 — Artikel 4.9.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.9.5 Subsidiabele kosten Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.6 — Artikel 4.9.6 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4.9.6 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.7 — Artikel 4.9.7 Start- en realisatietermijn#
Artikel 4.9.7 Start- en realisatietermijn Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.8 — Artikel 4.9.8 Afwijzingsgronden betreffende de inhoud van het project#
Artikel 4.9.8 Afwijzingsgronden betreffende de inhoud van het project Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.9 — Artikel 4.9.9 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4.9.9 Rangschikkingscriteria Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.10 — Artikel 4.9.10 Verplichting subsidieontvanger#
Artikel 4.9.10 Verplichting subsidieontvanger Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.11 — Artikel 4.9.11 Tender#
Artikel 4.9.11 Tender Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.12 — Artikel 4.9.12 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.9.12 Informatieverplichtingen Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.13 — Artikel 4.9.13 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 4.9.13 Aanvraag subsidievaststelling Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.9.14 — Artikel 4.9.14 Vervaltermijn#
Artikel 4.9.14 Vervaltermijn Vervallen 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 2022 14408 27-05-2022 25-05-2022 WJZ/22208367 01-09-2023
Artikel 4.10.1 — Artikel 4.10.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.10.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: aansluiting op een warmtenet: individuele of centrale aansluiting op een warmtenet; afleverset voor warmte: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet als bedoeld in; binneninstallatie: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet als bedoeld in; blokaansluiting: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet centrale aansluiting als bedoeld in; energie-efficiënt warmtenet: Richtlijn (EU) 2023/1791 Verordening (EU) 2023/955 energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van devan het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van(PbEU 2023, L 231); financieringsbesluit: een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over een sluitende financiering voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; gebouw: artikel 1 van de Woningwet gebouw als bedoeld in; grootverbruikersaansluiting: een aansluiting van meer dan 100 kilowatt, niet zijnde een blokaansluiting; individuele aansluiting op een warmtenet: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet individuele aansluiting als bedoeld in; investeringsbesluit: artikel 4.10.2, eerste en tweede lid een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager het besluit tot het doen van de investering voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet, als bedoeld in, heeft genomen; ketenpartner: artikel 4.10.2, eerste lid partij die bij het project, bedoeld in, een essentiële rol speelt in de keten van warmtelevering; kleinverbruikersaansluiting: een individuele aansluiting van een bestaand gebouw op een warmtenet van maximaal 100 kilowatt met een individuele afleverset voor warmte of een warmtepomp die gecombineerd is met de functie van een afleverset; kostencomponenten: loonkosten, investeringen in primaire netten, investeringen in overdrachtstations, investeringen in secundaire netten, investeringen in thermische opslag, investeringen in aansluitingen en kosten derden; levering van warmte: de aflevering van warmte aan verbruikers; primair warmtenet: het transportnet waarmee warmte vanuit de primaire warmtebron wordt getransporteerd naar een secundair warmtenet of rechtstreeks naar de verbruiker; projectgebied: geografisch aaneengesloten gebied waarbinnen het aan te leggen energie-efficiënte warmtenet warmte kan leveren; secundair warmtenet: van het primaire warmtenet of van de bron door middel van een onderstation of warmteoverdrachtstation afgescheiden deel van het warmtenet ten behoeve van het transport van warmte naar verbruikers; thermische opslag: opslag als bedoeld in artikel 2, onder 130 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; warmte: thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water; warmtebron: installatie waar thermische energie vrijkomt of thermische energie vrijgemaakt wordt; warmtenet: artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet warmtenet als bedoeld in; wijkdistributienet: het secundaire warmtenet met inbegrip van het daarbij behorende onderstation of warmteoverdrachtstation en de daaraan gekoppelde aansluitingen. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.2 — Artikel 4.10.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.10.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een energie-efficiënt wijkdistributienet, al dan niet samen met een daaraan gekoppeld primair warmtenet of systeem voor thermische opslag. 2 Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van de investering in een project dat is gericht op de aanleg of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet, mits: a. 2 de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte vanaf de einddatum van het project lager is dan 25 kg COper eenheid geleverde warmte in GJ; b. het warmtenet zorg draagt voor de levering van warmte aan ten minste 250 kleinverbruikersaansluitingen of woningen achter een blokaansluiting, verspreid over ten minste 5 gebouwen; en c. de dimensionering aansluit op de voorziene warmtebehoefte in het projectgebied, indien het project mede betrekking heeft op een primair warmtenet. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.3 — Artikel 4.10.3 Hoogte subsidie#
Artikel 4.10.3 Hoogte subsidie 1 artikel 4.10.2 De subsidie bedraagt ten hoogste 30% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000.000 per project als bedoeld in, met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd met: a. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is; b. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is. 2 artikel 4.10.2, eerste lid Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de aanleg of uitbreiding van één of meer wijkdistributienetten als bedoeld in, niet meer dan de optelsom van het aantal in de wijkdistributienetten te realiseren kleinverbruikersaansluitingen voor bestaande bouw maal € 7.000. 3 Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de aanleg of uitbreiding van een primair warmtenet of een systeem voor thermische opslag, niet meer dan de optelsom van het aantal te realiseren kleinverbruikersaansluitingen voor bestaande bouw maal € 4.000. 4 De maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de vorige leden, is inclusief de loonkosten en kosten derden. 5 artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 6, eerste lid Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld inof van een ander bestuursorgaan, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van, van het besluit buiten beschouwing bij de berekening van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.4 — Artikel 4.10.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.10.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen de investeringskosten, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. 2 In aanvulling op het eerste lid komen voor subsidie alleen de kosten in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op investeringen: a. in het warmtenet ten behoeve van levering van warmte aan kleinverbruikersaansluitingen in de bestaande bouw; en b. in het warmtenet tot aan de gevel van een object met een blokaansluiting; en c. in een systeem voor thermische opslag, indien deze gebruik maakt van bewezen technieken en thermische energie opslaat en levert aan het energie-efficiënte warmtenet. 3 De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: a. kosten ten behoeve van investeringen in een warmtebron, warmtepomp of een binneninstallatie; b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord; c. kosten ten behoeve van een investering in onderdelen die uitsluitend ten behoeve van grootverbruikers, proceswarmte of nieuwbouw worden aangelegd. 4 artikel 14 van het besluit Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in, aangewezen. Het vast uurtarief bedraagt € 65,–. 5 artikel 10, derde lid, van het besluit Op de subsidiabele kosten isniet van toepassing. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.5 — Artikel 4.10.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 4.10.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2023 11052 17-04-2023 06-04-2023 WJZ/26598952 2023 11052 17-04-2023 06-04-2023 WJZ/26598952 18-04-2023
Artikel 4.10.6 — Artikel 4.10.6 Realisatietermijn#
Artikel 4.10.6 Realisatietermijn 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is zeven jaar. 2 De subsidieontvanger start binnen zes maanden na subsidieverlening met het maken van kosten die op grond van deze regeling voor subsidie in aanmerking komen. 3 De subsidieontvanger neemt uiterlijk één jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en doet hiervan onverwijld melding aan de minister. 4 De subsidieontvanger verstrekt uiterlijk drie jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot het aanleggen of uitbreiden van een energie-efficiënt warmtenet, met dien verstande dat: a. indien er sprake is van deelopdrachten, de eerste deelopdracht voor een substantieel deel van de totale subsidiabele investeringskosten wordt verstrekt, en b. de subsidieontvanger onverwijld een afschrift hiervan verstrekt aan de minister na verstrekking van de opdracht of na verstrekking van elk van de deelopdrachten. 5 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, verlengen, indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.7 — Artikel 4.10.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.10.7 Afwijzingsgronden De minister besluit afwijzend op een aanvraag, indien: a. artikel 4.10.2, eerste lid ten aanzien van hetzelfde project eerder subsidie is verstrekt op grond van, tenzij de eerdere subsidie onherroepelijk is ingetrokken dan wel vastgesteld; b. de kwaliteit van het project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van het projectplan, het voorlopig ontwerp en de exploitatieberekening, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de aantoonbaarheid dat alle benodigde ketenpartners en stakeholders in het project vertegenwoordigd zijn of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; c. artikel 7a, vierde lid, van de Warmteregeling artikel 4.10.2, tweede lid, onderdeel a niet met gebruikmaking van het door de minister vastgestelde model, bedoeld in, kan worden aangetoond dat het project voldoet aan de eis, bedoeld inper geleverde GJ ligt; d. onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde verbruikers bij de realisatie warmte via het aan te leggen warmtenet af zullen nemen; e. artikel 4.10.6 het niet aannemelijk wordt geacht dat wordt voldaan aan de termijnen genoemd in; f. niet aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen of uit te breiden energie-efficiënte warmtenet bij subsidievaststelling in gebruik wordt genomen. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.8 — Artikel 4.10.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 4.10.8 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 37, derde lid, van het besluit Onder essentiële wijziging als bedoeld inwordt in ieder geval begrepen: a. het niet uitvoeren van activiteiten waarvoor subsidie is ontvangen; b. werkelijke investeringskosten die lager zijn dan de bij subsidieverlening begrote investeringskosten; 2 artikel 37, derde lid, van het besluit In afwijking van, is een voorafgaand verzoek tot ontheffing niet vereist, maar volstaat een melding wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 3 De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. 4 De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage, inclusief financiële gegevens, over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. 5 De informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een elektronisch formulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. 6 Artikel 38, eerste lid, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.9 — Artikel 4.10.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.10.9 Informatieverplichtingen 1 artikel 4.10.2, eerste lid Een aanvraag voor subsidie op grond van, bevat tenminste: a. de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; d. artikel 4.10.3, eerste lid, onderdeel a of b gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in. 2 De aanvraag gaat vergezeld van: a. een projectplan, bestaande uit: 1°. een omschrijving van het project gericht op de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; 2°. bijlage 4.10.1 een omschrijving van het projectgebied waar het warmtenet wordt gerealiseerd en de daarop aan te sluiten bebouwing die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in onderdeel 3, van; 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat: − bijlage 4.10.1 de dimensionering van het primaire warmtenet aansluit op de voorziene warmtebehoefte binnen het projectgebied en voldoet aan de eisen, bedoeld in onderdeel 3 van; − 3 indien het project tevens de aanleg van een systeem voor thermische opslag betreft, deze bijdraagt aan de energie-efficiënte werking van het warmtenet, gegeven de capaciteit van de thermische opslag in MW of m; 4°. een onderbouwing van en toelichting op de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde investeringen, waaronder: een toelichting op de model exploitatieberekening, bedoeld in het tweede lid, onder b; 5°. een omschrijving van de planning van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet inclusief mijlpalen en meetbare indicatoren; 6°. een onderbouwing van de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied; 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en overdrachtstations op het gebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging; 8°. een beschrijving van de juridische risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het warmtenet, gescoord op de kans dat dit zich zal voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor de aanleg van leidingdelen en overdrachtstations of, indien deze nog moet worden aangelegd, de warmtebron. 