Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 23 april 2015, IENM/BSK-2015/11533, houdende de vaststelling van regels voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen
- BWB-id
- BWBR0036568
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0036568
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/regeling-op-afstand-bestuurde-luchtvaartuigen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/regeling-op-afstand-bestuurde-luchtvaartuigen/2020-12-31
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0036568&g=2020-12-31
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0036568&z=2026-06-06&g=2020-12-31
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0036568/2020-12-31
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/regeling-op-afstand-bestuurde-luchtvaartuigen
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat modelluchtvaartuig: luchtvaartuig, niet in staat een mens te dragen, en uitsluitend gebruikt voor luchtvaartvertoning, recreatie of sport RPA: op afstand bestuurd luchtvaartuig (remotely piloted aircraft), onbemand, niet zijnde een modelluchtvaartuig Wet: Wet luchtvaart 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 31-12-2020 Artikel 15 van Stcrt. 2020/66578 bevat overgangsrecht m.b.t.
deze wijziging.
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart artikel 7, eerste lid, van het Besluit vluchtuitvoering Deze regeling berust mede open. 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 31-12-2020 Artikel 15 van Stcrt. 2020/66578 bevat overgangsrecht m.b.t.
deze wijziging.
Artikel 1b — Artikel 1b Toepassingsbereik#
Artikel 1b Toepassingsbereik Deze regeling is van toepassing op activiteiten als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de basisverordening en op vluchten met een RPAS die worden uitgevoerd op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 31-12-2020 Artikel 15 van Stcrt. 2020/66578 bevat overgangsrecht m.b.t.
deze wijziging.
Artikel 2 — Artikel 2 Bijzondere bevoegdverklaringen voor RPA#
Artikel 2 Bijzondere bevoegdverklaringen voor RPA De Minister kan op aanvraag de volgende bijzondere bevoegdverklaringen afgeven voor de besturing van een RPA waarvan de totale startmassa niet meer dan 150kg bedraagt: a. (unpopulated area) bevoegdverklaring voor werkzaamheden met een RPA anders dan boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, spoorlijnen, in gebruik zijnde autosnelwegen en autowegen, of wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt; b. klassebevoegdverklaring voor vliegtuigen (A), helikopters (H) of andere categorieën (OA) waarvan de totale startmassa 25 kg of minder bedraagt; c. klassebevoegdverklaring voor vliegtuigen (A), helikopters (H) of andere categorieën (OA) waarvan de totale startmassa meer dan 25 kg maar niet meer dan 150 kg bedraagt; 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 3 — Artikel 3 Eisen voor afgifte bewijs van bevoegdheid, algemene bevoegdverklaring en bijzondere bevoegdverklaring#
Artikel 3 Eisen voor afgifte bewijs van bevoegdheid, algemene bevoegdverklaring en bijzondere bevoegdverklaring 1 bijlage 1 Een RPA-L met daarop weergegeven de algemene bevoegdverklaring VLOS of EVLOS wordt afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor het betreffende type operatie benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen inbij deze regeling. 2 artikel 3, zesde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart De algemene bevoegdverklaring FI (RPA), bedoeld in, wordt afgegeven indien de aanvrager: a. houder is van een RPA-L, met daarop weergegeven de algemene bevoegdverklaring(en) en de bijzondere bevoegdverklaring(en) waarvoor onderricht wordt gegeven; en b. ten minste acht uren ervaring heeft als gezagvoerder in de periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag. 3 artikel 2, onderdeel a bijlage 1 De bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in, wordt afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor de in dit artikelonderdeel bedoelde werkzaamheden benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen inbij deze regeling. 4 artikel 2, onderdelen b en c bijlage 1 De klassebevoegdverklaringen, bedoeld in, worden afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor operaties met RPA’s in de betreffende klasse benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen inbij deze regeling. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 4 — Artikel 4 Geldigheidsduur en eisen voor verlenging algemene en bijzondere bevoegdverklaringen#
