Besluit van 20 februari 1995, houdende regels ter uitvoering van de Rijksoctrooiwet 1995
- BWB-id
- BWBR0007246
- Type
- rijksKB
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2016-10-07
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007246
- ELI
- /eli/nl/rijkskb/1995/uitvoeringsbesluit-rijksoctrooiwet-1995
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/rijkskb/1995/uitvoeringsbesluit-rijksoctrooiwet-1995/2016-10-07
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007246&g=2016-10-07
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007246&z=2026-06-06&g=2016-10-07
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007246/2016-10-07
Absolute ELI: /eli/nl/rijkskb/1995/uitvoeringsbesluit-rijksoctrooiwet-1995
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Rijksoctrooiwet 1995 wet:; b. richtlijn: richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255). 2007 316 11-09-2007 29-08-2007 2007 316 11-09-2007 29-08-2007 20-10-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikelen 3 tot en met 5 Het bureau stelt, met inachtneming van de, de inrichting van het octrooiregister vast. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 De inschrijving van aanvragen om octrooi geschiedt door vermelding in het octrooiregister van: a. artikel 28, eerste lid, van de wet artikel 47 van de wet de datum van de indiening en het volgnummer van de aanvrage, alsmede, indien het betreft een afzonderlijke aanvrage als inbedoeld, de datum van indiening en het volgnummer van de oorspronkelijke aanvrage en voorts, in voorkomend geval, het feit dat het een omgezette aanvrage als bedoeld inbetreft; b. de naam en de woonplaats van de aanvrager, alsmede, indien een gemachtigde is gesteld, de naam van deze gemachtigde; c. de naam en woonplaats van degene, die de uitvinding heeft gedaan, tenzij deze schriftelijk heeft verklaard geen prijs te stellen op vermelding als uitvinder; d. Trb. de korte aanduiding van de uitvinding en de aanduiding van de klasse, waarin de aanvrage is ingedeeld overeenkomstig de internationale classificatie van octrooien, bedoeld in de op 24 maart 1971 tot stand gekomen Overeenkomst van Straatsburg betreffende de internationale classificatie van octrooien (1972, 81); e. de volledige tekst van het uittreksel, behorende bij de octrooiaanvrage; f. artikel 25, tweede lid, van de wet indien toepassing is gegeven aan: de instelling waarbij, het nummer waaronder en de datum waarop de cultuur van het desbetreffende micro-organisme is gedeponeerd; g. artikel 9 van de wet het beroep op een recht van voorrang als inbedoeld, met vermelding van de datum en het nummer van de aanvrage, waarop de aanvrager dit beroep doet steunen, en het land waarin of de organisatie waarbij deze aanvrage werd ingediend. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 In het octrooiregister worden voorts ingeschreven: a. aan het bureau aangeboden stukken waarvan ingevolge de wet ambtshalve of op verzoek inschrijving in het octrooiregister moet geschieden; b. a aan het bureau aangeboden stukken, niet zijnde stukken als onderbedoeld, waarin sprake is van rechten of verplichtingen van een octrooiaanvrager, een octrooihouder of een derde, betrekking hebbende op een aanvrage om octrooi of een octrooi; c. aan het bureau aangeboden stukken, waaruit blijkt van de naamswijziging van een rechthebbende met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi. 2 De inschrijving geschiedt door vermelding van de aard en het onderwerp van het stuk, alsmede de datum van indiening van het stuk. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 In het octrooiregister wordt aantekening gedaan van: a. feiten, waarvan ingevolge de wet ambtshalve aantekening moet geschieden; b. artikel 4 a de indiening van andere dan de inbedoelde stukken, alsmede andere dan de onderbedoelde feiten, waarvan de aantekening naar het oordeel van het bureau nodig is voor een duidelijk overzicht van al hetgeen geschiedt ten aanzien van aanvragen om octrooi en octrooien. 2 De aantekening geschiedt door vermelding van de aard en de datum van het feit alsmede, indien het de aantekening van de indiening van een stuk betreft, van de aard van dat stuk. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 23, derde lid, van de wet Het bedrag dat krachtensbij de indiening van een verzoekschrift tot herstel in de vorige toestand moet worden betaald is € 161. 2 artikel 24, vijfde lid, van de wet Het bedrag dat krachtensbij de indiening van een aanvrage om octrooi moet zijn betaald, is: a. bij elektronische indiening: € 80, en b. bij indiening op papier: € 120. 3 artikel 32, eerste lid Het bedrag dat krachtens, bij de indiening van een in dat artikel bedoeld verzoekschrift moet worden betaald is, indien het betreft: een verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek naar de stand van de techniek met inbegrip van een schriftelijke opinie, niet zijnde een onderzoek naar de stand van de techniek van internationaal type met inbegrip van een schriftelijke opinie: € 100; een verzoekschrift tot het doen onderwerpen van een aanvrage aan een onderzoek naar de stand van de techniek van internationaal type met inbegrip van een schriftelijke opinie: € 794. 4 De in het derde lid genoemde bedragen worden terugbetaald, indien binnen een termijn van drie maanden na de indiening van het verzoekschrift het resultaat wordt overgelegd van een reeds eerder door het Europees Octrooibureau of het bureau op een overeenkomstige octrooiaanvrage ingesteld overeenkomstig onderzoek naar de stand van de techniek. 5 De in het derde lid genoemde bedragen behoeven niet te worden betaald voor een verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek naar de stand van de techniek, indien bij het verzoekschrift het resultaat wordt overgelegd van een reeds eerder door het Europees Octrooibureau of het bureau op een overeenkomstige octrooiaanvrage ingesteld overeenkomstig onderzoek naar de stand van techniek. 6 artikel 52, eerste, zesde en zevende lid, van de wet Het bedrag dat krachtensmoet worden betaald ter zake van de indiening van de vertaling in het Nederlands of in het Engels van een Europees octrooischrift of, indien het Europees octrooi in oppositie is gewijzigd, van een nieuw Europees octrooischrift, onderscheidenlijk van een verbeterde vertaling van een Europees octrooischrift of een nieuw Europees octrooischrift, is € 25. 7 artikel 61, eerste of tweede lid, van de wet Het bedrag dat krachtenster zake van de instandhouding van een octrooi onderscheidenlijk een Europees octrooi elk jaar moet worden betaald, is voor: het vierde jaar € 40 het vijfde jaar € 100 het zesde jaar € 160 het zevende jaar € 220 het achtste jaar € 280 het negende jaar € 340 het tiende jaar € 400 het elfde jaar € 500 het twaalfde jaar € 600 het dertiende jaar € 700 het veertiende jaar € 800 het vijftiende jaar € 900 het zestiende jaar € 1.000 het zeventiende jaar € 1.100 het achttiende jaar € 1.200 het negentiende jaar € 1.300 het twintigste jaar € 1.400 8 artikel 61, derde lid, van de wet De verhoging welke krachtensverschuldigd is bij betaling na de vervaldag is gelijk aan 50 procent van het overeenkomstig het zevende lid voor dat jaar te betalen bedrag. 