Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/160167, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
- BWB-id
- BWBR0049842
- Type
- ministeriele-regeling
- Ministerie
- Infrastructuur en Waterstaat
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-06-03
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0049842
- ELI
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2024/tijdelijke-subsidieregeling-zero-emissie-mobiliteit
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/ministeriele-regeling/2024/tijdelijke-subsidieregeling-zero-emissie-mobiliteit/2026-06-03
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0049842&g=2026-06-03
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0049842&z=2026-06-06&g=2026-06-03
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0049842/2026-06-03
Absolute ELI: /eli/nl/ministeriele-regeling/2024/tijdelijke-subsidieregeling-zero-emissie-mobiliteit
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: aanschaf: artikel 84, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek paragraaf 3.2 van het Besluit heffing omzetbelasting bij leasing verkrijging van de eigendom, bedoeld in, krachtens koop of financial leasing als bedoeld in; categorie: verordening (EU) 2018/858 voertuigcategorie als bedoeld in artikel 4 van; groep: artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek groep als bedoeld in; grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M ; Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat; mkb-onderneming: onderneming in de zin van artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; offerteprijs: prijs inclusief af fabriek opties zoals vermeld in de offerte, verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting; overeenkomst: artikel 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek paragraaf 3.2 van het Besluit heffing omzetbelasting bij leasing schriftelijke overeenkomst tot koop als bedoeld inof een schriftelijke overeenkomst tot financial leasing als bedoeld in; referentievoertuig: bijlage 3 vervoermiddel van dezelfde categorie, of zelfde soort logistiek werktuig als genoemd in, dat aan reeds van kracht zijnde toepasselijke Unienormen voldoet en dat zonder de steun zou zijn aangeschaft; RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; verordening (EU) 2018/858: verordening (EU) 2018/858 Verordeningen (EG) nr. 715/2007 (EG) nr. 595/2009 Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging vanenen tot intrekking van(PbEU 2018, L151); verordening 2023/1804: verordening (EU) 2023/1804 Richtlijn 2014/94/EU van het Europese Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking vanvan het Europese Parlement en de raad (PbEU 2023, L234). 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Doel van de regeling#
Artikel 1.2 Doel van de regeling 2 Deze regeling heeft als doel het stimuleren van activiteiten gericht op investeringen in oplaad- en tankinfrastructuur en emissievrije voer- en werktuigen ten behoeve van de overstap naar emissievrije voer- en werktuigen, teneinde de emissie van COen luchtverontreinigende stoffen te verminderen. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 Algemene afwijzingsgronden#
Artikel 1.3 Algemene afwijzingsgronden artikelen 11 12 van het Kaderbesluit In aanvulling op deenwordt een subsidieaanvraag afgewezen als de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is en: a. voor zover er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, punt achttien, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend; of d. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 01-07-2024
Artikel 1.4 — Artikel 1.4 Begrotingsvoorbehoud#
Artikel 1.4 Begrotingsvoorbehoud artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.1.1 — Artikel 2.1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.1.1 Begripsbepalingen basisafname: gemiddelde afname door nieuwe emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen van deelnemers aan het samenwerkingsverband; dagcapaciteit: aantal kilogram waterstof dat een waterstoftankstation per dag kan laten tanken; directe loonkosten: Zorgverzekeringswet het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of dertiende maand, de werkgeverslasten bestaande uit werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage, en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen; emissievrij licht waterstofvoertuig: een emissievrij vervoermiddel als bedoeld in artikel 2, punt 102 octies, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, dat zich als waterstofvoertuig kwalificeert; emissievrij logistiek waterstofwerktuig: bijlage 3 emissievrij waterstofwerktuig als genoemd in, dat voor het gebruik uitsluitend waterstof gebruikt als energiedrager; emissievrij zwaar waterstofvoertuig: een emissievrij vervoermiddel als bedoeld in artikel 2, punt 102 octies, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, dat zich als waterstofvoertuig kwalificeert; hernieuwbare waterstof: waterstof als bedoeld in artikel 2, punt 102 quater, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; locatie: de postcode van de locatie waar het waterstoftankstation is of wordt aangelegd; maximummassa: de technisch toelaatbare maximummassa van een vrachtwagen in beladen toestand; maximummassa van de combinatie: bijlage 3 de maximummassa die, voor zover het N3-voertuig, bedoeld inbetreft, mag worden uitgerust met een of meer aanhangwagens of opleggers, wordt vermeerderd met de technisch toelaatbare maximummassa van de aanhangwagens of opleggers in beladen toestand die het voertuig maximaal mag trekken; mobiele waterstofopslag: verordening (EU) 2018/858 een aanhangwagen van categorie O2, O3 of O4 volgens, met daarop een reservoir waarin waterstof onder druk gasvormig of vloeibaar wordt opgeslagen, zoals bijvoorbeeld een tubetrailer of een multiple energy gas container (MEGC); multimodaal waterstoftankstation: waterstoftankstation dat geschikt is voor het leveren van waterstof aan vrachtvervoer over de weg en aan ten minste één van de volgende vervoersmodaliteiten: i. spoorvervoer; ii. vervoer over de binnenwateren; iii. zeevervoer; nieuw emissievrij waterstofvoertuig: emissievrij licht of zwaar waterstofvoertuig waarvan, blijkens vermelding in het kentekenregister, de datum eerste toelating, de datum eerste inschrijving in Nederland en de datum tenaamstelling gelijk zijn; nieuw emissievrij logistiek waterstofwerktuig: emissievrij logistiek waterstofwerktuig waarvan uit de offerte op basis waarvan het werktuig wordt aangeschaft, blijkt dat dit niet eerder is gebruikt; offerte: formeel, schriftelijk, aanbod tot het sluiten van een overeenkomst voor de aanschaf van een nieuw emissievrij waterstofvoertuig of nieuw emissievrij logistiek waterstofwerktuig, opgesteld op verzoek van de aanvrager; retrofitting: het aanpassen van vervoermiddelen of werktuigen waardoor deze als emissievrije vervoermiddelen of emissievrije werktuigen zijn te kwalificeren; stedelijk knooppunt: Verordening (EU) 2023/1804 stedelijk knooppunt als bedoeld artikel 2, punt 72 van; tankpunt: een tankfaciliteit voor de levering van een vloeibare of gasvormige alternatieve brandstof via een vaste installatie, waaraan slechts één voertuig tegelijk kan worden bijgetankt; verordening (EU) 2018/858: Verordening (EU) 2018/858 Verordeningen (EG) nr. 715/2007 (EG) nr. 595/2009 Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging vanenen tot intrekking van(PbEU 2018, L151); verordening 2023/1804: Verordening (EU) 2023/1804 Richtlijn 2014/94/EU van het Europese Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking vanvan het Europese Parlement en de raad (PbEU 2023, L234); waterstoftankstation: een vaste installatie, bestaande uit een of meer tankpunten, om vervoermiddelen van waterstof te voorzien; waterstofvoertuig: een voertuig dat voor de voortbeweging waterstof gebruikt als energiedrager; zero-emissiezone: nul-emissiezone voor bedrijfs- en vrachtauto’s die het bevoegd gezag heeft ingesteld door middel van een verkeersbesluit en het plaatsen van het bijbehorende verkeersbord C22c en onderbord C22c1; zwaar wegvervoer: verordening (EU) 2018/858 wegvervoer door voertuigen van categorie M3, N2 of N3 volgens. 2026 17287 12-05-2026 11-05-2026 IENW/BSK-2026/81960 2026 17287 12-05-2026 11-05-2026 IENW/BSK-2026/81960 13-05-2026 01-04-2026
Artikel 2.1.2 — Artikel 2.1.2 Doel van de subsidie#
Artikel 2.1.2 Doel van de subsidie 2 Deze paragraaf heeft tot doel het stimuleren van investeringen in waterstoftankstations, emissievrije waterstofvoertuigen voor wegvervoer, en emissievrije logistieke waterstofwerktuigen teneinde een bijdrage te leveren aan de ambitie uit het Klimaatakkoord van 50 waterstoftankstations in 2025, aan de behoefte aan waterstofvoertuigen in de transportmarkt en aan het verminderen van de emissie van COen luchtverontreinigende stoffen door vervoer. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.3 — Artikel 2.1.3 Subsidiabele activiteiten#
Artikel 2.1.3 Subsidiabele activiteiten 1 De Minister kan, overeenkomstig het bepaalde bij deze paragraaf, aan een aanvrager subsidie verstrekken voor projecten gericht op de investering in de aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation dat geschikt is of wordt voor zwaar wegvervoer, waaronder in dit hoofdstuk ook een multimodaal waterstoftankstation wordt begrepen, in combinatie met de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije lichte of zware waterstofvoertuigen of retrofitting van één of meerdere vervoermiddelen, waardoor deze als emissievrije lichte of zware waterstofvoertuigen kwalificeren. 2 In aanvulling op de in het eerste lid bedoelde combinatie kan ook subsidie worden verstrekt voor de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije logistieke waterstofwerktuigen of retrofitting van één of meerdere werktuigen, waardoor deze als emissievrije logistieke waterstofwerktuigen kwalificeren. 3 artikel 2.1.4 artikel 2.1.10a, eerste lid, onderdeel e In afwijking van het eerste en tweede lid kan subsidie worden verstrekt voor uitsluitend de aanschaf van één of meerdere waterstofvoertuigen of waterstofwerktuigen of retrofitting van één of meerdere vervoermiddelen of werktuigen, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de exploitant die deelneemt aan het samenwerkingsverband, bedoeld in, reeds een waterstoftankstation exploiteert, dat voldoet aan de eisen bedoeld inen, voor zover het een openbaar toegankelijk waterstoftankstation betreft, onderdeel f, of daartoe met de werkzaamheden is aangevangen. 4 Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid geldt een basisafname van ten minste 300 kilogram waterstof per dag, waarvan minimaal de helft wordt behaald door de aanschaf van nieuwe emissievrije zware waterstofvoertuigen of retrofitting van zware vervoermiddelen. 5 De aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation als bedoeld in het eerste lid kan over de looptijd van de regeling de investering van ten hoogste drie mobiele waterstofopslagen omvatten die: a. worden gebruikt voor het leveren van waterstof aan het waterstoftankstation waarop de aanvraag van het samenwerkingsverband betrekking heeft; en b. dienen als voorraadvat van het waterstoftankstation. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.4 — Artikel 2.1.4 Aanvrager#
