Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, houdende regels inzake de Wet langdurige zorg (Regeling langdurige zorg)
- BWB-id
- BWBR0036014
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-05-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0036014
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/regeling-langdurige-zorg
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/regeling-langdurige-zorg/2026-05-30
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0036014&g=2026-05-30
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0036014&z=2026-06-06&g=2026-05-30
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0036014/2026-05-30
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/regeling-langdurige-zorg
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: algemene risicoanalyse: analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens de materiële controle en het fraudeonderzoek zich zal richten Basisbedrag: het maximumbedrag dat voor het modulair pakket thuis en het persoonsgebonden budget tezamen beschikbaar is voor de kosten van huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, individuele begeleiding, begeleiding in groepsverband, logeeropvang, vervoer en verpleging; Besluit: Besluit langdurige zorg ; Covid-19: de ziekte veroorzaakt door coronavirus-SARS-CoV-2; Deeltijdverblijf: verblijf in een instelling zonder behandeling van 7, 8 of 9 etmalen gedurende een periode van veertien aaneengesloten etmalen overeenkomstig van tevoren vastgestelde tijdsperioden; dementie met zeer ernstig probleemgedrag: dementie in combinatie met een gedragsstoornis die geen gevolg is van een andere aandoening en die zeer ernstig en frequent of langdurig tot uiting komt in gedrag dat een gevaar vormt voor de verzekerde of zijn omgeving; gegevens over gezondheid: gegevens over gezondheid, als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming; kleinschalig wooninitiatief: artikel 3.1.4, tweede lid, van het Besluit kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in; logeeropvang: artikel 3.1.3 van het Besluit logeeropvang als bedoeld in; multiple sclerose met ernstige motorische beperkingen: multiple sclerose waarbij sprake is van daaruit voortvloeiende ernstige motorische beperkingen met volledige afhankelijkheid van een rolstoel of bedgebondenheid, cognitieve beperkingen en zorgafhankelijkheid voor de (instrumentele) algemene dagelijkse levensverrichtingen, in combinatie met: a. somatische kwetsbaarheid; b. communicatiestoornissen; c. problemen in het psychosociaal functioneren; of d. een uit de multiple sclerose voortvloeiende psychiatrische stoornis; niet-aangeboren hersenletsel met zeer ernstig probleemgedrag: artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, onder 8° tot en met 13° hersenletsel dat is ontstaan anders dan voor, rondom of vanwege de geboorte en dat niet progressief is, waarbij sprake is van uit het hersenletsel voortvloeiend zeer ernstig regieverlies, een ernstige stoornis in de zelfregulering van het sociaal-emotioneel functioneren en zeer ernstig probleemgedrag dat geen gevolg is van een aandoening als bedoeld inin combinatie met: a. ernstige meervoudige cognitieve stoornissen; b. problemen met betrekking tot (instrumentele) algemene dagelijkse levensverrichtingen; c. onvoldoende inzicht in het eigen functioneren of zelfreflectie; of d. een stoornis in de prikkelverwerking; persoonlijk plan: artikel 3.3.3, tweede lid, van de wet persoonlijk plan als bedoeld in, waarin een aanvulling kan worden gegeven op het budgetplan; prestatie: artikel 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg prestatie als bedoeld in; prestatiebeschrijving: Wet marktordening gezondheidszorg prestatiebeschrijving als bedoeld in de; specifieke risicoanalyse: analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens en op welke zorgaanbieders of categorieën van zorgaanbieders de detailcontrole zich zal richten; tarief: artikel 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg tarief als bedoeld in; zeer ernstige gerontopsychiatrische aandoening: chronische gerontopsychiatrische aandoening waarbij sprake is van daaruit voortvloeiende ernstige psychiatrisch gerelateerde gedragsproblemen en van chronische lichamelijke gezondheidsproblemen in combinatie met problemen met betrekking tot cognitie, (instrumentele) algemene dagelijkse levensverrichtingen of sociaal functioneren; zorgovereenkomst: schriftelijke overeenkomst van de verzekerde met een persoon van wie hij zorg betrekt en die daarvoor betaling ontvangt uit het persoonsgebonden budget. 2025 32602 26-09-2025 19-09-2025 4212995-1087651-LZ 2025 32602 26-09-2025 19-09-2025 4212995-1087651-LZ 01-01-2026
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit bijlage A De zorgprofielen, bedoeld in, zijn opgenomen inbij deze regeling. 2015 11135 22-04-2015 20-04-2015 754997-135560-LZ 2015 11135 22-04-2015 20-04-2015 754997-135560-LZ 23-04-2015 01-01-2015
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 1 Een verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel of zorgzwaartepakket recht heeft, voor zover naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg en: a. de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel: – VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding, – VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op verzorging/verpleging, – VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, – VG (Besloten) wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering, – VG Wonen met begeleiding en volledige verzorging en verpleging, – LVG Wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding, – LVG Besloten wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding, – LVG Behandeling in een SGLVG behandelcentrum, – LG Wonen met begeleiding en intensieve verzorging, – LG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, – LG Wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging, – ZGaud Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, – ZGvis Wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging, – GGZ-B Voortgezet verblijf met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging, – GGZ-B Beveiligd voortgezet verblijf vanwege extreme gedragsproblematiek met zeer intensieve begeleiding, – GGZ wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging, of – GGZ Beveiligd wonen vanwege extreme gedragsproblematiek met zeer intensieve begeleiding. b. de verzekerde op 31 december 2014 recht had op zorgzwaartepakket 7 VV, 8 VV, 5 VG, 7 VG, 8 VG, 4 LVG, 5 LVG, 1 SGLVG, 5 LG, 6 LG, 7 LG, 3 ZGaud, 5 ZGvis, 6b GGZ of 7b GGZ, of c. de behoefte aan zorg tevens bestaat uit: 1°. gespecialiseerde epilepsiezorg; 2°. chronische invasieve beademing; 3°. non-invasieve beademing; 4°. klinisch intensieve behandeling; 5° niet-strafrechtelijke forensische psychiatrie; 6°. observatie; 7°. zorg in verband met een CVA; 8°. zorg in verband met de ziekte van Huntington; 9°. gespecialiseerde zorg in verband met de ziekte van Huntington waarbij sprake is van verblijf in een instelling; 10°. gespecialiseerde zorg in verband met het syndroom van Korsakov waarbij sprake is van verblijf in een instelling; 11°. gespecialiseerde zorg in verband met een langdurige bewustzijnsstoornis waarbij sprake is van verblijf in een instelling; 12°. gespecialiseerde zorg in verband met dementie met zeer ernstig probleemgedrag die gericht is op verbetering van het probleemgedrag en waarbij sprake is van verblijf in een instelling; 13°. gespecialiseerde zorg in verband met een zeer ernstige gerontopsychiatrische aandoening waarbij sprake is van verblijf in een instelling; 14°. gespecialiseerde zorg in verband met multiple sclerose met ernstige motorische beperkingen waarbij sprake is van verblijf in een instelling; 15°. gespecialiseerde zorg in verband met niet-aangeboren hersenletsel met zeer ernstig probleemgedrag waarbij sprake is van verblijf in een instelling; of 16°. coördinerende activiteiten in het kader van de levensloopaanpak zoals omschreven in de Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg. d. de verzekerde is aangewezen op palliatief terminale zorg en hij verblijft in een instelling en voor zover: 1°. er een noodzaak is tot zeer intensieve 24-uurszorg, die op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel niet mogelijk is; 2°. er een noodzaak is tot bestrijding van zware pijn, verwardheid, benauwdheid of onrust; en 3°. er sprake is van complexe zorg en inzet van verschillende disciplines en noodzaak van continue nabijheid van zorg, of e. de verzekerde is aangewezen op palliatief terminale zorg en hij zijn recht op zorg tot gelding brengt met een volledig pakket thuis, of f. de verzekerde jonger is dan 23 jaar en verblijft in een instelling. 2 Een verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel of zorgzwaartepakket recht heeft indien: a. de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op het zorgprofiel: – VG wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging en er sprake is van een noodzaak tot permanent toezicht vanwege zwaar complexe somatische problematiek, – VG wonen met begeleiding en volledige verzorging en verpleging en er sprake is van een noodzaak tot permanent toezicht vanwege zwaar complexe somatische problematiek, of b. de behoefte aan zorg tevens bestaat uit chronische invasieve beademing of chronische non-invasieve beademing. 3 Een verzekerde als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, of tweede lid, onder a, kan slechts recht op de in die leden bedoelde zorg krijgen indien zijn behoefte aan zorg minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gebruikt dan wel van het zorgprofiel. 2025 32602 26-09-2025 19-09-2025 4212995-1087651-LZ 2025 32602 26-09-2025 19-09-2025 4212995-1087651-LZ 01-01-2026 2025 30866 11-09-2025 03-09-2025 4196852-1086938LZ 2025 30866 11-09-2025 03-09-2025 4196852-1086938LZ 01-01-2026
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 1 artikel 3.1.2, eerste lid, van het Besluit Als mobiliteitshulpmiddelen voor individueel gebruik als bedoeld in, worden aangewezen: a. een rolstoel; b. een scootmobiel; c. een niet algemeen gebruikelijke fiets; d. een niet algemeen gebruikelijke buggy en duwwandelwagen voor minderjarige verzekerden; e. een niet algemeen gebruikelijk autostoeltje voor minderjarige verzekerden. 2 Het recht op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onder a, b, c en d bestaat indien dat gebruik is aangewezen in verband met het ontbreken van de loopfunctie dan wel in verband met blijvende of langdurige loopfunctiestoornissen. Indien de verzekerde daarop is aangewezen, kan een tweede exemplaar in een andere uitvoering worden verstrekt. 3 Het recht op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onder e, bestaat voor zover de minderjarige verzekerde gelet op zithouding en veiligheid hierop is aangewezen. 4 Het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel omvat tevens de voor de verzekerde noodzakelijke aanpassing en vervanging alsmede het noodzakelijke onderhoud en herstel van de hem in gebruik gegeven mobiliteitshulpmiddel. 5 Voorafgaand aan het verstrekken van een mobiliteitshulpmiddel is toestemming van de Wlz-uitvoerder nodig. De Wlz-uitvoerder beoordeelt welk mobiliteitshulpmiddel het meest is aangewezen. 6 Indien het recht op zorg krachtens de wet eindigt omdat hij krachtens een zorgverzekering of een andere wettelijke regeling recht heeft of kan doen gelden op die zorg, behoudt de verzekerde het recht op het individueel gebruik van een reeds in gebruik genomen mobiliteitshulpmiddel waarop hij is aangewezen, totdat aan hem een hulpmiddel kan worden verstrekt krachtens die zorgverzekering of andere wettelijke regeling. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 1 artikel 2.7, eerste tot en met derde lid, van het Besluit zorgverzekering De verzekerde heeft slechts aanspraak op tandheelkundige zorg als bedoeld inindien de Wlz-uitvoerder vooraf toestemming heeft verleend. 2 artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering Indien het verblijf van de verzekerde in een instelling wordt beëindigd in verband met verblijf als bedoeld in, bestaat nog gedurende een periode van ten hoogste acht dagen aanspraak op tandheelkundige zorg. 3 Tot negen weken na beëindiging van het verblijf in een instelling bestaat aanspraak op de levering en het aanbrengen van een nieuwe of overgezette tandheelkundige prothese, zijnde een plaat-, overkappings-, opbouw- of frameprothese, alsmede van kronen of bruggen, indien deze tandheelkundige hulp voor het beëindigen van het verblijf was aangevangen. De Wlz-uitvoerder kan, gehoord de adviserend tandarts, een langere termijn van ten hoogste tweeënvijftig weken vaststellen. 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 24-07-2015 01-01-2015
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 1 artikel 3.2.1, derde lid, onderdeel a, van de wet artikel 3.2, eerste lid De verzekerde, bedoeld in, heeft slechts recht op zorg indien hij is aangewezen op behandeling van de gedragsproblematiek en in verband daarmee verblijft in een instelling en is aangewezen op een van de zorgprofielen genoemd in. 2 artikel 5.3 In afwijking van het eerste lid heeft de verzekerde recht op zorg indien hij is aangewezen op behandeling van gedragsproblematiek en de Wlz-uitvoerder op grond vaneen volledig pakket thuis of een modulair pakket thuis verleent, of verblijf in een intramurale instelling waar geen LVG- of SGLVG-behandeling geboden en gedeclareerd wordt. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 1 artikel 11.1.1, zesde lid artikel 3.2.2, eerste lid, van de wet artikel 3.2.2 van het besluit Indicatiebesluiten als bedoeld in, en, worden genomen zonder het onderzoek van de verzekerde in persoon, bedoeld in. 2 artikel 3.2.2 van het besluit Indicatiebesluiten kunnen tevens zonder het onderzoek van de verzekerde in persoon, bedoeld in, worden genomen indien het gaat om een aanvraag voor: a. het zorgprofiel VV Beschermd wonen met intensieve dementiezorg ten aanzien van een verzekerde die reeds een indicatiebesluit heeft voor VV Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging; b. het zorgprofiel VV Beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging ten aanzien van een verzekerde die reeds een indicatiebesluit heeft voor VV Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging; c. het zorgprofiel VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding ten aanzien van een verzekerde die reeds een indicatiebesluit heeft voor VV Beschermd wonen met intensieve dementiezorg. 3 artikel 3.2.2 van het Besluit Voorafgaande aan het onderzoek, bedoeld in, of indien een dergelijk onderzoek niet nodig is, voorafgaand aan het nemen van een indicatiebesluit, vergewist het CIZ zich ervan dat degene voor wie het indicatiebesluit is aangevraagd, verzekerd is. 2023 17987 29-06-2023 21-06-2023 3609540-1049525-LZ 2023 17987 29-06-2023 21-06-2023 3609540-1049525-LZ 01-07-2023
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 De geldigheidsduur van een indicatiebesluit wordt vastgesteld op ten hoogste drie jaar indien het een van de volgende zorgprofielen betreft: – LVG wonen met enige behandeling en begeleiding, – LVG wonen met behandeling en begeleiding, – LVG wonen met intensieve behandeling en begeleiding, – LVG wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding, en – LVG besloten wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding, – LVG behandeling in een SGLVG behandelcentrum; 2 De geldigheidsduur van een indicatiebesluit wordt vastgesteld op ten hoogste drie jaar indien het een van de volgende zorgprofielen betreft: – GGZ-B voortgezet verblijf met intensieve begeleiding, – GGZ-B voortgezet verblijf met intensieve begeleiding en verzorging, – GGZ-B voortgezet verblijf met intensieve begeleiding en gedragsregulering, – GGZ-B voortgezet verblijf met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging, – GGZ-B beveiligd voortgezet verblijf vanwege extreme gedragsproblematiek met zeer intensieve begeleiding. 3 De geldigheidsduur van een indicatiebesluit voor het zorgprofiel VV herstelgerichte behandeling met verpleging en verzorging wordt vastgesteld op ten hoogste zes maanden. 4 De bepaling van de geldigheidsduur vindt plaats met inachtneming van de beperkingen van de verzekerde en veranderingen die zich daarin kunnen voordoen, behoudens het tweede lid. 2015 11135 22-04-2015 20-04-2015 754997-135560-LZ 2015 11135 22-04-2015 20-04-2015 754997-135560-LZ 23-04-2015 01-01-2015
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 artikel 5.2.1 van het besluit Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling Een besluit van het CIZ als bedoeld in, op basis van de, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. 2 In afwijking van het eerste lid, heeft een besluit een geldigheidsduur van ten hoogste: a. twee jaar, indien het betreft behandeling gericht op herstel of het aanleren van vaardigheden of gedrag b. drie maanden, indien het betreft: 1°. aanvullende functionele diagnostiek; 2°. consultatie; c. een jaar, indien het medebehandeling betreft. 3 De geldigheidsduur bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt vastgesteld met inachtneming van: a. de beperkingen van de verzekerde en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen; b. het bereiken van een leeftijd van de verzekerde die van invloed kan zijn op de aanspraak. 4 artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 10 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 5.2.1. van het besluit Verzekerden met een somatische aandoening, met een psychogeriatrische aandoening, met een lichamelijke beperking of, indien het meerderjarige verzekerden betreft, met een verstandelijke beperking, die op 31 december 2014 beschikken over een indicatiebesluit voor extramurale behandeling op grond vanen het medisch noodzakelijk vervoer op grond vanwelke besluiten naar het recht van 31 december 2014 op 1 januari 2015 nog geldig zouden zijn, worden aangemerkt als verzekerden met besluiten, bedoeld in. 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 24-07-2015 01-01-2015
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 Vervallen 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 01-01-2017
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 1 artikel 3.3.1.2, tweede en derde lid, van het Besluit Van de vermogensgrondslag, bedoeld in, wordt het volgende vermogensbestanddeel afgetrokken: a. het bedrag van een uitkering die een schadevergoeding vormt voor letselschade waarvan de hoogte is vastgelegd in een overeenkomst of rechterlijke uitspraak; b. artikelen 9bis 9quater van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen het bedrag van een uitkering als bedoeld in deen; c. artikel 9ter van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen het bedrag van een uitkering als bedoeld in; d. een uitkering van kindgebonden budget met betrekking tot de berekeningsjaren 2013 tot en met 2017 door de Dienst Toeslagen in het kader van de herstelactie kindgebonden budget. 2 artikel 3.3.1.2, tweede en derde lid, van het Besluit De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel d, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in, bedraagt een jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen. 3 artikel 3.3.1.2, tweede en derde lid, van het Besluit De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in, bedraagt tien jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen. 4 artikel 3.3.1.2, tweede en derde lid, van het Besluit De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in, bedraagt drie jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen. 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 21-05-2026 01-01-2026
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit Ingevolgeworden op het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel, in mindering gebracht: a. artikel 4.3 een bedrag voor zak- en kleedgeld, genoemd in; b. artikel 4.4 een bedrag in verband met de premie zorgverzekering, genoemd in; c. artikel 4.5 een aftrekpost, genoemd in, en d. artikel 4.6 een extra vrijlating, genoemd in. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 4.1.
