Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 28 oktober 2022, nr. WJZ/ 22086636, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van onderzoeksinstituten (Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO))
- BWB-id
- BWBR0047415
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Economische Zaken en Klimaat
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-07-18
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0047415
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2022/subsidieregeling-strategisch-belangrijke-onderzoeksprogramma
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2022/subsidieregeling-strategisch-belangrijke-onderzoeksprogramma/2025-07-18
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0047415&g=2025-07-18
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0047415&z=2026-06-06&g=2025-07-18
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0047415/2025-07-18
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2022/subsidieregeling-strategisch-belangrijke-onderzoeksprogramma
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); arbeidsovereenkomst: artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een arbeidsovereenkomst als bedoeld in; daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel h, van het O&O&I-steunkader; experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel k, van het O&O&I-steunkader; fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel n, van het O&O&I-steunkader; industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel r, van het O&O&I-steunkader; kostendrager: een product dat, of een in economisch opzicht homogene groep van producten die, als voorwerp van calculatie wordt gekozen; Minister: a. Minister van Economische Zaken en Klimaat, indien het subsidie betreft die door de Minister van Economische Zaken en Klimaat, ten laste van diens begroting, wordt verleend aan een onderzoeksinstituut; of b. Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, indien het subsidie betreft die door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ten laste van diens begroting, wordt verleend aan een onderzoeksinstituut; O&O&I-steunkader: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (C(2022) 7388 final); onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel gg, van het O&O&I-steunkader; onderzoeksinstituut: een rechtspersoon die: a. artikel 2, eerste en tweede lid zich overwegend bezighoudt met het uitvoeren van onderzoeksprogramma’s als bedoeld in; en b. niet kwalificeert als: 1°. artikel 1 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek een instituut als bedoeld in; of 2°. artikel 1 van de TNO-wet de organisatie, bedoeld in; samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap. 2023 33618 07-12-2023 05-12-2023 WJZ/41064308 2023 33618 07-12-2023 05-12-2023 WJZ/41064308 08-12-2023
Artikel 2 — Artikel 2 Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere en niet-reguliere onderzoeksinstituten#
Artikel 2 Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere en niet-reguliere onderzoeksinstituten 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een in Nederland gevestigd onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma dat gericht is op: a. artikel 2, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies de ontwikkeling en toepassing van kennis ten behoeve van het oplossen van maatschappelijke vraagstukken op één of meer beleidsterreinen genoemd in; b. het vergroten van de innovatiekracht van Nederland via het, eventueel in overleg of in samenwerking met in Nederland gevestigde ondernemingen, kennisinstellingen, overheden, of maatschappelijke organisaties, ontwikkelen van producten en diensten die vernieuwend zijn ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek; en c. het breed verspreiden van kennis ten behoeve van de brede implementatie en toepassing van de ontwikkelde producten of diensten, bedoeld in onderdeel b. 2 Een onderzoeksprogramma als bedoeld in het eerste lid omvat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, waarbij deze activiteiten kunnen worden onderverdeeld in: a. niet-economische activiteiten, onafhankelijk uitgevoerd door een onderzoeksinstituut met het oog op meer kennis en een beter inzicht; b. economische activiteiten, uitgevoerd door een onderzoeksinstituut die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert. 3 De subsidieontvanger, bedoeld in het eerste lid, is een onderzoeksinstituut dat kwalificeert als: a. een regulier onderzoeksinstituut, dat door de minister is aangewezen als reguliere uitvoerder van strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s vanwege de belangrijke, substantiële of langdurige bijdrage die door dit onderzoeksinstituut met de uitvoering van onderzoeksprogramma’s geleverd is of naar verwachting geleverd zou kunnen worden aan de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid; of b. artikelen 4 8 9 een niet-regulier onderzoeksinstituut, dat na toepassing van de,endoor de minister incidenteel geselecteerd is voor het uitvoeren van een bepaald strategisch belangrijk onderzoeksprogramma vanwege de belangrijke en substantiële bijdrage die door dit onderzoeksinstituut met de uitvoering van dit onderzoeksprogramma naar verwachting ten minste eenmalig geleverd zou kunnen worden aan de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 3 — Artikel 3 Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere onderzoeksinstituten#