Artikel 2.1.4 Aanvrager 1 Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door de penvoerder van een samenwerkingsverband van ondernemingen die elk afzonderlijk: a. zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, en b. een vestiging in Nederland hebben. 2 Tot het samenwerkingsverband behoren ten minste een exploitant van een waterstoftankstation en een onderneming die actief is in transport of logistiek. 3 Wet gemeenschappelijke regelingen Een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in dekan geen deel uitmaken van het samenwerkingsverband. 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 01-07-2024
Artikel 2.1.5 — Artikel 2.1.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.1.5 Subsidiabele kosten 1 artikel 2.1.3, eerste lid Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft de investering in de aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis, 56ter of 56quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking komen. 2 Indien loonkosten op grond van het eerste lid voor subsidie in aanmerking komen, worden de kosten van de gewerkte uren berekend op basis van een uurtarief voor directe loonkosten. 3 Het uurtarief voor de directe loonkosten wordt bepaald door de directe loonkosten per jaar te delen door het aantal contracturen per jaar. 4 artikel 2.1.3, tweede of derde lid Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije waterstofvoertuigen, of voor retrofitting van één of meerdere vervoermiddelen, waardoor deze als emissievrij lichte of zware waterstofvoertuigen kwalificeren, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking komen. 5 artikel 86c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 In afwijking van het vierde lid zijn de kosten voor de aanschaf of retrofitting van een emissievrij licht waterstofvoertuig van categorie M1 slechts subsidiabel indien het een voor rolstoelen toegankelijk voertuig betreft als bedoeld inen het voertuig over meer dan vier zitplaatsen beschikt. 6 artikel 2.1.3, tweede en derde lid Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het waterstofwerktuigen betreft, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking komen. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.6 — Artikel 2.1.6 Hoogte subsidie#
Artikel 2.1.6 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt: a. voor de investering in de aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation dat geschikt is of wordt voor zwaar wegvervoer: maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van € 3.000.000 per aanvraag; b. voor de investering in de aanleg of opwaardering van een multimodaal waterstoftankstation: maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van € 4.000.000 per aanvraag; c. voor de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije waterstofvoertuigen, of voor de retrofitting van één of meerdere vervoermiddelen, waardoor deze als emissievrij lichte of zware waterstofvoertuigen kwalificeren: maximaal 80% van de in aanmerking komende kosten, € 4.000 maal de dagcapaciteit van het waterstoftankstation in kilogrammen, met een maximum van € 8.000.000 per aanvraag en een maximum van: i. € 60.000 per emissievrij licht waterstofvoertuig van categorie N1; ii. € 150.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie N2 dat voorzien is van een brandstofcel; iii. € 50.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie N2 dat voorzien is van een waterstofverbrandingsmotor; iv. € 220.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie N3, met een gewicht van minder dan 30.000 kilogram, dat voorzien is van een brandstofcel; v. € 300.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie N3, met een gewicht van ten minste 30.000 kilogram, dat voorzien is van een brandstofcel; vi. € 70.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie N3, met een gewicht van minder dan 30.000 kilogram, dat voorzien is van een waterstofverbrandingsmotor; vii. € 100.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie N3, met een gewicht van ten minste 30.000 kilogram, dat voorzien is van een waterstofverbrandingsmotor; viii. € 100.000 per emissievrij licht waterstofvoertuig van categorie M1; ix. € 150.000 per emissievrij licht waterstofvoertuig van categorie M2; x. € 300.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie M3 dat voorzien is van een brandstofcel; xi. € 100.000 per emissievrij zwaar waterstofvoertuig van categorie M3 dat voorzien is van een waterstofverbrandingsmotor; d. bijlage 3 voor de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije logistieke waterstofwerktuigen als genoemd in, of voor retrofitting van één of meerdere werktuigen, waardoor deze als emissievrije logistieke waterstofwerktuigen kwalificeren: maximaal 80% van de in aanmerking komende kosten, tot een maximum van € 4.000 maal de dagcapaciteit van het waterstoftankstation in kilogrammen, met een maximum van € 8.000.000 per aanvraag en een maximum van: i. € 100.000 per emissievrije overslagmachine die voorzien is van een brandstofcel; ii. € 100.000 per vorkheftruck van meer dan 5 ton hefvermogen die voorzien is van een brandstofcel; iii. € 100.000 per verreiker die voorzien is van een brandstofcel; iv. € 300.000 per pushbacktruck die voorzien is van een brandstofcel; v. € 300.000 per terminaltrekker die voorzien is van een brandstofcel; e. Indien de aanvraag zowel de aanschaf of retrofitting bedoeld in onderdeel c als de aanschaf of retrofitting bedoeld in onderdeel d betreft, kan de subsidie voor beide activiteiten samen niet hoger zijn dan het maximum per aanvraag, genoemd in onderdeel c of d. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.7 — Artikel 2.1.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen#
Artikel 2.1.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen 1 artikel 2.1.3, eerste en tweede lid Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in, is: a. € 18.000.000 voor het jaar 2024; b. € 26.650.000 voor het jaar 2025; c. € 35.000.000 voor het jaar 2026; d. € 35.000.000 voor het jaar 2027; e. € 38.000.000 voor het jaar 2028; f. € 38.000.000 voor het jaar 2029. 2 artikel 2.1.3, derde lid Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in, is: a. € 10.000.000 voor het jaar 2024; b. € 14.000.000 voor het jaar 2025; c. € 10.000.000 voor het jaar 2026; d. € 10.000.000 voor het jaar 2027; e. € 10.000.000 voor het jaar 2028; f. € 10.000.000 voor het jaar 2029. 3 Indien een subsidieplafond, als bedoeld in eerste lid, voor dat jaar ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van het tweede lid. 4 Indien een subsidieplafond, als bedoeld in tweede lid, voor dat jaar ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van het eerste lid. 5 De Minister verdeelt de in de betreffende subsidieperiode beschikbare gelden op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.8 — Artikel 2.1.8 Rangschikkingscriteria#
Artikel 2.1.8 Rangschikkingscriteria 1 artikel 2.1.3, eerste lid Aanvragen voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft de investering in de aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation dat geschikt is of wordt voor zwaar wegvervoer, worden beoordeeld op: a. de mate waarin de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, blijkend uit de hoogte van de gevraagde subsidie afgezet tegen de dagcapaciteit vermenigvuldigd met het aantal tankpunten van het waterstoftankstation, te waarderen met maximaal 70 punten; b. de fase waarin de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het waterstoftankstation verkeert, te waarderen met maximaal 10 punten; c. de dagcapaciteit van het waterstoftankstation en de opschaalbaarheid van de dagcapaciteit, te waarderen met maximaal 5 punten; d. het aantal onafhankelijk van elkaar werkende tankpunten dat geschikt is voor wegvervoer, zoals blijkt uit de aangevraagde of verleende omgevingsvergunning, te waarderen met maximaal 5 punten; e. openbare toegankelijkheid, te waarderen met 10 punten. 2 artikel 2.1.3, derde lid Aanvragen voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, worden beoordeeld op de mate waarin de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, blijkend uit de hoogte van het gevraagde subsidiepercentage afgezet tegen het maximale percentage subsidie dat kan worden aangevraagd, te waarderen met maximaal 100 punten. 3 bijlage 2 De hoogte van de score ten aanzien van de criteria bedoeld in het eerste en tweede lid geschiedt met inachtneming van de nadere uitwerking hiervan zoals opgenomen in. 4 artikel 2.1.3, eerste lid Bij een aanvraag voor subsidie als bedoeld in, worden de scores bedoeld in het derde lid bij elkaar opgeteld. 5 Indien de aanvrager aantoont dat het waterstoftankstation uitsluitend hernieuwbare waterstof levert, ontvangt de aanvraag 5 punten bovenop de score zoals deze volgt uit toepassing van het vierde lid. 6 De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend. 7 artikel 2.1.3, eerste lid bijlage 1 Indien subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, wordt aangevraagd voor een openbaar toegankelijk waterstoftankstation in een gemeente die is opgenomen in, plus maximaal 10 rijkilometers vanaf de gemeentegrens, heeft deze aanvraag, in afwijking van het bepaalde in het zesde lid, voorrang op aanvragen van een samenwerkingsverband waarvoor geldt dat het waterstoftankstation is of wordt gevestigd in een gemeente die niet in bijlage 1 is opgenomen. 8 bijlage 1 Indien meerdere aanvragen worden ingediend door samenwerkingsverbanden waarvan het openbaar toegankelijke waterstoftankstation is of wordt gevestigd in een gemeente die is opgenomen in, geldt de voorrangsregel uit het zevende lid uitsluitend voor de aanvraag die de hoogste score heeft behaald zoals deze volgt uit toepassing van het vierde en vijfde lid. 9 Indien aanvragen na toepassing van het achtste lid op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting en geldt de voorrangsregel uit het zevende lid uitsluitend voor de aanvraag die als hoogste is gerangschikt. 10 Indien na toepassing van het zesde tot en met negende lid aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.9 — Artikel 2.1.9 Aanvraagperiode#