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 artikel 4.2, aanhef en onder a Het bedrag voor zak- en kleedgeld, bedoeld in, bedraagt: a. voor de ongehuwde verzekerde: € 4.925; b. voor de gehuwde verzekerden tezamen: € 7.661. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 1 artikel 4.2, aanhef en onder b Het bedrag in verband met de premie zorgverzekering, bedoeld in, bedraagt: a. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: € 1.987 vermeerderd met 5,32% van het inkomen, met dien verstande dat ten minste € 3.029,45 en ten hoogste € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; b. artikel 43 van de Zorgverzekeringswet voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: € 1.987, vermeerderd met 5,32% van het bijdrage-inkomen, bedoeld in, met dien verstande dat ten hoogste € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; c. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt: voor ieder van de gehuwde verzekerden € 1.987 vermeerderd met 5,32% van het inkomen van die gehuwde verzekerde, met dien verstande dat voor ieder van de gehuwde verzekerden ten minste € 2.697,37 en ten hoogste € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; d. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt wordt de aftrek voor ieder van de gehuwde verzekerden overeenkomstig onderdeel b berekend en geldt voor ieder van de gehuwde verzekerden het daarin genoemde maximumbedrag; e. voor de overige gehuwde verzekerden wordt de aftrek: 1°. voor de gehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, berekend overeenkomstig de in onderdeel b geregelde berekeningswijze en geldt het daarbij genoemde maximumbedrag; 2°. voor de gehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt berekend overeenkomstig de in onderdeel c geregelde berekeningswijze en geldt het daarbij genoemde maximum- en minimumbedrag. 2 Indien de verzekerde op 1 januari van het peiljaar aanspraak had op een zorgtoeslag wordt op de aftrek, bedoeld in het eerste lid, in mindering gebracht: a. voor de verzekerde die ongehuwd is: een bedrag van € 1.483, met dien verstande dat als zijn inkomen € 26.820 of meer bedraagt dit bedrag wordt verminderd met 13,67% van het verschil tussen zijn inkomen en € 26.820; b. voor de verzekerden die gehuwd zijn: een bedrag van € 2.833 met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen € 26.820 of meer bedraagt dit bedrag wordt verminderd met 13,67% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 26.820. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 artikel 4.2, aanhef en onder c Het bedrag van de aftrekpost, bedoeld in, bedraagt: a. voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: € 2.315; b. voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: € 1.294. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 artikel 4.2, aanhef en onder d artikelen 4.3 tot en met 4.5 artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Het bedrag van de extra vrijlating, bedoeld in, bedraagt 25% van het verschil tussen het op grond van, na toepassing van de, berekende bedrag en: a. € 11.830, indien het gaat om een ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; b. € 13.894, indien het gaat om gehuwde verzekerden tezamen, waarvan ten minste één de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; c. € 9.406, indien het gaat om een ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, of d. € 18.950, indien het gaat om gehuwde verzekerden tezamen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 artikel 3.3.2.2, vijfde lid, aanhef, van het besluit Bij de berekening van het ingenoemde aantal uren zorg via een modulair pakket thuis, geldt dat een dagdeel voor de modules begeleiding groep en behandeling groep geldt als een uur en dat een etmaal logeeropvang geldt als zes uren. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 4.6.
Artikel 4.8 — Artikel 4.8#
Artikel 4.8 artikel 3.3.1.7, tweede lid, van het Besluit bijlage G De bedragen, bedoeld in, voor zover vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, zijn de invan deze regeling opgenomen bedragen. 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 21-05-2026 01-01-2026
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 1 Een modulair pakket thuis, persoonsgebonden budget of een combinatie hiervan kan slechts worden toegekend indien de zorg op een verantwoorde en doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden verleend. 2 bijlage H Voor het persoonsgebonden budget is het basisbedrag, genoemd in, beschikbaar, verminderd met de kosten van het modulair pakket thuis voor huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, verpleging, logeeropvang, individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband en vervoer. 3 Indien de verzekerde kiest voor deeltijdverblijf, wordt het basisbedrag berekend naar rato van het aantal etmalen per week dat de verzekerde zorg thuis organiseert. 4 Bijlage H De toepassing van het derde lid heeft geen betrekking op het basisbedrag dat volgens de bedragen inbeschikbaar is voor begeleiding in groepsverband en vervoer. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.1a — Artikel 5.1a#
Artikel 5.1a Alvorens de levering van een modulair pakket thuis of verlening van een persoonsgebonden budget te weigeren op de grond dat het niet op doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden geleverd, en nadat daarover overleg is gevoerd met de verzekerde, beoordeelt de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor of deze weigering wegens ondoelmatigheid kan worden vermeden door verhoging van het basisbedrag met ten hoogste 25%. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.1b — Artikel 5.1b#
Artikel 5.1b 1 artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel c, van de wet De Wlz-uitvoerder gaat bij het beoordelen van de kosten van het modulair pakket thuis voor behandeling als bedoeld inuit van een normatief kader gebaseerd op de per zorgprofiel beschikbare ruimte voor behandeling binnen de tarieven voor het volledig pakket thuis met behandeling. 2 De Wlz-uitvoerder beoordeelt of weigering van de levering van een modulair pakket thuis wegens ondoelmatigheid kan worden vermeden door verhoging van het normatief kader, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste 25%. 3 De Wlz-uitvoerder beoordeelt de aanvraag voor behandeling in groepsverband in samenhang met de aanvraag voor begeleiding in groepsverband. 4 artikel 5.1a Indien naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder meer behandeling nodig is om te voorzien in de behoefte van de verzekerde, kan de Wlz-uitvoerder het meerdere toekennen indien er ruimte resteert binnen het beschikbare basisbedrag, eventueel verhoogd door toepassing van. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.1c — Artikel 5.1c#
Artikel 5.1c 1 De Wlz-uitvoerder kan extra kosten toestaan in het geval dat een verzekerde is aangewezen op palliatief terminale zorg, voor zover die verhoging nodig is met het oog op de mogelijkheid van de verzekerde om palliatief terminale zorg thuis te ontvangen. 2 Het zorgkantoor kan het persoonsgebonden budget verhogen in het geval dat een verzekerde is aangewezen op palliatief terminale zorg, voor zover die verhoging nodig is met het oog op de mogelijkheid van de verzekerde om palliatief terminale zorg thuis te ontvangen. 3 De Wlz-uitvoerder kan extra kosten toestaan in het geval dat een verzekerde een tijdelijke behoefte heeft aan verpleging die noodzakelijk is vanwege een medisch specialistische behandeling, voor zover die verhoging nodig is met het oog op de mogelijkheid van de verzekerde om die verpleging te ontvangen. 4 Het zorgkantoor kan het persoonsgebonden budget verhogen in het geval dat een verzekerde een tijdelijke behoefte heeft aan verpleging die noodzakelijk is vanwege een medisch specialistische behandeling, voor zover die verhoging nodig is met het oog op de mogelijkheid van de verzekerde om die verpleging te ontvangen. 2022 32461 02-12-2022 24-11-2022 3468594-1039227-LZ 2022 32461 02-12-2022 24-11-2022 3468594-1039227-LZ 01-01-2023
Artikel 5.1d — Artikel 5.1d#
Artikel 5.1d 1 De Wlz-uitvoerder kan extra kosten toestaan indien de verzekerde jonger dan 18 jaar een behoefte heeft aan begeleiding in groepsverband, behandeling in groepsverband of individuele behandeling die naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder noodzakelijk is voor de ontwikkeling van het kind. 2 Het zorgkantoor kan het persoonsgebonden budget verhogen indien de verzekerde jonger dan 18 jaar een behoefte heeft aan begeleiding in groepsverband die naar het oordeel van het zorgkantoor noodzakelijk is voor de ontwikkeling van het kind. 3 De Wlz-uitvoerder kan extra kosten toestaan indien de verzekerde een behoefte heeft aan logeeropvang waarbij, naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder, extra kosten noodzakelijk zijn. 4 Het zorgkantoor kan het persoonsgebonden budget verhogen indien de verzekerde een behoefte heeft aan logeeropvang waarbij, naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder, extra kosten noodzakelijk zijn. 2022 16877 29-06-2022 21-06-2022 3382194-1030917-LZ 2022 16877 29-06-2022 21-06-2022 3382194-1030917-LZ 01-07-2022 01-01-2022
Artikel 5.1e — Artikel 5.1e#
Artikel 5.1e 1 artikel 2.2 artikelen 5.1 tot en met 5.1d De Wlz-uitvoerder kan op verzoek van de verzekerde een aanvraag voor meerzorg als bedoeld instarten, indien de verzekerde een zorgbehoefte heeft waarvan de kosten het bedrag overstijgen dat beschikbaar is na toepassing van deen de verzekerde voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2, eerste of tweede lid. 2 artikel 2.2 artikelen 5.1 tot en met 5.1d Het zorgkantoor kan op verzoek van de verzekerde een aanvraag voor meerzorg als bedoeld instarten, indien de verzekerde een zorgbehoefte heeft waarvan de kosten het bedrag overstijgen dat beschikbaar is na toepassing van deen de verzekerde voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2, eerste of tweede lid. 3 bijlage H artikel 2.2 De Wlz-uitvoerder kan onder daarbij te stellen voorwaarden in het voordeel van de verzekerde afwijken van de bedragen genoemd inindien de verzekerde naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder aanspraak heeft op meer zorg als bedoeld invan deze regeling. 4 bijlage H artikel 2.2 Het zorgkantoor kan onder daarbij te stellen voorwaarden in het voordeel van de verzekerde afwijken van de bedragen genoemd inindien de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor aanspraak heeft op meer zorg als bedoeld invan deze regeling. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.1f — Artikel 5.1f#
Artikel 5.1f 1 artikelen 5.1 tot en met 5.1d artikel 2.2, eerste of tweede lid Indien de verzekerde een zorgbehoefte heeft waarvan de kosten het bedrag overstijgen dat beschikbaar is na toepassing van deen de voorwaarden genoemd inniet van toepassing zijn, kan de Wlz-uitvoerder extra kosten toestaan, indien: – Bijlage H de kosten van begeleiding in groepsverband hoger zijn dan het bedrag wat voor dat zorgprofiel voor die zorgvorm is opgenomen in; of – de verzekerde een behoefte heeft aan behandeling in groepsverband of individuele behandeling waarvan de kosten in natura de voor die onderdelen beschikbare bedragen overstijgen naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder. 2 artikelen 5.1 tot en met 5.1d artikel 2.2, eerste of tweede lid Bijlage H Indien de verzekerde een zorgbehoefte heeft waarvan de kosten het bedrag overstijgen dat beschikbaar is na toepassing van deen de voorwaarden genoemd inniet van toepassing zijn, kan het zorgkantoor extra kosten toestaan, indien de kosten van begeleiding in groepsverband hoger zijn dan het bedrag wat voor dat zorgprofiel voor die zorgvorm is opgenomen in. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 1 Deeltijdverblijf is uitgesloten voor de verzekerde die krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorg behorend bij een zorgprofiel behorend bij de sector GGZ-B, LVG of SGLVG, of een indicatie heeft voor VV-Herstelgerichte behandeling met verpleging en verzorging, danwel voor een zorgzwaartepakket behorend bij de sector GGZ-B, LVG of SGLVG. 2 Deeltijdverblijf is uitgesloten voor de verzekerde die krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorg behorend bij zorgzwaartepakket 1VV, 2VV, 3VV, 1VG, 2VG, 1LG, 3LG, 1ZG-aud of 1ZG-vis. 3 artikel 3.1.1, eerste lid, onder g, van de wet De Wlz-uitvoerder wijst de aanvraag van een modulair pakket thuis af op grond van doelmatigheid indien naast deeltijdverblijf ontlasting van de mantelzorg noodzakelijk is door middel van logeeropvang als bedoeld in. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 1 artikel 3.3.6 van de wet De Wlz-uitvoerder verleent een volledig pakket thuis of een modulair pakket thuis als bedoeld in, ook indien de zorg waarop de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen niet op doelmatige wijze kan worden verleend indien: a. de zorg op verantwoorde wijze kan worden verleend; b. de zorg niet langer wordt verleend dan gedurende ten hoogste dertien weken. 2 artikel 3.3.6 van de wet artikelen 2.2 5.1 5.1a 5.1b 5.1c 5.1d 5.1f Bij het verlenen van een volledig pakket thuis of modulair pakket thuis als bedoeld inzijn de,,,,,,en 2 niet van toepassing. 3 artikel 3.3.6 van de wet Een volledig pakket thuis of een modulair pakket thuis als bedoeld inkan na de periode genoemd in het eerste lid worden verleend indien er zicht op is dat gezien de bijzondere omstandigheden van de verzekerde en zijn zorgbehoefte binnen afzienbare tijd na afloop van die periode zorg kan worden geboden in de instelling waar de verzekerde bij voorkeur in wil verblijven. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.3a — Artikel 5.3a#
Artikel 5.3a Vervallen 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 Het zorgkantoor verleent slechts een persoonsgebonden budget voor verzekerden die woonachtig zijn in de regio van het zorgkantoor. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 Een persoonsgebonden budget wordt niet verleend aan een verzekerde die: a. krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel: – VV Herstelgerichte behandeling met verpleging en verzorging, – LVG Wonen met intensieve behandeling en begeleiding, kleine groep, – LVG Wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding, – LVG Besloten wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding, of – LVG Behandeling in een SGLVG behandelcentrum, of – GGZ Beveiligd wonen vanwege extreme gedragsproblematiek met zeer intensieve begeleiding, of b. op 31 december 2014 recht had op zorgzwaartepakket 9b VV, 3 LVG, 4 LVG, 5 LVG of 1 SGLVG; of c. krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel LVG wonen met enige behandeling en begeleiding of LVG wonen met behandeling en begeleiding, tenzij de verzekerde op 31 december 2019 krachtens zijn indicatiebesluit was aangewezen op een van die zorgprofielen en hiervoor een persoonsgebonden budget ontving. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 Vervallen 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 01-07-2024