9°. bijlage 4.10.1 een getalsmatige onderbouwing van de volloop en van de aantallen en de omschrijving van de grootverbruikersaansluitingen en de aansluitingen in nieuwbouw, overeenkomstig onderdeel 3 van, waarbij de getalsmatige onderbouwing aansluit op de getallen die in de exploitatieberekening worden gebruikt; 10°. een met stukken onderbouwde beschrijving van de wijze waarop bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het project en de verwachte effecten hiervan op de volloop; 11°. een beschrijving van de wijze waarop het projectplan aansluit op het gemeentelijk beleid ten aanzien van de warmtetransitie; 12°. bijlage 4.10.1 indien wordt afgeweken van de uitgangspunten van het model zoals opgenomen in onderdeel 2, van, een onderbouwing hiervan. b. bijlage 4.10.1 een door de aanvrager ingevuld model exploitatieberekening, inclusief mijlpalenbegroting, in overeenstemming met onderdelen 1, 2 en 4 van, van de subsidiabele kosten, en financieringsplan zoals beschikbaar gesteld door de minister, bestaande uit; 1° een exploitatieberekening inclusief de parameters van het warmtenet, de investeringskosten per kostencomponent van het warmtenet, de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, informatie over de verwachte subsidiabele investeringskosten en baten gedurende de levensduur van een investering; 2° bijlage 4.10.1 een mijlpalenbegroting inclusief de subsidiabele investeringskosten op basis van de kostenraming voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet en de opbrengsten uit subsidies en aansluitbijdragen. De totale subsidiabele investeringskosten moeten worden uitgesplitst naar de kostencomponenten en naar de kosten voor een primair warmtenet en wijkdistributienetten in overeenstemming met onderdeel 4 van; 3° een financieringsplan voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet met informatie over de wijze waarop de onderneming het eigen aandeel, uitgesplitst in vreemd vermogen en eigen vermogen, in de totale projectkosten gaat financieren; c. bijlage 4.10.1 een voorlopig ontwerp, definitief ontwerp of bouwbestek met daarop aangegeven de afbakening van het aansluitgebied met de leidingen en het type gebouwen die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in onderdeel 3, van; d. de voor het project benodigde vergunning of de door de gemeente voor het project verstrekte concessie, indien aanwezig; e. een onderbouwing van de wijze waarop de aanvrager het eigen aandeel voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet gaat financieren. f. kostenramingen, kostencalculaties of offertes, die te herleiden zijn naar en aansluiten op de investeringskosten van de kostencomponenten; en 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.10 — Artikel 4.10.10 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 4.10.10 Aanvraag subsidievaststelling 1 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend, bevat in ieder geval: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. een overzicht waarin de totale subsidiabele kosten van de activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten in een door de minister beschikbaar gesteld model; en c. de omvang van de vast te stellen subsidie; d. een opgave van het voordeel dat is genoten op grond van de Uitvoeringsregeling Energie investeringsaftrek 2001; e. een eindverslag. 2 artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. de tekeningen van het gerealiseerde warmtenet; b. een overzicht van de gerealiseerde aansluitingen en verwachte aansluitingen binnen vijf jaar na de einddatum van het project; c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject en de afwijkingen; d. de opschalingsmogelijkheden van het warmtenet; e. een document waaruit blijkt dat het warmtenet in gebruik is genomen; f. een document waarin de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte in GJ is aangetoond, met behulp van het door de minister beschikbaar gestelde model; en g. documenten waaruit blijkt dat particuliere woningeigenaren, zoals opgegeven in het projectplan, een aanbod hebben ontvangen tot aansluiting op het warmtenet. 3 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.10.11 — Artikel 4.10.11 Staatssteun#
Artikel 4.10.11 Staatssteun artikel 4.10.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2023 11052 17-04-2023 06-04-2023 WJZ/26598952 2023 11052 17-04-2023 06-04-2023 WJZ/26598952 18-04-2023
Artikel 4.10.12 — Artikel 4.10.12 Vervaltermijn#
Artikel 4.10.12 Vervaltermijn bijlage 4.10.1 Deze titel envervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 2025 18366 03-06-2025 25-05-2025 WJZ/97724935 04-06-2025
Artikel 4.11.1 — Artikel 4.11.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.11.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: depositiejaarvracht: optelsom van de totale stikstofvracht, uitgedrukt in mol per jaar, afkomstig van emissiestromen van industriële ondernemingen, op alle overbelaste en stikstofgevoelige hexagonen boven de kritische depositiewaarde van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer rond de bedrijfslocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; emissiejaarvracht: vergunde emissiejaarvracht, zijnde de maximale hoeveelheid ammoniak en stikstofoxiden, die in een jaar door de betreffende fabrieksinstallatie, waarop de nageschakelde installatie wordt aangesloten, mag worden geëmitteerd naar de lucht; emissiestroom: hoeveelheid chemische verbindingen, waaronder zowel verontreinigende stoffen als lucht, die uit de installatie vrijkomt en wordt geëmitteerd naar de lucht; industriële onderneming: onderneming die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als een industriële onderneming is geclassificeerd met een Standaard Bedrijfsindeling code C – Industrie, zoals gedefinieerd in de Standaard Bedrijfsindeling 2025, versie maart 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek en, tenzij onderdeel van een vergunning-groep, tevens verplicht is om een PRTR-verslag op te stellen; nageschakelde installatie: installatie die in staat is om een gewenste hoeveelheid van een bepaalde stof uit de emissiestroom van een industrieel proces af te vangen; Natura 2000-gebied: bijlage, onder A, bij de Omgevingswet Natura 2000-gebied als bedoeld in de; natuurvergunning: artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in; PRTR-verslag: verordening (EG) nr. 166/2006 Richtlijnen 91/689/EEG 96/61/EG rapportage aan het bevoegde gezag als bedoeld in artikel 5 vanvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van deenvan de Raad (PbEU 2006, L 33); stikstofoxiden: 2 stikstofoxideverbindingen NO en NO; vergunning-groep: artikel 5.7 van de Omgevingswet groep van rechtspersonen die milieubelastende activiteiten onderneemt die in overeenstemming metbinnen één omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit worden gereguleerd en waarvoor de verplichting geldt dat een van de rechtspersonen binnen de groep een PRTR-verslag opstelt voor de groep; vermeden emissiejaarvracht: emissie van ammoniak en stikstofoxiden die jaarlijks wordt voorkomen door het plaatsen en benutten van een nageschakelde installatie die op de gehele, of een gedeelte van de lucht emissiestroom van de industriële onderneming werkzaam is, en die bestaat uit de emissiejaarvracht vermenigvuldigd met de bij aanvraag opgegeven verwijderingsefficiëntie; verwijderingsefficiëntie: percentage van stikstofoxiden en ammoniak dat, ten opzichte van de oorspronkelijke emissiestroom, door de nageschakelde installatie uit de emissiestroom verwijderd wordt; werkelijke investeringskosten: investeringskosten die werkelijk gemaakt worden tijdens de uitvoering van een project voor de aanschaf en het installeren van een nageschakelde installatie met als doel het afvangen van ammoniak uit de emissiestroom; ZZS: artikel 5.22a van het Besluit activiteiten leefomgeving zeer zorgwekkende stof als bedoeld in. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.2 — Artikel 4.11.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.11.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag eenmalig subsidie aan een industriële onderneming, of een industriële onderneming die behoort tot een vergunning-groep, voor een project waarmee een nageschakelde installatie aangeschaft, geïnstalleerd en continu gebruikt wordt om ammoniak uit de emissiestroom af te vangen. 2 In aanvulling op het eerste lid mag de aanvrager, bij het opgeven van de vermeden emissiejaarvracht, naast ammoniak, ook stikstofoxiden meerekenen, en wel tot een maximum van 40 procent van de stikstofatomen 3 De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op één of meerdere nageschakelde installaties waarbij geldt dat: a. bij de nageschakelde installatie meerdere emissiepunten naar de installatie mogen worden geleid; of b. de nageschakelde installatie een additionele component mag bevatten die een behandeling van vloeistoffen uit de nageschakelde installatie bewerkstelligt, waardoor eventuele afwenteleffecten van de nageschakelde installatie kunnen worden voorkomen. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.3 — Artikel 4.11.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.11.3 Subsidiabele kosten artikel 4.11.2 De subsidiabele kosten bedragen het door de aanvrager gevraagde subsidiebedrag voor de uitvoering van een project als bedoeld in. Het gevraagde subsidiebedrag kan nooit meer dan de werkelijke investeringskosten bedragen. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.4 — Artikel 4.11.4 Hoogte van de subsidie#
Artikel 4.11.4 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 30 miljoen. 2 Indien de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie van de voltooide installatie in negatieve zin groter is dan 3 procent ten opzichte van de bij de aanvraag opgegeven verwijderingsefficiëntie dan wordt naar rato het subsidiebedrag bij de subsidievaststelling lager vastgesteld. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.5 — Artikel 4.11.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 4.11.5 Verdeling subsidieplafond De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.6 — Artikel 4.11.6 Rangschikking#
Artikel 4.11.6 Rangschikking De rangschikking vindt plaats op grond van de verhouding tussen het gevraagde subsidiebedrag en het aantal kilogrammen vermeden emissiejaarvracht met dien verstande dat hoe lager het gevraagde subsidiebedrag per kilo vermeden emissiejaarvracht is, des te hoger de aanvraag wordt gerangschikt. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.7 — Artikel 4.11.7 Realisatie van het project#
Artikel 4.11.7 Realisatie van het project 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is de periode van de datum van aanvang van het project tot en met 31 december 2028. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.8 — Artikel 4.11.8 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.11.8 Afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. de industriële onderneming niet zelfstandig verplicht is om een PRTR-verslag op te stellen tenzij deze onderneming onderdeel is van een vergunning-groep en voor of namens de vergunning-groep een PRTR-verslag dient te worden opgesteld; b. de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minder dan 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfslocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019, tenzij deze onderneming onderdeel is van een vergunning-groep die een depositiejaarvracht had van meer dan 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; c. het door de subsidieaanvrager gevraagde subsidiebedrag hoger is dan de werkelijke investeringskosten die opgenomen zijn in de kostenbegroting; d. het gedeelte van de voorgestelde nageschakelde installatie, dat de ammoniak en stikstofoxiden afvangt uit de emissiestroom, een lager niveau dan Technologie Readiness Level 9 (implementatiefase) heeft; e. de subsidie wordt aangevraagd voor een investering die verplicht is op grond van een wettelijk voorschrift of een geldende Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. voor het uitvoeren van het project, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, vergunningen noodzakelijk zijn die niet zijn of kunnen worden verleend; g. het ingediende projectplan onvolledig is of van onvoldoende kwaliteit. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.9 — Artikel 4.11.9 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 4.11.9 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 39 van het besluit Onverminderdverschaft de subsidieontvanger op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang of resultaten van het project. 2 In het geval er activiteiten door derden worden uitgevoerd, dient opdrachtverlening aan deze derden plaats te vinden op basis van marktconforme tarieven. 3 De subsidieontvanger gebruikt stikstofdepositieruimte die is vrijgemaakt door de ingebruikname van de nageschakelde installatie niet voor eigen activiteiten op de locatie. 4 De subsidieontvanger stelt stikstofdepositieruimte die is vrijgemaakt door de ingebruikname van de nageschakelde installatie niet ter beschikking voor andere activiteiten. 5 artikel 4.11.10, onderdelen d tot en met f De subsidieontvanger komt de toezeggingen na die zijn opgenomen in de verklaringen, bedoeld in. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.10 — Artikel 4.11.10 Informatieverplichtingen met betrekking tot de aanvraag#
Artikel 4.11.10 Informatieverplichtingen met betrekking tot de aanvraag Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en gaat daarnaast vergezeld van: a. een ingevuld projectformulier met daarin de volgende informatie: 1°. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; 2°. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; 3°. de locatie van het project; 4°. de naam van het project; 5°. de start- en einddatum van het project; b. een kostenbegroting met daarin opgenomen; 1°. een begroting van de werkelijke investeringskosten. De kosten worden ingeschat met een nauwkeurigheid die passend is bij een conceptuele studie; 2°. een begroting per mijlpaal van de subsidiabele kosten. Deze begroting per mijlpaal bevat in ieder geval de mijlpalen met onderliggende activiteiten: mijlpalen en de kosten, inclusief onderbouwing, uiteengezet in de looptijd van het project; 3°. een effectiviteitsberekening van de kosten, waarin de volgende waarden opgegeven worden: − het gevraagde subsidiebedrag; − de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie; − de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie; c. een projectplan waarin een omschrijving van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd is opgenomen en de wijze waarop het project voldoet aan de eisen opgenomen in deze titel. De omschrijving bevat tevens: 1°. een onderbouwing van de gekozen technologische oplossing; 2°. aanvullende informatie die onderbouwt dat de hoofdcomponent van de voorgestelde nageschakelde installatie een Technology Readiness Level 9 heeft; 3°. een opgave van de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie in kg/jaar ammoniak en stikstofoxiden. Indien de vergunde waarde bestaat uit een concentratie, dan dient de aanvrager een berekening van de emissiejaarvracht op te geven gebaseerd op representatieve maximale draaiuren zoals gebruikt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Indien voor de betreffende fabrieksinstallatie geen emissiewaarde in de vergunning is bepaald, dient de aanvrager een technische onderbouwing te verschaffen waarbij aannemelijk wordt gemaakt welk deel van de vergunning van toepassing is op de installatie. In dat geval is een verklaring van het bevoegd gezag vereist waarin wordt verklaard dat deze opgave aannemelijk is; 4°. een opgave van de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie en een technische toelichting op de daaruit volgende vermeden emissiejaarvracht; 5°. informatie van een leverancier die de opgegeven verwijderingsefficiëntie kan onderbouwen. In afwezigheid van een externe leverancier dient een technische onderbouwing van de