Artikel 2.1.9 Aanvraagperiode 1 Een aanvraag tot subsidieverlening op grond van deze paragraaf kan worden ingediend: a. in 2024 van 15 juli 2024, 9.00 uur tot en met 6 september 2024, 12.00 uur; b. in 2025 van 1 april 2025, 9.00 uur tot en met 18 juni 2025, 17.00 uur; c. in 2026 van 1 april 2026, 9.00 uur tot en met 13 mei 2026, 17.00 uur; d. in 2027 van 31 maart 2027, 9.00 uur tot en met 11 mei 2027, 17.00 uur; e. in 2028 van 4 april 2028, 9.00 uur tot en met 16 mei 2028, 17.00 uur; f. in 2029 van 4 april 2029, 9.00 uur tot en met 16 mei 2029, 17.00 uur. 2 Een wijziging of aanvulling van een ingediende aanvraag, die na de sluiting van de aanvraagperiode op eigen initiatief door de aanvrager wordt ingediend, wordt niet bij de beoordeling betrokken. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.10 — Artikel 2.1.10 Aanvraag#
Artikel 2.1.10 Aanvraag 1 Een aanvrager kan bij de Minister een aanvraag om subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO. 2 artikel 10 van het Kaderbesluit Een aanvraag tot subsidieverlening bevat naast de ingenoemde gegevens ten minste: a. naam en adres van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; b. contactpersoon met contactgegevens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; c. inschrijfnummer van de deelnemers aan het samenwerkingsverband bij de Kamer van Koophandel; d. de code of codes verbonden aan de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek van de deelnemers aan het samenwerkingsverband die actief zijn in transport of logistiek; e. onderbouwing waaruit blijkt dat het project uiterlijk 36 maanden na verlening kan worden afgerond; f. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van andere bestuursorganen. 3 De Minister kan de aanvrager verzoeken documenten te overleggen met betrekking tot de aanvraag. 4 artikel 2.1.3 artikel 2.1.9, eerste lid Een aanvrager kan voor de subsidiabele activiteiten bedoeld in, per locatie waar het waterstoftankstation is of wordt gevestigd, één aanvraag indienen per aanvraagperiode als bedoeld in. 5 artikel 2.1.9, eerste lid Indien een aanvrager in afwijking van het vierde lid meer dan één aanvraag indient per aanvraagperiode als bedoeld in, wordt alleen de eerst ingediende aanvraag behandeld. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.10a — Artikel 2.1.10a Aanvraag aanleg of opwaardering waterstoftankstation#
Artikel 2.1.10a Aanvraag aanleg of opwaardering waterstoftankstation 1 artikel 2.1.10 artikel 2.1.3, eerste en tweede lid In aanvulling opbevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in, voor zover het betreft de investering in de aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation, de volgende gegevens en bescheiden: a. onderbouwing van de kosten van de investering in aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation; b. onderbouwing van de dagcapaciteit van het waterstoftankstation aan de hand van een offerte; c. bijlage 3 onderbouwing aan de hand van de uitgangspunten zoals opgenomen invan de afname door emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistiek waterstofwerktuigen van de dagcapaciteit na het uitvoeren van het project; d. uit de onderbouwing, bedoeld in onderdeel c, blijkt dat het waterstoftankstation de basisafname na het uitvoeren van het project behaalt, waarbij minimaal de helft van deze afname bestaat uit afname door emissievrije zware waterstofvoertuigen waarvoor subsidie wordt aangevraagd; e. de voor de subsidiabele activiteit benodigde omgevingsvergunning, of aanvraag daarvoor, waaruit in elk geval blijkt dat het waterstoftankstation: i. een minimale dagcapaciteit heeft van 1.000 kilogram, en voorzien is van ten minste twee onafhankelijk van elkaar werkende tankpunten; en ii. mede toegankelijk is voor zwaar wegvervoer; f. indien het waterstoftankstation openbaar toegankelijk is, toont de aanvrager aan dat het waterstoftankstation: i. in elk geval beschikt over een tankpunt van 350 bar en een tankpunt van 700 bar; ii. beschikt over mogelijkheden waardoor de eindgebruiker elektronisch kan betalen via terminals en apparatuur voor betaaldiensten, waaronder ten minste een van de volgende: 1° betaalkaartlezers; 2° apparatuur voor contactloos betalen die ten minste in staat is betaalkaarten te lezen; iii. voorzien is van prijsinformatie die beschikbaar is vóór het begin van een tankbeurt waarbij de in rekening gebrachte prijs redelijk, gemakkelijk en duidelijk vergelijkbaar, transparant en niet-discriminerend is; g. een onderbouwing waaruit blijkt dat het waterstoftankstation alleen open staat voor een beperkte en nader omschreven groep personen of openbaar toegankelijk is. 2 Indien de aanvraag een multimodaal waterstoftankstation betreft dat mede is gericht op vervoer over de binnenwateren of zeevervoer, bevat de aanvraag in aanvulling op het eerste lid: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat het multimodale waterstoftankstation op gelijke en niet-discriminerende wijze tegen marktvoorwaarden aan belangstellende gebruikers beschikbaar wordt gesteld, en, b. indien de aanvraag voor het onderdeel dat ziet op het vervoer over de binnenwateren meer dan € 2,2 miljoen subsidie betreft een onderbouwing waaruit blijkt de subsidie niet hoger is dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering, waarbij de exploitatiewinst vooraf op basis van redelijke prognoses op de in aanmerking komende kosten in mindering wordt gebracht. 3 artikel 2.1.8, vijfde lid Richtlijn (EU) 2018/2001 Indien de aanvrager in aanmerking wil komen voor de extra punten als bedoeld in, toont hij op basis vanaan dat sprake is van hernieuwbare waterstof van niet-biologische oorsprong. 4 artikel 2.1.8, vijfde lid Indien de aanvrager niet in aanmerking wil komen voor de extra punten bedoeld in, verstrekt hij in aanvulling op het derde lid een schriftelijke verklaring met de toezegging dat het waterstoftankstation uiterlijk op 31 december 2035 uitsluitend hernieuwbare waterstof zal leveren. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.10b — Artikel 2.1.10b Aanvraag aanschaf nieuwe emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen#
Artikel 2.1.10b Aanvraag aanschaf nieuwe emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen 1 artikel 2.1.10 artikel 2.1.3, eerste, tweede of derde lid bijlage 3 In aanvulling opbevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in, voor zover het betreft nieuwe emissievrije waterstofvoertuigen of nieuwe emissievrije logistieke waterstofwerktuigen als genoemd in, de volgende gegevens en bescheiden: a. merk, type en handelsbenaming van elk nieuw emissievrij waterstofvoertuig of emissievrij logistiek waterstofwerktuig waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. kopie van de offerte van minder dan zes maanden oud, met inbegrip van de offerteprijs, voor de voorgenomen aanschaf van elk nieuw emissievrij waterstofvoertuig of emissievrij logistiek waterstofwerktuig waaruit blijkt dat dit zich kwalificeert als emissievrij licht of zwaar waterstofvoertuig of als emissievrij logistiek waterstofwerktuig; c. een bewijs van minder dan zes maanden oud waaruit blijkt wat de prijs van het referentievoertuig of het referentiewerktuig is. 2 Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, geldt voor een emissievrij logistiek waterstofwerktuig dat de offerte is voorzien van een verklaring van de offrerende partij dat het waterstofwerktuig nieuw is en niet eerder gebruikt. 3 Indien de aanvraag een emissievrij licht waterstofvoertuig van categorie M1 betreft, verstrekt de aanvrager in aanvulling op het eerste lid een kopie van de offerte waaruit blijkt dat: a. artikel 86c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 het een voor rolstoelen toegankelijk voertuig betreft als bedoeld in; b. artikel 1.1 van de Regeling voertuigen het voertuig over meer dan vier zitplaatsen als bedoeld inbeschikt. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.10c — Artikel 2.1.10c Aanvraag retrofitting emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen#
Artikel 2.1.10c Aanvraag retrofitting emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen 1 artikel 2.1.10 artikel 2.1.3, eerste, tweede of derde lid bijlage 3 In aanvulling opbevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in, voor zover het betreft retrofitting van emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen als genoemd in, de volgende gegevens en bescheiden: a. merk, type en handelsbenaming van elk voertuig dat zich door retrofitting als emissievrij waterstofvoertuig of emissievrij logistiek waterstofwerktuig kwalificeert; b. kopie van de offerte van minder dan zes maanden oud, met inbegrip van de offerteprijs, voor de voorgenomen retrofitting, waaruit blijkt dat in het voertuig bedoeld in onderdeel a geen interne verbrandingsmotor achterblijft waardoor het voertuig zich niet kwalificeert als emissievrij licht of zwaar waterstofvoertuig of als emissievrij logistiek waterstofwerktuig. 2 Indien de aanvraag een emissievrij licht waterstofvoertuig van categorie M1 betreft, verstrekt de aanvrager in aanvulling op het eerste lid een kopie van de offerte waaruit blijkt dat: a. artikel 86c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 het een voor rolstoelen toegankelijk voertuig betreft als bedoeld in; b. artikel 1.1 van de Regeling voertuigen het voertuig over meer dan vier zitplaatsen als bedoeld inbeschikt. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.10d — Artikel 2.1.10d Aanvraag uitsluitend aanschaf of retrofitting emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen#
