Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, houdende regels voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsregeling Wmo 2015)
- BWB-id
- BWBR0036096
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-05-21
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0036096
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/uitvoeringsregeling-wmo-2015
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/uitvoeringsregeling-wmo-2015/2026-05-21
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0036096&g=2026-05-21
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0036096&z=2026-06-06&g=2026-05-21
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0036096/2026-05-21
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2015/uitvoeringsregeling-wmo-2015
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ; Minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Ministers: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie; inspanningsgerichte uitvoeringsvariant: uitvoering van maatschappelijke ondersteuning waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder over de levering van een specifiek product of dienst in een afgesproken eenheid; iWmo: artikel 2.6.7a, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld inbestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties; outputgerichte uitvoeringsvariant: uitvoering van maatschappelijke ondersteuning waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder over het te behalen resultaat; Covid-19: de ziekte veroorzaakt door coronavirus-SARS-CoV-2. 2020 35696 07-07-2020 29-06-2020 1703282-205443-Ppgb 2020 35696 07-07-2020 29-06-2020 1703282-205443-Ppgb 08-07-2020 01-03-2020
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. derde: artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet derde als bedoeld in; b. hulp uit het sociale netwerk: natuurlijk persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij die maatschappelijke ondersteuning beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. 2018 68315 10-12-2018 27-11-2018 1431181-182536-WJZ 2018 68315 10-12-2018 27-11-2018 1431181-182536-WJZ 01-05-2019
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 De cliënt sluit een schriftelijke overeenkomst met iedere derde die hij ten laste van zijn persoonsgebonden budget maatschappelijke ondersteuning laat verlenen, behalve voor zover reeds vervoer van een derde is betrokken of een hulp uit het sociaal netwerk maatschappelijke ondersteuning zal verlenen. 2 Overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid, zijnde een arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst van vervoer, worden opgesteld volgens de meest recente door de Sociale verzekeringsbank vigerende vastgestelde toepasselijke modelovereenkomsten, die beschikbaar waren gesteld ten tijde van het afsluiten van die overeenkomst, en bevatten bovendien ten minste: a. een weergave van de wijze waarop de derde zal voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van de cliënt; b. artikel 2b, vierde lid de verplichting dat een declaratie de vereiste gegevens, bedoeld in, bevat of, indien van toepassing, dat wordt gebruikgemaakt van periodiek maandbetalingen; c. een beding, inhoudende dat de gemeente een vordering heeft op de persoon die ten laste van het persoonsgebonden budget maatschappelijke ondersteuning levert, indien het persoonsgebonden budget naar aanleiding van toerekenbaar handelen van die persoon is ingetrokken of herzien, ter hoogte van het bedrag dat gelijk is aan het door die persoon vanwege dat toerekenbaar handelen ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag; d. Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag indien de uitkering van vakantiebijslag als bedoeld in devan toepassing is, een beding, inhoudende dat in het te betalen bruto loon het vakantiegeld is verdisconteerd. 3 De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van het college en de Sociale verzekeringsbank. 4 Het college kan de goedkeuring slechts geven indien de overeenkomst voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid. 5 artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet De Sociale verzekeringsbank kan haar goedkeuring slechts onthouden wegens strijd met het recht, of in het belang van de uitvoerbaarheid van het persoonsgebonden budget of van het budgetbeheer, bedoeld in. 6 Een wijziging van een goedgekeurde overeenkomst wordt onmiddellijk aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier. 7 Op verzoek van een college kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bepalen dat dat college, voor zover het de goedkeuring van de overeenkomst van cliënten aan wie het college een persoonsgebonden budget verstrekt en het kenbaar maken van een wijziging van die overeenkomst betreft, voor de toepassing van het derde, vijfde en zesde lid in de plaats treedt van de Sociale verzekeringsbank. Indien de vorige zin is toegepast bericht het college de Sociale verzekeringsbank onmiddellijk van wijzigingen als bedoeld in het zesde lid. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020
Artikel 2ab — Artikel 2ab#
Artikel 2ab 1 Indien van toepassing kan een cliënt ten laste van zijn persoonsgebonden budget een hulp uit het sociaal netwerk voor maatschappelijke ondersteuning, die zonder dienstbetrekking wordt verleend, laten betalen: Daartoe draagt hij zorg voor een verklaring. De verklaring wordt ingediend bij de Sociale verzekeringsbank. De Sociale verzekeringsbank stelt onmiddellijk het college daarvan in kennis. a. een tegemoetkoming van maximaal € 141 per kalendermaand; b. een door het college vastgestelde tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding en reiskosten ten behoeve van de hulp. 2 artikel 2b, eerste lid, onderdeel b Een cliënt kan niet een overeenkomst als bedoeld in, en de hiergenoemde verklaring met betrekking tot dezelfde derde, die ten laste van het persoonsgebonden budget betalingen zou ontvangen, indienen. 