verwijderingsefficiëntie te worden verstrekt; 6°. een omschrijving van de wijze en de volgorde waarop het project uitgevoerd wordt en welke onderdelen van het project door derden zullen worden uitgevoerd. Deze omschrijving dient verduidelijkt te worden met schetsmateriaal en verduidelijkende foto’s van de locatie waar de nageschakelde installatie geplaatst zal worden; 7°. een opgave waardoor aannemelijk is, bijvoorbeeld door verwijzing naar het RIVM-briefrapport 2023-0313 of door overlegging van een volledige berekening in de actuele versie van AERIUS-Check, dat: − de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfs- of clusterlocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; of − de vergunning-groep waarvan de onderneming van de subsidieaanvrager deel uitmaakt, een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; d. 3 x een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat hij instemt met het aanpassen van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit tot een maximum-emissiejaarvracht NH, en indien van toepassing NO, die gebaseerd wordt op de gerealiseerde emissiereductie; e. artikel 5.43 van de Omgevingswet een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat hij ermee instemt dat de natuurvergunning bij de eerste revisie op grond van, of andere wijziging, zodanig wordt aangepast dat de emissiejaarvracht wordt aangepast aan de waarde die naar aanleiding van het onderhavige project is vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit; f. artikel 4.11.9, derde en vierde lid voor zover sprake is van een situatie waarbij de aanvrager zijn industriële onderneming voert op grond van een natuurvergunning verleend aan een andere rechtspersoon: een verklaring, ondertekend door zowel de aanvrager als deze rechtspersoon, houder van de betreffende omgevingsvergunning, dat zij zich beiden committeren aan de inhoud van de verklaring, bedoeld in onderdeel e, en de verplichtingen, bedoeld in; g. een verklaring van het bevoegd gezag: 1°. dat het project niet wettelijk kan worden afgedwongen; 2°. met daarin opgenomen een inschatting van het risico dat voor het project geen vergunning kan worden afgegeven; 3°. dat er geen bron maatregel binnen het productieproces voorhanden is waarbij een navenant grote vermindering van ZZS-emissies behaald kan worden, voor zover er sprake is van ZZS-emissie; 4°. dat zij positief oordelen over de afvoer van de toekomstige afvalstromen, waarbij eventuele afwenteleffecten op een goede manier worden voorkomen of opgelost; 5°. waaruit blijkt dat de door de onderneming opgegeven vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie juist of aannemelijk is. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.11 — Artikel 4.11.11 Informatieverplichting voortgangsverslag#
Artikel 4.11.11 Informatieverplichting voortgangsverslag artikel 39, eerste lid, van het besluit Het voortgangsverslag, bedoeld in, bevat in ieder geval een schriftelijk verslag omtrent de uitvoering van het project met inbegrip van een vergelijking van de daadwerkelijke uitvoering met de omschrijving, planning en kosten van het project in het projectplan. Hierbij worden veranderingen in zowel materiële als financiële zin toegelicht. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.12 — Artikel 4.11.12 Informatieverplichting bij aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 4.11.12 Informatieverplichting bij aanvraag tot subsidievaststelling De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van: a. een gespecificeerde opgave van alle werkelijke investeringskosten, opgesteld conform de ingediende begroting ten tijde van de subsidieaanvraag; b. een opgave van de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie van de geïnstalleerde nageschakelde installatie middels een eindmeting. De eindmeting vindt plaats volgens de geldende wettelijke voorschriften voor het doen van emissiemetingen ten behoeve van omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd meetplan; c. een verklaring van het bevoegd gezag: 1°. dat de opgave van de verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b, juist is; 2°. dat de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van de betreffende fabrieksinstallatie naar aanleiding van het project is geactualiseerd op basis van de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.13 — Artikel 4.11.13 Staatssteun#
Artikel 4.11.13 Staatssteun artikel 4.11.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.11.14 — Artikel 4.11.14 Vervaltermijn#
Artikel 4.11.14 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 2024 34461 29-10-2024 28-10-2024 WJZ/86981779 30-10-2024
Artikel 4.12.1 — Artikel 4.12.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.12.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: aangeslotene: artikel 1.1 van de Energiewet aangeslotene als bedoeld in; energieadviseur: onderneming die energieadvies verleent of gaat verlenen aan een aanvrager; flexibel vermogen: het maximale vermogen dat een aanvrager met behulp van een flexibiliteitsmaatregel kan verhogen, verlagen of verplaatsen in de tijd ten opzichte van het oorspronkelijke verbruik, uit te drukken in kilowatt (kW); flexibiliteitsmaatregel: maatregel die de mogelijkheid van een aangeslotene om zijn verbruikspatronen van elektriciteit te beïnvloeden vergroot; flexibiliteitsscan: verkennende studie die inzicht geeft in het huidige en toekomstige profiel van de elektriciteitsvraag van een aangeslotene en de flexibiliteitsmaatregelen die kunnen worden getroffen; haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: studie die inzicht geeft in het huidige en toekomstige profiel van de elektriciteitsvraag van een aangeslotene en in de technische haalbaarheid en de kosten van flexibiliteitsmaatregelen; vestiging: artikel 1, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007 vestiging als bedoeld in. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.2 — Artikel 4.12.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.12.2 Subsidieverstrekking 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aangeslotene voor de volgende activiteiten: a. bijlage 4.12.1 het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, opgesteld overeenkomstig; b. bijlage 4.12.2 het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen, opgesteld overeenkomstig; c. het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW; d. het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van 100 kW of meer. 2 De aanvrager, bedoeld in het eerste lid: a. is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en b. artikel 1.1 van de Energiewet beschikt over een grote aansluiting als bedoeld indie zich bevindt in een door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet uitgeroepen gebied met afnamecongestie. 3 Een flexibiliteitsmaatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, betreft: 1°. energieopslag die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert; 2°. energieconversie die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert, met uitzondering van energieconversie die wordt gevoed met fossiele brandstoffen; of 3°. opslag of buffercapaciteit van een product of halffabricaat waarmee het productieproces flexibeler gemaakt kan worden. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.3 — Artikel 4.12.3 Hoogte subsidie#
Artikel 4.12.3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt per aanvraag: a. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan: 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000; b. voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: 50% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 10.000 en tot een maximum van € 125.000; c. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW: 40% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 300.000; d. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van 100 kW of meer: 40% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 300.000. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.4 — Artikel 4.12.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.12.4 Subsidiabele kosten 1 Voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 Voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 Voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen komen alleen in aanmerking de aanschaf- en installatiekosten, waarbij geldt dat alleen de kosten die direct verbonden zijn met het plaatsen en het aansluiten van een flexibiliteitsmaatregel, in aanmerking komen. 4 Voor subsidie komen niet in aanmerking: a. kosten voor eigen personeel van de aanvrager; b. reguliere exploitatiekosten, waaronder beheer- en onderhoudskosten; c. artikel 1.1 van de Energiewet kosten voor het verzwaren of aanleggen van een aansluiting als bedoeld in. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.5 — Artikel 4.12.5 Verdeling subsidieplafond#
Artikel 4.12.5 Verdeling subsidieplafond 1 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, c of d, toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel b, c of d valt. 3 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, b of d toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel a, b of d valt. 4 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, b of c, toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel a, b of c valt. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.6 — Artikel 4.12.6 Realisatietermijn#
Artikel 4.12.6 Realisatietermijn artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is: a. 1 jaar na subsidieverlening voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan of een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen; b. 2 jaar na subsidieverlening voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen. 2025 6499 03-03-2025 20-02-2025 WJZ/97130339 2025 6499 03-03-2025 20-02-2025 WJZ/97130339 01-04-2025
Artikel 4.12.7 — Artikel 4.12.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.12.7 Afwijzingsgronden De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. er geen sprake is van afnamecongestie in het gebied waar de aansluiting van de aanvraag zich bevindt; b. artikel 1.1 van de Energiewet de aansluiting waar de aanvraag betrekking op heeft geen grote aansluiting als bedoeld inis; c. de voorgestelde activiteit betrekking heeft op een aansluiting buiten Nederland; d. de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een andere aansluiting dan in de aanvraag staat beschreven; e. de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een vestiging met als primaire bedrijfsactiviteit het opwekken van energie, het handelen in energie of het aanbieden van energieopslag- of balanceringsdiensten; f. redelijkerwijs te verwachten is dat de voorgestelde activiteit leidt tot een toename van het gebruik van fossiele energie door de aanvrager; g. de voorgestelde activiteit, waarbij geldt dat de verschillende flexibiliteitsmaatregelen tot dezelfde soort activiteit behoren plaatsvindt bij een aansluiting of vestiging waarvoor op grond van deze titel reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde soort activiteit; h. de voorgestelde activiteit betrekking heeft op een aansluiting of vestiging waarvoor op grond van deze titel reeds subsidie is verstrekt voor een activiteit en deze activiteit nog niet gerealiseerd is; i. de ingehuurde energieadviseur een moeder- of dochteronderneming betreft van de aanvrager; j. de energieadviseur aan wie de aanvrager de opdracht heeft gegeven een flexibiliteitsscan of haalbaarheidsstudie naar flexibiliteitsmaatregelen uit te voeren zelf flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan produceert of levert, daarbij niet inbegrepen het installeren van door derden geleverde en geproduceerde flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan; k. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, redelijkerwijs te verwachten is dat de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel congestie op het elektriciteitsnet verergert; l. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel een laadpaal voor elektrische voertuigen betreft, of primair is gericht op energiebesparing, energiehandel of energie-opwekking; m. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel of onderdelen daarvan worden ingekocht bij of geproduceerd zijn door een moeder-, dochter- of zusteronderneming van de aanvrager of de aanvrager zelf; n. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel enkel een batterij met een vermogen van minder dan 50 kW betreft. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.8 — Artikel 4.12.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 4.12.8 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a en b De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in, bewaart een kopie van de flexibiliteitsscan of de haalbaarheidsstudie voor ten minste vier jaar. 2 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdelen c en d De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in, houdt een gerealiseerde flexibiliteitsmaatregel ten minste vier jaar in gebruik. 3 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in, benut gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, de flexibiliteitsmaatregel niet primair voor energiehandel. 4 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d artikel 4.12.9, tweede lid, onderdeel b De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in, levert gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, flexibiliteit conform de overeenkomst met de transmissie- of distributiesysteembeheerder bedoeld in. 5 artikel 4.12.2, eerste lid De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. Deze verplichting geldt gedurende vijf jaar na de dag waarop subsidie wordt vastgesteld. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.9 — Artikel 4.12.9 Informatieverplichtingen#