9 artikel 84, derde lid, van de wet De vergoeding die krachtens, voor het in dat artikel bedoelde advies verschuldigd is, bedraagt € 340. 10 Elk jaar wordt bezien of het in dat jaar gepubliceerde prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie aanleiding geeft tot wijziging van de bedragen, genoemd in het eerste tot en met derde, en zesde tot en met negende lid. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële rijksregeling vastgesteld. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 17, tweede lid, van de wet De bedragen die krachtensvoor de werkzaamheden van het bureau als ontvangend bureau in de zin van artikel 2, onder (XV) van het Samenwerkingsverdrag moeten worden betaald, zijn: a. de toezendingstaks, bedoeld in Regel 14.1 van het bij het Samenwerkingsverdrag behorende Reglement: € 50; b. de taks, bedoeld in Regel 20.9 van het onder a bedoelde Reglement: € 9 voor elk gewaarmerkt afschrift. 2 Elk jaar wordt bezien of het in dat jaar gepubliceerde prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie aanleiding geeft tot wijziging van de bedragen, genoemd in het eerste lid. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële rijksregeling vastgesteld. 3 a De internationale taks en de taks voor het onderzoek naar de stand van de techniek, bedoeld in Regel 15 onderscheidenlijk Regel 16 van het in het eerste lid, onder, bedoelde Reglement moeten aan het bureau worden betaald in euro. 4 a De in het eerste lid, onder, vastgestelde toezendingstaks moet binnen een maand na de datum van ontvangst van de aanvrage zijn betaald aan het bureau. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 38, tweede lid van de wet Voor de inschrijving van een verzoekschrift als bedoeld in, is een bedrag van € 22 verschuldigd. 2 artikel 56, tweede lid 64, tweede lid , van de wet Het bedrag dat krachtens, ofis verschuldigd voor de inschrijving van de titel van een licentie onderscheidenlijk de akte, houdende overdracht of andere overgang van een octrooi of van het recht voortvloeiende uit een aanvrage om octrooi, is € 27 voor ieder octrooi en iedere aanvrage waarop de betreffende akte betrekking heeft. 3 Voor de inschrijving van een stuk, waaruit blijkt van de naamswijziging van een rechthebbende met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi, is een bedrag van € 11 per octrooi en per aanvrage verschuldigd. Betreft de naamswijziging meer dan vijf octrooien of aanvragen om octrooi, dan is voor ieder volgend octrooi en iedere volgende octrooiaanvrage een bedrag van € 5 verschuldigd. 4 Voor de inschrijving van andere dan in de vorige leden bedoelde stukken, met uitzondering van stukken betreffende de naamswijziging van een octrooigemachtigde, welke ter inschrijving worden aangeboden, is € 27 per stuk verschuldigd met dien verstande, dat indien een stuk betrekking heeft op meer dan één octrooi of aanvrage om octrooi, even zovele malen dit bedrag is verschuldigd. 5 Elk jaar wordt bezien of het in dat jaar gepubliceerde prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie aanleiding geeft tot wijziging van de bedragen, genoemd in het eerste tot en met vierde lid. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële rijksregeling vastgesteld. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Bij betalingen wordt uitdrukkelijk en volledig het doel van de betaling schriftelijk vermeld, met splitsing, indien dit nodig is, van het totale bedrag. 2 De ondertekeningen van stukken worden, indien dit door het bureau geëist wordt, gelegaliseerd. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 29, derde lid, van de wet eerste lid van dat artikel De termijn, bedoeld inwaarbinnen een aanvraag om octrooi dient te zijn aangevuld met gegevens en bescheiden als bedoeld in het, is drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager ter zake een kennisgeving is gedaan. 2 artikel 29, eerste lid, van de wet Wanneer geen kennisgeving is gedaan en gegevens ontbreken om in contact te treden met de aanvrager, is de in het eerste lid bedoelde termijn drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop het bureau een of meer onderdelen als bedoeld inheeft ontvangen. 3 artikel 29, eerste lid, van de wet Wanneer een aanvraag is aangevuld met gegevens of bescheiden overeenkomstig het eerste lid en nadien binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, deze gegevens of bescheiden worden ingetrokken, is de datum van indiening de datum waarop aanis voldaan. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 artikel 29, zesde lid, van de wet In een verwijzing als bedoeld inwordt vermeld: a. het nummer van de eerder ingediende aanvraag, b. de datum van de eerder ingediende aanvraag, en c. het bureau waar die eerdere aanvraag is ingediend. 2 Het bureau verlangt een afschrift van de eerder ingediende aanvraag waarnaar wordt verwezen, indien de aanvraag niet bij het bureau is ingediend. De termijn waarbinnen het afschrift dient te zijn ingediend, is drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvrager ter zake een kennisgeving is gedaan. 3 Indien niet wordt voldaan aan de vereisten, genoemd in het eerste en tweede lid, beschouwt het bureau de aanvraag als niet-ingediend. Het bureau stelt hiervan de aanvrager zo spoedig mogelijk op de hoogte. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Indien een verzoek tot inschrijving van een wijziging in de persoon van de aanvrager of houder van een octrooi en de daarbij overlegde documenten niet in het Nederlands of het Engels zijn gesteld, kan het bureau een vertaling in het Nederlands of het Engels verlangen. 2 Indien het bureau redelijke grond voor twijfel heeft over de juistheid van het verzoek of een daarbij overgelegd document, kan het ter zake bewijs of nader bewijs verlangen. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Bij ministeriële rijksregeling worden nadere regels gesteld over: a. artikel 22, eerste lid, van de wet het uitwisselen van informatie tussen het bureau en de aanvrager of de houder van een octrooi als bedoeld in, en b. artikel 22, tweede lid, van de wet wijziging van naam of adres van een aanvrager om een octrooi of octrooihouder als bedoeld in. 2 Indien het bureau redelijke grond voor twijfel heeft over de juistheid van een gegeven als bedoeld in het eerste lid kan het ter zake bewijs of nader bewijs verlangen. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 23b, eerste en derde lid, van de wet Het bureau kan van een gemachtigde als bedoeld inoverlegging van een schriftelijke volmacht verlangen indien het redelijke grond voor twijfel heeft dat deze niet is gemachtigd om namens een aanvrager, octrooihouder of andere belanghebbende bij een octrooi op te treden. 2 artikel 23b, eerste en derde lid, van de wet Indien het bureau redelijke grond voor twijfel heeft over de volmacht of de identiteit van een gemachtigde als bedoeld in, kan het van hem ter zake bewijs of nader bewijs verlangen. 3 Het bureau stelt de gemachtigde zo spoedig mogelijk in kennis van zijn twijfel en stelt hem in de gelegenheid deze twijfel weg te nemen binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop de kennisgeving is gedaan. Het bureau brengt degene die door de gemachtigde wordt vertegenwoordigd op de hoogte van zijn twijfel. 