Artikel 2.1.10d Aanvraag uitsluitend aanschaf of retrofitting emissievrije waterstofvoertuigen of emissievrije logistieke waterstofwerktuigen artikel 2.1.3, derde lid artikelen 2.1.10b 2.1.10c Indien de aanvraag uitsluitend de subsidiabele activiteiten betreft, bedoeld in, verstrekt de aanvrager in aanvulling op de gegevens, bedoeld in deende volgende gegevens en bescheiden: a. bijlage 3 een onderbouwing waaruit aan de hand van de uitgangspunten zoals opgenomen inblijkt dat de exploitant van het waterstoftankstation de basisafname behaalt, of na het uitvoeren van het project behaalt, waarbij minimaal de helft van deze afname bestaat uit afname door emissievrije zware waterstofvoertuigen; b. de voor de subsidiabele activiteit benodigde omgevingsvergunning waaruit in elk geval blijkt dat het waterstoftankstation: i. een minimale dagcapaciteit heeft van 1.000 kilogram, en voorzien is van ten minste twee onafhankelijk van elkaar werkende tankpunten; ii. toegankelijk is voor zwaar wegvervoer; c. indien het waterstoftankstation openbaar toegankelijk is, toont de aanvrager aan dat het waterstoftankstation: i. in elk geval beschikt over een tankpunt van 350 bar en een tankpunt van 700 bar; ii. beschikt over mogelijkheden waardoor de eindgebruiker elektronisch kan betalen via terminals en apparatuur voor betaaldiensten, waaronder ten minste een van de volgende: 1° betaalkaartlezers; 2° apparatuur voor contactloos betalen die ten minste in staat is betaalkaarten te lezen; iii. voorzien is van prijsinformatie die beschikbaar is vóór het begin van een tankbeurt waarbij de in rekening gebrachte prijs redelijk, gemakkelijk en duidelijk vergelijkbaar, transparant en niet-discriminerend is. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.11 — Artikel 2.1.11 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.1.11 Afwijzingsgronden 1 artikel 1.3 In aanvulling opbeslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf. 2 artikel 2.1.3, eerste of tweede lid In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije lichte of zware waterstofvoertuigen of nieuwe emissievrije logistieke waterstofwerktuigen, indien ten tijde van de aanvraag om subsidieverlening het nieuwe emissievrije waterstofvoertuig reeds is tenaamgesteld of het waterstofwerktuig reeds is aangeschaft. 3 artikel 2.1.3, eerste of tweede lid In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft retrofitting van één of meerdere vervoermiddelen of werktuigen, indien uit de aanvraag blijkt dat het voertuig na de retrofitting niet kwalificeert als emissievrij licht of zwaar waterstofvoertuig. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.12 — Artikel 2.1.12 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.1.12 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 17 van het Kaderbesluit In aanvulling opis de subsidieontvanger verplicht het project binnen 36 maanden na de subsidieverlening af te ronden. 2 artikel 2.1.3, eerste lid In aanvulling op het eerste lid is de exploitant van het waterstoftankstation bij de subsidiabele activiteit bedoeld in, verplicht een van de volgende soorten waterstof te leveren: a. 2 blauwe waterstof, te weten waterstof geproduceerd uit fossiele brandstoffen, waarbij gebruikt wordt gemaakt van CO-afvang en opslag; b. waterstof als bijproduct uit chlor-alkali-proces op basis van gecertificeerde hernieuwbare elektriciteit; c. waterstof verkregen uit steam methane reforming op basis van gecertificeerd groen gas; of d. hernieuwbare waterstof. 3 artikel 2.1.3, eerste lid artikel 25 van het Kentekenreglement In aanvulling op het eerste lid is de subsidieontvanger bij de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije lichte of zware waterstofvoertuigen betreft, verplicht er zorg voor te dragen dat het nieuwe emissievrije waterstofvoertuig gedurende 48 maanden vanaf de datum van de eerste inschrijving en tenaamstelling, of registratie van het verstrekkingsvoorbehoud bedoeld in, ononderbroken op zijn naam is gesteld of een verstrekkingsvoorbehoud op zijn naam is geregistreerd in het kentekenregister. 4 De verplichting bedoeld in het derde lid geldt niet indien de subsidieontvanger het nieuwe emissievrije waterstofvoertuig vervangt door een ander nieuw emissievrij waterstofvoertuig dat ook in aanmerking zou zijn gekomen voor subsidie op grond van deze paragraaf en dit andere voertuig gedurende de nog resterende termijn van de periode, genoemd in het tweede lid, op zijn naam is gesteld of middels een verstrekkingsvoorbehoud op zijn naam is geregistreerd. 5 De uitzondering van het vierde lid geldt niet wanneer de subsidieontvanger voor het vervangende nieuwe emissievrije waterstofvoertuig subsidie aanvraagt. 6 Indien het nieuwe emissievrije waterstofvoertuig wordt vervangen door een ander nieuw emissievrij waterstofvoertuig als bedoeld in het vierde lid, is de subsidieontvanger verplicht om gedurende de in dat lid bedoelde resterende termijn te beschikken over het vervangende nieuwe emissievrije waterstofvoertuig. 7 artikel 2.1.3 In aanvulling op het eerste lid is de subsidieontvanger bij de subsidiabele activiteit bedoeld in, eerste lid, voor zover het betreft retrofitting van één of meerdere vervoermiddelen, verplicht gedurende 48 maanden na het sluiten van de overeenkomst op basis waarvan de retrofitting heeft plaatsgevonden het emissievrije waterstofvoertuig, zonder overdracht aan derden, in eigendom te hebben. 8 artikel 2.1.3, tweede en derde lid In aanvulling op het eerste lid is de subsidieontvanger bij de subsidiabele activiteit bedoeld in, verplicht er zorg voor te dragen het emissievrije logistieke waterstofwerktuig gedurende 48 maanden na het sluiten van de overeenkomst op basis waarvan de aanschaf of retrofitting heeft plaatsgevonden, zonder overdracht aan derden, in eigendom te hebben. 9 De Minister kan op verzoek van de subsidieontvanger uitstel verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien de subsidieontvanger kan aantonen dat de benodigde tijd voor de realisatie van het project langer is dan 36 maanden. 10 Het project eindigt na het verlenen van uitstel als bedoeld in het negende lid uiterlijk 48 maanden na de subsidieverlening. 11 De Minister kan in de beschikking tot subsidieverlening nadere verplichtingen opleggen. 2026 9759 13-03-2026 11-03-2026 IENW/BSK-2026/38049 2026 9759 13-03-2026 11-03-2026 IENW/BSK-2026/38049 14-03-2026 01-02-2026
Artikel 2.1.13 — Artikel 2.1.13 Voorschot#
Artikel 2.1.13 Voorschot 1 Met de beschikking tot subsidieverlening wordt 50% van het verleende subsidiebedrag als voorschot verstrekt. 2 Als minimaal 75% van de zware waterstofvoertuigen van categorie M3, N2 of N3 is aangeschaft, kan op verzoek van de aanvrager een aanvullend voorschot van 25% van het verleende subsidiebedrag worden verstrekt. 3 Het aanvullend voorschot, bedoeld in het tweede lid, wordt verstrekt na het overleggen van de kentekens van de reeds aangeschafte zware waterstofvoertuigen. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.14 — Artikel 2.1.14 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.1.14 Aanvraag subsidievaststelling 1 Een aanvrager kan bij de Minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO. 2 artikel 24 van het Kaderbesluit artikel 2.1.3, eerste lid In aanvulling opbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft de investering in de aanleg of opwaardering van een waterstoftankstation dat geschikt is of wordt voor zwaar wegvervoer, in elk geval de volgende gegevens: a. 2.1.12, tweede lid indien het waterstoftankstation reeds operationeel is, de afschriften van de leveringscontracten voor waterstof als bedoeld in, over de laatste 12 maanden van de projectperiode; b. 2.1.12, tweede lid een afschrift van het actuele leveringscontract voor waterstof als bedoeld in. 3 artikel 24 van het Kaderbesluit artikel 2.1.3, eerste, tweede of derde lid In aanvulling opbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissievrije lichte of zware waterstofvoertuigen, in elk geval de volgende gegevens: a. de overeenkomst op basis waarvan het nieuwe emissievrije waterstofvoertuig is aangeschaft; b. een document waaruit blijkt dat het nieuwe emissievrij waterstofvoertuig: i. op naam van de subsidieontvanger is gesteld; of ii. op naam van de subsidieontvanger met een verstrekkingsvoorbehoud is geregistreerd in het kentekenregister; c. het kenteken van het nieuwe emissievrije waterstofvoertuig dat is vermeld in de overeenkomst. 4 artikel 24 van het Kaderbesluit artikel 2.1.3, eerste lid In aanvulling opbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft retrofitting van één of meerdere vervoermiddelen, in elk geval de volgende gegevens: a. de overeenkomst op basis waarvan de retrofitting heeft plaatsgevonden; b. het kenteken van het betrokken waterstofvoertuig. 5 artikel 24 van het Kaderbesluit artikel 2.1.3, tweede lid In aanvulling opbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft de aanschaf van een nieuw emissievrij logistiek waterstofwerktuig, in elk geval een afschrift van de overeenkomst op basis waarvan de aanschaf daarvan heeft plaatsgevonden. 6 artikel 24 van het Kaderbesluit artikel 2.1.3, tweede lid In aanvulling opbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, voor zover het betreft retrofitting van een werktuig in elk geval een afschrift van de overeenkomst op basis waarvan retrofitting heeft plaatsgevonden. 7 artikel 24 van het Kaderbesluit In afwijking vanbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie geen controleverklaring. 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 2026 2666 30-01-2026 26-01-2026 IENW/BSK-2026/868 01-02-2026
Artikel 2.1.15 — Artikel 2.1.15 Gewijzigde vaststelling en terugvordering#
Artikel 2.1.15 Gewijzigde vaststelling en terugvordering 1 artikel 2.1.12, derde of zevende lid Indien niet is voldaan aan het bepaalde in, kan de Minister de vaststelling van de subsidie wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terugvorderen. 2 e artikel 2.1.12, derde of zevende lid Het terug te vorderen bedrag wordt bepaald door de subsidie te verminderen met 1/48deel van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in. 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 01-07-2024
Artikel 2.2.1 — Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: afrit: het punt waar uitwisseling kan plaatsvinden tussen een A- of N-weg en het onderliggend wegennet; hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; ingang: het punt waarop de toegangsweg overgaat in het terrein waarop de laadinfrastructuur staat of komt te staan; laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken; laadpunt: verordening 2023/1804 laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van; laadstation: verordening 2023/1804 laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van; stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation; zwaar elektrisch wegvervoer: verordening 2018/858 wegvervoer door elektrische voertuigen van categorie M3, N2 of N3 volgens. 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 02-04-2025
Artikel 2.2.2 — Artikel 2.2.2 Doel van de subsidie#
Artikel 2.2.2 Doel van de subsidie Deze paragraaf heeft tot doel het stimuleren van investeringen gericht op versnelling van de uitrol van publiek toegankelijke laadinfrastructuur voor zwaar elektrisch wegvervoer. 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 01-10-2024
Artikel 2.2.3 — Artikel 2.2.3 Subsidiabele activiteiten#
Artikel 2.2.3 Subsidiabele activiteiten 1 De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor investeringen in de aanleg of uitbreiding van een publiek toegankelijke elektrische laadlocatie in Nederland die geschikt is of wordt voor zwaar elektrisch wegvervoer tot een maximum van 3.600 kW en die: a. over minimaal 1.400 kW aan laadstations van 200 kW of meer beschikt die geschikt zijn voor zware voertuigen; b. over minimaal twee laadstations beschikt met een vermogen van ten minste 350 kW; c. voor alle laadpunten beschikt over een CCS- of MCS-connector; d. voor alle laadpunten is voorzien van funderingen die geschikt zijn voor voertuigen van ten minste 50 ton; e. voor alle laadpunten doorrijhoogtes heeft van minimaal 4,2 meter; f. voor alle laadpunten beschikt over fysieke ruimtes voor het laden van een trekker met oplegger combinatie van 16,5 meter; g. te allen tijde publiek toegankelijk is, ongeacht of de laadlocatie zich op openbaar dan wel op privéterrein bevindt; en h. minimaal 40 uur per week is geopend in de periode tussen 9 uur en 21 uur. 2 Indien de aanvrager aangeeft dat ter plaatse van de laadlocatie waarvoor subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd, binnen twee jaar na indiening van de aanvraag onvoldoende netcapaciteit beschikbaar is of zal komen, kan de Minister subsidie verstrekken voor een investering in een stationaire batterij tot een maximum van 1.400 kWh per laadlocatie. 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 02-04-2025