Artikel 4.12.9 Informatieverplichtingen 1 artikel 4.12.2, eerste lid Een aanvraag voor subsidie op grond van, bevat ten minste: a. artikel 12, onderdeel a, van de Handelsregisterwet artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007 gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, bedoeld in, het nummer, bedoeld in, van de vestiging waar de activiteit zal worden uitgevoerd, de van toepassing zijnde SBI-code of SBI-codes van de aanvrager, het post- en bezoekadres van de onderneming of de instelling, het adres van de vestiging waarop de aanvraag betrekking heeft en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon voor de aanvraag, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. gegevens over de aansluiting waarop de aanvraag betrekking heeft en, indien aanwezig bij dezelfde vestiging, andere aansluitingen voor elektriciteitsafname, waaronder: 1°. de EAN-code; 2°. artikel 1.1 van de Energiewet een kopie van de aansluitovereenkomst en transportovereenkomst als bedoeld in; en 3°. artikel 1.1 van de Energiewet indien de aanvrager geen beschikking kan krijgen over de aansluitovereenkomst of transportovereenkomst, een factuur van de transmissie- of distributiesysteembeheerder, bedoeld in, die niet ouder is dan twee maanden op het moment van indienen van de aanvraag, waarop het gecontracteerd transportvermogen, het type netvlak, de EAN-code en de klantnaam zichtbaar zijn. d. artikel 4.12.2, eerste lid een door beide partijen getekende offerte of opdracht voor een activiteit als bedoeld in, waarin is opgenomen dat deze offerte of opdracht alleen geldig is als op grond van deze titel subsidie wordt verleend, de uit te voeren activiteiten en het op te leveren eindproduct voldoende gespecificeerd worden en, indien de aanvraag een batterij of e-boiler omvat, het vermogen van de batterij of e-boiler, uitgedrukt in kW, is opgenomen; e. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan of een haalbaarheidsstudie naar flexibiliteitsmaatregelen, gegevens over de energieadviseur, waaronder de bedrijfsnaam van de energieadviseur en het nummer waarmee de energieadviseur is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; f. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening; en g. voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie, een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, onderbouwd in een door de minister ter beschikking gesteld formulier. 2 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdelen c en d Een aanvraag voor subsidie voor het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen, bedoeld inbevat tevens: a. een verslag waarin het verwachte effect van de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel op het energievraagprofiel beschreven wordt en waarin in ieder geval is opgenomen: 1°. een kwalitatieve beschrijving van de flexibiliteitsmaatregel; 2°. het jaarprofiel, maandprofiel, weekprofiel en dagprofiel op kwartierbasis van de elektriciteitsvraag en het jaarprofiel van het gasverbruik in m³ van de vestiging van een representatief jaar van de afgelopen drie jaren; 3°. bijlage 4.12.1 een kwantitatieve inschatting voor de flexibiliteitsmaatregel van de elementen bedoeld in., artikel 5, onderdelen a tot en met f; en 4°. bijlage 4.12.2 voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van minder dan 100 kW, de beschrijvingen, bedoeld in, artikel 9, onderdelen a tot en met d. b. artikel 1.1 van de Energiewet voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van 100 kW of meer, een kopie van een congestiemanagementcontract voor afname met een transmissiesysteem- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in; c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager; d. artikel 5.15a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.84a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW, indien de informatieplicht energiebesparing, bedoeld inof, op de aanvrager van toepassing is, een verklaring dat de aanvrager heeft voldaan aan die plichten; e. artikel 5.15b, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk flexibel vermogen van minder dan 100 kW, indien de onderzoeksplicht energiebesparing, bedoeld in, op de aanvrager van toepassing is, een verklaring dat de aanvrager heeft voldaan aan die plicht; en f. voor flexibiliteitsmaatregelen met een gezamenlijk vermogen van minder dan 100 kW, indien de plichten, bedoeld in de onderdelen d of e, niet op de aanvrager van toepassing zijn, een onderbouwing waaruit blijkt dat die plichten niet van toepassing zijn, in een door de minister ter beschikking gesteld formulier. 3 artikel 4.12.10, onderdeel b, onder 1° Indien voor dezelfde vestiging reeds subsidie is verstrekt voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen of het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, bevat een aanvraag voor subsidie tevens onderscheidenlijk een kopie van de flexibiliteitsscan, een kopie van de haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen of een kopie van het eindverslag bedoeld in. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.10 — Artikel 4.12.10 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 4.12.10 Aanvraag subsidievaststelling 1 Een aanvraag tot subsidievaststelling bevat: a. voor een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: indien de aanvraag van subsidie ten minste € 25.000 bedraagt een kopie van de haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen; b. voor een flexibiliteitsmaatregel: 1°. een eindverslag, dat aantoont dat de flexibiliteitsmaatregel waarvoor subsidie is verstrekt binnen 2 jaar operationeel is, gerekend vanaf het moment van de subsidieverlening, en in ieder geval foto’s bevat van de geïnstalleerde maatregelen waarop het serienummer zichtbaar is; 2°. artikel 50, derde lid, van het besluit een bestuursverklaring als bedoeld in. 2 artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit In afwijking vangaat een aanvraag niet vergezeld van een controleverklaring. 2025 6499 03-03-2025 20-02-2025 WJZ/97130339 2025 6499 03-03-2025 20-02-2025 WJZ/97130339 01-04-2025
Artikel 4.12.11 — Artikel 4.12.11 Staatssteun#
Artikel 4.12.11 Staatssteun 1 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c verordening (EU) nr. 717/2014 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening of, in voorkomend geval, door de landbouw de-minimisverordening ofvan de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector. 4 artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening of, in voorkomend geval, door de landbouw de-minimisverordening of verordening (EU) Idem nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.12 — Artikel 4.12.12 Gegevensverwerking#
Artikel 4.12.12 Gegevensverwerking artikel 4.12.9, tweede lid, onderdelen d en e De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de verklaringen, bedoeld in, gebruikmaken van de volgende gegevens en bescheiden: a. artikel 5.15a, eerste lid, onderdeel a artikel 5.15b, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit activiteiten leefomgeving de nummers van inschrijving in het handelsregister, bedoeld in, en; b. artikel 3.84a, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit bouwwerken leefomgeving de gegevens, bedoeld in; en c. artikel 5.15c van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.84a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving overige bij hem ingediende gegevens en bescheiden via de elektronische formulieren, bedoeld inen, voor zover het gaat om bedrijfsnamen, vestigingsnummers en adressen. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026
Artikel 4.12.13 — Artikel 4.12.13 Vervaltermijn#
Artikel 4.12.13 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 2026 12853 01-04-2026 31-03-2026 WJZ/105232035 06-05-2026 Voorheen art. 4.12.12.
Artikel 4.13.1 — Artikel 4.13.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.13.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: accountant: artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in; bod: de subsidie-intensiteit die is opgenomen in de subsidieaanvraag; 2 CO: 2 2 COof CO-equivalent; 2 CO-equivalent: bijlage 4.13.1 2 de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in, onderdeel A, eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa eenheid CO; 2 CO-emissie: 2 de optelsom van broeikasgasemissies naar de atmosfeer, uitgedrukt in CO-equivalenten; 2 CO-emissiereductie: de vermindering in uitstoot van broeikasgassen naar de atmosfeer; 2 NIKI CO-emissiereductiemethode: bijlage 4.13.2 de rekenmethode die is opgenomen in; dispensatierecht: 2 artikel 71p, eerste lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag een overdraagbaar recht om gedurende het kalenderjaar een emissie van één ton CO-equivalent in de lucht te veroorzaken in het kalenderjaar waarin die uitstoot plaatsvindt zonder toepassing van het tarief, genoemd in; exploitatieactiviteiten: activiteiten die zien op exploitatie van de NIKI-installatie of -installaties na ingebruikname; exploitatiefase: de exploitatie van de NIKI-installatie of -installaties gedurende de looptijd van het NIKI-project; industriële onderneming: een commerciële organisatie die: a. materiële goederen produceert, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep C; b. afvalwater inzamelt en behandelt, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 37; of c. doet aan terugwinning uit afval, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 38.2; investeringsactiviteiten: activiteiten die nodig zijn om tot ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties te komen; NIKI-installatie: 2 een productie-installatie die in het NIKI-project wordt aangepast of gebouwd om CO-emissies te verminderen. De NIKI-installatie betreft alleen de productie-installatie van de aanvrager, geen onderdelen van de voorgaande of navolgende stappen in de productieketen; NIKI-product: 2 een meetbare eenheid die in de NIKI-installatie of -installaties wordt geproduceerd, die fysiek getransporteerd kan worden, de poort van de productielocatie kan verlaten, economisch verhandelbaar is en een bron van opbrengsten is voor de industriële onderneming. COwordt, ook als aan deze voorwaarden wordt voldaan, niet gezien als NIKI-product; NIKI-project: 2 2 bijlage 4.13.1 een samenhangend geheel van activiteiten uitgevoerd in Nederland door een industriële onderneming waarbij een investering in een NIKI-installatie of -installaties plaatsvindt, dat binnen tien jaar na ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties leidt tot een CO-emissiereductie van minimaal 100.000 ton COten opzichte van het referentieproduct of de referentieproducten en dat past binnen de in, onderdeel B, opgenomen omschrijving; NIKI-rekenmethode: bijlage 4.13.3 de rekenmethode die is opgenomen in; overtollige dispensatierechten: het overschot aan dispensatierechten dat toe te schrijven is aan het NIKI-project en verhandeld zou kunnen worden; opt out-regeling: het krijgen van toestemming om, bij wijze van uitzondering, niet deel te nemen aan het Europese emissiehandelssysteem, hoewel de installatie wel aan een van de deelnamecriteria voldoet; productievolume: de totale hoeveelheid van NIKI-producten die door de NIKI-installatie of -installaties binnen de exploitatiefase, na ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties, worden vervaardigd; referentieproduct: een verhandelbaar product dat in de markt wordt vervangen door een NIKI-product. De aanvrager wijst een referentieproduct aan dat dezelfde functie vervult als het NIKI-product, waarbij het niet noodzakelijkerwijs fysiek hetzelfde hoeft te zijn; subsidie-intensiteit: 2 het bedrag in euro’s subsidie per ton CO-emissiereductie. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.2 — Artikel 4.13.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4.13.2 Subsidieverstrekking De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van een NIKI-project aan een ondernemer die een industriële onderneming drijft en die zelfstandig het NIKI-project zal uitvoeren. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.3 — Artikel 4.13.3 Verdeling van het subsidieplafond en hoogte subsidie#
Artikel 4.13.3 Verdeling van het subsidieplafond en hoogte subsidie 1 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2 De subsidie voor een NIKI-project bedraagt minimaal € 30.000.000 en bedraagt ten hoogste het bedrag van het subsidieplafond. 3 In afwijking van het tweede lid, kan de subsidie voor een NIKI-project minder dan € 30.000.000 bedragen, indien door toekenning van hoger gerangschikte aanvragen een restbudget van minder dan € 30.000.000 overblijft. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.4 — Artikel 4.13.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 4.13.4 Subsidiabele kosten De subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.5 — Artikel 4.13.5 Realisatietermijnen#
Artikel 4.13.5 Realisatietermijnen 1 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is veertien jaar. 2 Met de uitvoering van de investeringsactiviteiten wordt gestart binnen twaalf maanden na de beschikking tot subsidieverlening. 3 De subsidieontvanger neemt de NIKI-installatie of -installaties uiterlijk binnen vier jaar na de start van het NIKI-project in gebruik. 4 De exploitatieactiviteiten duren tien jaar na de ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties. 5 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de minister de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen met zes maanden. Daarnaast kan de minister de termijn bedoeld in het derde lid verlengen met twaalf maanden. Verlenging geschiedt slechts indien dit naar oordeel van de minister passend en geboden is. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.6 — Artikel 4.13.6 Afwijzingsgronden#
Artikel 4.13.6 Afwijzingsgronden artikelen 22 23 van het besluit Onverminderd deen, beslist de minister afwijzend op een aanvraag, indien: a. de subsidieverlening in strijd is met het klimaat, milieu- en energiesteunkader; b. de subsidieaanvrager geen investeerder is in de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie wordt aangevraagd; c. de investeringskosten minder bedragen dan twintig procent van de volgende som: investeringskosten + verdisconteerde exploitatiekosten – verdisconteerde operationele voordelen; d. artikel 4.13.10, tweede lid de haalbaarheid, bestaande uit financiële, technische, operationele en markt-haalbaarheid, van het NIKI-project onvoldoende is, blijkend uit de beoordeling van het ingediende projectplan en de vereiste bijlagen, bedoeld in; e. binnen het NIKI-project een techniek is gedefinieerd: 1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en 2°. artikel 4.13.4 waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in, van het NIKI-project bedragen; f. Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie door de aanvrager voor een techniek die binnen het NIKI-project is gedefinieerd subsidie aangevraagd is op grond van het; g. 2 het bod meer dan € 300/ton CObedraagt; h. de opgevoerde kosten niet aannemelijk zijn; i. een ongeschikt referentieproduct is gekozen; j. 2- de berekening van de COemissiereductie: 1°. 2 niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager; 2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen; k. subsidie wordt aangevraagd voor een investering in een NIKI-installatie of -installaties die: 1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of 2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast; l. het niet aannemelijk is dat de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie is aangevraagd na tien jaar exploitatie zonder subsidie operationeel blijft respectievelijk blijven; m. artikel 4.13.10, derde lid het NIKI-project niet past in een reeks activiteiten die uiterlijk in 2050 bij de aanvrager zal leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie blijkend uit het klimaatplan, bedoeld in; n. het NIKI-project niet voldoet aan het principe van Do No Significant Harm; o. het NIKI-project hoofdzakelijk gericht is op de aanleg van infrastructuur; p. het NIKI-project gericht is op de productie van energie uit warmtekrachtkoppeling; q. binnen het NIKI-project fossiele brandstoffen worden ingezet in het kader van een nieuwe installatie. Uitgezonderd zijn investeringen in het gebruik van aardgas, als de investering bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelstelling van de Europese Unie voor 2030 en de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie tegen 2050; r. het NIKI-product voor meer dan tien procent van de totale uitgaande massa van het productieproces als brandstof wordt ingezet. Indien de productie van het NIKI-product volledig gebaseerd is op koolstof die gewonnen is uit Direct Air Capture, mag meer dan tien procent van de productie output als synthetische brandstof worden ingezet. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.7 — Artikel 4.13.7 Rangschikkingscriterium#