Artikel 4 Geldigheidsduur en eisen voor verlenging algemene en bijzondere bevoegdverklaringen 1 De geldigheidsduur van de algemene bevoegdverklaring FI (RPA) kan worden verlengd, indien de aanvrager: a. houder is van een RPA-L, met daarop weergegeven de algemene bevoegdverklaring(en) en de bijzondere bevoegdverklaring(en) waarvoor onderricht wordt gegeven; en b. ten minste twaalf uren ervaring heeft als gezagvoerder in de periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag. 2 artikel 2, onderdeel a De geldigheidsduur van de bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in, bedraagt ten hoogste twee jaren en kan vervolgens steeds met twee jaren worden verlengd, indien de aanvrager heeft aangetoond dat hij in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van de aanvraag om verlenging ten minste twee uren per jaar ervaring heeft verkregen met de werkzaamheden waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring vereist is. 3 artikel 2, onderdelen b en c De geldigheidsduur van de bijzondere bevoegdverklaringen, bedoeld in, bedraagt ten hoogste twee jaren en kan vervolgens steeds met twee jaren worden verlengd, indien de aanvrager heeft aangetoond dat hij in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van de aanvraag om verlenging ten minste twee uren per jaar ervaring heeft verkregen met operaties met een RPA in de betreffende klasse. 4 De ervaring, bedoeld in het tweede en derde lid, moet zijn verkregen tijdens ten minste zes vluchten, die op zes verschillende dagen zijn uitgevoerd, waarvan de laatste drie vluchten hebben plaatsgevonden in de periode van negentig dagen onmiddellijk voorafgaande aan de datum van aanvraag. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 5 — Artikel 5 Wederafgifte bijzondere bevoegdverklaring#
Artikel 5 Wederafgifte bijzondere bevoegdverklaring artikel 2 Voor wederafgifte van de bijzondere bevoegdverklaringen, bedoeld in, is vereist dat de aanvrager heeft aangetoond dat hij: a. in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van aanvraag om wederafgifte ten minste twee uren ervaring per jaar heeft verkregen met de werkzaamheden waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring is vereist tijdens ten minste zes vluchten, die op zes verschillende dagen zijn uitgevoerd; en b. de aanvrager een praktijkexamen heeft afgelegd dat de uitvoering bevat van de werkzaamheden waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring is gewenst en dat is uitgevoerd met een luchtvaartuig in de klasse waarvoor de klassebevoegdverklaring is gewenst. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 6 — Artikel 6 Bijhouden logboek#
Artikel 6 Bijhouden logboek bijlage 2 De houder van een RPA-L en de leerling-vlieger houden de gegevens van door hem uitgevoerde vluchten bij in een logboek waarvan het model gelijk is aan het inbij deze regeling opgenomen model. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 7 — Artikel 7 Afgifte speciaal-BvL en geluidverklaring#
Artikel 7 Afgifte speciaal-BvL en geluidverklaring 1 Een speciaal-BvL wordt aangevraagd door indiening bij de minister van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, waarvan exemplaren kosteloos bij de minister zijn te verkrijgen. 2 bijlage 3 Aan de houder van een RPA, waarvan de startmassa niet meer dan 150 kg bedraagt, kan een speciaal-BvL worden afgegeven indien bij de aanvraag een, door een daartoe erkend bedrijf afgegeven, acceptatierapport betreffende de BvL-acceptatiekeuring is overgelegd, waaruit blijkt dat het luchtvaartuig voldoet aan de invan deze regeling opgenomen luchtwaardigheidseisen. 3 bijlage 4 Het model van het speciaal-BvL is opgenomen in de bij deze regeling behorende. 4 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de geluidverklaring. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 8 — Artikel 8 Verlenging speciaal-BvL#