Artikel 3 Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van reguliere onderzoeksinstituten 1 bijlage 1 De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken aan een regulier onderzoeksinstituut voor een bepaald strategisch belangrijk onderzoeksprogramma, voor zover de minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidieverlening voor de uitvoering van dit programma invan deze regeling heeft opengesteld. 2 artikel 10, vierde lid, onderdeel e De minister verstrekt geen subsidie aan een regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan dit reguliere onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een onderzoeksprogramma eerder subsidie verleend is op grond van deze regeling en de aanvraag om subsidieverlening niet vergezeld gaat van een verslag als bedoeld in, waaruit volgt dat dit onderzoeksprogramma heeft geleid tot kwalitatief hoogwaardig onderzoek. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 4 — Artikel 4 Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van niet-reguliere onderzoeksinstituten#
Artikel 4 Subsidieverstrekking aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van niet-reguliere onderzoeksinstituten 1 bijlage 1 De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor zover de minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidieverlening voor de uitvoering van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma op het gebied van een bepaald thema invan deze regeling heeft opengesteld. 2 Het subsidieplafond voor onderzoeksprogramma’s op het gebied van een bepaald thema als bedoeld in het eerste lid wordt achtereenvolgens verdeeld: a. op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening; en b. voor zover bij de rangschikking, bedoeld in onderdeel a, dit subsidieplafond wordt overschreden, op volgorde van loting van de aanvragen om subsidieverlening die bij de beoordeling op grond van onderdeel a gelijk zijn gerangschikt. 3 De aanvragen om subsidieverlening voor een onderzoeksprogramma waarop niet afwijzend is beslist worden op grond van het tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate hieraan in totaal meer punten worden toegekend vanwege de omstandigheid dat: a. artikel 2, eerste lid het onderzoeksprogramma meer bijdraagt aan de doelen, bedoeld in; b. de kwaliteit van het onderzoeksplan beter is, blijkend uit de uitwerking van de aanpak en methodiek, de omgang met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het onderzoeksprogramma, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; c. de subsidieaanvrager die het onderzoeksprogramma uitvoert meer geschikt is om een onderzoeksprogramma uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties binnen de aanvrager aanwezig zijn; 2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het onderzoeksprogramma bij binnen Nederland gevestigde ondernemingen, maatschappelijke organisaties of overheden; 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager succesvolle ervaring heeft met de uitvoering van soortgelijke onderzoeksprogramma’s; 4°. de kwaliteit van de projectorganisatie die aanwezig is bij de subsidieaanvrager. 4 De minister kent per onderdeel van het derde lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. 5 De minister verstrekt geen subsidie aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan het desbetreffende onderzoeksprogramma na toepassing van het derde lid, onderdelen a tot en met c, en vierde lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 5 — Artikel 5 Hoogte subsidie#
Artikel 5 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt: a. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; b. voor economische onderzoeksactiviteiten van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma: 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; 3°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; c. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur. 2 De subsidie bedraagt niet meer dan is aangevraagd, doch ten hoogste: a. € 35.000.000 per subsidieaanvrager per strategisch belangrijk onderzoeksprogramma, voor zover de activiteiten overwegend bestaan uit fundamenteel onderzoek of industrieel onderzoek; b. € 25.000.000 per subsidieaanvrager per strategisch belangrijk onderzoeksprogramma, voor zover de activiteiten overwegend bestaan uit experimentele ontwikkeling. 3 Onverminderd het eerste en tweede lid kan ten hoogste 25% van de totale subsidie van het desbetreffende strategisch belangrijke onderzoeksprogramma bestemd zijn voor de investering in de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur ten behoeve van dit strategisch belangrijke onderzoeksprogramma. 4 Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten van een onderzoeksprogramma of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens de toepasselijke Europese steunkaders kan worden verstrekt. 2025 22609 17-07-2025 10-07-2025 WJZ/99203269 2025 22609 17-07-2025 10-07-2025 WJZ/99203269 18-07-2025
Artikel 6 — Artikel 6 Soorten subsidiabele kosten#