Artikel 4.13.7 Rangschikkingscriterium De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate het bod lager is. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.8 — Artikel 4.13.8 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 4.13.8 Verplichtingen subsidieontvanger 1 De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de resultaten van het NIKI-project door middel van: a. artikel 4.13.11 een jaarlijkse rapportage ten aanzien van de activiteiten, bedoeld in, op een door de minister bepaald moment, op basis van de mijlpalen van de investeringsactiviteiten; b. artikel 4.13.12 een jaarlijkse rapportage ten aanzien van de activiteiten tijdens de exploitatiefase, bedoeld in, op een door de minister bepaald moment, op basis van een herberekening van de benodigde subsidie, in overeenstemming met de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode. 2 artikel 71h, onderdeel g artikelen 71i 71k, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag Indien de subsidieontvanger ten tijde van de rapportage, bedoeld onder het eerste lid, onderdeel b, een exploitant van een industriële installatie als bedoeld in, in samenhang met deenis, bevat de rapportage tevens: a. een verklaring dat de subsidieontvanger gebruik heeft gemaakt van de opt out-regeling voor de NIKI-installatie of -installaties; of b. een verklaring dat de subsidieontvanger in het voorafgaande jaar geen overtollige dispensatierechten heeft verhandeld, een herberekening van het aantal overtollige dispensatierechten over de voorafgaande heffingsperiode en een verklaring dat de overtollige dispensatierechten niet zal verhandelen in de resterende exploitatieperiode. 3 artikel 71p, eerste lid, onder a van de Wet belastingen op milieugrondslag Indien uit de jaarlijkse rapportage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, blijkt dat het aantal overtollige dispensatierechten in het voorgaande kalenderjaar geheel of voor een gedeelte is verhandeld, wordt per verhandeld overtollig dispensatierecht het in dat kalenderjaar geldende tarief, bedoeld in, in mindering gebracht op het subsidiebedrag. 4 De rapportage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gaat op verzoek van de minister of in ieder geval eens per vijf jaar, vergezeld van een rapport van feitelijke bevindingen opgesteld door een accountant over de productieoutput van de NIKI-installatie of -installaties, de kostprijs en de marktprijs van de producten. 5 artikel 37, derde lid, van het besluit Een verzoek met betrekking tot een essentiële wijziging als bedoeld ingaat vergezeld van een beschrijving van de essentiële wijziging, inclusief argumentatie waarom deze wijziging noodzakelijk is binnen het NIKI-project. 6 artikel 4.13.1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde NIKI-project, bedoeld in, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 7 De subsidieontvanger is eigenaar van de NIKI-installatie of -installaties waarin wordt geïnvesteerd en blijft eigenaar gedurende de investerings- en exploitatiefase. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.9 — Artikel 4.13.9 Cumulatie#
Artikel 4.13.9 Cumulatie artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Indien reeds energie-investeringsaftrek, bedoeld in, is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan is volgens de toepasselijke Europese steunkaders. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.10 — Artikel 4.13.10 Informatieverplichtingen subsidieaanvraag#
Artikel 4.13.10 Informatieverplichtingen subsidieaanvraag 1 De aanvraag voor subsidie bevat: a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de industriële onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de locatie waar de NIKI-installatie wordt geplaatst; d. stukken waaruit blijkt dat de basic engineering is afgerond; e. een projectplan; f. een klimaatplan; g. het bod. 2 Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. een beschrijving van het NIKI-project, inclusief een planning met mijlpalenbegroting en de go-no go momenten in de fase tot de start van het NIKI-project, onderbouwd met stukken; b. een beschrijving van de technische haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief de energie- en massabalans van het productieproces met de NIKI-installatie of -installaties en, indien van toepassing, referentie-installatie of -installaties; c. een beschrijving van de financiële haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief: 1°. een prognose van de productieoutput gedurende tien jaar; 2°. een begroting waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen met daarbij een onderbouwing van de toegepaste referentie en een onderbouwing van de productieoutput van de NIKI-installatie of -installaties, de kostprijs en de marktprijs van de producten, gebruikmakend van de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode; en 3°. informatie over de wijze waarop de aanvrager het eigen aandeel in de projectkosten financiert; d. een beschrijving van de markthaalbaarheid van het NIKI-project inclusief een marktonderzoek; e. een beschrijving van de operationele haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief de juridische vereisten; f. 2 2 een onderbouwing van de CO-emissiereductie die met het NIKI-project wordt gerealiseerd, gebruikmakend van de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO-emissiereductiemethode; g. 2 een analyse van risico’s en mitigerende maatregelen voor het gehele NIKI-project, bestaande uit ten minste, maar niet uitsluitend, de technische, financiële en operationele haalbaarheid en een gevoeligheidsanalyse van de CO-emissiereductie berekening. 3 Het klimaatplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, bevat in ieder geval een beschrijving hoe het NIKI-project past binnen de investeringsagenda en vervolgstappen van de aanvrager die leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie in 2050, inclusief: a. de te zetten vervolgstappen die de aanvrager na afloop van het NIKI-project verwacht te zetten; b. de stappen die de aanvrager al heeft ondernomen om het finale energieverbruik van het productieproces te minimaliseren; en c. de stappen die gedurende de operationele fase nog genomen zullen worden. 4 artikel 71h, onderdeel g artikelen 71i 71k, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag Indien de aanvrager een exploitant van een industriële installatie als bedoeld in, in samenhang met deenis, bevat het klimaatplan, bedoeld in het derde lid, tevens: a. een verklaring dat de aanvrager gebruik heeft gemaakt van de opt out-regeling voor de NIKI-installatie of -installaties; of b. een verklaring dat de aanvrager tijdens de exploitatiefase geen overtollige dispensatierechten zal verhandelen en een berekening waarin de aanvrager het aantal overtollige dispensatierechten over de exploitatieperiode aannemelijk maakt. 5 Standaard 3400 van de Nederlandse Beroepsorganisatie van accountants De informatie, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel c, sub 2, gaat vergezeld van een rapportage van een accountant op basis van. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.11 — Artikel 4.13.11 Voorschot investeringsactiviteiten#
Artikel 4.13.11 Voorschot investeringsactiviteiten 1 artikel 46, zesde lid, van het besluit Een voorschot voor investeringsactiviteiten wordt verstrekt conform. 2 artikel 46, vierde lid, van het besluit In afwijking van, bedraagt het voorschot: afhankelijk van welk van deze bedragen het laagst is. a. 40 procent van het maximaal verleende subsidiebedrag; of b. de totale investeringskosten conform de goedgekeurde begroting van het NIKI-project, 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.12 — Artikel 4.13.12 Voorschot exploitatieactiviteiten#
Artikel 4.13.12 Voorschot exploitatieactiviteiten artikel 46, zevende lid, van het besluit Een voorschot voor exploitatieactiviteiten wordt verstrekt conform. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.13 — Artikel 4.13.13 Bijstelling voorschot exploitatieactiviteiten#
Artikel 4.13.13 Bijstelling voorschot exploitatieactiviteiten 1 artikel 4.13.12 artikel 4.13.8, eerste lid, onderdeel b Het voorschot, bedoeld in, kan binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar worden bijgesteld aan de hand van de jaarlijkse rapportage, bedoeld in, conform de op het moment van indiening van de aanvraag NIKI-rekenmethode, rekening houdend met het gerealiseerde productievolume. 2 Indien de som van de bedragen die in het voorgaande kalenderjaar zijn verstrekt, minder bedraagt dan het op grond van het eerste lid bijgestelde voorschot, wordt het tekort aan verstrekte bedragen verrekend. De minister verstrekt het te weinig betaalde bedrag binnen zes weken na de datum van de bijstelling aan de subsidieontvanger, met dien verstande dat het maximaal te verstrekken voorschotbedrag voor de totale subsidieperiode niet wordt overschreden. 3 Indien de som van de bedragen die in een kalenderjaar zijn verstrekt, meer bedraagt dan het op grond van het eerste lid bijgestelde voorschot, wordt het teveel aan verstrekte bedragen verrekend. De minister brengt het te veel betaalde bedrag aan verstrekte bedragen in mindering op het eerstvolgende toekomstig te verstrekken bedragen en vervolgens op zoveel maandelijkse bedragen als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen. Indien er geen maandelijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt een teveel betaald voorschot teruggevorderd. 4 De bijstelling, bedoeld in het derde lid, bedraagt 60 procent van het verschil tussen het herrekende benodigde steunbedrag conform de NIKI-rekenmethode, rekening houdend met het gerealiseerde productievolume. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.14 — Artikel 4.13.14 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 4.13.14 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarmee de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. een algemene en technische omschrijving van de aangeschafte en gebruikte installaties en infrastructuur op de productielocatie; b. een actuele berekening van de benodigde subsidie conform de op het moment van indiening van de subsidieaanvraag geldende NIKI-rekenmethode; en c. 2 2 een berekening van de gerealiseerde CO-emissiereductie op basis van de bij aanvraag berekende CO-emissiereductie per vollastuur en de totale productieoutput gedurende de exploitatiefase. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.15 — Artikel 4.13.15 Kennisverspreiding#
Artikel 4.13.15 Kennisverspreiding 1 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. 2 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het NIKI-project worden opgedaan na afloop van het NIKI-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 3 artikel 4.13.8, eerste lid De minister kan de jaarlijkse rapportage, bedoeld in, gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het NIKI-project worden opgedaan. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.16 — Artikel 4.13.16 Staatssteun#
Artikel 4.13.16 Staatssteun artikel 4.13.2 De subsidie, bedoeld in, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.103901 (2025/N). 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4.13.17 — Artikel 4.13.17 Vervaltermijn#
Artikel 4.13.17 Vervaltermijn bijlages 4.13.1 4.13.2 4.13.3 Deze titel en,envervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op aanvragen die voor deze datum zijn ingediend. 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 2025 20041 19-06-2025 16-06-2025 WJZ/99099009 20-06-2025
Artikel 4a.1.1 — Artikel 4a.1.1 Begripsomschrijvingen#
Artikel 4a.1.1 Begripsomschrijvingen Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.2 — Artikel 4a.1.2 Subsidieaanvraag#
Artikel 4a.1.2 Subsidieaanvraag Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.3 — Artikel 4a.1.3 Subsidiabele kosten#
Artikel 4a.1.3 Subsidiabele kosten Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.4 — Artikel 4a.1.4 Hoogte subsidie#
Artikel 4a.1.4 Hoogte subsidie Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.5 — Artikel 4a.1.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4a.1.5 Verdeling van het subsidieplafond Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.6 — Artikel 4a.1.6 Start- en realisatietermijn#
Artikel 4a.1.6 Start- en realisatietermijn Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.7 — Artikel 4a.1.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 4a.1.7 Afwijzingsgronden Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.8 — Artikel 4a.1.8 Informatieverplichtingen#
Artikel 4a.1.8 Informatieverplichtingen Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.9 — Artikel 4a.1.9 Administratie#
Artikel 4a.1.9 Administratie Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.10 — Artikel 4a.1.10 Staatssteun#
Artikel 4a.1.10 Staatssteun Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.1.11 — Artikel 4a.1.11 Vervaltermijn#
Artikel 4a.1.11 Vervaltermijn Vervallen 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 2016 21440 29-04-2016 22-04-2016 WJZ/16045094 01-01-2019
Artikel 4a.3.1 — Artikel 4a.3.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4a.3.1 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: cyberbeveiliging: verordening (EU) 2021/694 cyberbeveiliging als bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van; Europees samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband van onafhankelijke juridische entiteiten; juridische entiteit: verordening (EU) 2021/694 verordening (EU) 2021/694 juridische entiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van, die voor subsidie in aanmerking zou kunnen komen op grond van artikel 18 van; Nederlands samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde onafhankelijke juridische entiteiten; verordening (EU) 2021/694: verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PbEU 2021 L 166/1). 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.2 — Artikel 4a.3.2 Subsidieverstrekking#