Artikel 2.2.4 — Artikel 2.2.4 Aanvrager#
Artikel 2.2.4 Aanvrager 1 Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door een onderneming die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland. 2 In afwijking van het eerste lid kan geen aanvraag worden ingediend door: a. artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 een OV-concessiehouder, te weten een vergunninghoudende vervoerder bedoeld in, van een concessie voor openbaar busvervoer; of b. Wet gemeenschappelijke regelingen een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de. 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 01-10-2024
Artikel 2.2.5 — Artikel 2.2.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.2.5 Subsidiabele kosten 1 artikel 2.2.3 Voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking komen. 2 In afwijking van het eerste lid komen investeringskosten voor on-site productie van hernieuwbare elektriciteit niet voor subsidie in aanmerking. 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 01-10-2024
Artikel 2.2.6 — Artikel 2.2.6 Hoogte subsidie#
Artikel 2.2.6 Hoogte subsidie 1 artikel 2.2.3, eerste lid De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in, per laadstation: a. € 19.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 200 kW tot 350 kW; b. € 43.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 350 kW tot 550 kW; c. € 80.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 550 kW. 2 Onverminderd het eerste lid is de subsidiehoogte bij een modulair systeem, waarbij sprake is van een fysieke scheiding tussen laadstations en vermogenskast, gebaseerd op de som van het geïnstalleerd vermogen dat parallel maximaal geleverd kan worden door de vermogenskast. 3 artikel 2.2.3, tweede lid De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in, € 80 per kWh opslag. 4 In aanvulling op het eerste en derde lid bedraagt de subsidie ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.2.7 — Artikel 2.2.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen#
Artikel 2.2.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen 1 Het subsidieplafond bedraagt: a. voor het jaar 2024 € 15.000.000; b. voor het jaar 2025 € 15.000.000; c. voor het jaar 2026 € 14.500.000. 2 De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 3 De Minister stelt de onderlinge rangschikking van aanvragen vast door middel van loting indien hij: a. bijlage 4 op dezelfde dag aanvragen ontvangt voor meerdere laadlocaties per tweecijferig postcodegebied als bedoeld invan deze regeling; en b. toekenning van deze aanvragen ertoe leidt dat gedurende de looptijd van de regeling subsidie wordt verleend voor meer dan vijf laadlocaties. 4 In afwijking van het tweede lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.2.8 — Artikel 2.2.8 Aanvraagperiode#
Artikel 2.2.8 Aanvraagperiode Een aanvraag tot subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend: a. van 1 oktober 2024, 9.00 uur tot en met 31 december 2024, 12.00 uur; b. van 13 mei 2025, 9.00 uur tot en met 19 december 2025, 12.00 uur; c. van dinsdag 3 februari 2026, 9.00 uur tot en met vrijdag 18 december 2026, 12.00 uur. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.2.9 — Artikel 2.2.9 Aanvraag#
Artikel 2.2.9 Aanvraag 1 Een aanvrager kan bij de Minister een aanvraag om subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO. 2 Een aanvrager kan per week twee aanvragen indienen voor de aanleg of uitbreiding van een laadlocatie. 3 Indien een aanvrager per week meer dan twee aanvragen indient, of indien eenzelfde groep waartoe meerdere aanvragers behoren per week meer dan twee aanvragen indient, neemt de Minister uitsluitend de eerste twee ingediende aanvragen in behandeling. 4 artikel 10 van het Kaderbesluit Een aanvraag tot subsidieverlening bevat naast de ingenoemde gegevens ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres; b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. de volledige postcode met het huisnummer of dichtstbijzijnde huisnummer van de laadlocatie; d. de coördinaten van de ingang; e. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie voor dezelfde laadlocatie; f. offerte met merk, type en specificaties van de laadstations en van de installatiekosten waaruit het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken; g. indien van toepassing bevat de aanvraag een overzicht van de overige subsidiabele kosten ten behoeve van de aanleg van laadinfrastructuur; h. de meest recente factuur van de netbeheerder waaruit blijkt wat het huidige aansluitvermogen en gecontracteerde transportvermogen is op de laadlocatie of een schriftelijke bevestiging van de netbeheerder die maximaal 3 maanden oud is, waaruit blijkt dat er binnen twee jaar na verlening van subsidie een netaansluiting van ten minste 100 kVA aanwezig is; i. een onderbouwing waaruit blijkt dat de laadlocatie bereikbaar is via een verharde toegangsweg die vanaf de afrit over de gehele lengte minstens zes meter breed is, waarbij de berm niet meetelt als onderdeel van de toegangsweg, en: i. ligt op een bedrijventerrein, te weten een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied; of ii. ligt op maximaal een kilometer rijafstand van een A- of N-weg, waarbij deze afstand met een algemeen aanvaarde routeplanner wordt gemeten vanaf het einde van de dichtstbijzijnde afrit tot aan de ingang; j. artikel 2.2.3, eerste lid, onderdelen a tot en met h documenten waaruit blijkt dat alle laadstations binnen twee jaar na de subsidieverlening volledig beschikbaar zijn voor gebruik door zwaar elektrisch wegvervoer, waarbij de laadlocatie voldoet aan; k. documenten waaruit blijkt dat de aanvrager aantoonbaar toestemming heeft van de eigenaar van de locatie voor het plaatsen en exploiteren van publiek toegankelijke elektrische laadstations die geschikt zijn voor zware voertuigen; en l. toestemming de laadlocatie, het aantal laadstations, het aantal laadpunten, het totale vermogen op de laadlocatie en indien van toepassing de opslagcapaciteit van de stationaire batterij van de aanvraag anoniem te publiceren. 5 artikel 2.2.3, eerste lid, onderdeel d In afwijking van het vierde lid, onderdeel j, hoeft de aanvrager niet te onderbouwen dat de laadlocatie voldoet aan, indien de laadlocatie: a. op een bedrijventerrein ligt; of b. een bestaand tankstation of laadstation betreft dat geschikt is voor zware voertuigen. 6 artikel 2.2.3, tweede lid In aanvulling op het vierde lid bevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in, een offerte met opslagcapaciteit en vermogen van de stationaire batterij waaruit blijkt dat de batterij communiceert met het laadstation waarvoor subsidie wordt aangevraagd. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.2.10 — Artikel 2.2.10 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.2.10 Afwijzingsgronden 1 artikel 1.3 Onverminderdbeslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf. 2 In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000, of b. bijlage 4 gedurende enig moment tijdens de looptijd van deze regeling door toekenning subsidie zou worden verleend voor meer dan vijf laadlocaties per tweecijferig postcodegebied als bedoeld invan deze regeling. 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 02-04-2025
Artikel 2.2.11 — Artikel 2.2.11 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.2.11 Subsidieverstrekking artikel 16 van het Kaderbesluit Op grond vanzijn de regels inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing op subsidies van € 125.000 of meer. 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 01-10-2024
Artikel 2.2.12 — Artikel 2.2.12 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.2.12 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 17 van het Kaderbesluit In aanvulling opis de subsidieontvanger verplicht: a. artikel 2.2.3, eerste lid, onderdelen a tot en met h alle laadpunten binnen twee jaar na de subsidieverlening volledig beschikbaar te hebben voor gebruik door zware elektrische wegvoertuigen, waarbij de laadlocatie voldoet aan; b. uiterlijk ten tijde van de aanvraag tot subsidievaststelling uitsluitend hernieuwbare elektriciteit te laten leveren voor de laadstations; en c. een laadsysteem te gebruiken dat permanent met het internet is verbonden waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt. 2 artikel 2.2.3, eerste lid In aanvulling op het eerste lid is de subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in, verplicht gedurende 36 aaneengesloten maanden na vaststelling van de subsidie: a. de laadinfrastructuur in te zetten als laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; en b. de laadinfrastructuur als publiek toegankelijk laadstation op te laten nemen in het publieke register. 3 artikel 2.2.3, tweede lid In aanvulling op het eerste lid is de subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in, verplicht gedurende 36 aaneengesloten maanden na vaststelling van de subsidie: a. de stationaire batterij, zonder overdracht aan derden, in eigendom te hebben; en b. ervoor zorg te dragen dat ten minste 70% van het aantal kWh dat uit de stationaire batterij wordt ontladen, wordt geleverd aan laadstations. 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 02-04-2025
Artikel 2.2.13 — Artikel 2.2.13 Voorschot#
Artikel 2.2.13 Voorschot De Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, een voorschot van 80 procent van het totaal verleende bedrag. 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 01-10-2024
Artikel 2.2.14 — Artikel 2.2.14 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.2.14 Aanvraag subsidievaststelling 1 Binnen dertien weken nadat de activiteit is afgerond wordt door de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO. 2 artikel 24 van het Kaderbesluit artikel 2.2.3, eerste lid In aanvulling opbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in, in elk geval: a. de EAN-code, te weten het unieke 18-cijferig nummer dat de hernieuwbare elektriciteit op het net identificeert die de laadstations gebruiken; en b. Richtlijn (EU) 2018/2001 een contract met een energieleverancier of een garantie van oorsprong als bedoeld in artikel 19 vanwaaruit blijkt dat uitsluitend hernieuwbare elektriciteit wordt geleverd voor de laadstations. 3 artikel 2.2.12, onderdeel a De subsidieontvanger kan bij de Minister een eenmalig verzoek doen tot uitstel van maximaal 12 maanden van de indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, indien hij kan aantonen dat de benodigde tijd voor de realisatie van de laadinfrastructuur langer is dan de periode, genoemd in. 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 2024 20156 03-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/176038 01-10-2024
