Besluit van 2 maart 1994, houdende vaststelling van een reglement van orde voor de ministerraad
- BWB-id
- BWBR0006501
- Type
- rijksKB
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-04-16
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006501
- ELI
- /eli/nl/rijkskb/1994/reglement-van-orde-voor-de-ministerraad
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/rijkskb/1994/reglement-van-orde-voor-de-ministerraad/2020-04-16
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006501&g=2020-04-16
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006501&z=2026-06-06&g=2020-04-16
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006501/2020-04-16
Absolute ELI: /eli/nl/rijkskb/1994/reglement-van-orde-voor-de-ministerraad
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. de raad: de ministerraad en voor zover zulks uit het Statuut volgt de raad van ministers van het Koninkrijk; b. ministers: de minister-president, de overige bij koninklijk besluit benoemde ministers en voor zover zulks uit het Statuut volgt de gevolmachtigde ministers; c. de gevolmachtigde minister: de door de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten benoemde gevolmachtigde minister. 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 05-11-2011 10-10-2010
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De ministers vormen te zamen de raad. 2 De minister-president is voorzitter van de raad. 3 De bij koninklijk besluit benoemde vice-minister(s)-president(en) is (zijn) ondervoorzitter(s) van de raad. 4 De raad benoemt op voorstel van de minister-president de secretaris en de plaatsvervangend secretaris. 5 De minister-president benoemt een of meer adjunct-secretarissen. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Aan de vergaderingen van de raad, de onderraden en de andere commissies uit de raad kunnen deelnemen met raadgevende stem: a. artikel 10, tweede lid van het Statuut de door de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten overeenkomstigaangewezen minister; b. De staatssecretarissen, voorzover het zaken betreft waarbij zij uit hoofde van hun taak rechtstreeks zijn betrokken, bij afwezigheid van de minister, of voorzover de raad uit andere hoofde hun aanwezigheid wenselijk acht. 2 De directeur-generaal van de Rijksvoorlichtingsdienst of diens plaatsvervanger kan de vergaderingen als toehoorder bijwonen, tenzij de minister-president anders bepaalt. 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 05-11-2011 10-10-2010
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De raad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid. 2 Te dien einde beraadslaagt en besluit de raad onder meer over: a.1°. de voorstellen van rijkswet en van wet en de ontwerpen van algemene maatregelen van rijksbestuur en van bestuur alvorens deze aan de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk respectievelijk de Afdeling advisering van de Raad van State worden aangeboden, alsmede over de consequenties van de ter zake door de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk respectievelijk de Afdeling advisering van de Raad van State uitgebrachte adviezen, indien deze ingrijpende kritiek op de inhoud of de vormgeving van het voorstel of ontwerp bevatten; a.2°. het ter zake van een voorstel van rijkswet en van wet of een ontwerp van algemene maatregel van rijksbestuur en van bestuur vragen van een spoedadvies aan de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk respectievelijk de Afdeling advisering van de Raad van State; a.3°. een voorstel of ontwerp waarover eerder door de raad is besloten, indien daarin ingrijpende wijzigingen worden aangebracht of indien hetgeen bij de verdere behandeling wordt aangevoerd tot ingrijpende wijziging aanleiding kan geven, dan wel indien intrekking van het voorstel of ontwerp wordt overwogen, een en ander tenzij dringende redenen zich naar het oordeel van de minister die voor het voorstel of ontwerp in de eerste plaats verantwoordelijk is en de minister-president zich tegen hernieuwde behandeling verzetten; a.4°. de bekrachtiging van door de Staten-Generaal aangenomen initiatiefvoorstellen van rijkswet en van wet, alsmede het standpunt dat terzake bij de beraadslaging in elk der Kamers der Staten-Generaal zal worden ingenomen; b. verdragen alvorens deze ter stilzwijgende goedkeuring aan de beide Kamers der Staten-Generaal worden toegezonden; c. Kaderwet adviescolleges artikel 2, onder b, van de Kaderwet adviescolleges nota’s aan de Staten-Generaal alsmede die adviesaanvragen aan adviescolleges in de zin van deen de colleges in de zin vandie kunnen leiden tot belangrijke politieke en financiële consequenties; d. het bekendheid geven aan beleidsvoornemens in welke vorm dan ook, die van invloed kunnen zijn op de positie van het kabinet, of die belangrijke financiële consequenties kunnen hebben, benevens over beleidsvoornemens van een minister die het beleid van andere ministers kunnen raken en waarover het bereiken van overeenstemming niet mogelijk is gebleken; e. Kaderwet adviescolleges artikel 2, onder b, van de Kaderwet adviescolleges de instelling, taak en samenstelling van adviescolleges in de zin van deen de colleges in de zin van; f. de instelling, taak en samenstelling van interdepartementale commissies, indien deze een permanent karakter hebben of indien de