Artikel 8 Verlenging speciaal-BvL 1 Voor het verlengen van de termijn van geldigheid van het speciaal-BvL wordt door de houder een aanvraag ingediend bij de minister door middel van een volledig en ondertekend formulier, waarvan exemplaren kosteloos bij de minister verkrijgbaar zijn. 2 artikel 7, tweede lid De aanvraag wordt vergezeld van een verklaring van de houder waaruit blijkt dat het luchtvaartuig nog steeds voldoet aan de in, bedoelde eisen en is onderhouden overeenkomstig de in artikel 9 bedoelde eisen. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 9 — Artikel 9 Onderhoud#
Artikel 9 Onderhoud bijlage 5 Onderhoud van een Nederlands RPAS geschiedt overeenkomstig de inneergelegde eisen. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 9a — Artikel 9a Buitenlandse RPA’s#
Artikel 9a Buitenlandse RPA’s 1 Dit artikel is van toepassing op RPA’s die geregistreerd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte. 2 artikel 3.21 van de Wet luchtvaart De Minister verleent op grond vanontheffing van het verbod een vlucht uit te voeren met een RPA die niet is voorzien van een geldig bewijs van luchtwaardigheid, indien de RPA voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de in deze paragraaf gestelde eisen wordt nagestreefd. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 10 — Artikel 10 Eisen aan uitvoering van vluchten#
Artikel 10 Eisen aan uitvoering van vluchten 1 De organisatie die vluchten uitvoert met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 150 kg bedraagt beschikt over: a. bijlage 6 een handboek, dat voldoet aan de inopgenomen eisen; b. een speciaal-BvL met betrekking tot de RPA’s waarmee de vlucht wordt uitgevoerd; c. een bewijs van bevoegdheid voor de bestuurders die de in onderdeel b bedoelde RPA’s besturen; en d. een verzekering tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor dood of letsel van derden of andere schade toegebracht aan derden. 2 De organisatie, bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat de Inspectie Leefomgeving en Transport beschikt over de actuele versie van het handboek, bedoeld in het eerste lid. 3 Vluchten met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 150 kg bedraagt worden uitgevoerd met inachtneming van het handboek, bedoeld in het eerste lid. 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 07-10-2017
Artikel 10a — Artikel 10a Eisen aan uitvoering van vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg#
Artikel 10a Eisen aan uitvoering van vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg 1 Dit artikel is van toepassing op VFR-vluchten met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 4 kg bedraagt, die onder de volgende operationele beperkingen worden uitgevoerd: a. de vlucht wordt uitgevoerd tot een afstand van maximaal 100 meter horizontaal van de bestuurder; b. de vlucht wordt uitgevoerd tot een hoogte van maximaal 40 meter (131 ft) boven de grond of het water binnen het deel van het luchtruim waarin laag mag worden gevlogen door civiele of militaire luchtvaartuigen; c. de vlucht wordt uitgevoerd tot een hoogte van maximaal 50 meter (165 ft) boven de grond of het water in ander dan het in onderdeel b bedoelde deel van het luchtruim; d. de vlucht wordt uitgevoerd tot een afstand van minimaal 50 meter horizontaal van mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, in gebruik zijnde autosnelwegen en autowegen, in gebruik zijnde wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt, spoorlijnen, vaartuigen en voertuigen; en e. de vlucht wordt uitgevoerd in luchtruim met klasse G onder de geldende luchtverkeersregels. 2 artikel 10, eerste lid De uitvoering van VFR-vluchten met een RPA als bedoeld in het eerste lid, onder de in dat lid bedoelde beperkingen is ook toegestaan, indien de organisatie die deze vluchten uitvoert, in plaats van over de in, bedoelde documenten, beschikt over: a. artikel 3.5 van de wet een geldig bewijs van inschrijving als bedoeld in; b. een speciaal-BvL dan wel een ontheffing van de verplichting te beschikken over een speciaal-BvL met betrekking tot de RPA’s waarmee de vlucht wordt uitgevoerd; c. een door de minister afgegeven bewijs van bevoegdheid dan wel een ontheffing van de verplichting te beschikken over een bewijs van bevoegdheid voor de bestuurders die de in onderdeel b bedoelde RPA’s besturen; en d. een verzekering tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor dood of letsel van derden of andere schade toegebracht aan derden. 