Artikel 2.2.15 — Artikel 2.2.15 Gewijzigde vaststelling en terugvordering#
Artikel 2.2.15 Gewijzigde vaststelling en terugvordering 1 artikel 2.2.12, tweede of derde lid Indien niet is voldaan aan het bepaalde in, kan de Minister de vaststelling van de subsidie wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terugvorderen. 2 Het terug te vorderen bedrag wordt: a. artikel 2.2.3, eerste lid artikel 2.2.12, tweede lid, onderdeel a of b bij een subsidie als bedoeld in, bepaald door de subsidie te verminderen met 1/36e deel van het verstrekte subsidiebedrag, vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in; b. artikel 2.2.3, tweede lid artikel 2.2.12, derde lid, onderdeel a of b bij een subsidie als bedoeld in, bepaald door de subsidie te verminderen met 1/36e deel van het verstrekte subsidiebedrag, vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in. 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 2025 11425 01-04-2025 27-03-2025 IENW/BSK-2025/70369 02-04-2025
Artikel 2.3.1 — Artikel 2.3.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.3.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: AC laadstation: verordening 2023/1804 laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, vanzonder ingebouwde converter; OV-concessiehouder: artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 vergunninghoudende vervoerder als bedoeld invan een concessie voor openbaar busvervoer; DC laadstation: verordening 2023/1804 laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, vanmet ingebouwde converter; duopaal: AC laadstation met twee laadpunten die gelijktijdig een vermogen vanaf 11 kW per laadpunt kunnen leveren; exploitant van laadinfrastructuur: onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden; hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken; laadpunt: verordening 2023/1804 laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van; laadstation: verordening 2023/1804 laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van; MIA: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009; stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation. 2025 3352 31-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/15703 2025 3352 31-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/15703 01-02-2025
Artikel 2.3.2 — Artikel 2.3.2 Doel van de subsidie#
Artikel 2.3.2 Doel van de subsidie Deze paragraaf heeft tot doel het stimuleren van investeringen gericht op versnelling van de uitrol van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 24-09-2024
Artikel 2.3.3 — Artikel 2.3.3 Subsidiabele activiteiten#
Artikel 2.3.3 Subsidiabele activiteiten 1 De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is. 2 De laadinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste: a. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of b. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten. 3 De Minister kan in combinatie met de subsidie, bedoeld in het eerste lid, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt. 4 In afwijking van het derde lid geldt het maximum van 1.000 kWh niet indien de aanvrager OV-concessiehouder is. 5 De stationaire batterij, bedoeld in het derde lid, heeft een maximale hardwarematige C-waarde van 0,50, tenzij: a. deze is geïntegreerd in het DC laadstation; of b. de aanvrager OV-concessiehouder is. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.4 — Artikel 2.3.4 Aanvrager#
Artikel 2.3.4 Aanvrager 1 Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door een onderneming die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland. 2 In afwijking van het eerste lid kan geen subsidie worden aangevraagd door: a. Wet gemeenschappelijke regelingen een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de; b. een exploitant van laadinfrastructuur. 3 In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, kan een exploitant van laadinfrastructuur subsidie aanvragen indien de aanvraag realisatie van laadinfrastructuur voor eigen voertuigen of voertuigen van de eigen werknemers betreft. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.5 — Artikel 2.3.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.3.5 Subsidiabele kosten 1 artikel 2.3.3, eerste of derde lid Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen. 2 In afwijking van het eerste lid komen investeringskosten als bedoeld in artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor on-site productie van hernieuwbare elektriciteit niet voor subsidie in aanmerking. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.6 — Artikel 2.3.6 Hoogte subsidie#
Artikel 2.3.6 Hoogte subsidie 1 artikel 2.3.3, eerste lid De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in: a. bijlage 5 voor een grote onderneming het maximum per laadstation bedoeld in; b. bijlage 5 voor een mkb-onderneming het maximum per laadstation bedoeld in. 2 Onverminderd het eerste lid is de subsidiehoogte: a. bij AC laadstations gebaseerd op het vermogen aan het laadpunt; b. bij DC laadstations gebaseerd op het totale vermogen van het laadstation. 3 Onverminderd het tweede lid is de subsidiehoogte bij een modulair systeem, waarbij sprake is van een fysieke scheiding tussen laadstations en vermogenskast, gebaseerd op de som van het geïnstalleerd vermogen dat parallel maximaal geleverd kan worden door de vermogenskast. 4 artikel 2.3.3, derde lid De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in: a. voor een grote onderneming € 60 per kWh opslag; b. voor een mkb-onderneming € 85 per kWh opslag. 5 Onverminderd het eerste en vierde lid bedraagt de subsidie ten hoogste: a. 40% van de subsidiabele kosten voor een mkb-onderneming; b. 20% van de subsidiabele kosten voor een grote onderneming. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.7 — Artikel 2.3.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen#
Artikel 2.3.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen 1 artikel 2.3.3, eerste lid Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in, voor het jaar 2024: a. € 9.900.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft; b. € 23.842.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft; c. € 3.480.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft. 2 artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a In aanvulling op het eerste lid geldt dat de Minister in totaal ten hoogste 400 subsidies verstrekt voor activiteiten als bedoeld in. 3 artikel 2.3.3, vierde lid Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in, voor het jaar 2024: a. € 4.500.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven; b. € 800.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven. 4 De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 5 artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluit In afwijking van het vierde lid geldt voor een volledige aanvraag voor een subsidie van minder dan € 25.000 die is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond voor het betreffende jaar is bereikt, en die na de loting bedoeld ingeen subsidie ontvangt, als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan. 6 In afwijking van het vierde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager. 2024 38755 05-12-2024 04-12-2024 IENW/BSK-2024/327654 2024 38755 05-12-2024 04-12-2024 IENW/BSK-2024/327654 06-12-2024
Artikel 2.3.7a — Artikel 2.3.7a Subsidieplafond en wijze van verdelen 2025#
Artikel 2.3.7a Subsidieplafond en wijze van verdelen 2025 1 artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in, voor het jaar 2025 € 500.000. 2 artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b Voor OV-concessiehouders en touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in, en artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2025 € 9.000.000. 3 Voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2025: a. artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b voor activiteiten als bedoeld in: 1°. € 10.000.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft; 2°. € 31.552.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations betreft; b. artikel 2.3.3, vierde lid voor activiteiten als bedoeld in: € 10.400.000, voor aanvragen die uiterlijk 28 maart 2025 zijn ingediend. 4 artikel 2.3.7, vijfde lid De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij geldt dat aanvragen als bedoeld in, voorrang hebben op overige aanvragen. 5 artikel 2.3.11 artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluit Voor een volledige aanvraag als bedoeld indie in 2025 is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond is bereikt, en die na de loting bedoeld ingeen subsidie ontvangt, geldt als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan. 6 In afwijking van het vierde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat een subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager. 2025 21330 17-07-2025 15-07-2025 IENW/BSK-2025/139575 2025 21330 17-07-2025 15-07-2025 IENW/BSK-2025/139575 18-07-2025
Artikel 2.3.7b — Artikel 2.3.7b Subsidieplafond en wijze van verdelen 2026#
Artikel 2.3.7b Subsidieplafond en wijze van verdelen 2026 1 artikel 2.3.3, eerste en derde lid Voor OV-concessiehouders en touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in, voor het jaar 2026 € 9.000.000. 2 Voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2026: a. artikel 2.3.3, eerste lid voor activiteiten als bedoeld in: € 68.500.000; b. 2.3.3, derde lid voor activiteiten als bedoeld in artikel: € 45.000.000. 3 artikel 2.3.7a, vijfde lid De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij geldt dat aanvragen als bedoeld in, voorrang hebben op overige aanvragen. 4 artikel 2.3.11 artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluit Voor een volledige aanvraag als bedoeld indie in 2026 is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond is bereikt, en die na de loting bedoeld ingeen subsidie ontvangt, geldt als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan. 5 In afwijking van het derde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat een subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager. 2026 19138 02-06-2026 29-05-2026 IENW/BSK-2026/87567 2026 19138 02-06-2026 29-05-2026 IENW/BSK-2026/87567 03-06-2026
Artikel 2.3.7c — Artikel 2.3.7c#