3 Een verklaring wordt opgesteld volgens het vigerende, door de Sociale verzekeringsbank vastgestelde model en bevat ten minste: a. de naam, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de hulp uit het sociaal netwerk; b. de ingangsdatum vanaf wanneer op verzoek een tegemoetkoming kan worden verstrekt; c. de mededelingen dat de hulp uit het sociaal netwerk zonder dienstbetrekking maatschappelijke ondersteuning zal leveren aan de cliënt en of een bedrag per kalendermaand en of door het college vastgestelde bedragen worden aangevraagd; d. de handtekening van de cliënt, waarmee die cliënt aangeeft dat hij inderdaad jeugdhulp uit het sociaal netwerk zal ontvangen, alsmede de handtekening van de hulp uit het sociaal netwerk. 4 De verklaring, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van het college. 5 Het college kan de goedkeuring slechts geven indien de verklaring voldoet aan de eisen, bedoeld in het derde lid. 6 Een wijziging van een goedgekeurde verklaring wordt onmiddellijk met een formulier aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier. 2018 68315 10-12-2018 27-11-2018 1431181-182536-WJZ 2019 14678 19-03-2019 08-03-2019 1473319-186499-WJZ 2018 68315 10-12-2018 27-11-2018 1431181-182536-WJZ 01-05-2019
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b 1 artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet De Sociale verzekeringsbank voert het budgetbeheer, bedoeld in, uit: a. artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet overeenkomstig de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget, bedoeld in; en b. artikel 2ab artikelen 2a overeenkomstig een door de cliënt met een derde gesloten overeenkomst of verklaring of een verklaring als bedoeld in, die overeenkomstig respectievelijk deof 2ab is goedgekeurd. 2 Zorgverzekeringswet artikel 2ab In het kader van het budgetbeheer draagt de Sociale verzekeringsbank voor zover deze verschuldigd zijn loonbelasting, premies voor de sociale verzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in deaf, tenzij het gaat om tegemoetkomingen als bedoeld in. 3 De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget voor overeengekomen maatschappelijke ondersteuning die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst voor vervoer, uitsluitend aan de derde aan de hand van: a. een declaratie voor geleverde maatschappelijke ondersteuning; b. een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij overeengekomen periodieke maandbetalingen; c. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen maatschappelijke ondersteuning, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020, of, voor zover het sociaal-recreatief vervoer betreft, in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020, als gevolg van de maatregelen in verband met Covid-19, door de desbetreffende derde, niet is verleend; d. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen maatschappelijke ondersteuning, in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021, niet is verleend in verband met: 1°. een besmetting van de budgethouder of desbetreffende derde, werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, met Covid-19; 2°. een noodzakelijke quarantaine van de budgethouder of desbetreffende derde in verband met Covid-19; 3°. een besmetting met Covid-19 op de dagbesteding; 4°. Tijdelijke wet maatregelen covid-19 de door een dagbesteding overeenkomstig de bij of krachtens degenomen maatregelen; 5°. artikel 6.6, tweede lid, onderdelen d en e, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 het niet kunnen verlenen overeenkomstig de maatregelen in verband met Covid-19 vanwege een beperking bij de budgethouder als bedoeld in; of e. een declaratie of overeenkomst, bedoeld in de onderdelen a en b, indien de overeengekomen maatschappelijke ondersteuning, als gevolg van het ontvangen van een vaccinatie voor Covid-19 voor ten hoogste twee uur niet is verleend. 4 Een declaratie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a, c, d en e, bevat: a. de naam van de derde, en 1°. het nummer waarmee de derde staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, of, 2°. indien de derde niet over dat nummer kan beschikken, de geboortedatum of het burgerservicenummer van de derde; b. de naam van de cliënt en zijn adres of burgerservicenummer of klantnummer bij de Sociale verzekeringsbank; c. het tarief; d. Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag een verantwoording van de overeengekomen resultaten dan wel een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien deniet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen; en e. een handtekening van de cliënt of, voor zover van toepassing, diens vertegenwoordiger, indien het een schriftelijke declaratie betreft. 5 artikel 2ab, eerste lid Indien voor de geleverde maatschappelijke ondersteuning een goedgekeurde verklaring bestaat, betaalt de Sociale verzekeringsbank de hulp uit het sociaal netwerk op aanvraag van de cliënt een tegemoetkoming als bedoeld in, uit. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen indien het verzoek is opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar is gesteld. 6 De Sociale verzekeringsbank kan een betaling uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk beëindigen, weigeren of opschorten: a. artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet bij het intrekken of herzien van een beslissing op een of meer van de gronden, bedoeld in; b. indien een declaratie niet voldoet aan de voorwaarden van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of aan de overeenkomst of verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; c. wegens strijd met het recht, waaronder het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst van vervoer, of het belang van de uitvoerbaarheid van het verrichten van de betalingen uit het persoonsgebonden budget door de Sociale verzekeringsbank; d. indien de derde een declaratie niet binnen zes weken na de maand waarin de prestatie is verleend, heeft ingediend bij de cliënt; e. indien de Sociale verzekeringsbank een declaratie niet heeft ontvangen binnen vier weken nadat de cliënt, deze heeft ontvangen; f. indien de Sociale verzekeringsbank een verzoek als bedoeld in het vierde lid, niet heeft ontvangen binnen vier weken na de kalendermaand waarop een verzoek betrekking heeft; g. artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet indien het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in, de Sociale verzekeringsbank daarom verzoekt. 