3 Artikel 10, tweede en derde lid , is niet van toepassing op de uitvoering van vluchten met een RPA als bedoeld in het eerste lid, onder de in dat lid bedoelde beperkingen. 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 07-10-2017
Artikel 11 — Artikel 11 Eisen voor afgifte ROC voor vluchten tegen vergoeding#
Artikel 11 Eisen voor afgifte ROC voor vluchten tegen vergoeding 1 artikel 10, eerste lid Een ROC wordt afgegeven indien de aanvrager beschikt over de in, bedoelde documenten, met dien verstande dat het handboek door de minister is goedgekeurd. 2 artikel 10a, eerste lid In afwijking van het eerste lid wordt een ROC voor de uitvoering van vluchten met een RPA als bedoeld in, onder de in dat lid bedoelde beperkingen afgegeven, indien de aanvrager beschikt over de in artikel 10a, tweede lid, bedoelde documenten. 2016 27757 07-06-2016 30-05-2016 IENM/BSK-2016/55217 2016 27757 07-06-2016 30-05-2016 IENM/BSK-2016/55217 01-07-2016
Artikel 12 — Artikel 12 Documenten#
Artikel 12 Documenten artikel 4.8 van de wet De door de gezagvoerder mee te voeren documenten, bedoeld in, zijn: a. artikel 3.5 van de wet het bewijs van inschrijving, bedoeld in; b. artikel 2.1 van de wet het bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, bedoeld in, dan wel de ontheffing van de verplichting om over deze documenten te beschikken; c. artikel 3.8 van de wet het bewijs van luchtwaardigheid, bedoeld in, dan wel de ontheffing van de verplichting om over dit document te beschikken; d. artikel 3.19c van de wet de geluidverklaring, bedoeld in, dan wel de ontheffing van de verplichting om over dit document te beschikken; en e. artikel 2 van het Besluit vluchtuitvoering het ROC, bedoeld in. 2016 27757 07-06-2016 30-05-2016 IENM/BSK-2016/55217 2016 27757 07-06-2016 30-05-2016 IENM/BSK-2016/55217 01-07-2016
Artikel 13 — Artikel 13 Zichtafstand#
Artikel 13 Zichtafstand 1 Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA buiten zichtafstand van de bestuurder of een waarnemer. 2 Onverminderd het eerste lid, is het verboden een VFR-vlucht uit te voeren op een afstand van meer dan 500 meter van de bestuurder of een waarnemer. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 14 — Artikel 14 VFR-vlieghoogte#
Artikel 14 VFR-vlieghoogte 1 Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA hoger dan 120 meter (400 ft) boven de grond of het water. 2 De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent ontheffing van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien de vlucht wordt uitgevoerd voor het verrichten van luchtwerk met betrekking tot een vaartuig, voertuig, gebouw of kunstwerk en deze vlucht op grond van het ROC mag worden uitgevoerd. 3 De minimumvlieghoogtes voor VFR-verkeer, bedoeld in paragraaf SERA.5005 van verordening (EU) nr. 923/2012 zijn niet van toepassing op vluchten met een RPA. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 15 — Artikel 15 Afstand tot mensenmenigten, bebouwing, spoorlijnen of wegen#
Artikel 15 Afstand tot mensenmenigten, bebouwing, spoorlijnen of wegen 1 Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA waarvan de totale massa meer dan 25 kg bedraagt, binnen 150 meter horizontaal van mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing, in gebruik zijnde autosnelwegen, in gebruik zijnde autowegen, of in gebruik zijnde wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt. 2 Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA waarvan de totale massa ten hoogste 25 kg bedraagt, binnen een afstand horizontaal van mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, in gebruik zijnde autosnelwegen en autowegen, in gebruik zijnde wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt, spoorlijnen, voertuigen en vaartuigen: 1° van 25 meter, indien het een RPA in de categorie helikopters (H) betreft; en 2° van 50 meter, indien het een RPA in de categorie vliegtuigen (A) of een andere categorie dan helikopters of vliegtuigen (OA) betreft. 