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 1 Het zorgkantoor verleent een verzekerde een persoonsgebonden budget indien de subsidieperiode waarvoor het wordt aangevraagd: a. met een onderbreking van niet meer dan eenendertig kalenderdagen aansluit op een eerdere subsidieperiode waarin de verzekerde een persoonsgebonden budget ontving, of b. Zorgverzekeringswet aansluit op een periode waarin de verzekerde verbleef in een instelling als bedoeld in de wet of deen dit verblijf aansloot op een eerdere subsidieperiode voor een persoonsgebonden budget. 2 artikelen 5.5 5.8 5.9, onder a De,en, zijn niet van toepassing op het verlenen van een persoonsgebonden budget met toepassing van het eerste lid. 2015 46256 18-12-2015 10-12-2015 880483-144963-LZ 2015 46256 18-12-2015 10-12-2015 880483-144963-LZ 01-01-2016
Artikel 5.7a — Artikel 5.7a#
Artikel 5.7a 1 artikel 3.3.6 van de wet artikelen 5.9, onderdeel a 5.18, eerste lid, onderdeel c 5.22, tweede lid Bij de toepassing van een persoonsgebonden budget als bedoeld inzijn de,, en, niet van toepassing. 2 artikel 3.3.6 van de wet Een persoonsgebonden budget als bedoeld inwordt verleend voor ten hoogste dertien weken. 3 artikel 3.3.6 van de wet Een persoonsgebonden budget als bedoeld inkan na de periode genoemd in het derde lid worden verleend indien er zicht op is dat gezien de bijzondere omstandigheden van de verzekerde en zijn zorgbehoefte binnen afzienbare tijd na afloop van die periode zorg kan worden geboden in de instelling waar de verzekerde bij voorkeur in wil verblijven. 2025 34214 09-10-2025 01-10-2025 4222733-1087230-LZ 2025 34214 09-10-2025 01-10-2025 4222733-1087230-LZ 01-01-2026
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 1 De aanvraag gaat vergezeld van een budgetplan dat is ingericht volgens het door het zorgkantoor vastgestelde model. 2 De verzekerde die aan het zorgkantoor een persoonlijk plan wil overhandigen wordt daartoe door het zorgkantoor in staat gesteld gedurende zeven dagen na ontvangst van een volledige aanvraag. 3 Het zorgkantoor nodigt de verzekerde of diens vertegenwoordiger uit om de aanvraag met het zorgkantoor te bespreken. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.8a — Artikel 5.8a#
Artikel 5.8a artikel 5.8, eerste lid artikel 5.1, tweede lid Het zorgkantoor stelt aan de hand van het budgetplan, bedoeld in, en het gesprek, bedoeld in artikel 5.8, derde lid, de bij de zorgvraag passende zorginzet van de verzekerde vast en verleent met inachtneming van het basisbedrag, bedoeld in, een op die zorginzet afgestemd persoonsgebonden budget. 2024 39988 06-12-2024 29-11-2024 4007531-1074376-LZ 2024 39988 06-12-2024 29-11-2024 4007531-1074376-LZ 01-01-2025 Artikel II van Stcrt. 2024/39988 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 Het verlenen van een persoonsgebonden budget wordt geweigerd indien: a. de verzekerde of diens vertegenwoordiger een bespreking van het budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; b. Zorgverzekeringswet de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen, anders dan voor logeeropvang, in een instelling als bedoeld in de wet of dezal verblijven, tenzij het zorgkantoor een persoonsgebonden budget verleent voor begeleiding groep indien de verzekerde verblijft in een instelling waar de dagbesteding voor die verzekerde geen onderdeel vormt van het door het zorgkantoor gecontracteerde verblijf; c. het zorgkantoor, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd persoonsgebonden budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van de verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of de ontwikkeling van de verzekerde tot gevolg zou hebben; d. de verzekerde, of, indien de verzekerde de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, één van diens ouders of voogden, failliet is verklaard; e. ten aanzien van de verzekerde of, indien de verzekerde de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; f. de verzekerde of diens vertegenwoordiger het zorgkantoor geen toestemming geeft om de persoonsgegevens van de verzekerde door te geven aan het CAK ten behoeve van de vaststelling van de te betalen eigen bijdrage en aan de Sociale verzekeringsbank ten behoeve van de uitvoering van diens bij of krachtens de wet opgedragen taken omtrent het persoonsgebonden budget. 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 30-09-2016 01-01-2015
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 artikel 4:25 van de Algemene bestuursrecht artikel 3.6.2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit artikelen 8.2 8.4 8.6 8.8 8.10 8.12 8.14 8.16 Het zorgkantoor gaat bij de toepassing van, gelezen in samenhang met het subsidieplafond van de,,,,,,envan deze regeling uit van de datum van ontvangst van het inbedoelde aanvraagformulier of, indien dat aanvraagformulier is ontvangen voor de datum van vaststelling van het indicatiebesluit, de datum van het indicatiebesluit. 2022 8778 01-04-2022 24-03-2022 3330578-1025708-PPGB 2022 8778 01-04-2022 24-03-2022 3330578-1025708-PPGB 02-04-2022 01-01-2022
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 1 De verzekerde of diens wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde verstrekt het zorgkantoor, indien van toepassing, onverwijld: a. de naam en het adres van alsmede de beschikking tot benoeming van de wettelijk vertegenwoordiger; of b. de naam en het adres van de gevolmachtigde en een volledig ingevuld en ondertekend machtigingsformulier wat daartoe door het zorgkantoor beschikbaar is gesteld. 2 De verlening van een persoonsgebonden budget kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de in het eerste lid bedoelde wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde: 1°. bij een eerdere verstrekking van persoonsgebonden budgetten waarbij deze derde als hulppersoon of vertegenwoordiger optrad niet heeft ingestaan voor nakoming van de daaraan verbonden verplichtingen, 2°. blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres, 3°. zijn vrijheid is ontnomen, 4°. onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen valt, dan wel een verzoek tot van toepassing verklaring van die regeling bij de rechtbank is ingediend of deze derde failliet is verklaard, 5°. artikel 383, vijfde lid, onderdeel d, e of f, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een persoon is zoals bedoeld in, 6°. anderszins onvoldoende waarborg zal bieden voor het nakomen van de voor de verzekerde aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen. 3 artikel 14d artikel 15b, tweede lid Boek I, Titel VIII A Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen van het Wetboek van Strafrecht Op verzoek van de verzekerde die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt of van diens vertegenwoordiger, wordt een persoonsgebonden budget verleend aan de organisatie die belast is met de ondertoezichtstelling van de verzekerde of die een reclasseringsmaatregel uitoefent krachtens een uitspraak van de rechter of het Openbaar Ministerie op grond van,, of. 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 01-07-2024 Artikel IV van Stcrt. 2023/32327 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 Het persoonsgebonden budget wordt verleend voor een subsidieperiode die: a. niet eerder aanvangt dan de dag met ingang waarvan de verzekerde volgens zijn indicatiebesluit op de zorg is aangewezen waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend, en b. eindigt met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit zijn geldigheidsduur verliest, doch uiterlijk op 31 december van het jaar waarin het persoonsgebonden budget werd verleend. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 1 Het zorgkantoor verhoogt het persoonsgebonden budget met € 5.961 voor een verzekerde die woont in een kleinschalig wooninitiatief. 2 Het zorgkantoor verhoogt het persoonsgebonden budget met € 5.345 voor een verzekerde die woont in een kleinschalig wooninitiatief en: a. krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel: – VV Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging; – VV Beschermd wonen met intensieve dementiezorg; – VV Beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging; – VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding; of – VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op verzorging/verpleging; of b. op 31 december 2014 recht had op zorgzwaartepakket 4 VV, 5 VV, 6 VV, 7 VV en 8 VV. 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 01-01-2026
Artikel 5.13a — Artikel 5.13a#
Artikel 5.13a 1 Het zorgkantoor verhoogt het persoonsgebonden budget voor de jaren 2026 en 2027 indien: a. de verzekerde met een zorgverlener een arbeidsovereenkomst heeft gesloten die vóór 1 januari 2026 is ingegaan en na die datum is voortgezet; en b. artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Werkloosheidswet artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Ziektewet artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 de arbeidsverhouding op de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst ingevolge,,enniet als dienstbetrekking werd beschouwd. 2 Werkloosheidswet Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Ziektewet Wet op de loonbelasting 1964 Het zorgkantoor verhoogt het persoonsgebonden budget ten behoeve van de premies die de verzekerde ingevolge de, de, deen deverschuldigd is of zou zijn wanneer de arbeidsverhouding wel als dienstbetrekking wordt of zou worden beschouwd. 3 Het zorgkantoor neemt bij de verhoging als uitgangspunt de over het voorgaande jaar ingediende declaraties. 2026 19766 29-05-2026 26-05-2026 4388110-1099026-WJZ 2026 19766 29-05-2026 26-05-2026 4388110-1099026-WJZ 30-05-2026
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, wordt het maximum persoonsgebonden budget vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen van de subsidieperiode in het desbetreffende kalenderjaar en de noemer uit het aantal dagen in dat kalenderjaar. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 1 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Het zorgkantoor hoogt het persoonsgebonden budget op tot een garantiebedrag ter hoogte van 105,17% van het persoonsgebonden budget dat was verleend voor de subsidieperiode die eindigde op 31 december 2025, indien de verzekerde volgens het indicatiebesluit was aangewezen op verblijf zoals dat gold onder de, en a. artikel 2.6.15 van de Regeling subsidies AWBZ het persoonsgebonden budget bij de eerste verlening op basis van een indicatiebesluit waaruit bleek dat de verzekerde was aangewezen op een zorgzwaartepakket, op grond van een beleidsregel van het College zorgverzekeringen of op grond van, zoals dat artikel luidde voor 1 januari 2013, was opgehoogd tot een garantiebedrag of b. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aan de verzekerde in 2012 een persoonsgebonden budget is verleend op basis van een indicatiebesluit krachtens dewaaruit bleek dat de verzekerde aangewezen was op verblijf en de verzekerde vanaf 30 december 2012 ononderbroken woonachtig was in een kleinschalig wooninitiatief. 2 Indien de aanvraag betrekking heeft op minder of andere vormen van zorg, dan het persoonsgebonden budget dat in 2025 is verleend, wordt een garantiebedrag als bedoeld in het eerste lid verminderd met het verschil tussen de budgetten waartoe die vormen van zorg leiden. 3 Indien de aanvraag voor een persoonsgebonden budget is gebaseerd op een ander indicatiebesluit dan de verlening van het persoonsgebonden budget in 2025 en de verzekerde volgens het indicatiebesluit is aangewezen op een zorgprofiel dat leidt tot een lager persoonsgebonden budget dan in 2025 is verleend, wordt een garantiebedrag als bedoeld in het eerste lid verminderd met het verschil tussen de persoonsgebonden budgetten waartoe die zorgprofielen leiden. 4 Het eerste lid, onder a, is alleen van toepassing indien aan de verzekerde, vanaf de eerste verlening van een persoonsgebonden budget op basis van een indicatiebesluit waaruit bleek dat hij was aangewezen op een zorgzwaartepakket, in ieder opvolgende subsidieperiode een persoonsgebonden budget is verleend, al dan niet na een onderbreking als bedoeld in het vijfde lid, onder a of b. 5 Het eerste lid, onder b, is alleen van toepassing indien de subsidieperiode waarvoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd: a. met een onderbreking van niet meer dan eenendertig kalenderdagen, aansluit op een eerdere subsidieperiode, of b. Zorgverzekeringswet aansluit op een periode waarin de verzekerde verbleef in een instelling als bedoeld in de wet of deen dit verblijf aansloot op een eerdere subsidieperiode. 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 01-01-2026
Artikel 5.15a — Artikel 5.15a#
Artikel 5.15a 1 In geval de verzekerde geïndiceerd is voor het zorgprofiel LG Wonen met begeleiding en intensieve verzorging, LG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, LG Wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging, VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op verzorging/verpleging, dan wel voor het zorgzwaartepakket 5 LG, 6 LG of 7 LG, of 8 VV, hoogt het zorgkantoor op aanvraag van de verzekerde zijn persoonsgebonden budget op tot ten hoogste € 403.275 indien de verzekerde: a. vanuit een medische noodzaak is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid om de veiligheid van verzekerde in levensbedreigende situaties te waarborgen, b. 18 jaar of ouder is, c. geen cognitieve beperkingen heeft, en d. artikel 3.3.3, vierde lid, onderdeel b en c, van de wet op eigen kracht, zonder hulp van een vertegenwoordiger, de taken als omschreven inkan uitvoeren. 2 De aanvraag van verzekerde bij het zorgkantoor gaat vergezeld van een oordeel van een behandelend arts over de medische noodzaak als beschreven in het eerste lid, onderdeel a, en wordt slechts ingewilligd nadat het zorgkantoor de verzekerde in persoon heeft gezien en mede op grond daarvan tot de overtuiging is gekomen dat de verzekerde voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 01-01-2026