4 Wanneer geen kennisgeving is gedaan, is de in het derde lid bedoelde termijn drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de persoon, bedoeld in het eerste lid, voor het bureau is opgetreden. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 artikel 56, vierde lid, van de wet Indien de aanvraag tot inschrijving van een licentie als bedoeld inen de daarbij overlegde documenten niet in het Nederlands of het Engels zijn gesteld, kan het bureau een vertaling in het Nederlands of het Engels verlangen. 2 Indien het bureau redelijke grond voor twijfel heeft over de juistheid van een aanvraag of daarbij overgelegd document, kan het ter zake bewijs of nader bewijs verlangen. 3 artikel 56, vierde lid, van de wet Bij ministeriële rijksregeling worden nadere regels gesteld over een aanvraag tot inschrijving van een licentie als bedoeld in. Deze regels hebben in elk geval betrekking op naam en adres van de licentiegever en die van de licentienemer, het nummer van het octrooi en vermelding of de licentie een exclusieve of niet-exclusieve licentie betreft. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 14b — Artikel 14b#
Artikel 14b artikel 57, eerste lid artikel 58, eerste lid, van de wet artikelen 57 58 artikel 24 Indien het bureau met betrekking tot een beschikking of een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak als bedoeld in, onderscheidenlijktot inschrijving van een licentie als bedoeld in deenredelijke grond voor twijfel heeft over de juistheid van de daarin opgenomen gegevens als bedoeld in, kan het bureau ter zake bewijs of nader bewijs verlangen. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 14c — Artikel 14c#
Artikel 14c artikel 67, vijfde lid, 68, zesde lid, van de wet Artikel 14a, derde lid, tweede volzin Bij ministeriële rijksregeling worden nadere regels gesteld over een verzoek tot inschrijving van een pandrecht en van een beslag als bedoeld inrespectievelijk., is van overeenkomstige toepassing. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 24, vierde lid, van de wet Aan het bureau aangeboden stukken die betrekking hebben op een aanvrage om octrooi of een octrooi, niet zijnde de stukken, bedoeld in, zijn voorzien van een opschrift, dat de naam en de woonplaats van de aanvrager dan wel de octrooihouder en het volgnummer van de aanvrage of het octrooi bevat. 2 artikel 9, zesde lid, van de wet De in het eerste lid bedoelde stukken zijn duidelijk leesbaar en, behoudens de inbedoelde stukken, in de Nederlandse of Engelse taal gesteld of van een desverlangd gewaarmerkte Nederlandse vertaling voorzien. Het bureau is bevoegd op verzoek al dan niet tijdelijk ontheffing te verlenen van het voorschrift betreffende een vertaling. 3 artikel 5, eerste lid, onder b, van de wet Binnen vier maanden na de indiening van de octrooiaanvrage legt de aanvrager aan het bureau het inbedoelde bewijsstuk over dat tijdens de tentoonstelling is afgegeven door de autoriteit, belast met de bescherming van de industriële eigendom op de tentoonstelling, en waaruit blijkt dat de uitvinding inderdaad is tentoongesteld. Deze verklaring vermeldt tevens de datum waarop de tentoonstelling is geopend en eventueel de datum waarop de uitvinding voor het eerst is geopenbaard, indien deze twee data niet samenvallen. Bij deze verklaring worden stukken overgelegd die een nauwkeurige omschrijving geven van de uitvinding en die als authentiek zijn gewaarmerkt door de autoriteit, bedoeld in de eerste volzin. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 De in de wet bedoelde verzoekschriften worden door de indiener of diens gemachtigde ondertekend en vermelden: a. de naam, de voornamen en de woonplaats - of, indien het een rechtspersoon betreft, de naam en de woonplaats - van de inzender, alsmede, indien geen gemachtigde is gesteld, zijn adres; b. indien een gemachtigde is gesteld, diens naam, woonplaats en adres. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 25, tweede lid, van de wet In gevallen als bedoeld inmoet de beschrijving van de uitvinding: a. de van belang zijnde gegevens ten aanzien van de kenmerken van het biologisch materiaal bevatten waarover de aanvrager beschikt; b. de instelling waarbij, het nummer waaronder en de datum waarop het biologisch materiaal is gedeponeerd vermelden. 2 Bij de aanvrage worden overgelegd: a. artikel 21 een verklaring, inhoudende dat de aanvrager onherroepelijk toestemming verleent tot het overeenkomstigverstrekken van monsters van het door hem gedeponeerde biologisch materiaal; b. een afschrift van het door de instelling, waarbij het biologisch materiaal is gedeponeerd, afgegeven ontvangstbewijs; c. artikel 19 een afschrift van de inbedoelde verklaring. 3 Het in het eerste lid, onder b, bedoelde nummer en het in het tweede lid, onder b, bedoelde afschrift kunnen ook worden verstrekt binnen een termijn van een maand na het indienen van de aanvrage. 2004 591 18-11-2004 10-11-2004 2004 592 18-11-2004 10-11-2004 20-11-2004 Treedt in werking op het tijdstip waarop de rijkswet houdende
wijziging van de Rijksoctrooiwet, de Rijksoctrooiwet 1995 en de
Zaaizaad- en Plantgoedwet ten behoeve van de rechtsbescherming van
biotechnologische uitvindingen in werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 25, tweede lid, van de wet het depot van biologisch materiaal overeenkomstigkan geschieden bij: a. een instelling die, in overeenstemming met artikel 7 van het Verdrag inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening (Trb. 1978, 90), de status van internationaal depositaris bezit of b. een door het bureau aangewezen instelling. 2 Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder b, is vereist dat de desbetreffende instelling in staat en bereid is: a. artikel 20, eerste lid biologisch materiaal onder afgifte van een ontvangstbewijs in bewaring te nemen en, onder het treffen van de nodige maatregelen voor het behoud van eigenschappen en veiligheid, in overeenstemming met, op te slaan; b. artikel 21 in overeenstemming metmonsters te verstrekken van gedeponeerd biologisch materiaal; c. onverminderd het onder a en b bepaalde, gedeponeerd biologisch materiaal beschikbaar te houden en beschikbaar te stellen door daarvan monsters te verstrekken gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaar na het tijdstip waarop het laatste verzoek om verstrekking van een monster van het desbetreffende materiaal door de instelling werd ontvangen, en in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste 30 jaar na de datum van depot. 3 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan worden gedaan voor alle of voor bepaalde soorten van biologisch materiaal. 4 Het bureau trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder b, in, indien de desbetreffende instelling niet meer voldoet aan het tweede lid. 5 Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt met een door het bureau aangewezen instelling gelijkgesteld een door de Octrooiraad aangewezen instelling. 2004 591 18-11-2004 10-11-2004 2004 592 18-11-2004 10-11-2004 20-11-2004 Treedt in werking op het tijdstip waarop de rijkswet houdende
