Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2021, 2021-0000206594, tot vaststelling van een tijdelijke tegemoetkoming voor rijnvarenden (Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden)
- BWB-id
- BWBR0046129
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 2022-01-01 t/m 2023-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0046129
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2022/regeling-tijdelijke-tegemoetkoming-rijnvarenden
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2022/regeling-tijdelijke-tegemoetkoming-rijnvarenden/2022-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0046129&g=2022-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0046129&z=2026-06-06&g=2022-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0046129/2022-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2022/regeling-tijdelijke-tegemoetkoming-rijnvarenden
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. Algemene verordening gegevensbescherming: Verordening (EU) 2016/679 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van(PbEU 2016, L 119); b. Belastingdienst: artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 de Belastingdienst, genoemd in; c. DG Belastingdienst: artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 de directeur-generaal van de Belastingdienst, genoemd in; d. loon: artikel 3.80 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 het belastbaar loon, bedoeld in; e. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; f. nabestaanden: 1°. de langstlevende van de echtgenoten; 2°. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; 3°. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen, degenen met wie hij in gezinsverband leefde. g. premies: de premies of bijdragen die de werkgever ten behoeve van het socialezekerheidsstelsel van de rijnoeverstaat op het loon van de rijnvarende heeft ingehouden; h. relevante periode: 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015; i. rijnoeverstaat: Stcrt. Verordening (EG) 883/2004 Verordening (EG) 883/2004 de Staten, in de relevante periode genoemd in artikel 5 van de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, vanbetreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (Stcrt. 2011/3397) met uitzondering van Nederland, en de Staat genoemd in artikel 2 van de aanvullende overeenkomst bij de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, vanbetreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving (2013/9853); j. rijnvarende: de persoon, genoemd in artikel 1, onderdeel a of b, van de Rijnvarendenovereenkomst; k. Rijnvarendenovereenkomst: Verordening (EG) 883/2004 de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, vanbetreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (Stcrt. 2011/3397); l. werkgever: de in een rijnoeverstaat gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wie de rijnvarende in dienstbetrekking arbeid heeft verricht. 2 artikel 1, derde lid, onder a, en vierde tot en met zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet In deze regeling wordt met de echtgenoot gelijkgesteld de geregistreerde partner en de persoon die op grond vanen de daarop berustende bepalingen mede als zodanig wordt aangemerkt. 3 In deze regeling wordt niet als echtgenoot aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 2 — Artikel 2 Voorwaarden recht op tegemoetkoming#
Artikel 2 Voorwaarden recht op tegemoetkoming De rijnvarende heeft recht op een tegemoetkoming, indien: a. op 30 juni 2022 onherroepelijk vaststaat dat de rijnvarende in enig jaar in de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015 Nederlandse premie volksverzekeringen verschuldigd is; b. in de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015 premies op het loon van de rijnvarende zijn ingehouden door de werkgever in de rijnoeverstaat vanwege het verrichten van arbeid als rijnvarende; c. de rijnvarende op grond van nationale wet- en regelgeving niet in persoon in aanmerking komt voor restitutie van de ingehouden premies; en d. restitutie van de ingehouden premies in de rijnoeverstaat niet meer mogelijk is in verband met wettelijk vastgelegde termijnen. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 3 — Artikel 3 Recht op tegemoetkoming nabestaanden#
Artikel 3 Recht op tegemoetkoming nabestaanden 1 Indien de rijnvarende is overleden, hebben de nabestaanden in plaats van de overleden rijnvarende recht op de tegemoetkoming als bedoeld in deze regeling, waarop de rijnvarende recht zou hebben bij leven. 2 Indien een rijnvarende meerdere nabestaanden heeft, dan komt de tegemoetkoming toe aan deze nabestaanden gezamenlijk en verlenen zij één van hen schriftelijk een volmacht tot vertegenwoordiging van hen ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, het in ontvangst nemen van de tegemoetkoming daarbij inbegrepen. In deze volmacht wordt tevens één rekeningnummer met tenaamstelling vermeld waarop de Belastingdienst de tegemoetkoming kan uitbetalen. Een afschrift van de volmacht wordt aan de minister overlegd. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 4 — Artikel 4 De hoogte van de tegemoetkoming#
Artikel 4 De hoogte van de tegemoetkoming 1 De hoogte van de tegemoetkoming is gelijk aan het totaal van de premies die in enig kalenderjaar en gedurende de relevante periode door de werkgever op het loon van de rijnvarende zijn ingehouden, maar bedraagt niet meer dan het bedrag van de totale vastgestelde verschuldigde premie volksverzekeringen over de relevante periode. 2 Indien de premies die gedurende de relevante periode door de werkgever op het loon van de rijnvarende zijn ingehouden deels of geheel op het loon in mindering zijn gebracht bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het betreffende jaar in de relevante periode, wordt de hoogte van de tegemoetkoming verminderd met het verschil tussen de vastgestelde verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het betreffende jaar en de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het betreffende jaar voor zover bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het betreffende jaar de premies niet op het loon in mindering zouden zijn gebracht. 3 artikel 6, tweede lid Indien de rijnvarende een betaling ontvangt of heeft ontvangen als bedoeld in, wordt de hoogte van de tegemoetkoming verminderd met het ontvangen bedrag. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 5 — Artikel 5 De aanvraag van de tegemoetkoming#
