Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 januari 2019, houdende de vaststelling van de gelijkwaardige inspanning van de decentrale overheden inzake het EMU-saldo
- BWB-id
- BWBR0041899
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2019-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0041899
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2019/regeling-vaststelling-gelijkwaardige-inspanning-decentrale-o
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2019/regeling-vaststelling-gelijkwaardige-inspanning-decentrale-o/2019-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0041899&g=2019-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0041899&z=2026-06-06&g=2019-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0041899/2019-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2019/regeling-vaststelling-gelijkwaardige-inspanning-decentrale-o
Artikel 1 — Artikel 1 Begrippen#
Artikel 1 Begrippen artikel 1 van de Wet houdbare overheidsfinancien De definities vanzijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling. 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 01-01-2019 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 2 — Artikel 2 EMU-norm 2019–2022#
Artikel 2 EMU-norm 2019–2022 artikel 3, tweede lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën Het collectieve aandeel van de decentrale overheden gezamenlijk in het EMU-saldo, bedoeld in, wordt als volgt vastgesteld: a. voor 2019 –0 4 procent van het bruto binnenlands product; b. voor 2020 –0 4 procent van het bruto binnenlands product; c. voor 2021 –0,4 procent van het bruto binnenlands product; d. voor 2022 –0,4 procent van het bruto binnenlands product. 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 01-01-2019 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 3 — Artikel 3 Onderverdeling naar overheidslaag#
Artikel 3 Onderverdeling naar overheidslaag artikel 2 Het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo, bedoeld in, wordt uitgesplitst naar: a. een aandeel voor de provincies gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld: 1°. voor 2019 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; 2°. voor 2020 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; 3°. voor 2021 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; 4°. voor 2022 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; b. een aandeel voor de gemeenten gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld: 1°. voor 2019 –0,27 procent van het bruto binnenlands product; 2°. voor 2020 –0,27 procent van het bruto binnenlands product; 3°. voor 2021 –0,27 procent van het bruto binnenlands product; 4°. voor 2022 –0,27 procent van het bruto binnenlands product; c. een aandeel voor de waterschappen gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld: 1°. voor 2019 –0,05 procent van het bruto binnenlands product; 2°. voor 2020 –0,05 procent van het bruto binnenlands product; 3°. voor 2021 –0,05 procent van het bruto binnenlands product; 4°. voor 2022 –0,05 procent van het bruto binnenlands product. 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 01-01-2019 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 4 — Artikel 4 Inwerkingtreding#
Artikel 4 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 2019 7004 12-02-2019 31-01-2019 01-01-2019 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.