wijziging van de Rijksoctrooiwet, de Rijksoctrooiwet 1995 en de
Zaaizaad- en Plantgoedwet ten behoeve van de rechtsbescherming van
biotechnologische uitvindingen in werking treedt.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikel 25, tweede lid, van de wet Bij een overeenkomstigverricht depot wordt een schriftelijke verklaring van de bewaargever gevoegd, inhoudende: a. een uiteenzetting omtrent de omstandigheden alsmede de eigenschappen van het biologisch materiaal die van belang zijn voor het kweken, de opslag, de hantering en de levensvatbaarheid van het biologisch materiaal; b. een aanduiding van de methode waarmee de aanwezigheid van het biologisch materiaal kan worden vastgesteld; c. een identificatieaanduiding en, zo mogelijk, de wetenschappelijke beschrijving en de voorgestelde taxonomische aanduiding van het biologisch materiaal. 2004 591 18-11-2004 10-11-2004 2004 592 18-11-2004 10-11-2004 20-11-2004 Treedt in werking op het tijdstip waarop de rijkswet houdende
wijziging van de Rijksoctrooiwet, de Rijksoctrooiwet 1995 en de
Zaaizaad- en Plantgoedwet ten behoeve van de rechtsbescherming van
biotechnologische uitvindingen in werking treedt.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 25, tweede lid, van de wet artikel 21 Het biologisch materiaal dat is gedeponeerd overeenkomstig, dient vanaf de dag van indiening van de desbetreffende aanvrage om octrooi beschikbaar te zijn voor het verstrekken van monsters overeenkomstig, tot de datum waarop vaststaat dat op die aanvrage geen octrooi verleend wordt, dan wel tot de datum waarop het op die aanvrage verleende octrooi zijn kracht verliest. 2 artikel 18, eerste lid Indien het biologisch materiaal ophoudt beschikbaar te zijn bij de instelling waarbij het is opgeslagen, omdat het biologisch materiaal niet meer levensvatbaar is of de instelling om andere redenen niet in staat is monsters van dat materiaal af te geven en het materiaal niet is overgedragen aan een andere instelling als bedoeld in, waarbij het toegankelijk blijft, wordt het niettemin aangemerkt als beschikbaar te zijn gebleven, indien, binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop de instelling of het bureau het niet meer beschikbaar zijn van het materiaal ter kennis heeft gebracht van de bewaargever daarvan, een nieuw depot van het desbetreffende biologisch materiaal wordt verricht en een afschrift van het door de betrokken instelling afgegeven ontvangstbewijs van het nieuwe depot, met aanduiding van het nummer van de octrooiaanvrage of van het octrooi, aan het bureau is toegezonden. 3 artikel 18, eerste lid artikel 27, eerste lid Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien de instelling waarbij het materiaal is opgeslagen de uitoefening van haar functies ten aanzien van gedeponeerd biologisch materiaal heeft gestaakt of niet meer voldoet aan de omschrijving in, met dien verstande dat de in het tweede lid bedoelde termijn van drie maanden begint op de datum waarop dat feit is vermeld in het in, bedoelde blad. 4 Ieder nieuw depot als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van een door de bewaargever ondertekende verklaring dat het opnieuw gedeponeerde biologisch materiaal gelijk is aan het oorspronkelijk gedeponeerde. 5 artikel 27, eerste lid Indien zich een feit als bedoeld in het derde lid voordoet, doet het bureau hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het in, bedoelde blad. 2004 591 18-11-2004 10-11-2004 2004 592 18-11-2004 10-11-2004 20-11-2004 Treedt in werking op het tijdstip waarop de rijkswet houdende
wijziging van de Rijksoctrooiwet, de Rijksoctrooiwet 1995 en de
Zaaizaad- en Plantgoedwet ten behoeve van de rechtsbescherming van
biotechnologische uitvindingen in werking treedt.
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 21 van de wet dat artikel artikel 25, tweede lid, van de wet Een ieder die op grond vanhet recht heeft tot kennisneming van de inbedoelde stukken met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi, kan verzoeken om afgifte van een monster van overeenkomstiggedeponeerd biologisch materiaal waarop een aanvrage of een octrooi betrekking heeft. 2 Het verzoek wordt gericht aan het bureau door middel van een door het bureau vastgesteld formulier. Het verzoek gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van de verzoeker, dat hij zich er jegens de aanvrager of de houder van het octrooi toe verplicht het gedeponeerde biologisch materiaal of daarvan afgeleide materiaal, tot de datum waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi wordt verleend dan wel, indien octrooi is verleend, zolang dit van kracht is: a. niet aan derden ter beschikking te stellen; b. artikel 57 60 van de wet artikel 59 van de wet alleen voor proefnemingen te gebruiken, tenzij de verzoeker het materiaal gebruikt als houder van een overeenkomstigofontstane licentie, dan wel als gerechtigde ingevolge; c. alleen voor proefnemingen te gebruiken, tenzij de aanvrager of de houder van het octrooi uitdrukkelijk van deze verplichting afziet. 3 artikel 31 van de wet De aanvrager om octrooi kan, tot de datum waarop de aanvrage overeenkomstigin het octrooiregister wordt ingeschreven, het bureau op een daartoe door het bureau vastgesteld formulier mededelen dat tot de datum waarop octrooi wordt verleend of tot de datum, waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi wordt verleend, de afgifte overeenkomstig het eerste lid van monsters van het door hem gedeponeerde biologisch materiaal, alleen kan geschieden aan een door de verzoeker aangewezen deskundige. De in het tweede lid, tweede volzin, bedoelde verklaring wordt in dat geval door de desbetreffende deskundige meeondertekend. 4 Als deskundige kan worden aangewezen: a. iedere natuurlijke persoon ten aanzien van wie de verzoeker bij de indiening van het verzoek aantoont dat de aanvrager van het octrooi heeft ingestemd met zijn aanwijzing; b. iedere natuurlijke persoon die door de Directeur van het bureau als deskundige is erkend. 5 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder afgeleid materiaal verstaan ieder materiaal dat nog die kenmerken van het gedeponeerde materiaal bezit welke essentieel zijn voor de toepassing van de uitvinding. De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, vormen geen beletsel voor het deponeren van afgeleid materiaal, noodzakelijk voor de octrooiverleningsprocedure. 6 Het bureau zendt het verzoek aan de instelling. Daarbij vermeldt het bureau of een octrooiaanvrage, die een vermelding bevat van het depot van biologisch materiaal, is ingediend en of de verzoeker recht heeft op de afgifte van een monster van dat biologisch materiaal. Gelijktijdig met toezending van het verzoek aan de instelling zendt het bureau een afschrift van het verzoek aan de aanvrager of de houder van het octrooi. 7 artikel 25, tweede lid, van de wet Na de verlening van een octrooi kan een ieder verzoeken om afgifte van een monster van overeenkomstiggedeponeerd biologisch materiaal waarop het octrooi betrekking heeft. Het tweede, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 8 Indien vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi wordt verleend of indien de octrooiaanvrage wordt ingetrokken, kan de aanvrager het bureau op een daartoe door het bureau vastgesteld formulier meedelen dat tot twintig jaar na de datum waarop de octrooiaanvrage werd ingediend, de afgifte overeenkomstig het eerste lid van monsters van door hem gedeponeerd biologisch materiaal alleen kan geschieden aan een door de verzoeker aangewezen deskundige. Het tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2004 591 18-11-2004 10-11-2004 2004 592 18-11-2004 10-11-2004 20-11-2004 Treedt in werking op het tijdstip waarop de rijkswet houdende