Artikel 2.3.7c Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2027. 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 24-09-2024
Artikel 2.3.7d — Artikel 2.3.7d#
Artikel 2.3.7d Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2028. 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 24-09-2024
Artikel 2.3.8 — Artikel 2.3.8 Aanvraagperiode#
Artikel 2.3.8 Aanvraagperiode 1 artikel 2.3.7 Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 24 september 2024, 9.00 uur tot en met 31 december 2024, 12.00 uur voor het subsidieplafond bedoeld in. 2 artikel 2.3.7a Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 25 maart 2025, 9.00 uur tot en met 19 december 2025, 12.00 uur voor het subsidieplafond bedoeld in. 3 artikel 2.3.7b Een aanvraag tot subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 20 januari 2026, 9.00 uur tot en met 18 december 2026, 12.00 uur voor het subsidieplafond bedoeld in. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.9 — Artikel 2.3.9 Aanvraag algemeen#
Artikel 2.3.9 Aanvraag algemeen 1 Een aanvrager kan bij de Minister een aanvraag om subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO. 2 artikel 2.3.3, eerste of derde lid Een aanvrager kan voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, per laadlocatie een aanvraag per kalenderjaar indienen. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.10 — Artikel 2.3.10 Aanvraag advisering#
Artikel 2.3.10 Aanvraag advisering Vervallen 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.11 — Artikel 2.3.11 Aanvraag aanleg laadinfrastructuur onder € 25.000#
Artikel 2.3.11 Aanvraag aanleg laadinfrastructuur onder € 25.000 1 artikel 2.3.3, eerste lid Indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in, ingediend in hetzelfde kalenderjaar of binnen 13 weken na de datum waarop de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd. 2 artikel 10 van het Kaderbesluit De aanvraag bevat, naast de ingenoemde gegevens, ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer; b. een mkb-verklaring indien de aanvrager een mkb-onderneming is; c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; d. de doelgroep waartoe de gebruikers van de laadinfrastructuur behoren; e. de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur is aangelegd; f. een factuur voor de aanleg van de laadstations, voorzien van merk, type en specificaties van de laadstations, waaruit het aantal laadpunten, het vermogen aan het laadpunt en het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt op welke datum de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd; g. de-minimisverklaring; en h. een document waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.12 — Artikel 2.3.12 Aanvraag aanleg laadinfrastructuur vanaf € 25.000#
Artikel 2.3.12 Aanvraag aanleg laadinfrastructuur vanaf € 25.000 1 artikel 2.3.3, eerste lid artikel 10 van het Kaderbesluit Indien de aangevraagde subsidie ten minste € 25.000 bedraagt, bevat een aanvraag tot subsidieverlening voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, naast de ingenoemde gegevens ten minste: a. gegevens over de aanvrager, waaronder het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer; b. een mkb-verklaring indien de aanvrager een mkb-onderneming is; c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; d. de doelgroep waartoe de gebruikers van de laadinfrastructuur behoren; e. de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur wordt aangelegd; f. een contract met de netbeheerder dat de voorziene netcapaciteit dekt; g. een offerte met merk, type en specificaties van de laadstations en met de installatiekosten waaruit het aantal laadpunten, het vermogen aan het laadpunt en het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt dat: i. het laadsysteem permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken; en ii. het project gelet op de realisatiedatum uiterlijk 24 maanden na de verlening kan worden afgerond; h. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie voor de aanleg van laadinfrastructuur op dezelfde locatie. 2 In afwijking van eerste lid, onderdeel f, overlegt de aanvrager een capaciteitsberekening waarin wordt aangetoond dat de benodigde netcapaciteit binnen 24 maanden na de verlening gerealiseerd wordt, indien de benodigde netcapaciteit meer dan 50% is van het maximaal beschikbare vermogen op de huidige aansluiting, zoals blijkt uit het contract bedoeld in het eerste lid, onderdeel f. 3 artikel 2.3.3, derde lid In aanvulling op eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in: een offerte met opslagcapaciteit, vermogen en C-waarde van de stationaire batterij, waaruit tevens blijkt dat de batterij communiceert met het laadstation waarvoor subsidie wordt aangevraagd. 4 Een OV-concessiehouder: a. overlegt niet de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, en het tweede lid; b. vermeldt de datum van de gunning van de concessie waaruit blijkt dat hij batterij-elektrische bussen inzet. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.13 — Artikel 2.3.13 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.3.13 Afwijzingsgronden 1 artikel 1.3 Onverminderdbeslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf. 2 artikel 2.3.3, eerste lid In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie voor activiteiten bedoeld in, indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 2.500. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.14 — Artikel 2.3.14 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.3.14 Subsidieverstrekking 1 De subsidie wordt direct vastgesteld indien de subsidieverlening minder dan € 25.000 bedraagt. 2 artikel 16 van het Kaderbesluit Op grond vanzijn de regels inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing op subsidies van € 125.000 of meer. 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 24-09-2024
Artikel 2.3.15 — Artikel 2.3.15 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.3.15 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 17 van het Kaderbesluit In aanvulling opis de subsidieontvanger verplicht: a. binnen 24 maanden na de subsidieverlening het project af te ronden en de laadinfrastructuur in gebruik te nemen; b. gedurende ten minste 24 maanden na vaststelling van de subsidie de laadinfrastructuur in te zetten als private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is. 2 artikel 2.3.3, derde lid De subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in, is verplicht: a. gedurende ten minste 24 aaneengesloten maanden na vaststelling van de subsidie de stationaire batterij, zonder overdracht aan derden, in eigendom te hebben en deze in te zetten ten behoeve van de laadinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid; b. ervoor zorg te dragen dat ten minste 70% van het aantal kWh dat uit de stationaire batterij wordt ontladen, wordt geleverd aan laadstations. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.16 — Artikel 2.3.16 Voorschot#
Artikel 2.3.16 Voorschot Indien de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, verstrekt de Minister gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening een voorschot van 50 procent van het totaal verleende bedrag. 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 2024 20263 01-07-2024 19-06-2024 IENW/BSK-2024/63686 24-09-2024
Artikel 2.3.17 — Artikel 2.3.17 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.3.17 Aanvraag subsidievaststelling 1 Een subsidieontvanger kan bij de Minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO. 2 artikel 2.3.15 De subsidieontvanger kan bij de Minister een eenmalig verzoek doen tot uitstel van ten hoogste 12 maanden van de indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, indien hij kan aantonen dat de benodigde tijd voor de realisatie van de laadinfrastructuur langer is dan de periode, genoemd in. 3 artikel 24, derde lid, van het Kaderbesluit artikel 2.3.3, eerste lid In aanvulling opbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in, in elk geval de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur op het elektriciteitsnet is aangesloten. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.3.17a — Artikel 2.3.17a Gewijzigde vaststelling en terugvordering#
Artikel 2.3.17a Gewijzigde vaststelling en terugvordering 1 artikel 2.3.15, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid Indien niet is voldaan aan het bepaalde in, kan de Minister de vaststelling van de subsidie wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terugvorderen. 2 artikel 2.3.15, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid Het terug te vorderen bedrag wordt bepaald door de subsidie te verminderen met 1/24e deel van het verstrekte subsidiebedrag, vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in. 2025 3352 31-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/15703 2025 3352 31-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/15703 01-02-2025
Artikel 2.3.18 — Artikel 2.3.18 Staatssteun#
Artikel 2.3.18 Staatssteun artikel 2.3.3, eerste of derde lid Subsidie voor de activiteiten, bedoeld in, wordt: a. verleend op basis van de de-minimisverordening indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt; b. in andere gevallen verleend op basis van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.4.1 — Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen#
Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: concessiehouder: artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in, van een concessie voor openbaar busvervoer; emissieloos: artikel 86c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 emissieloos als bedoeld in; emissieloze touringcar: emissieloos batterij-elektrisch motorvoertuig dat blijkens het kentekenregister of een aantekening op het kentekenbewijs is goedgekeurd voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur; groep: artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek groep als bedoeld in; kleine onderneming: kleine onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede of derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening; middelgrote onderneming: mkb-onderneming die niet kwalificeert als kleine onderneming; nieuwe emissieloze touringcar: emissieloze touringcar waarvan, blijkens vermelding in het kentekenregister, de datum eerste toelating, de datum eerste inschrijving in Nederland en de datum tenaamstelling, gelijk zijn; offerte: formeel, schriftelijk, aanbod tot het sluiten van een overeenkomst voor de aanschaf van een nieuwe emissieloze touringcar, opgesteld op verzoek van de aanvrager; openbaar busvervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer met een bus volgens een dienstregeling. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.2 — Artikel 2.4.2 Doel van de subsidie#