3 In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA waarvan de totale massa meer dan 25 kg bedraagt tot 50 meter horizontaal van industrie- en havengebieden. 4 Onverminderd het eerste lid, is het verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA waarvan de totale massa meer dan 25 kg bedraagt binnen 50 meter horizontaal van vaartuigen, voertuigen, kunstwerken en spoorlijnen. 5 De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent ontheffing van het verbod, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, indien de vlucht wordt uitgevoerd voor het verrichten van luchtwerk met betrekking tot een vaartuig, voertuig, gebouw, kunstwerk, spoorlijn of weg en deze vlucht op grond van het ROC mag worden uitgevoerd. 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 07-10-2017
Artikel 15a — Artikel 15a Voorrangsregels#
Artikel 15a Voorrangsregels Vervallen 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 2020 66578 29-12-2020 21-12-2020 IENW/BSK-2020/247616 31-12-2020 Artikel 15, tweede en derde lid, van Stcrt. 2020/66578 bevat
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 15aa — Artikel 15aa Zichtafstand, VFR-vlieghoogte en afstand tot mensenmenigten, bebouwing, spoorlijnen of wegen voor vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg#
Artikel 15aa Zichtafstand, VFR-vlieghoogte en afstand tot mensenmenigten, bebouwing, spoorlijnen of wegen voor vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg 1 artikel 10, eerste lid artikel 10a, tweede lid artikelen 13 14, eerste lid 15, eerste en derde lid Indien de organisatie die VFR-vluchten uitvoert met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 4 kg bedraagt, in plaats van over de in, bedoelde documenten, beschikt over de in, bedoelde documenten, is het in afwijking van de,, en, verboden de vlucht uit te voeren: a. buiten een afstand van 100 meter horizontaal van de bestuurder; b. artikel 10a, eerste lid, onderdeel b hoger dan 40 meter (131 ft) boven de grond of het water binnen het deel van het luchtruim als bedoeld in; c. hoger dan 50 meter (165 ft) boven de grond of het water in ander dan het in onderdeel b bedoelde deel van het luchtruim; d. binnen een afstand van 50 meter horizontaal van mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, in gebruik zijnde autosnelwegen en autowegen, in gebruik zijnde wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt, spoorlijnen, vaartuigen en voertuigen; en e. in ander luchtruim dan luchtruim met klasse G. 2 artikel 10, eerste lid artikel 10a, tweede lid artikel 2, onderdeel h, van de Regeling modelvliegen Indien de organisatie die VFR-vluchten uitvoert met een RPA als bedoeld in het eerste lid, in plaats van over de in, bedoelde documenten, beschikt over de in, bedoelde documenten, isvan overeenkomstige toepassing op deze vluchten, met dien verstande dat de vluchten plaatsvinden met inachtneming van artikel 15aa, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c. 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 2017 57411 06-10-2017 04-10-2017 IENM/BSK-2017/232479 07-10-2017
Artikel 15b — Artikel 15b Aanwijzing RPA’s#
Artikel 15b Aanwijzing RPA’s artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart RPA’s worden aangewezen als onbemande luchtvaartuigen als bedoeld in, aan boord waarvan zich geen gezagvoerder bevindt. 2015 37711 06-11-2015 21-10-2015 IENM/BSK-2015/161995 2015 37711 06-11-2015 21-10-2015 IENM/BSK-2015/161995 07-11-2015
Artikel 16 — Artikel 16 Beperkingen luchtverkeer binnen plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden#