wijziging van de Rijksoctrooiwet, de Rijksoctrooiwet 1995 en de
Zaaizaad- en Plantgoedwet ten behoeve van de rechtsbescherming van
biotechnologische uitvindingen in werking treedt.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikelen 18, eerste lid 20, tweede lid artikel 18, eerste lid, onder a Indien het depot, bedoeld in de, en, is geschied overeenkomstig het in, bedoelde verdrag, zijn in geval van strijdigheid van de bepalingen van deze paragraaf met dat verdrag, de bepalingen van dat verdrag doorslaggevend. 2004 591 18-11-2004 10-11-2004 2004 592 18-11-2004 10-11-2004 20-11-2004 Treedt in werking op het tijdstip waarop de rijkswet houdende
wijziging van de Rijksoctrooiwet, de Rijksoctrooiwet 1995 en de
Zaaizaad- en Plantgoedwet ten behoeve van de rechtsbescherming van
biotechnologische uitvindingen in werking treedt.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 52, eerste lid, van de wet artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag De termijn, waarbinnen krachtensna verlening van een Europees octrooi een vertaling in het Nederlands of in het Engels van de tekst waarin het Europees Octrooibureau voorstelt dat octrooi te verlenen moet zijn ingediend, is drie maanden vanaf de dag, waarop overeenkomstigde vermelding van de verlening is gepubliceerd. De termijn van de eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het indienen van een vertaling in het Nederlands van de conclusies van het verleende octrooi. 2 artikel 103, van het Europees Octrooiverdrag De termijn, waarbinnen een vertaling van de tekst van een nieuw octrooischrift, indien in het Europees octrooi tijdens de oppositieprocedure wijziging is gekomen, moet zijn ingediend, is drie maanden vanaf de dag, waarop overeenkomstigde vermelding van de beslissing ten aanzien van de oppositie is gepubliceerd. 3 artikel 52, eerste onderscheidenlijk zesde lid, van de wet Het ingevolgeverschuldigde bedrag moet worden betaald voor afloop van de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde termijn van drie maanden. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Het bureau verstrekt aan de octrooihouder een bewijs dat, naast de verklaring dat octrooi is verleend, bevat: a. de naam, de voornamen en de woonplaats - of, indien het een rechtspersoon betreft, de naam en de woonplaats - van de octrooihouder; b. de korte aanduiding van de uitvinding; c. de dagtekening van het octrooi en het nummer, waaronder van de verlening daarvan aantekening in het octrooiregister is gedaan; d. artikel 28 van de wet het volgnummer en de datum van indiening van de aanvrage, alsmede, indien het betreft een octrooi, verleend ingevolge een afzonderlijke aanvrage als inbedoeld, de vorenbedoelde gegevens van de oorspronkelijke aanvrage; e. de vermelding van het recht van voorrang; f. artikel 33, vijfde lid artikel 36, vijfde lid, van de wet de datum, waarop de termijn, bedoeld in, ofeindigt. 2 Het octrooibewijs wordt door de directeur van het bureau ondertekend. 2000 12 18-01-2000 24-12-1999 2000 12 18-01-2000 24-12-1999 01-03-2000
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 33, vierde lid artikel 36, tweede lid, van de wet artikel 3 De uitgifte van een octrooischrift krachtens, engeschiedt met vermelding van de datum van de inschrijving van de aanvrage om octrooi in het octrooiregister, van de dagtekening van het octrooi en het nummer waaronder van de verlening daarvan aantekening in het octrooiregister is gedaan, van de termijn gedurende welke het octrooi van kracht blijft alsmede van de invan dit besluit bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, van het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek. 2 artikel 99 van de wet Aan het bureau voor de industriële eigendom als bedoeld inwordt zo spoedig mogelijk een exemplaar van de in het eerste lid bedoelde stukken toegezonden. 2010 343 01-09-2010 20-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, eerste lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 19, vierde lid, van de wet Aan een ieder wordt op daartoe strekkend verzoek als bedoeld in, waarbij wordt aangegeven op welke aanvrage om octrooi of welk octrooi en welke stukken dat verzoek betrekking heeft,: a. uit het octrooiregister schriftelijk inlichtingen verstrekt tegen betaling van een bedrag van € 3 indien de inlichtingen op één aanvrage om octrooi of octrooi betrekking hebben, vermeerderd met een bedrag van € 2 voor iedere volgende aanvrage om octrooi of octrooi, waarover de inlichtingen gevraagd worden; b. uit het octrooiregister gewaarmerkte uittreksels verstrekt tegen betaling van een bedrag van € 9 voor iedere aanvrage om octrooi of octrooi, waarop het verlangde uittreksel betrekking heeft; c. artikel 27, derde lid afschriften van in het octrooiregister ingeschreven stukken verstrekt tegen betaling van een door het bureau voor elk voor verstrekking in aanmerking komend afschrift te bepalen en in het in, genoemde Bijblad bekend te maken bedrag van ten hoogste € 1 per bladzijde. 2 Op verzoek worden aan daarop rechthebbenden bewijzen van het recht van voorrang, berustend op een in Nederland ingediende aanvrage om octrooi, verstrekt tegen betaling van een bedrag van € 9 per bewijs. 3 Elk jaar wordt bezien of het in dat jaar gepubliceerde prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie aanleiding geeft tot wijziging van de bedragen, genoemd in het eerste lid. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële rijksregeling vastgesteld. 2009 7 13-01-2009 09-12-2008 2009 429 27-10-2009 15-10-2009 01-04-2010