werkzaamheden kunnen leiden tot belangrijke politieke en financiële consequenties; g. artikel 2, onder b, van de Kaderwet adviescolleges publikatie van de rapporten van colleges in de zin vanen van interdepartementale commissies indien de werkzaamheden kunnen leiden tot belangrijke politieke en financiële consequenties; h. belangrijke onderwerpen het buitenlands beleid betreffende, daaronder begrepen het in internationaal verband doen van of instemmen met voorstellen die van aanmerkelijke invloed kunnen zijn op de geldende rechtsorde, verplichtingen van blijvende aard ten gevolge kunnen hebben, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten raken; i. de voorbereiding van het Nederlandse standpunt ten behoeve van formele en informele vergaderingen van de Europese Raad en van de Raad van de Europese Unie; j. aan delegaties dan wel aan vertegenwoordigers in het buitenland te verstrekken instructies, alsmede over de samenstelling van delegaties, een en ander voor zover het van belang is de raad hierin te kennen; k. voordrachten van de minister-president voor koninklijke besluiten tot benoeming en ontslag van ministers en staatssecretarissen; l. andere voordrachten voor koninklijke besluiten tot benoeming van personen en ontslag wegens andere reden dan op verzoek van de betrokkenen, voor zover het niet betreft benoeming of ontslag: 1°. van in Nederland werkzame leden van de rechterlijke macht, burgerlijke rijksambtenaren, ambtenaren van politie en militaire ambtenaren, voor zover deze lager bezoldigd worden dan een directeur-generaal bij een ministerie alsmede van burgemeesters van gemeenten met minder dan 50 000 inwoners, voor zover het geen provinciehoofdstad betreft; 2°. van ambtenaren die in een functie buiten Nederland werkzaam zijn bij diplomatieke vertegenwoordigingen in het buitenland, voor zover het geen hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland of permanente vertegenwoordigers betreft; 3°. van personen over wie naar het oordeel van de minister-president en de desbetreffende minister geen beraadslaging en beslissing van de raad is vereist; m. voorstellen voor ministeriële besluiten tot benoeming van personen en tot ontslag, wegens andere reden dan op verzoek van betrokkenen, voor zover deze gelijk aan of hoger dan een directeur-generaal bij een ministerie worden bezoldigd. 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 05-11-2011 01-10-2010
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikel 4 Over aangelegenheden bij welke het algemeen regeringsbeleid betrokken kan zijn, niet behorende tot die bedoeld in, plegen de ministers overleg met de minister-president. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, worden deze aangelegenheden in de raad gebracht. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 In gevallen waarin het niet duidelijk is, welke minister in de eerste plaats verantwoordelijk is voor een bepaalde aangelegenheid, beslist de minister-president over die verantwoordelijkheid. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De minister-president kan, indien een aangelegenheid door een minister die daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk is, niet in de raad aan de orde wordt gesteld, zelf zorg dragen voor de indiening van deze aangelegenheid bij de raad. 2006 557 21-11-2006 02-11-2006 2006 557 21-11-2006 02-11-2006 22-11-2006
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 De raad vergadert in beginsel op vrijdag en voorts zo dikwijls als de minister-president of ten minste twee andere ministers dat wenselijk achten. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De minister-president stelt de agenda vast. Een exemplaar van de agenda wordt tijdig aan de ministers en de staatssecretarissen gezonden. 2 De voor de raad bestemde stukken worden in het algemeen 7 dagen voor de behandeling in de raad rondgezonden. Zij zijn voorzien van een daartoe bestemd aanbiedingsformulier. 2006 557 21-11-2006 02-11-2006 2006 557 21-11-2006 02-11-2006 22-11-2006
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 De minister-president regelt de orde der werkzaamheden tijdens de vergaderingen. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Indien het nodig is bij wijze van stemming te beslissen, wordt het besluit, behoudens afwijking op grond van het Statuut, bij meerderheid van stemmen opgemaakt, waarbij iedere aanwezige minister één stem heeft. 2 De raad besluit niet bij stemming dan in aanwezigheid van ten minste de helft van het totale aantal ministers. 3 Bij staking van stemmen wordt de beslissing tot de volgende vergadering aangehouden, tenzij de beslissing niet uitgesteld kan worden of de vergadering voltallig is. In deze gevallen beslist de stem van de minister-president. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Indien een minister een besluit in strijd acht met zijn verantwoordelijkheid, geeft hij daarvan kennis aan de raad. 2 In geen geval handelt een minister of staatssecretaris tegen een besluit van de raad. 3 Voor zover dit uit het Statuut voortvloeit, geldt dit artikel niet voor de gevolmachtigde ministers. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De secretaris zorgt zo spoedig mogelijk na een vergadering voor het ontwerpen van een besluitenlijst, waarin de conclusies van de raad worden opgenomen. 