7 De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, binnen dertig dagen na ontvangst van de declaratie of van het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, tenzij de declaratie of het verzoek onjuist of onvolledig is ingediend. Indien een declaratie niet overeenkomstig het vierde lid of vijfde lid is ingediend, en betalingen niet zijn beëindigd, geweigerd of opgeschort, nodigt de Sociale verzekeringsbank de persoon aan wie het persoonsgebonden budget is verleend uit tot herstel van de declaratie of het verzoek. Na herstel wordt de betaling binnen dertig dagen verricht. De Sociale verzekeringsbank weigert de betaling geheel of gedeeltelijk indien de declaratie of het verzoek niet binnen een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn is hersteld. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van een declaratie werkzaamheden verricht als bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen. 8 Sociale verzekeringsbank verricht periodieke maandbetalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, uiterlijk binnen dertig dagen na afloop van de maand waarin de zorg geleverd is. Indien de Sociale verzekeringsbank naar aanleiding van de periodieke maandbetaling werkzaamheden verricht als bedoeld in het tweede lid wordt de termijn, bedoeld in de eerste zin, verlengd met tien dagen. 9 artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet Indien de cliënt in aanvulling op de bij de beschikking, bedoeld intoegekende maatschappelijke ondersteuning aanvullende maatschappelijke ondersteuning heeft gecontracteerd, betaalt de Sociale verzekeringsbank deze indien daartoe voldoende geld is gestort. De Sociale verzekeringsbank stort na de betaling van de aanvullende maatschappelijke ondersteuning binnen redelijke termijn de onbestede gelden terug aan degene die hiervoor het geld heeft gestort. 10 De Sociale verzekeringsbank ondersteunt de cliënt bij zijn werkgeverstaken of opdrachtgeverschap waaronder ten aanzien van arbeidsomstandighedenregelgeving, zaakschade en aansprakelijkheid. 11 De cliënt houdt een administratie bij van het totaal aan niet-geleverde ondersteuning per derde aan wie betalingen zijn verricht op grond van het derde lid, onderdelen c, d en e. Deze administratie bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. de naam van de derde; b. het overeengekomen tarief; en c. Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag een overzicht van het aantal te betalen uren en dagdelen of, indien deniet van toepassing is op de verbintenis waarvoor een vergoeding wordt uitbetaald, etmalen. 12 De cliënt bedoeld in het elfde lid, verstrekt op verzoek van het college voor elke derde het op grond van het derde lid, onderdelen c, d en e, totaal aantal betaalde uren inclusief het bijbehorende totaalbedrag door middel van een daartoe beschikbaar gesteld formulier aan de Sociale verzekeringsbank. 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 2023 32327 27-11-2023 17-11-2023 3720318-1056421-LZ 01-01-2024
Artikel 2c — Artikel 2c#
Artikel 2c 1 artikel 2b, eerste lid, aanhef en onderdeel b In afwijking van, en het vierde en vijfde lid van dat artikel, kan de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks aan de cliënt, betalen: a. door die cliënt gemaakte vervoerskosten; of b. een verantwoordingsvrij bedrag voor maatschappelijke ondersteuning. 2 artikel 2b, tweede, vierde lid, en zesde lid, onderdelen d en e artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet In afwijking van, ontvangt de Sociale verzekeringsbank een verzoek om een verantwoordingsvrij bedrag voor maatschappelijke ondersteuning voor het eindigen van de beschikking, bedoeld in, van de cliënt. 3 De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen, indien de declaratie voor vervoerskosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Sociale verzekeringsbank daartoe beschikbaar is gesteld 2018 68315 10-12-2018 27-11-2018 1431181-182536-WJZ 2019 14678 19-03-2019 08-03-2019 1473319-186499-WJZ 2018 68315 10-12-2018 27-11-2018 1431181-182536-WJZ 01-05-2019
Artikel 2d — Artikel 2d#
Artikel 2d artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet De cliënt doet aan de Sociale verzekeringsbank op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van gegevens waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het budgetbeheer, bedoeld in, of het uitvoeren van betalingen ten laste van het persoonsgebonden budget. 2018 33341 15-06-2018 11-06-2018 1333677-176028-WJZ 2018 33341 15-06-2018 11-06-2018 1333677-176028-WJZ 18-06-2018
Artikel 2e — Artikel 2e#
Artikel 2e 1 In het belang van een gecoördineerde uitvoering van het persoonsgebonden budget ondersteunt de Sociale verzekeringsbank het college bij de uitoefening van diens taken als de verstrekker van dat budget. 2 De Sociale verzekeringsbank en het college werken samen aan de digitalisering en standaardisering van de uitvoering van het persoonsgebonden budget. 2018 33341 15-06-2018 11-06-2018 1333677-176028-WJZ 2018 33341 15-06-2018 11-06-2018 1333677-176028-WJZ 18-06-2018
Artikel 2f — Artikel 2f#
Artikel 2f artikel 2.1.4b, eerste lid, van de wet De gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de inning, bedoeld in, worden door het college uiterlijk binnen één maand na de dag waarop de voorziening is verstrekt of, indien de leveringsvorm een persoonsgebonden budget betreft, uiterlijk binnen vier maanden na de ingangsdatum van de toekenning van dat budget door het college, aan het CAK verstrekt. 2019 61945 14-11-2019 07-11-2019 1606399-197872-DMO 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A,
Wijzigingswet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, enz.
(bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en beoordeling voor
verstrekking maatwerkvoorziening), in werking treedt.
Artikel 2g — Artikel 2g#
Artikel 2g 1 Indien de gegevens door het college onjuist of onvolledig zijn ingediend bij het CAK, stuurt het CAK zo spoedig mogelijk na indiening een uitnodiging tot herstel aan het college. 2 Het college dient zo spoedig na ontvangst van de uitnodiging, bedoeld in het eerste lid, het herstelde bericht bij het CAK in. 2019 61945 14-11-2019 07-11-2019 1606399-197872-DMO 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A,
Wijzigingswet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, enz.
(bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en beoordeling voor
verstrekking maatwerkvoorziening), in werking treedt.
Artikel 2h — Artikel 2h#
Artikel 2h 1 Ten behoeve van de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor beschermd wonen, vergelijken het college en het CAK ten minste elke twee maanden hun administraties houdende de gegevens van de cliënten die noodzakelijk zijn voor de juiste uitvoering van hun taken. 2 Indien naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde vergelijking blijkt dat sprake is van onvolledige of onjuiste gegevens in de administraties, corrigeert het CAK of het college zo spoedig mogelijk na die vergelijking de gegevens in hun administratie. 2019 61945 14-11-2019 07-11-2019 1606399-197872-DMO 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A,
Wijzigingswet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, enz.
(bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en beoordeling voor
verstrekking maatwerkvoorziening), in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 5.2.9, zesde lid, van de wet De gegevensverwerking, bedoeld in, voldoet aan NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 of is aan deze normen gelijkwaardig. 2015 7675 23-03-2015 13-03-2015 704957-131583-WJZ 2015 7675 23-03-2015 13-03-2015 704957-131583-WJZ 24-03-2015 01-01-2015
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: afnemer: artikel 3a.1.1, tweede lid, van de wet te ondersteunen persoon of personen, bedoeld in; tolk: artikel 3a.1.1 van de wet tolk Nederlandse Gebarentaal of schrijftolk die tolkdiensten verleent ten laste van het UWV op grond van; tolkdienst: artikel 3a.1.1 van de wet tolkdienst van een tolk Nederlandse Gebarentaal of schrijftolk die deze diensten verleent ten laste van het UWV op grond van; tolk op afstand: tolk die zijn tolkdiensten verricht vanuit een andere locatie, niet zijnde de locatie waar de afnemer zich bevindt. 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 01-07-2019
Artikel 3b — Artikel 3b#
Artikel 3b 1 Het UWV draagt zorg voor continue bereikbaarheid om een afnemer te bemiddelen naar tolken in geval van spoed. 2 artikel 4a.1.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Het UWV kent in ieder geval 30 uren aan tolkdiensten toe aan een afnemer per jaar. Indien de afnemer zowel auditief als visueel beperkt is, kent het UWV in ieder geval 168 uur aan deze tolkdiensten toe per jaar. Dit laat de aanvullende uren die zijn toegekend op grond van, onverlet. 3 Indien de dienstverlening door een tolk op afstand wordt verricht, wordt voor 3 uren dienstverlening door een tolk op afstand slechts 1 uur tolkdienstverlening in mindering gebracht op de toegekende vaste beschikbare uren, genoemd in het tweede lid. Indien in totaal meer dan 15 uren dienstverlening van een tolk op afstand wordt afgenomen, wordt voor 1 uur dienstverlening 1 uur in mindering gebracht op het aantal toegekende vaste beschikbare uren, genoemd in het tweede lid, voor de afnemer. 4 Dienstverlening van maximaal twee tolken voor één afnemer wordt alleen vergoed in situaties waar langer dan 2 uren onafgebroken getolkt dient te worden, waarbij vooraf vaststaat dat het achtereenvolgens inzetten van verschillende tolken niet mogelijk is. 5 Voor de dienstverlening, bedoeld in het vierde lid, van twee tolken wordt 1 uur in mindering gebracht op de toegekende vaste beschikbare uren voor de afnemer, genoemd in het tweede lid. 6 Het UWV vergoedt de werktijd van de betrokken tolk tijdens pauzes van de afnemer. 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 01-07-2019
Artikel 3c — Artikel 3c#
Artikel 3c artikel 4a.1.1 van het Uitvoeringsbesluit Bij de aanvraag legt de persoon alle documenten die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag op grond van, waaronder in ieder geval informatie over de aard van de opdracht indien twee tolken tegelijkertijd voor één afnemer zouden tolken. 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 01-07-2019
Artikel 3d — Artikel 3d#
Artikel 3d Een declaratie van een vergoeding bevat een handtekening of een elektronische handtekening van de afnemer. 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 01-07-2019
Artikel 3e — Artikel 3e#