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikel 20, eerste lid, van de wet Het inbedoelde blad draagt de naam "De Industriële Eigendom" en verschijnt regelmatig op door het bureau te bepalen tijdstippen. 2 Het bureau draagt zorg voor de samenstelling van het blad en stelt de prijs ervan vast, welke in het blad wordt bekendgemaakt. 3 In het blad "De Industriële Eigendom" of het daarbij behorende "Bijblad" worden, behalve de in de wet en dit besluit voorgeschreven bekendmakingen, gegevens bekendgemaakt ten aanzien van stukken waarvan een ieder gerechtigd is kennis te nemen en waarvan bekendmaking naar het oordeel van het bureau nodig is voor een duidelijk overzicht van al hetgeen geschiedt ten aanzien van aanvragen om octrooien en octrooien, daaronder begrepen Europese octrooien. 4 Het bureau doet in het blad "De Industriële Eigendom" of het daarbij behorende "Bijblad" voorts die gegevens vermelden welke naar zijn oordeel met het oog op een zo doeltreffend mogelijke voorlichting aan het publiek omtrent onderwerpen betreffende de octrooiverlening daarvoor in aanmerking komen. 5 artikel 3 van het Octrooigemachtigden-reglement In het blad "De Industriële Eigendom" of het daarbij behorende "Bijblad" worden tevens vermeld inschrijvingen en doorhalingen in het register van octrooigemachtigden als bedoeld in. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a 1 23a van de wet Degene die het examen, bedoeld in artikel, wenst af te leggen, legt aan de examencommissie een van de volgende bescheiden over: a. bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a, b of h het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd examen dat geldt als afsluiting van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, verzorgd door de faculteit der wiskunde en natuurwetenschappen van een instelling als bedoeld in de; b. het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd examen dat geldt als afsluiting van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de techniek of van de landbouw en de natuurlijke omgeving; c. het bewijs, dat hij, na met goed gevolg hetzij de volledige opleiding tot beroepsofficier bij een technisch wapen of dienstvak aan de Koninklijke Militaire Academie, hetzij de volledige opleiding tot beroepszeeofficier of tot beroepsofficier van een van de technische diensten bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te hebben doorlopen, ten minste gedurende vijf jaar als beroepsofficier belast is geweest met werkzaamheden van technische aard; d. een diploma van een buitenlandse universiteit, instelling voor hoger onderwijs of andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau op het gebied van de wiskunde, de natuurwetenschappen, de techniek of de landbouw en de natuurlijke omgeving dat voldoet aan artikel 11, onder e, van de richtlijn. 2 De examencommissie kan degene die het examen wenst af te leggen, vrijstellen van de plicht om een van de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, over te leggen, indien hij naar het oordeel van de examencommissie en de raad van toezicht van de orde ruime ervaring heeft met octrooiaangelegenheden, doordat hij een aanmerkelijk aantal jaren werkzaamheden heeft verricht die hem geschikt maken om als octrooigemachtigde op te treden. 3 Onverwijld na ontvangst van een verzoek om vrijstelling als bedoeld in het tweede lid, zendt de examencommissie een afschrift daarvan aan de raad van toezicht. 4 artikelen 23s 23t van de wet De examencommissie beslist binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, dan wel binnen zestien weken na ontvangst van het verzoek indien zij zich nader over het verzoek wil beraden en zij daarvan bericht doet aan de betrokkene. Indien zij overweegt het verzoek af te wijzen, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2007 316 11-09-2007 29-08-2007 2007 316 11-09-2007 29-08-2007 20-10-2007
Artikel 27b — Artikel 27b#
Artikel 27b 1 artikel 23a van de wet Degene die de proeve van bekwaamheid, bedoeld in, wenst af te leggen, legt aan de examencommissie een van de volgende bescheiden over: a. een opleidingstitel als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de richtlijn, afgegeven door een bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d, van de richtlijn, dat door een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is voorgeschreven om op het grondgebied van die staat als gemachtigde in octrooizaken op te kunnen treden en dat in een lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is behaald, dan wel b. een bewijs dat hij het optreden als gemachtigde in octrooizaken gedurende een jaar tijdens de voorafgaande tien jaar voltijds, of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds, heeft uitgeoefend in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waar het beroep van octrooigemachtigde niet is gereglementeerd als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de richtlijn en in het bezit is van een of meer bekwaamheidsattesten of opleidingstitels die voldoen aan artikel 13, tweede lid, onder a tot en met c, van de richtlijn. 2 In afwijking van het eerste lid wordt de erkenning van beroepskwalificaties geweigerd indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een bekwaamheidsattest op het kwalificatieniveau, bedoeld in artikel 11, onder a, van de richtlijn. 3 De beroepservaring van een jaar, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt niet geëist indien de migrerende beroepsbeoefenaar met de opleidingstitel of opleidingstitels een gereglementeerde opleiding als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van de richtlijn heeft afgesloten. 4 De examencommissie aanvaardt als bewijs dat door de desbetreffende kandidaat aan het eerste lid wordt voldaan de attesten en opleidingstitels als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van de richtlijn die met het oog daarop door de bevoegde autoriteit van de staat, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt. 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 07-10-2016 18-01-2016
Artikel 27c — Artikel 27c#
Artikel 27c 1 Het examen en de proeve van bekwaamheid worden schriftelijk of mondeling in het Nederlands afgelegd. 2 De bedragen die degene die aan een examen of proeve van bekwaamheid of een gedeelte daarvan wenst deel te nemen, verschuldigd is, worden bij ministeriële regeling vastgesteld en worden zodanig berekend dat daarmee de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden van de examencommissie, worden gedekt. 3 De uitslag van een examen of proeve van bekwaamheid of een deel daarvan wordt binnen acht weken na het afleggen daarvan bekendgemaakt. Indien de uitslag niet binnen deze termijn kan worden gegeven, stelt de examencommissie de betrokkene daarvan in kennis en noemt zij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de uitslag tegemoet kan worden gezien. 4 De examencommissie stelt de betrokkene op zijn verzoek gedurende vier weken na het bekendmaken van de uitslag in de gelegenheid zijn beoordeelde werk in te zien. 2003 158 17-04-2003 04-04-2003 2003 159 17-04-2003 04-04-2003 01-05-2003
Artikel 27d — Artikel 27d#
Artikel 27d 1 Om het examen of de proeve van bekwaamheid met goed gevolg af te leggen, is vereist dat degene die zich daaraan onderwerpt, ervan blijk geeft: a. dat hij voldoende kennis bezit van het Nederlandse recht met betrekking tot de industriële eigendom alsmede de meest relevante buitenlandse wetgeving en de belangrijkste internationale regelingen die daarop betrekking hebben, b. dat hij in staat is het recht en de regelingen, bedoeld onder a, toe te passen in de praktijk en c. dat hij kennis bezit van de beginselen van het Nederlandse burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, voor zover deze kennis nodig is voor een goed begrip van het Nederlandse recht met betrekking tot de industriële eigendom. 2 De examencommissie bepaalt welke onderwerpen, kennis en vaardigheden als uitwerking van de exameneisen, bedoeld in het eerste lid, getoetst zullen worden. Het besluit van de examencommissie over de uitwerking van de exameneisen behoeft de goedkeuring van Onze Minister. 3 artikel 27b Degene die zich onderwerpt aan de proeve van bekwaamheid wordt niet getoetst op kennis waarover hij blijkens de door hem overgelegde diploma's, bewijsstukken of opleidingstitels, bedoeld in, eerste lid, reeds beschikt en op vaardigheden en competenties die de aanvrager heeft verworven in het kader van zijn beroepservaring of in het kader van een leven lang leren als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder l, van de richtlijn en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd, in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of een derde land. 4 Een ieder die het examen of de proeve van bekwaamheid met goed gevolg heeft afgelegd, verkrijgt een getuigschrift als bewijs daarvan. 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 07-10-2016 18-01-2016