Artikel 5.16 — Artikel 5.16#
Artikel 5.16 1 artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, van de wet De verzekerde sluit een schriftelijke overeenkomst met iedere zorgaanbieder of mantelzorger die hij ten laste van zijn persoonsgebonden budget zorg laat verlenen, behalve voor zover reeds vervoer bedoeld invan die zorgaanbieder of mantelzorger is betrokken. 2 Zorgovereenkomsten worden opgesteld volgens de meest recente door de Sociale verzekeringsbank vigerende vastgestelde toepasselijke modelovereenkomsten, die beschikbaar waren gesteld ten tijde van het afsluiten van de zorgovereenkomst, en bevatten bovendien ten minste: a. de wijze waarop de zorgaanbieder of mantelzorger voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde; b. artikel 5.23, tweede lid de verplichting dat een declaratie de vereiste gegevens, bedoeld in, bevat of, indien van toepassing, dat wordt gebruikgemaakt van periodiek maandbetalingen; c. een beding, inhoudende dat het zorgkantoor een vordering heeft op de persoon die ten laste van het persoonsgebonden budget zorg levert indien het persoonsgebonden budget naar aanleiding van toerekenbaar handelen van die persoon is ingetrokken of herzien, ter hoogte van het bedrag dat gelijk is aan het door die persoon vanwege dat toerekenbaar handelen ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag; d. Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag indien de uitkering van vakantiebijslag als bedoeld in devan toepassing is, een beding, inhoudende dat in het te betalen bruto loon het vakantiegeld is verdisconteerd. 3 De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van het zorgkantoor en de Sociale verzekeringsbank. 4 Het zorgkantoor kan de goedkeuring slechts geven, indien: a. de zorgovereenkomst voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid; b. uit de omschrijving van de wijze waarop de zorgverlener voorziet in de behoefte aan zorg van de verzekerde, blijkt dat de overeenkomst: 1° strekt tot de inkoop van persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, huishoudelijke hulp en vervoer naar een plaats waar de verzekerde gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt; 2° strekt tot inkoop van logeeropvang; of 3° artikel 5.17, eerste lid, onderdeel b betrekking heeft op de kosten van zorginfrastructuur als bedoeld in. 5 artikel 3.3.3, zevende lid, van de wet De Sociale verzekeringsbank kan haar goedkeuring slechts onthouden wegens strijd met het recht, of in het belang van de uitvoerbaarheid van het persoonsgebonden budget of van het budgetbeheer, bedoeld in. 6 Een wijziging van een goedgekeurde zorgovereenkomst wordt onmiddellijk met een formulier aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier. 7 Voor de toepassing van het derde, vijfde en zesde lid treedt een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen zorgkantoor in de plaats van de Sociale verkeringsbank voor zover het de goedkeuring van de zorgovereenkomst van een verzekerde aan wie het zorgkantoor een persoonsgebonden budget verleent en het kenbaar maken van een wijziging van die zorgovereenkomst betreft. Het zorgkantoor bericht de Sociale verzekeringsbank onmiddellijk van een wijziging van de zorgovereenkomst. 2018 63451 13-11-2018 05-11-2018 1423224-181175-WJZ 2018 63451 13-11-2018 05-11-2018 1423224-181175-WJZ 01-01-2019
Artikel 5.17 — Artikel 5.17#
Artikel 5.17 1 Het persoonsgebonden budget mag uitsluitend worden gebruikt voor het door de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de verzekerde, doen van betalingen: a. artikel 3.3.3 van de wet voor zorg als bedoeld in, of b. voor de kosten van zorginfrastructuur en infectieziektepreventie van een kleinschalig wooninitiatief met een maximum van € 5.961, of c. aan de verzekerde met een maximum van 1,5% van het voor dat jaar verleende persoonsgebonden budget met een minimum van € 250 en een maximum van € 1.250, of d. voor zorg die, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020, of, voor zover het zorg in een kleinschalig wooninitiatief, dagbesteding of vervoer ten behoeve van dagbesteding betreft, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 juli 2020, als gevolg van de maatregelen in verband met Covid-19, door de desbetreffende zorgaanbieder of mantelzorger die ten laste van het persoonsgebonden budget zorg verleent, niet is verleend, of e. voor zorg die, in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021, door de desbetreffende zorgaanbieder of mantelzorger die ten laste van het persoonsgebonden budget zorg verleent, niet is verleend in verband met: 1°. een besmetting van de budgethouder of diens zorgaanbieder of mantelzorger, werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, met Covid-19; 2°. een noodzakelijke quarantaine van de budgethouder of diens zorgaanbieder of mantelzorger in verband met Covid-19; 3°. een besmetting met Covid-19 op de dagbesteding; 4°. Tijdelijke wet maatregelen covid-19 de door een dagbesteding overeenkomstig de bij of krachtens degenomen maatregelen; of 5°. artikel 6.6, tweede lid, onderdelen d en e, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 het niet kunnen verlenen overeenkomstig de maatregelen in verband met Covid-19 vanwege een beperking bij de budgethouder als bedoeld in; of f. voor kosten die een kleinschalig wooninitiatief, waarvan de zorginkomsten vanwege Covid-19 of daarmee samenhangende sterfte onder verzekerden en leegstand zodanig zijn teruggelopen dat het wooninitiatief in financiële nood is geraakt, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2021 heeft gehad om de zorgverlening aan verzekerden te continueren, of g. voor zorg die door desbetreffende zorgaanbieder of mantelzorger als gevolg van het ontvangen van een vaccinatie voor Covid-19, voor ten hoogste twee uur, niet is verleend, of h. voor bijkomende zorgkosten die onlosmakelijk verbonden zijn aan de zorgverlening aan de budgethouder, waaronder in elk geval: 1°. de consumpties van de zorgverlener met een arbeidsovereenkomst, indien deze kosten zijn gemaakt als gevolg van overwerk bij desbetreffende budgethouder. De zorgverlener maakt hierbij geen onderdeel uit van het cliëntsysteem van de budgethouder; 2°. een cursus van de zorgverlener van ten hoogste 12 maanden die direct verband houdt met de beperkingen van desbetreffende budgethouder; 3°. entreegeld voor de zorgverlener, indien zorg wordt geleverd op een locatie waar men entreegeld moet betalen. De zorgverlener maakt hierbij geen onderdeel uit van het cliëntsysteem van de budgethouder. 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan het persoonsgebonden budget worden besteed aan kosten van vervoer naar een plaats waar de verzekerde gedurende een dagdeel begeleiding in groepsverband of behandeling in groepsverband ontvangt, indien: a. de zorgaanbieder niet verantwoordelijk is voor dat vervoer op grond van een inkoopafspraak met de Wlz-uitvoerder; of b. het zorgkantoor vooraf toestemming heeft verleend. 3 Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, worden de bedragen, genoemd in het eerste lid, onder b en c, voor dat kalenderjaar vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal dagen van de subsidieperiode in het desbetreffende kalenderjaar en de noemer uit het aantal dagen in dat kalenderjaar. 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 01-01-2026
Artikel 5.17a — Artikel 5.17a#
Artikel 5.17a 1 artikel 3.1.3, tweede lid, aanhef, van het Besluit Onder een verzekerde met een zeer complexe zorgbehoefte als bedoeld inwordt verstaan een verzekerde die vanwege ernstige lichamelijke en verstandelijke beperkingen sterk afhankelijk is van begeleiding, verpleging en verzorging door bekende personen. 2 artikel 3.1.3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Onder een passende zorglocatie als bedoeld inwordt verstaan een zorglocatie die specifiek is ingericht voor het leveren van begeleiding, verpleging en verzorging aan verzekerden met een zeer complexe zorgbehoefte. 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 01-07-2025
Artikel 5.18 — Artikel 5.18#
Artikel 5.18 1 Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd: a. artikel 5.17, eerste lid de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het doen betalen door de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in; b. de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord; c. de verzekerde past een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving onverwijld aan indien van enige verandering in de daarin opgenomen feiten sprake is; d. Arbeidstijdenbesluit de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie hetniet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht; e. artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, van de wet de verzekerde laat de betalingen aan de zorgverlener uitsluitend verrichten door de Sociale verzekeringsbank, tenzij het gaat om kosten verbonden aan vervoer als bedoeld in, waarvoor geen zorgovereenkomst is gesloten; f. de verzekerde besteedt het persoonsgebonden budget niet aan logeeropvang buiten de Europese Unie; g. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget. 2 Bij de verlening van een persoonsgebonden budget kunnen aan de verzekerde verplichtingen worden opgelegd die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. 2025 34214 09-10-2025 01-10-2025 4222733-1087230-LZ 2025 34214 09-10-2025 01-10-2025 4222733-1087230-LZ 01-01-2026
Artikel 5.19 — Artikel 5.19#
Artikel 5.19 De verleningsbeschikking van het zorgkantoor aan de verzekerde bevat ten minste de volgende gegevens: a. de subsidieperiode; b. het verleende persoonsgebonden budget en de wijze waarop dit budget is berekend; c. de verplichtingen van de verzekerde; d. de hoogte van het bedrag waarover een budgethouder zich niet hoeft te verantwoorden, en de wijze waarop dat bedrag is berekend. 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 24-07-2015 01-01-2015
Artikel 5.20 — Artikel 5.20#
Artikel 5.20 1 Het zorgkantoor wijzigt de verleningsbeschikking of trekt deze in: a. met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde overlijdt; b. Zorgverzekeringswet met ingang van de dag waarop de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de; c. met ingang van de dag vanaf welke de verzekerde schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het persoonsgebonden budget; d. met ingang van de dag waarop het zorgkantoor, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd persoonsgebonden budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben; e. met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit ten nadele van de verzekerde wordt herzien als gevolg van bezwaar en beroep. 2 Het zorgkantoor kan de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen: a. artikel 1.1 van de Wet basisregistratie personen met ingang van de dag waarop de verzekerde niet beschikt over een woonadres als bedoeld in; b. artikel 5.1c, vijfde lid artikel 5.11, tweede lid met ingang van de dag waarop de verzekerde, of diens wettelijk vertegenwoordiger dan wel gevolmachtigde, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget dan wel verhoging van het budget als bedoeld in, of aan de eisen als bedoeld in; of c. indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 01-07-2024 Artikel IV van Stcrt. 2023/32327 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.21 — Artikel 5.21#
Artikel 5.21 1 Na afloop van iedere subsidieperiode wordt de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld. 2 Het zorgkantoor stelt het persoonsgebonden budget binnen een half jaar na afloop van de subsidieperiode vast. 3 artikel 5.17, eerste lid Het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de som van de bedragen die de Sociale verzekeringsbank op grond van, heeft uitbetaald. 4 artikel 5.17, eerste lid, onder a en b Indien de verzekerde geen betalingen, als bedoeld in, heeft laten doen dan wordt de subsidie, in afwijking van het derde lid, vastgesteld op nihil. 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 30-09-2016 01-01-2015
Artikel 5.22 — Artikel 5.22#
Artikel 5.22 1 Het uit het persoonsgebonden budget te betalen bruto loon of de te betalen vergoeding aan een zorgaanbieder bedraagt ten hoogste € 26,98 per uur, tenzij de verzekerde kan aantonen dat de zorg is verleend door: a. artikel 5, onderdelen a, c, d of e, van de Handelsregisterwet 2007 artikel 2 van die wet artikel 3.3.3 van de wet een onderneming als bedoeld inwaarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg als bedoeld in; b. artikel 5, onderdeel b, van de Handelsregisterwet 2007 artikel 2 van die wet, artikel 3.3.3 van de wet een onderneming als bedoeld inwaarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld ingeheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg als bedoeld in, en die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel; c. artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg artikel 3.3.3 van de wet een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van zorg als bedoeld in. 2 Wet marktordening gezondheidszorg In afwijking van het eerste lid wordt een bruto uurloon dan wel vergoeding van ten hoogste € 84,99 per uur of € 78,24 per dagdeel gehanteerd of een bruto loon dan wel vergoeding van ten hoogste het door de zorgautoriteit op grond van devoor de desbetreffende zorg vastgestelde hoger tarief, indien: a. de verzekerde kan aantonen dat de zorg is verleend door een onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, of een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c; of b. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wet een verzekerde voor 1 januari 2014 een persoonsgebonden budget ontving als bedoeld in deen onafgebroken een persoonsgebonden budget als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of deheeft ontvangen. 3 Het eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing indien de zorgverlener een echtgenoot of een bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad is van de verzekerde. 4 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag In het te betalen bruto loon of de vergoeding per uur of per dagdeel, bedoeld in het eerste en tweede lid, is, indien van toepassing krachtens de, vakantiebijslag verdisconteerd als bedoeld in die wet. 5 Arbeidstijdenbesluit Het aantal door de zorgverlener voor de verzekerde gewerkte en betaalde uren mag niet afwijken van heten mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week. 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 2025 19564 11-06-2025 02-06-2025 4128890-1081634-LZ 01-01-2026
Artikel 5.23 — Artikel 5.23#