Artikel 4a.3.2 Subsidieverstrekking 1 verordening (EU) 2021/694 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een cyberbeveiligingsinnovatieproject dat gericht is op de verwezenlijking van één of meer van de operationele doelstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, vanop de volgende deelgebieden: a. het bevorderen van crypto-agility, waaronder mede begrepen het ontwikkelen van vernieuwende methoden of technieken ten behoeve van het beheer en de vernieuwing van cryptografische middelen binnen de organisatie van de mogelijke afnemers van de subsidieaanvrager, bestaande uit onder meer algoritmes, sleutels en certificaten, in het belang van de nationale cyberveiligheid; b. het vereenvoudigen en meer kostenefficiënt maken van cyberbeveiligingsoplossingen, waaronder mede begrepen het ontwikkelen of doorontwikkelen van vernieuwende respectievelijk bestaande methoden of technieken dan wel de opschaling hiervan ten behoeve van het binnen de organisatie van de subsidieaanvrager geautomatiseerd kunnen detecteren van cyberdreigingen, controleren van codes van software, versleutelen van data en elektronische communicatie, netwerk- en toegangsbeveiliging en verbetering hiervan via zelflerende systemen. 2 Een cyberbeveiligingsinnovatieproject bevat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of procesinnovatie. 3 De subsidieontvanger is een in Nederland gevestigde juridische entiteit, die de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, zelfstandig dan wel in een Nederlands of Europees samenwerkingsverband uitvoert, en ten behoeve van de uitvoering van deze activiteiten geen onderneming in stand houdt die actief is in: a. de sector visserij en aquacultuur; b. de primaire productie van landbouwproducten; of c. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de gevallen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de algemene de-minimisverordening. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.3 — Artikel 4a.3.3 Hoogte subsidie#
Artikel 4a.3.3 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt voor een cyberbeveiligingsinnovatieproject: a. 70% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten binnen het deelgebied ‘het bevorderen van crypto-agility’; b. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten binnen het deelgebied ‘het vereenvoudigen en meer kostenefficiënt maken van cyberbeveiligingsoplossingen’. 2 De subsidie per cyberbeveiligingsinnovatieproject bedraagt ten hoogste € 100.000. 3 Het totale bedrag aan de-minimissteun per subsidieontvanger bedraagt niet meer dan het maximumbedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.4 — Artikel 4a.3.4 Subsidiabele kosten#
Artikel 4a.3.4 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking: a. personeelskosten, waaronder mede begrepen de kosten verbonden aan de inzet van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel; b. kosten van de aanschaf en het gebruiksklaar maken van apparatuur en uitrusting; c. kosten van contractonderzoek, consultancy of gelijkwaardige diensten; d. kosten voor het gebruik van onderzoek-, simulatie- of testfaciliteiten of materialen. 2 artikel 11, eerste lid, onderdelen a en b, van het besluit artikel 14 van het besluit In afwijking vanberekent de subsidieaanvrager de subsidiabele kosten uitsluitend overeenkomstig de vaste-uurtarief-systematiek, opgenomen in. 3 artikel 14 van het besluit Voor de toepassing van deze titel bedraagt het uurtarief, bedoeld in, € 60. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.5 — Artikel 4a.3.5 Verdeling van het subsidieplafond#
Artikel 4a.3.5 Verdeling van het subsidieplafond De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.6 — Artikel 4a.3.6 Start- en Realisatietermijn#
Artikel 4a.3.6 Start- en Realisatietermijn 1 Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd cyberbeveiligingsinnovatieproject wordt gestart uiterlijk één maand na subsidieverlening. 2 artikel 23, onderdeel b, van het besluit De termijn, bedoeld in, is één jaar na subsidieverlening. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.7 — Artikel 4a.3.7 Afwijzingsgronden#
Artikel 4a.3.7 Afwijzingsgronden De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een cyberbeveiligingsinnovatieproject indien: a. artikel 4a.3.8, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, en tweede lid na toepassing van, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend; b. de te verlenen subsidie: 1°. minder dan € 60.000 voor het cyberbeveiligingsinnovatieproject zou bedragen; of 2°. minder dan € 25.000 voor een subsidieaanvrager zou bedragen, in het geval het cyberbeveiligingsinnovatieproject wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband; c. de subsidieaanvrager in de afgelopen drie volledige kalenderjaren niet actief zijn beroep of bedrijf heeft uitgeoefend in Nederland, waaronder mede begrepen geen producten of diensten heeft aangeboden op de Nederlandse markt; d. het cyberbeveiligingsinnovatieproject uitsluitend gericht is op het verhogen van de cyberweerbaarheid binnen de organisatie van de subsidieaanvrager; of e. de aanvraagactiviteiten bevat die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.8 — Artikel 4a.3.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 4a.3.8 Rangschikkingscriteria 1 De Minister kent aan een aanvraag om subsidieverlening betreffende een cyberbeveiligingsinnovatieproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. artikel 4a.3.2, eerste lid het project meer bijdraagt aan de doelen en het toepasselijke deelgebied, bedoeld in; b. de kwaliteit van het projectplan en begroting van het cyberbeveiligingsinnovatieproject beter is, blijkend uit: 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan; 2°. de wijze waarop zal worden omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het project; 3°. de mate van uitvoerbaarheid en verwachte haalbaarheid van de projectplanning; en 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; c. de aanvrager die of het samenwerkingsverband dat het cyberbeveiligingsinnovatieproject uitvoert meer geschikt is om het project uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband; 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het project, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling binnen de subsidieaanvrager respectievelijk binnen het samenwerkingsverband; 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband beschikt over bewezen expertise van het uitvoeren van dergelijke projecten en het toepassingsgebied van de te ontwikkelen of door te ontwikkelen methode of techniek; en 4°. voor zover van toepassing, een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten en deelname van een potentiële gebruiker van de te ontwikkelen of de door te ontwikkelen methoden of technieken; en d. de impact van het project op de markt groter is, blijkend uit ten minste de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de Nederlandse en internationale markt, de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen cyberbeveiligingssectoren en de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd op het gebied van cyberbeveiliging. 2 De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. 3 De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. 4 Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een project met soortgelijke activiteiten. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.9 — Artikel 4a.3.9 Verplichtingen betreffende niet-economische activiteiten door een onderzoeksorganisatie#
Artikel 4a.3.9 Verplichtingen betreffende niet-economische activiteiten door een onderzoeksorganisatie Vervallen 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.10 — Artikel 4a.3.10 Verplichtingen betreffende proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming#
Artikel 4a.3.10 Verplichtingen betreffende proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming Vervallen 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.11 — Artikel 4a.3.11 Verplichtingen betreffende voorlichting#
Artikel 4a.3.11 Verplichtingen betreffende voorlichting Vervallen 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.12 — Artikel 4a.3.12 Informatieverplichtingen#
Artikel 4a.3.12 Informatieverplichtingen 1 Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste: a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over het cyberbeveiligingsinnovatieproject, die bestaan uit een voor openbare publicatie geschikte samenvatting van de projectomschrijving en, voor zover van toepassing, een lijst met deelnemers in het Nederlandse of Europese samenwerkingsverband dat het cyberbeveiligingsinnovatieproject zal uitvoeren; d. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. 2 De aanvraag gaat vergezeld van: a. artikel 4a.2.2, eerste en tweede lid een projectplan met daarin een projectomschrijving van de doelen, de deelgebieden en de activiteiten, bedoeld in, van het cyberbeveiligingsinnovatieproject; b. een projectbegroting waarin per projectfase en deelnemer een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. artikel 4a.3.2, tweede lid de totale subsidiabele kosten van het cyberbeveiligingsinnovatieproject en op welke activiteiten als bedoeld in, deze kosten betrekking hebben; c. een beknopte beschrijving van de competenties van de bij de uitvoering van het cyberbeveiligingsinnovatieproject betrokken organisaties of personen; d. een beknopte beschrijving van de strategie en ontwikkelprioriteiten van de subsidieaanvrager en op welke termijn het te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben; e. de meest recente jaarrekening of, voor zover van toepassing, andere vergelijkbare documenten waaruit de financiële situatie van de subsidieaanvrager kan worden afgeleid; f. verordening (EU) 2021/694 een door de Minister beschikbaar gesteld ingevuld formulier, waaruit volgt dat de subsidieaanvrager niet in een groep verbonden is met één of meer andere juridische entiteiten die niet zijn gevestigd in één van de landen als bedoeld in artikel 18 van. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.13 — Artikel 4a.3.13 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 4a.3.13 Aanvraag subsidievaststelling artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit Het eindverslag, bedoeld in, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. een omschrijving van de projectresultaten van het cyberbeveiligingsinnovatieproject; b. artikel 4a.3.2, eerste lid op welke wijze het cyberbeveiligingsinnovatieproject heeft bijgedragen aan de doelen en deelgebieden, bedoeld in. 2023 24885 12-09-2023 01-09-2023 WJZ/34688808 2023 24885 12-09-2023 01-09-2023 WJZ/34688808 01-10-2023
Artikel 4a.3.14 — Artikel 4a.3.14 Staatssteun#
Artikel 4a.3.14 Staatssteun artikel 4a.3.2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 2025 42014 05-12-2025 03-12-2025 WJZ/102659930 09-12-2025
Artikel 4a.3.15 — Artikel 4a.3.15 Vervaltermijn#
Artikel 4a.3.15 Vervaltermijn Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2023 24885 12-09-2023 01-09-2023 WJZ/34688808 2023 24885 12-09-2023 01-09-2023 WJZ/34688808 01-10-2023
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 1 Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen Dewordt ingetrokken. 2 Subsidieregeling sterktes in innovatie Dewordt ingetrokken. 3 Subsidieregeling innoveren Dewordt ingetrokken. 4 Subsidieregeling energie en innovatie Dewordt ingetrokken. 5 Regeling steunintensiteit Dewordt ingetrokken. 6 Regeling sterktes in de regio Dewordt ingetrokken. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 Wijzigt de Regeling LNV-subsidies. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 1 Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip. 2 Op subsidies die vóór 1 januari 2015 zijn verleend en op subsidies die vóór 1 januari 2015 zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde vóór dat tijdstip. 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 2014 36474 18-12-2014 16-12-2014 WJZ/14192117 01-01-2015
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Overgangsrecht#
Artikel 5.4 Overgangsrecht Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt. 2018 27522 11-05-2018 07-05-2018 WJZ/18082755 2018 27522 11-05-2018 07-05-2018 WJZ/18082755 12-05-2018 01-01-2018
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 titel 2.2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande datterugwerkt tot en met het tijdstip waarop de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 juni 2014, nr. WJZ / 14104248, houdende wijziging van de Regeling LNV-subsidies in verband met de openstelling van de mogelijkheid van subsidies ten behoeve van de verduurzaming van de veehouderij in werking is getreden. 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 2014 20679 19-08-2014 11-07-2014 WJZ/13125043 20-08-2014
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 2025 33181 30-09-2025 28-09-2025 WJZ/101289856 01-10-2025
Artikel 1.2#
artikel 1.2, eerste lid
Artikel 1.3#
artikel 1.3
Artikel 1.5#
artikel 1.5
Artikel 2.2.1#
artikel 2.2.1
Artikel 2.2.2#
artikel 2.2.2
Artikel 2.2.8#
artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2
Artikel 2.2.8#
artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1
Artikel 2.2.8#
artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1
Artikel 2.2.8#
artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1
Artikel 2.2.8#
artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2
Artikel 2.2.8#
artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c
Artikel 2.3.2#
artikel 2.3.2, tweede lid, onderdeel i
Artikel 2.4.1#
artikel 2.4.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Artikel 2.5.7#
artikel 2.5.7
Artikel 1.1#
artikel 1.1.
Artikel 2.5.4#
artikel 2.5.4
Artikel 2.5.2#
artikel 2.5.2
Artikel 2.6.5#
artikelen 2.6.5
Artikel 2.6.7#
2.6.7, onderdeel b
Artikel 2.15.9a#
artikel 2.15.9a
Artikel 2.18.2#
artikel 2.18.2
Artikel 2.22.3.1#
artikel 2.22.3.1
Artikel 2.23.9#
artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel d
Artikel 2.23.2#
artikel 2.23.2
Artikel 2.23.4#
artikel 2.23.4, tweede lid
Artikel 2.23.9#
artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°.
Artikel 2.23.9#
artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel e
Artikel 2.23.4#
artikel 2.23.4, derde lid
Artikel 2.3.9#
artikel 2.3.9, lid 2, onderdeel a, subonderdeel 5
Artikel 2.24.1#
artikel 2.24.1
Artikel 2.24.1#
artikel 2.24.1
Artikel 2.25.2#
artikel 2.25.2, tweede lid
Artikel 2.26.3#
artikel 2.26.3
Artikel 2.28.2#
artikel 2.28.2
Artikel 2.29.2#
artikelen 2.29.2, eerste lid, onderdeel c
Artikel 2.29.4#
2.29.4, eerste lid, onderdeel d
Artikel 3.2.11#
artikel 3.2.11, tweede lid
Artikel 3.2.5#
artikelen 3.2.5
Artikel 3.2.12#
3.2.12
Artikel 3.2.2#
artikel 3.2.2
Artikel 3.2.9#
artikel 3.2.9, eerste lid, onderdeel a
Artikel 1.5#
artikel 1.5
Artikel 3.4.2#
artikel 3.4.2, eerste lid
Artikel 3.6.2#
artikel 3.6.2
Artikel 3.6.2#
artikelen 3.6.2, eerste lid
Artikel 3.6.3#
3.6.3, eerste lid, onderdeel a
Artikel 3.6.2#
artikel 3.6.2, tweede lid
Artikel 3.6.3#
artikel 3.6.3, eerste lid, onder a en b
Artikel 3.10.11#
artikel 3.10.11
Artikel 3.10.11#
artikel 3.10.11, tweede en derde lid
Artikel 3.10.12j#
artikel 3.10.12j
Artikel 3.10.3#
paragraaf 3.10.3
Artikel 3.11.8#
artikel 3.11.8, eerste lid
Artikel 1.1#
artikel 1.1
Artikel 3.11.4#
artikel 3.11.4
Artikel 3.11.6#
artikel 3.11.6, tweede lid
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2, eerste lid, onderdeel a
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2, eerste lid, onderdeel a
Artikel 3.11.8#
artikel 3.11.8, tweede lid
Artikel 1.1#
artikel 1.1
Artikel 3.11.4#
artikel 3.11.4
Artikel 3.11.6#
artikel 3.11.6, tweede lid
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2, eerste lid, onderdeel a
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2, eerste lid, onderdeel a
Artikel 3.11.8#
artikel 3.11.8, derde lid
Artikel 1.1#
artikel 1.1
Artikel 3.11.4#
artikel 3.11.4
Artikel 3.11.6#
artikel 3.11.6, tweede lid
Artikel 3.11.6#
artikel 3.11.6, derde lid
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2, eerste lid, onderdeel a
Artikel 3.11.2#
artikel 3.11.2, eerste lid, onderdeel a
Artikel 3.13.7#
artikel 3.13.7
Artikel 3.13.9#
3.13.9, onderdeel b
Artikel 3.13a.7#
artikel 3.13a.7.