Artikel 27e — Artikel 27e#
Artikel 27e 1 Een aanvraag om inschrijving in het register van octrooigemachtigden wordt ingediend bij de directeur van het bureau. 2 Een aanvraag kan niet worden gedaan door een aanvrager die in staat van faillissement is verklaard, op wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, die onder curatele is gesteld of die is ontzet uit het recht om als gemachtigde van een aanvrager voor het bureau op te treden. 3 De aanvrager voegt bij zijn aanvraag: a. het getuigschrift dat hij ten hoogste tien jaren voor de datum van indiening van de aanvraag heeft verkregen met het afleggen van het examen en een bewijs dat hij gedurende ten minste drie jaren octrooiaanvragen heeft behandeld onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde, b. het getuigschrift dat hij ten hoogste tien jaren voor de datum van indiening van de aanvraag heeft verkregen met het afleggen van de proeve van bekwaamheid, of c. artikel 23a, vijfde lid, van de wet een ontheffing als bedoeld indie in de plaats komt van een getuigschrift als bedoeld onder a of b, onderscheidenlijk van het bewijs dat hij gedurende ten minste drie jaren octrooiaanvragen heeft behandeld onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde. 2003 158 17-04-2003 04-04-2003 2003 159 17-04-2003 04-04-2003 01-05-2003
Artikel 27f — Artikel 27f#
Artikel 27f 1 artikel 27e, derde lid, onder a Indien degene die een aanvraag om inschrijving in het register van octrooigemachtigden indient, gedurende ten minste drie jaren bij de Octrooiraad de functie van vooronderzoeker, bij het bureau de functie van technisch adviseur, of bij het Europees Octrooibureau de functie van technisch onderzoeker heeft vervuld, wordt de termijn, bedoeld in, waarin hij octrooiaanvragen moet hebben behandeld onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde, bekort tot één jaar. 2 artikel 23a, tweede lid, van de wet Het bureau erkent een in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland gevolgde beroepsstage als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder j, van de richtlijn, indien deze in overeenstemming is met de regels, bedoeld in het derde lid, en houdt rekening met een in een derde land gevolgde beroepsstage. Een erkenning van een beroepsstage als bedoeld in de eerste volzin vervangt niet het verplicht af te leggen examen, bedoeld in. 3 artikel 27e, derde lid, onder a In een geval als bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn, bedoeld in, waarin octrooiaanvragen moeten zijn behandeld onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde bekort met de duur van de gevolgde beroepsstage tot tenminste tot één jaar. 4 Het bureau stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en voor de organisatie van de beroepsstage, met name betreffende de rol van de supervisor van de beroepsstage. 5 artikel 23a, vijfde lid, van de wet artikelen 23s 23t van de wet De raad van toezicht beslist op een aanvraag als bedoeld inbinnen vier weken na ontvangst daarvan, dan wel binnen zestien weken na ontvangst daarvan indien hij zich nader over de aanvraag wil beraden en hij daarvan bericht doet aan de betrokkene. Indien de raad overweegt de aanvraag af te wijzen, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 07-10-2016 18-01-2016
Artikel 27g — Artikel 27g#
Artikel 27g 1 Het bureau zendt aan de raad van toezicht onverwijld een afschrift van de aanvraag tot inschrijving in het register van octrooigemachtigden en de daarbij behorende stukken met het verzoek de aanvraag te beoordelen. 2 artikel 27f, vijfde lid De raad van toezicht beoordeelt een aanvraag om inschrijving in het register van octrooigemachtigden met overeenkomstige toepassing van. 3 artikel 27f, vijfde lid De raad van toezicht kan binnen de termijn, bedoeld in, een met redenen omkleed afwijzend oordeel geven omtrent de aanvraag tot inschrijving op de grond dat: a. artikel 27e, tweede lid op de aanvrager, van toepassing is, b. artikel 27e, derde lid de aanvrager bij de aanvraag niet het getuigschrift, het bewijs of de ontheffing, bedoeld in, heeft gevoegd, of c. artikel 23n van de wet gegronde vrees bestaat, dat de aanvrager zich schuldig zal maken aan enig handelen of nalaten als bedoeld in. 4 artikel 27f, vijfde lid De secretaris van de raad van toezicht zendt de aanvrager en het bureau onverwijld een afschrift van het bericht, bedoeld in, en van het oordeel omtrent de aanvraag tot inschrijving. 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 07-10-2016 18-01-2016
Artikel 27h — Artikel 27h#
Artikel 27h 1 27g, derde lid hoofdstukken 6 7 van de Algemene wet bestuursrecht Een belanghebbende kan bij de raad van toezicht bezwaar maken tegen een afwijzend oordeel als bedoeld in artikel. Deenzijn van overeenkomstige toepassing op het bezwaar. 2 artikelen 27a, vierde lid artikel 27f, vijfde lid Een belanghebbende kan tegen een beslissing op bezwaar als bedoeld in het eerste lid en tegen een beslissing op bezwaar ten aanzien van de besluiten, bedoeld in de, en, beroep instellen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. 3 Artikel 23w, tweede, derde, vierde en zevende lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep door het gerechtshof. 4 De beslissingen van het gerechtshof zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken. 5 De griffier van het gerechtshof zendt bij aangetekende brief terstond een afschrift van de beslissing van het gerechtshof aan de belanghebbende, aan de voorzitter van de raad van toezicht en aan het bureau. 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 07-10-2016 18-01-2016 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 27i — Artikel 27i#