Artikel 5.23 1 De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget voor overeengekomen zorg dan wel bijkomende zorgkosten, die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst voor vervoer, uitsluitend aan de persoon met wie deze overeenkomst is aangegaan aan de hand van: a. een declaratie voor geleverde zorg; b. een zorgovereenkomst bij overeengekomen periodieke maandbetalingen; c. een declaratie of zorgovereenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen zorg, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020, of, voor zover het zorg in een kleinschalig wooninitiatief, dagbesteding of vervoer ten behoeve van dagbesteding betreft, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 juli 2020, als gevolg van de maatregelen in verband met Covid-19, door de desbetreffende zorgaanbieder of mantelzorger, niet is verleend; d. artikel 5.17, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° tot en met 4° een declaratie of zorgovereenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen zorg in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021 overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld indoor de desbetreffende zorgaanbieder of mantelzorger, niet is verleend; e. artikel 5.17, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 5° een declaratie of zorgovereenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen zorg in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021, overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in, door de betreffende zorgverlener of mantelzorger niet is verleend; f. artikel 5.17, eerste lid, onderdeel g een declaratie of zorgovereenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen zorg in de periode van 2 maart 2021 tot en met 31 december 2021 overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in, door de betreffende zorgverlener of mantelzorger niet is verleend; g. artikel 5.17, eerste lid, onderdeel h een declaratie voor bijkomende zorgkosten zoals bedoeld in. 2 Een declaratie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c, d, e, f en g, bevat: a. de naam van deze persoon en: 1°. het nummer waarmee die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, of 2°. indien deze persoon niet over dat nummer kan beschikken, geboortedatum of burgerservicenummer; b. de naam van de verzekerde en zijn adres of burgerservicenummer of klantnummer bij de Sociale verzekeringsbank; c. het tarief; d. Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag een verantwoording van de overeengekomen resultaten dan wel een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien deniet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen; en e. een handtekening van de verzekerde of, voor zover van toepassing, diens vertegenwoordiger, indien het een schriftelijke declaratie betreft. 3 artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, van de wet De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget voor kosten verbonden aan vervoer als bedoeld in, waarvoor geen zorgovereenkomst is gesloten, indien de declaratie is ingediend met gebruikmaking van een model dat door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar is gesteld. 4 De Sociale verzekeringsbank kan beslissen tot beëindiging of opschorting van de betalingen of een gehele of gedeeltelijke weigering of opschorting van een betaling uit het persoonsgebonden budget: a. bij het intrekken of herzien van een besluit tot verlenen van een persoonsgebonden budget; b. wegens strijd met het recht, waaronder het recht dat van toepassing is op de zorgovereenkomst, c. indien de Sociale verzekeringsbank de declaratie niet heeft ontvangen binnen vier weken nadat de verzekerde deze heeft ontvangen; d. indien een ingediende declaratie niet voldoet aan de voorwaarden van de zorgovereenkomst of de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget; e. artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht indien het zorgkantoor van de verzekerde bij de toepassing vande Sociale verzekeringsbank daarom verzoekt voor een termijn van ten hoogste dertien weken; f. in het belang van de uitvoerbaarheid van het verrichten van de betalingen uit het persoonsgebonden budget door de Sociale verzekeringsbank. 5 artikel 3.6.6, eerste lid, onderdeel c, van het besluit De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, binnen dertig dagen na ontvangst van de declaratie, tenzij de declaratie onjuist of onvolledig is ingediend. Indien een declaratie niet overeenkomstig het tweede lid is ingediend, en betalingen niet zijn beëindigd, geweigerd of opgeschort, nodigt de Sociale verzekeringsbank de verzekerde uit tot herstel van de declaratie. Na herstel wordt de betaling binnen dertig dagen verricht. De Sociale verzekeringsbank weigert de betaling geheel of gedeeltelijk indien de declaratie niet binnen een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn is hersteld. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van een declaratie werkzaamheden verricht als bedoeld inwordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen. 6 artikel 3.6.6, eerste lid, onderdeel c, van het besluit Sociale verzekeringsbank verricht periodieke maandbetalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, uiterlijk binnen dertig dagen na afloop van de maand waarin de zorg geleverd is. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van de periodieke maandbetaling werkzaamheden verricht als bedoeld inwordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen. 7 Indien de verzekerde in aanvulling op de bij de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget aanvullende zorg heeft gecontracteerd, betaalt de Sociale verzekeringsbank deze indien daartoe voldoende geld is gestort. De Sociale verzekeringsbank stort na de betaling van de aanvullende zorg binnen redelijke termijn de onbestede gelden terug aan degene die hiervoor het geld heeft gestort. 8 De Sociale verzekeringsbank ondersteunt de verzekerde bij zijn werkgeverstaken of opdrachtgeverschap, waaronder ten aanzien van arbeidsomstandighedenregelgeving, zaakschade en aansprakelijkheid. 9 De verzekerde houdt een administratie bij van het totaal aan niet-geleverde zorg per zorgverlener aan wie betalingen zijn verricht op grond van het eerste lid, onderdeel, c, d, e of f. Deze administratie bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. de naam van de zorgverlener; b. het overeengekomen tarief; c. Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien deniet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen; d. ingeval van besmetting met Covid-19 van de budgethouder: een bewijsstuk waaruit blijkt dat de zorg niet kon worden geleverd in verband met deze besmetting; e. ingeval van een noodzakelijke quarantaine van de budgethouder in verband met Covid-19: een bewijsstuk of de tussen de budgethouder en de zorgverlener overeengekomen afspraken waaruit blijkt dat de zorg niet kon worden geleverd in verband met deze quarantaine; f. ingeval van besmetting met Covid-19 of noodzakelijke quarantaine van de zorgverlener in verband met Covid-19: een bewijsstuk of de tussen de budgethouder en de zorgverlener overeengekomen afspraken waaruit blijkt dat de zorg niet kon worden geleverd in verband met deze besmetting of noodzakelijke quarantaine; g. ingeval van de in het tweede lid, onderdeel e of f, bedoelde situaties: een specificatie wanneer de zorg om deze redenen niet kon worden geleverd. 10 De verzekerde bedoeld in het negende lid, verstrekt op verzoek van het zorgkantoor voor elke zorgverlener het op grond van het eerste lid, onderdelen c, d, e en f, totaal aantal betaalde uren inclusief het bijbehorende totaalbedrag door middel van een daartoe beschikbaar gesteld formulier aan de Sociale verzekeringsbank. 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 01-01-2024
Artikel 5.23a — Artikel 5.23a#
Artikel 5.23a 1 artikel 5.23, vierde lid, onderdeel c artikel 3.6.4, vijfde lid, van het Besluit In afwijking van, kan de Sociale verzekeringsbank beslissen tot beëindiging of opschorting van de betalingen of een gehele of gedeeltelijke weigering of opschorting van een betaling uit het persoonsgebonden budget indien de Sociale verzekeringsbank een declaratie ter betaling van de vervoerskosten, bedoeld in, niet uiterlijk binnen tien weken, na de maand waarin de prestatie is verleend, ontvangt van de verzekerde. 2 artikel 5.23, derde en vierde lid artikel 3.6.6, eerste lid, onderdeel d, van het besluit In afwijking van, onderdelen d en e, ontvangt de Sociale verzekeringsbank een verzoek om het verantwoordingsvrij bedrag, bedoeld in, voor het eindigen van de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget. 3 De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen, indien de declaratie, bedoeld in het eerste lid, of het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is opgesteld met gebruikmaking van de modellen die door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar zijn gesteld. 2018 63451 13-11-2018 05-11-2018 1423224-181175-WJZ 2018 63451 13-11-2018 05-11-2018 1423224-181175-WJZ 14-11-2018 01-01-2018
Artikel 5.23b — Artikel 5.23b#
Artikel 5.23b artikel 3.3.3, zevende lid, van de wet De verzekerde doet aan de Sociale verzekeringsbank op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van gegevens waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het budgetbeheer, bedoeld in, of het uitvoeren van betalingen ten laste van het persoonsgebonden budget. 2016 40557 29-07-2016 25-07-2016 986156-152677-WJZ 2016 40557 29-07-2016 25-07-2016 986156-152677-WJZ 01-08-2016
Artikel 5.23c — Artikel 5.23c#
Artikel 5.23c 1 In het belang van een gecoördineerde uitvoering van het persoonsgebonden budget ondersteunt de Sociale verzekeringsbank het zorgkantoor bij de uitoefening van diens taken als de verstrekker van dat budget. 2 De Sociale verzekeringsbank en het zorgkantoor werken samen aan de digitalisering en standaardisering van de uitvoering van het persoonsgebonden budget. 2018 33341 15-06-2018 11-06-2018 1333677-176028-WJZ 2018 33341 15-06-2018 11-06-2018 1333677-176028-WJZ 18-06-2018
Artikel 5.24 — Artikel 5.24#
Artikel 5.24 artikel 3.7.2, derde lid, van het Besluit bijlage D De aanvaardbaarheidspercentages, bedoeld in, zijn de inbij deze regeling opgenomen aanvaardbaarheidspercentages. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 artikel 4.2.1, eerste lid, van het Besluit bijlage B Tot de regio's, genoemd in, behoren de ingenoemde gemeenten. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 1 artikel 6.2.6, eerste lid, van de wet Het financieel verslag van het CAK als bedoeld inbevat een financiële verantwoording over de uitvoering van de wet, volgens een door de zorgautoriteit aangegeven model. 2 artikel 6.2.6, tweede lid, van de wet Het uitvoeringsverslag van het CAK als bedoeld inbevat een verantwoording over de uitvoering van de wet, volgens een door de zorgautoriteit aangegeven model. 3 artikel 4.3.1, tweede lid artikel 4.3.2, derde lid De inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag als bedoeld in, en van het accountantsverslag als bedoeld in, van de wet geschiedt volgens een door de zorgautoriteit aangegeven model. 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 30-09-2016 01-01-2015
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 Als persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, die voor Wlz-uitvoerders noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet, worden in ieder geval aangemerkt: a. naam, adres, postcode en woonplaats; b. inschrijving- of verzekerdennummer, burgerservicenummer, geslacht en geboortedatum; c. een afgegeven indicatiebesluit; d. het zorgprofiel, waarop iemand krachtens indicatiebesluit is aangewezen; e. de prestatiebeschrijving van de aan de verzekerde te leveren of geleverde prestatie; f. wanneer de prestatie is aangevangen, gewijzigd en is beëindigd; g. het voor de geleverde prestatie in rekening gebrachte tarief; h. artikel 38, derde lid, onder b, van de Wet marktordening gezondheidszorg de gegevens die op grond van een declaratieregeling, bedoeld in, moeten worden verstrekt; i. de gegevens die noodzakelijk zijn om vast te stellen of de prestatie behoort tot het op grond van de wet verzekerde pakket; j. het bank- of gironummer, en k. artikel 7.2 artikel 7.10 overige gegevens die noodzakelijk zijn voor het verrichten van een materiële controle als bedoeld in, dan wel voor het verrichten van fraudeonderzoek als bedoeld in. 2018 43473 27-07-2018 16-07-2018 1375214-178802-WJZ 2018 43473 27-07-2018 16-07-2018 1375214-178802-WJZ 28-07-2018
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 artikel 9.1.2, eerste lid, onder i, van de wet De controle, bedoeld inhoudt in: a. materiële controle: een onderzoek waarbij de Wlz-uitvoerder nagaat of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en die geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde; b. formele controle: een onderzoek waarbij de Wlz-uitvoerder nagaat of het tarief dat door een zorgaanbieder voor een prestatie in rekening is gebracht: 1°. een prestatie betreft, welke is geleverd aan een bij die Wlz-uitvoerder verzekerde persoon; 2°. een prestatie betreft, welke behoort tot het verzekerde pakket van die persoon, 3°. een prestatie betreft, tot levering waarvan de zorgaanbieder bevoegd is, en 4°. Wet marktordening gezondheidszorg het tarief betreft, dat voor die prestatie krachtens deis vastgesteld of een tarief is dat, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens die wet, voor die prestatie met de zorgaanbieder is overeengekomen, en c. artikel 7.3 artikel 7.10 detailcontrole: onderzoek door de Wlz-uitvoerder naar bij de zorgaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot eigen verzekerden ten behoeve van materiële controle als bedoeld inof fraudeonderzoek als bedoeld in. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 1 artikelen 7.4 tot en met 7.9 De Wlz-uitvoerder verricht materiële controle op de wijze zoals bepaald in de. 2 De zorgaanbieder is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de overeenkomstig het eerste lid uitgevoerde materiële controle. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 1 De Wlz-uitvoerder stelt voorafgaand aan de uitvoering van materiële controle het doel ervan vast door te bepalen wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd of die geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde. 2 artikelen 31 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg Bij de vaststelling van het doel als bedoeld in het eerste lid, neemt de Wlz-uitvoerder voor het uitvoeren van controles mede de op grond van deendoor de zorgautoriteit gestelde regels in acht. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.5 — Artikel 7.5#