Artikel 3.13a.9#
3.13a.9.
Artikel 3.13b.7#
3.13b.7
Artikel 3.13b.9#
3.13b.9, onderdeel b
Artikel 3.14.7#
artikel 3.14.7
Artikel 3.14.9#
3.14.9, onderdeel b
Artikel 3.13.2#
artikelen 3.13.2
Artikel 3.13a.2#
3.13a.2
Artikel 3.13b.2#
3.13b.2
Artikel 3.13.2#
artikel 3.13.2
Artikel 3.13.7#
artikel 3.13.7
Artikel 3.15.8#
artikel 3.15.8
Artikel 3.16.2#
artikelen 3.16.2, tweede lid
Artikel 3.16.7#
3.16.7, tweede lid
Artikel 3.16.2#
artikelen 3.16.2, tweede lid
Artikel 3.16.7#
3.16.7, tweede lid
Artikel 3.16.20#
artikel 3.16.20
Artikel 3.16.1c#
artikel 3.16.1c
Artikel 3.16.1h#
artikel 3.16.1h
Artikel 3.16.1c#
artikel 3.16.1c, tweede lid
Artikel 3.16.1g#
artikel 3.16.1g
Artikel 3.16.20#
artikel 3.16.20
Artikel 3.16.2#
artikel 3.16.2
Artikel 3.16.2#
artikel 3.16.2, eerste lid
Artikel 3.16.1#
artikel 3.16.1, vierde lid
Artikel 3.16.20#
artikelen 3.16.20
Artikel 3.16.2#
artikel 3.16.2
Artikel 3.16.2#
artikel 3.16.2, tweede lid
Artikel 3.16.7#
artikelen 3.16.7, eerste lid
Artikel 3.16.2#
3.16.2, eerste lid
Artikel 3.18.4#
artikel 3.18.4
Artikel 3.18a.1#
artikel 3.18a.1
Artikel 3.19.2#
artikel 3.19.2
Artikel 3.20.1#
artikel 3.20.1, eerste lid
Artikel 3.21.1#
artikel 3.21.1
Artikel 3.22.11#
artikel 3.22.11
Artikel 3.22.2#
artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel a, en vijfde lid
Artikel 3.25.2#
artikelen 3.25.2, derde lid onderdeel e
Artikel 3.25.7#
3.25.7
Artikel 3.26.2#
artikel 3.26.2, vierde lid
Artikel 3.26.2#
artikel 3.26.2, eerste lid
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen Voor de toepassing en de uitleg van deze overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing de begrippen die worden gebruikt en omschreven in: a. Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies het; en b. hoofdstuk 1 titels 3.1 3.26 bijlagen 1.1 1.3 de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, in het bijzonder de gebruikte en omschreven begrippen in,enenenvan deze regeling.
Artikel 2 — Artikel 2 Verstrekking en aanvaarding van de lening#
Artikel 2 Verstrekking en aanvaarding van de lening 1. Met inachtneming van de bepalingen van deze overeenkomst verstrekt Leninggever aan Leningnemer een lening voor het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, welke lening door Leningnemer is aanvaard. Deze lening mag enkel door Leningnemer worden aangewend voor het uitvoeren van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject. 2. artikel 3.26.2, eerste respectievelijk tweede lid Een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject als bedoeld in het eerste lid is gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen en omvat een samenhangend geheel van de activiteiten, bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 3. artikel 3.26.2, derde lid Het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies.
Artikel 3 — Artikel 3 Hoogte en looptijd van de lening#
Artikel 3 Hoogte en looptijd van de lening 1. De hoofdsom van de lening bedraagt € [bedrag]. 2. artikel 3.26.3, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk tweede lid Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies Indien na de verstrekking van de hoofdsom van de lening komt vast te staan dat niet gebleven wordt binnen de marges van de steunintensiteit of het maximumsubsidiebedrag, genoemd in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, zal door Leninggever, voor zover nodig op grond van het toepasselijke Europese steunkader of het, terugvordering plaatsvinden van het bedrag waarmee deze marges zijn overschreden.
Artikel 4 — Artikel 4 In aanmerking komende kosten#
Artikel 4 In aanmerking komende kosten 1. artikel 3.26.4 Voor de lening komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld invan de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 2. artikelen 12 tot en met 14 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies Voor de berekening van de kosten wordt door Leningnemer gebruik gemaakt van één van de berekeningsmethoden als bedoeld in. 3. Alle kosten verbonden aan de uitoefening van de rechten van de Leninggever uit hoofde van deze Overeenkomst, zowel in als buiten rechte, zijn voor rekening van Leningnemer.
Artikel 5 — Artikel 5 Betaling van de lening#
Artikel 5 Betaling van de lening 1. artikel 46, Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies De betaling van de hoofdsom van de lening vindt, overeenkomstig, plaats in meerdere tranches, door middel van overschrijving op rekeningnummer [nr.] van de Leningnemer waarbij: a. de betaling van de eerste tranche van de lening plaatsvindt uiterlijk binnen twee weken na de startdatum van het project, opgenomen in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van deze overeenkomst; en b. de betaling van de daaropvolgende tranches van de lening plaatsvinden gedurende de looptijd van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten. 2. De betaling van een tranche bedraagt 100% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor een lening in aanmerking komt, berekend door de in de periode tussen twee mijlpalen gemaakte kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, te delen door het aantal tranchebetalingsmomenten in deze periode. 3. Indien Leningnemer heeft aangegeven bij één of meer vervolgbetalingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een lager bedrag nodig te hebben, dan wordt dit lagere bedrag verstrekt.
Artikel 6 — Artikel 6 Algemene verplichtingen betreffende het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject#
Artikel 6 Algemene verplichtingen betreffende het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject 1. artikel 3.26.12, derde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b Het met de Lening ondersteunde regeneratief geneeskundig onderzoeksproject wordt uitgevoerd conform het ingediende projectplan en financieringsplan, bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, met dien verstande dat: a. met de uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject wordt gestart uiterlijk op [datum]; b. het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uiterlijk wordt afgerond op [datum]. 2. artikelen 36 36a 37, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies De Leningnemer doet, overeenkomstig,en, onverwijld schriftelijk mededeling aan de Leninggever: a. artikel 3.26.12, derde lid, onderdeel a indien de activiteiten waarvoor de lening bestemd is niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht dan wel met vertraging of essentiële wijzigingen kunnen worden verricht conform de wijze zoals omschreven in het projectplan, bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies; b. artikel 3.26.12, derde lid, onderdeel b indien de kosten waarvoor de lening bestemd is meer dan 25% afwijken van de begroting die voor de mijlpalen in het desbetreffende kwartaal is opgenomen in het financieringsplan, bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies; c. Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies indien niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan aan de aan de lening verbonden verplichtingen of overige bij deze overeenkomst, hetof de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies gestelde regels; d. op het moment waarop bij de rechtbank een verzoek is ingediend tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring van de Leningnemer. 3. artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies artikel 3.26.12, derde lid, onderdeel a De Leninggever kan, overeenkomstig, op voorafgaand verzoek van de Leningnemer ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, indien er sprake is van het vertragen of het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten of de wijziging van de aanverwante kosten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen als omschreven in het projectplan, bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 4. Aan de ontheffing, bedoeld in het derde lid, kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 7 — Artikel 7 Verplichtingen betreffende verstrekking samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding#
Artikel 7 Verplichtingen betreffende verstrekking samenwerkingsovereenkomst, voortgangsrapportages en kennisverspreiding 1. artikel 3.26.10, eerste lid Leningnemer draagt er zorg voor dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening een samenwerkingsovereenkomst verstrekt wordt aan Leninggever ten behoeve van de uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, die voldoet aan de voorwaarden van, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 2. Gedurende de looptijd van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject verstrekt Leningnemer: a. artikel 39 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies [éénmaal /jaarlijks] uiterlijk op [datum] van het desbetreffende kalenderjaar een voortgangsrapportage als bedoeld inover het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, die Leninggever kan gebruiken voor het monitoren van de voortgang van het project; en b. artikel 3.26.10, tweede lid voor zover hiertoe een verzoek is gedaan door Leninggever, aanvullende inlichtingen omtrent de verrichte of te verrichten activiteiten, voortgang of resultaten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject als bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, die Leninggever kan gebruiken voor het monitoren van de voortgang van het project. 3. De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt door Leningnemer verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door Leninggever beschikbaar wordt gesteld via RVO.nl, waaronder mede begrepen formulieren en standaard formats voor verslaglegging.
Artikel 8 — Artikel 8 Administratieve verplichtingen#
Artikel 8 Administratieve verplichtingen 1. artikel 38 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies De Leningnemer voert, overeenkomstig, een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden: a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten; b. de rechtstreeks aan de activiteiten toe te rekenen kosten; c. het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; d. het aantal uren dat per persoon is besteed aan de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; en e. artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies voor zover van toepassing, de berekening en samenstelling van het tarief, bedoeld in. 2. artikel 3.26.12, derde lid, onderdelen a en b De inrichting van de administratie sluit aan bij de ingediende begroting en projectplan, bedoeld in, van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 3. Ter zake van de loonkosten is een door middel van een urenadministratie vastgestelde urenverantwoording aanwezig. 4. De administratie, bedoeld in het eerste lid, wordt bewaard tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
Artikel 9 — Artikel 9 Controleverplichtingen#
Artikel 9 Controleverplichtingen Algemene wet bestuursrecht Leningnemer is verplicht met het oog op de comptabele en beleidsmatige verantwoording op de uitvoering van de Overeenkomst aan de Staat, in dit geval de Minister van Economische Zaken en personen die door de Staat als toezichthouder in de zin van dezijn aangewezen voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk achten voor de vervulling van hun taak: a. inlichtingen te verstrekken en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken en de gelegenheid te bieden daarvan kopieën te maken; b. toegang te verlenen tot plaatsen, niet zijnde woningen, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving en bijbehorende vergunningen en toestemmingen; en c. binnen de gestelde termijn alle inlichtingen over haar financiële positie te verstrekken die Leninggever van haar verlangt; d. anderszins binnen de door hen gestelde termijn alle door hen gewenste medewerking te verlenen.
Artikel 10 — Artikel 10 Verplichtingen betreffende financieel beheer en instandhouding van de onderneming#
Artikel 10 Verplichtingen betreffende financieel beheer en instandhouding van de onderneming Gedurende de looptijd van deze Overeenkomst zal Leningnemer niet dan na schriftelijke toestemming van de Leninggever: a. haar statuten wijzigen of overeenkomsten tot fusie of splitsing aangaan; b. haar onderneming geheel of gedeeltelijk vervreemden; c. een verzoek doen tot ontbinding dan wel overgaan tot staking van haar onderneming; d. enig tot haar onderneming behorend goed verpanden of verhypothekeren aan derden; e. personenvennootschappen of rechtspersonen oprichten; f. overgaan tot nieuwe deelnemingen in personenvennootschappen of rechtspersonen, tenzij het financiële belang van alle deelnemingen genomen in één kalenderjaar een waarde van in totaal € 200.000,- niet te boven is gegaan. Bij het bepalen van het financieel belang wordt onder deelnemen tevens verstaan het verstrekken van leningen; g. uitkeringen toezeggen, verlenen of verstrekken aan zijn aandeelhouders.