Artikel 27i 1 artikel 27f, vijfde lid Het bureau schrijft de aanvrager in in het register van octrooigemachtigden nadat de termijn, bedoeld in, is verstreken zonder dat van de raad van toezicht een afwijzend oordeel is ontvangen, dan wel na ontvangst van: a. een instemmend oordeel van de raad van toezicht op het verzoek tot inschrijving, b. een met het verzoek tot inschrijving instemmende beslissing op bezwaar tegen een afwijzend oordeel van de raad van toezicht, of c. een beslissing van het gerechtshof waarbij het beroep tegen een afwijzend oordeel van de raad van toezicht gegrond wordt verklaard. 2 artikel 27f, vijfde lid Het bureau schrijft de aanvrager niet in in het register als de raad van toezicht binnen de termijn, bedoeld in, of na ingesteld bezwaar een afwijzend oordeel op het verzoek tot inschrijving heeft gegeven dan wel, in het geval de aanvrager beroep tegen een afwijzende beslissing op bezwaar heeft ingesteld, als het gerechtshof het beroep tegen een afwijzend oordeel van de raad van toezicht ongegrond heeft verklaard. 3 De inschrijving geschiedt nadat de aanvrager ten overstaan van de directeur van het bureau de volgende eed of belofte heeft afgelegd: «Ik zweer (Ik beloof) dat ik het beroep van octrooigemachtigde nauwgezet zal vervullen met inachtneming van de daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften, dat ik de mij in die hoedanigheid toevertrouwde belangen met ijver en eerlijkheid zal behartigen en dat ik geheimhouding zal bewaren omtrent alle aangelegenheden, die mij in mijn hoedanigheid van octrooigemachtigde ter kennis komen en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik).» 4 Het bureau doet mededeling van de inschrijving aan degene die is ingeschreven en aan de secretaris van de orde. 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 2016 315 06-09-2016 25-08-2016 07-10-2016 18-01-2016
Artikel 27j — Artikel 27j#
Artikel 27j 1 artikelen 23m, eerste lid 23u, eerste lid, onder c, van de wet Het bureau doet aantekening in het register van octrooigemachtigden van het begin en het einde van een schorsing als bedoeld in de, en. 2 Het bureau schrijft een ingeschreven octrooigemachtigde uit het register van octrooigemachtigden: a. op diens verzoek, b. na diens overlijden, of c. artikel 23u, eerste lid, onder d, van de wet nadat een beslissing tot ontzetting van de ingeschrevene uit het recht om als gemachtigde voor het bureau op te treden als bedoeld in, onherroepelijk is geworden. 3 Het bureau doet mededeling van de uitschrijving aan de secretaris van de orde en, in een geval als bedoeld in het tweede lid, onder a of c, aan de betrokkene. 2003 158 17-04-2003 04-04-2003 2003 159 17-04-2003 04-04-2003 01-05-2003
Artikel 27k — Artikel 27k#
Artikel 27k 1 artikel 23b, eerste lid, van de wet artikelen 9, zesde lid 19, vierde lid 21 23a, tweede, derde en zesde lid 38, eerste lid 52, eerste, zevende en achtste lid 58, vijfde lid 61 64, tweede lid 67, eerste, tweede en vierde lid 68, eerste en vierde lid 72, derde lid 95 van de wet Als optreden voor het bureau in de zin vanworden niet aangemerkt het bij of aan het bureau indienen van vertalingen, betalen van bedragen, vragen om inschrijving in het register van octrooigemachtigden, inzien van registers, kennisnemen van stukken, verstrekken van gegevens, verzoeken om inschrijving in het octrooiregister van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak, licentie, overdracht, overgang, pandrecht of beslag, of andere daarmee verband houdende administratieve handelingen, bedoeld in de,,,,,,,,,,,, en. 2 De in het eerste lid genoemde handelingen kunnen door andere gemachtigden dan een octrooigemachtigde of advocaat worden verricht. 2003 158 17-04-2003 04-04-2003 2003 159 17-04-2003 04-04-2003 01-05-2003
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 57, tweede lid, van de wet Staten als bedoeld inzijn: a. de lid-staten van de Europese Unie, b. een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of c. artikel 57, tweede lid, eerste volzin van de wet een andere staat die is aangesloten bij het Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie, indien in deze staat een inrichting van nijverheid als bedoeld in, in werking is en in het Koninkrijk een voldoende aanbod van het geoctrooieerde, dan wel door middel van de geoctrooieerde werkwijze vervaardigde, voortbrengsel is verzekerd. 1997 382 11-09-1997 26-08-1997 1997 382 11-09-1997 26-08-1997 12-09-1997
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 artikel 99 van de wet artikel 31 van de wet Aanvragen om octrooi, ingediend bij het bureau voor de industriële eigendom als bedoeld in, worden na ontvangst bij het bureau in Nederland ingeschreven in het octrooiregister met inachtneming van het inbepaalde. 2010 343 01-09-2010 20-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, eerste lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 Het bedrag dat bij het indienen van een aanvrage om een certificaat of verlenging van de duur van het certificaat moet worden betaald, is € 544. 2 Indien de aanvragen om een certificaat en verlenging van de duur van het certificaat gelijktijdig worden ingediend, moet een bedrag worden betaald van € 800. 3 Elk jaar wordt bezien of het in dat jaar gepubliceerde prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie aanleiding geeft tot wijziging van de bedragen, genoemd in dit artikel. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële rijksregeling vastgesteld. 2010 343 01-09-2010 20-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, eerste lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 95 van de wet Het bedrag dat krachtensvoor een certificaat moet worden betaald, is voor: het eenentwintigste jaar € 1.600 het tweeëntwintigste jaar € 1.800 het drieëntwintigste jaar € 2.000 het vierentwintigste jaar € 2.200 het vijfentwintigste jaar € 2.400 het zesentwintigste jaar € 1.300 2 Artikel 6, achtste lid , is van overeenkomstige toepassing op het eerste lid. 2008 124 22-04-2008 08-04-2008 2008 124 22-04-2008 08-04-2008 05-06-2008
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a 1 artikel 27a Tot 1 januari van het vijfde jaar na inwerkingtreding vanwordt met een van de bescheiden, bedoeld in dat artikel, gelijkgesteld het brevet hogere technische bekwaamheid (H.T.B.) voor officieren van de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht, bedoeld in de beschikking van de Minister van Oorlog van 23 juni 1952 (L.O. 1952, no. 189.L-LM), dat is toegekend na het volgen van een cursus hogere militair-technische vorming als bedoeld in de beschikkingen van de Minister van Oorlog van 14 maart 1955 (L.O. 1955, no. 55085 L-code no. 78/35) en van 30 juli 1955 (Lu.O. 55512 – code no. 78/50). 2 artikel 101 van de wet artikel 23a van de wet Tot 1 januari van het vijfde jaar na het tijdstip, bedoeld in, heeft degene die technisch gewoon lid van de Octrooiraad is of geweest is, vrijstelling van de verplichting het examen of de proeve van bekwaamheid, bedoeld in, af te leggen en gedurende ten minste drie jaren octrooiaanvragen onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde te behandelen. 3 artikel 101 van de wet artikel 27d, eerste lid, onder a artikel 27e, derde lid, onder a Tot 1 januari van het vijfde jaar na het tijdstip, bedoeld in, heeft degene die technisch plaatsvervangend lid van de Octrooiraad is of geweest is, vrijstelling van de verplichting het gedeelte van het examen af te leggen dat ertoe strekt te doen blijken dat hij in staat is het recht en de regelingen, bedoeld in, toe te passen in de praktijk. Tevens wordt voor hem tot dat tijdstip de termijn, bedoeld in, waarin hij octrooiaanvragen moet hebben behandeld onder verantwoordelijkheid van een octrooigemachtigde, bekort tot één jaar. 2003 158 17-04-2003 04-04-2003 2003 159 17-04-2003 04-04-2003 01-05-2003
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995. 1995 108 07-03-1995 20-02-1995 1995 109 07-03-1995 20-02-1995 01-04-1995