Artikel 3e 1 De vergoeding voor tolkdiensten bedraagt ten hoogste € 60,75 (exclusief btw) per uur per tolk of, indien de dienstverlening geen hele uren beslaat, een bedrag naar rato van dat uur afgerond op vijftien minuten. Voor tolk op afstand mag 130% van dit tarief in rekening worden gebracht. 2 Voor het verlenen van tolkdiensten wordt in geval van de hieronder vermelde buitengewone werktijden, de uurvergoeding vastgesteld op het daarbij aangegeven percentage van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid: Maandag t/m vrijdag • 0:00 uur tot 6.00 uur: 145% • 6.00 uur tot 8.00 uur: 120% • 18.00 uur tot 22.00 uur: 120% • 22.00 uur tot 24.00 uur: 145% Zaterdag • 0:00 uur tot 6.00 uur: 145% • 6.00 uur tot 22.00 uur: 140% • 22.00 uur tot 24.00 uur: 145% Zondag of algemeen erkende feestdag • 0.00 uur tot 24.00 uur: 155% 3 artikel 3b vijfde lid Met uitzondering van de situatie, bedoeld in, wordt voor toepassingen voor groepen van afnemers afgeweken van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, en wordt door het UWV een passende vergoeding verstrekt. 4 Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd met het percentage waarmee het indexcijfer van de Cao-lonen in de gezondheids- en welzijnszorg over de maand september, die daaraan voorafgaat, afwijkt van het indexcijfer waarop de laatste vaststelling van het bedrag is gebaseerd en door de voorzitter van de Raad van Bestuur van UWV openbaargemaakt. 2021 48115 06-12-2021 23-11-2021 3281072-1018972-DMO 2021 48115 06-12-2021 23-11-2021 3281072-1018972-DMO 01-01-2022
Artikel 3f — Artikel 3f#
Artikel 3f 1 Het UWV verstrekt een vergoeding voor vervoerskosten van € 0,70 per gereden kilometer aan een tolk op basis van het aantal werkelijk gereisde kilometers. Dit aantal wordt bepaald aan de hand van ‘de snelste route’ op basis van de routeplanner die door het UWV wordt gehanteerd, op basis van volledige postcodes en per enkele reis. Voor de vervoersvergoeding geldt een maximum van 60 kilometer per enkele reis, met uitzondering van personen, die zowel een auditief als visuele beperking hebben. De gereisde afstand wordt naar boven afgerond op hele kilometers. 2 Indien een tolkdienst wordt toegekend aan een afnemer die zowel een auditief als visuele beperking heeft, geldt het maximum aantal kilometers per enkele gemaakte reis als bedoeld in het eerste lid niet. 3 In afwijking van het eerste lid worden voor onderstaande postcodegebieden een maximum enkele reisafstand van 90 kilometer vergoed: Voor schrijftolken gelden eveneens de volgende aanvullende postcodegebieden: • 1790 tot en met 1799 • 4300 tot en met 4699 • 5900 tot en met 6499 • 7800 tot en met 7899 • 8400 tot en met 9999. • 1600 tot en met 1699 • 1700 tot en met 1789 • 7500 tot en met 7799 • 7900 tot en met 7999 • 8300 tot en met 8399. 4 Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex over de maand september die aan het betreffende kalenderjaar voorafgaat. De voorzitter van de Raad van Bestuur van UWV maakt de consumentenprijsindex openbaar. 2021 48115 06-12-2021 23-11-2021 3281072-1018972-DMO 2021 48115 06-12-2021 23-11-2021 3281072-1018972-DMO 01-01-2022
Artikel 3g — Artikel 3g#
Artikel 3g 1 artikel 3a.1.1 van de wet artikel 3b, tweede lid In het geval dat degene die krachtenseen vergoeding van het UWV wenst voor tolkdiensten minder dan 24 uur voor het tijdstip van aanvang van de dienstverlening annuleert, telt het aantal verzochte uren mee voor de urennorm, bedoeld in. 2 artikel 3e, eerste lid artikel 3f, eerste lid Bij een annulering als bedoeld in het eerste lid mag 50% van het tarief overeenkomstig, in rekening worden gebracht bij het UWV door de tolk of tolk op afstand. Bij een annulering bij de locatie van de persoon geldt eveneens een vergoeding voor de vervoerskosten van 50% van de vervoersvergoeding, bedoeld in. 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 01-07-2019
Artikel 3h — Artikel 3h#
Artikel 3h 1 artikel 3a.3.1 van de wet artikel 35 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Het UWV biedt jaarlijks vóór 15 maart het gedeelte van het bestuursverslag dat betrekking heeft op de uitvoering van, met het gedeelte van de jaarrekening dat daarop betrekking heeft aan de Minister aan. De verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in, bevat een afzonderlijke verklaring over het gedeelte dat betrekking heeft op de uitvoering van dit besluit. 2 artikel 49, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie De tussentijdse verslagen die het UWV opstelt op grond vanbevatten tevens een gedeelte over de uitvoering van dit besluit, welk gedeelte door het UWV wordt aangeboden aan de Minister. 3 Het UWV biedt het gedeelte van de verslagen, bedoeld in het tweede lid, vóór 15 juni en 15 oktober aan. 4 artikel 3a.1.1 van de wet Het UWV neemt in het gedeelte van het bestuursverslag met jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, ten minste een verslag van de werkzaamheden en het gevoerde beleid met betrekking tot de voorzieningen, bedoeld in, op en tevens een toelichting op het gedeelte van de jaarrekening en de balans dat betrekking heeft op de uitvoering van dit besluit. 5 artikel 3a.1.1 van de wet De gedeelten van de tussentijdse verslagen, bedoeld in het tweede lid, geven, ten minste inzicht in de gerealiseerde uitgaven op grond van, ten opzichte van de voor deze doeleinden verstrekte voorschotten. 2021 48115 06-12-2021 23-11-2021 3281072-1018972-DMO 2021 48115 06-12-2021 23-11-2021 3281072-1018972-DMO 01-01-2022
Artikel 3i — Artikel 3i#