Artikel 2.4.2 Doel van de subsidie 2 Deze paragraaf heeft tot doel het stimuleren van de aanschaf van nieuwe emissieloze touringcars door ondernemingen teneinde de emissie van COen luchtverontreinigende stoffen te verminderen. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.3 — Artikel 2.4.3 Subsidiabele activiteiten#
Artikel 2.4.3 Subsidiabele activiteiten De minister kan aan een aanvrager subsidie verstrekken voor de aanschaf van één of meerdere nieuwe emissieloze touringcars van categorie M3. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.4 — Artikel 2.4.4 Aanvrager#
Artikel 2.4.4 Aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door: a. een concessiehouder; b. een andere onderneming die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en die een vestiging in Nederland heeft. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.5 — Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten#
Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten De kosten die op grond van artikel 36ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking komen, zijn subsidiabel. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.6 — Artikel 2.4.6 Hoogte subsidie#
Artikel 2.4.6 Hoogte subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 30% van de op grond van artikel 36ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking komende kosten, tot een maximum van € 90.000 per emissieloze touringcar. 2 De steunintensiteit bedoeld in het eerste lid wordt: a. met 20 procentpunten verhoogd voor subsidie aan een middelgrote onderneming, tot een maximum van € 150.000 per emissieloze touringcar; b. met 30 procentpunten verhoogd voor subsidie aan een kleine onderneming, tot een maximum van € 180.000 per emissieloze touringcar. 3 artikel 5 van het Kaderbesluit Onverminderdwordt de overschrijding in mindering gebracht op het subsidiebedrag wanneer het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste of tweede lid, de maximale steunruimte van de algemene groepsvrijstellingsverordening overschrijdt. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.7 — Artikel 2.4.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen#
Artikel 2.4.7 Subsidieplafond en wijze van verdelen 1 artikel 2.4.4, onderdeel a Het subsidieplafond voor aanvragers als bedoeld in, bedraagt: a. voor het jaar 2025: € 3.500.000; b. voor het jaar 2026: € 2.290.000. 2 artikel 2.4.4, onderdeel b Het subsidieplafond voor aanvragers als bedoeld in, bedraagt: a. voor het jaar 2025: € 3.500.000; b. voor het jaar 2026: € 10.000.000. 3 Indien een subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid voor dat jaar ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de voor dat jaar onaangesproken middelen gereserveerd op grond van het tweede lid. 4 Indien een subsidieplafond als bedoeld in het tweede lid voor dat jaar ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de voor dat jaar onaangesproken middelen gereserveerd op grond van het eerste lid. 5 De minister stelt het subsidieplafond vast voor de jaren na 2025 en geeft hiervan kennis in de Staatscourant voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor het betreffende subsidieplafond wordt vastgesteld. 6 De minister verdeelt de in de betreffende subsidieperiode beschikbare gelden op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.4.8 — Artikel 2.4.8 Aanvraagperiode#
Artikel 2.4.8 Aanvraagperiode Een aanvraag tot subsidieverlening op grond van deze paragraaf kan worden ingediend: a. in 2025 van 11 februari 2025, 9.00 uur tot en met 30 mei 2025, 12.00 uur; b. in 2026 van 10 februari 2026, 9.00 uur tot en met 30 november 2026, 17.00 uur. 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 2025 39984 25-11-2025 24-11-2025 IENW/BSK-2025/276889 01-01-2026
Artikel 2.4.9 — Artikel 2.4.9 Aanvraag#
Artikel 2.4.9 Aanvraag 1 Een aanvrager kan bij de minister een aanvraag om subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO. 2 artikel 10 van het Kaderbesluit Een aanvraag tot subsidieverlening bevat naast de ingenoemde gegevens ten minste: a. naam en adres van de aanvrager; b. contactgegevens van de contactpersoon van de aanvrager; c. merk, type en handelsbenaming van de nieuwe emissieloze touringcar waarvoor subsidie wordt aangevraagd; d. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie voor de aanschaf van een of meerdere nieuwe emissieloze touringcars; e. kopie van de offerte, met inbegrip van de offerteprijs, voor de voorgenomen aanschaf van de nieuwe emissieloze touringcar; f. een bewijs van minder dan zes maanden oud waaruit blijkt wat de prijs van het referentievoertuig is. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.10 — Artikel 2.4.10 Afwijzingsgronden#
Artikel 2.4.10 Afwijzingsgronden 1 artikel 1.3 Onverminderdbeslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf. 2 In aanvulling op het eerste lid beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. een emissieloze touringcar ten tijde van de aanvraag om subsidieverlening al is tenaamgesteld; b. aan de aanvrager, dan wel aan aanvragers die tot eenzelfde groep behoren, op grond van deze regeling reeds voor de aanschaf van: 1°. artikel 2.4.7, eerste lid 15 emissieloze touringcars subsidie is verstrekt onder een subsidieplafond als bedoeld in; 2°. artikel 2.4.7, tweede lid 12 emissieloze touringcars subsidie is verstrekt onder een subsidieplafond als bedoeld in; of c. de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.11 — Artikel 2.4.11 Subsidieverstrekking#
Artikel 2.4.11 Subsidieverstrekking artikel 16 van het Kaderbesluit Op grond vanzijn de regels inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing op subsidies van € 125.000 of meer. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.12 — Artikel 2.4.12 Verplichtingen subsidieontvanger#
Artikel 2.4.12 Verplichtingen subsidieontvanger 1 artikel 17 18 van het Kaderbesluit Onverminderdenis de subsidieontvanger verplicht: a. onverwijld schriftelijk mededeling te doen aan de minister van gewijzigde omstandigheden of wijziging van gegevens die van belang zijn in verband met de subsidieverstrekking op grond van deze regeling; b. medewerking te verlenen aan de controle op de uitvoering van de verplichtingen die zijn gesteld in deze regeling en de beschikking; c. artikel 25 van het Kentekenreglement de nieuwe emissieloze touringcar waarvoor subsidie is verleend op zijn naam te stellen of een verstrekkingsvoorbehoud als bedoeld inop zijn naam te registreren in het kentekenregister; en d. artikel 25 van het Kentekenreglement er zorg voor te dragen dat de nieuwe emissieloze touringcar gedurende vier jaar vanaf de datum van de eerste inschrijving en tenaamstelling, of registratie van het verstrekkingsvoorbehoud bedoeld in, ononderbroken op zijn naam is gesteld of een verstrekkingsvoorbehoud op zijn naam is geregistreerd in het kentekenregister. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, geldt niet indien de subsidieontvanger de nieuwe emissieloze touringcar vervangt door een andere nieuwe emissieloze touringcar die ook in aanmerking zou zijn gekomen voor subsidie op grond van deze regeling en dit andere voertuig gedurende de nog resterende termijn van de periode, genoemd in het eerste lid, onderdeel d, op zijn naam is gesteld of middels een verstrekkingsvoorbehoud op zijn naam is geregistreerd. 3 De uitzondering van het tweede lid geldt niet wanneer de subsidieontvanger voor de vervangende nieuwe emissieloze touringcar subsidie aanvraagt. 4 Indien de nieuwe emissieloze touringcar wordt vervangen door een andere nieuwe emissieloze touringcar als bedoeld in het tweede lid, is de subsidieontvanger verplicht om gedurende de in dat lid bedoelde resterende termijn te beschikken over de overeenkomst tot aanschaf van de vervangende nieuwe emissieloze touringcar. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.13 — Artikel 2.4.13 Voorschot#
Artikel 2.4.13 Voorschot Gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening wordt 70% van het subsidiebedrag als voorschot verstrekt. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.14 — Artikel 2.4.14 Aanvraag subsidievaststelling#
Artikel 2.4.14 Aanvraag subsidievaststelling 1 Een aanvrager kan bij de minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO. 2 De aanvraag tot subsidievaststelling kan worden ingediend tot uiterlijk 12 maanden na de datum van verlening van de subsidie. 3 De aanvrager kan bij RVO een verzoek doen tot uitstel van maximaal 12 maanden van de indiening van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, indien hij kan aantonen dat de levertijd van de nieuwe emissieloze touringcar langer is dan de periode, genoemd in het tweede lid. 4 artikel 24 van het Kaderbesluit artikel 2.4.3 Onverminderdbevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in, in elk geval de volgende gegevens: a. het kenteken van de nieuwe emissieloze touringcar dat is vermeld in de overeenkomst; en b. de gespecificeerde factuur tot betaling. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 2.4.15 — Artikel 2.4.15 Gewijzigde vaststelling en terugvordering#
Artikel 2.4.15 Gewijzigde vaststelling en terugvordering 1 artikel 2.4.12, eerste lid, onderdeel d Indien niet is voldaan aan het bepaalde in, kan de minister de vaststelling van de subsidie wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terugvorderen. 2 e artikel 2.4.12, eerste lid, onderdeel d Het terug te vorderen bedrag wordt bepaald door de subsidie te verminderen met 1/48van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in. 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 2025 3359 30-01-2025 28-01-2025 IENW/BSK-2025/3702 31-01-2025
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Inwerkingtreding en horizonbepaling#
Artikel 3.1 Inwerkingtreding en horizonbepaling Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2024 en vervalt met ingang van 1 juli 2029, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor de laatstgenoemde datum zijn aangevraagd. 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 01-07-2024
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Evaluatie#
Artikel 3.2 Evaluatie De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 01-07-2024
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Citeertitel#
Artikel 3.3 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit. 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 2024 19712 20-06-2024 17-06-2024 IENW/BSK-2024/160167 01-07-2024
Artikel 2.1.8#
artikel 2.1.8, zevende en achtste lid
Artikel 2.1.10a#
artikel 2.1.10a, eerste lid, onderdelen e en f
Artikel 2.1.8#
2.1.8, derde lid
Artikel 2.1.10a#
2.1.10a, eerste lid, onderdeel b
Artikel 2.1.10a#
artikel 2.1.10a, aanhef en eerste lid, onderdeel c
Artikel 2.1.10d#
artikel 2.1.10d, aanhef en onderdeel a
Artikel 2.2.10#
artikel 2.2.10, tweede lid
Artikel 2.2.7#
artikel 2.2.7, derde lid
Artikel 2.3.6#
artikel 2.3.6, tweede lid