2 Een exemplaar van die lijst wordt vanwege de minister-president onverwijld toegezonden aan de ministers en de staatssecretarissen. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De secretaris zorgt voor het ontwerpen van de notulen. Zij worden zo spoedig mogelijk door de raad vastgesteld. 2 Een exemplaar van de notulen wordt de Koning ter kennisneming aangeboden. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De minister-president ondertekent de voordrachten van de raad voor koninklijke besluiten. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 De minister-president ziet toe op de totstandkoming van een samenhangend regeringsbeleid. 2 Hij ziet toe op de uitvoering van de besluiten van de raad. 3 Hij kan in overeenstemming met het gevoelen van de raad nadere schriftelijke aanwijzingen vaststellen inzake de werkwijze van de raad. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 De raad kan uit zijn midden onderraden vormen ter voorbereiding of ter beslissing van aangelegenheden inzake bepaalde delen van het algemeen regeringsbeleid. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De minister-president is voorzitter van de onderraden. 2 Uit de vaste leden wordt een coördinerend minister aangewezen, die toeziet op de deugdelijke interdepartementale voorbereiding van de onderwerpen die in een onderraad worden behandeld. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 De raad benoemt op voorstel van de minister-president de secretaris van een onderraad. 2 De minister-president benoemt de adjunct-secretaris. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Een exemplaar van de agenda van een onderraad wordt tijdig aan de ministers en de staatssecretarissen gezonden. 2 De ministers die van een onderraad geen vaste leden zijn, kunnen desgewenst de vergaderingen bijwonen. Zij hebben dan dezelfde rechten als de vaste leden. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Een onderraad neemt geen beslissing over een aangelegenheid, welke niet op de agenda is vermeld en waarbij een niet-aanwezige minister in het bijzonder is betrokken. 2 Indien een minister dit verzoekt, verwijst de onderraad een aangelegenheid naar de raad. 3 Ook nadat de onderraad een beslissing heeft genomen, kan een minister verlangen dat de aangelegenheid aan het eindoordeel van de raad wordt onderworpen. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 Indien het besprokene in een vergadering van een onderraad daartoe aanleiding geeft, zorgt de secretaris voor het ontwerpen van een besluitenlijst, waarin de conclusies van de onderraad zijn opgenomen. 2 De besluitenlijst van een onderraad behoeft de goedkeuring van de raad. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Deskundigen kunnen met raadgevende stem het overleg in een onderraad bijwonen: a. indien zij door de onderraad als vaste deelnemer zijn aangewezen; b. indien zij daartoe door de voorzitter worden uitgenodigd. 2 Ministers kunnen zich met vooraf verkregen toestemming van de voorzitter tijdens de vergaderingen van een onderraad door een ambtenaar doen bijstaan. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald, heeft een onderraad dezelfde werkwijze als de raad. 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 2011 495 04-11-2011 24-10-2011 05-11-2011
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De raad kan uit zijn midden andere commissies met een permanent of tijdelijk karakter vormen ter voorbereiding of ter beslissing van bepaalde aangelegenheden. 2 De minister-president is voorzitter van de commissies, tenzij de raad anders besluit. 3 De raad kan bepalen dat een commissie dezelfde werkwijze heeft als een onderraad. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Ten aanzien van hetgeen ter vergadering besproken wordt of geschiedt, bestaat een geheimhoudingsplicht. 2 De geheimhoudingsplicht bestaat niet: a. voor zover de raad of de minister-president namens de raad ontheffing van de geheimhouding verleent; b. voor zover uitvoering van besluiten dit nodig maakt, dan wel de aard en omstandigheden van een besluit bekendmaking daarvan vorderen. 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vergaderingen van de onderraden en commissies uit de raad. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 26a — Artikel 26a#
Artikel 26a artikelen 2 3 De minister-president kan, zo nodig en zo lang de continuïteit van de besluitvorming in het kader van de bestrijding van het coronavirus (covid-19) dit noodzakelijk maakt, beslissingen nemen, zo nodig in afwijking van het reglement, met betrekking tot de vergaderingen van de raad, zijn onderraden en commissies ten aanzien van de aanlevering van stukken, de aanwezigheid van anderen dan genoemd in deen, de werkwijze, de geheimhouding en de verslaglegging. 2020 115 15-04-2020 27-03-2020 2020 115 15-04-2020 27-03-2020 16-04-2020 27-03-2020
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 De minister-president zorgt ervoor dat dit reglement in acht wordt genomen. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Stb Het koninklijk besluit van 16 mei 1979, houdende vaststelling van een reglement van orde voor de Raad van Ministers, (. 264) wordt ingetrokken. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Dit besluit wordt aangehaald als: reglement van orde voor de ministerraad. 1994 203 02-03-1994 1994 203 02-03-1994 01-04-1994