Artikel 6 Soorten subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de redelijk gemaakte kosten die verbonden zijn met de uitvoering van een niet-economische of economische activiteit waarvoor op grond van deze regeling subsidie is verstrekt en die bestaan uit: a. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; b. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur. 2 Indien voor de uitvoering van een onderzoeksprogramma dat op grond van deze regeling gefinancierd wordt met subsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat onderzoeksprogramma. 3 Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen. 4 Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen. 5 De subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen. 6 artikel 1 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek artikel 1 van de TNO-wet Niet voor subsidie komen in aanmerking de kosten die gemaakt worden in verband met de inzet van een natuurlijk persoon die een arbeidsovereenkomst heeft met een instituut als bedoeld inof de organisatie, bedoeld in, indien het desbetreffende instituut of de desbetreffende organisatie: a. de overwegende zeggenschap heeft over het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut; of b. preferente toegang heeft tot de onderzoeksresultaten of onderzoeksfaciliteiten van het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 7 — Artikel 7 Berekeningsmethoden subsidiabele kosten#
Artikel 7 Berekeningsmethoden subsidiabele kosten 1 De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor het onderzoeksinstituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het onderzoeksinstituut stelselmatig toepast. 2 De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen. 3 Het onderzoeksinstituut bepaalt de subsidiabele kosten met behulp van: a. de integrale kostensystematiek, door: 1°. de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen; en 2°. de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge subonderdeel 1° berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge subonderdeel 1° vastgestelde tarief; b. de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, door de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermeerderd met: 1°. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten of, voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, een vast uurtarief van € 60; 2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; 3°. de aan derden betaalde kosten; c. de vaste-uurtarief-systematiek, door het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 60 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met: 1°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; 2°. de aan derden betaalde kosten. 4 Onverminderd het derde lid worden, indien de subsidie bestemd is voor economische activiteiten: a. de in aanmerking komende kosten berekend en gestaafd met bewijsstukken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 8 — Artikel 8 Europeesrechtelijke afwijzingsgronden#
Artikel 8 Europeesrechtelijke afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening voor zover de subsidie bestemd is voor economische activiteiten en: a. de subsidieverstrekking: 1°. niet zou voldoen aan de eis van transparantie van steun, bedoeld in artikel 5 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. zou leiden tot een overschrijding van de aanmeldingsdrempels, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen i of j, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 3°. zou leiden tot een overschrijding van de maximale steunintensiteit, die van toepassing is op de specifieke steuncategorie op grond van artikel 25 of artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 4°. artikel 5, vierde lid in strijd zou zijn met het bepaalde bij of krachtens, of een bepaling betreffende het cumuleren van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 5°. in strijd zou zijn met de eisen inzake het stimulerend effect, bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 6°. zou bestaan uit steun die een effect zou hebben op de in- en uitvoer dat niet is toegestaan op grond van artikel 1, tweede lid, onderdelen c en d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of 7°. zou leiden tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. de subsidie bestemd is voor een onderzoeksinstituut dat kwalificeert als: 1°. een onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of 3°. een onderneming die actief is in een sector waarvoor het op grond van artikel 1, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet is toegestaan steun te verlenen, tenzij deze onderneming tevens werkzaam is in een andere sector en zij er, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, voor zorgt dat de activiteiten in de uitgesloten sector geen voor de andere sector bestemde subsidie genieten. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 9 — Artikel 9 Nationaalrechtelijke afwijzingsgronden#
Artikel 9 Nationaalrechtelijke afwijzingsgronden De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening indien: a. artikel 12, eerste lid, onderdeel b het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen de termijn, bedoeld in, kunnen worden voltooid; b. het onderzoeksprogramma voor meer dan 50 procent bestaat uit fundamenteel onderzoek; c. de subsidiabele kosten per onderzoeksprogramma minder dan: 1°. € 4.000.000 bedragen, indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op de subsidieverstrekking door de Minister van Economische Zaken en Klimaat; of 2°. € 1.500.000 bedragen, indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op de subsidieverstrekking door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; d. Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies de aanvraag betrekking heeft op activiteiten waarvoor al subsidie verleend is op grond van de; of e. de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde regels. 2023 33618 07-12-2023 05-12-2023 WJZ/41064308 2023 33618 07-12-2023 05-12-2023 WJZ/41064308 08-12-2023