Artikel 5 De aanvraag van de tegemoetkoming 1 De minister stelt op aanvraag van de rijnvarende vast of recht op de tegemoetkoming bestaat. 2 Een aanvraag om de tegemoetkoming wordt uiterlijk op 30 juni 2022 bij de Belastingdienst ingediend. 3 In de aanvraag vermeldt de rijnvarende zijn burgerservicenummer. 4 De rijnvarende verstrekt bij de aanvraag: a. de opgaven van de werkgever aan de rijnvarende waaruit de inhouding van de premies blijkt; of b. een verklaring van het voor heffing van premies bevoegde orgaan in de rijnoeverstaat, waarin per kalenderjaar in de relevante periode is opgenomen dat ten aanzien van de desbetreffende rijnvarende premies zijn ingehouden en waaruit per werkgever blijkt: 1° de hoogte van het loon per kalenderjaar; 2° de naam van de werkgever die het loon heeft betaald; en 3° de omvang van de ingehouden premies in de periode mei tot en met december 2010 of voor de overige jaren in de relevante periode de ingehouden premies per kalenderjaar. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 6 — Artikel 6 Informatieverplichtingen rijnvarende#
Artikel 6 Informatieverplichtingen rijnvarende 1 De rijnvarende verstrekt op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is. 2 In geval van restitutie van premies voor de relevante periode door of via de werkgever, dan wel in geval van ontvangst van een bedrag in verband met de inhouding van premies voor de relevante periode ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet, doet de rijnvarende onverwijld mededeling van ontvangst daarvan. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 7 — Artikel 7 Afwijzing van de aanvraag#
Artikel 7 Afwijzing van de aanvraag artikel 5 De aanvraag als bedoeld inwordt afgewezen indien: a. een rijnvarende reeds eerder een aanvraag heeft gedaan; b. de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 8 — Artikel 8 Verlening en uitbetaling van de tegemoetkoming#
Artikel 8 Verlening en uitbetaling van de tegemoetkoming 1 De minister beslist binnen 28 weken na ontvangst van de volledige aanvraag over de toekenning van de tegemoetkoming. 2 In de beschikking wordt de opbouw van de hoogte van de tegemoetkoming vermeld. 3 De Belastingdienst betaalt de tegemoetkoming binnen 6 weken na de toekenning van de tegemoetkoming uit aan de rijnvarende op het bankrekeningnummer dat ten aanzien van de desbetreffende rijnvarende bekend is bij de Belastingdienst ten behoeve van zijn belastingverplichtingen. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 9 — Artikel 9 Herziening, intrekking en terugvordering#
Artikel 9 Herziening, intrekking en terugvordering 1 Een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming wordt herzien of ingetrokken, indien de rijnvarende: a. nadien alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van het recht op de tegemoetkoming, of b. artikel 5 6 de verplichtingen, bedoeld inofniet of niet behoorlijk is nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de tegemoetkoming. 2 De tegemoetkoming die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd. 3 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de minister besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking of terugvordering af te zien. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 10 — Artikel 10 Mandaat, volmacht en machtiging Belastingdienst#
Artikel 10 Mandaat, volmacht en machtiging Belastingdienst 1 De minister verleent aan de DG Belastingdienst mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling: a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn; b. te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep. 2 De DG Belastingdienst is in het kader van de uitvoering van deze regeling bevoegd tot het verlenen van ondermandaat of het doorverlenen van zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden aan bij de Belastingdienst werkzame functionarissen. 3 Hoofdstuk 4 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009 is van toepassing op de uitoefening van bevoegdheden op grond van deze regeling en tevens op de uitoefening van bevoegdheden die krachtens ondermandaat respectievelijk doorverlening van volmacht en machtiging worden uitgeoefend. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 11 — Artikel 11 Gegevensverwerking#
Artikel 11 Gegevensverwerking 1 De minister is de verwerkingsverantwoordelijke, als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling. 2 De Belastingdienst is verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de aan hem gemandateerde taken. 3 De persoonsgegevens die worden verwerkt ter uitvoering van deze regeling worden niet verder verwerkt voor andere doeleinden. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 12 — Artikel 12 Inwerkingtreding en vervaldatum#
Artikel 12 Inwerkingtreding en vervaldatum 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 juli 2023. 3 In afwijking van het tweede lid blijft deze regeling, zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt, van toepassing op de afwikkeling van de tegemoetkomingen op grond van deze regeling. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022
Artikel 13 — Artikel 13 Citeertitel#
Artikel 13 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden. 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 2021 50396 24-12-2021 16-12-2021 2021-0000206594 01-01-2022