Artikel 3i 1 Het UWV dient jaarlijks vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarin de kosten zullen worden gemaakt de aanvraag om een voorschot aan de Minister in. 2 artikel 3a.3.1 van de wet De aanvraag om een voorschot kan betrekking hebben op de kosten, bedoeld in. 3 e De Minister stelt de hoogte van het voorschot vast en verstrekt met ingang van het begrotingsjaar waarop het voorschot betrekking heeft maandelijks voor de 11van de maand een twaalfde deel van het vastgestelde voorschot. 4 De Minister kan, op verzoek van het UWV, de bevoorschotting aanpassen in de loop van een kalenderjaar. 5 artikel 3a.3.1 van de wet De Minister stelt binnen acht weken na ontvangst van het gedeelte van het bestuursverslag en de jaarrekening dat betrekking heeft op de uitvoering vande eindafrekening vast. 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 2019 36152 28-06-2019 24-06-2019 01-07-2019
Artikel 3j — Artikel 3j#
Artikel 3j 1 artikel 2.6.7a, eerste lid, onderdeel a, van de wet Bij de bekostiging van aanbieders, bedoeld inkan het college gebruik maken van een: a. inspanningsgerichte uitvoeringsvariant, of b. outputgerichte uitvoeringsvariant. 2 artikel 2.6.7a, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet Bij gebruik van de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant of de outputgerichte uitvoeringsvariant draagt het college ten aanzien van de financieringswijzen en administratieve processen en de wijze van gegevensuitwisseling, bedoeld inzorg voor de toepassing van de iWmo. 3 Toepassing van de iWmo houdt in ieder geval in dat er overeenkomstig de iWmo elektronisch berichtenverkeer is tussen gemeenten en de in het eerste lid bedoelde aanbieders bij het toewijzen, factureren en declareren, en leveren van producten, diensten of resultaten. 2019 41519 25-07-2019 18-07-2019 1483284-187122-WJZ 2019 41519 25-07-2019 18-07-2019 1483284-187122-WJZ 26-07-2019
Artikel 3k — Artikel 3k#
Artikel 3k Indien de iWmo worden gewijzigd, wordt de wijziging van kracht vanaf het moment waarop deze openbaar is gemaakt door het Zorginstituut. 2019 41519 25-07-2019 18-07-2019 1483284-187122-WJZ 2019 41519 25-07-2019 18-07-2019 1483284-187122-WJZ 26-07-2019
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Een Veilig Thuis-organisatie stelt een jaarrekening als bedoeld inop waarin de eigen financiële gegevens zijn opgenomen en de gegevens, bedoeld in, zijn bijgevoegd. 2 Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek afdelingen 1 11 12 Op de jaarverslaggeving van een Veilig Thuis-organisatie isvan overeenkomstige toepassing met uitzondering van de,envoor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald. 3 Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek In afwijking van of in aanvulling op: a. wordt de jaarverslaggeving ingericht overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder hoofdstuk 640; b. wordt de jaarverslaggeving opgesteld en gepubliceerd in de Nederlandse taal en in de in Nederland wettige valuta; c. is het verslagjaar altijd gelijk aan een kalenderjaar; d. artikel 395a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan een Veilig Thuis-organisatie dat op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen, genoemd in, volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in; e. artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan een Veilig Thuis-organisatie dat op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen genoemd in, volstaan met een beoordelingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in. 2021 4135 29-01-2021 21-01-2021 1785061-214584-DMO 2021 4135 29-01-2021 21-01-2021 1785061-214584-DMO 30-01-2021
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 4.2.10 van de wet Een Veilig Thuis-organisatie stelt de jaarverslaggeving en een jaardocument op dat ten minste een verantwoordingsdocument, het verslag, bedoeld inen andere informatie die wordt verstrekt op grond van het model, bedoeld in het derde lid, bevat. 2 Wet gemeenschappelijke regelingen De jaarverslaggeving en het jaardocument worden ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt uiterlijk voor 1 juni of, indien de jaarverslaggeving en het jaardocument betrekking hebben op een Veilig Thuis-organisatie dat valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de, voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop zij betrekking hebben. In afwijking van de eerste zin worden de jaarverslaggeving en het jaardocument over de verslagjaren 2019 of 2020 ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt uiterlijk voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021. 3 De jaarverslaggeving en het jaardocument worden opgesteld met gebruikmaking van het model te verkrijgen via de website www.jaarverslagenzorg.nl. 4 De Minister stelt jaarlijks uiterlijk voor 1 oktober na overleg met betrokken partijen het model voor het volgende verslagjaar vast en kan dit model tussentijds herzien. 5 artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wet normering topinkomens De gegevens, bedoeld in, over de verslagjaren 2019 of 2020 worden uiterlijk voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021 openbaar gemaakt. 2021 29409 08-06-2021 04-06-2021 2360327-1008362-J 2021 29409 08-06-2021 04-06-2021 2360327-1008362-J 09-06-2021
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 5 Wet gemeenschappelijke regelingen De jaarverslaggeving en het jaardocument, bedoeld in, worden in elektronische vorm bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg ingediend voor 1 juni van het jaar volgend op het verslagjaar, dan wel uiterlijk voor 15 juli van dat jaar, indien zij betrekking hebben op een Veilig Thuis-organisatie dat valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de. In afwijking van de eerste zin worden de jaarverslaggeving en het jaardocument over de verslagjaren 2019 of 2020 ingediend voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021. 2 De Minister kan een Veilig Thuis-organisatie uitstel van indiening verlenen op een gemotiveerd verzoek, dat uiterlijk acht weken vóór het verstrijken van de in het eerste lid genoemde toepasselijke termijn moet zijn ingediend. 2021 29409 08-06-2021 04-06-2021 2360327-1008362-J 2021 29409 08-06-2021 04-06-2021 2360327-1008362-J 09-06-2021