Artikel 10 — Artikel 10 Indiening aanvraag om subsidieverlening#
Artikel 10 Indiening aanvraag om subsidieverlening 1 Een aanvraag om subsidieverlening wordt ingediend met gebruikmaking van een middel, dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. 2 Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 3 Onverminderd het tweede lid bevat een aanvraag om subsidieverlening ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. kerngegevens over het onderzoeksprogramma, die bestaan uit een samenvatting van het onderzoeksprogramma en, voor zover van toepassing, een lijst van de eventueel bij het onderzoeksprogramma betrokken partijen of samenwerkingspartners. 4 De aanvraag om subsidieverlening, bedoeld in het tweede en derde lid, gaat vergezeld van ten minste: a. een onderzoeksplan met een omschrijving van het onderzoeksprogramma, inclusief een beschrijving van de doelstellingen, beoogde tussenresultaten en de werkzaamheden binnen het onderzoeksprogramma; b. een financieringsplan met daarin een liquiditeitsbegroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. artikel 2, tweede lid de totale kosten van het onderzoeksprogramma, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in; 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de kosten van het onderzoeksprogramma financiert; c. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding zal plaatsvinden; d. voor zover van toepassing, documenten met daarin een beknopte omschrijving van de eventueel bij het onderzoeksprogramma betrokken partijen en samenwerkingspartners; e. voor zover van toepassing, een verslag van een door een onafhankelijk adviesbureau uitgevoerd onderzoek betreffende de kwaliteit van een eerder op grond van deze regeling gesubsidieerd onderzoeksprogramma, indien de aanvraag om subsidieverlening is ingediend door een regulier onderzoeksinstituut; f. artikel 4, derde lid, onderdeel c documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het onderzoeksprogramma betrokken organisaties of personen, die relevant zijn om de geschiktheid van de subsidieaanvrager, bedoeld in, te kunnen beoordelen, indien de aanvraag om subsidieverlening is ingediend door een niet-regulier onderzoeksinstituut. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 11 — Artikel 11 Beschikking op de aanvraag om subsidieverlening#
Artikel 11 Beschikking op de aanvraag om subsidieverlening 1 De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidieverlening: a. binnen acht weken na ontvangst van deze aanvraag, indien de aanvraag om subsidieverlening is ingediend door een regulier onderzoeksinstituut; b. bijlage 1 binnen dertien weken na sluiting van de desbetreffende openstellingsperiode zoals deze wordt opgenomen invan deze regeling, indien de aanvraag om subsidieverlening is ingediend door een niet-regulier onderzoeksinstituut. 2 Indien een beschikking op een aanvraag om subsidieverlening niet kan worden gegeven binnen de toepasselijke termijn, genoemd in het eerste lid, onderdelen a of b, dan kan deze termijn eenmaal met acht weken respectievelijk met dertien weken worden verlengd. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 12 — Artikel 12 Algemene verplichtingen betreffende het onderzoeksprogramma#
Artikel 12 Algemene verplichtingen betreffende het onderzoeksprogramma 1 artikel 10, vierde lid, onderdeel a respectievelijk onderdeel b Een op grond van deze regeling gesubsidieerd onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd conform het ingediende onderzoeksplan en financieringsplan, bedoeld in, met dien verstande dat: a. met de uitvoering van het onderzoeksprogramma wordt gestart binnen twee maanden na de subsidieverlening; en b. het onderzoeksprogramma wordt afgerond binnen vijf jaar na subsidieverlening. 2 De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister: a. artikel 10, vierde lid, onderdeel a indien de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht dan wel met vertraging of essentiële wijzigingen kunnen worden verricht conform de wijze zoals omschreven in het onderzoeksplan, bedoeld in; b. indien de subsidiabele kosten meer dan 25% afwijken van: 1°. artikel 10, vierde lid, onderdeel b de liquiditeitsbegroting die voor het desbetreffende kalenderjaar is opgenomen in het financieringsplan, bedoeld in, indien de verstrekte liquiditeitsbegroting, bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel b, geen mijlpalen bevat; of 2°. artikel 10, vierde lid, onderdeel b de liquiditeitsbegroting die voor de mijlpalen in het desbetreffende kwartaal is opgenomen in het financieringsplan, bedoeld in, indien de verstrekte liquiditeitsbegroting, bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel b, mijlpalen bevat; c. indien niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of overige bij deze regeling gestelde regels zal worden voldaan; d. op het moment waarop bij de rechtbank een verzoek is ingediend tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem. 3 artikel 10, vierde lid, onderdeel a De minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, indien er sprake is van het vertragen of het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten of de wijziging van de aanverwante subsidiabele kosten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen als omschreven in het onderzoeksplan, bedoeld in. 4 Aan de ontheffing, bedoeld in het derde lid, kunnen voorschriften worden verbonden. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 13 — Artikel 13 Verplichtingen betreffende activiteiten in een samenwerkingsverband#