Artikel 11 — Artikel 11 Verplichtingen betreffende de aflossing en rentebetaling#
Artikel 11 Verplichtingen betreffende de aflossing en rentebetaling 1. Gedurende de looptijd van de lening is Leningnemer verplicht het volgende aan Leninggever te betalen: a. de aflossing van de hoofdsom van de geldlening; b. een eenmalige rente van 15 procent over de hoofdsom van de geldlening, die niet-rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin subsidievaststelling heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies; c. een jaarlijkse basisrente van 3 procent per jaar over de som van het verschuldigde nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de geldlening, die rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin niet voldaan is aan de bij deze rente horende betalingsverplichting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°; en d. voor zover van toepassing, de bij te late betaling verschuldigde wettelijke rente. 2. De looptijd van de lening is [aantal jaar], met dien verstande dat: a. Leningnemer jaarlijks een deel van de verschuldigde bedragen, bedoeld in het eerste lid, betaalt op grond van het bij deze overeenkomst gevoegde aflossingsschema, waarbij: 1°. Voor zover het de verschuldigde aflossing van de hoofdsom van de geldlening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft, een twaalfde deel van in het desbetreffende kalenderjaar te betalen bedrag telkens opeisbaar is op uiterlijk de eerste dag van elke maand, na de datum waarop het project behoord te zijn afgerond, genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van deze overeenkomst; 2°. Voor zover het de betaling van de verschuldigde jaarlijkse rente, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, betreft, een twaalfde deel van het in het desbetreffende kalenderjaar te betalen bedrag telkens opeisbaar is op uiterlijk de eerste dag van elke maand, na de datum waarop door Leninggever de eerste tranche van de geldlening betaald is, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van deze overeenkomst; en 3°. voor zover het de verschuldigde eenmalige rente, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, het te betalen bedrag opeisbaar is op uiterlijk de datum waarop de laatste aflossing plaatsvindt van de hoofdsom van de geldlening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; b. Leningnemer gerechtigd is om de bedragen, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk vervroegd te betalen en Leninggever te verzoeken toe te staan door hem eerder onverplicht betaalde bedragen in mindering te laten komen op een termijn als bedoeld in onderdeel a; c. Leninggever op verzoek van Leningnemer maximaal tweemaal een jaar uitstel kan geven van de verplichting tot betaling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, en aan dit uitstel voorwaarden kan verbinden, waarbij ten minste: 1°. de data bedoeld in onderdeel a, worden verlengd met de termijn waarvoor uitstel is verleend; en 2° er geen uitstel zal worden verleend voor de betaling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, voor zover door dit uitstel de looptijd van de geldlening meer dan 14 jaar zou komen te bedragen; en d. de betaling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, achtereenvolgens in mindering worden gebracht op de eventueel verschuldigde wettelijke renten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, op eventueel nog lopende jaarlijkse basisrente, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, de eenmalige rente, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en vervolgens op de hoofdsom van de lening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. 3. Leninggever zal door Leningnemer gemachtigd worden en gedurende de looptijd van de Lening gemachtigd gehouden worden tot automatische incasso ten behoeve van de betaling van deze bedragen via overboeking naar rekeningnummer IBAN nummer NL29INGB0705001318 ten name van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onder vermelding van [dossier en referentienummer].
Artikel 12 — Artikel 12 Verplichting tot informatieverstrekking over het gebruik van de lening#
Artikel 12 Verplichting tot informatieverstrekking over het gebruik van de lening 1. artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies artikel 3.26.13 Binnen 13 weken na afronding van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject of na voortijdige staking hiervan zal Leningnemer, overeenkomstig het bepaalde inenvan de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, verantwoording afleggen over de mate waarin en wijze waarop de hoofdsom van de lening is aangewend voor financiering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject. 2. artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies bijlage 1.3 Leningnemer legt bij zijn verantwoording van de kosten, overeenkomstig, een verklaring van een accountant over, die is opgesteld volgens het controleprotocol, opgenomen invan de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 3. artikel 41 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies titel 3.26 Leningnemer verleent op verzoek van Leninggever, overeenkomstig, medewerking aan een evaluatie vanvan de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies.
Artikel 13 — Artikel 13 Inwerkingtreding en looptijd van deze overeenkomst#
Artikel 13 Inwerkingtreding en looptijd van deze overeenkomst 1. Deze Overeenkomst treedt in werking onmiddellijk nadat de laatste van Partijen deze heeft ondertekend. 2. Deze overeenkomst eindigt, indien: a. volledige terugbetaling heeft plaatsgevonden van het uitstaand saldo, bedoeld in artikel 11, eerste lid; b. voldaan is aan de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 12; en c. in de gevallen, bedoeld in artikel 14, tweede lid.
Artikel 14 — Artikel 14 Ontbinding, vernietiging en opzegging van deze Overeenkomst#
Artikel 14 Ontbinding, vernietiging en opzegging van deze Overeenkomst 1. Deze overeenkomst wordt ontbonden, indien de beschikking tot subsidieverlening, uit hoofde waarvan de onderhavige overeenkomst van geldlening is gesloten, wordt gewijzigd of ingetrokken. 2. Leninggever kan de onderhavige overeenkomst van geldlening opzeggen en de lening geheel of gedeeltelijk opeisen, zonder dat daarbij enige termijn in acht hoeft te worden genomen, indien: a. er sprake is van niet-naleving door Leningnemer van (één van) haar verplichtingen uit de Overeenkomst; b. ten aanzien van Leningnemer een verzoek tot faillietverklaring of surseance van betaling is ingediend; c. er door Leningnemer een buitengerechtelijk akkoord aan haar crediteuren is of wordt aangeboden; d. Leningnemer aan een rechtbank vraagt om een beoogd curator te benoemen ten behoeve van een zogenaamde pre-pack; e. executoriaal of conservatoir beslag wordt gelegd op enig vermogensbestanddeel van Leningnemer voor een vordering van ten minste € 500.000 en, indien het een conservatoir beslag betreft, het beslag gedurende twee maanden in stand is gebleven; f. ten aanzien van Leningnemer een verzoek tot ontbinding of beëindiging van de bedrijfsactiviteiten wordt ingediend of Leningnemer anderszins haar activiteiten staakt of overdraagt; g. er sprake is van: 1°. uitgifte, overdracht of andere overgang van de aandelen in Leningnemer; 2°. overgang van stemrecht op aandelen in Leningnemer; of 3°. de verkrijging van zeggenschap over de activiteiten van Leningnemer of haar aandeelhouders door één of meer anderen in de zin van het S.E.R.-besluit fusiegedragsregels 2000, ongeacht of die regels op de betreffende verkrijging van toepassing zijn; h. subsidieverplichtingen zijn overtreden dan wel de Beschikking tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk is komen te vervallen, waaronder in ieder geval dient te worden verstaan het intrekken en ten nadele van Leningnemer wijzigen van de Beschikking tot subsidieverlening, het lager of op nihil vaststellen van de subsidie of anderszins beëindigen van de subsidierelatie. 3. Indien de niet-naleving door Leningnemer van enige bepaling in deze overeenkomst zich leent voor herstel zal de opzeggingsgrond, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, uitsluitend worden aangewend nadat Leningnemer een redelijke termijn heeft gekregen om tot naleving over te gaan en er nog steeds sprake is van niet-nakoming. 4. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan Leninggever besluiten deze Overeenkomst in stand te laten maar de lening geheel of gedeeltelijk vervroegd op te eisen.
Artikel 15 — Artikel 15 Kennisgevingen#
Artikel 15 Kennisgevingen Kennisgevingen met betrekking tot deze overeenkomst worden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, gedaan aan de hierna vermelde adressen: a. Kennisgevingen aan Leninggever: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, afdeling [afdelingsnaam], Postbus 93144, 2509 AC Den Haag, [e-mailadres]. b. Kennisgevingen aan Leningnemer: [naam rechtspersoon van Leningnemer], contactpersoon [de heer /mevrouw, naam], [correspondentieadres (straat /postbus, plaats, postcode en e-mailadres)].
Artikel 16 — Artikel 16 Rechten van Partijen en geschilbeslechting#
Artikel 16 Rechten van Partijen en geschilbeslechting 1. Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Leninggever is Leningnemer niet gerechtigd de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst aan derden over te dragen. De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit deze Overeenkomst zijn één geheel en derhalve ondeelbaar. 2. Ingeval enige bepaling van deze Overeenkomst nietig of onverbindend is, blijven de overige bepalingen van deze Overeenkomst van kracht. Partijen zullen hun uiterste best doen overeenstemming te bereiken over een nieuwe bepaling die, gegeven de strekking en het doel van deze Overeenkomst, zo weinig mogelijk afwijkt van de betreffende nietige of onverbindende bepaling. 3. Deze Overeenkomst en elk geschil, elke procedure of vordering voortvloeiend uit of verband houdend met deze Overeenkomst of het daarmee gevestigde Pandrecht worden beheerst door en uitgelegd in overeenstemming met Nederlands recht. 4. Alle geschillen welke tussen Partijen mochten ontstaan, naar aanleiding van deze Overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten en andere handelingen in samenhang met deze Overeenkomst, zullen worden voorgelegd aan de rechtbank te Den Haag.
Artikel 17 — Artikel 17 Wijziging#
Artikel 17 Wijziging art. 7:900 BW De Overeenkomst kan uitsluitend worden gewijzigd, nadat beide Partijen schriftelijk met de wijziging hebben ingestemd. De wijziging en de verklaringen tot instemming worden in afschrift als bijlage aan deze Overeenkomst gehecht. Tegen het voorgaande kan geen tegenbewijs worden geleverd. Dit is een bewijsovereenkomst in de zin van. Aldus in tweevoud ondertekend LENINGNEMER Namens deze: [Naam ondertekenaar]; [naam Functieondertekenaar]; [statutaire naam Organisatie ondertekenaar]; [plaats, d.d. [datum] LENINGGEVER de Minister van Economische Zaken, namens deze: [Naam ondertekenaar] [functieondertekenaar] Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Den Haag, d.d. [DATUM]
Artikel 3.29.10#
artikel 3.29.10
Artikel 3.30.1#
artikelen 3.30.1
Artikel 3.30.3#
3.30.3
Artikel 3.30.7#
3.30.7
Artikel 3.31.1#
artikel 3.31.1
Artikel 4.2.9#
artikel 4.2.9
Artikel 4.2.15#
artikel 4.2.15
Artikel 4.2.22#
artikel 4.2.22
Artikel 4.2.29#
artikel 4.2.29
Artikel 4.2.36#
artikel 4.2.36
Artikel 4.2.43#
artikel 4.2.43
Artikel 4.2.51#
artikel 4.2.51
Artikel 4.2.57#
artikel 4.2.57
Artikel 4.2.64#
artikel 4.2.64
Artikel 4.2.71#
artikel 4.2.71
Artikel 4.2.78#
artikel 4.2.78
Artikel 4.2.85#
artikel 4.2.85
Artikel 4.2.92#
artikel 4.2.92
Artikel 4.2.99#
artikel 4.2.99
Artikel 4.2.106#
artikel 4.2.106
Artikel 4.2.113#
artikel 4.2.113
Artikel 4.2.119#
artikel 4.2.119
Artikel 4.2.129#
artikel 4.2.129
Artikel 4.3.1#
artikel 4.3.1
Artikel 4.3.1#
artikel 4.3.1
Artikel 4.4.1#
artikelen 4.4.1
Artikel 4.4.2#
4.4.2
Artikel 4.4.4#
4.4.4
Artikel 4.4.1#
artikelen 4.4.1
Artikel 4.4.3#
4.4.3
Artikel 4.4.1#
artikel 4.4.1
Artikel 4.6.1#
artikel 4.6.1
Artikel 4.6.2#
artikel 4.6.2
Artikel 4.6.9#
artikel 4.6.9, aanhef en onderdeel g
Artikel 4.7.9#
artikel 4.7.9
Artikel 4.7.3#
artikel 4.7.3, eerste lid
Artikel 4.8.6#
artikel 4.8.6
Artikel 4.9.12#
artikel 4.9.12
Artikel 4.10.9#
artikel 4.10.9
Artikel 4.10.9#
artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel b
Artikel 4.10.9#
artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel a, tweede subonderdeel en derde subonderdeel
Artikel 4.10.9#
artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel c
Artikel 4.10.9#
artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel b
Artikel 4.12.2#
artikel 4.12.2, eerste lid
Artikel 4.12.2#
artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b
Artikel 4.13.1#
artikel 4.13.1
Artikel 4.13.1#
artikel 4.13.1
Artikel 4.13.1#
aikel 4.13.1