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a artikelen 4 tot en met 6 artikel 40b van de Wet marktordening gezondheidszorg Regeling openbare jaarverantwoording WMG In afwijking van deis op de jaarverslaggeving van een Veilig Thuis-organisatie die tevens een zorgaanbieder is waaropvan toepassing is, devan overeenkomstige toepassing. 2021 42397 29-09-2021 21-09-2021 3255145-1015194-PZo 2021 42397 29-09-2021 21-09-2021 3255145-1015194-PZo 01-01-2022
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikel 4.3.2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit bijlage A Een Veilig Thuis-organisatie verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek structureel de gegevens, bedoeld in, op de wijze beschreven inbij deze regeling. 2021 4135 29-01-2021 21-01-2021 1785061-214584-DMO 2021 4135 29-01-2021 21-01-2021 1785061-214584-DMO 30-01-2021
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet Een onderzoek als bedoeld in, bestaat mede uit een ervaringsonderzoek ten minste onder personen voor wie een onderzoek is uitgevoerd als bedoeld inof hen die gebruik maken van een voorziening. 2 Voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een vragenlijst die ten minste ingaat op hoe personen als bedoeld in het eerste lid indien toepasbaar: a. de toegankelijkheid van voorzieningen ervaren; b. de kwaliteit van de ondersteuning ervaren; of c. de ondersteuning vinden bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie. 3 Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan door middel van een representatieve steekproef worden uitgevoerd. 2014 36807 23-12-2014 12-12-2014 2014 36807 23-12-2014 12-12-2014 01-01-2015
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit Van de vermogensgrondslag, bedoeld in, wordt het volgende vermogensbestanddeel afgetrokken: a. het bedrag van een schadevergoeding voor letselschade waarvan de hoogte is vastgelegd in een overeenkomst of rechterlijke uitspraak; b. artikelen 9bis 9quater van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen het bedrag van een uitkering als bedoeld in deen; c. artikel 9ter van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen het bedrag van een uitkering als bedoeld in; d. een uitkering van kindgebonden budget met betrekking tot de berekeningsjaren 2013 tot en met 2017 door de Dienst Toeslagen in het kader van de herstelactie kindgebonden budget. 2 artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel d, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in, bedraagt een jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen. 3 artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in, bedraagt tien jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen. 4 artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in, bedraagt drie jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen. 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 21-05-2026 01-01-2026
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit Ingevolgewordt in verband met zak- en kleedgeld in mindering gebracht: a. voor de ongehuwde cliënt: € 4.925; b. voor de gehuwde cliënten tezamen: € 7.661. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit Ingevolgeworden in verband met de premie zorgverzekering in mindering gebracht: a. voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: € 1.987 vermeerderd met 5,32% van het inkomen, met dien verstande dat minimaal € 3.029,45 en maximaal € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; b. artikel 43 van de Zorgverzekeringswet voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: € 1.987, vermeerderd met 5,32% van het bijdrage-inkomen, bedoeld in, met dien verstande dat maximaal € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; c. voor de gehuwde cliënten die beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt: voor ieder van de gehuwde cliënten € 1.987 vermeerderd met 5,32% van het inkomen van die gehuwde cliënt, met dien verstande dat voor ieder van de gehuwde cliënten minimaal € 2.697,37 en maximaal € 5.797,61 in mindering wordt gebracht; d. voor de gehuwde cliënten die beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt wordt de aftrek voor ieder van de gehuwde cliënten overeenkomstig onderdeel b berekend en geldt voor ieder van de gehuwde cliënten het daarin genoemde maximumbedrag; e. voor de gehuwde cliënten wordt de aftrek voor de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, berekend overeenkomstig de in onderdeel b geregelde berekeningswijze en geldt het daarbij genoemde maximumbedrag; f. voor de gehuwde cliënten wordt de aftrek voor de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt berekend overeenkomstig de in onderdeel c geregelde berekeningswijze en geldt het daarbij genoemde maximum- en minimumbedrag. 