Artikel 13 Verplichtingen betreffende activiteiten in een samenwerkingsverband 1 Indien in het onderzoeksprogramma onafhankelijk fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksinstituut wordt verricht in een samenwerkingsverband: a. wordt voorafgaand aan de start van het onderzoeksprogramma een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; b. worden de projectactiviteiten door het onderzoeksinstituut uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen; en c. draagt het onderzoeksinstituut er zorg voor dat: 1°. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van de activiteiten dragen; 2°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van het onderzoeksinstituut voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 3°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 4°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. 2 Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van het onderzoeksinstituut die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, in mindering worden gebracht. 3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, stemt overeen met de marktprijs indien: a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. het onderzoeksinstituut als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door het onderzoeksinstituut gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor het onderzoeksinstituut het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen 4 De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 14 — Artikel 14 Verplichtingen betreffende onderzoeksinfrastructuur#
Artikel 14 Verplichtingen betreffende onderzoeksinfrastructuur 1 Indien in het onderzoeksprogramma activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderzoeksinstituut worden verricht draagt het onderzoeksinstituut er zorg voor dat: a. de toegang tot deze onderzoeksinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt; b. de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs. 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, kunnen ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur hebben gefinancierd preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, indien deze toegang evenredig is aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en deze gunstigere voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 15 — Artikel 15 Verplichtingen betreffende voortgangsrapportages en kennisverspreiding#
Artikel 15 Verplichtingen betreffende voortgangsrapportages en kennisverspreiding 1 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten. 2 De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het onderzoeksprogramma jaarlijks een voortgangsrapportage over het onderzoeksprogramma die de minister kan gebruiken voor: a. het monitoren van de voortgang van het onderzoeksprogramma; en b. de brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het onderzoeksprogramma worden opgedaan. 3 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het onderzoeksprogramma wordt opgedaan na afloop van het onderzoeksprogramma openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. 4 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 5 De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. 6 In afwijking van het tweede en derde lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde en de openbare veiligheid: a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden; of b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het tweede of derde lid. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 16 — Artikel 16 Administratieve verplichtingen#
Artikel 16 Administratieve verplichtingen 1 Het onderzoeksinstituut voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten; b. de rechtstreeks aan de activiteiten toe te rekenen kosten; c. het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; d. het aantal uren dat per persoon is besteed aan de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; en e. artikel 7, derde lid, onderdeel a de berekening en samenstelling van het tarief, bedoeld in. 2 De inrichting van de administratie sluit aan bij de bij de aanvraag ingediende begroting en onderzoeksplan. 3 Ter zake van de loonkosten is een door middel van een urenadministratie vastgestelde urenverantwoording aanwezig. 4 In de administratie wordt een onderscheid gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten die het onderzoeksinstituut uitoefent en de kosten en de financiering hiervan. 5 De administratie, bedoeld in het eerste lid, wordt bewaard: a. tot tien jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling; b. in geval van een gerechtelijke procedure, tot ten minste tien jaar na de datum van de afhandeling van deze gerechtelijke procedure. 6 De subsidieontvanger verleent de auditautoriteit, de Europese Commissie of de Europese Rekenkamer alle medewerking die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van hun taken. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 17 — Artikel 17 Bevoorschotting#