Artikel 7.5 1 De Wlz-uitvoerder mag verzekerden met gebruikmaking van persoonsgegevens waarover hij in verband met de uitvoering van de wet reeds beschikt enquêteformulieren zenden om: 1°. na te gaan of de in rekening gebrachte zorg daadwerkelijk is verleend, en 2°. onderzoek te doen naar de door die verzekerden ervaren kwaliteit van de verzekerde zorg die een zorgaanbieder verleent of heeft verleend. 2 Bij de verzending van enquêteformulieren als bedoeld in het eerste lid informeert de Wlz-uitvoerder de verzekerde erover dat hij niet verplicht is tot beantwoording van de gestelde vragen en dat onthouden van medewerking op geen enkele wijze tot zijn nadeel zal strekken. 3 De Wlz-uitvoerder draagt er zorg voor dat terug ontvangen enquêteformulieren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2°, niet herleidbaar zijn tot personen en dat niet herleidbaar is welke verzekerden geen formulier hebben teruggestuurd. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.6 — Artikel 7.6#
Artikel 7.6 1 De Wlz-uitvoerder voert een algemene risicoanalyse uit op basis van gegevens waarover deze in verband met de uitvoering van de wet beschikt. 2 De Wlz-uitvoerder stelt op basis van de in het eerste lid uitgevoerde algemene risicoanalyse een algemeen controleplan vast, waarin de objecten van materiële controle en de in te zetten controle-instrumenten zijn opgenomen. 3 Het naar aanleiding van de algemene risicoanalyse opgestelde algemene controleplan voorziet niet in de inzet van het controle-instrument detailcontrole. 4 artikel 7.4, eerste lid Indien uit het uitgevoerde algemene controleplan blijkt dat het controledoel, bedoeld in, is bereikt, kan alleen detailcontrole worden uitgevoerd als er van een ander dan de Wlz-uitvoerder afkomstige of uit de uitgevoerde controle voortvloeiende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er sprake is van onvoldoende zekerheid. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.7 — Artikel 7.7#
Artikel 7.7 artikel 7.4 artikel 7.6 De Wlz-uitvoerder maakt informatie openbaar over het ingevolgevastgestelde controledoel en het ingevolgevastgestelde algemene controleplan op een zodanige wijze dat die informatie voor verzekerden en zorgaanbieders gemakkelijk verkrijgbaar is. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.8 — Artikel 7.8#
Artikel 7.8 1 De Wlz-uitvoerder voert geen detailcontrole uit, dan nadat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. artikel 7.5, tweede lid de Wlz-uitvoerder heeft een specifieke risicoanalyse verricht op de bevindingen uit het uitgevoerde algemene controleplan bedoeld in; b. de Wlz-uitvoerder heeft naar aanleiding van de specifieke risicoanalyse een specifiek controleplan en specifiek controledoel opgesteld, waarin de objecten van materiële controle en de methoden van detailcontrole zijn opgenomen; c. het overeenkomstig onderdeel b vastgestelde specifieke doel van de materiële controle kan zonder detailcontrole niet worden bereikt; d. uit het specifieke controleplan blijkt dat de detailcontrole niet verder gaat dan gelet op het met het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het te onderzoeken geval noodzakelijk is; e. de Wlz-uitvoerder heeft de zorgaanbieder voorafgaand aan de uitvoering van de detailcontrole toereikende, desgevraagd schriftelijke, informatie verstrekt waarin wordt gemotiveerd hoe is voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarden. 2 Indien bij de uitvoering van detailcontrole persoonsgegevens van verzekerden worden verwerkt, geschiedt dit onder verantwoordelijkheid van een medisch adviseur in opdracht van de Wlz-uitvoerder en is deze op voorafgaand verzoek van de zorgaanbieder aanwezig bij dit deel van de controle. 3 De Wlz-uitvoerder informeert de zorgaanbieder over de zakelijke inhoud van de voorgenomen uitkomsten van de detailcontrole en stelt de zorgaanbieder in de gelegenheid daarop binnen een redelijke termijn te reageren. 4 De Wlz-uitvoerder betrekt de reactie van de zorgaanbieder bij de vaststelling van de definitieve uitkomsten van de detailcontrole en bericht deze uitkomsten aan de zorgaanbieder. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.9 — Artikel 7.9#
Artikel 7.9 De Wlz-uitvoerder legt de specifieke risicoanalyse en de uitvoering van detailcontroles in zijn administratie vast om toetsing door en verantwoording aan toezichthouders mogelijk te maken. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.10 — Artikel 7.10#
Artikel 7.10 1 artikel 9.1.2, eerste lid, onder j, van de wet Het fraudeonderzoek, bedoeld inhoudt een onderzoek in waarbij de Wlz-uitvoerder nagaat of de verzekerde of de zorgaanbieder valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen bij de uitvoering door betrokken personen en organisaties van de verzekering op grond van de wet, met het doel een prestatie, vergoeding, betaling of ander voordeel te krijgen waarop de verzekerde dan wel de zorgaanbieder geen recht heeft of recht kan hebben. 2 artikel 7.8, eerste lid, onderdelen b en d Bij fraudeonderzoek zijn de voorwaarden bedoeld in, van overeenkomstige toepassing, en is de in onderdeel e bedoelde voorwaarde van overeenkomstige toepassing voor zover het onderzoeksbelang of het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken verzekerde zich daar niet tegen verzet. 3 In afwijking van het tweede lid kan de Wlz-uitvoerder met betrekking tot een individuele verzekerde detailcontrole uitvoeren zonder dat de in dat lid genoemde voorwaarden van toepassing zijn, indien deze verzekerde ten behoeve van het fraudeonderzoek schriftelijk toestemming heeft gegeven voor verstrekking van hem betreffende gegevens over gezondheid aan de Wlz-uitvoerder. 4 De zorgaanbieder is verplicht zijn medewerking te verlenen aan overeenkomstig het tweede lid uitgevoerd fraudeonderzoek. 2018 43473 27-07-2018 16-07-2018 1375214-178802-WJZ 2018 43473 27-07-2018 16-07-2018 1375214-178802-WJZ 28-07-2018
Artikel 7.11 — Artikel 7.11#
Artikel 7.11 artikel 6.1.1 van de wet artikel 9.1.2, eerste en derde lid 9.1.3, tweede lid, van de wet De Wlz-uitvoerder verwerkt de persoonsgegevens, bedoeld inslechts verder voor de uitvoering van de wet en voor zover dit noodzakelijk is voor de doelen als omschreven in, en. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.12 — Artikel 7.12#
Artikel 7.12 artikel 3.3.1, eerste lid, van de wet De Wlz-uitvoerder dient zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand na de dag waarop de zorg is aangevangen of herzien door wijziging van de leveringsvorm als bedoeld in, of, indien de leveringsvorm een persoonsgebonden budget betreft, uiterlijk binnen vier maanden na de ingangsdatum van de verlening van dat budget door de Wlz-uitvoerder, de noodzakelijke persoonsgegevens voor de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage bij het CAK in. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 7.13 — Artikel 7.13#
Artikel 7.13 1 Indien de persoonsgegevens door de Wlz-uitvoerder onjuist of onvolledig zijn ingediend bij het CAK, stuurt het CAK zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien werkdagen na indiening, een uitnodiging tot herstel aan de Wlz-uitvoerder. 2 De Wlz-uitvoerder dient uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst van de uitnodiging, bedoeld in het eerste lid, het herstelde bericht bij het CAK in. 2018 67300 30-11-2018 22-11-2018 1448991-184282-WJZ 2018 67300 30-11-2018 22-11-2018 1448991-184282-WJZ 01-01-2019
Artikel 7.14 — Artikel 7.14#
Artikel 7.14 1 artikel 6.1.2, onderdeel a, van de wet Ten behoeve van de vaststelling en inning van de eigen bijdrage, bedoeld in, vergelijken de Wlz-uitvoerder en het CAK ten minste elke twee maanden hun administraties houdende de persoonsgegevens van de verzekerden die noodzakelijk zijn voor de juiste uitvoering van de taken. 2 artikel 3.2.5 van de wet Indien naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde vergelijking blijkt dat sprake is van onvolledige of onjuiste persoonsgegevens in de administraties, corrigeert het CAK of de Wlz-uitvoerder binnen een maand na die vergelijking de gegevens in hun administratie, voor zover noodzakelijk voor de juiste uitvoering van. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2015: € 17.870,1 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 16.385,1 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 1.485,0 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 01-01-2017
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 De bedragen die in 2015 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: € 74.679.562 Friesland: € 88.972.423 Drenthe: € 68.702.737 Zwolle: € 59.572.060 Twente: € 65.301.325 Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: € 34.427.626 Arnhem: € 96.542.977 Nijmegen: € 51.041.555 Utrecht: € 96.514.184 Flevoland: € 20.783.554 ’t Gooi: € 38.653.462 Noord-Holland Noord: € 48.335.180 Kennemerland: € 28.633.505 Zaanstreek/Waterland: € 20.277.657 Amsterdam: € 46.271.294 Amstelland en de Meerlanden: € 11.930.959 Zuid-Holland Noord: € 30.082.354 Haaglanden: € 55.359.335 Delft Westland Oostland: € 18.943.688 Midden-Holland: € 22.443.074 Rotterdam: € 45.803.763 Nieuwe Waterweg Noord: € 12.791.303 Zuid-Hollandse Eilanden: € 34.025.072 Waardenland: € 31.939.982 Zeeland: € 28.884.591 West-Brabant: € 59.082.555 Midden-Brabant: € 52.785.559 Noordoost Brabant: € 62.390.852 Zuidoost Brabant: € 60.744.905 Noord-en Midden-Limburg: € 50.597.924 Zuid-Limburg: € 57.544.570 Middel-IJssel: € 10.915.415 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 01-01-2017
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2016: € 18.608,2 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 16.782,5 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 1.825,7 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 21 november 2016. 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 01-01-2017
Artikel 8.4 — Artikel 8.4#
Artikel 8.4 De bedragen die in 2016 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: 89.148.317 Friesland: 105.223.393 Drenthe: 76.882.167 Zwolle: 67.360.494 Twente: 81.047.823 Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: 41.394.995 Arnhem: 118.769.899 Nijmegen: 61.038.392 Utrecht: 117.889.857 Flevoland: 26.232.098 ’t Gooi: 48.223.818 Noord-Holland Noord: 4.339.992 Kennemerland: 33.716.501 Zaanstreek/Waterland: 24.859.860 Amsterdam: 61.602.461 Amstelland en de Meerlanden: 15.820.579 Zuid-Holland Noord: 37.400.483 Haaglanden: 73.476.816 Westland Schieland Delfland: 43.108.778 Midden-Holland: 27.141.031 Rotterdam: 60.745.405 Zuid-Hollandse Eilanden: 41.683.544 Waardenland: 38.398.152 Zeeland: 36.122.835 West-Brabant: 75.388.525 Midden-Brabant: 62.014.320 Noordoost Brabant: 76.358.433 Zuidoost Brabant: 73.583.357 Noord- en Midden-Limburg: 63.201.736 Zuid-Limburg: 76.323.787 Midden IJssel: 17.208.188 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 2016 68102 20-12-2016 06-12-2016 1059209-158925-LZ 01-01-2017
Artikel 8.5 — Artikel 8.5#
Artikel 8.5 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2017: € 19.592,1 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 17.550,7 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 2.041,4 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 1 november 2017. 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 09-12-2017
Artikel 8.6 — Artikel 8.6#
Artikel 8.6 De bedragen die in 2017 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: 85.099.564 Friesland: 114.500.000 Drenthe: 85.812.045 Zwolle: 74.938.744 Twente: 89.752.403 Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: 46.109.515 Arnhem: 127.034.096 Nijmegen: 68.677.579 Utrecht: 136.371.455 Flevoland: 30.178.801 ’t Gooi: 56.133.761 Noord-Holland Noord: 60.449.095 Kennemerland: 36.946.039 Zaanstreek/Waterland: 28.153.025 Amsterdam: 69.984.272 Amstelland en de Meerlanden: 17.519.179 Zuid-Holland Noord: 40.079.483 Haaglanden: 88.062.552 Westland Schieland Delfland: 49.296.511 Midden-Holland: 30.633.250 Rotterdam: 73.468.864 Zuid-Hollandse Eilanden: 49.385.091 Waardenland: 45.617.827 Zeeland: 41.496.900 West-Brabant: 85.797.535 Midden-Brabant: 67.393.765 Noordoost Brabant: 88.524.917 Zuidoost Brabant: 82.204.266 Noord- en Midden-Limburg: 67.695.240 Zuid-Limburg: 86.439.324 Midden IJssel: 17.606.000 2018 56981 12-10-2018 04-10-2018 1408874-180036-LZ 2018 56981 12-10-2018 04-10-2018 1408874-180036-LZ 13-10-2018 01-01-2017 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 8.7 — Artikel 8.7#
Artikel 8.7 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2018: € 21.092 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 18.888 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 2.204 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 15 april 2019. 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 8.8 — Artikel 8.8#
Artikel 8.8 De bedragen die in 2018 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: 85.200.000 Friesland: 117.000.000 Drenthe: 85.061.197 Zwolle: 77.203.741 Twente: 94.900.000 Apeldoorn, Zutphen en omstreken: 47.109.515 Midden IJssel: 17.550.000 Arnhem: 127.440.000 Nijmegen: 79.412.174 Utrecht: 151.920.245 Flevoland: 32.178.801 ’t Gooi: 62.518.059 Noord-Holland Noord: 67.531.552 Kennemerland: 38.946.039 Zaanstreek/Waterland: 30.153.025 Amsterdam: 80.627.133 Amstelland en de Meerlanden: 18.925.923 Zuid-Holland Noord: 44.625.762 Haaglanden: 99.784.435 Westland Schieland Delfland: 52.894.148 Midden-Holland: 31.848.616 Rotterdam: 84.756.946 Zuid-Hollandse Eilanden: 52.563.180 Waardenland: 50.573.361 Zeeland: 44.118.899 West-Brabant: 95.769.420 Midden-Brabant: 72.672.309 Noordoost Brabant: 99.881.605 Zuidoost Brabant: 90.574.744 Noord- en Midden-Limburg: 74.720.667 Zuid-Limburg: 95.805.079 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 8.9 — Artikel 8.9#
Artikel 8.9 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2019: € 23.408 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 20.954 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 2.454 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 1 april 2020. 2020 36950 13-07-2020 06-07-2020 1704964-206906 2020 36950 13-07-2020 06-07-2020 1704964-206906 14-07-2020 01-07-2020
Artikel 8.10 — Artikel 8.10#