2 Indien de cliënt op 1 januari van het peiljaar aanspraak had op een zorgtoeslag, wordt op de aftrek, bedoeld in het eerste lid, in mindering gebracht: a. voor de cliënt die ongehuwd is: een bedrag van € 1.483, met dien verstande dat als zijn inkomen € 26.820 of meer bedraagt dit bedrag wordt verminderd met 13,67% van het verschil tussen zijn inkomen en € 26.820; b. voor de cliënten die gehuwd zijn: een bedrag van € 2.833 met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen € 26.820 of meer bedraagt dit bedrag wordt verminderd met 13,67% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 26.820. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit Ingevolgewordt in mindering gebracht: a. voor de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: € 2.315; b. voor de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: € 1.294. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit artikelen 10 tot en met 12 Voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt, indien het op grond van, na toepassing van de, berekende bedrag, meer bedraagt dan € 11.830, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag. 2 artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit artikelen 10 tot en met 12 Voor de gehuwde cliënten die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, wordt, indien het op grond van, na toepassing van de, berekende bedrag voor hen tezamen, meer bedraagt dan € 13.894, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag. 3 artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit artikelen 10 tot en met 12 Voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt, indien het op grond van, na toepassing van de, berekende bedrag, meer bedraagt dan € 9.406, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag. 4 artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit artikelen 10 tot en met 12 Voor de gehuwde cliënten die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, wordt, indien het op grond van, na toepassing van de, berekende bedrag voor hen tezamen, meer bedraagt dan € 18.950, als extra vrijlating in mindering gebracht 25% van het verschil tussen het berekende bedrag en laatstbedoeld bedrag. 5 Het tweede lid is van toepassing indien een van beide gehuwde cliënten de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a artikel 3.7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit bijlage B De bedragen, bedoeld in, voor zover vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, zijn de invan deze regeling opgenomen bedragen. 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 2026 18071 20-05-2026 11-05-2026 4357395-1094955-Z 21-05-2026 01-01-2026
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Wijzigt de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg- en welzijnssector. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 13.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Wijzigt de Regeling Halt 2013. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 14.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Wijzigt de Regeling kwaliteitsjaarverslag zorginstellingen 2010. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 15.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Wijzigt de Subsidieregeling donatie bij leven. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 16.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 17.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Wijzigt de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 18.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Artikel 2, tweede tot en met vierde lid artikel 8.3, derde lid, van de wet , is niet van toepassing op het verrichten van betalingen uit het persoonsgebonden budget voor een verzekerde als bedoeld in, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit of uiterlijk tot 1 januari 2016. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 19.
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a artikel 3j, tweede lid In afwijking van, hoeven de iWmo niet te worden toegepast bij de uitvoering van contracten die door de contractspartijen zijn ondertekend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, behalve voor zover: a. deze contracten volgens de gezamenlijke contractspartijen ruimte laten voor toepassing daarvan, of b. deze contracten na de inwerkingtreding van deze regeling worden gewijzigd. 2019 41519 25-07-2019 18-07-2019 1483284-187122-WJZ 2019 41519 25-07-2019 18-07-2019 1483284-187122-WJZ 26-07-2019
Artikel 19b — Artikel 19b#
Artikel 19b Artikel 6a , zoals dat artikel luidde op 31 december 2021, blijft van toepassing op de jaarverslaggeving over verslagjaar 2020. 2021 42397 29-09-2021 21-09-2021 3255145-1015194-PZo 2021 42397 29-09-2021 21-09-2021 3255145-1015194-PZo 01-01-2022
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 20.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Wmo 2015. 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 2019 36799 05-07-2019 27-06-2019 1523562-190071-Z 01-01-2020 Voorheen art. 21.
Artikel 7#
artikel 7
Artikel 7#
artikel 7
Artikel 13a#
artikel 13a
Artikel 10#
artikel 10, onderdeel a
Artikel 10#
artikel 10, onderdeel b
Artikel 11#
artikel 11, eerste lid, onderdeel a
Artikel 11#
artikel 11, eerste lid, onderdeel b
Artikel 11#
artikel 11, eerste lid, onderdeel c
Artikel 11#
artikel 11, tweede lid, onderdeel a
Artikel 11#
artikel 11, tweede lid, onderdeel b
Artikel 13#
artikel 13, eerste lid
Artikel 13#
artikel 13, tweede lid
Artikel 13#
artikel 13, derde lid
Artikel 13#
artikel 13, vierde lid