Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 september 2016, nr. IENM/BSK-2016/152520, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van initiatieven die bijdragen aan het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen (Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector)
- BWB-id
- BWBR0038539
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2021-09-18 t/m 2021-09-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0038539
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2016/subsidieregeling-versterking-omgevingsveiligheid-industri-le
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2016/subsidieregeling-versterking-omgevingsveiligheid-industri-le/2021-09-18
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0038539&g=2021-09-18
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0038539&z=2026-06-06&g=2021-09-18
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0038539/2021-09-18
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2016/subsidieregeling-versterking-omgevingsveiligheid-industri-le
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: branche: groep ondernemingen die soortgelijke activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen; brancheorganisatie: organisatie met rechtspersoonlijkheid die de belangen van de branche behartigt; branchesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen uit dezelfde branche; cluster: groep ondernemingen gevestigd op eenzelfde locatie; clustersamenwerkingsverband: locatiegericht samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen die activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen; grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2 onderdeel 24 van de algemene groepsvrijstelling verordening; kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M ; keten: twee of meer ondernemingen in een toe- of afleveringsketen die activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen verrichten; ketensamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen in een keten; kmo: kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat; omgevingsdienst: artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsdienst als bedoeld in; omgevingsveiligheid: veiligheidssituatie in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; project a: project inzake proces- en organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96 en 97, en artikel 29, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot een toepassing van een nieuwe organisatiemethode danwel een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode; project b: project inzake opleiding als bedoeld in artikel 31, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot kennisoverdracht; project c: project inzake milieustudies als bedoeld artikel 49, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot het in beeld krijgen van de investeringen die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming en in dit geval omgevingsveiligheid te bereiken; project d: project inzake advies voor een kmo als bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij extern advies wordt gevraagd voor de versterking van de interne veiligheidscultuur of de interne borging van de veiligheid van de kmo; projectdeelnemers: een of meer deelnemers aan een project die activiteiten uitvoeren binnen dat project en daarmee aanspraak maken op subsidie; veiligheidsregio: artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s veiligheidsregio als bedoeld in. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 2 — Artikel 2 Doel van de regeling#
Artikel 2 Doel van de regeling Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van initiatieven die voldoende bijdragen aan blijvende versterking van de omgevingsveiligheid in Nederland ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 3 — Artikel 3 Verstrekken van subsidie#
Artikel 3 Verstrekken van subsidie artikel 2 De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die beogen het ingenoemde doel te bereiken en die betrekking hebben op een of meer van de volgende thema’s: a. veiligheidscultuur; b. ketenverantwoordelijkheid; c. duurzaam assetmanagement; d. transparante sector; e. veilige bedrijventerreinen en veilige clusters; f. hoogwaardige kennis. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 4 — Artikel 4 Subsidieplafond en wijze van verdelen#
Artikel 4 Subsidieplafond en wijze van verdelen 1 Het subsidieplafond voor project a, project b en project c bedraagt in 2019 € 1.800.000,–. 2 Het subsidieplafond voor project d bedraagt in 2019 € 200.000,–. 3 De Minister stelt de subsidieplafonds voor de daaropvolgende jaren vast en maakt die bekend in de Staatscourant voor aanvang van het tijdvak waarvoor ze worden vastgesteld. 4 De verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 5 Indien één van de subsidieplafonds, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet volledig wordt benut in het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, kan de Minister het resterende bedrag beschikbaar stellen voor aanvragen vallend onder het andere subsidieplafond wanneer dit reeds voor het aflopen van het tijdvak volledig is uitgeput. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 5 — Artikel 5 Aanvragers en aanvraagformulier#
Artikel 5 Aanvragers en aanvraagformulier 1 Een aanvraag kan voor de uitvoering van een project a, b of c worden ingediend door een brancheorganisatie of een aanvrager die optreedt als penvoerder van een branchesamenwerkingsverband, een clustersamenwerkingsverband of een ketensamenwerkingsverband. 2 Indien in geval van een project a een grote onderneming deelneemt aan het samenwerkingsverband dient sprake te zijn van een situatie als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 Voor een project a, b of c geldt dat een onderzoeksorganisatie, een omgevingsdienst en een veiligheidsregio deel kunnen uitmaken van het samenwerkingsverband. 4 Deelname van omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s aan een samenwerkingsverband is slechts toegestaan indien de deelname in ieder geval bijdraagt aan de kwaliteit van de uitvoering van hun wettelijke taak, zij hiermee geen staatssteun verstrekken aan deelnemende ondernemingen, waardoor strijd met de algemene groepsvrijstellingsverordening zou ontstaan en zij geen penvoerder zijn van een samenwerkingsverband. 5 Voor de uitvoering van een project d kan een aanvraag uitsluitend worden ingediend door een kmo waarvan industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. 6 Een aanvraag voor project d gaat vergezeld van een offerte of een overeenkomst met betrekking tot het voorgenomen project die op het moment van indiening van de aanvraag nog geen onherroepelijke verplichtingen bevat. 7 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld middel. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 6 — Artikel 6 Subsidiabele kosten en standaardberekeningswijze uurtarieven#