Artikel 8.10 De bedragen die in 2019 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: 87.116.039 Friesland: 127.600.000 Drenthe: 90.407.902 Zwolle: 84.130.789 Twente: 102.702.027 Apeldoorn, Zutphen en omstreken: 51.328.234 Midden IJssel: 19.282.558 Arnhem: 135.827.029 Nijmegen: 88.049.272 Utrecht: 171.056.925 Flevoland: 36.944.568 ´t Gooi: 71.412.713 Noord-Holland Noord: 72.868.600 Kennemerland: 42.081.894 Zaanstreek/Waterland: 33.648.522 Amsterdam: 93.590.300 Amstelland en de Meerlanden: 21.204.905 Zuid-Holland Noord: 52.769.426 Haaglanden: 116.166.674 Westland Schieland Delfland: 58.393.820 Midden-Holland: 34.856.453 Rotterdam: 98.310.354 Zuid-Hollandse Eilanden: 61.060.590 Waardenland: 58.397.356 Zeeland: 50.489.991 West-Brabant: 110.105.489 Midden-Brabant: 79.297.934 Noordoost Brabant: 113.142.810 Zuidoost Brabant: 109.204.273 Noord- en Midden-Limburg: 80.342.686 Zuid-Limburg: 102.239.178 2020 36950 13-07-2020 06-07-2020 1704964-206906 2020 36950 13-07-2020 06-07-2020 1704964-206906 14-07-2020 01-07-2020
Artikel 8.11 — Artikel 8.11#
Artikel 8.11 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2020: € 25.085 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 22.424 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 2.661 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 15 november 2020. 2021 4546 29-01-2021 25-01-2021 1813318-217124-LZ 2021 4546 29-01-2021 25-01-2021 1813318-217124-LZ 30-01-2021
Artikel 8.12 — Artikel 8.12#
Artikel 8.12 De bedragen die in 2020 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: € 91.673.935 Friesland: € 37.800.000 Drenthe: € 98.980.995 Zwolle: € 90.102.364 Twente: € 108.254.717 Apeldoorn, Zutphen en omstreken: € 56.165.663 Midden IJssel: € 22.121.005 Arnhem: € 143.841.013 Nijmegen: € 92.943.030 Utrecht: € 188.860.809 Flevoland: € 40.130.847 ´t Gooi: € 78.641.292 Noord-Holland Noord: € 74.045.497 Kennemerland: € 45.099.045 Zaanstreek/Waterland: € 37.295.280 Amsterdam: € 107.602.678 Amstelland en de Meerlanden: € 23.003.878 Zuid-Holland Noord: € 56.474.174 Haaglanden: € 130.404.770 Westland Schieland Delfland: € 65.191.453 Midden-Holland: € 36.778.036 Rotterdam: € 108.616.657 Zuid-Hollandse Eilanden: € 67.411.216 Waardenland: € 61.513.975 Zeeland: € 55.025.399 West-Brabant: € 121.222.558 Midden-Brabant: € 84.777.208 Noordoost Brabant: € 121.690.527 Zuidoost Brabant: € 124.241.804 Noord- en Midden-Limburg: € 82.929.670 Zuid-Limburg: € 107.749.055 2021 4546 29-01-2021 25-01-2021 1813318-217124-LZ 2021 4546 29-01-2021 25-01-2021 1813318-217124-LZ 30-01-2021
Artikel 8.13 — Artikel 8.13#
Artikel 8.13 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2021: € 27.736 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 24.669 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 3.067 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 15 december 2021. 2022 8778 01-04-2022 24-03-2022 3330578-1025708-PPGB 2022 8778 01-04-2022 24-03-2022 3330578-1025708-PPGB 02-04-2022
Artikel 8.14 — Artikel 8.14#
Artikel 8.14 De bedragen die in 2021 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: € 105.517.551 Friesland: € 156.076.357 Drenthe: € 117.045.445 Zwolle: € 100.850.211 Twente: € 117.746.269 Apeldoorn, Zutphen en omstreken: € 62.194.249 Midden IJssel: € 23.931.142 Arnhem: € 166.455.535 Nijmegen: € 101.881.123 Utrecht: € 215.105.477 Flevoland: € 42.634.136 ’t Gooi: € 86.299.367 Noord-Holland Noord: € 80.780.761 Kennemerland: € 48.627.103 Zaanstreek/Waterland: € 42.094.255 Amsterdam: € 126.876.345 Amstelland en de Meerlanden: € 27.042.081 Zuid-Holland Noord: € 65.691.791 Haaglanden: € 156.068.831 Westland Schieland Delfland: € 77.819.903 Midden-Holland: € 38.089.164 Rotterdam: € 130.579.764 Zuid-Hollandse Eilanden: € 77.101.608 Waardenland: € 69.599.812 Zeeland: € 66.550.453 West-Brabant: € 138.599.795 Midden-Brabant: € 101.445.739 Noordoost Brabant: € 142.435.188 Zuidoost Brabant: € 160.537.085 Noord- en Midden-Limburg: € 98.093.609 Zuid-Limburg: € 123.417.165 2022 8778 01-04-2022 24-03-2022 3330578-1025708-PPGB 2022 8778 01-04-2022 24-03-2022 3330578-1025708-PPGB 02-04-2022
Artikel 8.15 — Artikel 8.15#
Artikel 8.15 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2022: € 29.948 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is 26.511 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 3.437 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 15 oktober 2022. 2022 32461 02-12-2022 24-11-2022 3468594-1039227-LZ 2022 32461 02-12-2022 24-11-2022 3468594-1039227-LZ 01-01-2023 01-01-2022
Artikel 8.16 — Artikel 8.16#
Artikel 8.16 De bedragen die in 2022 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen: € 118.300.261 Friesland: € 169.688.622 Drenthe: € 125.183.543 Zwolle: € 110.933.975 Twente: € 128.196.448 Apeldoorn, Zutphen en omstreken: € 67.716.624 Midden IJssel: € 26.578.610 Arnhem: € 188.847.554 Nijmegen: € 111.578.854 Utrecht: € 233.260.011 Flevoland: € 45.726.190 ’t Gooi: € 96.982.686 Noord-Holland Noord: € 87.696.111 Kennemerland: € 51.391.540 Zaanstreek/Waterland: € 45.995.866 Amsterdam: € 146.234.378 Amstelland en de Meerlanden: € 31.786.002 Zuid-Holland Noord: € 75.787.078 Haaglanden: € 182.791.771 Westland Schieland Delfland: € 90.362.821 Midden-Holland: € 42.652.319 Rotterdam: € 149.165.776 Zuid-Hollandse Eilanden: € 88.134.670 Waardenland: € 75.659.671 Zeeland: € 74.009.232 West-Brabant: € 161.114.744 Midden-Brabant: € 114.308.648 Noordoost Brabant: € 160.886.910 Zuidoost Brabant: € 185.281.409 Noord- en Midden-Limburg: € 109.900.481 Zuid-Limburg: € 140.963.501 2022 32461 02-12-2022 24-11-2022 3468594-1039227-LZ 2022 32461 02-12-2022 24-11-2022 3468594-1039227-LZ 01-01-2023 01-01-2022
Artikel 8.17 — Artikel 8.17#
Artikel 8.17 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2023: € 33.050 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 29.420 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 3.630 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 10 oktober 2023. 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 01-01-2024
Artikel 8.18 — Artikel 8.18#
Artikel 8.18 De bedragen die in 2023 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen € 125.534.570,57 Friesland € 187.660.016,88 Drenthe € 136.754.237,90 Zwolle € 121.127.800,88 Twente € 136.090.290,76 Apeldoorn, Zutphen e.o. € 72.897.174,58 Midden-IJssel € 28.598.845,00 Arnhem € 200.475.546,38 Nijmegen € 124.940.875,76 Utrecht € 262.478.432,92 Flevoland € 54.005.100,83 't Gooi € 106.528.822,36 Noord-Holland-Noord € 96.112.853,33 Kennemerland € 54.979.917,96 Zaanstreek/Waterland € 52.227.405,09 Amsterdam € 171.172.056,39 Amstelland/Meerlanden € 35.420.141,95 Zuid-Holland Noord € 83.528.412,73 Haaglanden € 201.520.501,29 Westland Schieland Delfland € 100.836.126,54 Midden-Holland € 46.798.514,97 Rotterdam € 177.328.464,52 Zuid-Hollandse Eilanden € 92.765.783,68 Waardenland € 83.194.910,86 Zeeland € 77.953.453,28 West-Brabant € 169.619.877,22 Midden-Brabant € 122.097.402,15 Noordoost-Brabant € 176.098.111,85 Zuidoost-Brabant € 199.084.617,14 Noord- en Midden- Limburg € 118.300.741,79 Zuid-Limburg € 152.496.899,91 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 01-01-2024
Artikel 8.19 — Artikel 8.19#
Artikel 8.19 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2024: € 36.293 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 32.226 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 4.068 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 15 oktober 2024. 2024 40085 06-12-2024 29-11-2024 4009817-1075325-LZ 2024 40085 06-12-2024 29-11-2024 4009817-1075325-LZ 01-01-2025 01-01-2024
Artikel 8.20 — Artikel 8.20#
Artikel 8.20 De bedragen die in 2024 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen € 134.240.984 Friesland € 199.675.123 Drenthe € 146.238.788 Zwolle € 129.528.584 Twente € 145.528.793 Apeldoorn, Zutphen e.o. € 75.952.937 Midden-IJssel € 30.582.310 Arnhem € 220.193.423 Nijmegen € 133.340.114 Utrecht € 283.589.525 Flevoland € 57.750.609 't Gooi € 117.661.284 Noord-Holland-Noord € 103.056.732 Kennemerland € 58.793.034 Zaanstreek/Waterland € 56.849.622 Amsterdam € 190.020.389 Amstelland/Meerlanden € 37.876.696 Zuid-Holland Noord € 89.321.502 Haaglanden € 223.148.060 Westland Schieland Delfland € 115.097.029 Midden-Holland € 51.293.212 Rotterdam € 197.766.563 Zuid-Hollandse Eilanden € 100.199.528 Waardenland € 86.480.870 Zeeland € 83.359.892 West-Brabant € 176.383.814 Midden-Brabant € 132.818.432 Noordoost-Brabant € 184.345.345 Zuidoost-Brabant € 211.892.073 Noord- en Midden- Limburg € 129.441.455 Zuid-Limburg € 165.073.278 2024 40085 06-12-2024 29-11-2024 4009817-1075325-LZ 2024 40085 06-12-2024 29-11-2024 4009817-1075325-LZ 01-01-2025 01-01-2024
Artikel 8.21 — Artikel 8.21#
Artikel 8.21 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2025: € 38.983 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 34.635 miljoen bestemd voor zorg in natura en € 4.349 miljoen bestemd voor persoonsgebonden budgetten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten tot en met 27 oktober 2025. 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 8.22 — Artikel 8.22#
Artikel 8.22 De bedragen die in 2025 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Groningen € 139.165.001 Friesland € 213.438.461 Drenthe € 157.105.069 Zwolle € 136.727.785 Twente € 151.736.318 Apeldoorn, Zutphen e.o. € 80.253.590 Midden-IJssel € 33.234.954 Arnhem € 234.176.195 Nijmegen € 145.812.635 Utrecht € 309.878.196 Flevoland € 60.693.806 't Gooi € 129.384.732 Noord-Holland-Noord € 108.577.480 Kennemerland € 65.235.752 Zaanstreek/Waterland € 62.108.764 Amsterdam € 209.494.428 Amstelland/Meerlanden € 38.281.769 Zuid-Holland Noord € 90.276.753 Haaglanden € 235.861.038 Westland Schieland Delfland € 123.304.682 Midden-Holland € 54.865.025 Rotterdam € 218.486.235 Zuid-Hollandse Eilanden € 106.212.975 Waardenland € 93.568.533 Zeeland € 88.321.155 West-Brabant € 179.280.851 Midden-Brabant € 141.215.607 Noordoost-Brabant € 200.735.437 Zuidoost-Brabant € 217.937.229 Noord- en Midden-Limburg € 142.918.794 Zuid-Limburg € 180.501.450 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 01-01-2026 01-01-2025
Artikel 8.23 — Artikel 8.23#
Artikel 8.23 1 artikel 49e, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg Het bedrag, bedoeld in, bedraagt voor het jaar 2026: € 41.059 miljoen. 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is € 36.337 miljoen bestemd voor zorg in natura, € 4.626 miljoen voor persoonsgebonden budgetten en € 96 miljoen voor overige uitvoeringskosten. Daarbij is rekening gehouden met overhevelingen door de Wlz-uitvoerders tussen de deelkaders tot en met 27 oktober 2025. 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 01-01-2026
Artikel 8.24 — Artikel 8.24#
Artikel 8.24 De bedragen die in 2026 beschikbaar zijn voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten en voor overige uitvoeringskosten zijn voor de hiernavolgende regio’s de achter die regio’s opgenomen bedragen: Persoonsgebonden budgetten Overige uitvoeringskosten Groningen € 148.293.666 € 3.558.519 Friesland € 227.439.168 € 4.176.938 Drenthe € 167.410.531 € 4.176.938 Zwolle € 145.696.579 € 4.176.938 Twente € 161.689.612 € 3.558.519 Apeldoorn, Zutphen e.o. € 85.517.904 € 4.176.938 Midden-IJssel € 34.175.969 € 967.665 Arnhem € 249.537.214 € 3.558.519 Nijmegen € 155.377.359 € 2.351.686 Utrecht € 330.204.962 € 4.176.938 Flevoland € 64.675.076 € 4.176.938 't Gooi € 137.871.852 € 4.176.938 Noord-Holland-Noord € 115.699.727 € 2.351.686 Kennemerland € 69.514.955 € 4.176.938 Zaanstreek/Waterland € 66.182.850 € 4.176.938 Amsterdam € 223.236.422 € 4.176.938 Amstelland/Meerlanden € 40.792.900 € 1.768.262 Zuid-Holland Noord € 96.198.546 € 1.768.262 Haaglanden € 248.234.913 € 2.737.278 Westland Schieland Delfland € 131.392.974 € 1.988.457 Midden-Holland € 58.463.951 € 2.351.686 Rotterdam € 232.818.056 € 4.176.938 Zuid-Hollandse Eilanden € 113.180.120 € 2.737.278 Waardenland € 99.706.253 € 2.351.686 Zeeland € 92.256.070 € 2.737.278 West-Brabant € 191.040.956 € 2.737.278 Midden-Brabant € 150.478.784 € 2.351.686 Noordoost-Brabant € 213.902.876 € 2.351.686 Zuidoost-Brabant € 232.233.037 € 2.737.278 Noord- en Midden-Limburg € 152.293.694 € 2.351.686 Zuid-Limburg € 190.483.023 € 2.737.278 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 2025 39841 24-11-2025 14-11-2025 4271707-1090717-LZ 01-01-2026
Artikel 9.1 — Artikel 9.1#
Artikel 9.1 1 artikel 9, derde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ Echtgenoten van verzekerden die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet met toepassing vanin een instelling verbleven, behouden dat recht na inwerkingtreding van de wet. 2 Artikel 3.1.2, eerste lid, tweede volzin, van de wet is van overeenkomstige toepassing. 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 01-01-2018
Artikel 9.2 — Artikel 9.2#
Artikel 9.2 Artikel 11.1.1, vierde lid, van de wet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geldt slechts voor verzekerden die op de dag voorafgaande aan de intrekking van deop grond van een indicatiebesluit waren aangewezen op een zorgzwaartepakket als bedoeld in het derde lid van dat artikel. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 9.3 — Artikel 9.3#
Artikel 9.3 Vervallen 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 9.3a — Artikel 9.3a#
Artikel 9.3a Vervallen 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 9.3b — Artikel 9.3b#
Artikel 9.3b Vervallen 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 01-01-2018
Artikel 9.3c — Artikel 9.3c#
Artikel 9.3c Vervallen 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 01-01-2018
Artikel 9.3d — Artikel 9.3d#
Artikel 9.3d Vervallen 2022 16877 29-06-2022 21-06-2022 3382194-1030917-LZ 2022 16877 29-06-2022 21-06-2022 3382194-1030917-LZ 01-07-2022
Artikel 9.3e — Artikel 9.3e#
Artikel 9.3e Vervallen 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 2019 70431 27-12-2019 17-12-2019 1622251-199576-LZ 01-01-2020
Artikel 9.4 — Artikel 9.4#
Artikel 9.4 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 13 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ Een verzekerde die onmiddellijk voorafgaande aan de intrekking van devoortgezet verblijf als bedoeld inontving zonder over een indicatie voor een zorgzwaartepakket B GGZ te beschikken, behoudt totdat de met het verblijf gepaard gaande geneeskundige zorg voor hem niet meer medisch noodzakelijk is zijn recht op dat voortgezet verblijf. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 9.5 — Artikel 9.5#
Artikel 9.5 artikel 2.6.15 van de Regeling subsidies AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 3.6.4, derde lid, van het Besluit Een zorgovereenkomst die krachtens, zoals die gold onmiddellijk voorafgaande aan de intrekking van de, door het zorgkantoor of door de Sociale verzekeringsbank is goedgekeurd, geldt als een goedgekeurde zorgovereenkomst op grond van. 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 01-01-2018