Artikel 17 Bevoorschotting 1 De minister verstrekt het eerste voorschot ambtshalve uiterlijk binnen twee weken na subsidieverlening en de daarop volgende voorschotten gedurende de looptijd van het onderzoeksprogramma binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten. 2 Het voorschot bedraagt 90% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt: a. berekend door 90% van het maximale subsidiebedrag te delen door het aantal voorschotmomenten tijdens de gehele subsidieperiode, indien de verstrekte liquiditeitsbegroting, bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel b, geen mijlpalen bevat; of b. berekend door de hoogte van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag door de in de periode tussen twee mijlpalen te maken subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 90 procent en te delen door het aantal voorschotmomenten in deze periode, indien de verstrekte liquiditeitsbegroting, bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel b, mijlpalen bevat. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 18 — Artikel 18 Indiening aanvraag tot subsidievaststelling#
Artikel 18 Indiening aanvraag tot subsidievaststelling 1 De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. 2 De subsidieontvanger vraagt binnen dertien weken na afronding van het onderzoeksprogramma de vaststelling van de subsidie aan. 3 Een aanvraag tot subsidievaststelling bevat ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de omvang van de vast te stellen subsidie; d. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling. 4 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van: a. een eindverslag, met daarin ten minste: 1°. een omschrijving van de resultaten van het onderzoeksprogramma; 2°. artikel 2, eerste lid een omschrijving van op welke wijze het onderzoeksprogramma heeft bijgedragen aan de doelen, bedoeld in; 3°. artikelen 12 13 14 voor zover van toepassing, een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in de,en; b. een financieel eindverslag, met daarin ten minste: 1°. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten; 2°. een overzicht van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee het desbetreffende strategisch belangrijke onderzoeksprogramma is gefinancierd; c. artikel 7, derde lid, onderdeel a bijlage 2 indien de subsidiabele kosten worden berekend overeenkomstig de methode, genoemd in, een afschrift van een rapport van feitelijke bevindingen betreffende de uitkomst van het onderzoek van een accountant betreffende de door de subsidieontvanger gehanteerde integrale kostensystematiek dat is opgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen invan deze regeling; en d. artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht bijlage 3 een controleverklaring van een accountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in, die informatie bevat waaruit blijkt dat met de aanvraag tot subsidievaststelling wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in, en is opgesteld overeenkomstig de voorschriften uit het protocol, opgenomen invan deze regeling. 5 De minister kan ten behoeve van de vaststelling van de subsidie bij de subsidieontvanger aanvullende informatie of bewijsstukken opvragen die nodig zijn om te beoordelen of voldaan is aan de in deze regeling gestelde eisen. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 19 — Artikel 19 Beschikking tot subsidievaststelling#
Artikel 19 Beschikking tot subsidievaststelling 1 artikel 18, tweede lid De minister geeft een beschikking op een aanvraag tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn, bedoeld in, is verstreken. 2 Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met dertien weken worden verlengd. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 20 — Artikel 20 Evaluatie#
Artikel 20 Evaluatie De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 21 — Artikel 21 Staatssteun#
Artikel 21 Staatssteun 1 artikel 2, eerste lid De subsidie, bedoeld in, bevat, met uitzondering van de subsidie voor het verrichten van niet-economische activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel a, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel b artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op economisch fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling als bedoeld in; b. artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur. 2 Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening bekend. 3 De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 22 — Artikel 22 Overgangsrecht#
Artikel 22 Overgangsrecht Op aanvragen om subsidieverlening die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 23 — Artikel 23 Vervaldatum#
Artikel 23 Vervaldatum Deze regeling vervalt met ingang van 3 november 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 24 — Artikel 24 Inwerkingtreding#
Artikel 24 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 3 november 2022. 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 25 — Artikel 25 Citeertitel#
Artikel 25 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO). 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 2022 29013 02-11-2022 28-10-2022 WJZ/22086636 03-11-2022
Artikel 3#
artikelen 3, eerste lid
Artikel 4#
4, eerste lid
Artikel 2#
artikel 2, derde lid, onderdeel a
Artikel 2#
artikel 2, derde lid, onderdeel b
Artikel 18#
artikel 18, vierde lid, onderdeel c
Artikel 18#
artikel 18, vierde lid, onderdeel d
Artikel 18#
artikel 18, vierde lid, onderdeel b