Artikel 6 Subsidiabele kosten en standaardberekeningswijze uurtarieven 1 Als subsidiabele kosten voor een project a worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd. 2 Als subsidiabele kosten voor een project b worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd. 3 Als subsidiabele kosten voor een project c worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd. 4 Als subsidiabele kosten voor een project d worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 18, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening beschouwd. 5 Als standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd: a. berekening op basis van integrale kostensystematiek; b. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 7 — Artikel 7 Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek#
Artikel 7 Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek 1 artikel 6, vijfde lid, onderdeel a Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend. 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 8 — Artikel 8 Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag#
Artikel 8 Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag 1 artikel 6, vijfde lid, onderdeel b Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in, worden de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt. 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met: a. vaste opslag voor indirecte kosten van 50% van de loonkosten; b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; c. aan derden betaalde kosten. 3 Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 50 per uur. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 9 — Artikel 9 Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten#
Artikel 9 Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten 1 artikel 6, vijfde lid, onderdeel c Het forfaitaire uurtarief, bedoeld in, bedraagt € 50. 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met: a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; b. aan derden betaalde kosten. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 10 — Artikel 10 Hoogte van de subsidie#
Artikel 10 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie voor een project a bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 29, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000. 2 De subsidie voor een project b bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 31, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000. 3 De subsidie voor een project c bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 49, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000. 4 De subsidie voor een project d bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 18, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 5.000. 5 Voor een onderzoeksorganisatie bedraagt de subsidie voor een project ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten. 6 Voor een omgevingsdienst of een veiligheidsregio bedraagt de subsidie voor een project ten hoogste 15% van de subsidiabele kosten, onder aftrek van een andere ontvangen overheidsbijdrage voor hetzelfde project. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 11 — Artikel 11 Beoordelingscriteria#
Artikel 11 Beoordelingscriteria 1 Een project a, project b en project c voldoen in ieder geval aan de volgende criteria: a. in voldoende mate bijdragen aan versterking van de omgevingsveiligheid; b. in voldoende mate bijdragen aan het blijvend effect van de te realiseren versterking van de omgevingsveiligheid. 2 Per criterium zijn maximaal 2 punten te behalen. Een project moet minimaal 3 punten halen om in aanmerking te komen voor subsidie. 3 bijlage 1 De beschrijving van de criteria en de wijze van toekenning van punten is opgenomen inbij deze regeling. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 12 — Artikel 12 Afwijzingsgronden#
Artikel 12 Afwijzingsgronden 1 artikelen 11 12 van het kaderbesluit Onverminderd het bepaalde in deen, wordt een subsidieaanvraag voor een project a, project b of project c, in ieder geval afgewezen, indien: a. het project strekt ter invulling van een wettelijke verplichting dan wel een voorziene wettelijke verplichting; b. de resultaten van het project niet ter beschikking aan de branche, het cluster, of de keten worden gesteld. Indien er kosten zijn verbonden aan het ter beschikking stellen van de resultaten, mogen die kosten worden doorberekend; c. reeds een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor een soortgelijk project; d. artikel 11 het project onvoldoende punten scoort op de beoordelingscriteria genoemd in; e. de uitvoering van een project naar verwachting langer zal duren dan twee jaar; of f. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2 artikelen 11 12 van het kaderbesluit Onverminderd het bepaalde in deen, wordt een subsidieaanvraag voor een project d, in ieder geval afgewezen, indien: a. sprake is van een omstandigheid als genoemd in het eerste lid, onderdelen a, e of f; of b. op grond van deze regeling al eerder een subsidie is verstrekt voor project d aan dezelfde aanvrager. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 13 — Artikel 13 Verplichting#
Artikel 13 Verplichting Een onderneming die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat deze onderneming voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft. 2016 49302 21-09-2016 19-09-2016 2016 49302 21-09-2016 19-09-2016 01-10-2016 2016 49302 21-09-2016 19-09-2016 IENM/BSK-2016/152520 2016 49302 21-09-2016 19-09-2016 IENM/BSK-2016/152520 01-10-2016
Artikel 14 — Artikel 14 Inwerkingtreding en horizonbepaling#
Artikel 14 Inwerkingtreding en horizonbepaling Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016 en vervalt met ingang van 1 oktober 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies waarvoor voor die datum een aanvraag is ontvangen. 2021 41191 17-09-2021 14-09-2021 IENW/BSK-2021/236999 2021 41191 17-09-2021 14-09-2021 IENW/BSK-2021/236999 18-09-2021
Artikel 15 — Artikel 15 Overgangsrecht#
Artikel 15 Overgangsrecht Op een subsidieaanvraag die is ingediend voor 1 april 2019 en waarop voor die datum nog niet is beslist, is deze regeling van toepassing zoals die luidde op 31 maart 2019. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019
Artikel 16 — Artikel 16 Citeertitel#
Artikel 16 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten. 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 2019 16040 26-03-2019 25-03-2019 IENW/BSK-2019/23214 01-04-2019 Voorheen art. 15.
Artikel 11#
artikel 11