Artikel 9.6 — Artikel 9.6#
Artikel 9.6 1 artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d, van de wet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 2.3 van deze regeling De verzekerde die met ingang van 1 januari 2015 recht krijgt op verblijf in een instelling waar de verzekerde met verblijf gepaard gaande behandeling als bedoeld inhad en die onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van dekrachtens dehet individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel had, behoudt het gebruik van dat hulpmiddel totdat krachtenseen mobiliteitshulpmiddel kan worden verstrekt. 2 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Wet langdurige zorg De verzekerde die met ingang van 1 januari 2016 recht krijgt op zorg krachtens de wet en onmiddellijk daaraan voorafgaand krachtens dehet individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel had, behoudt dit hulpmiddel totdat het op grond van dekan worden verstrekt. 2015 11135 22-04-2015 20-04-2015 754997-135560-LZ 2015 11135 22-04-2015 20-04-2015 754997-135560-LZ 23-04-2015 01-01-2015
Artikel 9.7 — Artikel 9.7#
Artikel 9.7 Vervallen 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 01-01-2018
Artikel 9.8 — Artikel 9.8#
Artikel 9.8 1 artikel 11.1.1, eerste lid, van de wet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit bijlage A Het in het indicatiebesluit opgenomen zorgzwaartepakket van de verzekerde, bedoeld inwordt met ingang van de datum waarop deis ingetrokken, met toepassing vanbij deze regeling ambtshalve omgezet in een bij de verzekerde best passende zorgprofiel als bedoeld in. 2 artikel 11.1.1, tweede lid, van de wet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten bijlage F Het in het indicatiebesluit opgenomen zorgzwaartepakket van de verzekerde, bedoeld inwordt met ingang van de datum waarop deis ingetrokken, met toepassing vanbij deze regeling ambtshalve omgezet in een bij de verzekerde best passend zorgprofiel. 3 artikel 11.1.1, derde lid, van de wet Het in het indicatiebesluit opgenomen zorgzwaartepakket van de verzekerde, bedoeld inwordt eerst met ingang van de datum waarop hij in een instelling is gaan verblijven overeenkomstig het tweede lid ambtshalve omgezet in een bij de verzekerde best passend zorgprofiel. 4 Artikel 3.2.5 van het Besluit artikel 3.2 enzijn van overeenkomstige toepassing op de verzekerden, bedoeld in het eerste lid. 5 Artikel 3.2.5 van het Besluit is van overeenkomstige toepassing op de verzekerden, bedoeld in het tweede en derde lid. 6 artikel 9.1.2 van de wet Met betrekking de omzetting, bedoeld in het derde lid, isvan overeenkomstige toepassing. 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 24-07-2015 01-01-2015
Artikel 9.8a — Artikel 9.8a#
Artikel 9.8a 1 artikel 11.1.3, eerste en tweede lid, van de wet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit bijlage F Het in het indicatiebesluit opgenomen zorgzwaartepakket van de verzekerde, bedoeld inwordt met ingang van de datum waarop deis ingetrokken, met toepassing vanbij deze regeling ambtshalve omgezet in een bij de verzekerde best passende zorgprofiel als bedoeld in. 2 Artikel 3.2.5 van het Besluit artikel 3.2 enzijn van overeenkomstige toepassing op de verzekerden, bedoeld in het eerste lid. 3 artikel 9.1.2 van de wet Met betrekking tot de omzetting, bedoeld in het eerste lid, isvan overeenkomstige toepassing. 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 30-09-2016 01-01-2015
Artikel 9.9 — Artikel 9.9#
Artikel 9.9 1 artikel 11.1.1, eerste lid, van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet bijlage F Indien een verzekerde als bedoeld inanders dan met de bedoeling om buiten een instelling te gaan verblijven een herindicatie aanvraagt en het CIZ constateert dat hij niet voldoet aanindiceert het CIZ voor hem één van de zorgprofielen, bedoeld in. 2 artikelen 11.1.1, eerste lid 11.1.2, derde lid 11.1.4 van de wet bijlage F De,, enzijn van overeenkomstige toepassing op een verzekerde voor wie na toepassing van het eerste lid een zorgprofiel als bedoeld inis geïndiceerd. 3 artikel 3.2.4, aanhef en onderdeel b, van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van herziening van het indicatiebesluit op grond vanen het CIZ constateert dat de verzekerde niet voldoet aanen hij zijn recht op zorg met verblijf in een instelling wil behouden. 4 artikel 9.1.2 van de wet Met betrekking tot de herindicatie, bedoeld in het eerste lid, dan wel herziening van het indicatiebesluit, bedoeld in het derde lid, isvan overeenkomstige toepassing. 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 30-09-2016 01-01-2015
Artikel 9.10 — Artikel 9.10#
Artikel 9.10 1 artikel 11.1.1, tweede of derde lid, van de wet artikel 3.2.4, aanhef en onderdeel b, van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet bijlage F Indien een verzekerde als bedoeld intijdens de periode van zijn overgangrecht, een herindicatie aanvraagt, dan wel in geval van herziening van het indicatiebesluit op grond van, en het CIZ constateert dat hij geen behoefte heeft aan permanent toezicht of vierentwintig uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in, indiceert het CIZ hem met toepassing vanbij deze regeling in een bij de verzekerde best passend zorgprofiel. 2 artikel 11.1.1, derde lid, van de wet Het CIZ geeft een besluit tot herindicatie, dan wel herziening van het indicatiebesluit, van een verzekerde als bedoeld ineen geldigheidsduur die de duur van het voor de verzekerde geldende overgangsrecht niet overschrijdt. 3 artikel 9.1.2 van de wet Met betrekking tot de herindicatie, dan wel herziening van het indicatiebesluit, bedoeld in het eerste lid, isvan overeenkomstige toepassing. 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 2016 50899 29-09-2016 19-09-2016 1013765-154757-LZ 30-09-2016 01-01-2015
Artikel 9.11 — Artikel 9.11#
Artikel 9.11 1 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 11.1.1, eerste lid, van de wet artikel 3.2.1, eerste of derde lid, van de wet Artikel 9.8, eerste en vierde lid Een verzekerde die onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van deop grond van een indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket als bedoeld inwaarbij de datum van ingang van dat zorgzwaartepakket ligt na de datum van intrekking van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, wordt met ingang van de datum van ingang van dat zorgzwaartepakket voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een verzekerde als bedoeld in artikel 11.1.1, eerste lid, van de wet ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan., is van overeenkomstige toepassing. 2 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 11.1.1, tweede lid, van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet Artikel 9.8, tweede en vijfde lid Een verzekerde die onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van deop grond van een indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket als bedoeld inwaarbij de datum van ingang van dat zorgzwaartepakket ligt na de datum van intrekking van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, wordt met ingang van de datum van ingang van dat zorgzwaartepakket voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een verzekerde als bedoeld in artikel 11.1.1, tweede lid, van de wet ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan., is van overeenkomstige toepassing. 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 2015 21149 23-07-2015 14-07-2015 24-07-2015 01-01-2015
Artikel 9.12 — Artikel 9.12#
Artikel 9.12 Vervallen 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 01-01-2018
Artikel 9.13 — Artikel 9.13#
Artikel 9.13 artikel 5.22 Voor de verzekerde die op 31 december 2016 een persoonsgebonden budget ontving op grond van de wet en waarvoor het op grond vanzoals dat luidde op 31 december 2016 uit het persoonsgebonden budget te betalen bruto loon of de te betalen vergoeding aan een zorgaanbieder ten hoogste het in het eerste lid van dat artikel genoemde bedrag of tarief bedroeg, blijft dat bedrag of tarief gelden. 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 2017 70510 08-12-2017 01-12-2017 170374-LZ 01-01-2018
Artikel 9.14 — Artikel 9.14#
Artikel 9.14 1 artikel 11.1.3 van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet Een verzekerde als bedoeld indie op 31 december 2014 op grond van een indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket B GGZ en die zorg behorende tot een zorgzwaartepakket VV, VG, LG, ZGaud en ZGvis ontvangt en die niet op 1 januari 2018 op grond van een indicatiebesluit is aangewezen op zorg, kan er voor kiezen met ingang van 1 januari 2018 voor de toepassing van de wet gelijk te worden gesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan. 2 bijlage A F Het CIZ indiceert de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, met toepassing vanofbij deze regeling in een bij hem best passende zorgprofiel. 3 artikel 3.3.1, eerste lid, van de wet In afwijking vanheeft de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, slechts recht op zorg met verblijf in een instelling. 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 01-01-2018
Artikel 9.15 — Artikel 9.15#
Artikel 9.15 1 artikel 11.1.3. van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet Een verzekerde als bedoeld indie op 31 december 2014 op grond van een indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket B GGZ en die zorg behorende tot een zorgzwaartepakket LVG of SGLVG ontvangt en die niet op 1 januari 2018 op grond van een indicatiebesluit is aangewezen op zorg, wordt voor de toepassing van de wet gelijk gesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan. 2 artikel 3.2, eerste lid Het CIZ indiceert de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, met toepassing van bijlage A bij deze regeling in een bij hem best passend profiel waarbij de geldigheidsduur van het indicatiebesluit de totale, op grond van, geldende geldigheidsduur, niet overschrijdt. 3 Artikel 9.14, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 01-01-2018
Artikel 9.16 — Artikel 9.16#
Artikel 9.16 1 artikel 9.14, eerste lid bijlage A F artikel 3.2.4, aanhef en onderdeel b, van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet Indien de verzekerde, bedoeld in, anders dan met de bedoeling om buiten een instelling te gaan verblijven een herindicatie aanvraagt dan wel in geval van herziening van het indicatiebesluit op grond van, en het CIZ constateert dat hij niet voldoet aanindiceert het CIZ voor hem één van de zorgprofielen, bedoeld inofbij deze regeling. 2 artikel 9.15, eerste lid bijlage A artikel 3.2.4, aanhef en onderdeel b, van de wet artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet Indien de verzekerde, bedoeld in, anders dan met de bedoeling om buiten een instelling te gaan verblijven een herindicatie aanvraagt dan wel in geval van herziening van het indicatiebesluit op grond van, en het CIZ constateert dat hij niet voldoet aanindiceert het CIZ voor hem één van de zorgprofielen, bedoeld inbij deze regeling. 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 01-01-2018
Artikel 9.17 — Artikel 9.17#
Artikel 9.17 1 artikel 9.14, eerste lid artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet artikel 3.3.1, eerste lid, van de wet De verzekerde, bedoeld in, die er niet voor kiest met ingang van 1 januari 2018 voor de toepassing van de wet gelijk te worden gesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aanheeft in afwijking vanvanaf 1 januari 2018 slechts recht op zorg met verblijf in een instelling. 2 artikel 3.2.1, eerste lid, van de wet Het eerste lid geldt niet voor de verzekerde van wie het CIZ na inwerkingtreding van deze regeling op aanvraag heeft vastgesteld dat hij voldoet aan. 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 2017 60365 25-10-2017 17-10-2017 1232627-167710-LZ 01-01-2018
Artikel 10.1 — Artikel 10.1#
Artikel 10.1 artikel 21, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 Het bedrag, bedoeld in, bedraagt € 250.000. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.1a — Artikel 10.1a#
Artikel 10.1a 1 artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012 artikel 3.1.1, eerste lid, van de wet Het Zorginstituut verstrekt aan het landelijk politiekorps, bedoeld in, uitkeringen ter vergoeding van de kosten van zorg als bedoeld inverleend door zorgaanbieders aan personen die zijn opgenomen in het stelsel van Bewaken & Beveiligen van het Openbaar Ministerie en aan wie de maatregel anonimiteit is opgelegd. 2 De in het eerste lid bedoelde uitkeringen worden uitsluitend verstrekt op verzoek van het landelijk politiekorps, bedoeld in het eerste lid. 2017 69987 07-12-2017 29-11-2017 1261696-170451-Z 2017 69987 07-12-2017 29-11-2017 1261696-170451-Z 01-01-2018
Artikel 10.2 — Artikel 10.2#
Artikel 10.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling langdurige zorg. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.3 — Artikel 10.3#
Artikel 10.3 1 artikel 2.3, eerste lid, onderdelen b en c Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2015, met uitzondering van, welke in werking treden op 1 januari 2016. 2 artikel 2.3, zesde lid Met ingang van 1 januari 2016 vervalt. 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 2014 36917 24-12-2014 11-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.1#
artikel 2.1
Artikel 8.4#
artikel 8.4
Artikel 5.13#
artikel 5.13
Artikel 5.24#
artikel 5.24
Artikel 9.3d#
artikel 9.3d
Artikel 9.8#
artikelen 9.8, tweede en derde lid
Artikel 9.8a#
9.8a, eerste lid
Artikel 9.9#
9.9, eerste lid
Artikel 9.10#
9.10, eerste lid
Artikel 9.14#
9.14, tweede lid
Artikel 9.16#
9.16, eerste lid
Artikel 9.8#
artikelen 9.8, tweede en derde lid
Artikel 9.8a#
9.8a, eerste lid
Artikel 9.9#
9.9, eerste lid
Artikel 9.10#
9.10, eerste lid
Artikel 9.14#
9.14, tweede lid
Artikel 9.16#
9.16, eerste lid
Artikel 4.8#
artikel 4.8
Artikel 4.3#
artikel 4.3, onderdeel a
Artikel 4.3#
artikel 4.3, onderdeel b
Artikel 4.4#
artikel 4.4, eerste lid, onderdeel a
Artikel 4.4#
artikel 4.4, eerste lid, onderdeel b
Artikel 4.4#
artikel 4.4, eerste lid, onderdeel c
Artikel 4.4#
artikel 4.4, tweede lid, onderdeel a
Artikel 4.4#
artikel 4.4, tweede lid, onderdeel b
Artikel 4.6#
artikel 4.6, onderdeel a
Artikel 4.6#
artikel 4.6, onderdeel b
Artikel 4.6#
artikel 4.6, onderdeel c
Artikel 4.6#
artikel 4.6, onderdeel d