Artikel 16 Beperkingen luchtverkeer binnen plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden 1 De uitoefening van het luchtverkeer met een RPA is verboden: a. artikel 5 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening in Maastricht CTR, Lelystad CTR 1 en Lelystad CTR 2, Eelde CTR, Rotterdam CTR en het boven Nederlands grondgebied gelegen deel van de Niederrhein CTR, bedoeld in, binnen een afstand van 5.600 meter van het luchthaven referentiepunt b. artikel 5 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening in Schiphol CTR, bedoeld in, met uitzondering van het gebied gelegen binnen een afstand van 3.700 meter van de laterale begrenzing van Schiphol CTR 1 die is opgenomen in de luchtvaartgids, hoofdstuk AD 2. 2 artikel 14 In afwijking vanen onverminderd het eerste lid, is het verboden een VFR-vlucht met een RPA uit te voeren hoger dan 45 meter (150 ft) boven de grond of het water binnen de plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b. 3 Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt niet voor vluchten in Eelde CTR die worden uitgevoerd ten behoeve van experimenten met betrekking tot de integratie van op afstand bestuurde luchtvaartuigen in gecontroleerd luchtruim. 4 Onverminderd het eerste lid, geldt het verbod, bedoeld in het tweede lid, niet voor vluchten die worden uitgevoerd voor het verrichten van luchtwerk met betrekking tot obstakels gelegen in Maastricht CTR, Lelystad CTR 1 en Lelystad CTR 2, Eelde CTR en Rotterdam CTR binnen een straal van 25 meter rond deze obstakels en tot maximaal 5 meter boven het hoogste punt van deze obstakels. 2019 58808 04-11-2019 01-11-2019 IENW/BSK-2019/43699 2019 58808 04-11-2019 01-11-2019 IENW/BSK-2019/43699 07-11-2019
Artikel 16a — Artikel 16a Uitzondering voor vluchten buiten de daglichtperiode#
Artikel 16a Uitzondering voor vluchten buiten de daglichtperiode Artikel 2.2. van de Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014 artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s is van overeenkomstige toepassing op het uitvoeren van een vlucht door de brandweer buiten de daglichtperiode ten behoeve van de taken, bedoeld in, en de opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht, met dien verstande dat wordt voldaan aan het voorschrift dat voor en tijdens het uitvoeren van de vlucht contact wordt onderhouden met de gemeenschappelijke meldkamer, bedoeld inin plaats van aan het voorschrift, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014, 2015 32771 07-10-2015 06-10-2015 IENM/BSK-2015/183403 2015 32771 07-10-2015 06-10-2015 IENM/BSK-2015/183403 08-10-2015
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikelen 13 tot en met 16 Dezijn niet van toepassing op vluchten met militaire RPA’s. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 18 — Artikel 18 Regeling erkenningen luchtwaardigheid 2008 Wijziging#
Artikel 18 Regeling erkenningen luchtwaardigheid 2008 Wijziging Wijzigt de Regeling erkenningen luchtwaardigheid 2008. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 19 — Artikel 19 Regeling modelvliegen Wijziging#
Artikel 19 Regeling modelvliegen Wijziging Wijzigt de Regeling modelvliegen. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 20 — Artikel 20 Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001 Wijziging#
Artikel 20 Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001 Wijziging Wijzigt de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 21 — Artikel 21 Regeling tarieven luchtvaart 2008 Wijziging#
Artikel 21 Regeling tarieven luchtvaart 2008 Wijziging Wijzigt de Regeling tarieven luchtvaart 2008. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 22 — Artikel 22 Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen Wijziging#
Artikel 22 Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen Wijziging Wijzigt de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 23 — Artikel 23 Regeling vluchtuitvoering Wijziging#
Artikel 23 Regeling vluchtuitvoering Wijziging Wijzigt de Regeling vluchtuitvoering. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 24 — Artikel 24 Citeertitel#
Artikel 24 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 25 — Artikel 25 Inwerkingtreding#
Artikel 25 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 2015 12034 30-04-2015 23-04-2015 IENM/BSK-2015/11533 01-07-2015
Artikel 3#
artikel 3
Artikel 6#
artikel 6
Artikel 7#
artikel 7
Artikel 8#
artikel 8, lid 3
Artikel 9#
artikel 9
Artikel 6#
Artikel 6
Artikel 10#
artikel 10
Artikel 11#
artikel 11